Arrogante desillusie…

Zo een stoere rebel ben ik, dat het enige Witte Huis dat ik deze week bestormde, een bouwvallig luchtkasteel bleek te zijn dat ik in mijn hoofd had opgetrokken. In tegenstelling tot de gewelddadige Amerikaanse beeldenstorm bestond mijn ingebeelde reis van deze week alleen maar uit ongevaarlijke gedachtensprongetjes in min of meer aangenaam gezelschap.  Nu mijn trektocht achter de rug is realiseer ik me weer dat mijn tijd kort wordt en ik me beter een beetje zou haasten om ervoor te zorgen dat ik ooit bereik waarvoor ik hier ben. Hoewel die druk soms dwingend kan zijn, laat ik me door niemand opjagen. Ik ben mijn eigen baas. Hij, en hij alleen zal me ten gepasten tijde laten weten wanneer ik eraan moet beginnen en in het slechtste geval kom ik er wel achter wanneer de omstandigheden me ertoe dwingen.

Ik blijf geduldig want mijn leven is toch maar een eindeloze speurtocht met als speelveld een ongekend terrein waarop ik probeer te achterhalen hoeveel ik ertoe doe, en hoeveel niet. De enige hulp die ik daarbij heb, is een onleesbare kaart waarop wegen en kruispunten kriskras door elkaar lopen. Om de juiste bestemming te zoeken of om de afmetingen en de grenzen van mezelf te vinden, kan ik me enkel baseren op een onbegrijpelijke legende die me tegenstrijdige instructies toont. Hoe langer mijn ontdekkingsreis duurt, hoe vaker ik tot de vaststelling kom dat mijn queeste misschien alleen maar als doel heeft, dingen te vinden die ik niet bezit maar waarvan ik wenste dat ik ze had, en dingen kwijt wil waarvan ik eigenaar ben maar wenste dat ik ze niet had. Maar dingen zijn onbelangrijk, schoonheid daarentegen… Piekeren over streven naar het onbereikbare doet me er met open mond naar gapen, tot ik helemaal ondersteboven hang en tot mijn hart op dit papier uit mijn mond valt. Inzicht in mezelf en kennis van hoe ik in elkaar zit en is één ding maar wanneer je er teveel van hebt wordt het soms iets om bang van te zijn.

Nu ik herlees wat ik hier neergeschreven heb, kom ik tot de conclusie dat ik veel goed klinkende woorden bezit maar over veel te weinig daadkrachtige acties beschik die ermee overeenstemmen. Misschien is mijn leven gewoon maar wat prutserij dat ontstaat uit woorden die mijn bestaan interessanter proberen voor te stellen dan het in werkelijkheid is en wordt de zinloosheid ervan maar gemeten aan het aantal tegenstrijdige woorden dat ik erover op papier kan zetten. Laat dat nu zijn wat ik tegenwoordig nog doe, ik pieker, maak koffie en bezwijk aan suïcidaal nihilisme dat ik neerschrijf.

Mogelijks wil ik gewoon dat iedereen mij leuk vindt en zelfs dat idee op zich is een arrogante gedachte. Met die aanmatigende desillusie ben ik ooit al eens bijna aan mijn einde gekomen, vorige week nog, toen ik aan deze zoektocht begon.

Legaal-digitale maffia.

Terwijl polen smelten, bossen verschrompelen en lucht met de dag smeriger wordt, zitten supergeeks, die geilen op The Internet of Things, zich intellectueel te masturberen op nieuwe apps en toepassingen. In de cloud rukken deze nerds zich wild af op nieuwe, nutteloze, big-money gimmicks waarop niemand zit te wachten. Zo bedenken en ontwikkelen ze subtiel-onzichtbare, digitale enkelbanden die onze privacy te grabbel gooien voor moderne legale maffiosi die er gratis misbruik van kunnen maken. Terwijl wetgevers en psychologen digitale detox prediken en wetten proberen te bedenken om ons van een beetje privacy en life-balans te verzekeren, freewheelen zij zich suf over virtuele, intelligente systemen die automatisch communiceren met nog intelligentere digitale netwerken, zodat iedereen dom en verweesd achterblijft met een bewegingsvrijheid die zo beperkt is tot het pad dat door algoritmes voor ons werd uitgestippeld. Iedereen vreet naarstig mee uit de facebook- instagram- en twittertrog zoals varkens dat doen uit de voerbak van waaruit ze vetgemest worden. We denken er zelfs geen seconde meer over na en schoffelen ons gulzig vol met het voorgekauwde pulp dat voor ons selectief werd uitgezocht, en doen dat net zolang tot we ons zelfvoldaan met likes en hartjes geprezen, de mooiste van het land wanen.

Verstand en intelligentie. Ik ben er te matig mee bedeeld. “De slechtste van de klas” werd wel eens gezegd. Het zal wel. Maar de bollebozen van toen denken er niets van. Zij lachen me opnieuw uit, nu als doemdenkende filosoof die zich als een Neanderthaler terugtrekt in zijn persoonlijke grot van Altamira. Voor hen ben ik een fossiel die de moderne wereld niet begrijpt en niet kan bevatten. Volgens hen snap ik niets van de nieuwe, snelle wereld niet waarin het privéleven zich afspeelt op het internet, op de snelweg van het leven waar privacy en persoonlijke keuzes “veilig” bewaard worden in de cloud.

In deze horrorwereld zullen vroegere onschuldig en onschadelijk ogende apparaten zoals tandenborstels, tv’s, thermostaten, koelkasten, matrassen, vibrators, diepvriezers, wc-papierhouders die overal in ons huis aanwezig zijn, ons beloeren en ons bespioneren. Ze zullen er voor zorgen dat onze persoonlijkste en intiemste gegevens naar de cloud zullen worden getransfereerd, naar het veilige internet van de dingen of naar Evelien van de pornoclub. Wanneer ik in die virtuele wereld van morgen dan een koortsthermometer onder mijn oksel steek of hem rectaal inbreng bij mijn 3 maand oude jammerende baby, of wanneer ik mijn tanden een wittere tint geef met mijn elektronische tandenborstel, zal ik via usb-poorten van de lichaamsopeningen informatie doorgeven naar mijn veilige cloud, zodat wanneer ik me aanmeld bij mijn volgende internetsessie het digitale winkelmandje al op voorhand gevuld zal zijn met glutenvrije koekjes, luierzalf, driedubbel-lagig toiletpapier en zeep voor de intiemste hygiëne. Mijn tandarts zal me automatisch whatsappen om me te laten weten dat ik bij mijn volgende virtuele controle de volle pot zal moeten betalen, omdat ik het afgelopen jaar, gemiddeld genomen mijn tanden maar 2 keer gepoetst heb in plaats van 3 keer zoals mijn tandverzekeringspolis het me het had voorgeschreven. Via mijn sociale mediafeeds en de algoritmes die er achter draaien zal ik enkel nog die informatie aangeboden krijgen waarvan ik blij word omdat ik van de booschappen waarvan ik kwaad werd of waar ik het oneens mee was, de vorige keer was weggezapt. Door dat mechanisme krijg ik los van kunstmatige zelfbevestiging enkel nog toegang tot nieuws dat op mijn maat gefilterd werd en dat overeenstemt met mijn overtuiging en interesses, waardoor, ik onmogelijk kan begrijpen dat jij door diezelfde algoritmes bevestigd en met evenveel hartjes en likes geprezen, ook als mooiste van het land werd uitgezocht.

Gelukkig ben ik maar een cynische doemdenker en heb ik geen rectale koortsthermometer. Ik lach met mezelf, zet mijn newsfeed op stil, sla een bladzijde om van een boekje dat vanmorgen in de brievenbus viel en ik lees de kop van het eerste artikel. There is no bigger high than discovery… Het zal wel.

Slijmspoor!

Al datgene wat in het verleden gebeurd is, is noodzakelijk geweest om mezelf opnieuw uit te kunnen vinden. Door mezelf te nemen zoals ik ben, door mezelf mijn mislukkingen te pardonneren en door te hopen dat ik ze voortaan zal vermijden, gun ik me de vrijheid of de illusie van de vrijheid om te denken dat mijn leven nog maakbaar is. Ik boetseer mijn heden met mijn verleden en tracht er de toekomst vorm mee te geven. Zoekend naar het onvindbare, krijgt mijn leven op die manier iets blijvend-voorlopig of iets tijdelijk-permanent en blijft het op een vreemde, chaotische manier overzichtelijke spannend of interessant saai.

Ik weet niet hoe het anders te verwoorden. Aangezien ik het niet kan uitleggen schrijf ik het maar op, niet goed wetend of ik jou er mee lastig val of niet. Met rafels van gedachten en met geabsorbeerde indrukken die ik altijd en overal opdoe, ontstaan uit het niets echte of fictieve fabeltjes waar ik de personages nog niet van ken en waar het einde nog niet van verzonnen is. In elke zin die ik neerschrijf is elk woord ervan maar een zucht die net zo goed de laatste kan zijn.  Hopelijk is dat nog niet voor onmiddellijk en kan ik nog even wachten om mijn laatste woord uit te zuchten. Lig er niet wakker van, ik doe het ook niet.

Toen ik vanmorgen wakker werd, dacht ik, mocht ik op dit ogenblik op de scene staan en het rode doek zou openschuiven, zou ik roepen, ‘laat de opera maar beginnen’. Maar ik sta niet in het La Scala van Milaan. Ik ben maar een simpele toeschouwer, een omstander van mensen die ik hoogstens een beetje langs de buitenkant ken. Hun binnenkant en hoe ik graag zou willen dat die is, moet ik erbij fantaseren. Telkens opnieuw moet ik mijn gedachten bevolken met gefingeerde mensen en ze tot leven brengen met gefantaseerde verlangens en emoties, met mezelf als hoofdvertolker van het nutteloze.

Nu ik mijn gedachten probeer te ordenen, weet ik het zeker. Wij zijn tegenpolen.  Ik bekijk de dingen tegenovergesteld of omgekeerd dan hoe jij het doet.  Ik ‘beschouw’ met een ontspoorde fantasie en jij ‘analyseert’ met nuchter realisme. Zo leven we naast elkaar in verzonnen werelden, elk als figurant van onze eigen biografie. We dromen het leven, jij als realist en ik als romantische fantast die in sprookjes gelooft, elk met onze eigen illusie als achtergrond. De mijne ontneem ik mezelf wanneer ik tot besef kom dat ik helemaal niet nodig ben om de dingen te laten bestaan. Als ik weg zou zijn blijft alles net eender, en dat is gezien met wat ik allemaal op mijn kerfstok heb maar goed ook.

Laat me dus maar dromen, laat mij me mijn eigen gang maar gaan, ook al is het met een slakkengang, want een slak is nog nooit uit de bocht gevlogen. Hopelijk val jij niet over mijn slijmspoor!

Misschien kom ik je tegen.

Toen ik de boekenhandel binnenstapte en ik al die titels en auteurs in de rekken zag pronken, vroeg ik me af waarom ik de innerlijke drang maar niet kon weerstaan om me met hen te meten. Alles is toch al gezegd en alles is al eens geschreven, in mooiere zinnen die ik ooit zou kunnen bedenken. Wat doet mijn interpretatie van de feiten, die dat vaak niet eens zijn, er dan toe?

Misschien is schrijven voor mij alleen maar een aangename manier om het leven maximaal te negeren, want geef toe, een doorsnee mensenleven is toch te kort om er een blijvende rol van betekenis in te spelen. Waarom zou ik mijn tijd dan nog verschijten met niemendallen op te schrijven in woord-geknutsel waar niemand wakker van ligt? Als er niks waardevols te vertellen is, moet ik toch niet proberen de woorden die ik gevonden heb, in graniet te beitelen? Dat heeft toch geen zin? Dat is toch een bezigheid die uitsluitend voor echte woordacrobaten is weggelegd, voor koorddansers die erin slagen om in woord en beeld het vergankelijke onvergankelijk te maken.

Waarom ik die laatste gedachte om elf uur s ’ochtends, tussen de boeken aanboorde, weet niemand. Waarschijnlijk omdat ik een eeuwige twijfelaar ben die naar een strohalm reikte om aan zichzelf zijn onbenullige gedachten uit te leggen. En met die laatste reflectie voelde ik me zelfs te klein om in het café, dat zich naast de boekshop bevond, koffie te drinken. Niet dat dat ik geen zin had in koffie, want ik heb altijd zin in koffie. Ik had alleen geen zin in mensen en in hun verhalen. Ik was bang dat ik er niet lang door geboeid zou blijven.

Tien minuten later sijpelde het zwart sap, dat aan een handvol betere koffiebonen onttrokken was, langzaam uit mijn super-de-luxe DeLonghi Dinamica, en toverde een crèmige, beige kraag in mijn tas. De cafeïne die door mijn aderen stroomde deed mijn dwingende traagheid vervagen, zodat ik voor een tweede keer, tijdens die jonge dag, verstrikt raakte in onafwendbare barrières die mijn gedachten hadden opgeworpen.

Zijn mensen dan niet altijd op zoek naar verhalen, vroeg ik me af? Zou het leven niet helemaal zinloos worden zonder? Neem nu een relatie, en ik bedoel dan een liefdesverhaal. Dat gaat toch over oorzaken die langzaam gevolgen worden in een aaneenschakeling van toevalligheden. Een romance, of ze nu lang duurt of kortstondig is, gaat toch altijd over een samenloop van omstandigheden die leiden tot nieuwe gebeurtenissen, die aan elkaar geregen worden met stomende seks en met vlammende ambras? Sommige koppels hebben geen verhalen meer en zijn helemaal uitverteld, waardoor van stomende seks niets meer in huis komt en er enkel nog vlammende ambras overblijft, of oorverdovende stilte. Dat is even goed mogelijk.

De enige bedenking die ik maak waardoor het allemaal wat moeilijker ligt, is dat het leven niet altijd een spannende verhaallijn heeft, laat staan een interessant plot op de allerlaatste bladzijde. De enige zekerheid die het leven biedt, is dat het ooit een einde neemt. Het maakt niets uit of dat leven nu spannend of kleurloos is geweest. En dat op zich is een hele geruststelling want dat inzicht maakt dat ik me alleen over vandaag hoef te bekommeren en niet op zoek moet naar spannende zaken. Ik neem dan ook vastberaden en weloverwogen het besluit om vandaag niets te doen en laat dat nu net zijn wat ik het liefste doe. Nietsdoen en rondlummelen in de onbekende straten van mijn gedachten, waarin de stappen die ik zet, alle richting en vaart mogen missen zodat mijn zintuigen de details kunnen absorberen die normaal aan mij voorbijgaan. Snelheid is in mijn nieuwe leven eerder uitzondering dan regel geworden. Op stap gaan, met een lege portefeuille vol herinneringen en het leven mogen torsen in al zijn lichtheid, weegt al meer dan zwaar genoeg zonder dat haastig gedoe. Met vijf euro, een half pakje peuken, een zak vol nieuwsgierigheid en een vulpen, zodat ik het leven nog lang op een aangename manier kan blijven negeren. Misschien kom ik jou er wel in tegen.

Jeugdige Onschuld.

Ik schrijf dit omdat ik niet vergeten wil worden. Wie dit zal lezen, weet ik niet, maar dat is niet belangrijk. Misschien wordt het dat maar pas wanneer dit manuscript ooit opgevist wordt uit een gammele kist op zolder, of uit een oude kast van een muffe kelder. Misschien krijgt, dat wat hier geschreven staat, dan pas de betekenis die ik eraan heb willen geven. Misschien krijgt het dan pas enige waarde, wanneer jij met je ogen door mijn gedachten bladert, en er dezelfde ondefinieerbare twijfel in voelt die nog alle dagen door mijn ziel woedt. Ik ben Jan, zoon van Jef de gereedschapsdraaier en van Carola de ruziemaker. Dit is de ingekookte versie van het verhaal van een praatjesmaker van tweeënvijftig die door het leven bedeeld werd met een onverwoestbaar ego, een vuil blad en met een uiterst breekbaar hart. Het gaat over het vergeten verleden van duizenden figuranten die erin passeerden en die net zoals ik slachtoffer werden van domme onwetendheid of van nog dommere hoogmoed en misschien net daardoor goed terecht kwamen. Toch raken ze net zoals ikzelf stilaan op de achtergrond en door de tijd vergeten. Ik ben Jan en koos mezelf als hoofdpersonage, omdat hij de enige is die overblijft wiens gedachten en emoties ik nog een beetje vertrouw. Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een argeloos verleden, dat met elke dag die voorbijgaat terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst. Wat hier neergeschreven is, is een levende getuigenis van een half leven dat even zinvol als zinloos voorbijvloog en waar niet veel meer van overblijft dan de tijd die verdwenen is.

…”Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een argeloos verleden, dat met elke dag die voorbijgaat terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst.”…

In de zomer van negentienzesentachtig baadde dit vlakke land zoals elke zomer van de jaren tachtig in een koel waterzonnetje. Het grootste gedeelte van dat jaar heb ik me beziggehouden met zeventien te zijn, een activiteit die niet veel meer om het lijf had, dan puisten uitknijpen en stumperige pogingen ondernemen om me interessanter voor te doen dan ik was. Met de overschot van de dag deed ik vruchteloos pogingen om mijn veel te slungelige lijf op te vullen met een ego dat ik nog niet bezat, om het dan wat later op mijn kamer opnieuw leeg te snokken bij een poster van Samantha Fox. Omdat de zomer van zesentachtig typisch Belgisch was, had ik mezelf de vrijheid toegeëigend om de zuiderse zon op te zoeken, al laat ik die beslissing rebelser klinken dan dat de realiteit verbergt, temeer omdat Jef Carola dagenlang heeft moeten overtuigen om mij überhaupt mee op kamp te laten gaan. Voor mij voelde dat zomerkamp aan als de annexatie van pas ontdekte vrijheid aan mijn zinloze bestaan, al wist ik helemaal niet wat ik ermee aan te vangen, met dat stukje veroverde soevereiniteit. Het grootste gedeelte van dat jaar was ik immers maar een puberende bakvis geweest wiens wereld bestond uit mensen van wie ik me de namen vandaag niet precies meer kan herinneren. Hoewel ik nog drie jaar geduld moest oefenen om officieel volwassen genoemd te mogen worden, heb ik, met de dag van vandaag meegerekend, nog steeds niet het gevoel dat ik dat ereteken al verdiend heb. Achttien worden in de jaren tachtig was voor mij persoonlijk een grotere mijlpaal dan eenentwintig worden, omdat ik vanaf die leeftijd met een auto mocht rijden, ik formeel geslachtsrijp was en omdat mijn hart voor de eerste keer helemaal aan diggelen lag. Hoewel ze het er destijds in België politiek gezien niet eens over konden worden, of ik op achttien, wettelijk meerder- dan wel minderjarig genoemd mocht worden, veranderde er niets. Met mijn meerjaren ving ik nog minder aan dan toen ik als minderjarige in het leven stond en ik nog over een beetje ambitie beschikte om mijn actieradius te vergroten. Ik heb minderjarig en meerderjarig trouwens altijd vreselijke woorden gevonden. Enerzijds omdat ik me altijd meerderjarig gevoeld heb ten opzichte van gasten die een jaar jonger waren dan ikzelf maar anderzijds omdat ik me ongelooflijk onhandig-minderjarig kon voelen wanneer een vrouw me aansprak die maar een paar maanden ouder was dan ikzelf en ik elke keer tot achter mijn oren rood aanliep. Mijn ruziemakende moeder buiten beschouwing gelaten, waren vrouwen destijds trouwens gewoon rare mensen met staartjes. Ik vond het maar mysterieuze wezens die gekleed waren in grijze plooirokjes, donkerblauwe truien en witte sokken en die in meisjesscholen geleerd werd om voor het andere geslacht onbereikbaar te blijven. Wat ik toen niet wist is dat de vrouwen die ik hierboven beschrijf op dezelfde manier over jongens dachten, al hoefden die er toen al lang niet meer uit te zien als seksloze nonnen of als vrome, seksueel gefrustreerde pastoors. Al bij al was negentienzesentachtig een goed jaar maar dat wist ik op dat moment niet. Nu de herfst mijn persoonlijke zomer snel wegblaast, kan ik alleen maar vaststellen dat levenservaring maar een kam is, die je van het leven cadeau krijgt op het moment dat je kaal begint te worden. Of tweeënvijftig de juiste leeftijd is om tot die vaststelling te komen, weet ik niet zeker. Mijn haargrens bevindt zich namelijk nog precies op dezelfde plaats waar die zich dertig jaar geleden bevond, al wijt ik dat eerder aan de rimpels op mijn voorhoofd die mijn vel zwaarder doet wegen waardoor mijn haarlijn naar onderen getrokken wordt. Ik zeg maar wat, maar kaal, dat ben ik nog niet. Toch ben ik het vandaag aan mijn leeftijd verschuldigd om me tot de leeftijdsgroep van de ‘puberende vijftigers’ te rekenen. Gewoon maar vijftig worden is voor groentjes. Het is maar vanaf tweeënvijftig dat ik opnieuw een beetje recht van spreken krijg in deze grijzer wordende leeftijdscategorie, al doe ik misschien dat best iets luider omdat het risico niet onbestaande is dat ze me anders niet meer horen of verstaan. Officieel zal de stempel ‘vijftig+’ dus vanaf vandaag meer inkt achterlaten wanneer ik mijn voorrangskaart voor een zitplaats in de trein laat afstempelen. Tweeënvijftig dus, en officieel oud. Vanaf vandaag voel ik me echt ten volle vijftiger omdat mijn gammele lijf plots meer plaats inneemt dan toen ik nog over een 40+ karkas beschikte. Ik ben me ook meer bewust van alle lichamelijke kwaaltjes en van alle andere ellende die met dit cijfer gepaard gaat. Maar alles is niet even kut dan ik het hier laat uitschijnen. Ik begin namelijk de kunst te verstaan om mijn lichamelijke beperkingen en mijn mentale obstakels te kennen en te aanvaarden. Dat mijn libido al eens vaker foert zegt hoeft geen probleem meer te zijn want dat lijfelijk ongemak raakt met een pilletje in een wip opgelost. Ik los dat wel even op. En nu ik die woorden neerschrijf bedenk ik me dat dit zomaar een uitspraak had kunnen zijn van een huurmoordenaar of van een loodgieter die me sust met de gedachte dat zolang de dichting van mijn kraantje het houdt en niet gaat lekken ik nog niet moet klagen. Waar ik echter niet aan gewend raak, is dat ik irritant saai begin te worden en dat ik die irritante saaiheid nog als een cadeau begin te aanvaarden ook. Wie had dat gedacht.

Misschien word ik dan met deze levenswijsheid van de dag vandaag echt niet vergeten. Het heeft er alleszins alle schijn van.

%d bloggers liken dit: