Categorie: Zelfkritisch

Relatieonhandig

Waarom?  Om mezelf aan de waggel te houden? Om datgene te vergeten wat al zo ver achter me ligt maar waarvoor ik nog steeds schaamte voel?  Doe ik het om mezelf een ogenschijnlijk geldig excuus te geven zodat ik datgene wat nog komen zal en waarvoor ik bang ben handig kan uitstellen?  Wordt schrijven dan een schijterige poging om het leven dat lastig is te begrijpen of is schrijven net een streven om het helemaal te negeren, dat leven?

Uit het boek dat ik momenteel aan het schrijven ben, zitten negendertigduizendtweeënveertig woorden me niet voldaan aan te staren.  Hoewel ik al zeventienduizend zevenhonderdenvijf woorden schrapte, is wat ik lees niet naar mijn zin. Sommige zinnen roepen misnoegd, ‘kan je ons niet een beetje korter en concreter maken’. Andere vragen me teleurgesteld, ‘kan het alstublieft met een beetje meer detail, verdienen wij jouw veel te zuinige aandacht dan niet?’ Als ik ze allen, nogmaals en minstens voor de dertigste keer herlezen heb, vraag ik me af waarom ik me met dit werk, dat voor mezelf toch nooit een genoegzaam resultaat zal hebben, blijf teisteren.

In de taal die ik schrijf zoek ik, al te vaak zonder deugddoend resultaat naar woorden en zinnen die iets teweegbrengen. Ik hanteer dan het spel van herhaling, alliteratie, tegenstelling en woordklank in korte fijne zinnetjes en wissel ze af met uitgesponnen romantisch of scherpzinnig bedoelde abstracties. Soms lukt het me om in een handvol woorden iets te maken dat van alles kan doen voelen, maar al te vaak schrijf ik zonder tot ook maar één zinnenprikkelend beeld te komen waardoor jij als lezer iets zou moeten voelen. Zo gun ik me de illusie dat ik mezelf eventjes interessanter mag wanen dan ik eigenlijk maar ben.

Dat schrijven en schrappen, dat herformuleren, dat onophoudelijk herbeginnen is op de keper beschouwd dan ook niets meer of niets minder dan een schuchtere poging om me met mezelf te verzoenen. Misschien werd schrijven voor mij persoonlijk dan ook gewoon maar een onbereikbaar streven naar het vergeten van kemels en naar het leren samen te leven met mezelf.

Wat onduidelijk blijft, is of me dat ooit zal lukken. Want eerlijkheid gebied me toe te geven dat ik mezelf met die verwachting toch maar steeds opnieuw blijf teleurstellen. Met jouw goedvinden blijf ik dan gewoon nog maar eventjes voortschrijven.  En mag ik daar dan alstublieft net zolang mee blijven doorgaan, tot ik mezelf als betrouwbare partner in de relatie met mezelf mag beschouwen.

Is het inzicht dat deze zaterdagnacht me geboden heeft niet de sleutel tot het uitbouwen van elke stabiele relatie ook diegene die ik met mezelf aanga? Het hoeft niet perfect te zijn. Ik hoef niet perfect te zijn en ik geloof echt dat dit zo is, want mensen die kort bij me staan en het kunnen weten zeggen me dat bijvoorbeeld onhandigheid het hoofdkenmerk is van de meeste relaties die ik aanga, al gebruiken ze daar meestal meer tot de verbeeldingsprekende terminologie voor. Niet dat ik dat niet weet, relatieonhandigheid beheers ik namelijk als de beste, in alle aspecten, al drieënvijftig jaar lang, Misschien moet ik daar ook maar eens een boekje over schrijven.

Tijdelijk herwonnen jeugd

Ik schrijf om niet vergeten te worden. Wie mijn lezer is, weet ik niet, en dat is niet belangrijk. Misschien wordt het dat pas wanneer dit verhaaltje wordt opgevist uit een gammele kist op een of andere zolder, ooit. Misschien krijgt het dan de betekenis die ik er nu wil aan geven, wanneer een lezer met zijn ogen door mijn gedachten bladert, en er dezelfde ondefinieerbare twijfel in voelt die nu door mijn ziel woedt. Ik ben Jan, zoon van Jef de gereedschapsdraaier en van Carola de ruziemaker. Dit is de ingekookte versie van een praatjesmaker van drieënvijftig die door het leven bedeeld werd met een onmetelijk ego, een vuil blad en met een uiterst breekbaar hart. Buiten ongepast zelfmedelijden en wat losse rafels heb ik niets aan het hoofd al lijkt het als je onder de oppervlakte kijkt dat ik mijn verstand en mijn hart verloren heb. Met aandoenlijk kinderlijke melancholie verberg ik de utopische euforie van mijn jeugd en die van vergeten figuranten die erin passeerden en die net als ik slachtoffer werden van domme onwetendheid of van nog dommere hoogmoed.  De tragedie van het leven is dat men niet oud wordt maar dat men zich jong blijft wanen. Toch verdwijnt iedereen net zoals ik op een dag naar de achtergrond, langzaam door de tijd vergeten. Ik ben Jan en koos mezelf als hoofdpersonage, omdat hij de enige is die overblijft wiens gedachten en emoties ik nog vertrouw. Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een roekeloos verleden. Een verleden dat met elke dag die voorbijgaat meer terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst. Wat hier neergeschreven is, is een levende getuigenis van een half leven dat even zinvol als zinloos voorbijvloog en waar niet veel meer van overblijft dan de tijd die erin verdwijnt. De herfst blaast mijn laatste zomerdag weg om nooit meer terug te komen. Met het vallen van het blad weet ik dat levenservaring een kam is die je van het leven cadeau krijgt op het moment dat je kaal begint te worden. Of drieënvijftig de juiste leeftijd is om tot die vaststelling te komen, weet ik niet. Mijn haargrens bevindt zich namelijk nog precies op dezelfde plaats waar ze zich dertig jaar geleden bevond, al wijt ik dat eerder aan de rimpels op mijn voorhoofd die mijn vel zwaarder doen wegen waardoor mijn haarlijn naar onderen getrokken wordt. Ik zeg maar wat, maar kaal, ben ik nog niet. Toch ben ik het vandaag aan mijn leeftijd verschuldigd om me tot de leeftijdsgroep van de ‘puberende vijftigers’ te rekenen. Gewoon maar vijftig worden is voor groentjes. Het is vanaf drieënvijftig dat men opnieuw recht van spreken krijgt in de grijzer wordende leeftijdscategorie waartoe ik behoor. Al doe ik dat spreken straks misschien best iets luider opdat ze me anders niet horen of verstaan. Officieel zal de stempel ‘vijftig+’ vanaf maandag meer inkt achterlaten wanneer ik de voorrangskaart voor een zitplaats van de trein laat afstempelen. Drieënvijftig dus, en officieel oud. Vanaf maandag zal ik me ten volle vijftiger voelen omdat mijn alsmaar stijver en dikker wordend lijf meer plaats zal innemen dan wanneer ik nog met een veertig+ karkas bedeeld was. Ik ben me ook meer en meer bewust van alle lichamelijke kwaaltjes en van alle andere ellende die met dit cijfer gepaard gaan. Maar niet alles is even kut als ik het hier laat uitschijnen. Ik begin namelijk de kunst te verstaan om mijn lichamelijke beperkingen en mijn mentale obstakels te herkennen en te aanvaarden. Dat mijn libido al eens vaker foert zegt hoeft niet echt een probleem te zijn want dat lijfelijk ongemak raakt met een pilletje in een wip opgelost. De tijd dat ik daar beschaamd over was ligt ver achter mij. Ik los dat wel op. En nu ik deze woorden neerschrijf onder een Noorse sterrenhemel bedenk ik me dat dit alles een uitspraak zou kunnen zijn van een huurmoordenaar die mijn toekomst vermoordt of van een loodgieter die me sust met de gedachte dat zolang de dichting van het kraantje het houdt, het wellicht niet zal lekken. Waar ik echter niet aan gewend raak, is dat ik irritant saai begin te worden en dat ik dat nieuwe gevoel nog als cadeau aanvaard ook. Wie had dat ooit kunnen denken? Hopelijk word ik met deze nutteloze levenswijsheid, net zoals dit tekstje niet vergeten, ik word namelijk niet elke dag drieënvijftig. Maar eerst ga ik met mijn tijdelijk herwonnen jeugd nog een paar Vikingen verslaan en wie weet springt er morgen toch nog een zalm in mijn net.

Krikkel.

“Af en toe is een relatie niet veel meer dan het delen van een slecht humeur tijdens de dag en slechte geuren tijdens de nacht”

Vier uur, ik ben klaarwakker. Niet dat het de bedoeling is, bijlange niet. Ze ligt naast mij op haar rug, het hoofd lichtjes naar mij gekeerd, waardoor ze ritmisch en zacht snurkend een zuur luchtje in mijn gezicht ademt. Naar links uitwijken is onmogelijk omdat langs die kant van het bed maar tien centimeter matras overblijft en zij in haar christushouding de overige een meter negentig in beslag genomen heeft. Uit de luisprekers van haar oortjes, die ergens op het dekbedovertrek liggen, klinkt stil maar net hoorbaar Indische zweefmuziek die ze een uur of vier geleden heeft uitgekozen omdat ze anders moeilijk inslaapt. Het zacht gerochel in haar keel doet me denken aan het geluid van een leeglopend bad en aan het laatste restje badwater dat door het putje van de afvoer gezogen wordt. Je zou dat gekwalster ook kunnen vergelijken met het zuigpijpje dat een tandarts in je mond hangt en reutelt en rochelt van zodra het je hele speekselvoorraad opgezogen heeft. Uit haar mondhoek die door de zwaartekracht een beetje naar links afhangt, sijpelt een streepje kwijl dat op haar wang verdampt zodat na een poos een fijn zoutkorstje achterblijft.

“Af en toe is een relatie niet veel meer dan het delen van een slecht humeur tijdens de dag en slechte geuren tijdens de nacht”, prevel ik in gedachten zonder verder aandacht te besteden aan deze fel overdreven conclusie.

Toegegeven, ik ben de laatste weken misschien “een beetje licht geïrriteerd” maar dat komt alleen maar omdat wanneer een van ons beiden krikkel of prikkelbaar is, het lijkt alsof de andere die gril zo snel als mogelijk moet overnemen. Dan ontstaat er zoiets dat op een rechtszaak trekt. Pleidooien voltrekken zich zonder schuldigen, slachtoffers of jury in een soort assisenzaak waarbij de ene partij zo straf als mogelijk datgene probeert te ontkrachten wat de andere wil bewijzen en vice versa, zonder dat er überhaupt ooit een zaak geweest is.

Ik besef het wel. Het ligt helemaal aan mij. De laatste weken leef ik een beetje onder donkere wolken. Ik ben licht geraakt, ongeduldig en overprikkeld. Om de korte lont in mijn dynamiet niet aan te steken, keer ik in mezelf en plooi ik terug in mijn eigen denkwereld. De kloterij is dat ik niet helemaal zeker weet of die onweersbuien het gevolg zijn van de coronashit of toe te schrijven zijn aan een ander soort ontevredenheid. Misschien ben ik, door corona gewoonweg een miscontente mens geworden? Maltevreden, over mijn werk, waar het altijd beter kan maar dat niet lijkt te worden, over die paar vierkante meters waar ik al anderhalf jaar mijn tijd in doorbreng, over het weer dat zacht maar te nat is voor de tijd van het jaar, over het gebrek aan vrijheid of over mijn vadsige luiheid die altijd maar in de weg blijft zitten. Ben ik besmet met het virus van de onverschilligheid of belast met het syndroom van kustmijnklotenmans? Ik weet het niet. Ik krijg die vaag, knagende triestigheid aan mezelf niet uitgelegd.

Morgen ben ik vierentwintig jaar lang vader en is het dat misschien?  Dat onderbewuste besef dat met tweeënvijftig jaar het meeste vet van de soep is? Of ligt er ergens misschien toch nog een droom te rotten maar ben ik vergeten waar ik hem verstopt heb?   Wie zal het zeggen?

Donderdag krijg ik mijn coronaprik.  Met één spuitje ben ik ervan af. In tegenstelling tot die Limburgse burgemeester schaam ik me een beetje voor die vroege spuit, omdat ik bij mijn weten geen onderliggende risico’s heb en ik volgens mij niet oud genoeg ben om nu al aan de beurt te zijn. En is het die gedachte die me onderbewust aan de waggel houdt? Ben ik onzeker omdat ik net gewend ben geraakt aan de zekerheid en aan de slome traagheid van dit rustig leventje en zal die straks opnieuw zal ingewisseld worden voor het spookbeeld van de jachtige drukte waar ik allergisch voor geworden ben of voor een nieuwe realiteit die ik nog niet ken?

Nog een paar dagen, dan zal ik je op die vraag antwoord kunnen geven, tot dan zal ik proberen me niet al te fel te ergeren aan mijn vrouw die zachtjes ligt te ronken.

Grijze zetel.

De zetel waarin ik lig is grijs en bijna even kleurloos en stoffig als ikzelf aan het worden ben. Op de plek waar hij staat lijkt de wereld stil te staan. De trage onbezorgdheid waarin tijd zou kunnen opgeslokt worden, bevrijdt me en doen mijn dagelijkse belemmeringen en bezorgdheden langzaam van mij afglijden. Nu ik hier zit, lijkt het wel alsof ik net zo stil sta als de grijze zetel waarin ik me bevind en waarin ik elke avond, net voor het slapengaan mijn geestesgesteldheid in overpeins. Omdat het stil en donker is, voel ik me op deze plek de koning te rijk. De weelde van deze dagelijkse productieve retraite zal ik blijven opzoeken zolang ik kan, om op mijn dag terug te blikken of om mijn dwalende gedachten te inspecteren op mankementen. Alice Nahon zei het met minder woorden maar wellicht was ze ook gezeten in een grijze zetel, die avond in het jaar 1921, toen ze deze woorden, ‘op zachte vooizekens’ uit haar ziel toverde.

T is goed in ’t eigen hert te kijken zoëven vóór het slapen gaan of ik van dageraad tot avond geen enkel hert heb zeer gedaan.

Niet dat mijn impulsieve zielenroerselen de zielenstrijd met haar schone woorden mogen aangaan, absoluut niet, daarvoor zijn mijn woorden te stomp, mijn zinnen te lang en de schrijffouten te abondant. Toch hebben vanop deze plek al menig ronddolende gedachten de weg naar moeizame woorden gevonden. Soms denk ik dat dit plekje op de wereld helemaal voor mij alleen gereserveerd werd om mijn impulsieve opwellingen en verbeeldingen te distilleren tot iets wat als leesbaar geacht kan worden. Onvoorspelbaarheid, nieuwsgierigheid of verandering zijn daarbij uit den boze en zelfs nefast voor de brainwave van het idee dat dat ik wil aanboren, omdat dit de broze woordentrance fnuikt waarin ik me tracht te begeven.

Daarom zit ik graag in deze grijze zetel, om even in eigen hert te kijken en om na te gaan, of ik vandaag, van dageraad tot avond geen enkel ander hert heb zeer gedaan.

Een koe die saffraan eet.

Wanneer ik nadenk over persoonlijke triomf en over de totale nutteloosheid ervan, moet ik teruggaan naar de tijd – het moet ergens halverwege de jaren negentig geweest zijn – dat ik nog handbal speelde en ik dacht dat succes, winst en aanzien het allerbelangrijkste in het leven was. We trainden dikwijls, speelden vaak wedstrijden, die we soms wonnen en soms verloren, dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Soms haalden we met onze prestatie een enkele keer sportweekend, maar alleen wanneer er tijdens dat weekend toevallig geen voetbal- of wielerwedstrijd was. Ik herinner me nog dat ik nijdig werd toen Mark Vanlombeek mijn naam als Pultjo – of iets dat daar op leek – uitsprak en ik in prime-time een tegenspeler nogal hardhandig in de tribune keilde en er een rode kaart aan overhield. Dan komt een mens eens op Tv, lappen ze je dat. Elke week opnieuw trokken we vanuit Lebbeke naar Kortrijk, naar Eupen of naar elders ten lande, om daar te proberen de held van het speelveld en van de competitie te worden. Soms lukte dat, maar vaker of meestal ook niet. Dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Een keer werd ik geselecteerd voor de Belgische elite en mocht ik mee op interland naar Ijsland om daar de nationale kleuren te helpen verdedigen. Sportieve afgang heb ik nooit eerder zo hard ervaren als toen, in die met Vikings afgeladen volle sporttempel in Rejkjavik. Mijn brutale hoogmoed werd via alle kanten rond mijn hoofd aan diggelen gegooid. En ik, die dacht dat ik op handbalgebied wat voorstelde. Wist ik veel dat die Gunnarsons en Steffansons en alle andere -sons (elke naam in Ijsland eindigt op -son behalve als je zonder piemel geboren wordt dan eidigt hij op -dottir) die ons die avond mochten vernederen, stuk voor stuk hun centen verdienden in de Bundesliga, toendertijd de betere zoniet de beste handbalcompeitie van Europa en omliggende straten. Hoewel ik tijdens de heenreis nog dacht hoog te kunnen vliegen, ben ik sportief, nooit harder met de voeten op de grond beland dan die avond tussen de handballijnen van dat vulkanisch eiland. Om nederig te worden moest ik blijkbaar eerst de handbalvikings van Ijsland ontmoeten. Ik had het eigenlijk op voorhand moeten weten want, vele jaren tevoren was ik al een keer onzacht met een Deense Viking in aanraking gekomen, al had zij van mijn waardigheid nog iets overgelaten toen ze er met mijn hart van onder gemuisd was. Maar dat is een hele andere hystorie.

Een jaar of zestien zeventien zal ik geweest zijn toen ik dacht te weten hoe het leven in elkaar steekt. Mijn mond was toen vele malen groter dan mijn verstand, maar eigenlijk wist ik van het leven maar zoveel als een koe weet van saffraan eten, niks dus. Onze pa kon dat schoon zeggen, wanneer ik het op school weer eens veel te bont had gemaakt, dan zei hij, ‘zoon ge peinst dat ge het allemaal al weet, maar uwe grote bek begint maar daar waar uw stom verstand eindigt.’ Over mijn hart werd niet gesproken, dus begreep daar ik ook niets van, al kon ik daar niet grootmoedig over doen, want ik had al aan den lijve ondervonden dat ik dat ook heel snel kon kwijtraken, ongeacht de hoeveelheid branie dat ik uit mijn nek kletste. ‘S avonds in mijn bed, met mijn kussen als enige troostend gezelschap, mat mijn één meter drieënnegentig dan vele malen kleiner dan wanneer ik er overdag mee tussen mijn soortgenoten parradeerde die op dezelfde manier probeerden branie te schoppen en te verdoezelen dat ze eigenlijk even onzeker en sukkelachtig waren als ikzelf.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat nederig en bescheiden worden noodzakelijk is om het leven een heel klein beetje te begrijpen want in de tweeënvijftig jaar die ik binnenkort op deze aardkluit loop druk te doen, heeft mij nog nooit iemand op heldere of overtuigende wijze de belangrijkheid van vluchtig succes of van overroepen machtsvertoon kunnen uitleggen. Mijn hart is al een paar keer gelijmd en ik heb nog steeds niet geleerd om kemels te vermijden. Soms probeer ik nog altijd de slimste te spelen ook al versta ik van het leven niet veel tot niks. Nu weet ik pas dat ik het leven nooit helemaal zal kunnen begrijpen, en laat dat nu hetgene zijn wat ik zeker weet. Met al de rest ben ik ook nog bezig, om het te vergeten.