Gelukzalige baby.

Vroeger toen ik nog zoop, een activiteit die veel tijd in beslag nam, was dat zwelgen noodzakelijk om een minder dramatisch zicht te krijgen op mezelf, ongeacht wat de feiten waren, ofwel heel erg onderschat ofwel fel overdreven afhankelijk hoe ik er het beste uitkwam. Ik dreef aan de oppervlakte van begrijpelijke leugens met daaronder onbegrijpelijke verborgen waarheden. Ik voelde me dan geen hypocriet of veinzer met één gezicht en vele maskers, neen ik had gewoon zoveel gezichten afhankelijk van de situatie, omdat ik niet wist wie ik was of wilde zijn. Stoppen met drinken of ouder worden heeft daar niet veel aan veranderd. Ik denk dat ik wat dat betreft leeftijdsloos en hardleers ben. Of wat had je verwacht van mijn leermeesters die koppigheid en minachting heetten. Voor mijn drooglegging vulde ik jullie oren en monden met waarheidsgetrouwe leugens en veel betekende beloften om ze wat later in jullie gezicht weer uit te kotsten. Dat kotsen is gestopt maar tegen beter weten in blijf ik streven naar het onbereikbare. Ik blijf er dan zolang langs alle kanten met open mond naar gapen, tot ik helemaal ondersteboven hang zodat mijn hart uit mijn mond valt. In mijn hoofd blijf ik maar foto’s maken van dingen die ik nooit zal zien en als ik dan al eens een wijs inzicht heb, wat doorgaans niet heel dikwijls voorvalt, leef ik niet naar de principes die ik verkondig als een overtuigde boeddhist. Dat doe ik als ik het weer eens denk het allemaal te weten.  Voor de rest van de tijd blijf ik mijn hoofd rondjes te draaien, zit ik op mijn gat of probeer ik een puinhoop te imiteren, wat dan meestal wel van de eerste keer lukt. Van al dat gepieker ben ik zeker al een paar keer gestorven, gisteren nog denk ik. En zo lig ik in polepositie om een oude bejaarde knor te worden, vol van mezelf zonder ooit echt geleefd te hebben maar nog steeds met de overtuigde illusie dat ik daarvoor nog genoeg tijd heb terwijl ik die aan het verschijten ben met me druk te maken in vrouwen, in mannen, in exen, in anderen, in politiek, in de kleur van het behang en in het geslacht van de engelen.

Naast koffie maken is bezwijken aan suïcidaal nihilisme dus het enige wat ik tegenwoordig doe. Maar jullie hoeven zich geen zorgen te maken want ik moet eerst nog veel schrijven, koffiedrinken en peuken paffen, dan volgt de rest vanzelf wel. Zo ben ik vastberaden om weg te rotten in boeken die volgeschreven zijn met nietszeggende zinnen en nutteloze wijsheid, maar daarin zal ik herboren worden, ooit, als een gelukzalige baby die al de bagger in zijn volgescheten pamper heeft achtergelaten.

Denk je dat ik het ben?

De jonge vrouw, ik schat haar een jaar of dertig, was lelijk en spichtig, zo mager als een riet en even puistig als een afgeknotte wilgentak. Haar onverzorgde gebit stond schots en scheef en haar blik was zo hol als een vergeetput. Hoewel ze zichtbaar moeite gedaan had om er een beetje toonbaar uit te zien, was ze met die poging nauwelijks succesvol geweest.  De hoge hakken die ze onder haar gerafelde jeans droeg, maakten haar iets groter dan ze in werkelijkheid was. Toen ze me geforceerd-hartelijk toegang verschafte tot haar appartement, wipten de houten zolen van haar te iets te grote schoenen snel omhoog zodat die met een droog ritmisch geluid tegen de eeltige onderkant van haar voeten klapten. ‘Bedankt dat ge zo snel gekomen zijt, ik had eigenlijk gedacht dat ge niet zou opdagen. De meeste mensen lopen weg van mij, zelfs mijn eigen kinderen’, prevelde ze bijna onhoorbaar met doorzopen stem terwijl ze een zelf gerolde peuk opstak en haar iets inschonk dat op koffie leek. ‘Gij ziet er niet uit als een alcoholist’, zei ze met een onhandige brutaliteit zonder een antwoord te verwachten. ‘Gij ook?’ en ze wees naar een tas die al een geruime tijd geen afwaswater meer had gezien. Ik had al minstens vijf vliegen geteld die af en aan vlogen van een bord waar nog een rest pizza en wat korsten van gisteren op lagen. Voor de koffie bedankte ik maar was wel oprecht benieuwd naar haar verhaal. ‘Denk je dat ik ook een alcoholist ben?’ vroeg ze me vrank met niet gespeelde eerlijke nieuwsgierigheid. Door die astrante vraag dwaalde ik in gedachten ver af naar mijn eigen verzopen verleden en begon onophoudelijk te ratelen… over mezelf zoals ik dat altijd doe in situaties als deze.

‘Ik ben zeker dat ik doodsbang was om te erkennen dat ik een alcoholprobleem had’, begon ik. ‘Het antwoord op die vraag verschool zich voortdurend onder de oppervlakte. En soms kwam dat boven, eerst met stil gefluister, dan met duidelijke stem tot het uiteindelijk een schreeuw werd. Ik denk dat ik het allemaal veel te lang genegeerd heb alsof ik er een soort light-versie probeerde van te maken maar met die onzin waande ik me slimmer dan mijn probleem en dat was pure zelfoverschatting. Ik heb lang geprobeerd om aan mezelf en aan iedereen die toekeek te bewijzen dat ik nog een succesvol iemand kon zijn, dat ik niet echt een probleem had en wel kon stoppen wanneer ik dat wilde maar diep in mezelf wist ik dat dat een illusie was. Als ik ‘s avonds in de spiegel keek en ik zag de ellende die terugkeek, was ik zo bang omdat ik zeker wist dat ik de rest van mijn leven zou moeten blijven drinken om de dag door te komen of om de nacht te overleven. Ik had er een boeltje van gemaakt en voelde me met elke poging om te minderen dieper in de stront zakken, zoals in drijfzand, denk ik.’ ‘Hoewel ik wist dat zuipen, zoals ik het deed, ongezond was en dat ik daar op een dag steendood van zou vallen, kon ik het fysiek en mentaal niet opbrengen om het niet te doen, omdat ik er zoveel van hield. Ik was gek op de fysieke sensatie om de roes via mijn keel in mijn bloed te voelen stromen en met ware doodsverachting zag ik uit naar het mentale spektakel wanneer door diezelfde slome roes de ruwe randen van het leven geëffend werden. En dat zal wel het grootste probleem geweest zijn. Ik kon niet drinken zoals normale mensen dat doen omdat ik er niet mee kon stoppen omdat ik steeds maar op zoek ging naar iets wat niet bestaat.’

‘En om op je vraag te antwoorden, ik raakte pas min of meer opgelucht toen ik mezelf de vraag niet meer hoefde te stellen of ik een probleem had, of ik alcoholist was. Dat maakte dat ik niet meer moest gissen naar antwoorden en niet langer meer moest zoeken naar mazen om te ontsnappen aan mezelf. In plaats van mezelf op te zadelen met excuses waarom ik moest drinken, begon ik stilaan te luisteren naar een andere kleine stem, die van de wijsheid maar die zich voorlopig nog schuilhield aan de binnenkant van mezelf. Ik had mezelf lang genoeg voorwendsels gegeven om het op een zuipen te zetten. Hier, ik zal je er een paar opsommen:

Ik haat mijn werk.

Mijn financiën zijn een puinhoop.

Al mijn relaties staan in ’t rood.

Iedereen die ik ken drinkt.

Vandaag drink ik want het is mijn verjaardag.

Morgen drink ik want dan is het jouw verjaardag.

Als ik niet drink zullen ‘ze’ vragen waarom ik niet drink en ik zal ‘er’ niet bij horen.

Ik ben toch op vakantie, en ik doe toch niemand kwaad met een wijntje?

Het leven is saai.

Het leven is moeilijk.

Het leven is wreed.

Ik ben gelukkig.

Het is toch al donderdag.

De kinderen zijn druk.

Ik ben ongelukkig.

Het is weekend.

De kinderen zijn er niet.

Oma is dood.

Het is elf uur.

Ik heb toch ontbeten.

Ik heb een rotdag.

Lien is zwanger.

Ik heb geen slechte dag.

Ik heb een platte band.

Het is nog maar tien uur maar het is zondag.

Ik heb gisteren niet gedronken, zie je dat ik geen probleem heb.

Ik schaam me omdat ik me weer misdragen heb, ik kan net zo goed drinken dan vergeet ik het.

Het is genetisch bepaald want ons ma dronk ook veel.

De zon schijnt.

Ik moet een nieuwe fles kopen want aan deze ben ik al begonnen.

Het dient niet om de vloer te schuren.

Ik had een ongelukkige jeugd.

Het regent.

Ik schaam me omdat ik in mijn zatte bui weer iedereen gebeld heb.

Gisteren dronk ik maar twee glazen.

Nog eentje…

…eentje kan geen kwaad….

‘Zal ik je wat vertellen, wanneer ik terugkijk op mijn alcoholcarrière is het voor mij zo klaar als pompwater. Hoewel ik dacht dat ik zuipkampioen was, kon ik niet drinken, want ik kon nooit stoppen omdat ik alcoholist ben.’ ‘In het oog van een orkaan lijkt het windstil, maar als de wind gaat liggen, ligt alles plat. Het angstaanjagend van de zaak is dat dat de stormen elkaar sneller zullen opvolgen en dat ze erger worden dus als je jezelf herkent in een of alle excuses hoef je geen test meer afleggen of moet je mij of jezelf die vraag niet meer stellen omdat je het antwoord al kent.’ ‘Er is geen juist moment om te stoppen zoals er geen slechter moment bestaat om te beginnen maar wacht er niet mee want met elke nieuwe verzopen dag wordt het moeilijker. Je zal het harder te verduren krijgen omdat je met elk nieuw glas opnieuw een kruimel eigenwaarde doorspoelt.’ ‘Maar het goede nieuws is dat het kan, stoppen. Als ik het kon, kan jij het ook want er bestaat nog leven na de fles. Niet dat alles zonder drank perfect en gemakkelijk wordt maar alles wordt rustig op een rommelige manier.’ ‘Als je het probeert en je geeft niet op, is het zelfs gemakkelijk als je maar blijft luisteren naar die kleine stem die je elke dag iets belangrijks te vertellen heeft.’

Als de peer rijp is.

De laatste dagen denk ik dikwijls aan die jonge snaak uit mijn gemeente. Midden twintig schat ik hem, ferme kerel, goed van hart en rad van tong. Hij zou zomaar een vriend van mijn zoon kunnen zijn. Vroeger maakte ik er regelmatig een praatje mee, over dingen die zich in het dorp afspeelden, over voetbal of over koers of zo, niet dat ik van beide sporten veel af weet, hij trouwens ook niet maar dat onderwerp praat nu éénmaal gemakkelijk en het sloopt denkbeeldige barrières tussen generaties. De laatste tijd wisselen we niet veel woorden meer met elkaar daar aan de toog van het dorpscafé. Niet dat het leeftijdsverschil de afstand tussen ons plotseling heeft vergroot of omdat er niet meer over voetbal, de koers of over de nakende verkiezingen gepraat wordt maar gewoon omdat hij meestal te zat is. Het meeste van de keren dat ik hem er tref is hij zo ver over zijn theewater dat hij niet meer in staat is woorden in de juiste volgorde te plaatsen. Een gesprek is dan voor ons alle twee zo een opgave dat we het maar zo laten. Ook al zou ik hem veel te vertellen hebben, mocht hij de moed vinden om even te luisteren.

Toen ik vorige week zaterdagmiddag mijn dagelijks noodzakelijk pakje rook ging kopen in de krantenwinkel, die een paar huizen verder verderop een andere soort verslaafde onderhoudt, zag ik hem zitten op het terras van het café, waar we het gewoonlijk over voetbal en de koers hadden. Hij was alleen en zat met lange tanden aan een clubsandwich te knabbelen, zoals hamsters dat doen aan een noot. Hij dronk koffie en dat maakte me voor een of andere reden goed gezind. Zou hij tot inkeer gekomen zijn en zou hij doorhebben dat het op die manier niet verder kon en had hij daarom glazen boterhammen voor echte gewisseld?

Toen ik ‘s avonds na het voetbal in onze stamkroeg met een paar gelijkgestemden nog wat napraatte over de 0-5 pandoering die onze ploeg geslikt had, bleek mijn hoop ijdel. Hij was er ook. De koffie, van eerder op de dag, was overduidelijk geruild voor ander spul. Hij had er zoveel van op dat hij er zielig en hulpeloos uitzag. Stomdronken kraamde hij luide onsamenhangende onzin uit en het kostte hem moeite om op zijn benen te blijven staan. Zijn adem stonk naar braaksel en hij werd door iedereen gemeden alsof hij besmet was met één of ander virus. Sommigen lachten hem uit, goten er nog pinten bij of beschimpten hem, anderen, hoofdzakelijk vrouwen trokken bedenkelijk de ene wenkbrauw hoger op dan de andere. Eventjes ging het door mijn hoofd om naar hem toe te gaan om er op in te praten maar ik deed het niet. Misschien zou hij me bemoeiziek vinden en me beginnen verwijten of voor hetzelfde geld werd hij agressief. Hij strompelde naar buiten en verdween in de nacht. …  Het leek alsof ik naar een film van mezelf keek het haalde me helemaal onderuit.

Ik schrijf dit verhaal niet om te choqueren. Iedereen weet over wie ik het heb want in elke familie leeft eenzelfde hoofdpersonage in een gelijkaardig verhaal, alleen wordt hij of zij in de meeste van de gevallen angstvallig verzwegen, uit schaamte of omdat alcoholmisbruik algemeen aanvaard is. Maar het is niet omdat overdaad gemeen goed is dat het ok is. Het is ook niet zo dat als we er onze ogen voor sluiten, het er niet meer is.

Plezier wordt dikwijls met alcohol en pintelieren geassocieerd. Nog niet zo heel lang geleden dacht ik ook op die manier en zei ik het ook heel luid en met een hele grote mond, ‘Ik? Een alcoholprobleem? Hoe kan je in Vlaanderen nu een alcoholprobleem hebben als je op elke hoek van de straat pinten kan kopen? Giet ze nog eens vol want het dient niet om te schuren.’

Op het einde van mijn alcoholcarrière stamelde ik ook luid onzin uit en stonk ik ook de hele dag naar gist en zuur.

Het kostte me geen enkele moeite om verslaafd te worden, dat gebeurde gewoon. Langzaam, met een dagje sevvens maar het kostte bloed, zweet en tranen om er vanaf te komen om er dan uiteindelijk achter te komen dat je er nooit helemaal klaar mee bent, tenzij ik die eerste pint laat staan hopelijk doet hij het ook. Ik zal hem er heel hard bij helpen, wanneer zijn peer rijp is en hij het me vraagt!

(G)een maat voor niets.

Het is al tijdje een jaarlijks terugkerende gewoonte. In februari wordt Vlaanderen collectief drooggelegd. Dan zweren dappere Bourgondiërs hun favoriete glas en moedige bon vivants hun geliefkoosde fles voor een volledige maand af.  De aperitiefjes, de wijntjes, de bubbels en de pintjes worden dan achtentwintig dagen verbannen en vervangen door alcoholvrije alternatieven. Ik geloof oprecht dat er slechtere keuzes kunnen gemaakt worden want die ‘Westerse ramadan’ in de kortste maand van het jaar is misschien wel een uitgelezen kans om te achterhalen welke plaats alcohol in jouw persoonlijk dagelijks leven heeft ingenomen. Vereist die drooglegging moeite? Word je snel in verleiding gebracht of doet het je helemaal niets, die maand zonder en voel je helemaal geen bekoring? Ik denk echt niet dat het een slecht idee is om daar een paar weken, kurkdroog, bij stil te staan, ik raad het je zelfs aan. Hoe maak jij die maand vol? Mijd je de kroeg en de restaurants, haal je ‘het’ niet in huis en tracht je het jezelf op die manier gemakkelijk te maken of is geen enkele verleiding te groot en ga je aan die vertrouwde toog vol de confrontatie aan met spa en koffie?

Mijn rondje droogduurt al 66 maanden. Niet meer drinken is een goede gewoonte geworden die ik niet mee wil missen. Ik kwam er achter dat helemaal ‘niets’ drinken veel minder moeite kost dan het met mate te doen. Want daar was ik geen held in. Ik kwam erook achter dat ik bepaalde activiteiten of mensen enkel maar opzocht omdat er veel mocht gedronken worden en omdat me dat een gepaste dekmantel gaf om het zelfte doen. ‘Soort zoekt soort’.

Ik heb zeker nietde ambitie om op de preekstoel kruipen en van daar alcoholracisme te proclameren. De ambitie om met het vingertje omhoog gezellige wijntjes af te keuren en om het dagelijks pintje te beknorren, heb ik ook niet. Wel weet ik dat veel alcohol drinken bij velen een dagelijkse gewoonte is geworden. Dat heter elke dag bijhoort zoals vlees, groeten en patatten. Eigenlijk wil ik alleen maar getuigen dat wanneer alcohol dagelijkse norm wordt en je niet meer nadenkt bij wat je drinkt, die pint of die wijn soms, ineens opduikt met een ander gelaat. Om niet meer weg te gaan, en dan is de vertrouwde gezelligheid heel ver te zoeken.

Misschien helpt die maand nuchterheid om de volgende elf maanden bewuster met het spul om te gaan. Het is zelfs niet ondenkbaar dat je erachter komt dat er een zinvollere ontspanning bestaat dan die dagelijkse glazen snelle verdoving. Voor hetzelfde geld, echter koop je volgende week een bak duvel of een krat cava om te vieren dat je het een maand zonder hebben gekund, en dan is die maand zonder een maat voor niets geweest!

Permanent bezoek.

Somtijds heb ik zin om me helemaal van de wereld te zuipen? Kent ge dat? Ge moet niet te vals beschaamd zijn, we zijn onder ons. Tegen mij moogt ge dat vertellen.  Ik zal het wel voor mijn eigen houden. Ah, ge kent dat niet? Dat is goed voor u want dan moet ge u er ook geen zorgen over maken. Bij mij, maar ik spreek alleen maar voor mijn eigen rekening, komt het wel voor. Niet dat ik weet waardoor het precies komt, maar het komt gewoon. Dan stap ik uit mijn bed en voel ik het direct. Dit wordt een nutteloze maar een levensgevaarlijke dag. Vorige week had ik het zitten. Zaterdag, mijn agenda was vol geschreven met interessante afspraken met nog interessantere mensen maar ik voelde aan elke vezel in mijn lijf dat het niks ging worden.

‘Sta op, neem een douche, verman u en doe wat ge moet doen’, commandeerde ik mezelf.

‘Een glas witte wijn zou er wil in gaan’, zegt een andere stem.

Waarschijnlijk hebt ge dat ook niet? Dat ge op momenten het gevoel hebt dat er buiten uw vrouw en uw kinderen nog iemand bij u woont. Een rare snuiter die dan altijd het tegenovergestelde influistert van wat ge op dat moment wilt doen of moet doen. Een persoon, aan wie ge eigenlijk nog nooit formeel bent voorgesteld maar die zich steeds met uw zaak komt moeien. Soms zit hij maandenlang ongemerkt in een hoekje van mijn ziel waar hij in alle stilte boekjes leest van Hugo Claus of van Boon of zo en dan heb ik daar geen last van maar ineens op een niet te voorspellen moment, komt hij voor de pinnen. Dan wordt hij actiever en begint hij zich overal, ergerlijk mee te moeien.  Met zaken waar hij geen uitstaan mee heeft.

Met dezelfde radeloze energie van een gids die een hoop luidruchtige Japanners probeert tond te leiden in Brugge, zeg ik dan tegen mezelf, ‘Spring in uw auto en rijdt naar uw afspraak.’ Maar op een rare manier springt de andere dan achter het stuur, rijdt linksaf terwijl ik naar rechts moet.

‘Langs die kant komen we er ook wel’, zeg ik in een vruchteloze poging om de andere te provoceren.

‘Hier, kijk rechts, café Belle-vue. Daar hebben ze toch ook witte wijn of uwe favoriete rosé?’

Nog vooraleer ik ‘Rij door’, kon zeggen, was de auto al geparkeerd en stond ik op het voetpad, voor de deur van mijn favoriet cafeetje.

‘Ik ga niet binnen’, protesteerde ik maar de andere zat al aan de toog zodat ik geen andere keuze had dan mee naar binnen te gaan. Op een vervelende manierzijn we onafscheidelijk zodat we altijd tot elkaars gezelschap zullen veroordeeld blijven.

De barman, is nieuw want ik heb hem nog nooit gezien. Hij oogt wat vreemd en dromerig of verdoofd alsof hij in een vorig leven iets belangrijks vergeten is. Of misschien biedt hij ook gewoon onderdak aan iemand aan wie hij nog niet formeel werd voorgesteld en die hem influistert dat een lijntje nu ook wel vanpas zou komen.

‘Wat gaan we drinken? Rosé of Wit?’ ‘Gij gaat hier geen wijn bestellen. Ik wil koffie, gewoon koffie’, zei ik streng tegen mezelf en tegen de andere want nu toegeven is dansen met de duivel.  Koffie dus want ik kan niet dansen en waag het niet om…’

‘Wat wilt ge drinken, meneer’, vroeg de zweverige garçon geheimzinnig alsof hij instinctief aanvoelde dat er nog overleg plaatsvond over de te maken drankkeuze.

Nog voor ik, ‘koffie’ kon zeggen riep de andere ‘Rosé’. Ik werd woest. ‘Dit is geen manier van doen, ik wil geen wijn. Ik wou koffie maar gij moet weer voor uw beurt spreken. Zoals altijd.  Kunt gij niet gewoon weggaan of zo, naar ergens anders?’

‘Wijn voor twaalf uur s’ middags, uw leven is naar de klote makker’, zeg ik tegen mezelf.

‘Ge kunt nog altijd veranderen he’, zei de andere die veel te zeker van zijn zaak klonk om er nog langer weerstand tegen te bieden.

‘Wat krijgen we nu? Terug aan de wijntjes?’, vroeg een vertrouwdere stem die de Rosé voor mijn neus zette. ‘Dag Heidi, neen neen dat moet een vergissing zijn van uwe nieuwe garçon. Neem die maar terug en geef mij maar mijn vertrouwde koffie, en doe er in plaats van een koekje maar één van die pralines bij. Een van die witte, van onderaan uit de kast.’

‘Aan die chocolade kunt gij toch niet weerstaan he’, zei Heidi.

Ze moest eens weten.

%d bloggers liken dit: