Categorie: Vroeger

Bewijs eerst dat je bestaat

In de boomstraat staat een oude man aan de bankautomaat.  Hij staart naar zijn gsm en lijkt naar iets op zoek. De wanhoop staat in zijn ogen. Zijn gsm heeft geen compassie en de bankautomaat zelf geeft ook geen kik. Die oude snaak, het zou zomaar onze pa kunnen zijn, die had ook een speciale band met zijn bank en met zijn geld dat hij niet had.

De man, ik ken hem van ziens. Volgens mij is hij de tachtig dik voorbij want hij loopt krom achter zijn rollator. Altijd heeft hij dezelfde klak op. Wellicht heeft hij jarenlang zijn nikkel afgedraaid en altijd proper belastingen betaald. Hij heeft mee de kinderen grootgebracht, een huis afbetaald en nu past hij op woensdagnamiddag af en toe op zijn kleinzoon. Enfin het is zo iemand waarvan je zou verwachten dat de samenleving daar rekening mee houdt.

Zijn gsm piept ineens.  Hij verschiet en ik verschiet mee van zijn verschieten.

“Ze vragen hier weeral een code, ik word zot van al die codes want ik kan die allemaal niet onthouden”, zegt hij tegen niemand in het bijzonder.

De bank zelf heeft al lang geen loket meer.  De bank is nu een cashpunt waar je al je administratieve brol zelf moet regelen. De mutualiteit, idem dito, die heeft wel een website maar je loopt er verloren in. De huisartsenpraktijk heeft een app.  Alleen je raakt er niet in als je niet in hun patientenbestand zit. Zelfs de afvalkalender staat ergens op de site van de gemeente, waarschijnlijk achter een wachtwoord of een paywall.

De man zucht ,”vroeger moest ik alleen onthouden dat ik mijn centen en mijne pas niet mocht vergeten. Nu moet je om te mogen kakken ook al een een code hebben.”

Ik glimlach ongemakkelijk maar het is niet grappig.

Vorige week zat mijn schoonmoeder aan de keukentafel met haar gsm in haar hand. Ze zit daar graag, om spellekes te spelen, patience bijvoorbeeld of candy crush. Normaal gezien gaat ze heel voorzichtig om met dat ding want ik geloof dat ze denkt dat het elk moment kan ontploffen. Nu staat ze op het punt om dat spul door het raam te pleuren.

“Ik moet ergens op drukken maar ik zie het niet,” zei ze.

Ze had haar meterstand ingevuld en moest die bevestigen. “ De gas opnemen was iets waar vroeger “die van de gas” voor langskwam” , jammert ze.  Ergens onderweg heeft iemand beslist dat “gemak” hetzelfde is als vooruitgang. Voor wie die vooruitgang precies telt, ontgaat me een beetje.

Ok, de bank is gemakkelijker geworden, behalve als je het een leven lang gewoon bent geweest om naar daar te gaan om je papperassen te regelen. De overheid lijkt op ’t eerste zicht ook toegankelijker geworden met de site ‘mijn burgerprofiel op vlaanderen.be’, behalve voor wie echt binnen moet zijn. Dan moet je eerst langs itsme, het wondermiddel waar je met vingerafdrukken, gezichtsherkenning of codes moet bewijzen dat jij het bent terwijl vroeger iedereen gewoon kon zien dat jij het was, met of zonder paspoort.

Vooruitgang dus, behalve wanneer er op haar gsm ineens een sms binnenkomt van cardstop die beweert dat iemand haar rekening probeert leeg te halen. Even twijfelde ze of dat bericht echt was, niet omdat ze naïef is of zo maar omdat die fucking phishingberichten steeds beter worden.  Ik moest zelfs twee keer naar de afzender kijken om te weten dat het een fraudebericht was.

En toch wordt van mensen die opgroeiden met een zwarte  bakkeliete telefoon in de gang, verwacht dat ze het verschil kennen tussen een echte melding en digitale oplichting.

We noemen dat allemaal vooruitgang of administratieve vereenvoudiging, alleen achter die administratieve vereenvoudiging zit wel een dochter of een zoon die elke zondagnamiddag de digitale administratie komt doen en de codes komt herstellen. Mijn schoonmoeder logt in en mijn madam bewaart de wachtwoorden. De digitale vereenvoudiging is in de praktijk niks minder dan digitale mantelzorg geworden die alleen maar efficiënt kan zijn met een loket van onzichtbare familieleden.

En wat doen we met al die mensen die niemand meer hebben? Just, helemaal niks. Want die kunnen zich on line toch niet beklagen.  Een samenleving die zichzelf modern noemt, maar een tachtigjarige naar een app stuurt om daar twee codes en een beveiligingscontrole in te vullen om een overschrijving te doen, is een samenleving die zelfs menselijkheid probeert te digitaliseren. Ondertussen is die samenleving stillaan wel vergeten hoe een mens eruitziet zonder een scherm.

Uiteindelijk heb ik die man met zijn klak geholpen. Hij moest gewoon zijn pincode hernieuwen omdat hij drie keer de verkeerde had ingetoetst.

Toen ik wegging, bedankte hij me tien keer. Nog geen vijf tellen later was hij opniew naar zijn gsm aan’t kijken. Om zijn code van buiten te leren, denk ik. Ik hoop maar dat hij morgen zijn koffiekoeken kan betalen als zijn kleinzoon langskomt.

Is dat niet het absolute olympische minimum? Dat een mens van tachtig zijn eigen koffiekoeken kan betalen zonder hulp van een kleinzoon, een app of een wachtwoord dat hij gisteren nog kende en vooral zonder eerst te moeten bewijzen dat hij nog bestaat.

Het schijnt dat ik vandaag 58 word

Dat staat toch ergens genoteerd. In het moederhuis van Mechelen hebben mijn verwekkers en een goedbedoelende pastoor op 13 september 1968 in een trouwboekje voor het eerst mijn naam geschreven. Sindsdien wordt dat beschouwd als een feit. En omdat niemand tot vandaag met ander doorslaggevend tegenbewijs afgekomen is, ga ik er van uit dat wat daar toen werd vastgelegd, juist is.

Achtenvijftig dus. Mijn lijf lijkt voorlopig akkoord te gaan met die regeling. Al heeft mijn linkerknie een paar weken geleden toch al officieel protest aangetekend. Mijn bakkes onderhandelt ondertussen ook al geruime tijd met de spiegel, zonder dat er een akkoord in zicht is. Slachtoffers zijn er voorlopig niet gevallen, maar het wederzijdse vertrouwen tussen mijn verstand en de rest van mijn lijf staat danig onder druk

Toen ik nog een slungel was, keek ik naar mensen van mijn huidige leeftijd en dacht ik dat die het allemaal wel doorhadden. Die leken allemaal oud, serieus, een beetje verrimpeld maar op de een of andere manier gearriveerd. Alsof ze onderweg ergens een handleiding hadden gekregen waarin uitgelegd stond hoe alles marcheert.

Nu ik zelf al aan deze kant sta, begin ik te vermoeden dat die bewuste handleiding nooit gedrukt is. Toch zie ik elke dag verrassend veel mensen rondlopen die doen alsof of beweren dat ze het gelezen hebben.

Wat me de laatste jaren ook opvalt, is hoe weinig al die grote momenten uiteindelijk voorstellen. Toen ik jong was, dacht ik dat alles afhing van diploma’s, huwelijken, overlijdens, verhuisdozen en al dat soort dingen waarvoor notariële actes vandoen zijn.

Achteraf blijken het toch andere dingen te zijn die aan je botten blijven plakken.

Een café waarvan de deur al twintig jaar op slot is. Dat telefoontje dat je bijna niet had opgenomen. Iemand waarvan je dacht dat ze vergeten was maar na veertig jaar nog altijd ergens lijkt rond te dolen. Een naam op een bierviltje en iemand die zei “we moeten nog eens afspreken” en dat, tegen alle verwachtingen in, ook deed.

Dat soort dingen. Ze lijken rommel tussen de hoofdstukken maar achteraf beschouwd heeft daar meer leven in gezeten.

Waarschijnlijk bestaat een zinvol mensenleven uit  dat soort dingen. Enfin voor mij toch. En eerlijk gezegd stelt me dat gerust. Want als alles zou moeten passen in diploma’s, Cv’s, foto’s of andere officiële rommel, dan heb ik ergens onderweg heel slecht opgelet. Van de meeste dingen bestaat niet eens een papiertje.

Vandaag blaas ik dan ook geen kaarsen uit want de belangrijkste dingen die mij ooit zijn overkomen hebben nooit op wenslijstjes gestaan. Dikwijls kwamen ze zelfs eerst binnen als dikke miserie.

Deze verjaardag laat ik passeren. Vandaag kijk ik gewoon even naar buiten. Ik herken een paar gezichten maar mis er ook enkele.

Dat laatste had ik vroeger nooit toegegeven.

En nu ik hier toch ben. Merci aan iedereen die vandaag aan mijn verjaardag gedacht heeft.

Ikzelf was er niet mee bezig. Ik was bezig met beweren dat een mensenleven niet in data, formulieren en officiële feiten zit. Om dan vast te stellen dat een hoop mensen mijn datum toch niet vergeten zijn. Dat was niet het cadeau dat ik verwacht had.

Maar zoals ik al zei, de belangrijkste dingen in ’t leven staan meestal niet op een verlanglijstje.

Om er zeker van te zijn dat niemand er iets van gemerkt heeft.

Een onbelangrijke eigenschap van een verjaardag is dat iedereen het snapt waarom je die viert. Alweer een jaartje ouder, da’s niet niks. Ook al heb je er zelf niks voor moeten doen behalve blijven ademen en belastingen betalen. Toch krijg je felicitaties, taart en toen je nog klein was ook nog ballonnen en een feestje. Voor alle duidelijkheid ik verjaar pas binnen twee weken, op 13 september. Je hoeft me dus nog niet te verwensen.

Maar vandaag speelt er toch iets anders en dat is ook een soort verjaardag want vandaag ben ik exact dertien jaar gestopt met drinken. En dat was, laat daar geen twijfels over bestaan,“iets” minder vanzelfsprekend. Toch is er geen feestje.  Er speelt geen fanfare en er is geen burgemeester die een speech geeft waarop hij zegt.  “Proficiat Janneke gij hebt vandaag dertien jaar lang consequent iets niet gedaan.”

En toch zit ik hier te dubben. Moet ik daar nu iets over zeggen of moet ik deze dag gewoon maar laten passeren?

Niks zeggen, dat heeft iets elegants natuurlijk want dat heeft iets weg van nederigheid en dat past wel bij mij denk ik.  Maar door te zwijgen doe ik ook wel alsof ik boven de erkenning sta en dan lijkt het erop alsof ik de dalai lama van de AA ben geworden. “Zie mij hier eens helemaal geen aandacht vragen voor iets waar ik dertien jaar lang mijn ziel heb ingestoken.”

Als ik je zeg dat ik mezelf met die gedachte niet helemaal vertrouw, lieg ik niet. Want misschien is zwijgen gewoon wel een subtielere manier om aandacht te vragen. Een manier  die stil hoopt dat er toch iemand is die compleet toevallig die datum heeft onthouden. En dat er dan ineens in een berichtje verschijnt met de woorden, “Proficiat Jean!!  Doe er nog maar wa jaren bij……” Waarop ik dan bescheiden uit de lucht kan komen vallen om te zeggen, “Just… Nu ge’t zegt…”

Die mind fuck ken ik van vroeger, alleen toen waren de vloeistoffen anders, rijkelijker uitgegoten en straffer.

Maar eerlijk gezegd, er vandaag over spreken voelt ook een beetje ongemakkelijk aan. Zeker niet omdat ik me schaam, want dat doe ik al lang niet meer maar omdat elk jaar nuchterheid precies een nieuw verhaal vraagt. Een nieuwe balans ofzo of een nieuw soort eindafrekening waarin ik mezelf opnieuw verplicht om het allemaal nog eens uit te leggen. En dat is een beetje ambetant want de waarheid is dat met elke verjaardag mijn realiteit een stuk minder indrukwekkend wordt.

Na dertien jaar ben ik niet ineens een verlichte ziel geworden of zo. Ik was en ik ben nog altijd iemand die op restaurant eerst naar de dranken kijkt. Of op een feest of een receptie denkt, die witte wijn zag er precies niet slecht uit. Ondertussen weet ik wel dat die gedachte al lang geen bevel meer is.

En nu ik het herlees klinken die laatste zinnen weeral veel spectaculairder dan ze in ’t echt zijn.

Dertien jaar geleden stopte ik met drinken omdat ik ondervond dat alcohol veel te veel plaats ingenomen had. Plaats die mij helemaal had weggeduwd. Nu denk ik daar niet elke dag meer aan, wat misschien ergens een succes zou moeten zijn. Maar langs de andere kant, viert niemand dertien jaar omdat hij al zo lang niet meer met zijn hoofd tegen dezelfde muur loopt te bonken. Zeker niet als hij onderweg andere muren heeft gevonden om tegen te bonken. Applaus, toert, toeters, champagne en een groepsfoto met het feestvarken.

En dat is just waarom ik twijfel. Niet omdat ik niet fier zou zijn, maar omdat ik ongepaste fierheid altijd een beetje verdacht vind. Het is dan precies alsof ik mezelf een speekmedaille geef voor een handbalwedstrijd waarbij ik het grootste gedeelte van de match op de bank moest zitten.

En aan een nog andere kant,  als ik er helemaal niks over zeg, doe ik just alsof de dingen zich in die dertien jaar helemaal zelf hebben geregeld en dat volhouden ook maar iets is wat vanzelf gaat, gelijk ademen en belastingen betalen.

Dus als ik het nog eens zeg, zal ik het niet doen met een imagoversterkende LinkedIn-post van het derde knoopsgat met een zonsopgang en een regenboog en met een tenenkrullende quote over dat alles mogelijk is als je er zelf maar in gelooft. Niks van dat soort kul, ik zeg het gewoon als een  feit. Zoiets in de zin van, “Vandaag drink ik al dertien jaar niet meer, punt aan de lijn”.

Want dertien jaar, dat is toch lang genoeg om er niet meer het grootste deel van de dag mee bezig te moeten zijn? Al is het blijkbaar wel lang genoeg om er een hele dag over te lopen piekeren.

En dat is dan weer het perfecte bewijs van hoe weinig behoefte ik nog heb aan de mening van anderen. Ik heb genoeg aan de mijne. Misschien dat ik er daarom een tekst van meer dan achthonderd woorden over geschreven heb. Gewoon om er helemaal zeker van te zijn dat niemand er iets van gemerkt heeft.

Zachte zielen en gebroken beloftes

Toen ik nog een zatterik was en zoop gelijk een Tempelier, bleef ik meestal veel langer plakken dan nodig was of dat ik me had voorgenomen. Aan een of andere toog brabbelde ik dan luid, grote woorden alsof ze het evangelie waren. Ik bleef dat zelfs doen als niemand meer luisterde. Mijn verzopen waarheid en ik, het was een complexe relatie die niks voorstelde. Ze had geen betekenis.

Ik ken ze allemaal, natuurlijk ken ik ze, de cafés waar in de winter de ramen aandampen en waar de tijd geen haast heeft. Hoe kon ik weten dat helderheid van geest een plaats kan hebben in het donker van de nacht. Ik was nooit helder. Ik had alleen de nacht die ik kende en dat was er een van overdaad, roes en vluchten.

Als ik vandaag ergens binnenkom, wat ik niet dikwijls meer doe, spreek ik zachter, met minder grote woorden want het leven leerde me dat ongemakkelijke stilte, niet draaglijker wordt naarmate je die opvult met lawaai uit een glas of een fles.  Nu zet ik gewoon een stoel bij of neem een kruk die vrij is. Ik luister, ik observeer.  Stoppen met drinken maakte me niet noodzakelijk slimmer of dommer, wel alerter. Ik werd een zwijger, een waarnemer die details van gesprekken onthoudt terwijl ik vroeger alles vergat. Zelfs wie ik was.

De meeste avonden begonnen wel als een gesprek maar eindigden dikwijls met een biecht vol zelfbeklag. Drinkebroers van toen leken misschien vrienden, het waren gewoon vreemden die hun hand op mijn schouder legden alsof ze me al jaren kenden. Dat deden ze niet. Niemand kende me. Ik meende dat mijn dagelijkse drinkgewoonte waarde had terwijl ik gewoon drank met vriendschap en verbinding verwarde. Het was geen van beide.

Zelfs in dat gezelschap en met mijn dagelijkse roes trok dat angstige zelfbeeld zich nooit terug, toch niet helemaal, maar wel genoeg om te kunnen doen alsof ze dat wel deed.

Niemand vroeg iets op voorhand. Niet hoe het ging. Niet wat ik dronk. Dat was voor niemand een geheim. Gebroken beloftes had ik in overvloed maar de verklaring waarom ik ze telkens brak, had ik niet. Op het einde van de avond betaalde ik niet voor het eerste glas, niet voor het tweede en ook niet voor de routine van mijn drinken. De echte rekening werd pas gepresenteerd toen ik niet meer wist waarvoor ik dronk.

Samen met mij zag ik anderen struikelen. Sommige waren scherpe geesten, anderen zachte zielen, sukkelaars eigenlijk, net als ik.  Eén ding hadden we gemeen. Allemaal dachten we dat we controle hadden. En dat is misschien zijn grootste gave, want drank deed me geloven dat het allemaal een keuze was, dat het een deel van mezelf was en dat het allemaal in mijn karakter verborgen zat met nieuwsgierigheid naar mijn grenzen. Ik was ze al lang kwijt.

Na twaalf jaar zonder roes weet ik dat je met stoppen niets kan forceren. Het leven wordt niet ineens draaglijk of gemakkelijk. Of voorspelbaar. Het enige wat je kan doen is geduldig afwachten. En als je dan eindelijk stilstaat en omkijkt, zie je dat die weg achter je, hoe moeilijk hij ook was, volledig door jezelf is aangelegd.

Dat is veel om vandaag dankbaar voor te zijn.

Taaie ouwe duvel

“Zeg zooneke… ge zijt me toch wee nie vergeten zeker?”

Je allerlaatste kaartje hangt hier nog altijd aan ‘t prikbord. “Nee pa, ik ben je niet vergeten.” Nooit! Je bent er nog. Niet lijfelijk, maar ge leeft wel voort in uwe onzin. In uw stomme moppen, in uw dagboeken vol met pensen met appelspijs en in al uw citaten die ge gepikt hebt van den ene of den andere filosoof, maar die ge uitsprak met een Mechels accent.

Ik hoor het je nog zeggen: “Alles komt goe! Behalve oud weurre, daar raak ik nie aan gewoen.”
95 had ge vandaag kunnen zijn. Klein van gestalte, waart ge. Maar ge had een grot kop vol met wijsheid. Of zoals gij het zei, ” Ik zen ne valse lange met lange armen maar keutte benen ma oemtoaft da de kloan nie gemokt zen om in de groete eule gat te kruipen.”

Maar gij waart de grootste, pa. Op uw manier. Ofwel in stilte, ofwel met veel te veel overbodig lawijt. Je stond in de coulissen, achteraan maar altijd daar. Of je stond fier te blinken, met veel te hard gebakken fritten en met gekookte in plaats van gebakken biefstuk, zo hard en taai als de oorlog waar ge zelf uit kwam.

Al die verhalen vol branie en scheve humor. Je vertelde ze met een pint in de hand en met een veel te grote een Guinness-T-shirt uit Schotland aan. Uw eerste vlucht. Uw enige vlucht. Tot 8 jaar geleden gold uw afspraak met Beëlzebub, de prins der vliegen waarmee ge een pact gesloten had om 108 jaar te worden. Onderhandelen, ook niet je sterkste punt.

Ge had dat boek moeten schrijven hé pa, over “De kus door het sleutelgat, Vrouw met de lange tong”, Maar ge vond dat ge al genoeg had geschreven in die grijze boekjes met dat rood randje.

Ik heb het van geen vreemden.

“Alta met avve neus na de grond, as ge stapt”, dat zei je ook “omda ge dan misschien een briefke van 50 frang vindt, dan kunne we een verniete pint gaan pakken.” Maar wij vonden meer dan geld. We kregen wijsheid, onnozelheid, en liefde, allemaal wel heel onhandig verpakt maar altijd wel aanwezig. Gelijk gij. Met uw groot hart dat zo groot was als uwe kop.

Ge wordt hier gemist, pa.  Vooral op deze dag.
Maar als ik ons mannen en ons Noor hier zie rondhangen met al die trekjes die de jouwe zijn, zijt ge niet vergeten en zijde zelfs niet eens zo ver weg.

“Dus happy birthday ouwe, ’t is hier allemaal goe aan’t komen.  Alles komt altijd goe!
Behalve die biefstuk… maar daar hebben we het al over gehad.”

De dunne draad tussen leugen en waarheid

Nu de laatste bladzijden worden omgeslagen, wou ik het nog eens in mijn dagboek opschrijven, om het te onthouden, want het vergeten is gevaarlijk.

Telkens als ik herlees wat ik geschreven heb, lijkt het zo simpel, maar het is niet simpel. Het is nooit simpel geweest maar een triomf was het ook nooit. Het is gewoon een feit, een waarheid. En waarheden en feiten kunnen hard zijn. Zo hard soms dat ze doorwegen als een steen in mijn hand, zwaar, koud maar eerlijk. Ik blijf hem meezeulen. Een andere keuze heb ik niet.

Je zou kunnen denken dat tijd het gemakkelijker maakt. Dat is niet zo. Tijd maakt niets gemakkelijker. Het enige wat tijd heeft gedaan, is meer afstand scheppen tussen de persoon die ik vroeger was en de persoon die ik geworden ben. De afstand groeit elke dag, alleen verbonden door een gesponnen draad, dun, kwetsbaar, en altijd gespannen. Één verkeerde beweging, en hij breekt.

Eerlijkheid en de feiten, doen me terugkijken. Ik herinner me de dagen dat ik dronk. Niet de avonden, de meeste daarvan waren dan al een waas. De ochtenden, die blijven hangen. Wakker worden met die kleffe smaak in mijn mond, de schaamte over de zwarte gaten in mijn geheugen, de duffe geur in de kamer, de troebele ogen in de spiegel die me verraadden nog voor ik ze met mijn mond in een leugen kon veranderen. Ik deed het altijd, alles minder erg maken dan de werkelijkheid was, ondanks de beloftes. Ik wist niet beter.

Er was die constante drang naar drank maar ook naar misleiding.  Drang naar bedrieglijkheid dat zich laag na laag opbouwt met halve waarheden en hele leugens tot ik niets meer kon zien, zelfs mezelf niet. Niemand mocht alles weten. Niemand mocht alles zien. Niemand mocht te dicht in mijn buurt komen, uit angst om ontmaskerd te worden.

Mensen denken soms dat alcoholisten altijd drinken, altijd struikelen en altijd in de goot liggen. Dat is een grote misvatting. Ik was er één die naast elke dag drinken ook elke dag toneelspeelde. Ik dronk en ik speelde van s’ morgens tot s’ avonds. Ik deed het in de rol van vriend, collega, geliefde, vader.  Nooit liet ik hen zien wie ik echt was. Als je te dichtbij kwam, zou je me opmerken, het zien, het ruiken. Je zou zien hoe ik echt was. Dus sloot ik je buiten. Ik liet je niet toe, terwijl je mij ondanks alles graag zag. Je zag een versie van mezelf die nooit echt heeft bestaan. Wat wist jij van mij? Niets. Alleen ik wist hoe diep ik kon wegzinken, hoe gemeen, leugenachtig en genieperig ik kon zijn. Hoe kon zo’n iemand graag gezien worden. Ik liet het niet toe! Ik onderschatte jou en overschatte mezelf. Ik dacht dat je me niet doorhad. Ik bleef je zolang onderschatten tot ik mezelf en mijn zelfrespect helemaal was kwijtgeraakt. Daarom moest ik drinken.

Mijn verslaving was geen liefde voor de fles. Het was een oorlog met mezelf, één die alles kapot maakte wat in mijn buurt kwam, mijn gezin, mijn familie, mijn vrienden, mijn werk, mezelf. Alles moest kapot, maar op mijn voorwaarden, met mijn spelregels en vooral met de illusie dat ik nog controle had over het verlies van mijn controle.

Het was een vicieuze cirkel, een systeem, een dolgedraaide machine waarvan ik alleen de sleutels bezat om het stil te leggen.

Ik herinner me die eerste ochtend na een AA-meeting dat ik nuchter ontwaakte. De stilte in mijn hoofd was ongemakkelijk. Ik had geen excuses meer maar had ook geen duidelijk plan. Er was alleen een vreemde, ongemakkelijke vrede. Maar ze was echt. Voor het eerst in jaren voelde ik iets dat echt was. Tussen de euforische buien door, leek het soms alsof ik mezelf verraden had omdat ik mijn identiteit kwijt was. Maar het was geen verraad, het was een bevrijding van mijn zieke brein dat nooit echt heeft bestaan. De drank en het toneel was het enige dat me al die tijd wist staande te houden. Die waarheid, hoe pijnlijk ook, ze staat hier zwart op wit, was beter dan de leugen.

Koppigheid heeft me jaren gekost. Angst om eerlijk met mezelf te zijn, nog meer. Bang om eerlijk te zijn, dat duurt maar even, maar spijt om niet eerlijk te durven zijn, dat draag je een leven lang mee, denk ik.

Mijn waarheid draag ik nu dicht bij me. Ik weet dat als ik opnieuw zou drinken ik opnieuw dat zieke brein word.

Soms kruipen oude gedachten vanuit mijn onderbewustzijn terug naar boven, als gevaarlijke schaduwen. Ze duiken op vanuit de hoeken van duistere kamers. “Eén glas kan geen kwaad”, fluisteren ze.  Ik weet beter, ik heb geleerd ze te negeren. Eén glas blijft nooit één glas. Eén glas is de deur naar die beklemmende wereld waar ik nooit meer naar terug wil, een wereld van leugens, bedrog, verwaarlozing, eenzaamheid en spijt.

Het klinkt allemaal misschien als een prestatie, dat is het niet en ik verdien geen medaille. Het is geen overwinning. Het is gewoon een zelfbewuste dagelijkse keuze, heel af en toe moeilijk, meestal gemakkelijk, maar altijd noodzakelijk!

De kalender wordt opnieuw heel dun. Nog een paar dagen en het is 2025 en ik ben er nog. Ik adem, ik leef en doe wat goed of juist aanvoelt, dat is genoeg. Al de rest is branie, ballast en overbodige bladvulling.

Eerlijk worden doet even pijn. Maar spijt om het niet te worden, dat kan een leven lang duren!

Koude handen en warme herinneringen

Toen je nog leefde, zei ik het nooit. Misschien durfde ik niet. Wij waren niet zo’n familie waar belangrijke dingen gezegd werden. Je was een ‘specialeke’. Iedereen zag dat, bijna niemand zei het. Maar je weet wat ze bedoelen als zoiets over iemand gedacht wordt.

Twee stenen kon je laten vechten, zonder moeite, zeker als je “het in je” had. En dat had je dikwijls, meestal zelfs. Je was tegendraads, grofgebekt, soms bot en meestal tactloos. Velen zagen alleen dat. Maar je was bijna altijd eerlijk. Dat zagen de meeste niet. Ze kenden je maar half. Jij liet je niet kennen.

Onze pa zei dan, “Dee van ons kan er met een kou hand aankomen.”  Oudere koppels noemden elkaar zo, “die van ons en die van mij”, alsof ze elkaars bezit waren. Maar hij had wel gelijk. Je had koude handen en koude voeten. In je buurt moest je scherp blijven, altijd op je qui-vive en klaar voor wat kon komen. Als je eenmaal begon, was er geen houden aan.

Er moesten niet eens dingen mislopen. Zonder aanleiding kon je op de meest ongepaste manier uit de hoek komen.  Velen hebben die buien moeten verduren.

“Kom, Jef, we geun naar hous”, zei je dan streng. En dan haalde je de sleutel uit je tas. Een zilveren Mercedes-hanger hing eraan. Het was een cadeau voor je pensioen. Nooit heb je zelf gereden. Dat liet je aan anderen over. Jij liet je rijden als ‘the lady of the house, herself.’

Je had verschillende kanten, grote en kleine. Kanten die soms lelijk hard konden schuren want je nam geen blad voor de mond. Maar je was er wel.

Ik hoor je nog zeggen, “Janneke, schiet er na is out en doe na ne kier voaf minuten normaal. Efkes veu iene kier.”  Ik zou je het graag nog eens horen zeggen maar nu hoor ik alleen je stem nog in mijn hoofd.  Op een rare manier hield je ook alles draaiend, hoewel onze pa het meeste werk deed. Je was de bloem in de béchamel. Met een stem die zeurde, maar dikwijls gelijk had, als vrouw die niks verdroeg maar ook als moeder en grootmoeder die alles kon verdragen.

Misschien heeft je vreemde karakter me toen gestoord en heeft het dat lang na je dood blijven doen. Misschien zag ik toen alleen je scherpe randjes en je koude handen. Nu zie ik het anders.  Je was ook de supporter, de zorgzame oma, de trouwe partner en de bezorgde moeder en dat zijn warme herinneringen.

Ik mis je wel, zelfs die koude hand, die onafscheidelijke 33-er en de rook van je sigaret.

Gelukkige verjaardag, moeder. Daar ergens.


Een weg die ik kwijt was

Begrijp me alstublieft niet verkeerd. Ik ben niet langer boos, niet meer opstandig. Ik kijk zelfs niet terug met een verwijtende blik. Maar je kan me niet langer klein houden of kwetsen want het maakt me helemaal niets meer uit wat je van me denkt. Niet dat ik je enig slecht toewens, dat doe ik niet. Trouwens, je kan me, mocht je dat willen, een schouderklopje geven voor mijn veerkracht, voor het traject van mijn herstel of voor die laatste poging die je ondernam om me hard te treffen maar daarin niet lukte.

Ooit was ik een schim, een omhulsel dat zich steeds opnieuw verloor in het gedruis van de menigte. Ik plooide naar de verwachtingen van anderen. Voor mezelf was ik een onoplosbare puzzel verpakt in een doos van jouw sterke wil en mijn beperkingen. Ik hield mezelf klein. Die tijd ligt achter mij. Nu ben ik meer, veel meer dan de som van mijn delen.

Je mag nog een poging doen om me te doorgronden of te veranderen. Je mag minachtend proberen om me met jouw etiketten en recepten te labelen, het zal niet lukken. Want ik ben niet te vatten in simpele definities, noch in wat jij van me denkt of van me verwacht. Dat heb ik over mezelf geleerd.

Je hebt trouwens geluk dat je me hier aantreft want ik ben echt kieskeurig geworden in gezelschap. Echt, laatste tijd kies ik het zorgvuldig uit en vertrouw daarbij op mijn gevoel. Naar een hogere status of naar vluchtige materiële dingen ben ik niet langer op zoek, wel naar diepere en authentieke verbindingen met mezelf en anderen die op een gelijkaardige manier naar de dingen kijken. Ik omring me daarbij met mensen die me verrijken, me inspireren om te groeien en me helpen om te evolueren tot de beste versie van mezelf. En geloof me, die mensen zijn heel erg zeldzaam.  Niet dat ik me schuchter verstop maar ik ben wel moeilijker te vinden, zeker als je me zoekt op de voor de hand liggende plaatsen die ik vroeger uitkoos.

Toen was ik een willoos voorwerp, een vormloos figuur dat altijd ergens in moest passen. Ik was een tweestapper die vooral geen aandacht besteedde aan wat hij zelf nodig had. Vandaag ben ik het tegenovergestelde, nu kies ik zelf de mensen uit die bij mij passen alvorens ze toe te laten in mijn wereld. Situaties die mijn stabiliteit bedreigen, vermijd ik. Noem me koppig, mysterieus, ongrijpbaar of egoïstisch als je wil, dat mag maar het bespaart mij wel een hoop gedoe, vooral met mezelf.

Langzaamaan word ik diegene die ik verkies om te zijn, met minder noodzaak naar bevestiging of kritische stemmen. Eindelijk ben ik mezelf aan het vinden. Ik zat diep vanbinnen verborgen in mezelf, op een weg die ik al heel lang kwijt was.

Koppigheid die ik verwelkom als een oude vriend.

Iets meer dan tien jaar geleden, ik bevond me in woeliger water en stond lang niet zo stabiel en rustig in het leven als vandaag. Mijn dagen, destijds, waren een aaneenschakeling van eindeloze twijfel, angst en uitzichtloze schaamte waarin ik continu strijd voerde met de fles die me in haar omklemmende greep hield.

Het leven was niets minder dan een uitzichtloos gevecht dat ik dacht te winnen, maar waarvan ik elke dag opnieuw als verliezer de aftocht moest blazen. Elk glas werd een hopeloze poging om mezelf, en dat verdomde betekenisloze en storende leven te verdoven en te ontwijken.

Die waarheid durfde ik nooit onder ogen te zien, maar wie zijn leven in een andere richting wil sturen ontkomt er gewoonweg niet aan.

Een stem die zich ergens onder de oppervlakte bevond, fluisterde me, ‘Wie gelukkig wil worden en wil veranderen, verzet zich niet tegen het leven maar verzet zich tegen zijn duvels.’ Uiteindelijk besloot ik te luisteren.

Het heeft jaren geduurd voordat ik besefte dat mijn weerstand tegen veranderingen me alleen maar hadden uitgeput en teleurgesteld. Ik, een man die altijd koppig en vastberaden tegen de wind in liep, terwijl die bries me alleen maar mee wilde voeren naar nieuwe, ongekende horizonten.

Elke morgen begon met lege beloften aan mezelf, en eindigde met de overtuiging dat ik de volgende dag sterker zou zijn. Maar mijn verslaving lachte me uit, fluisterde bedrieglijke leugens en ik? Ik luisterde weerloos.

Veranderen is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het vergt moed en volharding, twee eigenschappen waarvan ik dacht dat ik ze miste. De eerste stap was toegeven dat ik een gewoonte had die mijn leven beheerste, dat ik vastzat in een vicieuze cirkel van verslaving en ontkenning. Ik keek in de spiegel en zag de vermoeide ogen en het verweerde gezicht van een man die gevangen zat in zijn eigen dwingeland. Het was hoogtijd om de kar te keren.

Mensen met wie ik maanden later, na dat laatste glas mijn prille nuchterheid aftoetste zeiden me dat ik ongeduldig was, dat ik te snel resultaat verwachtte. En ze hadden helemaal gelijk. Ik wilde dat de verandering meteen kwam, dat ik ’s ochtends wakker werd en dat de zucht naar de fles verdwenen was, opgetrokken als ochtendnevel in de morgenzon. Maar zo werkt het niet. De tijd, dat ongrijpbare beest, heeft zijn eigen ritme en wetten. Het enige wat ik kon doen, was me er geduldig doorheen laten dragen, door de juiste mensen en vertrouwend op mijn geduld, wetende dat elke dag zonder alcohol een stap vooruit was.

De eerste weken zonder de fles, waren een beproeving op het leven. De verleiding was er constant maar ik weigerde te luisteren. De nachten waren opnieuw gevuld met eenzaamheid, zelfbeklag en angst, maar ik wist dat ik door moest zetten. Dat was mijn enige uitweg, mijn enige hoop op een beter leven. Die andere keuze had mijn ondergang betekend.

Weken, maanden zo niet jaren later begon ik langzaamaan de schoonheid van mijn nuchtere leven te zien. De ochtenden werden helderder, mijn ogen scherper en mijn doel duidelijker. Ik ontdekte dat er meer was in het leven dan de bodem van een glas. Mijn zintuigen en mijn gevoel ontwaakten als een slapende reus, ik deed weer mee.

De tijd gaat voorbij en telt al mijn hartslagen. Hij is mijn metgezel en bondgenoot. De ene dag brengt hij uitdagingen, de andere verleidingen. Soms gaat het goed en soms gaat het slecht maar ik ben sterker, stabieler en zelf zekerder om de onzekere stroom van het leven te aanvaarden, om niet langer tegen de golven in te vechten. Ik ben een man geworden die leeft in plaats van te overleven.

Het pad naar herstel was geen rechte lijn, het was een kronkelende weg met ups and downs. Maar ik weet dat ik nooit meer terug wil naar de man die ik ooit was. Ik heb geleerd dat verandering geen vijand is, maar een vriend die me de weg gewezen heeft naar een leven dat ik nooit voor mogelijk had gehouden.

En zo ga ik verder, stap voor stap, dag na dag, met de smaak van verleidingen als vage herinneringen, als een spook uit het verleden.

En ik, ik ben een ouder wordende man die het leven vastgrijpt op zijn eigen tempo en voorwaarden, zonder grote verwachtingen maar met dezelfde koppigheid die ik verwelkom als een oude vriend.

Met familie als achtergrondmuziek

Familie, of het niet-toevallige lot van elke sterveling die de pech of het geluk kent ooit geboren te zijn, het is maar hoe je het bekijkt. Je hebt ze niet om uit te kiezen, niet de broers, niet de zussen noch de neven, achternichten, nonkels of tantes, en maar goed ook. Familie is gewoon een packagedeal, die soms alleen nog maar verbonden lijkt door een bloedband die zonder de uitwisseling van generaties lange genetica, onmogelijk aan elkaar zou te hechten zijn. Toch plakken ze op een vreemde manier toch allemaal aan je ziel.

Heb je geluk, word je gezegend met het talent van je overgrootmoeder die de gave bezat om lief te hebben, heb je pech word je ongevraagd de nieuwe eigenaar van hetzelfde kronkelende gekkenbrein van je betovergrootvader langs de andere kant van de stamboom. Elk familiedrama dat oorsprong vindt aan een of andere tak van de geslachtsboom krijg je gratis mee besteld. Je hoeft daar niets voor te doen. Het is alsof je figureert in een stomme film die achterstevoren wordt afgespeeld.  De karakteristieken van de personages zijn bekend, hun daden ook. Al hun mooie en donkere kanten zijn vertrouwd, ja zelfs het plot is voorspelbaar. Alleen de scenes die zich afspelen tussen het einde en begin durven af en toe nog te verrassen.

Familiebanden hebben één groot voordeel. Zelfs al manoeuvreer je op de achtergrond, wil je er misschien niet al te veel mee te maken hebben of wil je ze soms zelfs ontkennen, elke bloedverwant geeft toch op de een of andere onbegrijpelijke manier onbetaalbaar inzicht in alle excentriciteiten die je zelf ook bezit, zelfs al wil je die soms het liefst van al angstvallig ontvluchten.

Elke familiesaga, elke genetische bloedband en elk nieuw familiedrama doen tegelijkertijd haten en liefhebben. Ze zweven rond als achtergrondmuziek, het deuntje klinkt vertrouwd maar je kan het je maar niet herinneren waar je het voor de eerste keer gehoord hebt.

Romantische verzetsdaad

Veel moedige verzetsdaden heb ik in mijn leven niet gesteld. Meestal verkies ik het veilige pad. Aangeleerd gedrag, vermoed ik.

Gisteren parkeerde ik mijn auto net buiten de stad, in een ondergrondse VINCI-parking.  Op het eerste gezicht zou je dit bezwaarlijk een verzetsdaad noemen.  Toch nam ik dit moedige besluit omdat een parkeerplaats me voor de vierde keer ontglipte.  Telkens werd ze voor mijn neus ingenomen door één of andere onbeschofte verkeersagressor. Ik weet dat verzetsdaden zich dikwijls voltrekken tegen de agressor, behalve gisteren. In plaats van mij verbaal af te reageren op deze zich herhalende boertigheid, besloot ik mijn autootje uit protest niet in de binnenstad te parkeren. Ik verkoos een ruime ondergrondse betaalparking waarin beschaafdere verkeersregels gelden. Bekijk het maar, bende onbeschofteriken!

Toen ik me even later in de Merodestraat bevond, besefte ik maar pas dat ik het zelf allemaal moest bekijken. Ineens was ik een wandelaar geworden in de stad waar ik van hou. Een oude stad die ik hoofdzakelijk als autorijder ken en die tot voor kort zo hard door autorijders werd gedefinieerd dat zelfs het gps-netwerk er overbelast van raakt.

Eerst beschouwde ik deze verplichte wandeling als zinloze arbeid maar algauw begon ik te genieten van mijn zelf opgelegd martelaarschap. De onverwachte vertraging zorgde niet alleen voor rust, het maakte ook dat ik nieuwe dingen zag maar ook dat ik bekende dingen op een andere manier zag. Ik fantaseerde de zesendertig cafés erbij die ooit deel uitmaakten van het straatbeeld in de tijd toen de kazerne nog bemand werd door drieduizend dienstplichtigen die er in de cafés hun soldij kwamen verbrassen.

De wandeling van vierduizend negenhonderd éénentwintig stappen in een van de oudste straten van Mechelen werd een herinnering van samengeperste tijdlagen. Zo zag ik ineens cinéma Lumière, een geklasseerd gebouw dat ooit dienstgedaan had als Karmelietenklooster, meisjesschool en nadien als stadsfeestzaal. Jaren geleden was het de uitvalsbasis bij uitstek geweest voor jonge bakvissen zoals ik die er op romantische wijze invulling probeerden te geven aan hun anders zo zinloos studentenleven.  Twintig was ik, het was nog ver vóór de tijd van Google Maps en Streetview, toen ik aan de overkant van de straat, tegen de muur van het sint-janskerkhof de sterren uit de hemel kuste met een medestudentin aan wie ik mijn hart verloren was geraakt. Toen was ik welbewust naar deze plaats afgezakt. Nu was ik toevallig gepasseerd om erachter te komen dat de straat en de wandelaar buiten herinneringen niets meer met elkaar gemeen hebben.

Melancholie overvalt me. Dat overkomt me wel meer. Ik heb het altijd een beetje bizar gevonden, hoe plaatsen blijven bestaan terwijl de tijd er dwars doorheen raast. Dat ik op dit kruispunt kan staan en me kan herinneren hoe ik daar, jaren geleden iemand kuste in het holst van de nacht. De gebeurtenis is helemaal verdwenen terwijl het een betoverende gedachte is te denken dat die romantische avond helemaal met die plek verweven is geraakt. Dat is natuurlijk niet zo. De muur van het sint-janskerkhof heeft er niets mee te maken, die is wat hij is: gewoon een muur. De herinnering, is enkel voorbehouden aan de muur, aan mezelf, en aan diegene met wie ik de sterren deelde.

Het leven heeft soms een rare manier om gebeurtenissen met elkaar te rijmen.

Als deze quote niet de juiste manier is om het leven samen te vatten, is deze romantische verzetsdaad in een oude stad misschien wel de drijfveer om auto’s er voorgoed uit te verbannen.

Een koe die saffraan eet.

Wanneer ik nadenk over persoonlijke triomf en over de totale nutteloosheid ervan, moet ik teruggaan naar de tijd – het moet ergens halverwege de jaren negentig geweest zijn – dat ik nog handbal speelde en ik dacht dat succes, winst en aanzien het allerbelangrijkste in het leven was. We trainden dikwijls, speelden vaak wedstrijden, die we soms wonnen en soms verloren, dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Soms haalden we met onze prestatie een enkele keer sportweekend, maar alleen wanneer er tijdens dat weekend toevallig geen voetbal- of wielerwedstrijd was. Ik herinner me nog dat ik nijdig werd toen Mark Vanlombeek mijn naam als Pultjo – of iets dat daar op leek – uitsprak en ik in prime-time een tegenspeler nogal hardhandig in de tribune keilde en er een rode kaart aan overhield. Dan komt een mens eens op Tv, lappen ze je dat. Elke week opnieuw trokken we vanuit Lebbeke naar Kortrijk, naar Eupen of naar elders ten lande, om daar te proberen de held van het speelveld en van de competitie te worden. Soms lukte dat, maar vaker of meestal ook niet. Dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Een keer werd ik geselecteerd voor de Belgische elite en mocht ik mee op interland naar Ijsland om daar de nationale kleuren te helpen verdedigen. Sportieve afgang heb ik nooit eerder zo hard ervaren als toen, in die met Vikings afgeladen volle sporttempel in Rejkjavik. Mijn brutale hoogmoed werd via alle kanten rond mijn hoofd aan diggelen gegooid. En ik, die dacht dat ik op handbalgebied wat voorstelde. Wist ik veel dat die Gunnarsons en Steffansons en alle andere -sons (elke naam in Ijsland eindigt op -son behalve als je zonder piemel geboren wordt dan eidigt hij op -dottir) die ons die avond mochten vernederen, stuk voor stuk hun centen verdienden in de Bundesliga, toendertijd de betere zoniet de beste handbalcompeitie van Europa en omliggende straten. Hoewel ik tijdens de heenreis nog dacht hoog te kunnen vliegen, ben ik sportief, nooit harder met de voeten op de grond beland dan die avond tussen de handballijnen van dat vulkanisch eiland. Om nederig te worden moest ik blijkbaar eerst de handbalvikings van Ijsland ontmoeten. Ik had het eigenlijk op voorhand moeten weten want, vele jaren tevoren was ik al een keer onzacht met een Deense Viking in aanraking gekomen, al had zij van mijn waardigheid nog iets overgelaten toen ze er met mijn hart van onder gemuisd was. Maar dat is een hele andere hystorie.

Een jaar of zestien zeventien zal ik geweest zijn toen ik dacht te weten hoe het leven in elkaar steekt. Mijn mond was toen vele malen groter dan mijn verstand, maar eigenlijk wist ik van het leven maar zoveel als een koe weet van saffraan eten, niks dus. Onze pa kon dat schoon zeggen, wanneer ik het op school weer eens veel te bont had gemaakt, dan zei hij, ‘zoon ge peinst dat ge het allemaal al weet, maar uwe grote bek begint maar daar waar uw stom verstand eindigt.’ Over mijn hart werd niet gesproken, dus begreep daar ik ook niets van, al kon ik daar niet grootmoedig over doen, want ik had al aan den lijve ondervonden dat ik dat ook heel snel kon kwijtraken, ongeacht de hoeveelheid branie dat ik uit mijn nek kletste. ‘S avonds in mijn bed, met mijn kussen als enige troostend gezelschap, mat mijn één meter drieënnegentig dan vele malen kleiner dan wanneer ik er overdag mee tussen mijn soortgenoten parradeerde die op dezelfde manier probeerden branie te schoppen en te verdoezelen dat ze eigenlijk even onzeker en sukkelachtig waren als ikzelf.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat nederig en bescheiden worden noodzakelijk is om het leven een heel klein beetje te begrijpen want in de tweeënvijftig jaar die ik binnenkort op deze aardkluit loop druk te doen, heeft mij nog nooit iemand op heldere of overtuigende wijze de belangrijkheid van vluchtig succes of van overroepen machtsvertoon kunnen uitleggen. Mijn hart is al een paar keer gelijmd en ik heb nog steeds niet geleerd om kemels te vermijden. Soms probeer ik nog altijd de slimste te spelen ook al versta ik van het leven niet veel tot niks. Nu weet ik pas dat ik het leven nooit helemaal zal kunnen begrijpen, en laat dat nu hetgene zijn wat ik zeker weet. Met al de rest ben ik ook nog bezig, om het te vergeten.

Steriel

Wanneer we elkaar dan toevallig eens tegen het lijf lopen of wanneer agenda’s nog eens met elkaar matchen en het eindelijk lukt om nog eens lang koffies te zuipen en sigaretten te paffen, begroet ik je altijd met een kus en een stevige omhelzing. Tijdens die fysieke begroeting trek ik je dan altijd stevig tegen mijn gillet. Dan ruik ik je unisex-parfum en voel ik hoe je in je vel zit. Als het niet goed met je gaat, druk jij je zo hard tegen mijn grote knuffelberenlijf en verberg jij je helemaal in die grote armen van mij, en ga je daar op zoek naar een beetje intieme geborgenheid of troost. Als het wel goed met je gaat verdraag je die omhelzing niet. Dan duw je me speels en plagerig weg en zeg je, blijf eens met je poten van mijn lijf, je bent mijn lief niet, je hebt je kans gehad.’ Al hoort die kus er altijd bij, maakt niet uit of je goed of je slecht in je vel zit…

TNu ik je als bij toeval tegen het lijf loop, draag ik een mondmasker om jou niet te besmetten en om niet door jou besmet te raken. Hoewel jij niet met zekerheid kan weten of jezelf ziek bent of dat ik dat ben, draag jij ook een mondmasker met exact dezelfde intentie. Ik besmet jou niet en jij besmet mij niet. Deze niet-afgesproken wederzijdse concensus om elkaar te ondergaan achter textiel dat alles filtert, maakt ons helemaal steriel. Jouw unisex-geurtje ontbreekt en ik kan niet voelen hoe jij in je vel zit. Ik ruik alleen maar mijn eigen stinkende koffieadem en voel alleen de warmte van mijn eigen gezicht. Hoewel ik breed glimlach zie jij dat niet. Dat jouw mond droef staat, valt me ook niet op omdat hij veilig en steriel verborgen blijft achter dat lichtblauwe wegwerpmondmasker. Praten doe ik van nature al stil dus als ik je nu wat toefluister vanachter mijn mombakkes hoor jij dat nauwelijks. Omdat jij slecht hoort of omdat ik weet dat ik te stil spreek, roep ik nu zo luid waardoor het lijkt dat ik gevoelloos tegen je sta te blaffen, zoals een hond naar zijn baas. Jou ogen alleen kunnen niet verraden of je het eens bent met mijn geblaf of dat je liever zou willen terugblaffen. Verscholen achter maskers, met anderhalve meter tussen ons zijn we schimmen geworden van wat we normaal van elkaar zijn. Maar om corona te onderdrukken zijn we wel veilg en steriel gebleven zoals deze toevallige ontmoeting en dit vluchtig gesprek dat ook was.

Lijstjes en nummertjes.

Een er ietwat slobberig uitziende vrouw, ik schat haar vijfenveertig, is diep in gedachten verzonken en zit warm ingeduffeld op een bank in het park voor zich uit te staren. Ze maakt ingebeelde lijstjes over de dingen die haar bezighouden, die ze zeker nog moet doen en die ze zeker niet mag vergeten. Niet dat de nummercombinatie van haar fietsslot of de code van haar bankkaart zich op een van die lijstjes bevindt of dat erop geschreven staat dat ze de soep voor straks nog moet ontdooien, neen dat is het niet. Die cijfertjes zijn zo belangrijk dat ze die nog uit het hoofd kent en ze niet op een lijstje hoeft te schrijven. Op haar eigen manier bepaalt zij met een ingebeelde cataloog de volgorde van zaken die echt belangrijk zijn, en niet uitsluitend van belang voor vandaag of voor morgen of voor zichzelf maar ze maakt een ingebeelde opsomming van dingen die heel belangrijk zijn voor de het dorp, voor de stad, voor het land of op het minst voor de hele wereld. Ze kan daar nu tijd voor maken want ze was toch aan het dromen en de wolken beginnen al op te trekken. Lijstjes maken is heel belangrijk in de kringen waarin ze elke dag vertoeft. Niet dat de mensen waarmee ze dagelijks omringd is, zich bekommeren over lijstjes die zij schrijft want de meesten onder hen zijn te druk in de weer met hun persoonlijke lijstjes. Als bejaardenhulp in het rusthuis krijgt ze namelijk alle dagen van de week te maken met dementerende oudjes die, om niet te vergeten lijstjes maken van dingen die voor hen belangrijk zijn. Die kattenbelletjes slingeren dan her en der rond of verzamelen zich in een schoendoos op de vensterbank zodat de volgeschreven papiertjes hen er steeds aan herinneren dat ze niet vergeten wat ze die dag niet mogen vergeten. Op al de lijstjes van alle dementerende oudjes van alle kamers van het rusthuis vind je naast een vergeelde foto van hun geliefde partner, de geheime code van de bankkaart die ze al lang niet meer bezitten omdat de kinderen al die belangrijke dingen zelf op hun eigen lijstje hebben gezet.

Ik betrap me er zelf op dat ik ook lijstjes bijhoud en dat zelfs die indexen al ziekelijke vormen beginnen aan te nemen.  Zo leg ik al een tijdje lijstjes aan van dingen die ik niet mag vergeten te zeggen of van woorden die ik kan gebruiken voor mijn schrijfsels. Ik bewaar ze in een brillendoos die ik overal naartoe zeul omdat mijn leesbril daar ook in zit en ik anders de lijstjes niet kan lezen die ik erin bewaard heb. Als ik vlug ben, tel ik vijftien kleine papiertjes en als ik eerlijk ben, zijn het er twintig. Thuis bewaar ik napoleonsnoepjes, pepernoten, chocolade en koekjes, ook allemaal in hun eigen doos maar dat is iets anders en heeft dat eerder te maken met mijn compulsief-neurotisch karaktertrekje. De brillendoos, dat is wat anders, daar leef ik naarstig in en ik word er actief van of helemaal passief. Ik zal de briefjes die ik erin bewaar nooit vroegtijdig weggooien omdat ze tot me spreken en ze me toe roepen: ‘niet vergeten, niet vergeten… let op dat je het niet vergeet.’ Niet dat ik van die vergeet-mij-nietjes in paniek raak hoor want ze geven me houvast maar als ik dan toch eens begin te twijfelen keer ik terug naar mijn versterkt kasteel, naar mijn vertrouwde brillendoos.

De oudjes in het rusthuis worden net zoals mijn vader zaliger ook elke dag door lijstjes en briefjes toegeschreeuwd, en worden net op dezelfde manier elke dag toegeroepen door wegglijdende gedachten op papier.  Op die briefjes houden ze voor zichzelf bij op welke knop zij moeten drukken en op welke knop zij absoluut niet mogen drukken, door wie ze worden opgehaald en door wie ze worden vergeten, en dat ze best gaan zitten als ze moeten pissen. In de liefdesbrief die mijn vader elke dag schreef, stond telkens geschreven dat hij het haar morgen niet mocht vergeten te vragen.  Elke dag opnieuw schreef hij in hanenpoten de pincode van zijn bankkaart op een briefje dat hij in de schoendoos op de vensterbank stopte tussen minstens dertig briefjes waarop dezelfde nummertjes geschreven stonden.  Nummertjes die ooit zo veel belangrijker waren dan het grootse wereldprobleem maar die nu enkel nog maar vier nietszeggende getalletjes meer zijn.

Voornemen…

… De nacht was net zolang bloedheet geweest tot de koelte van verse regen de zwoele hitte had weggespoeld. De kerkklok van het nabijgelegen klooster had net een vijfde keer slag geslagen en dat gedempt geklingel had me bruusk uit mijn broeierige nachtmerrie bevrijd. Nog enigszins slaapdronken tuurde ik vanuit het open raam over het zwarte zadeldak dat met veertien zonnepanelen bekleed was. In de weerglans daarvan koepelde helder en weids de hemel waartegen de blauwe maan, die omgeven was met helder sterrenstof, een plaats had gezocht. De straten waren nog kletsnat en ik sperde mijn neusgaten ver open om de natte geuren van de malse regenbui op te snuiven. Aan de horizon in het Oosten werd het duister van de nacht stilaan opgeslokt door de opkomende zon en op de takken van de half-kale appelboom die onder het gewicht van tientallen halfrijpe appelen gebukt ging, speelden een paar luidruchtige kauwen of zaten zich roerloos met hun opgezette dons in de koele ochtendbries te warmen aan de eerste schuchtere zonnestralen. In het overgrote gedeelte van de slapeloze nacht had ik zolang mijn recente leven overpeinsd tot dat gepeins overging in een donkere droom waarin de gedachten even hobbelig waren als de kasseien van de oprit naar mijn ingebeeld luchtkasteel. Ze waren even koud en kil als een winterzolder met een raam op het Noorden van waar ik nu naar de uitdovende sterren tuurde en in de donkere hoeken van mijn denkwereld weefde de spin van valse vooroordelen onhoorbaar vastberaden haar web …

In de nevel van mijn droom stelde ik me de vraag hoe ik onvrede, die soms even veranderlijk kan zijn als de wolken in de lucht en die even wervelend kan zijn als een zomeronweer na een slapeloze nacht, een plaats kon geven? Het enige wat ik met mijn nachtgepieker bereikt had was dat de dreigende doemscenario’s zo fijn ontrafeld werden dat ze vanuit de hemel op mijn kop dreigden te vallen. In die nutteloze nachtelijke queeste had ik gezocht naar oorzaken van verloren idealen en verbannen doelen die ik door omstandigheden ver buiten mezelf een wachtplaats hadden gegeven. Ik stelde vast dat ik met mijn gedub geen centimeter in de richting van een minnelijke regeling was opgeschoven en ik besefte opeens dat zolang ik hoog boven de wolken, in het duister van de nacht of in het verleden en in de toekomst naar oplossingen zocht ik geen voldoening of rust zou kunnen vinden, alsof dat inzicht met die laatste regenbui door het open dakraam was binnen gesijpeld. Opeens wist ik dat zolang ik buiten mezelf bleef zoeken ik geen gepaste repliek zou kunnen vinden om mezelf in eer te herstellen.

Toen bij het krieken van de dag alle donkere gedachten waren ingeruild voor opgewekter ochtendgloren, nam ik mezelf voor om niet langer uit te reiken naar bevestiging of erkenning van anderen maar dat ik wat meer energie zou steken in het slopen van mijn eigen hindernissen die ik zelf op mijn pad had opgezet. Ik hoop nu maar dat het vannacht niet regent zodat dat voornemen ook niet wordt weggespoeld.