Het eerste glas

Verslaafd? Daar ben je helemaal zelf de oorzaak van. Daar ben je echt altijd zelf verantwoordelijk voor. Zo denken mensen dikwijls. Zo was het ook bij mij en dan zeiden ze: ‘Drink eens iets anders.’ ‘Drink eens iets goeds maar niet zo veel’. Hoe vaak heb ik die zinnen niet gehoord? Ze galmen nog na. Wanneer ik er op terug denk hoe het ooit geweest is. ‘Moet dit nu? Kan je nu echt niet eens zonder?’ ‘Jij kent echt geen maat.’

Hoewel ik van nature heel begaan ben met mensen en ik eigenlijk altijd en voor iedereen het beste wil, kon ik nooit weerstaan. Ik kon het niet waarmaken om op dat gebied niet teleur te stellen. Telkens en opnieuw ontgoochelde ik diegenen die het dichtste bij me stonden. Niet omdat ik zwak was of omdat ik de gevolgen van mijn overdadig gezuip niet doorzag. Mijn kwelduivel was gewoonweg zoveel sterker dan ik. Op het einde had hij me helemaal in zijn greep. Ik was verslaafd en afhankelijk.

Lang dacht ik dat ik het gevecht tegen de ‘duvel’ kon winnen, dat was een grote misrekening. Als je tegenstander te sterk is, blijf je beter uit de boksring. De strijd werd maar pas een overwinning toen ik stopte met vechten, helemaal capituleerde en hulp vond tijdens de wekelijkse groepsgesprekken.

Niemand die er ooit vijf minuten bij stilstaat dat verslaafd zijn, een stoornis zou kunnen zijn. Een soort van onweerstaanbare drang die elk redelijk gedrag in de weg staat en alle ratio wegspoelt. Verslaafden worden nogal gemakkelijk als zwak aanzien of als mensen zonder karakter. Maar is dat wel zo? Zijn verslaafden armtierige sukkels zonder ruggengraat? Kiezen zij wel uit vrije wil voor het leven dat ze lei(ij)den? Persoonlijk denk ik van niet. Ik probeer het uit te leggen. Soms lukte stoppen wel. Als ik er niet aan begon of wanneer externe factoren mij er toe verplichtten. Bij een ziekte of zo of wanneer ik na lang aandringen wou bewijzen dat ik wel één nacht bob kon zijn. Om te imponeren of om aan mijn omgeving te bewijzen dat ik geen probleem had en dat ik wel kon stoppen als ik het echt wou. Zo lang ik me niet liet verleiden door het eerste glas, kwam er geen tweede, geen derde en bleef het hek op de dam. Het werd pas problematisch eens ik er aan begon en het duidelijk werd dat ik geen remmen had. Maar dat inzicht had ik niet toen ik dronk. Dat kwam pas veel later. Toen mijn emoties, gedachten en plannen niet meer bezoedeld werden door de verslavende promilles. Toen pas ben ik beginnen inzien en beginnen aanvaarden dat mijn alcoholisme niets meer was dan en ziekte die me te beurt gevallen was. Ik ben van mening dat mensen verslavingen meestal opdoen in periodes dat het niet goed gaat. Dat er iets gebeurt waardoor de slinger overslaat. Verlies, tegenslag, ziekte, trauma’s, psychisch leed, minderwaardigheidsgevoelens, een ongeval, onzekerheid, faalangst of een laag zelfbeeld of een combinatie van die dingen liggen vaak aan de oorzaak van excessief gebruik. Al kan het gewoon ook zijn dat je te lang en te intens bloot gesteld bent geweest aan alcohol. In mijn situatie was dat het geval. Alcohol was door omstandigheden te lang een onderdeel geworden van mijn dagelijks dieet. Misschien kreeg ik het al binnen met de moederborst, misschien ben ik veel te vroeg gaan drinken, het doet er niet toe. Het glas na het werk was een gewoonte geworden. Dat glas werd een fles en die fles werd een krat. Af en toe werd dagelijks. Dagelijks werd van s’ morgens tot s’ avonds. Het hek was van de dam. Ik was verslaafd en afhankelijk maar was het een bewuste keuze?

Mensen die niet weten wat het betekent om verslaafd te zijn, hoor ik vaak neerbuigend zeggen: ‘Ik heb toch ook problemen. Ik heb toch ook erge dingen meegemaakt. Ik heb het toch niet op het drinken gezet.’ Ik vertel dan soms volgende anekdote. Twee broers, samen een eeneiige tweeling, groeien op onder hetzelfde dak, krijgen dezelfde moederborst, gaan naar dezelfde school en hebben dezelfde vrienden. Ze worden groot in dezelfde omgevingsfactoren en hebben een nagenoeg een identieke genetische belasting. Toch ontwikkelt de ene rond zijn 20ste een ernstige verslaving en de andere niet. Hoe kan dat verklaard worden?

Het is volgens mij niet doorslaggevend wat je meemaakt. Het is de manier hoe je persoonlijk reageert op veranderende omstandigheden of dingen die gebeuren en die reactie is voor elk individu anders. Waarom is mijn drankgebruik uit de hand gelopen? Was het mijn temperament en mijn impulsiviteit dat me verslavingskwetsbaar maakte. Was het mijn drang naar nieuwigheid of mijn wisselend humeur en stemmingswissels dat me gevoeliger maakte? Heb ik door mijn overmatig gebruik mijn hersenactiviteit verstoord waardoor natuurlijke beloningssysteem om zeep raakte en mijn automatische remmen niet meer functioneerden. En ben ik daardoor alsmaar meer gaan drinken? Ik zoek niet meer naar antwoorden omdat ze me persoonlijk niet vooruit helpen. Ik weet wel dat ik sinds ik niet meer drink opnieuw kan nadenken terwijl ik me vroeger soms s’ avonds niet meer goed kon herinneren wat ik s’ middags gegeten had. Ik voel dat ik gevoeliger wandel door deze stage van het leven maar dat ik veel minder onderhevig ben aan oncontroleerbare emoties. Ik kan opnieuw plannen maken en sta hoopvol met beide voeten op de grond.

Verslaafd zijn is geen bewuste keuze. Het is een ziekte. Een verstoring van mijn vermogen tot zelfsturing. Tegen deze levensbedreigende ziekte is voor mij maar één remedie.  Ik moet het eerste glas laten staan.

Rode wijn met goudvissen.

 

De radio staat aan. Ik hoor flarden van gesprekken ergens op de achtergrond. Een vrouwenstem die ik zeker zou herkennen, mocht ik me er op concentreren, is aan het woord. Ze heeft het over eenvoud. Ik neem er geen kennis van. Geen enkel idee waar het gesprek precies over gaat.  Ik luister niet. De radio fungeert als decor. Een beetje zoals vergeeld behangpapier aan een muur van een oud huis dat zorgt voor een zachte akoestiek zodat storende geluiden of zwijgzame stiltes niet overheersen of terugbotsen. Ik zou scherp tegen mezelf willen uithalen of mezelf toe fluisteren dat stilte de slaap is die wijsheid voedt maar ik zwijg stil. Misschien is dat wel verstandiger of wijzer. Het lukt amper.

Ik hoor vaak van mensen: “Jij lijkt altijd zo rustig en kalm, stoïcijns bijna”.  Ze moesten eens weten. Ik heb het bijna nooit stil. Hier boven is het meestal niet kalm.  Vandaag ook niet. Mocht men nu kunnen binnen kijken, er zou te zien zijn dat ik in die ogenschijnlijke zwijgzaamheid redevoeringen geef aan mezelf.  En aan toehoorders van mijn illusies die er gulzig kritiek op geven. Of ben ik het zelf? Gedachten worden gewend en gekeerd tot ze droog gedraaid zijn en niet meer bruikbaar zijn om er nog een punt mee te maken. Ze leiden nergens naar toe.

Het gaat niet altijd goed. Of hoe ik zou willen dat het gaat. Het valt me vandaag heel erg op bij mezelf. Ik ben pas geopereerd aan mijn knie en ik lig hier een beetje hulpeloos en verveeld te staren naar het plafond. Hoewel ik mijn rustige “zelfmomentje” probeer te koesteren bereik ik precies het tegenovergestelde.  In een hels tempo worden films afgespeeld met onrealistische en achterhaalde scenario’s. Over vroeger, toen ik hier ook zo lag. In etterzielen met een kapotte knie en een schouder in puin. Hoe harder ik die beelden probeer te verdringen des te sneller ze binnen vallen. Ze plegen een hold-up op mijn gevoel en mijn humeur. Ze stellen me op de proef.

Ik giet drie kwart van een fles rode wijn door de gootsteen. Ze stond me flirterig aan te gapen en te verleiden. Van gisteren al, met goudvissen die op  bezoek zijn als stille getuige. Ze zwemmen triomfantelijk rond in hun viskom. Ze zien er opeens content uit!

De eendenfluisteraar.

 

Doorgaans doe ik hard mijn best om het niet te doen. Luidop denken en in mezelf praten. Gelukkig doe ik het enkel als ik alleen ben. Wanneer ik autorijd of in bad zit. Maar het vaakst betrap ik mezelf daarop wanneer ik alleen aan de waterkant zit. Alsof ik tegen eenden spreek en hen befluister. Zoals honden- of paardenfluisteraars dat doen. De waarheid is nochtans dat ik eerder mezelf probeer te bezweren. Het geeft me een rustig en gerust gevoel want op die manier raken mijn rondbotsende gedachten geordend en mijn chaos gerangschikt. De warboel wordt dan helemaal opnieuw ontrafeld tot nieuw spingaren. 

Als ik ermee betrapt word, kan men mij van geestelijk “niet helemaal in orde” verdenken. Maar dat geeft niet. Niemand heeft daar last van en ik word er beter van. Ik zal er niet mee stoppen want kleine verlangens ontzeg je jezelf toch niet? 

Ik deed het wel, ooit. Toen ik van dat kleine verlangen een grote slaaf geworden was. Een soort lijfeigene van de alles ontziende roes die met de strategie van de verschroeide aarde elk pad in as legde.

Vijf jaar geleden kocht ik mezelf vrij. En dat lijkt alsof het gisteren was en dat op zich is al even akelig als spectaculair.  Onze pa kon dat schoon zeggen:

“Op ne schonen dag, als ge lang genoeg leeft en uw toekomst stilletjes verleden tijd wordt. Dan draait ge u om en kijkt ge terug op uw eigen jonkheid en op uw stommiteiten maar ook op die zakes die ge goed gedaan hebt. Waar ge fier moogt op zijn”. 

De tijd vliegt. Zeker als je hem bewuster doorleeft. Vijf jaar. Het lijkt zo ver en tegelijk zo schrikbarend dichtbij. 

“Chapeau!”: hoor ik dan wel eens. “Dat je dat kan. “En nooit zo eens eentje? “Dat kleine verlangen hoef je jezelf toch niet te ontzeggen?” hoor ik hen denken. “Dat moet toch kunnen. Zo eentje?” Het is vast goed bedoeld en ik neem het niemand kwalijk. Maar eerlijk, ik heb het nooit gekund. Ik heb dat voornemen nooit kunnen waarmaken. Eentje was niet aan mij besteed. Voor één glas maakte ik mijn lippen niet nat. Om dan te stoppen met goesting? Ben je niet goed? Ik hoef mezelf wat dat betreft niet voor te liegen. Ik kan mijn eigen daarover niets meer opdisselen. Nooit was het me gelukt, het bij dat ene glas te houden. Waarom zou ik het nu dan nu opeens wel kunnen? Omdat ik al vijf jaar stopseldroog sta? 

Ik sta er nog steeds maar even ver van af als vijf jaar geleden. Ik ben nog steeds maar één armlengte verwijderd van het glas en de toog die me zo lang in hun donkere kerker gekentend hielden. Dus vergeef het me als ik niet in ga op die vriendelijke uitnodiging om mee te doen. Het zou mijn ondergang betekenen.

Misschien is zelfkennis wel de grootste kennis die je kan verwerven. Wat die zou me behoeden voor ijdelheid en beuzelaarij, al zou het ook perfect mijn laatste illusie kunnen zijn. 

Ik zeg of schrijf dit niet allemaal op om me er fier mee op de borst te kloppen en er hovaardig mee neer te kijken op de zuiplappen die met ware doodsverachting nog rustig verder blijven doen. Omdat ze niet kunnen stoppen. Of nog niet, omdat de peer nog niet rijp genoeg is om van de boom te vallen.

Het is niet omdat ik altijd wat anders drink, dat ik het recht heb om anderen hun pintjes  en wijntjes te ontzeggen. Zeker niet van die drinkers die er wel op een verantwoorde manier mee kunnen omgaan. Mijn waardeoordelen laat ik wat dat betreft best achterwege want het leidt me maar af van mijn eigen soberheid.

En als ik het daar dan overdenk zeg ik tegen een voorbij drijvende mannetjeseend: “Ik zal maar stilletjes verder blijven doen zeker want een betere keuze is er niet.” De woerd kwaakt en ik ben niet zeker of hij wel luisterde want voorbijdrijvende eenden horen nooit. Die zijn ook met andere zakes bezig.

Kleuren van bloemen

 

De kinderen gaan binnenkort opnieuw naar school. Dan is de vakantie voorbij. De meesten onder ons gaan ook terug werken om er haastig te leven van de ene dag in de andere. De ene snel gevolgd door de andere. Het einde van de vakantie is dan het startschot om ons weer achter gesloten deuren en ramen op te sluiten, in onze dagelijkse sleur. Sommigen worden er zwaarmoedig van anderen lichten op en genieten van die geregelde drukte om weer indruk te kunnen maken of om levenswerken af te maken. Of er aan te beginnen.  Het maakt niet uit. Houd ervan, van het leven dat je leeft! En doe het met vuur en hartstocht.  De balans van het leven is zo subtiel omdat we leven op breedtegraden waar zelfbeschikking grotendeels bepaald wordt door onze omgeving en diegenen waarvoor we werken. In plaats van het heft zelf, in eigen handen te nemen. Begin er anders aan. Nu dan?

 

Hoewel ik van nature eerder pessimistisch ben, heb ik toch geleerd te leven met een relatief positieve geest. Met hoop en vertrouwen. Hoewel ik ook soms kan wegzinken in het duistere logboek van mijn leven. Om daar dan vast te stellen dat ik de cursus ervan slecht onthouden heb en gebuisd ben met onderscheiding! Stress en twijfel zijn docenten waar ik constant aan vraag hoe het verder moet. Hoe ik de dag, de week en de maand het beste indeel om er niet door opgeslokt te worden. Ze lijken wel eeuwige levenspartners in een moeilijke driehoeksverhouding. De relatie is ingewikkeld!
Hoewel ik beschik over een solide overlevings-gen en door wel wat dingen begeesterd raak pers ik mijn citroen soms ook wel veel te ver uit.  Tot er geen druppel meer in zit. Ik houd op zo veel manieren van mijn nieuwe leven, waar ik zelf architect van ben, dat ik het soms allemaal wil. Alles en ineens.  Als ik dan niet alert ben, wint de duivel op de ene schouder het van de engel op de andere. Op die momenten heb ik rust nodig zodat ik de duisternis van de herfst nog even kan uitstellen. Zodat de bloemen nog eventjes mooie kleuren sturen en ik de geur van mijn pad kan blijven volgen. Op de rechte weg. Met de juiste richting en dezelfde koers.  Met vaste tred zodat ik eindelijk die cursus vind en kan afmaken waar ik aan begonnen ben om er oude deuren te sluiten er er nieuwe te openen.

Op een dag is alles veranderd. Het is nooit te laat om te leren leven op de landweg van ons leven. Op die wegel die bezaaid is met wolfijzers en schietgeweren maar ook met kleuren van de bloemen!

Als je ze ziet staan, tenminste!

Zat gezegd is nuchter gepeinsd.

Soms denk ik, “ik wou dat ik zat was”. Niet een beetje tipsy of in de wind maar zo fel in de olie dat remmen geen grip meer vinden. Dan wil ik zo ver boven mijn water zijn dat ik het nog eens goed en straf kan zeggen zonder me in bochten hoeven te wringen. Zonder bekommerd te zijn hoe ik bij jou over kom. Om me er dan de dag nadien, beschaamd voor te kunnen verontschuldigen. Dat het niet zo bedoeld was.

“Zat gezegd, is nuchter gepeinsd”, zegt het spreekwoord. En dat zal wel kloppen anders was het geen spreekwoord.

Hoe gemakkelijk was dat niet. Om me tot aan mijn slikker vol te gieten. Om dan met bloed doorlopen waterogen bagger te kunnen lozen. Om verdronken onzin uit te kunnen kramen of fel overdreven zatte waarheden te lallen. Met gemakzucht zo hard schofferen om de dag nadien te kunnen zeggen: “Het spijt me maar ik had te veel gezopen, ik was de controle even kwijt. Ik heb het zo niet bedoeld”.

Maar, ik ben ook niet poederdroog geworden om me opzij te laten zetten omdat ik nu wel beheersing vind om het niet te doen. Te schofferen en te lallen om gelijk te halen.

Vroeger had ik dan misschien geen recht van spreken omdat er altijd wel wat goed te maken viel. Of om punten te verdienen waarvan er altijd veel meer uitgegeven werden dan dat ik er gespaard had. Toen moest ik dikwijls zwijgen en de ronde laten voorbij gaan om te passen met de beste kaarten. Nu zou ik wel kunnen spreken en op tafel slaan. Gelijk halen omdat ik denk dat ik het heb. Misschien dat ik het daarom nu net niet doe. Omdat ik wat gematigder ben en wat rustiger. En dan peins ik…

Gelukkig heb ik niet gezopen en heb ik gezwegen. Want anders moest ik nu weer met een houten kop achter straffe excuses zoeken, en schoon woorden geven om het weer min of meer op orde te krijgen. Met holle woorden en inhoudsloze beloften waarvan ik niet helemaal zeker zou zijn of die überhaupt wel zouden binnenkomen.

Gelukkig heb ik niet gezopen!

%d bloggers liken dit: