Hoe?

Als het leven van mij verwacht dat ik me er constant aan aanpas en ik bijgevolg vandaag niet meer ben wie ik gisteren was, hoe kan men dan verwachten dat ik het morgen doe, zoals ik het eergisteren beloofd heb?

Fantasie is verwant aan waanzin.

Het gebeurt me soms dat ik voor het ochtendgloren als een wild veulen uit bed spring, met de astrante gedachte dat ik aan mijn tweede jeugd begonnen ben. Wanneer ik mezelf, dan even later met mijn overmoedige spiegelbeeld confronteer, en vaststel dat er meer grijze haren uit mijn neus en oren groeien dan dat er nieuwe op mijn hoofd bijkomen, maak ik van de waarheid niet langer een vijand.  Ik moet dan gewoon toegeven dat ik aan mijn eerste ouderdom begonnen ben. De terminus komt in zicht.  Had ik me in mijn leven wat sneller met een kritisch oog bekeken, zou ik datgene gezien hebben wat tot nu aan mijn blik onttrokken werd. Het verval zou niet onopgemerkt gebleven zijn. Had ik maar sneller goed gekeken, ik zou nooit zulk een scheef en overmoedig oordeel over mezelf geveld hebben. Rimpels liegen namelijk nooit.

Oud worden gaat niet in grote sprongen. Dat gebeurt dag na dag. Ik weet nu dat met elke hartslag die door het leven wordt bijgeteld, de jaren tergend traag voorbijrazen. Aan grootspraak hoef ik me niet meer zo nodig te wagen. Aan mezelf en aan mijn kleine kanten heb ik meer dan genoeg. Ik begin zelfs al aan mezelf gewend te raken en dat feit op zich is niet nadelig. De keerzijde van die medaille is wel dat wanneer ik in mijmeringen als deze wegzink, ik bij mezelf ontdek dat ik mijn gedachten al kan lezen alvorens ik ze kon bedenken. Voorspelbaar oud worden met verhalen die alleen mij toebehoren is dan ook het eenzame lot dat me rest.

“Fantasie is verwant aan waanzin en zelfreflectie is de kortste weg naar het gekkenhuis”: fluistert mijn evenbeeld met een opgetrokken wenkbrauw terwijl hij me van kop tot teen met een blik vol minachting bespat. “Woorden in nutteloze teksten gieten die nergens over gaan, kan jij als de beste maar denk je echt dat ook maar iemand geïnteresseerd is in jouw pathetisch gemijmer?”: snauwt hij niet zonder misprijzen verder.  “Al die mooie woorden die jij telkens opnieuw bedenkt, waggelen maar rond gelijk een vette gans die van het leven niets meer te verwachten heeft buiten doelloos rond te waggelen op een erf.” Hij heeft gelijk.  Er zit niets in mijn kast en er gebeurt niets rondom mij dat ook maar enigszins de moeite waard is om er mijn pen voor uit de schuif te halen. Buiten mijn eigen hobbelige gedachten die rondspringen alsof ik aan mijn tweede jeugd begonnen ben, gebeurt er in mijn leven niets. Althans toch niet iets dat niet even traag waggelend voort strompelt als die oude kwetterende gans die geestdriftig met de vleugels slaat om een beetje indruk te maken.Waggelen is ook een woord dat gebruikt wordt indien grote zaken, die op een breed grondvlak staan dreigen om te vallen. Hopelijk blijf ik nog even overeind.

Zal ik het anders eens niet over mezelf hebben? Ik heb mezelf namelijk de laatste jaren al zo dikwijls binnenstebuiten gedraaid dat wanneer ik mijn ogen naar binnen keer, ik de aambeien in mijn aars kan bewonderen. De kans dat ik je met al die nutteloze introspectieve heb kunnen boeien, acht ik even groot als de illustere ambitie die ik koesterde om ooit een gerenommeerde schrijver met een lezerspubliek te worden. Om van mezelf en van die ijdele hoop los te komen schrijf ik best niet al te veel meer over mezelf.  Ik ben namelijk niet het begin- en eindpunt van alles. Meer dan een voetnoot in mijn eigen biografie zal ik nooit worden.

Te weinig niets.

Wanneer je af en toe tijd neemt om de woorden te lezen die ik in zinnen aan elkaar rijg, kan je jezelf de vraag stellen waarom ik dat doe. In alle eerlijkheid, ik doe dat ook weleens.  Vanmorgen nog, toen ik me, zonder voorafgaandelijke aankondiging, in een intieme bliksemflits, met een absurde maar vrij intense sensatie realiseerde dat ik eigenlijk helemaal niets voorstel en misschien nog tot minder in staat ben. Dat gevoel was naast oprecht eerlijk en pijnlijk ook hoopgevend en geruststellend. Ik zeg: “geruststellend” omdat geen enkele andere ambitie dan nutteloosheid me vandaag tot een andere verwachting had kunnen verleiden. Ik gunde me vandaag het decadente genoegen om totaal overbodig te zijn.  Nu, dertien uur later en in tegenstelling met hoe ik me vanmorgen voelde, wil ik je laten weten dat het precies zo aanvoelt alsof ik aan de prettige bijwerkingen van een aangename aandoening lijd.  Nu kan ik zelfvoldaan naar mijn scherm glimlachen, omdat ik er toch maar weer in geslaagd ben om de leegte van de dag helemaal dicht te timmeren. “Als je ‘hofke’ klein is moet je het proper houden en onkruid uittrekken”, zou mijn grootmoeder gezegd hebben. Niet dat ze zich geen groter ‘hofke’ kon permitteren, neen ze deed gewoon net zoals ik liever andere dingen dan een grote te onderhouden.

Zonder er in de voorgaande paragraaf tweehonderd zestien woorden aan te moeten verspillen, had ik net zo goed kunnen schrijven dat ik langzaamaan meer de gewoonte heb gekweekt om mijn persoonlijk energieverbruik doelgericht laag te houden maar dan had ik mezelf het genoegen ontnomen om er lyrisch over te worden. In de zinnen die ik net neerschreef doe ik een poging om zonder blozen samen te vatten dat al wat ik in mijn gênante eerlijkheid aan jou toevertrouw maar puberaal gestotter is dat door deze tweeënvijftigjarige wordt opgeschreven omdat hij kampt met een schrijnend gebrek aan ambitie en daardoor de indruk wil nalaten, gekweld te zijn met een uniek leven. Ik had net zo makkelijk alles kunnen verzwijgen maar dan had ik er nooit achter kunnen komen dat deze banale verzuchtingen mijn oude puberziel zou ontluchten. Nu niet dat ik mijn bestaan in ballingschap leef, maar ergens knaagt aan mijn ziel toch een verlangen naar een onbereikbare verte die in mijn fantasie grenzeloos lijkt. Uitreiken naar die onbestaande verte heeft hoegenaamd niets met de werkelijkheid te maken, integendeel, het zijn maar ongevaarlijke bedenksels die me niet zullen doen wegvluchten van de realiteit, ook al is die dikwijls minder spannend dan de gedachten en de dromen waarmee ik in schijngevechten de diepere zin van mijn bestaan bekamp. Het opschrijven van elke spontane hartenkreet, wordt dan gewoon een romantische, veilige tussenoplossing waarmee ik de volheid van het leven helemaal kan omarmen en er tegelijkertijd de passie naar al wat groot, ongeremd is en diepgang heeft mee kan ontvluchten. Al is dat niet altijd zo geweest. Met het streven naar onbestaande erkenning en de vlucht om die in mijn leven toe te laten, heb ik lang een onbetaalbare hypotheek gelegd op innerlijke voldoening en grenzeloos geluk dat voor het grijpen lag. Misschien was er gewoon te weinig niets om het iets te kunnen naar waarde te kunnen schatten. Mogelijks schrijf ik daar morgen over, zo niet droom ik gewoon verder!

Arrogante desillusie…

Zo een stoere rebel ben ik, dat het enige Witte Huis dat ik deze week bestormde, een bouwvallig luchtkasteel bleek te zijn dat ik in mijn hoofd had opgetrokken. In tegenstelling tot de gewelddadige Amerikaanse beeldenstorm bestond mijn ingebeelde reis van deze week alleen maar uit ongevaarlijke gedachtensprongetjes in min of meer aangenaam gezelschap.  Nu mijn trektocht achter de rug is realiseer ik me weer dat mijn tijd kort wordt en ik me beter een beetje zou haasten om ervoor te zorgen dat ik ooit bereik waarvoor ik hier ben. Hoewel die druk soms dwingend kan zijn, laat ik me door niemand opjagen. Ik ben mijn eigen baas. Hij, en hij alleen zal me ten gepasten tijde laten weten wanneer ik eraan moet beginnen en in het slechtste geval kom ik er wel achter wanneer de omstandigheden me ertoe dwingen.

Ik blijf geduldig want mijn leven is toch maar een eindeloze speurtocht met als speelveld een ongekend terrein waarop ik probeer te achterhalen hoeveel ik ertoe doe, en hoeveel niet. De enige hulp die ik daarbij heb, is een onleesbare kaart waarop wegen en kruispunten kriskras door elkaar lopen. Om de juiste bestemming te zoeken of om de afmetingen en de grenzen van mezelf te vinden, kan ik me enkel baseren op een onbegrijpelijke legende die me tegenstrijdige instructies toont. Hoe langer mijn ontdekkingsreis duurt, hoe vaker ik tot de vaststelling kom dat mijn queeste misschien alleen maar als doel heeft, dingen te vinden die ik niet bezit maar waarvan ik wenste dat ik ze had, en dingen kwijt wil waarvan ik eigenaar ben maar wenste dat ik ze niet had. Maar dingen zijn onbelangrijk, schoonheid daarentegen… Piekeren over streven naar het onbereikbare doet me er met open mond naar gapen, tot ik helemaal ondersteboven hang en tot mijn hart op dit papier uit mijn mond valt. Inzicht in mezelf en kennis van hoe ik in elkaar zit en is één ding maar wanneer je er teveel van hebt wordt het soms iets om bang van te zijn.

Nu ik herlees wat ik hier neergeschreven heb, kom ik tot de conclusie dat ik veel goed klinkende woorden bezit maar over veel te weinig daadkrachtige acties beschik die ermee overeenstemmen. Misschien is mijn leven gewoon maar wat prutserij dat ontstaat uit woorden die mijn bestaan interessanter proberen voor te stellen dan het in werkelijkheid is en wordt de zinloosheid ervan maar gemeten aan het aantal tegenstrijdige woorden dat ik erover op papier kan zetten. Laat dat nu zijn wat ik tegenwoordig nog doe, ik pieker, maak koffie en bezwijk aan suïcidaal nihilisme dat ik neerschrijf.

Mogelijks wil ik gewoon dat iedereen mij leuk vindt en zelfs dat idee op zich is een arrogante gedachte. Met die aanmatigende desillusie ben ik ooit al eens bijna aan mijn einde gekomen, vorige week nog, toen ik aan deze zoektocht begon.

Legaal-digitale maffia.

Terwijl polen smelten, bossen verschrompelen en lucht met de dag smeriger wordt, zitten supergeeks, die geilen op The Internet of Things, zich intellectueel te masturberen op nieuwe apps en toepassingen. In de cloud rukken deze nerds zich wild af op nieuwe, nutteloze, big-money gimmicks waarop niemand zit te wachten. Zo bedenken en ontwikkelen ze subtiel-onzichtbare, digitale enkelbanden die onze privacy te grabbel gooien voor moderne legale maffiosi die er gratis misbruik van kunnen maken. Terwijl wetgevers en psychologen digitale detox prediken en wetten proberen te bedenken om ons van een beetje privacy en life-balans te verzekeren, freewheelen zij zich suf over virtuele, intelligente systemen die automatisch communiceren met nog intelligentere digitale netwerken, zodat iedereen dom en verweesd achterblijft met een bewegingsvrijheid die zo beperkt is tot het pad dat door algoritmes voor ons werd uitgestippeld. Iedereen vreet naarstig mee uit de facebook- instagram- en twittertrog zoals varkens dat doen uit de voerbak van waaruit ze vetgemest worden. We denken er zelfs geen seconde meer over na en schoffelen ons gulzig vol met het voorgekauwde pulp dat voor ons selectief werd uitgezocht, en doen dat net zolang tot we ons zelfvoldaan met likes en hartjes geprezen, de mooiste van het land wanen.

Verstand en intelligentie. Ik ben er te matig mee bedeeld. “De slechtste van de klas” werd wel eens gezegd. Het zal wel. Maar de bollebozen van toen denken er niets van. Zij lachen me opnieuw uit, nu als doemdenkende filosoof die zich als een Neanderthaler terugtrekt in zijn persoonlijke grot van Altamira. Voor hen ben ik een fossiel die de moderne wereld niet begrijpt en niet kan bevatten. Volgens hen snap ik niets van de nieuwe, snelle wereld niet waarin het privéleven zich afspeelt op het internet, op de snelweg van het leven waar privacy en persoonlijke keuzes “veilig” bewaard worden in de cloud.

In deze horrorwereld zullen vroegere onschuldig en onschadelijk ogende apparaten zoals tandenborstels, tv’s, thermostaten, koelkasten, matrassen, vibrators, diepvriezers, wc-papierhouders die overal in ons huis aanwezig zijn, ons beloeren en ons bespioneren. Ze zullen er voor zorgen dat onze persoonlijkste en intiemste gegevens naar de cloud zullen worden getransfereerd, naar het veilige internet van de dingen of naar Evelien van de pornoclub. Wanneer ik in die virtuele wereld van morgen dan een koortsthermometer onder mijn oksel steek of hem rectaal inbreng bij mijn 3 maand oude jammerende baby, of wanneer ik mijn tanden een wittere tint geef met mijn elektronische tandenborstel, zal ik via usb-poorten van de lichaamsopeningen informatie doorgeven naar mijn veilige cloud, zodat wanneer ik me aanmeld bij mijn volgende internetsessie het digitale winkelmandje al op voorhand gevuld zal zijn met glutenvrije koekjes, luierzalf, driedubbel-lagig toiletpapier en zeep voor de intiemste hygiëne. Mijn tandarts zal me automatisch whatsappen om me te laten weten dat ik bij mijn volgende virtuele controle de volle pot zal moeten betalen, omdat ik het afgelopen jaar, gemiddeld genomen mijn tanden maar 2 keer gepoetst heb in plaats van 3 keer zoals mijn tandverzekeringspolis het me het had voorgeschreven. Via mijn sociale mediafeeds en de algoritmes die er achter draaien zal ik enkel nog die informatie aangeboden krijgen waarvan ik blij word omdat ik van de booschappen waarvan ik kwaad werd of waar ik het oneens mee was, de vorige keer was weggezapt. Door dat mechanisme krijg ik los van kunstmatige zelfbevestiging enkel nog toegang tot nieuws dat op mijn maat gefilterd werd en dat overeenstemt met mijn overtuiging en interesses, waardoor, ik onmogelijk kan begrijpen dat jij door diezelfde algoritmes bevestigd en met evenveel hartjes en likes geprezen, ook als mooiste van het land werd uitgezocht.

Gelukkig ben ik maar een cynische doemdenker en heb ik geen rectale koortsthermometer. Ik lach met mezelf, zet mijn newsfeed op stil, sla een bladzijde om van een boekje dat vanmorgen in de brievenbus viel en ik lees de kop van het eerste artikel. There is no bigger high than discovery… Het zal wel.

%d bloggers liken dit: