Want je bent het waard.

Een dreigende regenbui dwong me vanmiddag in een te smalle steeg, die nooit straat had mogen genoemd worden, een groezelig estaminet binnen. Aan één van de met rood tafelkleed bedekte tafeltjes, zat een echtpaar. Althans dat had er alle schijn van. De vrouw in kwestie zag er uit zoals de beste remedie tegen de liefde en hij als de beste remedie tegen de rest van het leven. Een echtpaar dus, al lijkt dat ze van dat substantief niet al te dikwijls een werkwoord gemaakt hebben. Op een vreemde manier leken ze zich achter hun bierglazen voor elkaar te verbergen. Om erger te voorkomen.

Ik wou schuilen voor de regen en aan donderwolken had ik geen boodschap dus nam ik plaats op veilige afstand. Ik bestelde koffie en inspecteerde hen met een blik die bij hun hoofden begon en bij de schoenen eindigde. Tot haar oorspronkelijke ronde witte gezicht, had de cosmetische industrie zich ruim toegang weten te verschaffen. Om niet te zeggen dat ze er een aardige duit aan verdiend hebben. De bruine smurrie bladderde af zoals oud gezette verf op versleten rolluiken. Wanneer ze grijnsde blonk op de tweede rij van haar eetkamer  een gouden kies en haar kneuterig, geforceerde glimlach trok een fijne streep die haar gezicht helemaal een akelige uitdrukking gaf. Van hem ging ook een treurige onbeholpenheid uit. Alles aan zijn lichaam leek breekbaar, zelfs zijn grijs fluitjeshaar. Het vale, gele vel verraadde dat zijn lever het fel te verduren had. Hij zag er eigenlijk helemaal grauw en uitgeteerd uit maar zijn boven zijn bittere mond waarvan de uithoeken naar beneden hingen, prijkte een dun getrimd, grijs, Clark-Gable-snorretje. Een onbenullige versiering welke zijn matte gelaatsuitdrukking maar nauwelijks kon opvrolijken.

Zij wierp hem een blik van gewapend beton toe. Hij was compleet in zichzelf terug geplooid. Spreken deed hij niet. Hij opteerde er veilig voor om te zwijgen. Niet dat argumenteren überhaupt zin zou hebben gehad want het leek alsof zij de toegang tot haar hart en ziel had gebarricadeerd met vooroordelen en misvattingen. Het zwijgen tussen het tweetal droeg onmiskenbaar een zekere spanning mee die kon gesneden worden maar ze ondernamen helemaal niets om die geladenheid in de verf te zetten of om die te verminderen. Toch voelde ik intuïtief dat de atmosfeer tussen de twee gedupeerden explosieve stoffen bevatte. Het volgende tafereel was onvoorspelbaar. Het zou zo maar kunnen dat ze elkaar plots gingen bestoken met hele lelijke woorden om te diep kwetsen. Of dat ze elkaar in het haar zouden vliegen om elkaar zo die genadeslag te geven waarop ze al een tijdje lijken te wachten. Waarover zouden ze ruzie hebben? Of zou dit het waardeloze residu zijn van een spannend leven dat ze ooit met elkaar deelden maar dat het omwille van onopgeloste woordenwisselingen en onuitgesproken frustratie geworden was?

Misschien zal ik straks, wanneer ik thuis kom maar proberen een beetje ijs te breken en zal ik misschien een scheut water in de wijn doen zodat ik kan uit vissen waarom die mol in de tuin ons al vier dagen het zwijgen oplegt. Want voor ik het goed en wel in de gaten heb, zit ik straks ook opgescheept met permanente radiostilte of erger met een kleurrijk cosmeticafiasco.

Ook al is ze het waard!

Uitgesteld relais

Dit is een kerstkaart met heel veel vertraging en een nieuwjaarswens met maar een klein beetje retard.

Ten eerste heel erg bedankt dat je hier in mijn postclubje zit en dat je af en toe een verhaaltje oppikt. Het is telkens leuk om te ervaren dat een paar kromme woorden of een koppel scheve gedachten tot een frons of een glimlach kunnen leiden. Daar fleur ik helemaal van op. Noem het maar ijdelheid of snobisme. Doe gerust, ik zeg dat daar ook tegen!

Het is misschienwat ‘old school’ om een nieuwjaarsbrief te sturen maar ik houd ervan om het opdeze manier en persoonlijk te doen dan lees je het als je er de tijd voor hebt,of niet als je het niet wil.

Een nieuwjaarsbriefzou bij voorkeur een terugblik op het afgelopen jaar moeten bevatten en diekomt er ook maar eerst wil ik al zeggen dat ik het nog altijd graag doe en datik er nog even mee doorga.  Ik wil zolang mijn wekelijkse portie zin en onzin uit mijn inktpot blijven schudden, totik er geen goesting meer in heb. Tot de lichtheid van mijn bestaan zo zwaar zalbeginnen doorwegen dat ik er geen woorden meer wil aan verspillen. Maar zo verben ik nog niet. Dat zal nog niet voor morgen zijn. Niet vooraleer ik dekelders en de zolders van mijn brein heb leeg gehaald en ze hier heb uitgeschud.Als de wind goed zit, of als de zomer en het mooie weer samenvalt zit ermogelijks zelfs een tweede boek in. Als de sterren juist staan. Ik kijk er al naaruit.

Dat brengt me naadloos tot 2018. Om er een paar tellen bij stil te staan en er even op terug te kijken. 2018 heeft me verbaasd. Nadat ik onze pa verloor en daarmee een stukje van mezelf, kwam ik er ongevraagd achter dat je het leven niet kan berekenen. Emoties zijn niet te controleren of te beheersen, anders heetten ze fysica of chemie en ik ben geen wetenschapper. Eerder een troubadour of zo, of een verhalenboer van vertelsels waar niemand zit op te wachten. Het duurde even voor rouw en treurnis baan kon ruimen voor herinneringen. Sterke herinneringen en scherpe beelden die me opnieuw deden glimlachen. Ik schreef er al over. Je weet het al.

Ik ben hetblijven doen, hoe ik me ook voelde. En met schrijven verdween het gepieker. Ikheb niet veel nodig om me te ergeren aan de wereld. Ik kwam er achter dat doordie ergernis, ik me nog meer ging martelen. Ik ging inzien dat ongenoegen eenperfecte voedingsbodem is voor nog meer wervel en ander misnoegen. Ergenshalverwege ben ik er mee gestopt. Ik heb me afgezonderd van het onheil. Het heeftmij deugd gedaan. Ik kwam tot inzicht dat ik ongelooflijk veel geluk heb en dathet voor het oprapen ligt, vlak voor mijn voeten, als ik maar de moeite neem omhet te zien liggen. Mijn vrouw, mijn kinderen, mijn huis en mijn zetel waar ikhet liefst van al languit in lig. En dan ben ik soms beschaamd dat ik hetaandurf om neerslachtig te zijn.

In januari mochtik op you tube getuigen hoe het voelt om weer baas te zijn, over het leven datik leid en over duivels die ik bezweer. Meer dan negenduizend mensen luisterdennaar wat ik te vertellen had. Tot dan wist ik niet eens dat ik iets tevertellen had. Het zou een vreemd jaar worden.

In februari wasik in Leuven in café de l’ industrie. Het was een uitzonderlijke ervaring om daarte vernemen dat twee wildvreemde mensen die toevallig een uitgeverij draaiendehouden een boek wilden drukken, over dingen die ik geschreven had. Toen ik dat kladboekvoor de eerste keer kon vastnemen was ik tegelijk fier als een weekluis enbevreesd als een wezel. Er moest nog geschrapt en verbeterd worden enbijgeschreven. Ik kwam er achter dat een boek als een kind is dat zijn eigenweg gaat.  Dat het nooit af is maar dat hetgoed genoeg bevonden was en dat een punt of komma meer of minder, het nietbeter of slechter zou maken.

In juni mocht iker over praten. Bij de introductie kreeg ik al wat vegen uit de pan van MarcHenderickx, die het niet kon laten intieme details van mijn jeugd teontluisteren. Net na de voorstelling, waar Roos Van Acker me uit het slijk hadgetrokken, zodat ik niet wegzonk, vroeg een journalist me hoe het boek totstand gekomen was. Door het slijk dat nog aan mijn hemd kleefde voelde ik meeen uitgeputte veldrijder die alleen maar kon prevelen: ‘Omdat ik goei benenhad.’

In 2018 is erheel wat gebeurd. Op de boekenbeurs en op signeersessies leerde ik naast kookboekschrijversook vele andere auteurs kennen, van straffe boeken en van nog moedigereverhalen. Dat blijken dezelfde mensen te zijn zoals u en ik. Mensen metdezelfde droom en met dezelfde angsten en zenuwen. Met dezelfde vragen en twijfelsen met dezelfde geveinsde zelfzekerheid. Maar met dat verschil dat ze allemaalde schaamte en de vrees overwonnen, om drempels te nemen. Om hun waarheid tevertellen en er in eigen taal voor uit te komen. Om in sierlijke woorden tevertellen wat zij er van vinden zonder zich te laten beïnvloeden door wat degrote massa wil of denkt.

Met jegoedvinden wil ik dat in 2019 ook nog doen. Als je dat ok vindt tenminste en als je het niet leuk vindt, ga ik er geenslaap voor laten. Dat doe ik alleen om eigenwijze verhaaltjes te verzinnen. Endan hoop ik dat je curieus geworden bent naar wat er in 2019 in dat tweedeboekje zal staan.

Topjaar

Het is 29 december 2018. Op de analoge wereldklok van mijn gsm verspringt de secondewijzer precies om 6 uur 19, van 23 naar 24. Hoewel ik me volgens de gps coördinaten van mij Smart Phone, in de grootheide 28 te Bornem bevind, verklapt datzelfde toestel me ongevraagd dat het in Temse (dat 5km verwijderd is van de plaats waar ik me bevind) plus vier graden is. Dat de luchtvochtigheid er 95% is, dat wind er aan 19 km per uur blaast en dat de atmosferische luchtdruk er 1034,2 hectopascal bedraagt. Dit is 49.6 punten lager dan in Bornem waar de luchtdruk 984, 6 hectopascal is. Ik wijt dat verschil aan het Scheldewater dat tussen de twee meetpunten stroomt.  

Op dat zelfde moment zit een zeldzame mug, die de eerste vrieskou overleefde, op de wreef van de voet van mijn dochter. Ze prikt haar puntige snuit in het jonge vel en zuigt zich helemaal vol bloed tot ze voldaan is. De mug zuigt zo gulzig dat het lichaamsgewicht van het insect met 80% is toegenomen en de vluchtsnelheid met 50% is afgenomen. Onder andere daardoor zal straks van die muskiet niets meer overblijven dan een rode vlek. Wanneer mijn dochter haar met de handpalm genadeloos plat zal slaan tegen de wit gelakte kleerkast. Uit wraak voor die irritant jeukende bobbel op haar voet. Vermijden dat de mug steekt, gaat niet omdat mijn dochter op het steekmoment nog slaapt en een nachtmerrie heeft over haar eerste veranderingen die eveneens een rood vlekje zullen achter laten in haar nieuwe slaapshortje. Het ene bloedbad is het andere niet.

Tegelijkertijd is mijn vrouw, die zich snurkend twee verdiepingen hoger bevindt, bomen aan het omzagen. Over exact 40 minuten en 36 seconden zal ze daar abrupt mee stoppen en zal ze het dekbed over haar hoofd trekken. Niet om zich af te weren voor die zoemende mug want die zal op dat moment, door het bloed van mijn dochter, te veel wegen om de afstand tussen de twee verdiepingen te kunnen overbruggen. Maar wel voor de wekker die nog op alarmstand staat en hels lawaai zal maken. Ze zal te slaapdronken zijn om de off-knop te vinden en zal daarom de wekker op de vloer gooien. Hierdoor zullen de batterijen uit de wekker floepen en zal het irritant gejengel even abrupt ophouden als dat het begonnen is. Het slechte humeur zal zich de hele dag laten voelen en zal dompers zetten op normale vreugde. Maar eerst zal ze me geïrriteerd vragen waarom ik in hemelsnaam een alarm gezet heb op een zaterdagmorgen.

Al deze taferelen en de gevolgen ervan zullen plaats hebben over precies 8 minuten en 32 seconden.

Ik lig op de sofa en van achter mijn laptop kijk naar de mistige vochtigheid buiten. Het is al een hele poos geleden dat ik nog zo lang naar een wit blad gestaard heb. Ik maak koffie en scheur het derde laatste blaadje van de kalender.

‘Draait de kat haar rug naar het vuur, komt daar sneeuw van op den duur.’ Ik lees de achterkant van negenentwintig december en bedenk: ‘Wat moet ik daar nu mee? Ik heb geen vuur en geen kat.’  Daarom ga ik naar beneden. Naar de kamer van mijn dochter, om de mug die nog niet gestoken heeft, plat te meppen.  Aangezien al het bloed nog in de aders van mijn dochter zit, laat dit geweld geen bloedsporen achter op de wit gelakte kast.

Een aantal ogenblikken later en nadat ik het alarm van de wekker heb afgezet begin ik de voordelen te zien om door het leven te gaan als superman. Ik heb er vandaag al zeker één en mogelijks meer bloedbaden mee kunnen voorkomen maar al zeker heel wat andere persoonlijke ellende.

2018 wordt toch nog een topjaar!

Vlezige oorlellen en grote oren

Het was een doodgewone bruine kroeg die je vroeger in elk dorp vond. Er hing een intieme sfeer van huiselijke gezelligheid en geborgenheid die je alleen in zulke cafés aantreft. Het doorleefde karakter van dat staminee was authentiek en daarom niet na te bootsen. De verweerde spiegels en de zwart wit, vergeelde foto’s in de houten bruine omlijstingen deed vermoeden dat de krocht vroeger ook nog dienst had gedaan als coiffeurszaak.

Tegenover een groep mannen aan de toog die luidruchtig praatten, zat een ongewoon koppel. De man, hooguit een paar jaren ouder dan ikzelf, had het muffe uiterlijk van iemand die zich in een bureau van het plaatselijke postkantoor helemaal in zijn element zou voelen. De dame die in zijn gezelschap vertoefde, was fris en fruitig. Hoewel het behaaglijk, zelfs iets te warm was, stonden twee kippen met de bek door de draad naar mij te staren. Waarom de dame in kwestie, onder die witte bloes geen bh droeg en waarom me dat opviel is vreemd maar niet geheel onlogisch omdat belangrijke details mij nu eenmaal altijd onmiddellijk in het oog springen. Net zoals de subtiele tekening van jing en jang die op haar pols, in permanente inkt was gekerfd, me ook direct was opgevallen.

Hij (de man dus), had helemaal niets weg van George Clooney of van Harrison Ford en die vergelijking was een onderschatting. Zijn hoofd was veel te groot voor het kleine gezicht dat hij maar had. Het was een vreemde snijboon. Door het zware hoofd leek zijn nek te lang voor de karakterkop die hij ermee moest torsten maar het waren vooral zijn grote oorlellen die opvielen. Ze waren donzig en vlezig en er groeide dikke grijze haren op. “Eens er haar uit neus en oren groeit, is het vet van de soep”, taxeerde ik de zonderling zonder een verder aanwijsbare reden, die mijn minzaamheid zou kunnen verantwoorden. Op zijn paarse aardappelneus, die rood dooraderd was balanceerde een vierkant brilletje met beduimelde glazen. De trenchcoat die hij droeg, zat vol met vlekken en ingebrande sigarettengaten. Toch hing de jonge vrouw, van hooguit dertig vol bewondering, haast gebiologeerd aan zijn lippen, alsof hij haar de mooiste woorden toe fluisterde.

Zonder aarzelen nam ik curieus plaats naast het vreemde stel. Ik was op gehoorafstand gezeten zodat ik weldra, nieuwsgierig zou kunnen achterhalen wat de snuiter allemaal te vertellen had en vooral waarom de liefelijke verschijning al haar aandacht er aan opofferde.

Ik werd bediend met koffie. Of wat er moest voor doorgaan. De bak troost werd door een dame met witte schort helemaal naar de verdoemenis geholpen omdat het zwarte sap dat door de espressomachine aan de gemalen koffieboon ontwrongen was, aangelengd werd met veel te veel water. Water dat dan nog te heet was, waardoor de natuurlijke bitterheid van de boon helemaal verbrand werd. Mijn voorkeur gaat eerder uit naar ‘slow coffee’ die traag doorsijpelt in een filterzakje waardoor alle aroma’s en smaken zich op het juiste tempo vrijgeven zodat de bittere zuurte in alle schakeringen kan geproefd worden. Al dan niet met wat zoetigheid. De harde botertruffel met chocoladeschilfers die bij de zwarte leute bij geserveerd werd, compenseerde gelukkig wel ruimschoots de slapte van het brouwsel.

‘Hoe krijgt hij dat toch voor elkaar?’, dacht ik met ingehouden, niet-gespeelde jaloezie, absoluut niet wetend waarover hun conversatie ging of wat hun onderlinge relatie was.

Na drie te slappe koffies en drie te harde schilfertruffels, kwam ik erachter dat de man buiten een academische ‘ik begrijp het en hoe voel je je daarbij of hoe ben je daar dan mee omgegaan’, helemaal niets te vertellen had. Met zijn veel te grote oren deed hij niets meer maar ook niets minder dan alleen maar luisteren. Naar dramatische, in trieste verhalen van een jonge dame die al veel te veel had mee gemaakt voor de jaren die nog maar op haar teller stonden.

Toen ze even later de deur van de kroeg achter zich hadden dichtgetrokken en elk hun eigen weg gingen dacht ik. Het is helemaal niet door sterke verhalen te vertellen of straf uit te pakken met goed bedoeld slecht advies dat je eerlijke aandacht krijgt. Die krijg je volgens mij alleen maar door er gewoon oprecht geïnteresseerd naar te luisteren. Naar hoe ze ontstaan zijn en naar wat ze aangericht hebben.

Ik bestel nog een vierde koffie en besluit ook nog maar wat verder te zwijgen. Misschien mag ik dan straks ook luisteren naar een innemend verhaal zodat ik ook kan vragen hoe je daar dan mee bent om gegaan. Misschien koop ik ook nog wel eens een oude trenchcoat met vlekken en met ingebrande sigarettengaten. Wanneer er grijze haren uit mijn neus en oren groeien.


Levensmuseum

Niemand, geen enkele van al de mensen die ik vandaag tegen het lijf botste, was jij. Gisteren niet, de dag tevoren niet, en al evenmin, al die andere dagen van het afgelopen jaar. Ik moest daar aan wennen, aan die glazige afwezigheid. Al heb ik soms heel hard gevoeld dat je er op een onbegrijpelijke manier toch was. Alsof je van dichtbij, vanuit de massa of van over een vreemde schouder mee keek. Het was precies of je me ongemerkt volgde, met die veel betekenende, tandeloze glimlach van jou. Met die goedhartige grijns die tweedracht kon ontwapenen. Op andere momenten dan weer, keek je met die bekende afkeurende frons, om me even stil te laten staan, bij wat voor nonsens ik uit mijn botten aan het slaan was.

Vroeger kon ik die dingen eerst met jou afstemmen om op die manier de grootste levensblunders te vermijden. Op die momenten werd het ene woord al wel eens luider uitgesproken dan het andere, want we konden het soms heel hard met elkaar oneens zijn. We konden elkaar dan zo uitdagen met een tegenstrijdige ziens wijze dat er ‘kattekesspel’ van kwam. Jij provoceerde mij dan of ik jou, afhankelijk van wie met zijn mening het dichtste bij de waarheid zat. Dit jaar bleef het stil. Muisstil. Het hele jaar lang.

Hoewel ik je dat eerbetoon graag gegeven had, kon ik niet voorlezen op je zwanenzang. Omdat het verdriet te groot was en omdat in een open wonde geen zout moet gestrooid worden. Ik heb het mezelf ondertussen vergeven, al blijft dat moment van zwakte soms wel knagen. Ik had op dat moment best wat meer haar om mijn tanden mogen hebben. Jij had het vast wel gekund met je stoïcijnse kalmte. Ik ben daar zeker van.

De laatste maanden was je er niet meer helemaal bij. Je dwaalde door de breedtegraden van de tijd en haalde dan al de dingen door elkaar. Je kaars is heel langzaam uitgedoofd, om zo lang mogelijk licht en warmte te geven, denk ik.

Ik had nooit kunnen vermoeden, dat nadat jij je aftocht had geblazen, er ook een stukje van mij zou doodgaan. Ik ben me daar na een jaar stilte, heel pijnlijk van bewust. Plots en zonder waarschuwing was ik mijn klankbord kwijt. Het reflectiebord dat me altijd bevestigde of me met overtuigende argumenten tot andere gedachten kon brengen en dat is een gemis waar ik moeilijk aan gewend raak.

‘Zoon, ainsi va la vie!’, zou jij nu zeker gezegd hebben. En dat op voorhand weten, voelt vertrouwd. Het brengt rust en aanvaarding want met die gedachte ben ik overtuigd en gerust dat ik heel goed weet hoe jou klok tikte en ik je helemaal door had.

Alle herinneringen zijn dicht bij mij opgeborgen in een souvenirkistje waarvan ik alleen de sleutel bezit. Het is een soort levensmuseum van grote emoties, geschilderde beelden, onuitgegeven manuscripten en gevatte uitspraken.Ze zitten allemaal achter slot en grendel bewaard. Tot ze hier mogen ontsnappen, in uitspraken die die jouwe hadden kunnen zijn. Om op die manier voor altijd verder te blijven klinken in stomme verhaaltjes die er niet toe doen.


%d bloggers liken dit: