Categorie: Vrouwvriendelijk

Troostende Sushi

Haar mobiel piept twee keer. Om helemaal zeker te zijn gluurt ze snel nog even op het schermpje van haar gsm ook al weet ze met zekerheid dat het precies 19:00 uur is. In gure winterdagen als deze, is het buiten al stikdonker. Een vrouw in dure deux-piece, verlaat alleen en zonder haast haar kantoor. Ze zet als bescherming tegen de gure noordenwind de kraag van haar overjas recht en slentert naar haar BMW X5 die wat verder geparkeerd staat. Hij is de op twee na laatste auto die zich op dit uur nog op de parking bevindt. Onder haar linkerarm knelt ze drie kaften strak tegen haar middel. In haar rechterhand draagt ze een uitpuilende laptopzak.

Even later rijdt ze door de stad en zoekt zich in het niet meer zo drukke verkeer een weg naar huis. De stad, laten we die bijvoorbeeld Mechelen of Gent noemen, in elk geval, dat soort stad waarin donkere huizen in lintbebouwing naast elkaar staan en waar achter gevels met grote ramen, gezellig uitnodigend licht naar buiten schijnt. Als een voyeur gluurt ze binnen en ziet flarden van de privé van voor haar onbekende mensen. Ze is getuige van gezinnen met kinderen en van kinderloze koppels die aan tafel zitten of van mensen die nog in de keuken de laatste hand leggen aan het avondeten. De eenzaamheid voelt aan als knagende honger terwijl iedereen zich voorbereid of bezig is met eten en gezelligheid.

Net voor ze de oprijlaan van haar veel te grote villa oprijdt, appt ze met een enkel commando het licht aan dat haar huis onmiddellijk een bedrieglijke gezelligheid geeft. Achter de voordeur ontdekt ze exact dezelfde stilte die ze er vanochtend heeft achtergelaten. Zoals elke andere avond zit niemand haar op te wachten. Op de keukentafel vindt ze naast een halfvolle tas ijskoude koffie, een opengeslagen magazine dat ze vanochtend ongeïnteresseerd doorbladerd had. Haar man is er eerder dit jaar vandoor gegaan, waarschijnlijk omdat ze meer of te veel met haar werk getrouwd was dan met hem.

Buiten een paar dure flessen witte wijn is de koelkast zo goed als leeg. De tv staat aan en toont beelden die ze niet wil zien.  Het is kwart over acht.  Ze schenkt zichzelf een veel te groot glas witte wijn uit en knoopt het bovenste knoopje van haar blouse los. Ze schudt de haren los, tuit haar pas gestifte lippen en neemt een selfie die ze onmiddellijk op Instagram post en onderschrijft met de quote die alles bevat waar ze op dat moment van huivert. Yolo, eindelijk rust!

Haar keuken is gezellig verlicht met gedempt gelig letlicht. Hoewel het nog maar 17 januari is, besteld ze voor de vijfde keer deze maand troostende sushi bij haar favoriete afhaalboer. De Wasabi proeft te scherp. Ze post drie foto’s van haar copieus sushibootje op Instagram, haar enige gezel. #SushiZalig!  Buiten wordt het donkerder. Ze vraagt zich af of ze op dezelfde manier gezien wordt zoals zij een uur geleden vanuit haar auto al die mensen opmerkte. Ze twijfelt. Er bengelt een traan op haar kin die een tel later uiteenspat op het magazine dat nog even onaangeroerd op de keukentafel ligt als vanmorgen.

~~

Het is net zeven uur geweest want haar mobiel heeft twee keer gepiept. De vrouw in dure deux-piece verlaat haastig haar kantoor.  Nadat ze achter het stuur van haar splinternieuwe BMW X5 plaats genomen heeft, gooit ze de haren los, stift ze haar lippen uitdagend rood, knoopt ze, altijd voorbereid op het onverwachte, het bovenste knoopje van haar blouse los.  Even later gluurt ze langs de ring achteloos in de felverlichte huizen binnen en beschimpt ze de taferelen die op haar netvlies branden, en denkt minachtend… niet met mij, klootjesvolk.

Als ze de oprijlaan van haar villa oprijdt, appt ze met een enkel commando het licht aan dat haar huis een luxueuze uitstraling geeft. Ze glimlacht voldaan. Eens ze de voordeur achter zich dicht getrokken heeft zwiert ze de Louboutins achteloos in het schoenrek van de vestiaire waar nog minstens vijf paar van hetzelfde merk uitgestald staan. De Escada overjas hangt ze zorgvuldig op een kleerhanger die in haar dressingkast vergezeld wordt met Dolce and Gabbana en Gucci jassen. Haar huisje-tuintje-boompje-man heeft ze eerder dit jaar aan de deur gezet omdat hij te veel aandacht opeiste, althans meer aandacht dan zij hem wou geven. Sedertdien is ze vogelvrij, en dat mag gerust letterlijk genomen worden.  Buiten haar werk heeft ze geen verplichtingen meer. Ze hoeft niet langer te gruwelen van toekomstige kinderen die haar afgetrainde lijf zullen doen uitdeinen. Voor haar geen perma-vent of sleur-seks meer op momenten dat zij het niet wil. Al een tijdje beschikt ze over een personal trainer die haar een happy-end masseert, maar alleen wanneer zij dat wil. Op andere momenten is er nog altijd thee, yoga en een inspirerende podcast over vrijgevochten vrouwen die er heel hard naar uitkijken om te leven zonder compromis.

De keuken is gezellig verlicht met gedempt gelig letlicht. Ze bestelt sushi voor twee bij haar favoriete afhaalboer. Buiten wordt het donkerder. Ze staat voor het raam en vraagt zich af of ze op dezelfde manier gezien wordt zoals zij een uur geleden vanuit haar auto al die mensen opmerkte. Even twijfelt ze met iets dat naar zelfbeklag neigt maar duwt dat nare gevoel onmiddellijk weg. Na een snelle douche, duikt ze in een pikant Marie-Claire lingeriesetje dat niets aan de verbeelding overlaat en belt haar personal trainer.  Ze ademt diep de spannende avond in terwijl ze haar oppervlakkigheid wegspoelt met een veel te groot glas Chablis.

Misschien is deze vrouw een gerespecteerde manager van een vooraanstaand Telecombedrijf, misschien is ze een beloftevolle politica maar dat hoeft niet zo te zijn.  Maak er, gerust een ogenschijnlijk zichzelf respecterende man van, die iedereen succesvol acht, als je dat wil, want ik heb helemaal niet de intentie om met dit tekstje vrouwonvriendelijk te zijn. Wellicht zijn de verzonnen personages gewoon vereenzaamde alleenstaanden waar Vlaanderen er duizenden van kent. Eenzame zielen die erop hopen het ware geluk te vinden in status of standing en gedoemd zijn om met die illusie enorm hard ontgoocheld te worden of het al misschien al geworden zijn.

Leg er dan een handdoek onder!

Als scherpe waarnemer van het menselijke doen en laten, en het systemisch falen daarvan (van het doen en laten, wel te verstaan), heb ik meer dan opmerkelijke aandacht voor opmerkelijke uitspraken van nog meer opmerkelijke mensen. Wat me dan vaak opvalt, maar minstens even vaak tegen de borst stoot, is dat een controversiële opvatting vaak op een zo danige manier wordt aangesneden alsof gans de werelbevolking mee moet lijden, of minstens posttraumatische verschijnselen moet vertonen ook al is niet elke lezer symptomatisch even hard belast met de subjectieve dingen die worden beschreven. Zo trok bijvoorbeeld dit weekend mijn voorhoofd in rimpels, en nam mijn fantasie me helemaal mee naar een vochtige plek waar ik op dat moment niet wou zijn, temeer omdat ik nog maar net een smeuïge-met-boter-gesmeerde-in-koffie-gesopte-croissant achter mijn kiezen had gestoken.

Niet dat de ‘foef’ zomaar als controversieel onderwerp mag aanzien worden, want dat is natuurlijk niet het geval, omdat minstens de helft van de wereldbevolking er één te onderhouden heeft, en ik uit betrouwbare bron vernomen heb dat het geen sinecure is om dat seksfabriek draaiende te houden. Wat ik echter niet wist, is dat sommige vrouwen, volgens de schrijver althans, ‘ondraagelijk’ lijden onder het feit dat het daar onderaan, in de strook van de waarheid, soms te droog, maar vaker nog veel te klam is. Wanneer ik bij mijn ochtendkoffie in dat gerenomeerd dagblad dan las dat vrouwen er niet voor terugdeinzen om hun ‘zompige sleuf’ (excusé le mot, hun te vochtige vagina) te bezingen, alsof de overgrote meerderheid van het sterke geslacht met dezelfde (h)euvel te kampen heeft, moest ik mijn oren toch even gaan uitspoelen met bruine zeep. Het artikel deed namelijk uitschijnen dat nogal wat vrouwen megahard inzitten met de vettige smering van hun wellustige onderkant maar evenzeer in dubio leven met het gebrek aan vaginale smeuïgheid in datzelfde roergebied. Wanneer het dan eens gutst zonder commando zou je als sexpartner door je medespeler namelijk als vies, promiscue of beide bestempeld kunnen worden. Serieus, vroeg ik me af? Misschien raakt de redenering en het gevolg daarvan op zich dan al kant noch wal, toch ziet de schrijver, en ik citeer, ‘de vagina nog altijd als een lichaamsdeel dat binnen de perken moeten gehouden worden.’ Serieus, vroeg ik me opnieuw af. Waar ik bij de lezing van de eerste paragrafen alleen maar mijn oren met bruine zeep moest uitwassen, kon ik nu bijna niet weerstaan aan de natuurlijke reflex om ook mijn ogen te willen spoelen met de eerste de beste aloholgel die ik binnen handbereik vond. Serieus, vroeg ik me opnieuw geamuseerd af, ‘alsof iemand er ooit al in geslaagd geweest is om de poes in de kattentijd binnen te houden. Met die metafoor van ‘binnen de perken te houden geslachtselen’, moest ik mijn verdorven brein dwingen om visuals van uit de band- of slipspringende flamoezen naar mijn mentale prullemant te verbannen, tenminste als ik nog met smaak van mijn zompige croissant wou kunnen genieten.

Ik ga ervan uit dat U mij bij het lezen van dit stuk me mijn smoezelige interpretaties vergeeft, maar ik ben deze keer zeker niet begonnen. Na het lezen deze openhartige getuigenis over het vrouwelijk overstromingsgebied en de daarmee gepaard gaande seksuele belemmeringen wil ik hetgeen volgt kwij(l)t, en ik richt me daarmee tot U, twijfelende vrouw, ‘laat ze los want ze doet er niet toe’. Geloof, me als ik U zeg, en neem mij gerust als gerenomeerd lid van het zwakste geslacht als voorbeeld. Wij gingen jullie al voor. We’ve been there and we’ve done that. Laat het jullie daarbij vooral niet ontgaan dat wij mannen, al veel langer dan dat jullie zich bekommeren over de zuidelijke vochtigheidsgraad, met de onzekerheid van de illusie moeten leven dat de lengte er helemaal (n)iet(s) toe doet. Meer nog, indien wij de perfect getrimde, pletsnatte pornopoes zouden verkiezen boven diegene waarmee jij ons telkens opnieuw liefdevol, sensueel of hartstochtelijk oppaalt, hadden we er ons echt wel zo één aan de hand gedaan. Net zoals jullie op dezelfde manier voor een grotere ‘maat’ zouden gekozen hebben, mocht dat voor jullie zo belangrijk zijn geweest. Om jullie helemaal gerust te stellen wil ik afsluiten en jullie dit nog op het hart drukken, onze liefde gaat in hoofdzaak echt nog altijd voornamelijk door de maag en niet door de ‘foef’ en anders leggen we er toch gewoon een badhanddoek onder.

De geknipte man.

‘Lukt het alleen vanaf hier’, vroeg de verpleegster me nadat ze me de kamer had getoond en ze me een plastic zakje had overhandigd waarin een wegwerpscheermes, een paar steriele verbandjes en een flacon eosine zat. ‘Gaat het alleen’, vroeg ze iets nadrukkelijker, omdat ik nog niet op haar vraag had geantwoord.

Voor een verpleegster – die haar dagen op de dienst urologie van het ziekenhuis doorbrengt – was dit een doodgewone, alledaagse handeling. Ikzelf echter wist me geen houding aan te nemen om gepast te reageren. Zou ik neen durven zeggen? In mijn fantasie flirtte ik even met het idee om haar het karwei te laten opknappen, maar ik liet die gedachte even snel varen. Ten eerste omdat ik de avond voordien mijn voorzorgen had genomen en mijn intiemste zone zelf van haar- en schaamdons had ontdaan, maar ook omdat ik een vrouw met een mes niet vertrouw, ook al is ze verpleegster en ook al is het maar een wegwerpmes. ‘Neen, laat maar, het gaat wel’, prevelde ik behoedzaam. Het moest maar eens zijn dat ik haar, – terwijl ze mijn scrotum zat te scheren – plotseling aan iemand deed denken met wie ze nog een “eitje mee te pellen had” en dat ze mij met hem verwarde. Ik zou begot zomaar met één haal “al” mijn mannelijkheid kunnen verliezen.

Op de vraag waarom ik me tot op vandaag herinner waarom ze onder haar witte verpleegsteruniform rode lingerie droeg, is een kwestie waarop niemand het juiste antwoord kent. Misschien was het gewoon een zinloze demarche of een wanhoopsdaad van mijn hypophyse, om daar in de aanschijns van vrouwelijke wulpsheid, mijn laatste greintje mannelijke waakzaamheid ten toon te spreiden die ik op het punt stond definitief te verliezen. Maar ik negeerde deze hormonale stuiptrekking compleet omdat een man die zich in een situatie als deze bevindt maar beter zijn koelbloedigheid kan bewaren en niet mag vergeten voor welk hoger doel hij zich in deze gênante situatie heeft gemanoeuvreerd. Waarom dit verhaal door de mate van detail nog gênanter aan het worden is, is een vraag, waarop net als op de vorige trouwens, niemand een afdoend antwoord kan verzinnen. Wat wel iedereen weet is dat in de voorbije decennia al veel gezegd en geschreven is over de zogenaamde verstoorde verhouding tussen mannen en vrouwen en dat die aan de basis zou liggen van wederzijds onbegrip en misverstanden. In dit geval echter, was de man in kwestie, ik dus, niet te beroerd geweest om zich supercorrect van zijn meest inschikkelijke kant te tonen, namelijk zijn onderkant. Om zich daar, aan deskundigen te onderwerpen en te laten gebeuren wat moest gebeuren. Om de natuur een stapje voor te blijven, maar ook om mijn lief af te helpen van die dagelijkse dosis toegevoegde hormonen, want geloof me maar op mijn woord als ik je zeg dat ze er daar “gewoonlijk” al meer dan genoeg van bezit. Haar hormonenspiegel hoefde door mijn mannenverminking dus niet langer dagelijks, kunstmatig verhoogd te worden, al vreesde ik zelf wel dat mijn persoonlijke hormonenhuishouding erg zou kunnen lijden onder de ingreep die ik op het punt stond te ondergaan. Maar die angst – zo zou nadien blijken – zit voornamelijk tussen de oren, al wil ik niet ontkennen dat die zich op dat bewuste moment toch eerder tussen mijn benen bevond.

Omdat mijn supersonisch-viriele, mannelijke ego – dat op dat moment nog niet vermoord was – er maar weinig voor voelde om zich onder plaatselijke verdoving te laten ontmannen, maar ook omdat ik best wel van efficiëntie houd en ik ook een neusoperatie moest ondergaan, werden beide operaties in één moeite door en onder volledige narcose gedaan. Hoewel mijn neus af en toe stijf wordt en mijn piemel soms automatisch begint te lopen – ik sluit niet uit dat beide operatie verwisseld werden en dat wat aan mijn neus moest gebeuren aan mijn zak is gebeurd – ben ik voor mijn lief vanaf die bewuste dag de genipte man. Omdat zijn van die rotpil verlost is, maar ook omdat ze eindelijk door de feiten bewezen, de broek mag dragen. Zelf dans ik ondertussen en sinds die bewuste knip, braaf naar hormonenvrije pijpen en dan bedenk ik me. Echte mannelijkheid zit van binnen, al hangt ze er vaak toch overbodig aan de buitenkant, in een zakje, gewoonweg belachelijk uit te zien, zeker als ze geschoren zijn!

Kleine flieter.

Bescheidenheid siert de man.’ ….. Deze boutade, uitgesproken door een man, mezelf in dit geval, onderstreept het gegeven dat wij venten van deze eigenschap maar weinig kaas hebben gegeten, laat staan dat wij ootmoedigheid of pieterigheid met enige geloofwaardigheid zouden kunnen overbrengen mochten we er dan al bezit van hebben. Wie anders dan een vals-bescheiden man, mezelf dus, zou anders mogen beweren dat nederigheid en bescheidenheid een man mooier maakt? Ik, een oude, ingezakte, papperige, bescheiden vent misschien? Bescheidenheid, al dan niet valse, is dan ook ontegensprekenlijk het nieuwe macho want geloof me, als ik U zeg dat wanneer venten zich tegenover vrouwen onderdanig, inschikkelijk, meegaand of ogenschijnlijk onbelangrijk opstellen… vrouw houdt U vast aan de takken van de bomen en ‘boerin, let op uw kiekes’. Vele breedgeschouderde of felbehaarde lotgenoten zullen me dit boetesacrament en deze publiekelijke schuldbelijdenis niet in dank afnemen, integendeel, ze zullen me scheldwoorden zoals stielbederever, sukkel of zacht eitje naar het hoofd slingeren. Dat deert niet omdat ik me dan op mijn beurt met deze publiekelijke scheldtirades sympathiek maak bij het doelpubliek dat ik vandaag met deze pennentrek voor ogen heb, namelijk jij rondborstige schoonheid. Bescheiden als ik ben, hoop ik dan ook dat dit stukje proza net zo viraal zal gaan als COVID 19 en dat dezelfde draconische maatregelen zullen getroffen worden om te voorkomen dat dit irritante schriftelijke virus zich over landsgrenzen zal verspreiden om daar niet-besmette mannen met een te kleine flieter te infecteren. Dat dit tekstje zich net op internationale vrouwendag ontvouwde is geheel toevallig maar doet geen afbreuk aan het feit dat jullie, vrouwelijke nazaten van Eva, eigenlijk elke dag oprechte aandacht-zonder-bijbedoelingen zouden moeten verdienen, zeker ook van baardapen en brulsnottebellen die zich voor god weet welke reden denken beter te mogen voelen dan jullie of pretenderen dat ze het meer voor het zeggen mogen hebben dan jullie. En dan heb ik het nog niet eens over de maatpaksnullen die zich het op-niets-beruste-recht toe-eigenden om te denken dat ze meer centen voor hetzelfde werk mogen verdienen dan jullie. Maar dat zal nooit of te nimmer gebeuren omdat mannen met een veel te kleine flieter dan eindelijk moeten durven inzien en toegeven dat ze getroffen zijn door het vals-bescheidenheids-virus maar voor die consessie zijn hun ballen vooralsnog veel te klein en hun ego’s veel te groot.

Pimpelmees van de foor.

Hoewel ik haar blik wou vermijden, ontmoetten onze ogen elkaar halverwege het gejoel, ergens tussen het schietkraam en de autoscooter, al heette die attractie in die tijd gewoon nog de botsauto’s. Zij keek snel verlegen weg en ik deed hetzelfde. Indien ik haar was blijven aankijken zou het me zeker zijn opgevallen dat ze lichtjes bloosde en dat ze met de tong voorzichtig haar bovenlip beroerde maar ik was nog veel te groen achter de oren om dat op te merken, dus keek ik ook snel achteloos weg, naar de prijzen die één kapotgeschoten pijpje in het schietkraam zouden kunnen opleveren. Zij kon onmogelijk weten dat ik heel veel moeite had gedaan om haar preutse oogopslag te vangen want telkens ze mij in de gaten kreeg, keek ze schaapachtig weg. Ik zal ook wel gebloosd hebben en mijn ogen zullen wel geblonken hebben maar dat was haar ook niet opgevallen. Mocht ik haar nu tegen het lijf lopen, ik zou haar garderobe goedkoop en een beetje vulgair vinden, maar toen gaven de zwarte plak-netkousen die ze onder haar grijze plooirokje droeg met daarboven een rode wollen jas met veel te brede schoudervulling haar iets mysterieus en onbereikbaar. Voor mij was ze de diva van de foor.

‘For your eyes only’, Sheena Easton zong door luidsprekers in woorden die ik maar half verstond omdat de BBC alleen aan de kust in het zenderpakket zat en we thuis dus alleen maar keken naar Nederlands gesproken uitzendingen van BRT één, BRT twee en Holland één. Ik had vijftig frank, drie jetons voor de botsauto’s en twee kaartjes voor de rups in mijn broekzak. Die zouden die bewuste namiddag nog goed besteed worden op het dorpsplein van Muizen waar de kermiskaravaan voor het lange weekend was neergestreken.

In zaal Rerum Novarum vond op dat moment naar jaarlijkse gewoonte tijdens de grote kermis ook de vogelshow plaats. Een paar lokale duivenmelkers toonden hun prijsduiven en een handvol parkietenkwekers en kanarieliefhebbers gaven met evenveel lawaai als de vogels die ze tentoonstelden commentaar op hun favoriete gepluimde vrienden. Toevallig of niet maar zij paradeerde daar ook. Ze laveerde er tussen kooien en keven die overvol zaten met kippen en hanen en tussen volières waar exotische paradijsvogels en Chinese nachtegalen in rondfladderden. ‘Wist je dat de pimpelmees de trouwste zangvogel is en dat de rest van de mannetjesvogels al vreemd gaat vanaf het ogenblik dat de eieren gelegd zijn’, vroeg ik haar stompzinnig omdat ik geen andere veilige openingszin kon verzinnen. Toen ik haar met die wetenschap overviel zal ik zeker zo rood zijn aangelopen als de pioenen die bij mijn grootmoeder een paar straten verder in de voortuin bloeiden. ‘En wat voor vogel zijt gij dan wel? Een pimpelmees, een straatmus of een papegaai want ge kwettert wel nogal.’ Haar brutale antwoord stond me wel aan want ik antwoordde met heel slecht geacteerd zelfvertrouwen, dat ik haar dat wel in haar oor zou fluisteren in de rups. ‘Binnen vijf jaar dan toch’, bitste ze terug,  ‘wanneer ge uit uw korte broek gegroeid zijt’, en er verscheen een soort van glimlach op haar veel te rood gestifte lippen zodat het een grijns leek. Na twee zinnen stond ze al voor op punten en dat was slecht nieuws voor mijn gespeelde zelfverzekerdheid maar ik liet me er net als de vogels niet door uit mijn kot lokken. ‘Ziet ge die eend daar in die keef?’ en ik wees naar een mannetjeseend met een groene kop die wat verderop in een rieten mand nerveus rond trappelde. ‘Die is er veel slechter aan toe dan wij want als die gaat, waggelt zijn gat zo hard dat het lijkt alsof hij de ganse dag heeft paardgereden. Nu ziet ge dat niet maar als die stapt krijgt die zij poten niet meer toe.’ Ze probeerde ongeïnteresseerd haar ogen te rollen maar omdat zij een veel slechtere actrice was dan ik proestte ze het na twee seconden toch uit. ‘Gij zijt een grappig baazeke met uw korte broek en uwe grote mond, van waar zijt ge want ik heb u hier nog niet gezien?’ ‘Van over de stationsberg, van aan den overkant van de Steenweg. Zeg, zijt gij die vogels ook niet een beetje moe? Gaat ge met mij niet mee in de rups, ik heb al kaartjes.’ ‘Ja, om mij proberen binnen te doen zeker? Vergeet het maar, daarvoor is uw broek nog veel te kort. Betaal mij liever ne gesponnen suiker, als ge centen hebt tenminste, daarbij ge hebt me nog niet eens gezegd of ge nu een pimpelmees zijt of niet.’

Door die twee gesponnen suikers en die twee appels op een stokje was mijn kermisbudget een uur later al met een vijfde gesloken. Ik zat precies met een dure vogel op mijn dak bedacht ik en ik moest met mijn resterende veertig frank en met mijn drie jetons nog twee dagen toekomen. ‘Moogt gij karekollen?’ vroeg ik haar goed wetende dat haast geen enkel meisje van vijftien karrekollen lust. ‘Beikes!’, was dan ook zoals te verwachten haar antwoord omdat meiskes van standing in die tijd nog niet ‘ieuw’ zeiden. ‘Dat ga ik nooit van mijn leven eten, dat zijn precies dikke snottebellen uit de zee’, zei ze met een gezicht alsof ze die ooit al eens gegeten had. ‘Ik denk ook niet dat gij dat durft’, zei ik heel zelfzeker omdat ik wist dat ik met dat doordacht manoevre een lijn uit smeet ik waarmee ik in het Vrijbroekpark al dikkere karpers had bovengehaald. ‘Wat krijg ik als… , en ik zeg wel als ik dat toch doe?’ En ze liet die als klinken alsof de beloning er niet mee toe deed maar wel alsof ze tegenover een brutale snaak in korte broek geen gezichtsverlies wou leiden. ‘Ge moet met mij niet durven of doen spelen als ge dat niet wilt he, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben dat ge straks ziek wordt …’ Ik kreeg de kans niet om mijn zin met ‘..in de rups’ af te maken want ze onderbrak me met een vastberadenheid alsof ik al haar dapperheid en pit met mijn opmerking in vraag had gesteld.  ‘Peisde echt dat ik dat niet durf, zeg het maar he, wat krijg ik of durft gij niet meer misschien?’ Ik toonde haar mijn jetons van de botsauto’s en de kaartjes voor de rups en zei, ‘als ge dat wilt kan ik u vandaag vrijhouden, ge moogt overal mee in waar ik in ga en ik wil er zelfs nog een kaartje van het spookhuis bijdoen, maar dan moet ge wel op die slakken bijten en ze niet zo maar doorslikken.’ De karrekollen kraakten tussen haar kiezen zoals zand dat doet wanneer je slecht gewassen mosselen proeft. Door het speels geplaag was de romantische spanning de hele middag naar een climax opgevoerd dus wisten we geen van beiden wie de weddenschap nu gewonnen had en wie ze verloren had.

Toen in de krakende houten rups, tijdens het vierde rondje dat achterwaarts gereden werd de groene kap dicht viel en ze in mijn oor fluisterde dat ze hoopte dat ik een pimpelmees was, had ik nog veertien frank en vijfentwintig centiemen.