Plat spleetje in een slipje

Een jaar of 5-6 moet ik geweest zijn. De speelzaal zat volgepakt met drukdoende kleuters. Sommigen zaten te spelen met autootjes. Een paar zaten al iets rustiger prenten in te kleuren terwijl anderen dan weer zeurden en weenden omdat ze te moe waren om zich nog met iets anders bezig te kunnen houden.

Het rook er naar banaan, versgeperst appelsiensap en koekjes ook. De geprakte Vitabis werd omgetoverd tot een papje waarvan de geur me eeuwig en één dag zal bijblijven. De kleuterklas rook altijd naar fruit of naar volle Pampers en natte poepdoekjes met kamille of lavendel.

Ik zat te kleuren op de grond. Tenminste, ik deed alsof. Want eigenlijk was dat kleuren gewoon een dankbaar alibi. Met mijn neus zo dicht op mijn potlood  kon ik immers proberen een glimp op te vangen van het onderbroekje van het oogverblindende meisje dat naast mij druk in de weer was met haar poppenhuis. Dat onderbroekje met het roze strikje en vooral wat er achter zat eiste zo veel meer nieuwsgierige aandacht op dan mijn potlood waarvan het punt gebroken was.

Ik wist dat meisjes niet waren zoals jongens. Ik had er al zoveel onwaarschijnlijke verhalen over gehoord dat ik het zelf wou achterhalen.

Op de speelplaats had ik gehoord dat meisjes een spleetje hadden. Die ene zei dat ze een plat spleetje hadden. Hij bedoelde het wellicht anders maar hij kende het woord horizontaal nog niet.  De andere wist dat het een recht spleetje was omdat hij met zijn zus in bad moest. Ik geloofde er niks van maar ik was nog nooit met een meisje in bad geweest.  Wist ik veel. Ooit zou daar wel verandering in komen.

Toen de juf me betrapte werd ik vuurrood en moest ik in de hoek.  “Je moest heel beschaamd zijn”: viel ze me boos aan.  Ik denk dat ik niet heel precies wist wat heel beschaamd zijn betekende.  Hoewel mijn pioenkleur mogelijks wel anders deed vermoeden. Nooit ben ik te weten ben gekomen wat die oppas-non een paar minuten later tegen mijn vader heeft gezegd. Al weet ik nog wel dat er de zaterdag nadien vreemde boekjes uit de bib werden mee gebracht waarin ik niet durfde te kijken omdat ik dacht dat ze niet voor mij bestemd waren.

Met mijn eerste onkuis piepen ben ik mijn onschuld kwijt geraakt denk ik. Want jaren later probeerden we in het zwembad opnieuw tussen spleetjes van deuren naar spleetjes te gluren. Al wisten we er toen al iets meer van. Maar alleen maar door de spleetjes in de deuren van het zwembad uiteraard. Of misschien toen ook al  van uit de boekjes die verstopt waren in de bunkers.

Zondigheid staat stoer zal ik toen gedacht hebben. En als ik vandaag zie hoe de gemiddelde huismoeder zich, heden-ten-dage, uitslooft om er op Instagram als wulpse zondares uit te zien zal ik toen al wel een punt gehad hebben. Al koester ik deze gedachte misschien alleen maar om mijn puberaal voyeurisme van toen te verbloemen. Of is het wel mijn aangeboren luiheid die me er op die manier doet mee omgaan? Luiheid, naast onkuisheid … nog zo’n doodzonde en dan vergeet ik mijn traagheid en hoogmoed nog waarmee ik mezelf graag in het middelpunt van de belangstelling wurm.

Mijn deugddoende zonden. Er zijn er na dat onderbroekje met het roze strikje zeker nog veel gepasseerd. Goed dat ze nog steeds af en toe de kop steken. De biecht mag dan wel verdwenen zijn, maar de zonden zijn gebleven. Ze verplichten me om na te denken over hoe het beter kan of hoe ik het anders aan boord kan leggen. En ze geven me een heerlijk schuldgevoel, dat me voor saaiheid en enggeestigheid behoedt.

Maar misschien is het wel hoogtijd om er een paar bij te sleuren zodat het lijstje wat actueler en vollediger wordt. Misschien kunnen vervuiling, sociale ongelijkheid, onverdraagzame vegetariërs, transgenders en zakkenvullende politiekers de Bijbelse zondaars compleet maken.  De spleetjes tussen de zwembaddeur zullen me dan misschien niet zo lang opzadelen met dat veel te grote schuldgevoel.

 

Rosse centen

kendrick-outline-gaussian-blur-humble-kendrick-lamar-composition-screenshot2metropolis-movie-copy

Ik wind me wel eens op over mijn saaie alledaagsheid. Over de traagheid der dingen ook wel of over mijn verwaande zelfingenomenheid.  Bijvoorbeeld op vrijdagavond aan de kassa van de Colruyt.

Een hele volledige week hebben zij tijd om hun incontinentie-inleggers te kopen. Waarom moet dat zo hoognodig tijdens het winkelspitsuur? Op vrijdagavond nota bene tijdens het enige uitgelezen winkelmoment van de werkende mens? Ik ben trouwens zeker dat in hun “spinneke op de cour” nog 2 pakken pamperbroekjes liggen die de thuisverzorging wekelijks voor hen beiden voorziet. Een kleine conservendoos erwten en wortelen hebben ze ook in hun, voor de rest haast lege winkelkar liggen.  En 100 gram voorverpakt gerookt vlees.  Want dat is goed voor de cholesterol. Alsof dat er nog iets toe doet op die leeftijd.

Gelukkig speelt mijn sluimerend geweten op en berispt me tijdig mijn verwaande onverdraagzaamheid. 2 paar grijze rimpels trekken samen tot een ontwapenende glimlach wanneer ik zeg: “steek maar voor hoor. Jullie hebben bijna niets.”  Ik beklaag mijn keuze maar verdring mijn zenuwachtige ongedurigheid wanneer het verrimpelde besje met haar bijeen gespaarde rosse centen de 8 euro 59 cent probeert te betalen maar de tel kwijt raakt. “Neen madam, die kortingsbon geldt enkel maar bij een volledige verpakking erwten en wortelen”.  Aan de kassa naast mij, is de jonge moeder die met een overvolle kar aanschoof aan de langere wachtrij al aan het betalen.

Met het donsdeken tussen mijn benen draai ik me paar uur later nukkig om omdat mijn plan om snel uit mijn werkmansbroek te schieten plots botst op onvoorziene vermoeidheid.  Wellicht ook op mijn naargeestige weerspannigheid.

Draaien en keren doe ik nog zeker een uur lang.  Net zolang tot die mug haar aanvalsplannen opbergt omdat ik me uiteindelijk toch heb ingewreven met die citronellastick. Een keuze die ik zo lang uitstelde omdat ik onverhoeds nog hoopte enige progressie te kunnen maken met mijn eerste offensief. Deet en citronella zijn dan compleet uit den boze omdat die zeker andere noodzakelijk lichaamsgeuren en liefdessmaken verstoren en onderdrukken.

Uiteindelijk val ik toch in slaap. Een veel te lichte alerte slaap die waakt over de kop opstekende lust en drift. Je weet per slot van rekening maar nooit.

Ik droom van Copernicus en Ptolemaeus.  Ze lopen in mijn verzonnen nachtverhaal te bekvechten over of dan wel de zon of de aarde zich in het centrum van het heelal bevindt.  Over de éénparige cirkelbewegingen raken ze het nog net eens, echter niet over waar rond de hemellichamen en de sterren draaien. De aarde?  Of de zon?

Over één ding zijn ze het wel eens. Ik ben het niet. Het draait niet allemaal rond mij. “Jij leeft misschien wel een dégoutant luxeleven maar je bent niet centrum van het heelal of van de wereld”: berispen ze beiden me mijn verwaandheid. Net op dezelfde manier zoals ook mijn geweten dat deed een paar uur eerder aan de kassa van de Colruyt.

 

 

 

Ik pruts aan de mal van mezelf.

Hoe steviger ik mijn hand dicht knijp om dat losse zand bij te houden des te sneller het weg vloeit. Tot er maar een paar korreltjes meer achterblijven.

0e9d8548b2efc7b0a580796870548019_medium

Het denken, doen en laten van mensen. Ze willen begrijpen, veranderen en controleren. Het houdt me heel ver weg van mezelf. Beschouwen, oordelen en vonnissen daar ben ik goed in. Ver weg van mijn eigen spiegelbeeld bemerk ik heel scherp het vlekje welke jouw gezicht ontsiert.

En dan ben ik me kwijt. Helemaal verloren in de opgehoopte speculaties, oordeelvellingen en taxaties van anderen. In mijn hoofd staan jullie te dringen voor mijn aandacht en mijn mening. In rijen achter elkaar. Soms geduldig ordelijk, vaak onbeleefd en opdringerig. Jullie versperren mijn weg en duwen me van mijn pad zelfs al weet ik niet waar ik naar toe ga.

En dan wil ik onvindbaar verdwijnen. Doelloos afwezig worden en op zoek gaan naar wat rust. Ergens, nergens.

Wanneer zal me dat lukken? Waar ben ik me verloren en waar vind ik me terug? Hoe laat ik alles los wat me tegenhoudt in de zoektocht naar mezelf?

Hoe en wanneer ontvouwt de vlinder zich uit de pop die me verborgen houdt?

Ik weet wel dat het niet gebeurt door me met jou te vergelijken of door te trachten te beheersten wat jij denkt. Datgene wat jij van mij denkt is niet van mij maar van jou. Ook weet ik dat de comfortzone niet dat plekje is waar magie gemaakt wordt en dat ik zelf mijn beperkende overtuiging ben in het excuus dat ik bedenk om iets niet te doen of te worden.

En dan begin ik te prutsen aan mezelf en schrijf wat gedachten op. Mijn innerlijke stem begint dan te roepen en te tieren en wurmt zich in een nauwe spleet een weg naar buiten. Vingers tokkelen snel en spuwen alles er uit. Ik laat los wat niet bij mij past en ontdoe me van het ballast dat mijn reis verzwaart. Kaf apart van koren.

En dan tracht ik het zaakje blauw-blauw te laten. En is dat dan zwak? Of net sterk? Moet ik toch het gevecht aangaan dat niet te winnen is? Of blijf ik niet beter uit die boksring om nog wat aan mijn details te prutsen zodat ik straks beter pas in de mal van mezelf.

Selvportrett mellom klokken og sengen, 1940-43

Béchamel en wellustige werkwoorden

IMG_1817

 

Hoe of wanneer het binnen geslopen is konden ze niet meer exact achterhalen. Van waar precies de lek in de band zit en hoe het daar gekomen was, hadden ze geen van beiden enig benul. Laat staan dat ze gepast hadden kunnen reageren mochten ze het wel bijtijds in de gaten hebben gekregen.
Geen van hen beiden heeft door dat de reddingsboei, die elke relatie af en toe wel eens van doen heeft, heel zachtjes aan het leeglopen is.
Ooit, in het begin en nog lang nadien, toen was het anders. Toen wisten ze haast op elk moment van de dag hoe ze er voor stonden. Of hoe juist te reageren op een hindernis of een verwikkeling. Zo waren ze immers ooit gestart. Met veel hobbels op de baan.
Had een van hen dan al eens een lastig moment, konden ze dat zonder moeite van elkaar verdragen omdat ze elkaars bevestiging niet van doen hadden om instinctief te weten dat het wel goed kwam. Alles kwam altijd wel goed.
Hun band had zonder ernstige schade op te lopen al wel wat andere scherpe bochten en chicanes met hobbels moeten nemen.
Ze konden altijd gezellig of vurig praten. Geen enkel onderwerp was minderwaardig om het er niet in het lang en het breed over te hebben. Ze konden over alles door palaveren. Zonder enig risico te lopen om het over iets oneens zijn.
De kinderen waren klein genoeg om de problemen even groot als henzelf te houden.

Ze waren allebei minstens even goed in adjectieven die eindigden op -tiek en konden die zonder moeite omzetten in passionele, hartstochtelijke of wellustige werkwoorden. Al voelde die toen zelfs niet aan als ‘werkwoorden” omdat ze allemaal als vanzelf gingen.

Vandaag staan er wel dingen in de weg. Al weten ze niet precies de welke. De stiltes duren soms langer dan de discussies die dan opnieuw de oorzaak zijn voor nieuwe stiltes of andere en dezelfde discussies. De béchamel plakt niet meer zoals hij vroeger plakte en de sensuele passie is ook ergens diep achterin weg gezet in dezelfde kast waarin de speltbloem bewaard wordt waarmee dezelfde  witte saus ook altijd mislukt.

Het lijkt soms alsof de onfrisse vuiligheid wel in de juiste afvalbak wordt gesorteerd maar dat niemand van hen tweeën in staat is, de vuilniszakken tijdig aan de straatrand te zetten voor de vuilkar. Zodat ze weg zijn.

Als ik hen een dezer tegenkom zal ik hen op het hart drukken dat ze moeten blijven praten en kussen of vozen in de badkamer of op de keukentafel. Maar ook zal ik hen aanraden rustines te kopen om die lek in hun reddingsband te dichten, dat ze die speltbloem mogen weggooien maar vooral dat ze dringend hun vuilnis moeten buiten zetten.
Liefst voor morgenvroeg want op dinsdag komt de vuilkar.

 

 

 

De reuk van het verleden.

IMG_1806

De grauwe, ietwat vale gordijntjes zitten nog steeds strak opgespannen achter de glas-in-loden-vitrinedeurtjes van het bovenste gedeelte van de kast.

Als ik het koperen slot van het deurtje open draai is de muffe geur het eerste wat me herkenbaar tegemoet komt.
Hoewel elke oude kast eender ruikt, een beetje zoals een grijs boek verbergen ze toch allemaal hun eigen geheime historie.

Beschamend of vergeten familiegeluk veilig verscholen achter vale vitrages.

Het ooit hagelwitte porseleinen eetservies is ietwat gelig geworden en steekt af tegen de glanzende kristallen wijnglazen.
Van dat chique glasservies ontbreekt er één rode wijnglas omdat ons ma dat ooit net iets te onstuimig opgeblonken had na het laatste feest waarop het had gediend.
Ik hoor ons moe nog jammeren omdat haar 60 jaar oude huwelijkscadeau nu niet meer compleet was terwijl haar huwelijk dat zelf toen al bijna 30 jaar niet meer was.

Nostalgie doet iets met een mens. Toen ook al.

De lijmnaad van de soeplepel die past bij de keramieke soepterrine verraadt dat hij wellicht ook ooit voorwerp is geweest van een accident. Of misschien ongewild slachtoffer werd van een uit de hand gelopen zinloze familiale discussie. Wie zal het nog zeggen?

Ik weet perfect wat er allemaal in die kast zit toch. Toch kan ik nooit voorspellen welke herinneringen opduiken wanneer ik de deuren en schuiven er van opentrek.
Ik heb dan helemaal geen controle over mijn afdwalende gedachten naar dat ver, vergeten gewaand familieverleden. Alsof de herinneringen dan opnieuw helder en gedetailleerd ontwikkeld en geprojecteerd worden in de donkere kamer van mijn geschiedenis.

En dan moet ik nog aan de schoenendozen met foto’s en polaroids beginnen. En aan al die fotoalbums waarvan de kaften de heimwee verraden van de foto’s die er zoveel jaren geleden zorgvuldig werden ingekleefd.

Nostalgie het doet iets met een mens. Nog altijd.

 

 

Geruisloze Tango

IMG_1796

Ik vlieg soms noodgedwongen ongewild laag. Radiostil, onder de radar.
Dan is mijn persoonlijke ether helemaal geruisloos, ongewild vrij gemaakt.
Op zulke momenten zend en ontvang ik precies alleen maar onzichtbare spoed- nood- of onheilsberichten.
Mijn netwerk controle centrum defensief helemaal op scherp gesteld. Alle alarmen in het rood of minstens op oranje.

Ik check voor de 5e keer of er wel verbinding is. De piep van de sms die ik naar mezelf stuurde verraadt dat er niets mis is met de verbinding.
Ik bijt op mijn lip nadien op mijn nagel. De nagelriem bijna afgeknaagd.
Ik steek een sigaret op en zuig er van nervositeit een lange vurige kegel aan zodat de filter haast te heet wordt tussen mijn lippen, om er een volgend trekje van te nemen.
Zelf bellen? Neen dat doe ik niet.
Ik geef ridderlijk maar koppig aan mezelf toe dat mijn huizenhoge ego daar zijn veto stelt. Trouwens zij ging iets laten weten.
Waarom moet ik trouwens altijd als eerste? Waarom? Ik ben toch niet vanzelfsprekend?

“1 uur en 58 minuten geleden actief ” : verraad haar chat status.
Er moet iets gebeurd zijn. Het is immers maar een half uur rijden, maximum. Als het druk is, in de spits. Maar op dit uur toch niet meer?
Mijn maag draait zich in een knoop en mijn gedachten malen de meest dramatische scenario’s door de molen.
Waarom laat ze toch niets weten?

Mijn verstand zegt me om me niet te identificeren met de rol waarin ik door verwachtingspatronen gedwongen wordt.
Mijn verstand prent me in dat er geen antwoorden kunnen verzonnen worden op vragen die niet gesteld werden. Zelfs niet als ze impliciet waren.
In mijn hoofd wordt naar me geroepen dat dat stilte niets te betekenen heeft. Toch niet per definitie iets slechts.
Ze zeggen me dat ik moet wachten. Op muziek. Dat we straks zullen gaan dansen en lachen. En als ze niet opdaagt er nog andere mensen zijn die ook dansen. Misschien wel een tango ipv een één-tegel-slow.

Ik check mijn I-phone op een bericht dat niet komt en gooi hem achteloos met een diepe zucht in de fruitschaal.

Net op dat moment draait de sleutel in het slot en komt ze glimlachend binnen.
“Ik ben mijn gsm vergeten. Zie je wel hier in de fruitschaal. De tandarts zei me dat ik er weer een jaartje tegen kan. En jij hoe was jou dag?”

Ik? Ik wil gaan dansen. Tango.
Och zotteke.

Speekmedaille.

IMG_1790

Gisteren kreeg ik een complimentje. Zo maar, vanuit het niets. Out of the blue, maar die uitdrukking gebruik ik niet graag. Ik zeg het liever gewoon. In ‘t schoon Vlaams.

Onverwachte schouderklopjes krijgen vind ik dus heel plezierig. Dat wou ik eigenlijk zeggen. Zeker als de lofbloemjes onvoorziens en onverwacht gesmeten worden. Ja, dan krijg ik ze graag. Niet alleen omdat ze mooi tegengas geven tegen soms scherpe kritiek maar zeker ook omdat een schimperig oordeel gewoonweg wat langer aan mijn vel plakt dan een gemeend pluimpje. Dat vliegt er zo weer vanaf. Zo vergeet ik een mondelinge decoratie of een speekmedaille doorgaans veel sneller dan een negatief oordeel of een ondermaatse quotering. Die zinderen doorgaans nog wat langer na. Maar dat zal wel des mensen zijn zeker.

Maar gisteren dus niet. Helemaal verrassend. Uit een hoek van waaruit ik het niet verwachtte. “Ik lees je graag want je schrijft mooi. Ik mis haast niks.” Meer was het niet maar ook niet minder. Ik ging er in elk geval van blinken gelijk een gesnipperde sjalot die stooft in een klontje goei boter. Het deed me iets. Die kleine bevestiging. Ik denk dat ik het daarvoor in ‘t geniep misschien wel telkens opnieuw mijn griffel en lei voor bovenhaal.
Misschien mag ik het compliment niet negeren, maar dan klinkt het haast fout. Omdat, terwijl ik dit zo neerkrabbel dan misschien de indruk zou kunnen wekken er naar te zitten vissen, terwijl ik op dit ogenblik aan de waterkant enkel maar vruchteloos probeer een verdwaalde karper of een goudvis te vangen. Maar zij hebben mij beet denk ik…

Gribiche aan de flauwe-mopjes-tafel

Onze kinderen waren op scoutskamp.
Om de ongemakkelijke huiselijke stilte te ontlopen zochten we elkaars gezelschap op. Bij een bord pasta of een iets exotischer gerechtje.
We kozen voor een gezellig druk restaurantje dat net nog met de fiets bereikbaar was.
De baas begeleidde ons nonchalant naar de speciaal voor ons gereserveerd flauwe-mopjes-tafel.
Toegegeven, ik heb er het handje van weg om met ongepaste of ietwat gênante onnozelheid het ijs te breken. Deze keer was het niet anders dus trok ik fier en vastberaden zoals steeds mijn denkbeeldige ezelsoren aan en maakte een wat clowneske zwansopmerking over de gribiche. Hij, de garçon-eigenaar kon mijn plagerige kwinkslag wel pruimen denk ik.
De vrouwen daarentegen konden mijn lichtjes ongepast, opgeëiste aandacht dan weer minder appreciëren. Ook zoals altijd. Ik veegde er mijn gat aan. Net zoals aan de gerechten trouwens. Gerechtjes, waaraan door, de met keukenjargon gelardeerde benamingen wel wat te veel kak hing dan hetgeen uiteindelijk daadwerkelijk op je bord verschijnt. Zeker toen duidelijk werd dat gribiche eigenlijk maar een wat lichtjes opgewaardeerde mayonaise leek te zijn.
Ik maalde er verder niet om want hetgeen op onze talloor kwam was voortreffelijk. Net zoals het gezelschap trouwens, al miste ik de gebruikelijke kip en appelmoes van mijn dochter wel. Of was het mijn dochters luidruchtige heisa zelf die ik miste? Dat laat ik in het midden.
De gespreksonderwerpen waren ook leuk en haast net zo luchtig als het gestoomde melkschuim van de cappuccino maar vielen toch even pijnlijk stil na de crème brulé en de zoete koekjes.

“Waarom zijn jullie eigenlijk niet getrouwd?”
“Zijn jullie dan wel getrouwd misschien, en waarom niet?”

Het werd duidelijk dat zij niet wilde omdat ze er het nut niet van inzag. De andere leek wat beteuterd omdat dè vraag veel te laat gesteld werd en het nu al niet meer zo nodig hoefde omdat het momentum gepasseerd was. Nog één wilde nog wel maar durfde er niet voor uitkomen.
Wel waren we het, er al dan niet excuustruus, over eens dat getrouwd zijn toch maar de romantiek fnuikt en de sleur in de hand werkt.

Ik zweeg maar bedacht stilletjes dat wanneer ik nog maar eens getrouwd zou zijn, ik het dan niet meer tot in de eeuwigheid over “mijn lief” zou kunnen hebben.
Of dat ik dan op avonden als deze, geringd en geringeloord, met de gazet, warme sloefen en een pint dan maar naar de koers zou moeten kijken terwijl zij in haar flair wegdroomt en een plan maakt om er van tussen te muizen.
Om maar te zwijgen over t feit dat we de rustige gezelligheid van avonden als deze dan zouden moeten missen.

En nu ons eten gezakt is en de maan gestegen, kunnen we aan kinderen beginnen. Daarvoor moet je al meer dan 100 jaar niet meer getrouwd zijn al zal het deze keer wel maar bij een goedbedoelde poging blijven.

Piemelstress!

rarara

 

“Ik ook! Of kan je nog even wachten dan ga ik mee!”: is dikwijls het eerste wat je hoort, als op café, een vrouwenblaas weerspannig wordt en een bezoek aan de kleinste ruimte zich opdringt. Het intrigeert me en het maakt me nieuwsgierig. Op zulke momenten haalt mijn indiscrete ventencuriositeit de bovenhand en wil ik dat onbeantwoord vrouwenvraagstuk ontrafelen.

Waarom moet het steeds minstens met 2 en meestal met 3 of meer? Dan wil ik een vlieg zijn om voyeuristisch proberen te achterhalen welke taferelen zich dan zo allemaal afspelen op de vrouwencour.

Niet dat ik bemoeiziek het vrouwelijk toiletgedrag wil beïnvloeden of kapot analyseren. Neen, absoluut niet want ik weet best dat vrouwen af en toe wat meer maandelijks opknapwerk hebben dan wij mannen, die er gemakkelijker vanaf komen omdat we maar de lans hoeven buiten te hangen. Om ze nadien nonchalant af te kunnen schudden.

Maar dan blijft de kwestie waarom een toiletgang bij het sterkste geslacht steeds een teamevent wordt.  Een soort van pipi-Tupperware?

Het overkomt me natuurlijk wel eens dat ik ongepast en ongevraagd toehoorder ben van vrouwelijk gepis. Bvb als het voor de dame in kwestie onderaan te spannend wordt om braaf de beurt af te wachten omdat de file aan de vrouwen-wc te lang is en dan maar resoluut kiest voor het doorgaans nettere, vrije herentoilet. Dan valt het me op dat de vrouwenstraal doorgaans harder, krachtiger en luider klinkt dan de rustig beheerste, kalme mannenstraal.  Alsof het er allemaal in één keer, zonder rekening te houden met het debiet, in één ongecontroleerde perswee uitgeproest moet worden. Zonder te genieten van het moment. En is het daar dan over waar vrouwen in hokjes netjes naast elkaar de competitie met elkaar aangaan? Wie is het luidste?  Wie het snelste? En worden daar dan punten voor gegeven en bijgehouden voor de volgende ronde? En is dat dan de reden waarom het in groep moet?

Wellicht speelt mijn mannenfantasie me weer parten.  Feit is wel dat vrouwen weinig of helemaal niet gegeneerd zijn over de akoestiek van de potten tijdens hun toiletconcert. Een te luide scheet niet te na gesproken delen ze fier en zonder gene elkaars toiletgeluid, terwijl wij mannen net de rust opzoeken. Eerder zullen wij er naar streven ons gevoeg geruisloos neer te laten ploffen zodat onze buur niet gestoord wordt.  Eveneens zal je in een urinoir haast nooit 2 mannen naast elkaar zien staan.  Neen, ze opteren eerder voor de uithoeken van de urinoir om elkaar niet te hinderen. Staan ze door de drukte dan toch noodgedwongen naast elkaar beginnen ze onmiddellijk, ongemakkelijk en gegeneerd naar het plafond te staren om na te gaan of er misschien geen spiegels hangen, om toch maar niet de indruk te wekken dat er over de rand, vergelijkingen van ongelijkheid worden gemaakt.

En dan kan ik maar een conclusie trekken. Vrouwen zijn vetzakken en het zwakke geslacht heeft piemelstress of wordt op zijn minst onzeker door de hoogte van de tussenschotten tussen de pissijnen.

“Dobbel-Fluppe” en pretlichtjes.

Capture

“Had jij dan echt een probleem?”

In mijn geval werd het maar pas een probleem op het ogenblik dat ik zelf vond dat het er één geworden was. Enkel dan lag de oplossing binnen handbereik.

Wanneer is een peer plukrijp? Als ze geblutst en gehavend op de grond ligt en te beurt kan vallen aan knagend ongedierte? Of net ervoor, als ze nog blozend en flirtend met de zwaartekracht aan de takken hangt? Moeilijke vraag!

Het kostte me in die tijd heel veel moeite om s’ avonds in de spiegel te kijken. Om mijn zielenrust niet te verstoren vermeed ik hem dan ook het meeste van de tijd. Omdat ik nooit zeker wist of mijn ogen nog wel zouden terug kijken of ze eerder, de confrontatie vermijdend, hun blik gingen afwenden.

Af en toe vond ik wel wat gegeneerde durf. Dan stond ik me starend in de diepte van mijn ziel af te vragen hoe het verder moest omdat het langzaam duidelijk werd dat mezelf nog langer bedriegen nutteloos geworden was. Gemakkelijk maar nutteloos.

Ik was dapper meester in problemen naar morgen door te schuiven. Elke avond opnieuw zou de wereld er morgen anders uitzien. Morgen zou het me wel lukken. Vast en zeker wel.  Alleen, elke morgen kwam ik er gemak-drank-zuchtelijk achter dat die telkens opnieuw gevolgd wordt door een andere morgen waarop het dan ook nog kan. Alleen hij kwam er nooit.

Telkens opnieuw, dag na dag zag ik mezelf in mijn spiegelbeeld verdwijnen alsof het er niet was. Misschien was hij er tot dan toe zelfs nog nooit geweest. Ik wou hem zoeken en vinden.

Vandaag, bijna 4 jaar later kijkt hij me ietwat trots recht in de ogen aan. De blik fors en vastberaden, misschien ietwat arrogant. Hij kijkt niet weg want in de, ondertussen vertrouwde blik, zitten pretlichtjes verstopt. Ze kwamen gaandeweg, schoorvoetend voorzichtig op de hoede. Toen ze zeker waren niet te zullen weggespoeld worden door zelfbeklagerige waterlanders. In het zonlicht vallen ze nauwelijks op omdat ze dan overbodig en niet van doen zijn maar op maanloze nachten wijzen ze als vuurvliegjes de weg die misschien wel ergens naar toe leidt.

Ik hou het vast en vol. Elke dag opnieuw vandaag! En morgen? Dat bezie ik nog wel.

Alle gemiste kansen, elk gebroken hart, al die verloren vriendschappen en beschaamd vertrouwen.  Elke vlucht vooruit…

Vandaag doen ze er allemaal toe omdat ze nodig waren om mijn peer te laten rijpen. En dan is het van geen nut te weten of ze al van de boom gevallen was of nog aan de tak hing te flirten met de zwaartekracht, wachtend op een bluts of rotte plek.

Maar neem het van mij aan als je wil ’t zijn “Dobbel-Fluppe” als ge niet moet knabbelen!

Een splijtzwam en de Barbaren.

gelijk

“Maar ik heb toch gelijk?”  “Het is toch niet eerlijk, ik heb echt gelijk…”

Het onbegrip, de machteloosheid en de bevende onderlip waarmee ze haar gram probeerde te halen waren aandoenlijk en braken mijn broze vaderhart. Een dikke traan rolde over haar wang en spatte uiteen op haar vakantiewerkblaadjes welke de pas gemaakte staartdeling omtoverde in een wazige lichtblauwe vlek.

De verwarde uitleg over wat er zich eerder op de dag, op het muziekkamp had afgespeeld bracht haar nog meer van slag. Iets over “altijd” gelijk willen hebben en “nooit” rekening houden met andere kinderen. Ik probeerde tevergeefs de essentie te achterhalen maar de “feiten” moeten danig op haar ingebeukt hebben dat ze er zo verdrietig om was.

“Heb ik dan geen gelijk?”

Even overwoog ik gelijk of ongelijk uit te leggen aan de hand van de splijtzwam die politiekers zo graag hanteren in noord-zuid-of-links-rechts-discussies. Of ik kon uitweiden over Oude Grieken die in hun ogen aan elkaar gelijk waren doordat zij vijandig gezind waren ten opzichte van diegenen die het Grieks niet machtig waren. En hoe ze zo hun nationale identiteit beklemtoonden en hun vijandschap ten overstaan van de Barbaren en vreemde en het in hun ogen minderwaardige konden verklaren en verantwoorden. Maar ik bedacht nog net op tijd dat me dat verder van huis zou brengen. Ver weg van mijn gelijk.

“Noor, kijk een hier wat zie je en beschrijf het eens” en ik zette een zorgvuldig in elkaar gedraaide Rubikkubus op tafel. We zaten recht tegenover elkaar aan de keukentafel, met tussen ons in enkel de kubus met zijn keurig gekleurde in elkaar geknutselde vlakken.

“Ja, een kubus he stommeke” zei ze, precies al iets opgewekter en ze snoof een laatste verdwaalde traan weg.

“Ja maar, slimmeke, kijk eens goed en beschrijf eens precies wat je ziet”

“Ja, ik zie dus een kuuuubus, vooraan een wit vlak. Boven is hij oranje en links is hij groen.”

“Ben je zeker? Dat is fout he. Je hebt ongelijk. Je weet niet wat je vertelt!”: zei ik berispend.  “ Ik  zie ook een kubus maar vooraan is hij geel, boven oranje en links is hij blauw. Dus jij bent fout en ik heb gelijk”

Ze lachte en ik kreeg gelijk maar niet zonder te zeggen dat zij ook gelijk had maar dat het eigenlijk allemaal niet zo veel uitmaakt. Ik voegde er nog als levensles voor een 11-jarige aan toe dat enkel mensen die altijd gelijk willen hebben dit doen uit dommigheid of uit onzekerheid.  Of omdat ze gewoonweg niet in staat zijn te begrijpen hoe andere mensen vanuit een andere hoek naar hetzelfde dingen kijken en zich alleen maar toespitsen op de dingen die ze anders zien.

Ze slurpte van haar water en zei met haar mond vol peper en zout chips: “Je hebt gelijk maar ga je nu mee in ’t zwembad?”

 

 

 

Volgende keer gewoon zwijgen.

 

index

De hectische drukte van de afgelopen weken heeft plaats gemaakt voor een stoïcijnse sereniteit.  In huis heerst een rustige kalmte die ik graag heb. Ik heb me horizontaal neergevlijd. Op mijn favorietste plekje onder mijn vertrouwde spreitje, het zwarte goud binnen handbereik. Heel kort denk ik al na over waar ik het wil over hebben. Er is nog niets.  Op de achtergrond deunt Stu Bru wat zweverige zaterdag-middag-muziek. Snoop dogg… zegt stilletjes: “Drop like it’s hot..” en dat is op een andere manier gezegd, wat de komende uren mijn plan is. Ver weg van alle andere  “Nigga’s with an attitude”.

Een deel van de kroost zoekt dezer dagen het gewoel op van de zomerfestivals op om hun geslaagdheid te vieren en heel ver weg te lopen van hun, door mij opgedrongen, toekomstplannen. Ik geef hen geen ongelijk.  Ik denk dat ik ze zo nog het liefst bezig zie. Onbezonnen dartelend door het leven. Al mag het naar mijn gevoel soms ook wel wat minder als “Nigga’s with an attitude.” Maar ja, hoe was ik zelf?

Het vrouwvolk trekt naar Nederland om daar in een of andere outletstore hoog te scoren op hun satisfactieradius door zichzelf genoeg te doen en niet al te veel weerstand bieden tegen on-onderdrukbare impulsaankopen. Ook goed.

Het blauw van mijn opstartscherm vervaagt en ik overloop even waar ik mijn blanco blad wil aan opofferen. Ik vind niet onmiddellijk de juiste invalshoek op een fout onderwerp of de foute invalshoek op het juiste. Ik slurp van mijn koffie een zuig een portie nicotine binnen en speur verder naar een fijn sujet of zou ik gewoon maar zwijgen?

Over Heleen Debruyne uit de afspraak misschien dan iets? Heel in ‘t kort?  Zij trok namelijk maandag nogal scherp van leer tegen Thierry Baudet.  Die Nederlandse roeptoeter die graag boertig brandhout maakt van hedendaagse Dolle Mina’s.  Het makkelijk monddood maken van een schertsfiguur als Baudet met zijn prehistorische benadering van de vrouw was een walk-over en deed me glimlachen omdat ik bijna medelijden voelde. Even kreeg hij van op zijn preekstoel een pied de stal voor zijn controverse maar dat was buiten “de vrouw van de week” gerekend. Met haar uitspraak: “Misschien volgende keer gewoon zwijgen?” legde ze letterlijk en figuurlijk een vinger op de mond van het Forum van Democratie. Onhandig probeerde hij nog wat vel te redden maar het waren kosten op het sterfhuis. Een dezer dagen zie ik haar in staat, tussen de bloedplekken en vuile lakens haar beste soutien in brand steken.  Ik ga haar niet tegenhouden.

Over al de rest ga ik niets schrijven. Niet over Bart de Wever.  Niet over Yvan Mayeur of Wendy Van Wanten.  Niet omdat ze niet de moeite waard zouden zijn maar omdat het hier nu even heel rustig en vredig is.  Maar vooral omdat ik het beeld nog even wil vasthouden van Heleen Debruyne die haar lingerie in de fik aan ’t steken is.

 

Onderstreepte tampons en inlegkruisjes met uitroeptekens.

IMG_1774

Ik duw mijn winkelkarretje rechts. In de rayon dameshygiëne want op mijn boodschappen staat: “tampons en inlegkruisjes”. Dubbel onderstreept met zwarte viltstift. De 7 uitroeptekens maken de boodschap niet mis te verstaan.

Mocht dit geschreven kattebelletje de digitale revolutie al ondergaan hebben, zou deze boodschap me zeker via mijn I-phone, in comic sans ms, font 26, bold, italic doen herinneren dat een vreselijk bloedbad nakend is. Nu zijn het enkel de 7 leestekens en de dubbele onderstreping die me tijdig, passend waarschuwen voor het aankomend massacre.

Even voel ik wat weerspannigheid opkomen, onder de vorm “waarom moet ik die dingen kopen” maar ik verman me snel weer tot de metroman die de vrouw anno 2017 van mij verwacht te zijn.

“Waarom krijgen wij, vernieuwde vrouwmannen trouwens geen rayon ventenhygiëne?”
“Hoeven wij, metro-mans-mensen ons misschien niet dagelijks te trimmen en te scheren om ons te ontdoen van ongewenste weelderige schaambeharing? De gladde okselput en de symmetrisch kortgezette, gelijkbenige driehoek onder lichte dwang opgedrongen? Worden wij niet geacht te scrubben, te smeren en te strooplikken om elke dag opnieuw toon- en aaibaar voor de pinnen te komen? Toch?

Ik speur de rekken af en probeer me in te beelden wat ik, mocht ik een vrouw zijn in mijn kanten g-string zou kleven. Al zal dat stukje textiel misschien niet het meest aangewezen zijn tijdens de “zware dagen”. Want zo staat het in de bijsluiter… Zware dagen. Wellicht wordt hiermee verwezen naar de partners die de zware last van de ongesteldheid moedig meetorsen. Ik vermoed het…

Always Ultra, Loft, Libresse, Alldays Kamille? Carefree lijkt mij, al is het puur kwa naam, eens de dichting het begeven heeft, het meest betrouwbare lapmiddel, en gooi dan ook een verpakking of 5 in mijn winkelkarretje.
Wat zou ik er persoonlijk in willen “foeffelen”, gesteld, zelf tot het sterke geslacht te behoren? Tampax. Ob, Mini, normaal maxi, en wat wordt hiermee bedoeld? Inbrenghuls of natte vinger werk? Ik poog de visuals van mijn netvlies te bannen en probeer me te kwijten van mijn opdracht. To ob or not to ob? That is the question!
Ik koop het allemaal, met en zonder klakkebuis. Mini’s, maxi’s..en Ultra weet ik veel?  Hoe groot is de doorsnee… ?

Op mijn lijstje staat ook nog chocolade.  Ik heb nog net genoeg vrouwelijke verbeelding en hormonen over om in te schatten welke precies bedoeld wordt al ga ik de zwarte pure fondant met rode vruchten maar tot volgende week laten liggen. Als de zware dagen achter ons liggen.

Kleverige zomernacht

_vla016200701ill0262

25 km aan 6 of 7 km per uur. Wat is dat? Wat stelt dat voor? 3 à 4 uur door malen met vlotte tred. Dat gaat toch wel lukken? Als ik dat al niet meer kan?

Die dodentocht van volgende maand? 100 in één trek door?  Dat bezie ik nog wel.  Maar als het lijf een beetje meewil en als ik de blaren niet door mijn zolen trap, doe ik dat ook wel. Desnoods alleen op karakter.

Zoals het eigenlijk altijd wel het geval is met dit soort van uitdagingen, begon ik redelijk impulsief en overmoedig aan mijn mars.

Met de veters van mijn bestofte, waterdichte stappers strak aangespannen, vatte ik mijn dodentochtje aan. De fles ijswater, die me tijdens mijn footing wat verkoeling had moeten brengen stond nog onaangeroerd in de deur van de ijskast.  Vergeten door mijn overmoedige geestdriftigheid. De smartphone die me wat muzikale verstrooiing had kunnen brengen, lag nog op het aanrecht in de keuken energie te tanken.

De eerste km maalde ik zeker af tegen 8 km per uur.  Het asfalt schoof gezwind onder mijn versleten stapschoeisel door en ik waande me de Usain Bolt van de wandelclub.

Achter een dichtbegroeide bocht op de Scheldedijk kwam ik een geoefende wandelaar tegen, strak in een modieuze spandex.  Uit zijn rugzak kwam een zuigpijpje dat hem voorzag van het nodige frisse vocht wanneer hij er de behoefte voor had. Met het ritmisch getik van zijn  Nordic-Walking-Sticks deed hij net alsof de Noordpool moest bezworen worden. “De uitslover.”

Iets verder dan halverwege, plakte de droge hitte aan mijn T-shirt en schuurde het witte zout mijn tepels tot gerookt vlees. Waarom was ik hier aan begonnen? Wat ging ik precies weer bewijzen?  Voor wiens Heiligen deed ik dit?

De zon had mijn snuit omgetoverd tot een rode pioen. Mijn mond was kurkdroog en mijn gedachten dwaalden af naar die fles ijswater die nog in de deur van de ijskast stond.

Ik slofte puffend verder, de grassprieten tellend die ik onder mijn verhitte voetzolen plat walste.  Nog 4-500 meter en ik kon even bijtanken in de kroeg waar ik vroeger meermaals de wereld had verbeterd.

“Daar se, wie dat er hier binnenvalt?  Op wandel? ’t is er ’t weer voor jong.  Nog altijd even zot als vroeger precies? Wat drink je?  Pintje?”

“Nee nee, geef maar een grote Spa, met ijs.  In een Duvel-glas.”

“Water, jong? Dat dient om de auto te wassen of om te schuren.  Pakt u een frisse pint, jong. Eentje kan toch geen kwaad zeker? ’t zal u deugd doen.”

“Patron geef “stapmans” hier eens een halve liter van mij, en zet die maar op mijn rekening.”

Die grote pint stond me lichtjes aangedampt en fris bepareld, schuimend en uitdagend aan te staren.

“Eentje kan toch geen kwaad?”

Bijna 4 jaar was het geleden dat ik mijn laatste pint had gedronken.  Noodgedwongen. Omdat ik het goedje niet meer onder controle had.  Te veel, te snel.  Recht naar de dieperik. Vastberaden was ik gestopt omdat ik op het punt had gestaan alles te verliezen dat me dierbaar was. Hebben en houwen, weggespoeld onder de tapkraan.

“Eentje kan toch geen kwaad zeker?”

Mocht ik mezelf dan niet eens belonen? Bijna 4 jaar lang was ik gestopt?  Ik wist nu toch hoe dat moet, stoppen? Ik moest, als een volwassen verantwoorde man nu toch wel een pintje kunnen drinken, of 2?

“Eentje kan toch geen kwaad? Of 2-3?”

Was het de overmoed waarmee ik de dag had aangevat? Was het de verschrikkelijke dorst?  Ik weet het niet….

Uren later. 10 tallen pinten later. De schaamte, het zelfbeklag, de teleurstelling, het gelal en de zattigheid waren terug en het voelde even ongepast vertrouwd alsof ze nooit waren weggeweest…

Alles was in één moment van zwakte weggeveegd.

“Eentje kon toch geen kwaad? Of 10-15? 20?”

Nog tevoren nooit had ik me zo’n loser gevoeld.

Wat ging Nele zeggen?  Hoe gingen de kinderen reageren.  Ik voelde me moederziel alleen en raakte in paniek….

 

De krijsende zwarte vogels die verstoppertje  spelen in de dakgoot halen me abrupt uit mijn koortsachtige slaap.

Een straal ochtendlicht stroomt langs de halfopen velux binnen. Ik kijk angstig opzij en zie Nele vredig slapen.  Vrijend met haar donsdeken en ik haal opgelucht adem.

De akelige droom die ik nog proef, beukt er hard in en doet me beseffen dat het nooit zal stoppen en dat is ok.  Het houdt me scherp en alert.

Met water kan je auto’s wassen en tegels schuren maar met het uitdrinken is echt niets mis.

Sommige mensen doen dat omdat het niet anders kan.  Of omdat ze niet anders meer willen of kunnen.

Zolang ik de scherpte maar niet verlies,  desnoods door een akelige droom tijdens een kleverige zomernacht.

Egel zonder stekels.

Liggend-naakt-tekening-opus-09t16

“Als er iets is wat je echt zou willen doen? Gesteld dan, dat alles mogelijk was. Wat zou je dan gaan doen?  Waar zou jij de dagen mee vullen? Waarvoor zou jij kiezen?”

En ze keek me afwachtend zwijgend aan.

De stilte die ik uitsprak portretteerde me heel naakt en bloot.  Ik wist het niet. Mijn fantasie liet me in de steek want en ik kon geen enkel zinnig antwoord uitdenken op de eenvoudige vraag die zo levensbelangrijk is.

“ Wat wil ik doen dat ik het zo leuk vind dat ik het de hele dag zou willen doen?”

Die vragende frons waarmee ze me bezorgd aankeek inspecteerde mijn onwetendheid en ik meende een glimp van niet gespeelde compassie op te merken.

Was het haar oprechte bezorgdheid die me deed ontwaken om de queeste naar mezelf aan te vatten?  Ik weet het niet helemaal zeker en het doet er nu niet veel toe.  Ik gok wel dat ze me met die ene alles omvattende vraag had wakker gemaakt.  Alsof het warme donsdeken waarin ik lui was weg gesoesd plots, compleet onverwacht van mijn slapende lijf werd weg gerukt zodat ik bibberend koud en onbedekt achterbleef als een kale egel. Ontstekeld en onbeschut.

Nu, nadat de mist is opgetrokken zou ik antwoorden: “Ik wil schrijven. Verhaaltjes.  Over mezelf. Ik wil het spoor bijster raken in de wereld van mijn fantasie. De wereld van mijn emoties en gedachten. En dan wil ik me ontdekken en verbaasd staan kijken wie ik bezig ben te worden. Ik wil me laten wankelen en doen omvallen.  Om dan opnieuw gedecideerd recht te krabbelen. Mezelf verwarren, om dan te zien dat al wat ik zo zorgvuldig heb uitgedacht als een kaartenhuis omver wordt geblazen om het later opnieuw te proberen. Op een andere manier. Juister…  hopelijk.”

“Niet voor al die mensen die me beschimpen of betwijfelen maar voor mezelf.  Voor mijzelf.  De vertrouwde controle een beetje gelost, om zo bewust en nieuwsgierig af te dwalen van het bekende pad om te ontdekken wat er nog allemaal is.”

“En ook een beetje om te tonen dat ik misschien iets kleins, leuk of grappig pakkend te vertellen heb. Dat er nog een pijl op mijn boog zat. Tegen mensen die het willen horen.

Vertelseltjes zonder pretentie of ambitie, gewoon verhaaltjes over dingen die me bezighouden. Dingetjes, fait divers om even bij weg te dromen”

Daarvoor dop ik elke week met plezier mijn pen in de inktpot om dan met veel krulletjes uit te leggen dat ik graag een kale naakte egel ben omdat ik mijn stekels niet meer zo nodig heb… Hopelijk word ik niet platgereden.