Categorie: Alcohol

Uitschuiven

Een (uit)schuiver. Ofschoon ik het woord talloze keren gebruikte en ik er de laatste tijd opnieuw vaker mee geconfronteerd word, begint de bijklank ervan me danig tegen te steken, sterker, hoe vaker ik het S-woord hoor, hoezeer ik er een bloedhekel aan krijg. De bijbetekenis dat het woord me meegeeft is namelijk, “Het is allemaal zo erg niet, ik ben maar eventjes geschoven. Ik slipte eventjes.”  Als ik het zo zeg, klinkt het bijna als een korte vrolijke vakantie. Even weg uit de soberheid. “Weet je, ik ben even geschoven.  Ik gunde me deze korte break omdat permanente soberheid te zwaar of te moeilijk is en oeps ik gleed uit”, alsof het een schaats- of skiavontuur was.

Wanneer de bijklank van dat woord de lading niet helemaal dekt, er zelfs afbreuk aan doet en het de ernst van de situatie minimaliseert, moet ik over een ander, een beter passend woord durven nadenken.  Ik overweeg relaps, herval, terugval of wederinstorting, hoewel dat laatste woord misschien te dramatisch en te definitief klinkt. Herval dan maar, dat beschrijft juister de ernst van de toestand. Het duidt namelijk op een omstandigheid van langere duur, want dat is het toch?

Mocht ik me zonder scha of schande een schuiver kunnen permitteren, ik zou mezelf nooit als verslaafd beschouwen, want een schuiver zou impliceren dat ik opnieuw zou kunnen stoppen, en dat kan ik niet. Een schuiver zou betekenen dat ik van voren af aan zou moeten beginnen. Daardoor zou ik overmand worden door wroeging en schuldgevoelens en de kans zou bijzonder groot zijn dat ik me met die negatieve gevoelens opnieuw in zelfdestructief gedrag zal storten. De emotionele inzinking die daarvan steevast het gevolg is en waarvan ik meermaals bewezen heb ze niet aan te kunnen, zou me opnieuw in een alles verwoestende, wat-heeft-het-allemaal-nog-voor-zin, je m’en foutisme brengen.

Uit gesprekken valt het me op dat mensen die hervallen vaak bijzonder eenzaam zijn. Ze voelen zich van hun nuchterheid beroofd. Ze voelen zich mislukt, afgewezen, buitengesloten en niet-begrepen.  Voor mij waren dat alleszins dè gevoelens en dè reden waarom alcohol ooit de overmacht heeft gehad en waarom twijfel de kop bleef opsteken tijdens het eerste jaar van mijn herstel. Omdat het herstel niet snel genoeg ging of omdat ik me er te hard tegen verzette. Daarom denk ik dat het belangrijk is om zo snel als mogelijk dit soort emoties te leren herkennen om ze niet in negatief gedrag om te zetten maar om er andere dingen mee te doen. Dat gekend vluchtpatroon doorbreken is moeilijk maar niet onmogelijk. Alleen, hoe harder we ons ertegen verzetten, hoe harder we ons willen vastklampen aan ons oude leven, of hoe harder we volhouden en ons voorhouden dat we niet beïnvloed worden door afwijzing, door schaamte en schuld, door zelfbeklag, door mislukking, door woede en zo voort, hoe moeilijker en hoe trager ons herstel zal verlopen. Voor diegenen die daarin blijven hangen is herstel misschien zelfs onmogelijk.

Tijd voor actie dus, want draai of keer het, reageren doen we toch. Je hebt daarbij de keuze om voor de gemakkelijkste en de gekende weg te kiezen ook al weet elke vezel in je lijf dat deze oplossing niet werkt. Je kan ook voor een ander soort actie kiezen, een tegenactie. Geef daarbij veel aandacht aan de weg die je al hebt afgelegd, aan al datgene wat je al hebt bereikt in plaats van je te laten terugvallen in zelfvernietigend gedrag. Wees mild voor jezelf en hard voor de fles? Maar vooral, wees geduldig. Je kan je gat niet proper wrijven vooraleer je gekakt hebt. Nu, je kan dat wel doen, maar veel zin heeft het niet.

Een belangrijke les die ik mezelf leerde is dat ik mijn nuchterheid nooit mocht evalueren op een lastig moment maar ook niet op een moment dat het heel goed met me ging. Beide situaties kunnen valkuilen zijn om het belang van mijn nuchterheid in vraag te stellen. Mijn nuchterheid heb ik altijd over een langere periode geëvalueerd.  Steeds kwam ik tot dezelfde conclusie.  Over een langere periode (een jaar of langer) beschouwd, tel ik nuchter meer goede dagen dan slechte, terwijl in mijn alcoholtijd het omgekeerde het geval was.

Ik zeg dit omdat ik nu weet hoe overweldigend mijn vroege nuchterheid was waarin ik zoveel over mezelf en mijn omgang met alcohol heb leren kennen. Na die eerste periode van euforie kwam twijfel omdat mijn herstel niet volgens mijn tempo en verwachtingen verliep en omdat de wereld rondom mij niet mee veranderde.  

Toch begon ik stilaan in te zien hoe alcohol zo lang het slechtste in mij naar boven had gebracht. Het risico om me met die gevoelens opnieuw depressief en ongeliefd te maken was niet klein. In die periode heb ik aangeleerd op welke signalen ik moest letten om niet in een inzinking of terugval terecht te komen.

Als je tijdens je herstel door dit soort emoties overmand wordt ga er tegenin en geef er niet aan toe maar vooral praat erover en wees er open en eerlijk over. Doe je dat niet, en negeer je deze emoties en gedachten, weet dan dat je mogelijks of zelfs onbewust een schuiver, een relaps, een terugval, of een wederinstorting (als je wil) aan het voorbereiden bent.

Weet dat dit een bijzonder slecht plan is want schuiven, echt, dat kunnen we niet, dat heb ik je hierboven al uitgelegd.

“Herval is geen totale mislukking…”

“Herval is nooit goed…”

“Herval is een leermoment…”

“Herval hoort bij een herstelproces…”

“Herval is menselijk maar niet wenselijk…”

En vriend, heeft hij U ook te pakken?

De eerste woorden die jij ooit tegen mij sprak en ik herinner me ze als de dag van gisteren, “En vriend, heeft hij U ook te pakken?” Nooit tevoren had ik jou ontmoet, nooit voorheen had ik jou gesproken. Dat had ook niet gekund want de werelden waarin we leefden waren tegenpolen. Ze lagen heel ver uit elkaar en toch ook niet, omdat jij de wereld waarin ik me bevond al een hele lange tijd de rug had toegekeerd. Maar jij kende hem wel, daardoor wist jij precies hoe ik me voelde. Door alleen maar naar mij te kijken wist jij wat ik doormaakte.

“En vriend, heeft hij U ook te pakken?” Ogenschijnlijk nietszeggende woorden, voor mij echter betekenden ze alles en hebben de deur geopend naar een leven dat ik niet meer voor mogelijk achtte. Het behoeft niet meer uitleg. Alleen, door die ene juiste vraag te stellen voelde ik me begrepen. Ik stond er niet langer alleen voor. Enkel die vraag heeft me moed, hoop en kracht gegeven om dat oude leven de rug toe te keren. Hoe kan ik je daar nu ooit nog voor bedanken?

In de donkerste periode van mijn leven was jij het lichtbaken dat op het woelige water waarop ik mij bevond richting aanwees. Ik kon erop vertrouwen dat jij me zonder nog meer averij op te lopen in een veilige haven zou loodsen. Het woord geduld kreeg daarbij een andere betekenis. “Geduld, Jan… geduld. Het komt wel.” Woorden die jij me minstens vijfhonderd keer hebt toegesproken. Net zoals:

“Van het leven krijg je duizend kansen maar van den alcohol, geen enkele.”

“Ook als je er niets van begrijpt, werkt het.”

“Tees en ’t geen en heel de nannekesnest, blijf komen en je zult er komen.”

“Van mijn eerste vergadering herinner ik me maar vijf woorden: De eerste pint laten staan.”

“Potteke en den afwas niet vergeten!”

Aan de tafel zal jouw stoel voor altijd onbezet blijven. Die gedachte op zich is even onwezenlijk als ondenkbaar omdat je er echt altijd was.  Voor mij en voor zoveel andere mensen was je een rustpunt, een klankbord, een kritisch woord, een begrijpende blik, een luisterend oor, een schouder maar vooral een vriend en één die er altijd was als het echt nodig was. Als het leven lastig werd, gaf jij soms vreemde of eigenwijze inzichten om op een andere manier te kijken, om het op een andere manier te proberen. Dag per dag, want dat duurt het langste. Dat zei je ook zo dikwijls.

De uitspraken, de flauwe moppen, de wijsheden en de levenservaring, ze zijn niet verloren gegaan. Jij bleef ze tot de laatste dag herhalen, week na week en dag na dag om ze nooit meer te vergeten. Dat gaan we met jou ook niet doen.  Zelfs nu niet, nu het leven U ook definitief te pakken heeft. Op de één of andere manier zal je er altijd blijven zijn…

Vaarwel mijn beste vriend en bedankt uit het diepste van mijn hart.

Huiswerk, of toch nog niet?

Gisterenavond stuurde ik Lou… “Het beeld van de kernreactor van Tsjernobyl die door een meltdown in zichzelf implodeert, leek me een gepaste metafoor om precies te beschrijven wat er zich in mijn hoofd afspeelt. Ik geloof dat ik je met gekrulde zinnen probeer duidelijk te maken dat ik het ècht meen om onbevooroordeeld met mezelf aan de slag te gaan en dat ik min of meer begrepen heb wat we besproken hebben.”

Ik schrijf, “Beste Lou, je vroeg me een andere toon te zoeken en andere woorden te vinden wanneer ik mijn gedachten op papier zet. Ik heb besloten om een dagboek bij te houden om te zien of me dat lukt. Ik ben heel erg benieuwd naar de evolutie van mijn woordenschat en of hij doorheen onze sessies dezelfde verandering zal doormaken als ikzelf.”

Op mijn berichtje verwacht ik niet onmiddellijk antwoord omdat ze me toevertrouwde dat zondag haar heiligdom is en ze in haar me-time met andere dingen zal bezig zijn, dan met losgeslagen patiënten.

Rond middernacht licht het scherm van mijn gsm op, bericht van Lou. “Jan, fenomenaal hoe jij schrijft.” Gevolgd door zes uitroeptekens. “Kleine verbetering, ik ben geen psycholoog”, gaat ze verder, gevolgd door een opsomming van alles wat ze wel is. Er volgen een resem titels en diploma’s van alle dingen die ze wel is, stuk voor stuk voorafgaand met het veel betekenisvol E-woord, ‘Erkend’.

 E-deskundige in verlies, E-familiaal bemiddelaar, E-burn-outbegeleider, E-systeemcounselor, E-verlieskundige etc… “Bijna acht jaar gestudeerd, maar dat is niet belangrijk”, schrijft ze. “Mijn ervaring en de kunst om aan te haken en te blijven is wat ècht telt.”  

“Wie is hier expert in zichzelf kleiner te maken?”, bedenk ik met een glimlach zonder aan die gedachte verder aandacht te besteden, hoewel ik mezelf toch op een lichte ontgoocheling betrap.

“Heb ik vandaag mijn toekomst, mijn hart en ziel in de handen gelegd van een life-coach?” Ik bestudeer die gedachte vanop afstand en vraag me af waar mijn weerstand vandaan komt.  Dat het internet overloopt van mensen die zichzelf expert-in, en life-coach-van noemen is wellicht een verklaring. Een andere plausibele uitleg is dat ik nogal wat mensen helemaal verknoeid heb zien worden door pseudo-huis-tuin-en-keuken-zielenknijpers die hoofden van patiënten lieten leeglopen om met de inhoud ervan hun portefeuille te laten vollopen.

In dezelfde reflex bedenk ik me dat deze kritische beschouwing een ingeving moet zijn die mijn oude zieke geest me influistert en me van een hanteerbaar excuus bedient om niet met mezelf aan de slag te gaan. Het klikte tocht met Lou. Ze heeft me toch de spiegel voorgehouden en me nieuwsgierig gemaakt waar mijn knoop zou kunnen liggen, en hoe het komt dat ik er totop vandaag niet in gelukt ben om hem los te friemelen. De suggestie, dat de wijze waarop ik naar mezelf kijk wél degelijk iets te maken kan hebben met mijn levensverhaal, zoals veel psychologen beweren, betekent dat er mogelijks iets in mijn verhaal moet veranderd worden. Er moeten relaties met het verleden verbroken worden. Misschien moet ik ergens afscheid van nemen.  Mogelijks moet ik een foute overtuiging herzien. Dat zijn toch juiste suggesties die Lou in onze eerste gesprekken heeft aangereikt?

Wat het ook is, we hebben een connectie die waardevoller is dan het vooroordeel dat probeert om me van mijn stuk te brengen. Mentaal wis ik de gedachte die in de weg zit om de volgende stap te zetten en voel opluchting door mijn lijf stromen. Negen jaar AA heeft me geleerd om weerstand, onnodige twijfel, excuses en zelfbeklag te herkennen, te begrijpen, er doorheen te stappen en ermee aan de slag te gaan. Laat maar komen dat huiswerk.

Lou, 8:45: “Jan, goedemorgen! Ik heb zonet jouw huiswerk verzonden .” 

“Betrap ik je nu op je eerste leugen? Niet werken op zondag? Dat zei je toch?  Tsss…”, antwoordt de socialist in mij die zondagsrust als een hoog verworven goed beschouwd omdat zelfs Adolf Daens in hoogsteigen persoon ervoor op de barricaden heeft gestaan en dat feit op de koop toe ook nog heeft mogen gaan uitleggen bij paus Leo de dertiende.

“Merci, en vergeet je koffiekoek niet.”, antwoord ik in de hoop dat Lou mijn gedachten kan lezen. “Psychologen”, excuseer me het woord, “self-made-deskundigen in hun vakgebied” hebben namelijk ook rust nodig.

De dag komt heel moeizaam en traag op gang. Na een koude plons in mijn zwemvijver, een gewoonte die ik uit Noorwegen heb meegebracht, één die ik dagelijks een aantal keer herhaal, vat ik het plan op om mijn huiswerk eens te bekijken. Het lukt nauwelijks. Snerpende hoofpijn speelt hard op. Ik kan me niet concentreren. Mijn aandacht neemt af en ik voel mijn slapen kloppen, alsof een oud gebouw met een boorhamer moet gesloopt worden.

Om wat afleiding te zoeken, scrol ik doelloos door mijn gsm en vind één gemiste oproep van een onbekend nummer en één uitgaande oproep van gisterennamiddag, naar datzelfde nummer. Ik herinner me vaag een gesprek, alleen weet ik verduveld niet meer met wie ik gesproken heb. Ik pijnig mijn gedachten maar kan me niet herinneren met wie ik gebeld heb. De hersenmist verontrust me maar laat de brain fog verder voor wat hij is. Niet alle zaken zijn even belangrijk of kunnen tegelijk aangepakt worden. Nog een AA-les die me vaak staande houdt.

Zowat alle redenen waarom ik vorige week beslist heb om Lou te zien en haar hulp in te roepen, hebben zich voorgedaan. Ik voel me door mijn eigen gedachten fysiek, mentaal en emotioneel weggeduwd, alsof ik niet besta. Het gemis aan connectie met mezelf en met anderen rust op mijn schouders en maakt me minstens een halve meter kleiner.  Ik doe vruchteloos pogingen om een beetje afstand te nemen van mezelf en van mijn gedachten.

De manier hoe ik naar mezelf kijk en ik gebeurtenissen uitvergroot maken me helemaal onzichtbaar en onzeker. Ik nestel me in mijn bubbel, zet mijn hoofdtelefoon op en tracht de kwelgeesten weg te schrijven. Met elke zin die ik uit mijn pen probeer te wringen wordt de hoofdpijn heviger. Ik sluit mijn ogen en probeer rust te vinden.

De afgelopen negen jaar hoorde ik doorwinterde AA’ers wel eens volgende uitspraak doen, “Eens je met de afwerking van jezelf begint, zal je merken dat stoppen met drinken nog het gemakkelijkste was…”.  Ik geloof dat ik nu pas helemaal begrijp wat daarmee bedoeld werd.

De wereld mag binnen

Jaren aan een stuk heb ik het gedaan, met misprijzen naar mezelf kijken door de ogen van een ander, om me met dat oordeel een valse identiteit aan te meten. Ik moet daarmee stoppen. De maskerade heeft lang genoeg geduurd, maar vooral, het heeft me niet veel waardevols opgebracht, integendeel.  Voortaan zal ik proberen om meer aandacht te schenken aan wie ik diep van binnen ècht ben. Ik hoop dat als me dat lukt, ik me op een betere manier in de wereld zal kunnen begeven, milder voor mezelf en zachter voor diegenen die er ook in dolen, net zoals ik. Maar, niet langer met de ongewenste druk die ik mezelf opleg, om door iedereen gezien te worden door een bril die niet bij me past, om goed- of om afgekeurd te worden. Ik moet niet broodnodig opvallen. Ik hoef niks te bewijzen want dat heeft niet veel opgeleverd.

De jaren verstrijken geruisloos en meedogenloos.  Elke hartslag van mijn leven wordt geteld en is zorgvuldig bijgehouden. Was het mijn verjaardag of was het iets anders, voortschrijdend inzicht, nuchterheid misschien?  Was het omdat een aantal belangrijke mensen mij recentelijk ontvallen zijn door gebeurtenissen die buiten mezelf lagen en ik daardoor mijn aards bestaansrecht evalueerde?  Het doet er niet toe. Wat er wel toe doet, is dat ik langzaamaan begin te ondervinden dat ik niet beter word van datgene wat anderen over mij denken, hoe ze naar me kijken of hoe ze over me spreken. Kritiek op wie ik ben, hetzij positief hetzij negatief is immers nooit juist gedoseerd.  Hij is nooit op maat gesneden van wat ik acceptabel, terecht of onterecht acht.

Als ze er mij zonder maskerade niet langer bij willen, hetzij zo. Als elke vezel in mijn lijf roept dat ik mijn geknutselde identiteit ontgroeid ben, hoef ik me er toch niet langer proberen in te wurmen?

Toestaan om mezelf sympathiek te vinden door mijn persoonlijke gedachten en emoties in een plooi te wringen zodat ze allemaal in een gietvorm kunnen, die niet bij me past, ik ga dat niet meer doen. Daarvoor schieten er nog te weinig hartslagen over. Onder de vermomming die ik van mezelf afgooi hoop ik onbezorgdheid en rust in mijn hoofd en hart te vinden, niet om de wereld te verstoppen maar nèt om hem binnen te laten!

Vier van twaalf

Mocht ik Piet Huysentruyt in de zomer van 2013 om hulp gesmeekt hebben, hij zou me na een week of vier gevraagd hebben: “Janneke, wat hebben we tot nu toe geleerd?” Ten eerste: “Ik heb een serieus probleem, dat verslaving heet en dat maakt me machteloos”. Ten tweede: “Ik krijg dat probleem niet in mijn eentje opgelost. Ik heb er hulp bij nodig”. En ten derde: “Ik kan maar beter doen wat lotgenoten in herstel me aanraden, want als ik doe wat ikzelf denk te moeten doen, wordt het een puinhoop”.

Is het zo simpel? Ja, zo simpel is het. Zelf heb ik vooral met de derde stap geworsteld en gevochten, eerlijk is eerlijk. Ik hoef daar niet gladjes over te doen. Had ik mijn koppigheid en eigenwijsheid niet opzijgezet en was blijven luisteren naar wat mijn ‘zieke’ (verslaafde) geest me bleef influisteren, ik had geen enkele kans gehad. Ik mag dat getuigen want aandacht geven aan wat mijn eigen koppig willetje mij souffleerde, heeft me de beste jaren van mijn leven gekost…

Nadat ik voorzichtig mijn eerste drie stapjes had gezet en ik min of meer doorhad dat ik de eigenaar geworden was van een torenhoog probleem, dat ik hulp nodig had en ik dat inzicht maar beter kon omhelzen, was ik helemaal klaar voor het grote werk. Ik moest en wou achterhalen wie ik geweest was en wou ontdekken wie ik aan het worden was. De voorwaarde om hieraan te beginnen was dat ik de achterkamer van mijn ziel moest uitmesten. Ik mocht de ‘erbarmerlijkheden’ niet in die donkere hoek van mezelf laten liggen. In het kort gezegd is dat mijn vierde stap, en die voelde aan als een operatie op, mezelf.

Bij mijn vierde stap pasten woorden waar ik bang van werd. ‘Grondig’, ‘onbevreesd’, ‘eerlijk’, ‘diepgaand’, ‘moedig’…  Ja zeg, dat waren stuk voor stuk karaktereigenschappen die ik niet bij mezelf terugvond. Toch had ik al geleerd dat als ik mezelf een kans wou gunnen om tot zelfinzicht, tot eigenwaarde en tot zelfacceptatie te komen, ik me al die nieuwe woorden eigen moest maken. Ze moesten van mij worden.

“Niet meer luisteren naar wat mijn zieke geest me influistert!”

De nieuwe woorden moesten vanzelfsprekender worden dan de vlucht die ik gewoon was. Alleen zo zou ik mijn drank- en vluchtmechanisme leren kennen. Alleen wanneer ik aan dat onprettig werkje zou beginnen, had ik een waterkans om vrede te krijgen met mezelf.  Enkel en alleen dan zou ik mijn verslaving onder controle kunnen krijgen.

Mijn vierde stap ging gepaard met een hoop schrijfwerk, driehonderd negentienduizend zevenhonderd vierendertig woorden of achthonderd vijfentwintig A-viertjes om volledig te zijn. Eens ik mezelf had voorgenomen om helemaal eerlijk en nederig met mezelf te worden leverde me dat meer confronterende conclusies op dan ik initieel in gedachten had. Ze van mij afschrijven was noodzakelijk om stappen vooruit te kunnen zetten.

Het alcoholparcours dat ik in het kladschrift van mijn geweten opschreef, had veel diepere slijksporen door mijn leven getrokken dan ik vroeger ooit aan mezelf had durven toegeven.

Onder ogen komen en toegeven dat mijn zelfbeeld mijn hele leven lang in niets overeenstemde met het beeld dat ik aan de buitenkant toonde, was als een operatie op mezelf, zonder anesthesie. Naar mate ik langer en dieper in mezelf roerde kon ik niet anders dan toegeven dat ik al zo lang ik het me kan herinneren kampte met mateloosheid. Sport, seks, werk, eten, drinken, feesten, rouwen … alles. Mijn switch heeft wat al die dingen betreft maar twee standen, op en af.  Middelmaat ken ik niet.

Dat waren maar een paar conclusies die ik over mezelf kon nemen. Er zouden er nog vele volgen en er zullen er nog vele volgen want mijn vierde stap, hij dient zich aan op de meest onverwachte momenten. Ik ben er nooit helemaal klaar mee. Op die manier maak ik door te schrijven en door eerlijk te spreken een genadeloze inventaris op van mezelf. Enkel zo leer ik mezelf eindelijk een beetje beter kennen, om vast te stellen dat het nu beter met mij gaat. Niet gemakkelijker, maar beter. Rustiger ook en dat is veel om dankbaar voor te zijn.