Pussy-wagons in Antwerpen

Of Antwerpen dan wel Rotterdam zich tot grootste Europese zeehaven van Europa mag kronen is een manier om dit opiniestuk te beginnen maar heeft in al wat hierna volgt evenveel belang, als het feit of Kevin De Bruyne nu straks, wel of niet meespeelt in de Nationsleague-wedstrijd, Denemarken – België. Dat de Antwerpenaren de haven van Rotterdam wellicht als ‘De Parking van de Zeehavens’ beschouwen, doet dus nu even niet ter zake. Laat ons het er gewoon over eens zijn dat de Antwerpse haven met zijn overslagcapaciteit van ruim 200 miljoen ton tot één van de grootste van Europa behoort. Dat via die havenpoort op Europa af en toe een pakje wiet wordt binnengesmokkeld zal dus niemand verbazen.

Hoewel t’ Stad, zich een tijdje in een lockdown bevond, was de drugsmaffia dat allerminst. Zo werd in de eerste helft van het jaar maar liefst 28 ton cocaïne onderschept, aldus Kristian Vanderwaeren, administrateur-generaal van de Douane en Accijnzen. Dat de het witte poeder van de drugsmaffia in de binnenstad opduikt om daar een afzetmarkt te zoeken is logisch want in het bruisend uitgangsleven is een feest nu eenmaal geen feest meer zonder een sneeuwstorm in de neus.

Van film ken ik niets, maar wat ik wel weet is dat filmscenaristen zich dikwijls beroepen op bestaande feiten om hun prent inhoud of geloofwaardigheid te geven. Maar zo niet in Antwerpen, want daar lijkt het tegenovergestelde aan de gang. Dat blijkt uit de berichtgeving van VRT NWS waar gemeld wordt dat verschillende drugsbendes met man en macht op zoek zijn naar een drugscrimineel, die grote partijen cocaïne zou zijn kwijtgespeeld. Dat geweld in die speurtocht niet geschuwd wordt, bewijzen de kogels en de granaten die de afgelopen dagen in de koekenstad rond de oren vlogen. Je zou bijna vermoeden dat de film, Patser van Adil en Billal in het echt wordt opgevoerd, al mis ik in deze versie de frivole Badia wel, maar misschien wordt Jinnih Beels als fout-getypecaste-flik nog wel opgevoerd. Anyway om in drugs te doen, om het in je neus te blazen of om erover te schrijven moet je een beetje ‘zot in uwe kop’ zijn.

Waar je echter niet ‘zot in uwe kop’ voor moet zijn, is om vast te stellen dat de frontlinie in deze war on drugs een paar kilometer verkeerd staat. Wanneer oorlog gevoerd worden zou je er toch mogen vanuit gaan dat een historicus als Bart De Wever bij de les is. Van zijn vrienden zou hij toch al moeten vernomen hebben dat de geallieerden niet in Calais zijn geland maar wel in Normandië, maar misschien is deze vergelijking wel een ‘pantsertank op een varken’. Of toch niet? Met zekerheid weet ik dat natuurlijk niet, maar ik vermoed dat Bart De Wever liefst niet in de achtertuin van de Fernand Huts gaat rommelen om daar een beetje orde op zaken te stellen. Bon, wat ik wel weer weet is, dat er vorig jaar al, volgens Kristian Vanderwaeren (dezelfde Administrateur van Douane en Accijnzen als die van daarstraks) plannen bestonden om elke container die ‘den Blauwe Steen’ passeert, op drugs te laten besnuffelen. Alleen, is er één probleem, de investering van die ‘snuffelaar’ is een redelijk dure affaire. Die investering zou naar verluidt vele miljoenen kosten en met een federale regering in lopende zaken is het er nog niet van gekomen en in de Vlaamse regering? Ja, daar zijn ze het vergeten. Nu blijkt dat er eerst een financieringsmodel moet opgezet worden om die noodzakelijke drugssnuffelaar te betalen. Men moet het alleen nog eens worden of dat ding door Europa, Federaal, lokaal, privaat of een combinatie van dit alles moet afgedokt worden. Als de haven niet uitgemest wordt blijft het in het centrum dweilen met open kranen. Om dan maar wat sneller bliksems en granaten af te leiden, besliste De Wever om een paar Bearcats aan te schaffen. Die logge ‘patsertuigen’ hebben erg veel weg van bulldozers en zullen in de binnenstad ingezet worden tegen drugskoeriers die zich (houdt u vast) verplaatsen met snelle brommertjes. Als je het mij vraagt, had hij die brute oorlogstuigen beter ingezet, als ‘GRAAF-Machien’ om de wegeniswerken aan de Kennedytunnel wat vooruit te laten gaan.

In elk geval, nu Bart De Wever zichzelf opwerpt als de nieuwe Eliott Ness van Antwerpen, lijkt hij een nieuw aanknopingspunt te hebben gevonden met de geschiedenis al heeft hij met zijn ‘Kill Bill, pimped-up Chromed-out Pussywagons’ ook wel heel erg veel weg van Astrid Bryan.

Het juiste eind

Toen ik, net zoals jij, mijn zorgeloze vrije leven voor een lange tijd moest uitstellen naar een verre ondefinieërbare toekomst, werd ook ik door mezelf en door de nieuwe realiteit uit mijn lood geslagen. Een inzinking of depressie wil ik het zeker niet noemen maar wolkenloos was mijn hemel niet. Zo herinner ik me goed dat ik de laatste paar maanden een aantal nachten wakker heb gelegen en de slaap niet kon vatten, omdat onbevattelijke angst telkens terrein bleef winnen op opgebouwd vertrouwen. Naiëf of paniekerig zou ik me normaal gesproken niet gauw noemen, integendeel, ik geloof dat ik van nature eerder met een kritische blik naar de dingen kijk die rondom mij gebeuren dan dat ik ze zomaar voor waar aanneem. Daardoor ben ik ongevraagd, mogelijks genetisch bepaald, ook wel belast met een eindeoos rusteloze ziel. Ik hoef je niet te zeggen dat de onzekere situatie waarin we ons vandaag al een tijdje bevinden, mijn gedachten nog vaker en nog onstuimiger deed ontsporen dan dat ik dat tot dan toe van nature gewend was.

De afgelopen jaren heb ik echter ondervonden dat het voor mij persoonlijk beter is om hier, tijdig mijn volle rugzak uit te kieperen vooraleer hij me te zwaar begint te wegen. Hierdoor heb ik geleerd om op zoek te gaan naar oorzaken, gebeurtenissen of feiten die mijn dagelijks leven verzwaren. Sterker, ik denk dat de mens in het algemeen, meestal geneigd is om die dingen te verklaren, zeker wanneer ze een zware emotionele lading hebben of wanneer ze een grote maatschappelijk impact hebben. Maar misschien mag ik me niet vergelijken met de mens in het algemeen en hoef ik alleen maar voor mezelf te spreken, te schrijven in dit geval.

Ik denk dat wanneer het leven onverwacht moeilijk wordt en wanneer een directe verklaarbare oorzaak ontbreekt of wanneer er onvoldoende betrouwbare achtergrondgegevens voorhanden zijn om de dingen die gebeuren uit te leggen, er ruimte wordt gemaakt voor speculaties en eigen interpretaties die ver weg liggen van de feiten. Door de consensus te ondermijnen ontstaan de wildste hypotheses die gebaseerd zijn op geheimzinnige of fantastische theorieën die beïnvloed worden door persoonlijke overtuigingen van minder kosjere figuren, die er op de een of andere manier voordeel willen uithalen, voor zichzelf of voor het doel dat ze voor ogen hebben. Waarom anders raken mensen opeens overtuigd dat de wereld plat is, dat Hilary Clinton babybloed drinkt of dat 5G of de pharmaindustrie aan de oorzaak ligt van het Coronavirus?

Zei Friedrich Nietzsche niet ooit dat overtuigingen een grotere bedreiging vormen voor de waarheid dan een leugen? En maakt dit legendarische hystorische citaat hem dan niet tot de hevigste complotdenker ooit, omdat ik overtuigd ben dat hij het met die uitspraak bij het juiste eind had?

In ieder van ons zit er een.

Verslaving of afhankelijkheid? Al hebben die twee woorden een andere bijklank, in mijn ogen betekenen ze net hetzelfde. Ze roepen bij vele mensen weerstand op, omdat ze beladen zijn met taboe, met vooroordelen en met ontkenning. Deze maand vier ik mijn zevende verjaardag. Ik druk me expres zo uit, omdat het echt zo aanvoelt. Mijn leven kreeg pas weer betekenis toen ik gestopt ben met het leven zelf weg te drinken. Langer dan dertig jaar heeft het geduurd vooraleer ik mijn mening over alcohol en drinken in de juiste richting kon bijsturen. Vandaag is mijn kritiek op alcoholgebruik dan ook scherper en harder. Ik wikkel er geen doekjes meer rond wanneer ik erover spreek omdat ik mezelf als proefobject mag beschouwen en ik mezelf, mijn gedrag, mijn denken en voelen objectief mag beoordelen, zowel als drankorgel maar ook als herstellende verslaafde.

Over het gebruik of misbruik van hard drugs raken de meeste mensen het nog wel eens. Dat soort gedrag van spuiten, snuiven en roken wordt maatschappelijk en door de meeste onder ons als problematisch aanzien. Maar wist je dat er geen enkele afhankelijkheid zo ontkend wordt als alcoholafhankelijkheid? Alcoholmisbruik wordt genegeerd door onze maatschappij, onkend door onze cultuur en bijgevolg door ieder van ons niet als niet problematisch en dus als normaal beschouwd, omdat het “erbij” hoort. Alcoholafhakelijkheid wordt ten onrechte nog vaak alleen maar geassocieerd met dakloze zwervers die hun dag op straat doorbrengen en samenklitten op ranzige plaatsen om er samen, van ‘s morgensvroeg tot ‘s avondslaat halveliterblikjes bier of goedkope wijn uit kartonnen pakken te drinken om verder geen enkele maatschappelijk rol van betekenis meer te spelen. Toen ik nog dronk, vergeleek ik mezelf ook altijd met de anderen, met “de anderen” die meer dronken dan ikzelf. Ik vergeleek me dan ook met de zatte straatzwervers die ik hieboven beschreef. Om mijn eigen gedrag met die vergelijking te minimaliseren kwam ik tot de verkeerde conclusie dat ik (nog) geen probleem had omdat ik alles nog bezat. Ik had toch nog een vrouw en kinderen en werkte toch nog. Misschien dronk ik alleen wat veel, maar daar deed ik buiten mezelf toch niemand kwaad mee? Wat ik mezelf niet vertelde was dat die mensen met wie ik mezelf vergeleek wellicht vroeger in hun leven ook moeten gedacht hebben dat ze (nog) geen probleem hadden en dat ze met hun drinken niemand kwaad deden, maar daar wel zo lang mee zijn doorgegaan tot ze niet meer konden stoppen en alles, zelfs hun menselijke waardigheid, kwijtspeelden aan een halveliterblikje of een karton wijn.

De dingen en de trucs waarmee toen ik mijn afhankelijkheid verdoezelde zijn herkenbaar omdat ze universeel zijn voor iedereen die zich ik de gevarenzone bevindt. Ik heb niet de pretentie om afhankelijkheid te meten aan het aantal glazen per dag of per week. Ik heb niet de kennis om drinken door vrouwen anders te beoordelen dan drinken door mannen. Ik kan niet zeggen dat te veel sterke drank erger is dan te veel pintjes drinken. Wat ik wel uit eigen ervaring kan zeggen en wat ik met zekerheid weet, is dat ik mijn overmatig drankgebruik altijd heb ontkend en dat ik de hoeveelheden die ik binnengoot altijd heb geminimaliseerd, tegenover mezelf maar zeker ook tegenover anderen, of ik schepte erover op wanneer ik me in het “juiste gezelschap” bevond. Ik wist ook dat ik diep van binnen niet content of fier was met het feit dat het steeds opnieuw uit de hand liep en dat ik niet meer in staat was om een maat te houden. Ik betrapte me erop dat ik in gedachte en in ‘t geniep jaloers was op mensen die wel “sociaal” konden drinken. (Al bestaat die term nu in mijn ogen niet meer). Ik merkte ook dat ik een ongezonde relatie had opgebouwd met mijn drank die langzaam maar zeker de greep op mijn leven(r) begon over te nemen. Opeens en zonder duidelijke verwittiging bevond ik me in een destructieve machtsrelatie waarin ik hulpeloos en krachteloos in een soort van weerloze slachofferrol werd geduwd, niet meer in staat grip te krijgen of weerstand te bieden. Langzaamaan begon ik het leven te ondergaan waarin het drinken van wijn en bier een doodnormale gewoonte werd, zoals douchen en ontbijten. Elke gelegenheid, of het nu een begrafenis, een huwelijk of een babybezoek was, was steeds de juiste om het helemaal uit de hand te laten lopen. Bij alles wat ik deed – ik kon zelfs het gras niet meer maaien om mezelf nadien met minstens drie pinten te “belonen” – kwam alcohol te pas, tot ik ermee opstond en ik ermee ging slapen. Ik dronk als het goed ging en ik dronk als het slecht ging en omdat het een gewoonte geworden was deed ik het ook op alle andere momenten. Ik overschreed mijn eigen grenzen en die van anderen. Ik loog en bedroog, werd dik, pafferig en lelijk. Ik stonk en ademde uit al mijn zintuigen lusteloosheid uit. Mijn energiepijl daalde en mijn zelfbeeld ging mee de dieperik in.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat mijn alcoholprobleem ook ontstaan is door het ontkennen ervan, door het te verdoezelen en door het te minimaliseren. In het begin door het af te meten aan normen van alcoholtests die je her en der op het internet vindt, om dan net onder het toelaatbaar aantal glazen te blijven, of door ze iets groter in te schenken, nadien om me te vergelijken met de metro-zwervers en te besluiten dat ik geen probleem had. Ik wil alleen maar zeggen dat de problematiek van alcoholisme en de afhankelijkheid ervan, meer aandacht verdient dan een maatschappelijk oordeel over straatzwervers om er ons eigen drankgebruik mee te minimaliseren, want een alcoholist houdt zich schuil in ieder van ons!

Daarom moeten negers weg!

Mocht de mogelijkheid bestaan dat één ‘neger’ door één standbeeld te slopen ooit een ‘blanke’ zou kunnen worden, ik ben zeker dat Michael Jackson, Mount Rushmore al lang met de grond had laten gelijk maken.

Vooraleer controverse ontstaat over de woorden ‘neger’ en ‘blanke’, Halt!

Alvorens sommige fanatieke witten (de blanken) hun persoonlijke ‘Vlaamse culturele vrijheid van meningsuiting’ veilig willen beginnen stellen door moord en brand te schreeuwen omdat hun cultuur bedreigd wordt omdat het n-woord uit het taaleigen zou kunnen geschrapt worden. Specifiek voor hen wil benadrukken dat met het ‘n-woord’, een persoon bedoeld wordt die van nature een donkere huidskleur heeft en Afrikaans van oorsprong is en dat de betekenis niet moet worden gevonden in het n-woord dat dikwijls in Amerikaanse B-films denigrerend gebruikt wordt. Voor de volledigheid en voor de andere doelgroep wil ik verduidelijken dat met het ‘b-woord’ een persoon bedoeld wordt die van nature een bleke of pigmentarme huidskleur heeft en zichtbaar Europees van oorsprong is, al zou ik hem voor hetzelfde geld ook als ‘kleurloos’ of als ‘verbleekt’ kunnen omschrijven. Het is maar dat we mekaar goed begrijpen wanneer we zouden besluiten om elkaar voortaan verder als ‘neger’ of als ‘witte’ te blijven aanspreken, afhankelijk of je als ‘blanke’ dan wel als ‘zwarte’ geboren bent, in Afrika dan wel in Europa. Of is het allemaal niet zo eenvoudig?

Niet dus, want de definities van ‘zwart’ en ‘wit’ rammelen op zich al zo hard als lege blikken op een zinken dak tijdens een storm , want ervan uitgaan dat ‘blanken’ Europees zijn en ‘zwarten’ Afrikaans is door de realiteit achterhaald door pakweg Romelu Lukaku, Harry Belafonte of Michael Jackson en Beyoncé en bij uitbreiding door alle andere wit-Europese-Amerikanen wiens voorvaderen het land waarop zij leven van de Indianen stalen. Over de kleuren van de rassen kan echter niet gediscussieerd worden, hoewel sommige blanken uit het Noorden er soms iets roziger uitzien dan hun donkerdere soortgenoten uit het Middellands zeegebied, om de vergelijking in Europa te houden. En dan heb ik het nog niet gehad over de gekleurde mensen die qua tint toch ook niet allemaal eender zijn. Zij komen namelijk ook voor in alle schakering variërend tussen donker- en lichtzwart.

Mijn leeftijdsgenoten en ikzelf zijn van een generatie die het over ‘negers’ had wanneer de zwarte medemens, in welke kleurschakering dan ook, bedoeld werd. Mijn hele jeugd kreeg ik het flink ingepeperd dat ik mijn bord moest leegeten omdat de ‘negertjes in Afrika (er werd dan nog -tjes aan toegevoegd) geen eten hadden. In het college moest ik zilverpapier sparen voor de missieposten van ‘pater masturbi’ en ‘zuster menstrua’ die zichzelf, in naam van Jezus, als doel hadden gesteld om de ‘zwartjes’ met onze godsdienst lastig te vallen. ‘Negers’ dus en ik moet grif toegeven dat mijn kinderen, wat dat onderwerp betreft, sneller fijnbesnaard werden dan ikzelf. Om niet te zeggen dat ze zich heel lang gestoord hebben aan mijn oubollig woordgebruik. Meermaals zei mijn jongste zoon, ‘Papa, ‘neger’ (niet dat hij mij toen met ‘neger’ aansprak), ‘neger’ dat is racistisch taalgebruik.’ Omdat ik de naam van racistisch vader niet achter mij aan wou slepen, begon ik erop te letten om vanaf dan het woord ‘zwarte’ te gebruiken. Vanaf dat moment was het ‘zwarte’, terwijl mijn brein ‘neger’ bleef roepen omdat ikzelf ‘zwarte’ als meer discriminerend percipieerde dan ‘neger’. Het benoemen van de kleur van een mens was in mijn ogen net meer beledigend en nog meer een illustratie van misplaatse superioriteit en discriminatie. Ik zeg toch ook niet ‘gele’ tegen een Aziaat of ‘bruine’ tegen een Indiër ook al kunnen die soms behoorlijk zwart zijn. Moet om een volk te benoemen, kleur dan per se als primaire menselijke eigenschap benadrukt worden als je daar zelf niets kan aan doen of kan aan veranderen? Net zoals je als man of vrouw geboren wordt al kan je tegenwoordig al gemakkelijker van gender-jas veranderen als de juiste dingen afgeknipt en omgezoomd worden.

Enige tijd geleden gooide ik mijn zwart-wit-dilemma voor de voeten van een Vlaamse donker-gepigmenteerde medemens die hier geboren en getogen is en wiens dialect liet uitschijnen dat ze uit een achtergesteld gedeelte van Vlaanderen afkomstig is. Wie het was, doet niet ter zake maar het kostte haar niet veel moeite om mij als overtuigde ‘negermisbruiker’ in het zwart-witdebat tot een andere inzichten te brengen. Met een paar simpele voorbeelden deed ze dat. Nadat ze naar mijn ‘negerverhaal’ geluisterd had zei ze, Jan stel je eens voor dat er niets aan je verleden verandert. Je jeugd, je studies, het gezin waarin je opgegroeid bent, je lief en je kinderen alles blijft hetzelfde. Alleen vanaf nu moet je als zwarte door het leven. Maar geen paniek. Ook aan het leven dat je nu leidt verandert niets. Vrouw, kinderen, je werk en hobby’s, alles blijft zoals het nu is. Je blijft exact dezelfde persoon als wie je daarvoor was. Met dien verstande dan, dat als je toevallig een verkeerde Suske en Wiske-album vastneemt, het je zal opvallen dat de jouwen, steeds stereotiep blootsvoets, met Zoeloe lippen en in een strooien rokje worden voorgesteld. In de geschiedenisboeken zal je merken dat je voorouders op de wereldtentoonstelling van ‘58 als bezienswaardigheid of curiositeit werden voorgesteld, soms nog in een kooi. En aan je voelsprieten zal je merken dat mensen je subtiel minder aux-serieux nemen omdat jij toevallig een tintje donkerder kleurt dan diegene die als blanke het woord tot je richt. En als je dan niet als zwarte piet wordt afgeschilderd word je wel benaderd als iemand om medelijden mee te hebben of word je subtiel vermeden of gehaat omdat je in de zwarte kleurenminderheid zit, langs de verkeerde kant van wat als juist, als goed of als niet gevaarlijk wordt aanzien.

Wanneer ik dan in een meme op internet geconfronteerd wordt met zwarten die op dezelfde manier weggezet worden als bavianen die in het Krugerpark in Zuid-Afrika een wagen plunderen, alleen met de bedoeling om dat beeld als universeel gedrag van alle zwarten te extrapoleren, denk ik dat het is hoogtijd dat ‘negers’ in die betekenis van dat woord er uitgaan. Of althans dat aan de grondslag van dit potentieel ‘subtiel’ racisme paal en perk gesteld wordt. Of daarbij het standbeeld van die scheve monarch moet sneuvelen is een beslissing die ik met plezier overlaat aan die mensen die we al honderden jaren den duvel aandoen.

Brood en Spelen.

Panem et cricenses’ of te ‘Brood en spelen’. Deze legendarische woorden zijn geschiedkundig erfgoed of zouden dat moeten zijn. Ze komen uit de mond van de Romeinse criticus Juvenalis. Meer dan 2000 jaar geleden hekelde hij met deze sarcastische uitspraak het verval van het Romeinse Rijk. Door ‘brood en spelen’ te roepen, schimpte hij op de elite en probeerde hij het plebs diets te maken dat het oogkleppen ophad, stekeblind was, zich liet onderdrukken en niet verder keek dan de neus lang was.

Lang voor Juuzekes tijd en toen God nog niet geboren was, was kwaliteitsvol levensonderhoud in Rome veel te duur en lag het bestuur op apengapen. Hierdoor trokken onze ‘Omeinense kameraden krom van honger en dorst en heerste er in het hele Rijk wrevel en onvrede. Om het volk te sussen organiseerde Juul-Cezaar, paarden- en wagenrennen en bloederige gevechten tussen dieren en mensen. Op deze Romeinse Happy-Hours kreeg het plebs gratis brood en wijn toegestopt zodat ze zich niet te fel zouden roeren over maatschappelijke problemen. Ik hoef dat allemaal niet uit te leggen want deze praktijken zijn cultureel en geschiedkundig erfgoed, toch?

Tot spijt van wie het benijdt, zijn de Romeinse Keizers allemaal ‘ad patres’. Toch drukt een deel van onze politieke elite zich vandaag nog heel graag uit in de taal van de Keizer die net zo dood is als de Keizer zelf. Mocht echter door de huidige politieke elite enkel de Latijnse taal gerecycleerd worden, ik zou dat nog kunnen kwalificeren als een eerbetoon aan cultureel, geschiedkundig en politiek erfgoed, maar bon ze hebben besloten om een stapje verder te gaan. ‘Abusus non tollit usum.’

Aangzien Juvenalis net zo dood is als Juul Cezaar, zal ik het maar roepen.

‘In vino veritas’. In wijn zit waarheid’, wellicht opent, daarom de Horeca morgen haar deuren. Hopelijk zal het staminee dan inspiratiebron zijn voor meer maar vooral voor beter inzicht. Begrijp me absoluut niet verkeerd. Ook ik snak naar koffie en gezelschap op een gezellig terras want net als het Romeinse Rijk toen ligt de Horeca nu op apengapen en kan deze best wat steunmaatregelen gebruiken. Maar als de economische relance in het algemeen en de opwaardering van de zorgmaatschappij in het bijzonder, alleen moet komen van een BTW-verlaging en van wat drinkgeld voor het plebs neigt deze maatregel naar ‘Brood en Spelen.’

‘Ad Fundum’ of ‘Ad Libitum’ maar doe zoals Juvenalis en kijk verder dan je neus lang is!

%d bloggers liken dit: