Misschien kom ik je tegen.

Toen ik de boekenhandel binnenstapte en ik al die titels en auteurs in de rekken zag pronken, vroeg ik me af waarom ik de innerlijke drang maar niet kon weerstaan om me met hen te meten. Alles is toch al gezegd en alles is al eens geschreven, in mooiere zinnen die ik ooit zou kunnen bedenken. Wat doet mijn interpretatie van de feiten, die dat vaak niet eens zijn, er dan toe?

Misschien is schrijven voor mij alleen maar een aangename manier om het leven maximaal te negeren, want geef toe, een doorsnee mensenleven is toch te kort om er een blijvende rol van betekenis in te spelen. Waarom zou ik mijn tijd dan nog verschijten met niemendallen op te schrijven in woord-geknutsel waar niemand wakker van ligt? Als er niks waardevols te vertellen is, moet ik toch niet proberen de woorden die ik gevonden heb, in graniet te beitelen? Dat heeft toch geen zin? Dat is toch een bezigheid die uitsluitend voor echte woordacrobaten is weggelegd, voor koorddansers die erin slagen om in woord en beeld het vergankelijke onvergankelijk te maken.

Waarom ik die laatste gedachte om elf uur s ’ochtends, tussen de boeken aanboorde, weet niemand. Waarschijnlijk omdat ik een eeuwige twijfelaar ben die naar een strohalm reikte om aan zichzelf zijn onbenullige gedachten uit te leggen. En met die laatste reflectie voelde ik me zelfs te klein om in het café, dat zich naast de boekshop bevond, koffie te drinken. Niet dat dat ik geen zin had in koffie, want ik heb altijd zin in koffie. Ik had alleen geen zin in mensen en in hun verhalen. Ik was bang dat ik er niet lang door geboeid zou blijven.

Tien minuten later sijpelde het zwart sap, dat aan een handvol betere koffiebonen onttrokken was, langzaam uit mijn super-de-luxe DeLonghi Dinamica, en toverde een crèmige, beige kraag in mijn tas. De cafeïne die door mijn aderen stroomde deed mijn dwingende traagheid vervagen, zodat ik voor een tweede keer, tijdens die jonge dag, verstrikt raakte in onafwendbare barrières die mijn gedachten hadden opgeworpen.

Zijn mensen dan niet altijd op zoek naar verhalen, vroeg ik me af? Zou het leven niet helemaal zinloos worden zonder? Neem nu een relatie, en ik bedoel dan een liefdesverhaal. Dat gaat toch over oorzaken die langzaam gevolgen worden in een aaneenschakeling van toevalligheden. Een romance, of ze nu lang duurt of kortstondig is, gaat toch altijd over een samenloop van omstandigheden die leiden tot nieuwe gebeurtenissen, die aan elkaar geregen worden met stomende seks en met vlammende ambras? Sommige koppels hebben geen verhalen meer en zijn helemaal uitverteld, waardoor van stomende seks niets meer in huis komt en er enkel nog vlammende ambras overblijft, of oorverdovende stilte. Dat is even goed mogelijk.

De enige bedenking die ik maak waardoor het allemaal wat moeilijker ligt, is dat het leven niet altijd een spannende verhaallijn heeft, laat staan een interessant plot op de allerlaatste bladzijde. De enige zekerheid die het leven biedt, is dat het ooit een einde neemt. Het maakt niets uit of dat leven nu spannend of kleurloos is geweest. En dat op zich is een hele geruststelling want dat inzicht maakt dat ik me alleen over vandaag hoef te bekommeren en niet op zoek moet naar spannende zaken. Ik neem dan ook vastberaden en weloverwogen het besluit om vandaag niets te doen en laat dat nu net zijn wat ik het liefste doe. Nietsdoen en rondlummelen in de onbekende straten van mijn gedachten, waarin de stappen die ik zet, alle richting en vaart mogen missen zodat mijn zintuigen de details kunnen absorberen die normaal aan mij voorbijgaan. Snelheid is in mijn nieuwe leven eerder uitzondering dan regel geworden. Op stap gaan, met een lege portefeuille vol herinneringen en het leven mogen torsen in al zijn lichtheid, weegt al meer dan zwaar genoeg zonder dat haastig gedoe. Met vijf euro, een half pakje peuken, een zak vol nieuwsgierigheid en een vulpen, zodat ik het leven nog lang op een aangename manier kan blijven negeren. Misschien kom ik jou er wel in tegen.

Jeugdige Onschuld.

Ik schrijf dit omdat ik niet vergeten wil worden. Wie dit zal lezen, weet ik niet, maar dat is niet belangrijk. Misschien wordt het dat maar pas wanneer dit manuscript ooit opgevist wordt uit een gammele kist op zolder, of uit een oude kast van een muffe kelder. Misschien krijgt, dat wat hier geschreven staat, dan pas de betekenis die ik eraan heb willen geven. Misschien krijgt het dan pas enige waarde, wanneer jij met je ogen door mijn gedachten bladert, en er dezelfde ondefinieerbare twijfel in voelt die nog alle dagen door mijn ziel woedt. Ik ben Jan, zoon van Jef de gereedschapsdraaier en van Carola de ruziemaker. Dit is de ingekookte versie van het verhaal van een praatjesmaker van tweeënvijftig die door het leven bedeeld werd met een onverwoestbaar ego, een vuil blad en met een uiterst breekbaar hart. Het gaat over het vergeten verleden van duizenden figuranten die erin passeerden en die net zoals ik slachtoffer werden van domme onwetendheid of van nog dommere hoogmoed en misschien net daardoor goed terecht kwamen. Toch raken ze net zoals ikzelf stilaan op de achtergrond en door de tijd vergeten. Ik ben Jan en koos mezelf als hoofdpersonage, omdat hij de enige is die overblijft wiens gedachten en emoties ik nog een beetje vertrouw. Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een argeloos verleden, dat met elke dag die voorbijgaat terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst. Wat hier neergeschreven is, is een levende getuigenis van een half leven dat even zinvol als zinloos voorbijvloog en waar niet veel meer van overblijft dan de tijd die verdwenen is.

…”Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een argeloos verleden, dat met elke dag die voorbijgaat terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst.”…

In de zomer van negentienzesentachtig baadde dit vlakke land zoals elke zomer van de jaren tachtig in een koel waterzonnetje. Het grootste gedeelte van dat jaar heb ik me beziggehouden met zeventien te zijn, een activiteit die niet veel meer om het lijf had, dan puisten uitknijpen en stumperige pogingen ondernemen om me interessanter voor te doen dan ik was. Met de overschot van de dag deed ik vruchteloos pogingen om mijn veel te slungelige lijf op te vullen met een ego dat ik nog niet bezat, om het dan wat later op mijn kamer opnieuw leeg te snokken bij een poster van Samantha Fox. Omdat de zomer van zesentachtig typisch Belgisch was, had ik mezelf de vrijheid toegeëigend om de zuiderse zon op te zoeken, al laat ik die beslissing rebelser klinken dan dat de realiteit verbergt, temeer omdat Jef Carola dagenlang heeft moeten overtuigen om mij überhaupt mee op kamp te laten gaan. Voor mij voelde dat zomerkamp aan als de annexatie van pas ontdekte vrijheid aan mijn zinloze bestaan, al wist ik helemaal niet wat ik ermee aan te vangen, met dat stukje veroverde soevereiniteit. Het grootste gedeelte van dat jaar was ik immers maar een puberende bakvis geweest wiens wereld bestond uit mensen van wie ik me de namen vandaag niet precies meer kan herinneren. Hoewel ik nog drie jaar geduld moest oefenen om officieel volwassen genoemd te mogen worden, heb ik, met de dag van vandaag meegerekend, nog steeds niet het gevoel dat ik dat ereteken al verdiend heb. Achttien worden in de jaren tachtig was voor mij persoonlijk een grotere mijlpaal dan eenentwintig worden, omdat ik vanaf die leeftijd met een auto mocht rijden, ik formeel geslachtsrijp was en omdat mijn hart voor de eerste keer helemaal aan diggelen lag. Hoewel ze het er destijds in België politiek gezien niet eens over konden worden, of ik op achttien, wettelijk meerder- dan wel minderjarig genoemd mocht worden, veranderde er niets. Met mijn meerjaren ving ik nog minder aan dan toen ik als minderjarige in het leven stond en ik nog over een beetje ambitie beschikte om mijn actieradius te vergroten. Ik heb minderjarig en meerderjarig trouwens altijd vreselijke woorden gevonden. Enerzijds omdat ik me altijd meerderjarig gevoeld heb ten opzichte van gasten die een jaar jonger waren dan ikzelf maar anderzijds omdat ik me ongelooflijk onhandig-minderjarig kon voelen wanneer een vrouw me aansprak die maar een paar maanden ouder was dan ikzelf en ik elke keer tot achter mijn oren rood aanliep. Mijn ruziemakende moeder buiten beschouwing gelaten, waren vrouwen destijds trouwens gewoon rare mensen met staartjes. Ik vond het maar mysterieuze wezens die gekleed waren in grijze plooirokjes, donkerblauwe truien en witte sokken en die in meisjesscholen geleerd werd om voor het andere geslacht onbereikbaar te blijven. Wat ik toen niet wist is dat de vrouwen die ik hierboven beschrijf op dezelfde manier over jongens dachten, al hoefden die er toen al lang niet meer uit te zien als seksloze nonnen of als vrome, seksueel gefrustreerde pastoors. Al bij al was negentienzesentachtig een goed jaar maar dat wist ik op dat moment niet. Nu de herfst mijn persoonlijke zomer snel wegblaast, kan ik alleen maar vaststellen dat levenservaring maar een kam is, die je van het leven cadeau krijgt op het moment dat je kaal begint te worden. Of tweeënvijftig de juiste leeftijd is om tot die vaststelling te komen, weet ik niet zeker. Mijn haargrens bevindt zich namelijk nog precies op dezelfde plaats waar die zich dertig jaar geleden bevond, al wijt ik dat eerder aan de rimpels op mijn voorhoofd die mijn vel zwaarder doet wegen waardoor mijn haarlijn naar onderen getrokken wordt. Ik zeg maar wat, maar kaal, dat ben ik nog niet. Toch ben ik het vandaag aan mijn leeftijd verschuldigd om me tot de leeftijdsgroep van de ‘puberende vijftigers’ te rekenen. Gewoon maar vijftig worden is voor groentjes. Het is maar vanaf tweeënvijftig dat ik opnieuw een beetje recht van spreken krijg in deze grijzer wordende leeftijdscategorie, al doe ik misschien dat best iets luider omdat het risico niet onbestaande is dat ze me anders niet meer horen of verstaan. Officieel zal de stempel ‘vijftig+’ dus vanaf vandaag meer inkt achterlaten wanneer ik mijn voorrangskaart voor een zitplaats in de trein laat afstempelen. Tweeënvijftig dus, en officieel oud. Vanaf vandaag voel ik me echt ten volle vijftiger omdat mijn gammele lijf plots meer plaats inneemt dan toen ik nog over een 40+ karkas beschikte. Ik ben me ook meer bewust van alle lichamelijke kwaaltjes en van alle andere ellende die met dit cijfer gepaard gaat. Maar alles is niet even kut dan ik het hier laat uitschijnen. Ik begin namelijk de kunst te verstaan om mijn lichamelijke beperkingen en mijn mentale obstakels te kennen en te aanvaarden. Dat mijn libido al eens vaker foert zegt hoeft geen probleem meer te zijn want dat lijfelijk ongemak raakt met een pilletje in een wip opgelost. Ik los dat wel even op. En nu ik die woorden neerschrijf bedenk ik me dat dit zomaar een uitspraak had kunnen zijn van een huurmoordenaar of van een loodgieter die me sust met de gedachte dat zolang de dichting van mijn kraantje het houdt en niet gaat lekken ik nog niet moet klagen. Waar ik echter niet aan gewend raak, is dat ik irritant saai begin te worden en dat ik die irritante saaiheid nog als een cadeau begin te aanvaarden ook. Wie had dat gedacht.

Misschien word ik dan met deze levenswijsheid van de dag vandaag echt niet vergeten. Het heeft er alleszins alle schijn van.

Een koe die saffraan eet.

Wanneer ik nadenk over persoonlijke triomf en over de totale nutteloosheid ervan, moet ik teruggaan naar de tijd – het moet ergens halverwege de jaren negentig geweest zijn – dat ik nog handbal speelde en ik dacht dat succes, winst en aanzien het allerbelangrijkste in het leven was. We trainden dikwijls, speelden vaak wedstrijden, die we soms wonnen en soms verloren, dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Soms haalden we met onze prestatie een enkele keer sportweekend, maar alleen wanneer er tijdens dat weekend toevallig geen voetbal- of wielerwedstrijd was. Ik herinner me nog dat ik nijdig werd toen Mark Vanlombeek mijn naam als Pultjo – of iets dat daar op leek – uitsprak en ik in prime-time een tegenspeler nogal hardhandig in de tribune keilde en er een rode kaart aan overhield. Dan komt een mens eens op Tv, lappen ze je dat. Elke week opnieuw trokken we vanuit Lebbeke naar Kortrijk, naar Eupen of naar elders ten lande, om daar te proberen de held van het speelveld en van de competitie te worden. Soms lukte dat, maar vaker of meestal ook niet. Dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Een keer werd ik geselecteerd voor de Belgische elite en mocht ik mee op interland naar Ijsland om daar de nationale kleuren te helpen verdedigen. Sportieve afgang heb ik nooit eerder zo hard ervaren als toen, in die met Vikings afgeladen volle sporttempel in Rejkjavik. Mijn brutale hoogmoed werd via alle kanten rond mijn hoofd aan diggelen gegooid. En ik, die dacht dat ik op handbalgebied wat voorstelde. Wist ik veel dat die Gunnarsons en Steffansons en alle andere -sons (elke naam in Ijsland eindigt op -son behalve als je zonder piemel geboren wordt dan eidigt hij op -dottir) die ons die avond mochten vernederen, stuk voor stuk hun centen verdienden in de Bundesliga, toendertijd de betere zoniet de beste handbalcompeitie van Europa en omliggende straten. Hoewel ik tijdens de heenreis nog dacht hoog te kunnen vliegen, ben ik sportief, nooit harder met de voeten op de grond beland dan die avond tussen de handballijnen van dat vulkanisch eiland. Om nederig te worden moest ik blijkbaar eerst de handbalvikings van Ijsland ontmoeten. Ik had het eigenlijk op voorhand moeten weten want, vele jaren tevoren was ik al een keer onzacht met een Deense Viking in aanraking gekomen, al had zij van mijn waardigheid nog iets overgelaten toen ze er met mijn hart van onder gemuisd was. Maar dat is een hele andere hystorie.

Een jaar of zestien zeventien zal ik geweest zijn toen ik dacht te weten hoe het leven in elkaar steekt. Mijn mond was toen vele malen groter dan mijn verstand, maar eigenlijk wist ik van het leven maar zoveel als een koe weet van saffraan eten, niks dus. Onze pa kon dat schoon zeggen, wanneer ik het op school weer eens veel te bont had gemaakt, dan zei hij, ‘zoon ge peinst dat ge het allemaal al weet, maar uwe grote bek begint maar daar waar uw stom verstand eindigt.’ Over mijn hart werd niet gesproken, dus begreep daar ik ook niets van, al kon ik daar niet grootmoedig over doen, want ik had al aan den lijve ondervonden dat ik dat ook heel snel kon kwijtraken, ongeacht de hoeveelheid branie dat ik uit mijn nek kletste. ‘S avonds in mijn bed, met mijn kussen als enige troostend gezelschap, mat mijn één meter drieënnegentig dan vele malen kleiner dan wanneer ik er overdag mee tussen mijn soortgenoten parradeerde die op dezelfde manier probeerden branie te schoppen en te verdoezelen dat ze eigenlijk even onzeker en sukkelachtig waren als ikzelf.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat nederig en bescheiden worden noodzakelijk is om het leven een heel klein beetje te begrijpen want in de tweeënvijftig jaar die ik binnenkort op deze aardkluit loop druk te doen, heeft mij nog nooit iemand op heldere of overtuigende wijze de belangrijkheid van vluchtig succes of van overroepen machtsvertoon kunnen uitleggen. Mijn hart is al een paar keer gelijmd en ik heb nog steeds niet geleerd om kemels te vermijden. Soms probeer ik nog altijd de slimste te spelen ook al versta ik van het leven niet veel tot niks. Nu weet ik pas dat ik het leven nooit helemaal zal kunnen begrijpen, en laat dat nu hetgene zijn wat ik zeker weet. Met al de rest ben ik ook nog bezig, om het te vergeten.

Het juiste eind

Toen ik, net zoals jij, mijn zorgeloze vrije leven voor een lange tijd moest uitstellen naar een verre ondefinieërbare toekomst, werd ook ik door mezelf en door de nieuwe realiteit uit mijn lood geslagen. Een inzinking of depressie wil ik het zeker niet noemen maar wolkenloos was mijn hemel niet. Zo herinner ik me goed dat ik de laatste paar maanden een aantal nachten wakker heb gelegen en de slaap niet kon vatten, omdat onbevattelijke angst telkens terrein bleef winnen op opgebouwd vertrouwen. Naiëf of paniekerig zou ik me normaal gesproken niet gauw noemen, integendeel, ik geloof dat ik van nature eerder met een kritische blik naar de dingen kijk die rondom mij gebeuren dan dat ik ze zomaar voor waar aanneem. Daardoor ben ik ongevraagd, mogelijks genetisch bepaald, ook wel belast met een eindeoos rusteloze ziel. Ik hoef je niet te zeggen dat de onzekere situatie waarin we ons vandaag al een tijdje bevinden, mijn gedachten nog vaker en nog onstuimiger deed ontsporen dan dat ik dat tot dan toe van nature gewend was.

De afgelopen jaren heb ik echter ondervonden dat het voor mij persoonlijk beter is om hier, tijdig mijn volle rugzak uit te kieperen vooraleer hij me te zwaar begint te wegen. Hierdoor heb ik geleerd om op zoek te gaan naar oorzaken, gebeurtenissen of feiten die mijn dagelijks leven verzwaren. Sterker, ik denk dat de mens in het algemeen, meestal geneigd is om die dingen te verklaren, zeker wanneer ze een zware emotionele lading hebben of wanneer ze een grote maatschappelijk impact hebben. Maar misschien mag ik me niet vergelijken met de mens in het algemeen en hoef ik alleen maar voor mezelf te spreken, te schrijven in dit geval.

Ik denk dat wanneer het leven onverwacht moeilijk wordt en wanneer een directe verklaarbare oorzaak ontbreekt of wanneer er onvoldoende betrouwbare achtergrondgegevens voorhanden zijn om de dingen die gebeuren uit te leggen, er ruimte wordt gemaakt voor speculaties en eigen interpretaties die ver weg liggen van de feiten. Door de consensus te ondermijnen ontstaan de wildste hypotheses die gebaseerd zijn op geheimzinnige of fantastische theorieën die beïnvloed worden door persoonlijke overtuigingen van minder kosjere figuren, die er op de een of andere manier voordeel willen uithalen, voor zichzelf of voor het doel dat ze voor ogen hebben. Waarom anders raken mensen opeens overtuigd dat de wereld plat is, dat Hilary Clinton babybloed drinkt of dat 5G of de pharmaindustrie aan de oorzaak ligt van het Coronavirus?

Zei Friedrich Nietzsche niet ooit dat overtuigingen een grotere bedreiging vormen voor de waarheid dan een leugen? En maakt dit legendarische hystorische citaat hem dan niet tot de hevigste complotdenker ooit, omdat ik overtuigd ben dat hij het met die uitspraak bij het juiste eind had?

Tot nooit meer…

Als ik al de stommiteiten die ik ooit gemaakt heb, en als ik al hetgeen wat me in mijn leven ooit te beurt gevallen is, en waarvan ik spijt heb of waarover ik me schaam, daadwerkelijk wilde vergeten, kon ik niet anders dan me alles zo precies mogelijk proberen voor de geest te halen. Ik moest en ik zou trachten om me elk detail zo juist mogelijk proberen te herinneren om niet het risico te lopen dat ik de moeilijkste zaken zou vergeten of dat ik ze zou vergeten te vergeten. Indien ik dat niet zou doen, zouden al die nare ervaringen die ik uit de weg probeerde te gaan of die ik onder de mat probeerde te moffelen, vroeg of laat opnieuw mijn pad kruisen. Ik vroeg me af of ik – om al die zware dingen lichter te maken en om ze een definieve plaats te geven – ze niet beter zou opschrijven, in een soort inventaris van mijn geweten. Ik ben geen masochist en ik wentel me niet graag in zelfbeklag. Ik kan ook niet zeggen dat ik niet vreesde om aan die oude littekens te prutsen, want misschien ging ik ze wel opnieuw open krabben, en ging ik oud verdriet of vergeten gemis op die manier verversen. Maar ik moest, koste wat het kost het lijstje van mijn geweten afvinken, om de openstaande rekeningen uit het verleden af te lossen. Ik denk niet dat ik eraan ontkomen kon, temeer omdat ik in de wekelijkse bijeenkomsten die ik al lang onderhoud, ondervonden heb dat er geen gelukkige toekomst mogelijk is zonder dat er eerst een leesbare of begrijpelijke versie van het verleden gemaakt wordt. Met begrip van mijn geschiedenis versta ik toch gemakkelijker mijn heden, niet? Leuk, was niet aan de orde, maar met een pen, een inktpot en een bereidwillige uitgever zou het me misschien lukken om een streep te trekken onder mijn bezwarend verleden, en zou ik er moed in kunnen vinden om een nieuw pad naar de toekomst te leggen.

Waarom had ik me toch zolang en zo koppig gefocust op ergernissen die buiten mezelf lagen. Waarom zie ik vandaag nog steeds beter de kemels die anderen maken dan diegene die ik zelf schiet? Waarom ergeren zoveel mensen – mezelf incluis – zich toch steeds opnieuw aan het gedrag of aan meningen van andere mensen, en aan mensen die zich op hun beurt dan weer ergeren aan andere mensen en aan andere meningen? Is dat het geval omdat ze eveneens geen vrede hebben kunnen sluiten met het leven dat ze vandaag zelf leiden maar niet de moed, het inzicht of de middelen hebben om het onder ogen te durven zien en om het zelf te veranderen? Zou het kunnen dat er bij hen ook onverwerkte dingen uit het leven in de weg blijven zitten en maar blijven opspelen zodat essentieële keuzes onmogelijk kunnen gemaakt worden? Zit er in onze generatie klagers dan zoveel ongenoegen omdat we voortspruiten uit een generatie babyboomers die zelf in hoogstens twee decennia vanuit een overall in een maatpak groeiden en dat ook van hun kinderen verwachtten. Misschien werden we door hen wel opgevoed met het idee dat het leven als een wedstrijd moet aangegaan worden, als een concurentiestrijd waarin niks mag gemist worden en waarbij de winnaars als belangrijker of voornamer aanzien worden dan verliezers. En misschien gaat dat obsessief streven naar maatschappelijk succes, naar status en materieel aanzien wel ten koste van empathie, verdraagzaamheid en naar harmonie die ons normaal gezien als sociale mens zo kenmerken? Misschien verloren we als maatschappij gewoon de juiste weg die leidt naar contentment en naar verdraagzaamheid, precies op dezelfde manier zoals ik mezelf kwijt raakte in de illusie van mezelf?

Gebeurtenissen uit het verleden zitten vaak op onheispellende plekken verborgen. Als je er naartoe gaat wordt je er met de neus op feiten gedrukt die je liever vermijdt want je ziet jezelf er vaak op een manier die niet zo fraai oogt. Misschien is het beter om die pijnlijke confrontatie gemakshalve uit de weg gaan, want sinds ik de ten laste legging van mezelf uit het verleden onder ogen kwam, staat mijn besluit vast. Ik ga er definitief afstand van nemen om er voor altijd van te scheiden. ‘Vaarwel en tot nooit meer’, zeg ik dan, of tot de volgende keer dat ik me weer helemaal in jou verlies al zal ik dan wel proberen om er jou niet langer meer mee lastig te vallen.

%d bloggers liken dit: