Categorie: Zelfkritisch

De wereld mag binnen

Jaren aan een stuk heb ik het gedaan, met misprijzen naar mezelf kijken door de ogen van een ander, om me met dat oordeel een valse identiteit aan te meten. Ik moet daarmee stoppen. De maskerade heeft lang genoeg geduurd, maar vooral, het heeft me niet veel waardevols opgebracht, integendeel.  Voortaan zal ik proberen om meer aandacht te schenken aan wie ik diep van binnen ècht ben. Ik hoop dat als me dat lukt, ik me op een betere manier in de wereld zal kunnen begeven, milder voor mezelf en zachter voor diegenen die er ook in dolen, net zoals ik. Maar, niet langer met de ongewenste druk die ik mezelf opleg, om door iedereen gezien te worden door een bril die niet bij me past, om goed- of om afgekeurd te worden. Ik moet niet broodnodig opvallen. Ik hoef niks te bewijzen want dat heeft niet veel opgeleverd.

De jaren verstrijken geruisloos en meedogenloos.  Elke hartslag van mijn leven wordt geteld en is zorgvuldig bijgehouden. Was het mijn verjaardag of was het iets anders, voortschrijdend inzicht, nuchterheid misschien?  Was het omdat een aantal belangrijke mensen mij recentelijk ontvallen zijn door gebeurtenissen die buiten mezelf lagen en ik daardoor mijn aards bestaansrecht evalueerde?  Het doet er niet toe. Wat er wel toe doet, is dat ik langzaamaan begin te ondervinden dat ik niet beter word van datgene wat anderen over mij denken, hoe ze naar me kijken of hoe ze over me spreken. Kritiek op wie ik ben, hetzij positief hetzij negatief is immers nooit juist gedoseerd.  Hij is nooit op maat gesneden van wat ik acceptabel, terecht of onterecht acht.

Als ze er mij zonder maskerade niet langer bij willen, hetzij zo. Als elke vezel in mijn lijf roept dat ik mijn geknutselde identiteit ontgroeid ben, hoef ik me er toch niet langer proberen in te wurmen?

Toestaan om mezelf sympathiek te vinden door mijn persoonlijke gedachten en emoties in een plooi te wringen zodat ze allemaal in een gietvorm kunnen, die niet bij me past, ik ga dat niet meer doen. Daarvoor schieten er nog te weinig hartslagen over. Onder de vermomming die ik van mezelf afgooi hoop ik onbezorgdheid en rust in mijn hoofd en hart te vinden, niet om de wereld te verstoppen maar nèt om hem binnen te laten!

De grootste, de dikste en de langste

Mensen die in het leven staan met de illusie “het” gemaakt te hebben of “het” aan ’t maken zijn omdat ze toevallig een paar centen in hun zakken hebben, zijn sneller kwaad dan mensen die afhankelijk zijn van hulp die door anderen verstrekt wordt.  Dat feit op zich is een bijzonder vreemde vaststelling omdat ons zelfbeeld er net op gemaakt is om geen hulp nodig te hebben of te aanvaarden. Je zou dan toch verwachten dat net dat begoede deel van de samenleving iets gelukkiger door het leven stapt, niet dus.

Aan jezelf toegeven dat je hulp van doen hebt maakt je niet trots. Echt, je wordt daar niet blij van. Je zou dan toch verwachten dat net deze mensen sneller kwaad worden. Niet dus, het tegendeel is waar.

Het zijn net mensen, met de centen in hun zakken en geen hulp van doen hebben die minder dankbaar zijn, cynischer door het leven stappen en sneller boos worden. Straffer nog, in de meeste gevallen worden ze boos op de groep stakkers die met hun pree niet rondkomt.  Ze kijken erop neer, maken hen het verwijt lui te zijn, te profiteren, dat ze hier niet thuishoren of gewoon, dat ze harder moeten werken, harder moeten proberen etc. Kortom ze gaan er verkeerdelijk van uit dat het met wilskracht allemaal opgelost kan worden.  In hun ogen is groei en vooruitgang een keuze die alleen met inzet en doorzettingsvermogen kan bereikt worden. Contradictorisch is dat ze er tevredenheid en geluk niet voor in de plaats lijken te krijgen.

Toch worden ambitie en groei van jong af gepromoot en gestimuleerd. Haak je daarvoor af word je als buitenbeentje van de roedel beschouwd. Wie niet wil groeien of gewoon tevreden is met de lengte, de dikte, het loon of het leven wordt als raar of ongewoon bestempeld? Van kindsbeen af wordt het ons ingepeperd: “Ga ervoor, word slim, verbeter, verander, verdien geld en goud, koop, reis … The sky is the limit en the world is your oyster.

Voldoe je niet aan die maatschappelijk opgelegde verwachtingen hoor je er niet bij en ga je ten onder aan twijfel, onzekerheid en in ’t slechtste geval jaloezie en nog meer opgelegde verwachtingen die nog meer twijfels in de hand werken.

Deze vicieuze cirkel heb ik doorbroken. Ik gun mezelf al een tijdje het voordeel van de twijfel. Twijfel heeft een eerbiedwaardige plaats gekregen in mijn manier van zijn omdat ik geloof dat twijfel me verder brengt dan zekerheid.

Als ik schrijf, doe ik het zonder einddoel. Als ik leef doe ik het eveneens zonder einddoel en als mijn dag begint ben ik benieuwd naar wat hij me te bieden heeft, zonder al te grote verwachtingen. Dat maakt dat ik nieuwsgierig blijf rondkijken naar wat ik nog niet weet, nog niet ken of nog niet voel. Groeien doe ik er niet van, integendeel het maakt me nederig, dankbaar en klein, ver uit het zicht van onbereikbaar opgelegde ambities, kortom ver weg van de ratrace. Ik geloof zelfs dat ik door dat nieuwe inzicht al een beetje gekrompen ben. Ideaal want ik wil al een tijdje niet meer de grootste zijn.

Liefde is stopverf

Liefde is een illusie, een spelletje, maar wel één dat best met zorg en aandacht gespeeld wordt, anders is er niks aan. Door ouder te worden heb ik mezelf veroordeeld tot een subtiele maar een daarom niet minder cynische vorm van eenzame liefde. Misschien deed ik het onbewust omdat ik door de jaren heen de illusie van de liefde doorprikte of misschien is het een gevolg van het feit dat ik de spelregels niet helemaal volgde? Wie zal het zeggen?


Liefde en ouder worden, niet dat ik iemand wil schofferen, en mezelf al zeker niet, maar ik stel me openlijk de vraag of er geen sleet zit op de formule? Ik stel me ook de vraag of niet iedereen het spelletje moet blijven meespelen om het voor alle deelnemers een beetje plezant te houden?
Een illusie dus, of iets voor de jonge generatie die er nog naïef op vertrouwd dat verliefdheid en liefde hetzelfde betekent, en dat het voor altijd blijft duren. Als je een bepaalde leeftijd bereikt, zoals ik dus, en sensuele geilheid inruilde voor sleur of verplichting, is het in stand houden van die illusie meer dan ooit een levensnoodzakelijke opdracht. Verlies je dat droombeeld uit het oog, en geloof me, daar is met de snelheid van het leven niet veel voor nodig, rest je niets anders dan met constant gepieker al je angsten en twijfels in je eentje te doorstaan.
De hele dag lopen vloeken en tieren, ik zou dat kunnen doen maar doe het niet omdat het net die illusie is die mij recht houdt.


Liefde is een illusie. Wat we ervan gemaakt hebben, heeft niets te maken met de romantische voorstelling die we er vroeger aan gaven, toen we jong en onnozel waren. Dat beeld vervaagde met de tijd. Behendigheid, gemakzucht en voortplanting, al dan niet bezegeld in een wettelijk geregistreerd partnership onder een luifel van wederzijdse verantwoordelijkheid, zijn we liefde gaan noemen. Eeuwigdurende liefde bestaat niet, voortplanting bestaat, reproductie. Voortplanting, gemakzucht en aanpassing, veilig beschut onder het dak van gewenning en gewoonte. Al de rest passen we aan op een manier die ons het beste uitkomt. Wat dat betreft zijn liefdesverwachtingen even kneedbaar als stopverf. We bewerken ze met klei die nooit hard wordt. Als doorwinterde darwinisten geven we er telkens opnieuw een nieuwe schwung aan zodat van het oorspronkelijke plan niets overblijft. Op die manier wordt liefde een levenswerk van bijstellen, nuanceren, herformuleren, aanpassen en finetunen. We doen het net zolang tot het helemaal vervormd is en we vergeten zijn welk kunstwerk het oorspronkelijke ooit geweest is.
We doen nog wel dingen samen hoor, af en toe zelfs nog met elkaar al moet ze me daar wel op voorhand voor waarschuwen. Soms denk ik dat zij gewoon mijn wandelstok is. Mocht ze er niet meer zijn, ik zou nog somberder door het leven stappen omdat ik de korter wordende afstand tot het einde alleen zou moeten afleggen, zonder wandelstok.


Wat blijft er dan over? Als je ouder wordt, blijft alleen de veranderlijkheid en de schoonheid van de liefde over. Toegegeven, dat is veel.


Darwin had gelijk:

“…De zwakken moeten ervantussen als ze niet in staat zijn zich aan te passen…”

Losgeslagen fantasie

Mensen zeggen altijd dat ik een overactieve fantasie heb, te donker of te romantisch. Dat ik te veel koffiedrink en nog vaker dat ik te veel sigaretten rook. Dat ik meer moet bewegen. Dat ik het verleden niet loslaat en de toekomst, ja daar zeggen ze niets over. Dat ik plannen maak die nergens toe leiden en ze dan afzeg.  Ze verwijten me dat ik te weinig doe en afspraken niet nakom. Ze vragen me waarom ik altijd een korte broek draag en me dan beklaag dat ik het te koud heb. Dat ik te veel woorden gebruik die niemand begrijpt. Dat zeggen ze niet expliciet. Maar het is niet omdat ze het niet in mijn gezicht zeggen dat ze het niet denken. Ze hebben gelijk. Ik ben een dromerige, romantische praatjesmaker. En dat is precies de reden waarom ik veel te vermoeiend ben en dat uiteindelijk iedereen afhaakt en van me wegloopt.

Door mijn overactieve fantasie ben ik onbetrouwbaar en vertel ik onzin, ja zelfs leugens. Tegen mensen zeg ik dan. ‘Maak je geen zorgen, wees niet bang, loop weg van je demonen en doe alsof ze er niet zijn, negeer ze. Alles komt altijd goed.’ Waarom zeg ik gewoon de waarheid niet? Er zijn demonen waar je bang moet van zijn en waar je niet kan van weglopen. Punt. Ze zitten niet onder je bed maar ze zijn er wel.  Ze wonen in je hoofd en zeggen je dat je een overactieve fantasie hebt. Waarom zeg ik dàt niet gewoon? Op een bepaald moment moet je namelijk wel verder, met of zonder. Ik weet wel dat het moet maar ik weet alleen niet hoe. Iemand kussen zou helpen denk ik, maar mensen van over de vijftig kussen niet meer. Waarom vergeet ik dat steeds? Misschien omdat ik al over de vijftig ben.

Als ik dan neerslachtig ben zeggen ze. Jij bent te leuk en te grappig om lang verdrietig of depressief te zijn. Jij lijkt zo in evenwicht zeggen ze dan. Ik wil dat allemaal wel graag geloven maar ik ken de waarheid. En die waarheid die maakt dat ik die leugens moeilijk kan geloven. Misschien liegen zij wel even hard tegen mij dan ik tegen hen over die demonen. Ik vraag hen hoe er een toekomst kan zijn als het verleden in de weg zit? Dat gaat niet, zeggen ze. Dan zit je met het heden vast in het verleden.

Wanneer diezelfde mensen me dan laten weten dat ze zich zorgen maken, zeg ik dat het niet nodig is in de hoop dat ze ermee stoppen. Ze doen dat niet. De zorgen verschuilen zich in mijn poriën of erger in mijn bloed. Ik denk dat ik met alles wil stoppen. Met werken, met schrijven met een afwezige vader te zijn, met een waardeloze partner. Met een dromerige praatjesmaker.  Ik weet dat het moet. Ik weet alleen niet hoe. Ik weet dat ik van jullie hou maar vrees dat ik de waanzin van mezelf haat. De waanzin waarvan ik de reden ben die rusteloosheid veroorzaakt zonder te weten waarom.

Vroeger dacht ik dat ik talent had. Getalenteerd met kwaliteiten waar niemand iets om geeft. Toen ik mijn eerste kladboekje klaar had was ik nog trots. Het tweede heeft die illusie kapotgesmeten.  Beneden in het bureau liggen nog tweehonderd zesenvijftig stuks te wachten op een lezer. Slijt eerst die rommel voor je aan andere begint, zegt een demon.’ En gelijk heeft hij.

Ik word te oud voor deze shit. Ik begin zelfs wartaal uit te kramen over demonen in mijn hoofd.

Misschien kamp ik dan toch met een overactieve losgeslagen fantasie? Als die me kan redden word ik onsterfelijk. Waarom vergeet ik dat toch steeds.

Relatieonhandig

Waarom?  Om mezelf aan de waggel te houden? Om datgene te vergeten wat al zo ver achter me ligt maar waarvoor ik nog steeds schaamte voel?  Doe ik het om mezelf een ogenschijnlijk geldig excuus te geven zodat ik datgene wat nog komen zal en waarvoor ik bang ben handig kan uitstellen?  Wordt schrijven dan een schijterige poging om het leven dat lastig is te begrijpen of is schrijven net een streven om het helemaal te negeren, dat leven?

Uit het boek dat ik momenteel aan het schrijven ben, zitten negendertigduizendtweeënveertig woorden me niet voldaan aan te staren.  Hoewel ik al zeventienduizend zevenhonderdenvijf woorden schrapte, is wat ik lees niet naar mijn zin. Sommige zinnen roepen misnoegd, ‘kan je ons niet een beetje korter en concreter maken’. Andere vragen me teleurgesteld, ‘kan het alstublieft met een beetje meer detail, verdienen wij jouw veel te zuinige aandacht dan niet?’ Als ik ze allen, nogmaals en minstens voor de dertigste keer herlezen heb, vraag ik me af waarom ik me met dit werk, dat voor mezelf toch nooit een genoegzaam resultaat zal hebben, blijf teisteren.

In de taal die ik schrijf zoek ik, al te vaak zonder deugddoend resultaat naar woorden en zinnen die iets teweegbrengen. Ik hanteer dan het spel van herhaling, alliteratie, tegenstelling en woordklank in korte fijne zinnetjes en wissel ze af met uitgesponnen romantisch of scherpzinnig bedoelde abstracties. Soms lukt het me om in een handvol woorden iets te maken dat van alles kan doen voelen, maar al te vaak schrijf ik zonder tot ook maar één zinnenprikkelend beeld te komen waardoor jij als lezer iets zou moeten voelen. Zo gun ik me de illusie dat ik mezelf eventjes interessanter mag wanen dan ik eigenlijk maar ben.

Dat schrijven en schrappen, dat herformuleren, dat onophoudelijk herbeginnen is op de keper beschouwd dan ook niets meer of niets minder dan een schuchtere poging om me met mezelf te verzoenen. Misschien werd schrijven voor mij persoonlijk dan ook gewoon maar een onbereikbaar streven naar het vergeten van kemels en naar het leren samen te leven met mezelf.

Wat onduidelijk blijft, is of me dat ooit zal lukken. Want eerlijkheid gebied me toe te geven dat ik mezelf met die verwachting toch maar steeds opnieuw blijf teleurstellen. Met jouw goedvinden blijf ik dan gewoon nog maar eventjes voortschrijven.  En mag ik daar dan alstublieft net zolang mee blijven doorgaan, tot ik mezelf als betrouwbare partner in de relatie met mezelf mag beschouwen.

Is het inzicht dat deze zaterdagnacht me geboden heeft niet de sleutel tot het uitbouwen van elke stabiele relatie ook diegene die ik met mezelf aanga? Het hoeft niet perfect te zijn. Ik hoef niet perfect te zijn en ik geloof echt dat dit zo is, want mensen die kort bij me staan en het kunnen weten zeggen me dat bijvoorbeeld onhandigheid het hoofdkenmerk is van de meeste relaties die ik aanga, al gebruiken ze daar meestal meer tot de verbeeldingsprekende terminologie voor. Niet dat ik dat niet weet, relatieonhandigheid beheers ik namelijk als de beste, in alle aspecten, al drieënvijftig jaar lang, Misschien moet ik daar ook maar eens een boekje over schrijven.