Categorie: Lachen

Vrijdag bijnadag!

Die ene mail staat al van gisterenavond open. Niet dat antwoorden moeilijk is. Integendeel zelfs, want in mijn hoofd heb ik dat antwoord al minstens vijf keer geschreven, verbeterd en verzonden. In mijn hoofd dus.

Het glas staat ook al sinds gisteren aan de voordeur. Het zit in zo’n blauwe plooibak van de Colruyt. Daar worden lege flessen verzameld tot iemand beslist dat het tijd is voor de glasbol. Meestal is dat de andere, vrouwelijke, permanente huisgenoot. Ik de vuilzak zij de glasbak, sommige rolpatronen verdragen geen uitzondering op een ongeschreven regel.

Maar hij staat dus nog op exact dezelfde plaats als gisterenavond. Niet omdat ik dat vergeten ben, want ik heb daar ook al minstens vijf keer naar gekeken. Vrijdag heeft dat soort mogelijkheden. Dan krijg ik precies een beetje meer ademruimte. Alsof vrijdag zelf iets minder streng is dan al die andere dagen. Alleen moet ik vaststellen dat ik met die extra tijd niks aanvang.  Die mail blijft openstaan. Het glas blijft ook staan.

En dat vat een doordeweekse vrijdag behoorlijk goed samen.

Vrijdag is nu eenmaal een dag die zich anders gedraagt dan andere dagen. We moeten dat aanvaarden. Dat begint meestal ergens rond tien uur. Dan zegt iemand, “gelukkig is het vrijdag.” Dat gebeurt bijna elke week, maar niemand legt uit waarom het gelukkig vrijdag is. Er is ook niemand die daarnaar vraagt.

Tegen de middag gaan de dingen echt veranderen. Voor alle duidelijkheid, niet de koffie, want die smaakt hetzelfde als op andere dagen, naar straffe thee. En ik drink geen thee. De mails zijn ook nog dezelfde als deze morgen, al blijken ze tegen de middag toch verrassend goed bestand tegen uitstel. Want zaken die daarstraks nog superdringend leken, kunnen ineens toch wachten tot maandag.

En het is niet dat ik dat in mijn eentje heb beslist. Dat gebeurt gewoon uit zijn eigen. Vrijdag heeft daar blijkbaar een speciaal talent voor. De week is dan nog niet helemaal voorbij, maar de vrijdagnoen heeft er precies al een streep onder getrokken.

Ik heb altijd gevonden dat vrijdag een dag vol verwachtingen en mogelijkheden is, want al wat vandaag niet gebeurt, krijgt maandag een nieuwe kans. En toch blijft het een rare dag die een beetje gewrongen zit tussen donderdag en zaterdag.

Het is mijn bijnadag. Want het is bijna weekend. Bijna rust. Bijna poeperkesdag, al blijft het merkwaardig hoe weinig belangstelling zaterdag en zondag voor die activiteit hebben. Bijna uitslapen dus. En bijna een ander leven dat twee dagen duurt en genoeg moet zijn om tegen maandag een frisse versie van mezelf te worden.

Dat lukt dus bijna nooit.

En toch probeer ik dat elke vrijdag opnieuw.

Het glas staat trouwens nog altijd aan de voordeur. De mail staat ook nog altijd open maar is ondertussen door iemand anders beantwoord. Door iemand die niet weet dat het vandaag bijnadag is.

Het schijnt dat ik vandaag 58 word

Dat staat toch ergens genoteerd. In het moederhuis van Mechelen hebben mijn verwekkers en een goedbedoelende pastoor op 13 september 1968 in een trouwboekje voor het eerst mijn naam geschreven. Sindsdien wordt dat beschouwd als een feit. En omdat niemand tot vandaag met ander doorslaggevend tegenbewijs afgekomen is, ga ik er van uit dat wat daar toen werd vastgelegd, juist is.

Achtenvijftig dus. Mijn lijf lijkt voorlopig akkoord te gaan met die regeling. Al heeft mijn linkerknie een paar weken geleden toch al officieel protest aangetekend. Mijn bakkes onderhandelt ondertussen ook al geruime tijd met de spiegel, zonder dat er een akkoord in zicht is. Slachtoffers zijn er voorlopig niet gevallen, maar het wederzijdse vertrouwen tussen mijn verstand en de rest van mijn lijf staat danig onder druk

Toen ik nog een slungel was, keek ik naar mensen van mijn huidige leeftijd en dacht ik dat die het allemaal wel doorhadden. Die leken allemaal oud, serieus, een beetje verrimpeld maar op de een of andere manier gearriveerd. Alsof ze onderweg ergens een handleiding hadden gekregen waarin uitgelegd stond hoe alles marcheert.

Nu ik zelf al aan deze kant sta, begin ik te vermoeden dat die bewuste handleiding nooit gedrukt is. Toch zie ik elke dag verrassend veel mensen rondlopen die doen alsof of beweren dat ze het gelezen hebben.

Wat me de laatste jaren ook opvalt, is hoe weinig al die grote momenten uiteindelijk voorstellen. Toen ik jong was, dacht ik dat alles afhing van diploma’s, huwelijken, overlijdens, verhuisdozen en al dat soort dingen waarvoor notariële actes vandoen zijn.

Achteraf blijken het toch andere dingen te zijn die aan je botten blijven plakken.

Een café waarvan de deur al twintig jaar op slot is. Dat telefoontje dat je bijna niet had opgenomen. Iemand waarvan je dacht dat ze vergeten was maar na veertig jaar nog altijd ergens lijkt rond te dolen. Een naam op een bierviltje en iemand die zei “we moeten nog eens afspreken” en dat, tegen alle verwachtingen in, ook deed.

Dat soort dingen. Ze lijken rommel tussen de hoofdstukken maar achteraf beschouwd heeft daar meer leven in gezeten.

Waarschijnlijk bestaat een zinvol mensenleven uit  dat soort dingen. Enfin voor mij toch. En eerlijk gezegd stelt me dat gerust. Want als alles zou moeten passen in diploma’s, Cv’s, foto’s of andere officiële rommel, dan heb ik ergens onderweg heel slecht opgelet. Van de meeste dingen bestaat niet eens een papiertje.

Vandaag blaas ik dan ook geen kaarsen uit want de belangrijkste dingen die mij ooit zijn overkomen hebben nooit op wenslijstjes gestaan. Dikwijls kwamen ze zelfs eerst binnen als dikke miserie.

Deze verjaardag laat ik passeren. Vandaag kijk ik gewoon even naar buiten. Ik herken een paar gezichten maar mis er ook enkele.

Dat laatste had ik vroeger nooit toegegeven.

En nu ik hier toch ben. Merci aan iedereen die vandaag aan mijn verjaardag gedacht heeft.

Ikzelf was er niet mee bezig. Ik was bezig met beweren dat een mensenleven niet in data, formulieren en officiële feiten zit. Om dan vast te stellen dat een hoop mensen mijn datum toch niet vergeten zijn. Dat was niet het cadeau dat ik verwacht had.

Maar zoals ik al zei, de belangrijkste dingen in ’t leven staan meestal niet op een verlanglijstje.

De ongeschreven wetten van een stabiele relatie

Ze zit dus naar De Verhulstjes te kijken. Enfin, kijken. Ik weet niet of je dat echt kijken kunt noemen. Haar ogen zijn wel op de tv gericht, maar in haar hoofd is ze duidelijk op een andere plek. Waarschijnlijk bij dat spelletje Tetris dat ze al zo lang speelt dat ik niet meer weet of het een hobby is of een psychische afwijking. Twintig jaar speelt ze dat al. Misschien nog langer. De meeste relaties duren zelfs zo lang niet.

Op tv ziten alle Verhulstjes ondertussen bijeen rond een tafel. De oudste Verhulst vertelde net een stomme mop, de jongste nog een stommere. Wat me stoort aan dat programma, ook al kijk ik nooit, iedereen lacht altijd op het juiste moment alsof dat programma alleen maar uit dingen bestaat die altijd spontaan gebeuren. Het probleem alleen is dat De Verhulstjes er teveel centen aan verdienen om al die dingen er normaal en geloofwaardig te laten uitzien.

Ondertussen zit mijn vriendin drie meter verder te kijken en is ze tegelijk op haar telefoon aan ‘t tokkelen. Ik zeg nu vriendin maar soms zeg ik ook mijn vrouw. Soms mijn partner. Af en toe madam of mylady. Dat hangt af van wie het vraagt en hoeveel ik op dat moment over onze relatie wil prijsgeven.

Buiten padel hebben wij trouwens niet echt veel gemeenschappelijke interesses. En zelfs padellen doen we liever niet samen. Niet omdat we mekaar niet graag zien of zo, maar omdat een bandeja of een vibora doorgaans beter gespeeld wordt met een padelcoach in de buurt dan met de tussenkomst van een advocaat of notaris. Die zouden zeker nodig geweest zijn mochten we zijn blijven samen spelen.

Dat is geen verwijt, niet naar mezelf en niet naar haar. Noem het een proefondervinderlijke vaststelling, zoals het wc-papier dat soms bijna op is, ook een vaststelling is.

Doorgaans kijkt zij naar programma’s waarin koppels huizen verbouwen of laten verbouwen. Of ze kijkt naar The Real Housewives of naar blijtfilms, wat tegenwoordig ongeveer hetzelfde is, voor mij dan toch.

Ik zoek dan weer naar documentaires waarin mensen elkaar of zichzelf slopen. Of ik kijk op Netflix naar reeksen waar mensen hun halve familie in stukken kappen.  Niet omdat ik geïnteresseerd ben in het kappen zelf, dat lijkt me technisch wel doenbaar maar omdat die mens ooit moet gedacht hebben, mensen in stukken kappen, dit lijkt me een redelijk plan.

Mochten wij niet samenwonen, dan zouden we elkaar waarschijnlijk niet eens volgen op Facebook of Instagram. Ik zou haar in ‘t echt ook niet achtervolgen want ik ben geen psychopaat.

En toch zitten we hier al jaren in dezelfde zetel.

Blijkbaar overschatten mensen het belang van gemeenschappelijke interesses.

Samen fietsen, koken, wandelen, samen yoga, samen op citytrip. Samen ademen waarschijnlijk ook. Dat lijkt mij verschrikkelijk. Alsof liefde een verplicht groepswerk is waarvoor je bij de inschrijving alle twee dezelfde vakjes moest aankruisen.

Wat wij samen hebben is net voldoende voor een stabiele relatie. Soms net niet genoeg maar dat is op een ander niet anders.

Bij ons voert zij meestal het woord terwijl ik zwijg. Ik denk dat dat zo is omdat zij graag praat of zichzelf graag hoort praten en ik liever luister. Of omdat ik geen kans krijg om iets te zeggen. Dat zijn ineens drie perfect plausibele verklaringen die elkaar niet uitsluiten. Ik geloof zelfs dat ze elkaar een beetje aanvullen.

Madam wil de wereld ontdekken en ik ben al content wanneer ik eindelijk alle draadalgen uit mijn vijver heb getrokken zonder dat ik er nieuwe vind tussen al die steentjes in mijn zuurstofmoeras.

Om maar te zeggen, tussen ons zit veel ruimte maar niet dat soort ruimte waar relatietherapeuten of andere witjassen drama over maken. Het is gewoon noodzakelijke ademruimte en we gunnen die elkaar. Soms denk ik zelfs dat we op twee aparte eilandjes wonen met ergens daartussen een gemeenschappelijk schiereilandje waar we elkaar af en toe maar eens tegenkomen.

Ik zou het trouwens niet kunnen, vijfentwintig jaar naast iemand zitten die aan exact hetzelde denkt als ik. Dan kan ik evengoed tegen een spiegel praten. Die geeft tenminste commentaar waar ik iets mee ben.

En ik ken ook koppels die al jaren dezelfde spotify playlist hebben, naar dezelfde films kijken, dezelfde mening hebben over politiek, eten en vakanties. Vanop afstand zijn dat dus perfect op elkaar afgestemde dubbelgangers. Misschien werkt dat voor dat soort koppels, ik zou daar zot van worden.

“Waar zit jij eigenlijk aan te denken?” vraagt ze ineens zonder op te kijken van haar gsm.

Ik haal in gedachten mijn schouders op en mompel iets dat ook voor mezelf onverstaanbaar is.

“Waarom loopt die hond daar eigenlijk rond met een pamper aan?” vraag ik ineens langs mijn neus weg.

Ze kijkt even op, niet naar de tv maar naar mij en ze kijkt met een blik die mensen hebben wanneer ze niet zeker zijn of er een herhaling nodig is voor wat ze net gezien of gehoord hebben.

Er valt een stilte maar niet zo één die ongemakkelijk aanvoelt omdat iemand zich verplicht voelt om ze vol te brabbelen.

Ondertussen doen De Verhulstjes waar De Verhulstjes goed in zijn, rond een tafel zitten, lullen en wachten tot er iets gebeurt. Voor alle duidelijkheid niemand had het over een hond, er is zelfs geen hond in beeld geweest.

Vijf minuten later vraagt Gert Verhulst ineens, geheel volgens de wetten van dat programma, “Waarom heeft die hond eigenlijk een pamper aan?”

“Da’s raar,” zegt ze ineens en ze laat het mysterieus klinken alsof ze op het punt staat een dief  te betrappen.

“Wat?”, vraag ik achterdochtig.

“Vorige week heb je juist dezelfde vraag gesteld.”

En ineens had ik door waarom ze mij daarnet zo raar had bekeken. Niet omdat er wel of geen hond in beeld was geweest of een pamper of whatever. Maar omdat ik altijd en aan iedereeen probeer uit te leggen waarom ik nooit naar De Verhulstjes kijk, en ik net ontmaskerd ben.

En dan? Naar De Verhulstjes kijken is tien keer onschuldiger dan naar Pornohub. Daar kijk ik touwens ook niet naar.

Om er zeker van te zijn dat niemand er iets van gemerkt heeft.

Een onbelangrijke eigenschap van een verjaardag is dat iedereen het snapt waarom je die viert. Alweer een jaartje ouder, da’s niet niks. Ook al heb je er zelf niks voor moeten doen behalve blijven ademen en belastingen betalen. Toch krijg je felicitaties, taart en toen je nog klein was ook nog ballonnen en een feestje. Voor alle duidelijkheid ik verjaar pas binnen twee weken, op 13 september. Je hoeft me dus nog niet te verwensen.

Maar vandaag speelt er toch iets anders en dat is ook een soort verjaardag want vandaag ben ik exact dertien jaar gestopt met drinken. En dat was, laat daar geen twijfels over bestaan,“iets” minder vanzelfsprekend. Toch is er geen feestje.  Er speelt geen fanfare en er is geen burgemeester die een speech geeft waarop hij zegt.  “Proficiat Janneke gij hebt vandaag dertien jaar lang consequent iets niet gedaan.”

En toch zit ik hier te dubben. Moet ik daar nu iets over zeggen of moet ik deze dag gewoon maar laten passeren?

Niks zeggen, dat heeft iets elegants natuurlijk want dat heeft iets weg van nederigheid en dat past wel bij mij denk ik.  Maar door te zwijgen doe ik ook wel alsof ik boven de erkenning sta en dan lijkt het erop alsof ik de dalai lama van de AA ben geworden. “Zie mij hier eens helemaal geen aandacht vragen voor iets waar ik dertien jaar lang mijn ziel heb ingestoken.”

Als ik je zeg dat ik mezelf met die gedachte niet helemaal vertrouw, lieg ik niet. Want misschien is zwijgen gewoon wel een subtielere manier om aandacht te vragen. Een manier  die stil hoopt dat er toch iemand is die compleet toevallig die datum heeft onthouden. En dat er dan ineens in een berichtje verschijnt met de woorden, “Proficiat Jean!!  Doe er nog maar wa jaren bij……” Waarop ik dan bescheiden uit de lucht kan komen vallen om te zeggen, “Just… Nu ge’t zegt…”

Die mind fuck ken ik van vroeger, alleen toen waren de vloeistoffen anders, rijkelijker uitgegoten en straffer.

Maar eerlijk gezegd, er vandaag over spreken voelt ook een beetje ongemakkelijk aan. Zeker niet omdat ik me schaam, want dat doe ik al lang niet meer maar omdat elk jaar nuchterheid precies een nieuw verhaal vraagt. Een nieuwe balans ofzo of een nieuw soort eindafrekening waarin ik mezelf opnieuw verplicht om het allemaal nog eens uit te leggen. En dat is een beetje ambetant want de waarheid is dat met elke verjaardag mijn realiteit een stuk minder indrukwekkend wordt.

Na dertien jaar ben ik niet ineens een verlichte ziel geworden of zo. Ik was en ik ben nog altijd iemand die op restaurant eerst naar de dranken kijkt. Of op een feest of een receptie denkt, die witte wijn zag er precies niet slecht uit. Ondertussen weet ik wel dat die gedachte al lang geen bevel meer is.

En nu ik het herlees klinken die laatste zinnen weeral veel spectaculairder dan ze in ’t echt zijn.

Dertien jaar geleden stopte ik met drinken omdat ik ondervond dat alcohol veel te veel plaats ingenomen had. Plaats die mij helemaal had weggeduwd. Nu denk ik daar niet elke dag meer aan, wat misschien ergens een succes zou moeten zijn. Maar langs de andere kant, viert niemand dertien jaar omdat hij al zo lang niet meer met zijn hoofd tegen dezelfde muur loopt te bonken. Zeker niet als hij onderweg andere muren heeft gevonden om tegen te bonken. Applaus, toert, toeters, champagne en een groepsfoto met het feestvarken.

En dat is just waarom ik twijfel. Niet omdat ik niet fier zou zijn, maar omdat ik ongepaste fierheid altijd een beetje verdacht vind. Het is dan precies alsof ik mezelf een speekmedaille geef voor een handbalwedstrijd waarbij ik het grootste gedeelte van de match op de bank moest zitten.

En aan een nog andere kant,  als ik er helemaal niks over zeg, doe ik just alsof de dingen zich in die dertien jaar helemaal zelf hebben geregeld en dat volhouden ook maar iets is wat vanzelf gaat, gelijk ademen en belastingen betalen.

Dus als ik het nog eens zeg, zal ik het niet doen met een imagoversterkende LinkedIn-post van het derde knoopsgat met een zonsopgang en een regenboog en met een tenenkrullende quote over dat alles mogelijk is als je er zelf maar in gelooft. Niks van dat soort kul, ik zeg het gewoon als een  feit. Zoiets in de zin van, “Vandaag drink ik al dertien jaar niet meer, punt aan de lijn”.

Want dertien jaar, dat is toch lang genoeg om er niet meer het grootste deel van de dag mee bezig te moeten zijn? Al is het blijkbaar wel lang genoeg om er een hele dag over te lopen piekeren.

En dat is dan weer het perfecte bewijs van hoe weinig behoefte ik nog heb aan de mening van anderen. Ik heb genoeg aan de mijne. Misschien dat ik er daarom een tekst van meer dan achthonderd woorden over geschreven heb. Gewoon om er helemaal zeker van te zijn dat niemand er iets van gemerkt heeft.

Een alledaags verhaal van een niet alledaagse BMW-bestuurder

Zondagmorgen, met een slaapkop en met mijn verfrommelde net-uit-het-bed-look, strompelde ik naar de ijskast, op zoek naar iets eetbaars. Brood was er niet. Dat had ik al gezien. Maar er was ook geen melk, geen yoghurt en tot overmaat van ramp was ook de pot choco leeg. De Dodentocht was dit weekend gepasseerd. Drie dagen lang had heel Bornem, naar jaarlijkse gewoonte, collectief besloten om alle supermarkten te mijden. Ik dus ook. Even maakte ik de overweging om gewoon te blijven waar ik was en te doen alsof een paar augurken, twee gekookte eieren, een bokaal vervallen ansjovis en zeven cashewnoten een volwaardige maaltijd kunnen vormen. Niet omdat dat een goed plan was, maar omdat ik op een leeftijd gekomen ben waarop ik mijn luiheid met zoveel overtuiging kan cultiveren dat die een nieuwe streng aan mijn DNA gevormd heeft.  Maar nu zat er echt niks anders op dan aan mezelf toe te geven dat ik dringend een paar boodschappen moest gaan doen. Zonder choco zou ik de dag niet doorkomen.

Een kwartier later reed ik dus vloekend en tierend met mijn net-uit-de-badkamer-look maar ook met mijn aftandse VW Polo, de parking van de Carefour op.

Ik zag hem direct.  Die BMW. Hij stond compleet scheef geparkeerd en niet zo maar een beetje scheef, maar echt gewoon los over twee parkeervakken, alsof witte lijnen alleen maar getrokken zijn voor normale stervelingen zonder BMW. De eigenaar van de patserbak was in heinde en verre niet te bespeuren en ik voelde in mijn hoofd een licht tot matige storm opsteken.

“Sommige mensen nemen wel erg veel plaats in”, dacht ik. Maar dat is de gekuiste versie van wat door mijn hoofd ging voor ik alles censureerde.

Een zwarte BMW dus. In mijn hoofd, maar nu dus ook op de parking van de Carfour, is de eigenaar zo’n figuur die altijd twee parkeerplaatsen nodig heeft, één voor zijn Bak Met Wielen en één voor zijn ego.  Elke dag knippert hij minstens tien keer met zijn lichten omdat iemand die het aandurft om voor hem te rijden, volgens hem altijd twee kilometer per uur te traag rijdt. Hij spreekt je aan met  “vriend” maar zegt dat op zo’n manier alsof hij juist een vergunning heeft gekregen om overal een klootzak te zijn. Natuurlijk draagt hij een zonnebril en staat zijn kapsel stijf van de gel. Dag in dag uit loopt hij tegen iedereen te stoefen over de prestaties van zijn “Beemer”. Prestaties die omgekeerd evenredig zijn aan die van zichzelf. Ongetwijfeld is hij van mening dat verkeersregels belangrijk zijn, maar alleen voor mensen zonder “Beemer”.

Ik wist niets van hem maar tegen de tijd dat ik een winkelkar had gevonden, had ik hem al schuldig bevonden voor parkeerterreur, een overdosis aftershave, chronische ombeschoftigheid en minstens drie gevallen van verkeersagressie. Ik kan dat heel goed, van op afstand van iemand een complete idioot maken zonder dat ik hem ooit ontmoet heb. Er zijn dagen waarop ik daarin uitblink, zeker na een weekend dodentocht en ik geen boterhammen met choco heb gehad.

Sorry, maar gelijk hebben is een rare hobby.

Ge krijgt daar geen medaille voor. Niemand belt ooit aan de voordeur met een boeket bloemen om te zeggen, “Janneke, we hebben het allemaal nog eens goe bekeken. En ge had gelijk. Niet alleen over die BMW, maar ook over uw theorie dat mensen die altijd gelijk hebben zich daar altijd vooraf voor excuseren, zodat ze nadien vals bescheiden kunnen zijn wanneer blijkt dat ze toch gelijk hadden.

Dat gebeurt dus nooit. Wat wel gebeurt, is dat ik, opnieuw in mijn hoofd (ik moet daar toch precies dringend eens weggaan), altijd wordt gefeliciteerd door mensen die niet bestaan.

Onder die dakpan van mij zit een vernuftig beloningssysteem, met een jury, punten en een klassement enal. Daar alleen krijg ik de erkenning die niemand in het echte leven mij ooit geeft. Tien op tien voor een juiste observatie, vijf bonuspunten voor een scherp inzicht en een eervolle vermelding omdat ik tijdens een discussie pas drie uur later het perfecte antwoord kan bedenken. Daarom zeg ik dus altijd eerst sorry. Niet omdat ik beleefd wil zijn maar omdat ik gelijk heb en hoop dat iemand mij ooit zal tegenspreken anders krijg ik echt altijd gelijk.

Alleen, de waarheid is iets minder spectaculair. Toen ik buitenkwam, stond er naast die BMW een man van een eind in de zeventig, misschien net over de tachtig. Hij was klein, stond een beetje krom en leunde met zijn linkerhand op een wandelstok. In zijn andere hand droeg hij een boodschappenzak.

Hij keek bedenkelijk naar zijn auto, schudde met zijn hoofd en zei tegen zichzelf en niemand anders in het bijzonder, “Dedju, ik staan zelf zo scheef als een zichel en dien bak van mijne jongste ook .” Daarna wrong hij zich in zijn geleende bolide en reed tegen drie kilometer per uur weg, met een file achter hem.

Dat was alles. Hij had geen zonnebril op, had geen gel in zijn haren want hij was zo kaal als een knikker en hij vertoonde geen branie of verkeersagressie. Hij was gewoon een kramikkig oud mannetje dat blijkbaar even slecht kon parkeren als ik kan oordelen en conclusies trekken.

De jury in mijn hoofd heb ik voor het binnengaan in de Carefour buitengesmeten. Ze waren druk in beraad over wie van ons twee op die parking de grootste idioot was. Ik had hun oordeel niet langer vandoen. Ik wist al dat ik het was.

Buitenspelval op zaterdagnacht

De bal ligt stil op het scherm. Misschien ligt de bal echt stil of misschien heeft mijn digibox beslist dat bewegende beelden een betalende optie zijn en ik maar een basispakket heb. Het is moeilijk te zeggen. Ik lig languit in de zetel. Natuurlijk lig ik hier, het is al zondag.  Eén hand zit in een zak chips. De andere in mijn short, twee plaatsen waar zelden belangrijke dingen ontstaan die later van pas kunnen komen.

“Het zit hem in de details,” zegt Eddy Demarez. En hij zegt dat alsof hij zelf die waarheid heeft uitgevonden. Ik neem hem dat niet kwalijk. Demarez is niet slecht, daar niet van, want hij klinkt dikwijls alsof hij begrijpt wat er op het veld gebeurt, en dat is veel meer dan ikzelf kan zeggen. Want het interesseert me allemaal maar matig en juist daarom moet ik opletten. Even niet kijken en ik ritsel in de verkeerde zak. Geloof me, paprika aan je scrotum is een risico dat je maar één keer bewust neemt.

“Ze moeten het spel beter lezen”, hoor ik hem stil, bijna gedempt zeggen alsof hij ook weet dat mannen in deze huiskamer meestal in de leegte praten.  “Zien wanneer het gat er is.” Deze zin doet mijn gedachten naar boven schieten, naar mijn vrouw die ligt te slapen. “Beter het spel lezen”. Ik probeer al zo lang haar spel te lezen maar raak meestal niet verder dan de eerste zin terwijl zij al aan de laatste alinea zit.

Op het scherm wordt iemand in de diepte gestuurd. De spits staat meters buitenspel. Ik zie de vlag, hoor het fluitje en alles stopt om opnieuw te beginnen. Fascinerend is dat niet echt.  Iedereen probeert als eerste aan de goal te zijn en dan word je gestraft omdat je te vroeg bent. Precies mijn leven, denk ik.  Ik herken dat.  Soms peis ik dat ik heel mijn leven al buitenspel sta, met een verkeerde timing. Ook al is het paal binnen, ik word afgevlagd. Het telt niet. Het voelt nochtans alsof het wel telde maar ik zat dan een fractie te vroeg of te laat in het gat.

Zo’n WK heeft iets geruststellends want iedereen doet alsof het ertoe doet, en daardoor doet het er ook toe. Er is een spelschema, met groepsfases, een knock-outfase, twee halve finales en uiteindelijk een finale met een duidelijk einde, één ploeg wint en die is kampioen. De rest gaat naar huis. Zelf heb ik niet dikwijls zo’n duidelijke afspraak met de toekomst gehad.

Ondertussen is het bijna twee uur. “Die moet erin,” Demarez zegt dat luider, met een soort vermoeide woede, waarschijnlijk omdat hij voelt dat hij in de leegte spreekt. De spits staat weer alleen voor doel maar hij twijfelt een fractie te lang en dat is genoeg. Hij trapt. De bal schampt de paal en botst terug het veld in.

“Dat scheelde niets!” En dat is het soort zin waar ik kwaad van word want het scheelde alles. Het is het verschil tussen iets waar je later over stoeft en iets waar je over zwijgt. Ik heb die momenten ook gehad. Dan dacht ik die zit er goed in, op de juiste plaats, de timing klopt, alles gaat vanzelf en dan zat ik juist niet ver genoeg of juist te ver om hem gewoon binnen te duwen.

Gewoon. Dat woord heeft ook zoiets onnozels. Alsof alles altijd zo simpel is. Alsof faalangst en twijfel, wegvallen zodra iemand “gewoon” zegt. In gesprekken is dat ook zo. “Ge moet gewoon wat meer praten, “gewoon” beter luisteren, “gewoon” beter uw best doen, alsof het leven zelf een lege goal is en je hem gewoon maar moet binnen duwen.

De match kabbelt verder. Er is minder tempo en meer misverstanden. Er wordt minder gelopen en er worden nog minder ballen goed geraakt. Af en toe is er een duel dat meer weg heeft van een misverstand of van commedia dell’arte. De scheidsrechter laat doorspelen, met het fluitje in de mond maar met te weinig goesting om erop te blazen.

Mijn vrouw roept ineens van boven. “Kom je sebiet ook?” Ik hoor de vraag duidelijk, misschien iets te duidelijk. Ze klinkt zelfs een beetje onheilspellend. Vragen die te duidelijk of onheilspellend zijn, kan  je best op voorhand interpreteren.

 “Kom je sebiet?” en ik denk aan die spits van daarnet en kijk nog eens naar het veld. De verdediging schuift naar voor en is klaar om de spits opnieuw te verrassen.

Demarez zegt: “Hij geloofde erin, maar hij dook toch weer iets te vlug in het gat.”

“Kom je sebiet?” Volgens mij is mijn buitenspelval net opengegaan.

‘De P-300 padelzak’

De rosé stond koud genoeg om gevaarlijk te worden. Natuurlijk zaten de dames eerst aan de toog want de eerste fles was al half. Hun hoofden waren tomatenrood aangelopen en hun lijven waren nog bezweet van die laatste rally die juist iets te kort was geweest om het sport te noemen maar net lang genoeg had geduurd om het als excuus te kunnen gebruiken dat het wel sport was.

Wij venten kwamen lichtjes manktend aangestrompeld, allemaal met een lijf dat alle tijd neemt om nu nog niet beginnen op te spelen. Daar is het morgenvroeg, als we aan de kuis moeten beginnen meer dan tijd genoeg voor. De meeste van ons nemen ook rosé, ik hou het bij water en koffie.

Zij, naam bekend bij de redactie, had een nieuwe padeltas.

Iedereen zag dat direct. Nog voor ze er zelf iets over had gezegd. De zak was groot en zwart, maar zwart genoeg zoals dingen die zwart zijn, zijn wanneer ze serieus willen genomen worden. Hij leek handig ook, maar was toch vooral groot maar zonder dat het stoeferig werd. Er waren geen blinkende ritsen of overdreven logo’s. Je zag aan alles dat dit geen impulsaankoop was die vrouwen soms durven doen als ze slecht in hun vel zitten. Neen deze zak was overwogen en beslist.

Die padelzak was een statement, misschien vooral voor zichzelf, zo van, “mannekes kijk nu efkes naar mijne padelzak en neem hem serieus, of anders neem ik mijzelf serieus.”

“Alleen P300-spelers hebben die,” zei ze, langs haar neus.

Niemand had al iets over haar nieuwe tas gezegd. “Het is een P-300-zak”, zei het half lachend, maar precies ook een beetje verontschuldigend alsof ze al haar padelambities in die zak had verstopt en ze die wilde neutraliseren met een mop.

Ik keek naar die tas en dacht, hoe handig moet het zijn om alles bij te hebben. Extra grips, extra ballen, zeep, shampoo, een frisse handdoek die naar wasmiddel ruikt in plaats van naar oud zweet en er zal zeker ook genoeg plaats zijn voor alle ambities en twijfels want die nemen meestal meer plaats in dan je in één padelzak kwijt kan.

De gesprekken gingen verder, zoals gesprekken dat doen op vrijdagavond als er genoeg rosé is en niemand nog moet winnen. Al leek rosé drinken zelf ook wel een soort competitie te worden. Van padel naar eten, het is  a small step for man, maar one giant leap for een padelgezelschap.  Want, in dat gezelschap worden soms dingen gezegd zonder dat iemand zeker weet of ze wel kloppen.

“Beuling, dat is toch zoute vis?” , zei iemand met zekerheid die exact één seconde overeind bleef.

“Neen,” zei zij, die met de nieuwe padeltas. “Beuling, dat zijn pensen.”

Die bewering werd gefactcheckt op een telefoon die al vettige vingers had van de nootjes en van de gebakken bouletten. En ze kreeg gelijk, al gaf haar dat niet onmiddellijk groot plezier.

Iemand vroeg wat er allemaal in die padeltas zat.

Ze haalde haar schouders op en opende de rits een heel klein beetje. Genoeg om iets te tonen, niet genoeg om iets te zien.

“Gewoon,” zei ze. Maar een volle padeltas is nooit zomaar “gewoon”. Dat weet ik als geen ander. Ik ben zeker dat er onderin die zak een halve kilo beuling verstop zit. Voor straks, als het gesprek stilvalt en iemand ineens zegt dat honger eigenlijk gewoon dorst is die zich vergist heeft.
Ik ben zeker dat in die zak geen halve kilo maar vijf kilo pensen versopt zit. Of een oude blessure, misschien zelfs een verloren match die nog niet helemaal verwerkt is.  Al zou het ook zomaar kunnen dat er een reservespeler inzit, voor later, als zij alleen P300 geworden is.

Onderbroeklogica en een zure ochtendwalm

Half wakker, half met mijn hoofd nog in een droom, sta ik in mijn onderbroek in de keuken met een lepel in mijn hand. De koffie dampt. Ik weet niet zeker of ik er al in geroerd heb, ook niet of ik er al suiker ingedaan heb. Droom ik nu dat ik al wakker ben?

“Eerst een duik in de vijver. Koud water zal me goed doen”.  Water op mijn vel is zo iets dat ‘s mogens automatisch door mijn hoofd wordt beslist. Het duldt geen discussie.  En toch pruttel ik tegen, ook automatisch, “Serieus, ga je nu al die vijver in? Je verspreidt nog een ochtendwalm alsof er een dode mus onder je tong zit. Je vissen gaan doodvallen, een rappe douche dan misschien?”

“Ok, maar eerst koffie. Altijd eerst koffie”, zeg ik tegen niemand en doe verder alsof deze morgen een duidelijke routine heeft. Ik neem een slok. Veel te vroeg en veel te heet, zo blijkt want mijn tong trekt zich terug zoals mijn piemel dat doet wanneer hij merkt dat de temperatuur van het water minder dan zes centimeter is. Met een verdoofde tong en met slapers in mijn ogen wordt mijn aandacht ineens gegrepen door het pakje sigaretten. Het ligt daar zoals het daar altijd ligt, naast mijn portefeuille en mijn sleutels. “Koffie en een sigaret, dat is toch de juiste volgorde”, zeg ik opnieuw tegen niemand.  Ochtenden hebben regels en structuur nodig, anders vallen ze uit elkaar. En ik vind dat er rust zit in voorspelbaarheid. Koffie, een sigaret en daarna ‘t wc. Ik weet ondertussen hoe het moet.

Dan ruik ik aan mijn adem. Het is te zeggen, eerst lik ik aan mijn hand en wapper de geur in mijn richting. Ik ruik nog steeds dezelfde zure ochtendlucht van een nacht die nog niet helemaal vertrokken is en waarin ik precies een onfrisse overjaarse MILF gebeft heb. En plots voelt dat eerste idee van die vijver iets minder noodzakelijk want ik stink vreselijk uit mijn bek. Het is zelfs een beetje gênant.

Van waar het komt weet niemand maar ineens is daar compleet onaangekondigd een ander dwingend bevel dat ook geen discussie duldt. “Ga nu naar de wc”. Mijn lijf laat zich blijkbaar niet plannen en volgt geen logisch schema, het trekt zich gewoon nul de botten aan van mijn zelf opgebouwd ritueel dat er tot nu toe nog geen is geweest.

“Eerst nog een slok koffie en dan gewoon verder doen alsof ik niet door iets van buitenaf gestuurd word. Alles nog even uitstellen”, zeg ik opnieuw tegen niemand die ondertussen al met zijn drieën zijn. Met dat uitstelgedrag gun ik mezelf de illusie dat ik controle heb.

Op de wc zit ik dan toch plots stil. Dat is misschien het enige moment van de morgen waarop alles even mag stoppen zonder dat ik er moeite moet voor doen. Even zijn er geen keuzes en geen volgorde. Gewoon zitten, een beetje naar de muur kijken, en voelen hoe mijn lijf leegloopt en mijn hoofd vol.

“Ok, Koffie. Kakken,tanden… vijver.” Ik zeg het luidop, alsof ik iemand probeer te overtuigen die al lang weg is.  Na de wc kijk ik naar mijn tandenborstel. Hij kijkt terug alsof die me iets wil verwijten. “Eerst poetsen”, roept hij. “Maar koffie na tandenpoetsen maakt mijn bek opnieuw smerig”, protesteer ik in gedachten. En met dat dilemma kom ik helemaal vast te zitten  tussen twee tegenstrijdige keuzes die elkaar in stand houden, maar niet genomen worden, en het is nog maar half acht.

 “Koffie. Kakken, tanden…vijver.” Het klinkt allemaal heel overtuigend en logisch maar ik hoor alleen de twijfels van mijn eigen stem. Ik neem nog een slok. Even testen of die koffie al beter smaakt. Dat doet hij niet. Het is nog steeds dezelfde gewone koffie.

Water heeft geduld, meer dan ik ooit zal hebben”, denk ik want in mijn hof wacht de vijver nog altijd uitnodigend op mijn gezelschap. “Hij ligt daar maar te liggen en trekt zich niets aan van al mijn ingebeelde schema’s die in ’t honderd blijven lopen. Even stel ik me  voor hoe het zou zijn om gewoon te gaan. Zonder koffie, zonder tanden poetsen, zonder plan. Gewoon naar buiten, blote voeten door het natte gras, en net op tijd koud water op mijn vel voor het denken kan beginnen.

Maar ik beweeg niet. In plaats daarvan maak ik een boterham. Want ergens in die warboel van besluitloze volgordes bedenkt mijn lijf dat eten nu logischer is. Zoals altijd smeer ik choco veel te dik, alsof meer choco mijn beslissingen meer gewicht zal geven. Ik sop mijn boterham in de lauwe koffie, neem een hap maar proef nauwelijks iets. Mijn hoofd zit bij de vijver, bij de tandpasta, bij mijn zure ochtendwalm en bij die denkbeeldige versie van mezelf die altijd alles in de juiste volgorde wil doen en daar nooit in slaagt.

Dat pak sigaretten blijft liggen. Dat is nieuw of misschien valt het me nu pas op. Ik schuif het pakje een beetje opzij, alsof ik met die handeling plaats wil maken voor een nieuwe gedachte, een nieuwe keuze. Ik maak ze niet.

De koffie is ondertussen koud maar drink toch verder. Niet omdat ik dat wil, maar gewoon omdat hij er toch staat. Meer redenen heb ik niet nodig.

Dit is zo ongeveer mijn dagelijks ochtendritueel, alleen het is er nooit echt één. Eigenlijk doe ik elke morgen niks anders dan half wakker, half dromend, rondjes draaien rond een vijver die niets van mij vraagt. Ik kijk naar buiten. Het water beweegt rimpelend, alsof het me uitlacht. Ik kan dat niet goed zien van hierboven. En ineens denk ik dat ik er al in ben geweest. Daarstraks net voor die koffie. Die is ondertussen ijskoud geworden en dat is misschien het eerlijkste aan deze ochtend. Alle zaken die “heet” moeten blijven, worden uiteindelijk toch ijs- en ijskoud. Kijk maar naar mijn… (puur uit zelfbehoud beslis ik om deze zin niet af te maken, deze ochtend is namelijk al moeilijk genoeg zo)

Ik zet mijn zjat neer en wacht. Op wat? Dat weet ik niet. Misschien op het moment dat één van die versies in mijn hoofd eindelijk kan beslissen wat er eerst moet gebeuren.

Ondertussen blijft mijn boterham liggen. Mijn tandenborstel ook. Buiten trekt de vijver zich daar niets van aan.

Op voorhand crisis

Onlangs las ik ergens in één of andere blog voor wanhopige mannen dat de gemiddelde midlifecrisis ergens rond uw vijftigste begint. Ergens rond uw vijftigste? Maar wat is dat juist? Is dat vijfenveertig, vijfenvijftig of achtenvijftig met een overdreven interesse voor de kleur van gras waardoor ik elk weekend gelijk een gepensioneerde tuinarchitect in mijn hof loop te koteren? Niemand weet het. Het is voor iedereen verschillend en laat dat het nu zijn met die midlifecrisis. Ze komt wanneer ze goesting heeft, zonder brief en zonder uitnodiging.  Enfin een beetje gelijk mijn ex. Ge ziet of hoort daar jaren niks van en ge peist dat ge er voorgoed vanaf zijt tot ze u voor welke reden dan ook dringend moet spreken.  Blijkt dat ze gewoon geld vandoen heeft en ze dat bij mij hoopt af te troggelen.

Midlifecrisis komt dus ergens halverwege, maar wanneer was ik daar, daar ergens in den helft? Met mijn ADHD heb ik graag structuur, een duidelijke planning, het liefst in Excel met minstens één tabblad in fluo, “toekomstige miserie”. Overzicht dus. Maar het probleem is, mij leven heeft geen structuur. Het heeft alles weg van een rommelige schuif met elastiekjes, opladers, vervallen condooms en drie identieke Ikea-inbussleutels zonder te weten wat die dingen daar liggen te doen.

Daarom kies ik nu al voor crisis.

Mijn madam, die voor onduidelijke redenen nog dikwijls in mijn buurt vertoeft, bekijkt me zoals ze naar een kat kijkt die net de zetel heeft kapot gekrabt en daar zelf heel tevreden over lijkt te zijn.

“Wij zitten al 25 jaar in een relatie,” zei ze. “Dat is de crisis.”

Misschien heeft ze een punt. Het is allemaal al lang geen romantische film meer. Misschien is het ooit zo begonnen maar halverwege, tijdens zijn midlifecrisis, heeft de regisseur voor een ander genre gekozen. Het werd een documentaire over een nieuw logistiek samenlevingssysteem. Wat wij hebben heeft dan ook veel weg van die kleine luchthaven die je ziet in Aircrash Investigations op National Geografic, met vertragingen, onverstaanbare aankondigingen en af en toe een onverwachte noodlanding, en één persoon die altijd kwaad naar de security kijkt.

Vroeger droomden we samen. Nu bespreken we in detail of kaas met groene schimmel nog eetbaar is en wie eerst naar het wc mag.

Een midlifecrisis zou daar allemaal verandering in moeten brengen. Dat heb ik toch gelezen in die blog. Venten kopen een sportwagen, nemen een minares of erger, ze beginnen te padellen en leren Spaans “voor later, op reis”.
Zelf heb ik het bescheidener aangepakt. Ik heb online gekeken of een tweedehands camper betaalbaar is, niet eens om te kopen, gewoon om te kijken. Een uur lang en dat was al redelijk revolutionair.

Ze had het natuurlijk direct gezien, “ga je een camper kopen?”  “Nee”, brabbel ik, “Ik ben gewoon aan ‘t kijken.”

Ik denk dat elke midlifecrisis ongeveer zo begint, met een zoekterm op Google.

En ergens snap ik het allemaal wel want rond deze leeftijd begint alles te kraken. Mijn lijf bijvoorbeeld klinkt gelijk een houten trap uit mijn ouderlijk huis van 1974. En mijne kop begint vragen te stellen over zaken waar ik vroeger helemaal geen tijd voor had. Wat heb ik gedaan? Is dit het? Heb ik hier veertig jaar mijn botten voor afgedraaid en waarom heb ik drie verschillende opladers waarvan geen enkele deftig marcheert?

Zij daarentegen heeft geen crisis nodig. Zij is de structuur zelf, de Excel in ons leven. Met kleurcodes, filters, draaitabellen en met een verborgen tabblad waarin al mijn fouten systematisch worden bijgehouden.

Misschien is een lange relatie gewoon een permanente oefening in hoe je een crisis uitstelt. Ik schuift ze ook voor me uit, jaar na jaar, gelijk dat krantenabonnement dat ik altijd vergeet op te zeggen.

Ineens zegt ze, “we moeten hier eens naar kijken.”
En ik antwoord, “is ‘t dringend?”
“Nee”, zegt ze,  “laat maar. We hebben nog kaas. Ik vroeg me gewoon af of die nog goed is.”

Misschien kies ik bewust voor die dagelijkse kleine crisis. Niet omdat het moet maar omdat het dan eindelijk eens alleen over mij gaat.

Tot ze vraagt wanneer de vuilkar komt en wie de vuilnis buitenzet.

Dan ineens besef ik, dit is geen midlifecrisis.

Het is gewoon zondag.

De ultieme Padel-les voor koppels

Ze hadden het nochtans vooraf afgesproken “gewoon voor het plezier”. Het spelletje start dan ook zoals het spelletje hoort te starten, met ballen die braaf over en weer gaan, maar dat ook doen met een onheilspellende rust die veel te kalm is om onschuldig te blijven. Twee lichamen die al lang niet meer in topconditie zijn. Maar zich voor de gelegenheid hebben uitgedost in een tot in de puntjes doordachte sportoutfit, een padeloutfit die voor beiden veel meer belooft dan hij kan waarmaken.

Haar lijf zit als gegoten in dat laatste nieuwe padelpakje. Je moet haar zien. Ze ziet eruit alsof ze net uit een reclamefilmpje van Bullpadel is gestapt. Haar perfect uitgekozen ‘ensemble’ zit strak en oogt professioneel. De kleuren zijn assorti met de schoenen, de sokken met haar ondergoed. Ze kan zo défilé lopen op de padel catwalk van een sports illustrated modeshow. Ze zou er niet op misstaan. Haar modieuze rokje volgt haar lichaam met een soort zelfvertrouwen en elegantie die haar voeten niet altijd lijken te delen. Zij heeft een splinternieuw, vederlicht racket dat blinkt in wit carbon, een model waarmee vermoedelijk de halve World Padel Tour-finalisten ontelbare winners hebben geslagen. Alles aan haar ademt controle, elegantie, finesse en ervaring.

Hij daarentegen houdt zijn racket vast alsof het een biljartkeu is. Hij kocht het onlangs in dezelfde winkel.  Topmateriaal, had de verkoper gezegd. Sinds dan is hij er van overtuigd dat hij zich ergens in de buurt van een P-1000 bevindt, een niveau dat er in zijn hoofd alleen maar uit bestaat om in gedachten heel hard “vamos” te denken zonder het luid te durven uitspreken.  Hij draagt compressiesokken die zijn onderbenen er doen uitzien als kiekepoten. Ze zijn voorzien van twee orthopedische kniebraces die elke stap die hij zet, laat voorafgaan door veel te lange onderhandelingen.  De schouderbrace die hij op maat heeft laten maken, houdt zijn bovenlijf bijeen alsof dat ook een fragiele constructie is die anders uit elkaar valt bij de eerste voorzichtige slag. Zijn outfit is hip, al zou die veel beter passen bij iemand anders (jonger, sportiever, cooler) maar hij was wel duur. Dat telt ook ergens.

De eerste spelletjes verlopen ontspannen en staan bol van goede bedoelingen. Tijdens de opwarming al slaat zij voor hem onhoudbare ballen terug.  Hij corrigeert, vooral tactisch en voorzichtig, “iets dichter bij het glas en iets meer naar het net”, zo klinkt het.  Het zijn kleine, bijna liefdevolle aanwijzingen, die nog net geen kritiek zijn. Zij knikt van achter haar zonnebril, maar haar blik blijft toch al een fractie langer op de baan hangen, alsof zijn boodschap onderweg nog even moest uitwijken langs een omweg in haar hoofd alvorens hij landde waar het bedoeld was. “Ja ja,” zegt ze, al lichtjes geprikkeld en iets luider dan strikt noodzakelijk. Ze wil immers ook leren en winnen maar vooral, ze wil tonen dat ze zelf haar balletje (mannetje) wel kan slaan (staan).

Tijdens het eerste spelletje valt een bal tussen hen in. Hij was niet beslissend want nadat het splinternieuw wit carbon racket zijn minder dure racket raakte, belandde de bal ergens in het achterveld.  Die bewuste bal vloog naar de overkant van de baan en werd geslagen met genoeg ernst om het plezier te laten verdwijnen. Het was dat soort bal die in een relatie hetzelfde gewicht heeft als een lege rol wc-papier die niet tijdig vervangen is of de spreekwoordelijke wc-bril die niet dicht is , triviaal en niets op zich maar symbolisch in alles. 

Zij zegt dat bewegen en communicatie belangrijk zijn.  Hij hoort alleen maar, “tamme zak, beweeg eens dat was jouw fout.”  Als het tweede spelletje start, spreken ze ineens een andere taal. Het zijn geen zinnen meer. Hun communicatie heeft veel weg van oerkreten waarmee Neanderthalers elkaar afblaffen. Ze blijven ergens hangen tussen sturen en verwijten. “Die was van jou”, snoeft ze. “ Maar je zei niks”, reposteert hij, nog enigszins beleefd.

De padelbaan verandert. De lijnen blijven waar ze altijd al zaten, het glas blijft ook op zijn plaats maar met elke slag lijkt het veld kleiner en de afstand naar de overkant van het net groter. Elke bal krijgt de lading mee van de vorige.  Niets begint nog op nul, zelfs het volgende spelletje niet.

Een bal valt opnieuw tussen hen in. Hij staat links zij rechts. Eerst kijken ze er allebei naar, dan  naar elkaar. Niemand beweegt. “Serieus?” zegt hij. “Wat?”, blaft zij terug. Ze kijken elkaar aan alsof ze zelfs niet meer weten dat de bal moet opgeraapt worden. “Pak hem zelf!”, bitst ze.

Vanaf dan gaat het sneller. Zij begint nog harder te slaan alsof kracht kan redden wat ze al lang niet meer onder controle hebben.  Ballen vliegen tegen het glas, tegen het net of over de kooi. Het maakt nog weinig uit. Het moet vooruit gaan. Hij vergeet zijn eigen blunders en geeft een theoretische verklaring voor elke fout en voor elke reden een uitleg die ook in het net beland of tegen het glas.  Alleen zijn woorden worden scherper, zijn slagen volgen niet.

Op het veld ernaast wordt niet meer gespeeld. Er wordt met open mond gekeken naar het spectakel. Iemand leunt tegen het hek.  Iemand anders verslikt zich in een slok water. Vanuit de cafetaria schuift een stoel en nog één.  “Zij zijn precies niet meer aan het padellen,” zegt iemand. “Moeten we niet eens gaan kijken?”

Aan de overkant kijken de tegenstanders elkaar eerst nog  glimlachend aan. Een soort glimlach die zegt, “dit gaat wel over”. Ze proberen nog even, een bal terug en nog één. Uiteindelijk laten ze een punt lopen dat ze makkelijk hadden kunnen winnen, uit voorzichtigheid of medelijden, wie zal het zeggen? Elke rally dreigt drie keer onderbroken te worden met, “Je moet op tijd ‘los’ roepen! En jij moet niet elke bal tegen de ruiten kloppen!”

Zij vindt dat hij te veel analyseert. Hij vindt dat zij niet luistert.
Hij vindt dat zij altijd controle wil. Zij vindt dat hij te veel ‘ballen van haar’ neemt.

Haar outfit blijft ondanks alles perfect zitten. Wanneer ze een bal mist, doet ze dat esthetisch verantwoord. Het rokje vangt elke beweging op en het racket volgt een lijn die op papier misschien nog wel klopt, alleen de bal doet niet meer mee. Die heeft ondertussen alle ruiten proper gemaakt. Dat maakt het voor hem allemaal nog erger.

Hij daarentegen begint, zoals dat in YouTube-filpmjes uitgelegd wordt, zijn greep op het racket te verleggen, subtiel maar compleet fout. Een teken dat hij wil terugvallen op instinct, alleen heeft hij nog nooit instinct ontwikkeld omdat hij te trots is om les te volgen. De combinatie van overtuiging en onkunde krijgt iets ontroerends, tot het dat niet meer is.

Bij 1-9 is het voorbij. Officieel toch. Ze tikken af, correct en beleefd, zoals het hoort, met rackets tegen elkaar, maar ook met een hand die net iets te hard wordt geschud. Het einde kwam veel sneller dan verwacht of niet snel genoeg, dat kan ook.  De uitslag was al lang bijzaak, want het spelletje vertoonde veel te veel gelijkenissen met de Roses uit The war of the Roses net voor ze in hun alles verwoestende vechtscheiding terecht kwamen.

 Ze verloren dan ook roemloos en dat stond al een tijdje vast. Wat niet vaststaat, is wat er tijdens dat spelletje precies nog allemaal is verloren gegaan.

Het advies vanuit de cafetaria komt ongevraagd, maar het is voor hen beiden heel duidelijk. Niet meer samen spelen. Niet omdat het niet kan maar omdat niemand wil zien wat er dan echt kapotgaat.

Kleine misantroop als influencer van zelfkennis

Wanneer mijn hoofd beslist heeft dat rust voor mij een theoretisch concept is dat werkt zoals kwantumfysica, weet ik niet. Niet dat ik iets van kwantumfysica afweet trouwens, en laat dat nu juist het punt zijn. Misschien zit datgene (wat ik nog geen naam heb kunnen geven) al van bij mijn geboorte op te spelen omdat het in mijn DNA zit net zoals scheve tanden of een familienaam waar niemand trots op is.  Maar het kan evengoed zijn dat ik gewoon ooit tegen iets ja heb gezegd terwijl ik nee had moeten zeggen en daardoor ontspoord ben en helemaal uitgewassen ben tot iets dat niet meer te controleren valt.

Soms denk ik dat ik een wandelend alarmsysteem ben met een hoofd, een lijf, met armen en benen. Want alles piept. Alles kraakt. En alles knippert. Mijn zintuigen staan ook altijd aan. Als hypochonder, chronisch pleaser ben ik ook superslecht relatiemateriaal. Voeg daaraan toe dat ik onzeker en licht obsessief-compulsief door het leven stap met een zelfverklaarde vorm van ADHD en je krijgt een spectrum dat nog moet uitgevonden worden.

Alle bovenstaande diagnoses heb ik trouwens bij mezelf gesteld, zonder tussenkomst van de mutualiteit omdat zelfkennis nog altijd niet wordt terugbetaald.

Door al die aandoeningen is het me niet gelukt om een universitair diploma te behalen maar ben ik wel eigenaar van een eredoctoraat piekeren dat uitgereikt werd door een gerenommeerde jury in mijn hoofd. Volgens hen bezit ik het uitzonderlijk talent om me altijd en overal over alles zorgen te maken. Zo kan ik bijvoorbeeld vooruit piekeren, achteruit piekeren en voor de afwisseling kan ik ook mega-piekeren over het feit dat ik pieker. Me ontspannen doe ik dus alleen in theorie en zelfs dan struikel ik over mijn eigen voeten.

Relaties heb ik ook. Vooral toxische en bij voorkeur professionele, waardoor ik met mijn bazen steevast in situaties beland die beginnen met iets wat lijkt op samenwerken maar eindigt als een psychologisch werkstuk. Na verloop van tijd weet niemand nog wat het probleem was, of het er ooit één geweest is en wie nu uiteindelijk dader of slachtoffer is. Ik neem de vrijheid om dat fenomeen de hiërarchie-stoornis te noemen. Concreet, ik zeg altijd ja, denk meestal nee, doe vaak misschien of half-zijn-gat en voel me achteraf altijd schuldig over het resultaat. Grenzen heb ik ooit gehad, maar die zijn op een dag verdwenen zonder een adres achter te laten. Geen telefoonnummer, geen emailadres. Niks.

Hoewel ik graag met een racket tegen een bal klop, weiger ik me lichamelijk over te geven aan die nieuwe sport- en fitnesscultuur, dat helemaal in tegenstelling tot oude eetculturen, waar ik alles wil van weten en drinken.  Deze interesse heeft geleid tot een iets te hoge BMI en een alarmerende cholesterol. Ik ben ook de niet-trotse bezitter van mantieten.  Ik vind ze niet leuk om niet te zeggen dat ik er absoluut geen fan van ben. Ik haat ze maar ze operatief laten verwijderen krijg ik niet over mijn hart want dat zou aanvoelen als verraad aan mijn innerlijke feministe. Dus ik laat ze gewoon hangen, uit principe. Ze worden niet door een walvissenbaleinen-BH ondersteund maar zijn wel sterk ideologisch onderbouwd. Samen met mijn tieten doe ik namelijk elke dag alsof we een statement maken om niet te voldoen aan dat opgedrongen, mannelijke schoonheidsideaal.  Dat lukt buitengewoon goed. Ik draag mijn tieten dus tegelijk met trots en schaamte. De enige vorm van multitasking die lukt.

Voor ik het vergeet te zeggen, ik ben ook alcoholist, al ben ik al langer dan een decennium in herstel. Dat betekent concreet dat ik het voor anderen extreem gezellig kan maken zonder zelf ook maar enige vorm van plezier of genot te ervaren. Hierdoor werd ik doodsaai en bruut-eerlijk zonder één enkel charmant kantje over te houden.  Water drink ik alsof ook dat een statement is en kijk ik naar wijn zoals ik kijk naar mijn ex die zegt dat ze geëvolueerd is en dat het allemaal beter gaat. Ik vertrouw haar nog altijd evenveel als dat glas wijn.

Zal ik er dan geen doekjes rond winden? Misschien ben ik een influencer van zelfkennis of een kleine misantroop. Al draag ik dat label op een heel inclusieve manier. Ik heb namelijk aan alles en iedereen dezelfde stronthekel, vooral aan mezelf. Vooral in groep speelt dat op. Daarom mijd ik drukke plaatsen omdat die me altijd het gevoel geven dat iedereen mijn strot wil toeknijpen. Babbelen over ditjes en datjes, smalltalk dus, ervaar ik als psychologische oorlogsvoering. Wanneer iemand nog maar vraagt, “alles goed”, hoor ik al mijn interne sirenes afgaan en wil ik het liefst een AK-47 kopen al zou ik er ook genoegen in vinden om de persoon in kwestie eigenhandig de strot dicht te knijpen.

Wie of wat ik zoek? Absoluut niets of niemand. Ik wil geen match, geen klik, geen mening, geen vonk en geen gesprek waarin het plots drie uur ’s nachts wordt. Ik wil gewoon dat je dit leest en even de wenkbrauwen fronst, om me nadien gerust te laten. Ik hoop trouwens dat nadat je dit gedaan hebt, je tot de conclusie kwam dat je nog liever contact zoekt met je plaatselijke bibliothecaris dan met mij. Een hond nemen is trouwens geen oplossing want die voelt mensen aan.

Mijn grootste sterkte is zelfkennis tot op het bot met een vleugje ironie en sarcasme als verdedigingsmechanisme. Ik bezit namelijk de indrukwekkend efficiënte eigenschap om elk schoon moment met dynamiet op te blazen door het op voorhand kapot te analyseren. Mijn zwaktes? Bijna alles, behalve pindanoten eten, sigaretten paffen en koffiedrinken.

Zou je overwegen om na deze sarcastische mijmering met mij toch nog een gesprek te willen aanknopen, geef ik je de raad om hulp te zoeken. Voor ons beiden. Voor elkaar. En zeker niet samen.  Cognitieve gedragstherapie of EMDR schijnen prima resultaat op te leveren. Ik heb daar een goed adres voor.

Probeer nooit te worden wie je al bent

Nog nooit, en zeker niet na dat laatste bezoek aan die luxueuze spa ergens in de Oostenrijkse Alpen, heb ik de behoefte gevoeld om me als vrouw te identificeren. Dat durf ik hardop zeggen, zeker op dagen dat ik mezelf geloof. Dat lijkt me trouwens iets bijzonder ingewikkeld, jezelf overtuigen dat je vrouw wil worden terwijl je een leven lang een vent geweest bent, zelfs al zit er de laatste tijd een beetje sleet op die mannelijkheid.  Ik heb mezelf ooit grotere leugens wijsgemaakt maar dit idee aan mezelf verkopen lijkt me onmogelijk.

Als ik mijn vrouw mag geloven weet ik weinig of niets af van vrouwelijkheid en al zeker niets van vrouwelijke psychologie. Waarschijnlijk heeft ze gelijk want mijn kennis komt hoofdzakelijk voort uit slechte (subjectieve) observaties of uit meningen die ik achteraf liever niet had gehad. Vrouw worden dus. Begin ik daaraan met een hoger stemmetje van mijn nieuwe identiteit? Dat typische stemmetje dat altijd op zoek is naar bevestiging want daar heb ik ervaring mee?  Of doe ik dat met waggelende botox-billen die iets te nadrukkelijk naar achter willen geduwd worden zodat ze ongevraagd aandacht krijgen zonder precies te weten waarvoor ze dat doen? Of moet ik gewoon mezelf en anderen overtuigen van dingen waar ik absoluut geen bal vanaf weet?  Dan pas zou ik aan mijn geslacht gaan twijfelen, of hoe we dat tegenwoordig ook noemen wanneer we onszelf een beetje kwijt zijn.

Helemaal onzeker zou ik worden als ik op voorhand al neen begin te schudden terwijl ik eigenlijk ja bedoel, maar mijn antwoord nog eerst een omweg moest maken langs drie onzekere gevoelens die elkaar niet kennen en elkaar niet vertrouwen. Misschien moet ik dit innerlijk gesprek vannacht in een droom verderzetten. Daar heeft niemand last van de dubbelzinnige lichaamstaal van de vrouw die ik niet ben en daar kan ik tenminste gewoon doen alsof. Overdag ben ik toch maar een verzameling tegenstrijdige gedachten die niet altijd even beleefd blijven. ’s Nachts zeg ik trouwens ook nooit ergens nee tegen.  Gun me dus maar de illusie dat dit het ultieme bewijs is dat ik me nooit als vrouw zal kunnen identificeren. Al is het ook goed mogelijk dat ik overdag gewoon een lafaard ben en ’s nachts een dromerige fantast.

Toch zie ik ’s morgens in de spiegel een lijf dat lang met de zwaartekracht onderhandeld heeft maar die onderhandeling aanging alsof het een slecht georganiseerde vakbond is. Maar zwaartekracht onderhandelt niet en spiegelglas liegt niet. Helaas. Beiden tonen me ronder wordende vormen en manborsten die niet meer fier vooruit staan en zelfs een klein beetje naar het zuiden neigen alsof ze beschaamd zijn voor hun verloren trots. Als ik echt heel hard mijn best doe, zie ik daar iets vrouwelijks in. Vooral paniek en overgave dan. Maar ook iets dat meegaand is maar door de uitdeining van het heelal lichtjes uit vorm is geraakt. Alleen ontbreekt me de drang om hiervoor hysterisch te beginnen wenen. Ik voel ook geen neiging om een personal trainer onder de arm te nemen die me aanspoort om in een morele oorlog tegen elke vetrol te vechten alsof het mijn maatschappelijke plicht is.  Een oorlog, tussen haakjes, die ik persoonlijk heb uitgevonden.  

Ik bekijk mezelf in de spiegel en de mannelijke alfa-ziel in mij haalt gerustgesteld en vastbesloten de schouders op. Dat doet hij vooral wanneer hij bang is.  Hij zegt zelfvoldaan, “een vrouw word ik niet. Nooit.” Ook al is hij wantrouwig, hij sust zich met de overtuiging dat hij wellicht nooit enige behoefte zal voelen om zich als vrouw te identificeren.

Sommige alfa-mannen die ongewild eigenaar zijn van een huizenhoog ego willen zich nu al identificeren met de geschiedenis, als man of als nieuwe vrouw, zolang ze maar als monument op een of andere grote markt worden neergezet. Als het kan in brons maar liefst in bladgoud.  Ikzelf zie het minder groot. Ik wil me gewoon identificeren als een andere man. Dat is op zich niet moeilijk want die bestaat al, zij het in gedachten. Hij staat ook voor de spiegel.  Hij staat rechterop, is minder uitgezakt en zijn blik is vastberaden, zonder agressie. Hij is slimmer, sterker en ook betrouwbaarder dan ik. Hij vindt altijd de juiste woorden en beter nog, hij weet wanneer hij ze moet inslikken. Hij is succesvol maar op een manier dat niemand er zenuwachtig van wordt. Ambitieus is hij ook maar dan zonder arrogant te zijn. Hij ziet er niet slecht uit maar dan op een nonchalante manier, alsof hij per abuis aantrekkelijk geworden is en zich daar zelfs een beetje voor schaamt. Ik ben het niet, maar ik identificeer me wel met hem.

Hij gaat achteloos door het leven, trekt zich niks aan van wat anderen over hem denken en volgt daarbij een pad dat alleen door hem is aangelegd al lijkt het soms verdacht veel op een goed uitgestippelde vluchtroute. Vrouwen, en ik overdrijf niet graag, maar vrouwen voelen onmiddellijk dat hier een man staat die weet wat hij wil. Hij hoeft hen niet uit te leggen waarom hij altijd een beetje meer ruimte inneemt. Hij weet precies wanneer hij aandacht moet geven maar ook perfect wanneer het licht moet gedimd worden.  Hij zwijgt op tijd want hij is niet bang dat zijn stilte iets over hem zal verraden. Gevoelige vrouwen die zich zelfverklaard zacht wanen maar ook licht chaotisch en structureel besluiteloos zijn, worden als vanzelf naar hem toegezogen.  Ze giechelen met zijn moppen, zelfs met diegene die hij nog nooit op anderen heeft uitgeprobeerd. Met die man identificeer ik me. Al heel mijn leven lang, want hij leeft het leven dat ik alleen in theorie helemaal beheers.

’s Nachts wordt het helemaal angstaanjagend realistisch want in mijn dromen ben ik hem al. Daar kan ik hem overtuigend nadoen. Helemaal. Compleet. Dan spreek ik vloeiend minstens zes talen, handel altijd beheerst en wek daarbij bewondering zonder dat ik het zelf opmerk. En juist dat feit, dat niemand anders het opmerkt, maakt het zo geloofwaardig. Dit is de man die ik diep van binnen ben, de man met wie ik me identificeer. Het is de man die mijn angst ontworpen heeft zodat ik nooit meer hoef te testen of ik hem werkelijk ben. Met hem zou ik trouwen mocht ik me toch ooit laten verleiden om een vrouw te worden.

En nu ga ik in transitie. Niet naar een vrouw maar naar een versie van mezelf die ik waarschijnlijk niet wil zijn, maar van wie mijn spiegel voorlopig nog gelooft dat ik hem kan worden.

Een elastiek rond een piemel of waarom hetero’s beter wel het woord ‘partner’ zouden gebruiken

Ik moest even gaan zitten. Eerst dacht ik dat ik een script van ‘de ideale wereld’ aan het lezen was. Niks daarvan het was ‘De Standaard’. Een hoogleraar taalkunde van de universiteit van Leuven stelt voor dat hetero’s vanaf nu massaal het woord “partner” gaan gebruiken wanneer ze “hun lief” bedoelen.  Dan kunnen LGBTIQ-mensen hun identiteit beter verdoezelen. Serieus? Ja serieus!

Als ik Dorien Van de Mierop mag geloven, zij is de hoogleraar in kwestie, is “partner”, voor LGBTIQ-mensen een nieuwe geheime code. Een soort morse-taal die impliceert, “ik ben superqueer, maar zeg aub niet luidop dat ik maar pas in transitie ben.” Fascinerend allemaal.

Nog fascinerender, dat de prof in kwestie ervan uitgaat dat het mij maar iets kan schelen hoe mensen zich identificeren en tot welke sociologische subgroep hun lief, excuseer, “hun partner” behoort” en hoe dat kan gemaskeerd worden.

Wees dus welkom in het absurde universum van de taalwetenschap en van de nog absurdere prof die er haar stokpaardje of haar hobbelpaardje van maakte.  Als we haar laten doen, krijgen woorden straks buiten een betekenis er ook gratis en voor niks een sociaal-seksuele camouflagestick bij, om te verdoezelen wat ze allemaal kunnen impliceren.

Voortaan zal elke lgbt, lhbti, lgbtq, lhbtqia, elke plus, elke min, elke x, y, z en bij uitbreiding uw schoonmoeder uit Boemerskonten het woord “partner” moeten gebruiken. Enkel op die manier zullen alle negatieve, sociale signalen verdwijnen en wordt dat woord eindelijk “neutraal”. Want zo simpel werkt taal in de taalkanselarij natuurlijk. Alsof woorden ineens uit zichzelf beginnen te evolueren en dat sociale betekenissen ervan vanzelf verdwijnen of er op een wonderbaarlijke, grillige manier bijkomen. Taal als laboratoriumexperiment dus, maar waarom hebben ze dat dan niet eerst op ratten uitgetest?

Dit is een schoolvoorbeeld, excuseer, een universiteitsvoorbeeld van overcompensatie van een specifieke doelgroep die zo ver gaat dat de term inclusie zelf ondergesneeuwd raakt door al dat academisch gezwets. Alsof “partner” ineens de magische sleutel wordt die de wereld warm, begripvol en inclusief zal maken, terwijl taal gewoon al moeilijk, complex, grillig is en dikwijls genoeg een onoverzichtelijke puinhoop geworden is.

Zeg gerust je “partner” als je dat plezant vindt. Maar heb alstublieft niet de overmoedige illusie dat je daarmee de wereld beter zal maken of dat je een geheime code hebt ontdekt die LGBTIQ-mensen een “veilig gevoel” zal geven. Alleen een condoom kan dat, maar taal is geen rekbaar elastiek die je rond een piemel schuift. Soms is taal gewoon iets waar mensen mee praten zodat anderen verstaan wat je bedoelt, en niet om zelf gecreëerde sociale signalen mee te manipuleren, te voeden of te verdoezelen.

Eerst moest de LGBTIQ-gemeenschap overal zendtijd krijgen, zichtbaar zijn, benoemd worden, liefst met hoofdletters, vlaggen en wimpels en met punten en komma’s. Want iedereen moest weten wie ze waren. En nu? Nu willen ze opnieuw opgeslokt worden in de grote, brede, exclusieve, betekenisloze “partner-gemeenschap” zodat ze onherkenbaar zijn. Begrijp jij het nog, of ligt het aan mij?

Kan het niet allemaal een klein beetje bescheidener? Want elke keer als straks in Gent of Antwerpen iemand het woord “partner” zegt alsof het een nieuw ineen-geknutseld-inclusie-instrument is, zal ik zeggen, “da gaade gij nie bepaale!”.

Gesponsorde bullshit met een kortingscode

Strontmoe ben ik het, niet een klein beetje sarcastisch moe maar echt strontbeu. Ziekmakend is het. Op de plaats waar ik vroeger een beetje mentale rust vond, liggen nu advertenties te rotten.

Het begint ’s morgens al. Zelfs op kerstdag. Nog voor ik goed en wel mijn ogen heb opengetrokken, ligt die fucking gsm al als een opgefokte hond in mijn oor te hijgen. Iedereen wil iets van mij en iedereen wil het me laten weten. Wat zogenaamd goed en juist is, waar ik beter van moet worden, nog voor ik zelf weet dat ik iets mankeer. Niemand houdt nog gewoon zijn bek.

Vijf- tot zesduizend reclameprikkels per dag, dat is geen marketing meer dat is pure mishandeling. Terreur. Elke vijf seconden tikt een ingebeeld iemand ongevraagd op mijn schouder, die komt zeggen, “heb je dit of dat niet vandoen want zoals je er nu uitziet ben je niet af. Zoals je er nu bijloopt, ben je geen van ons. Heb je dit of dat al eens geprobeerd?” En als het geen product is waar ik al niet zat op te wachten, is het tegeltjeswijsheid in een gesponsorde levensles. Gesponsord. Uiteraard.

Zwijg me over al die fucking influencers. Dat zijn geen mensen meer, dat zijn wandelende reclameborden met gesponsorde gezichten. Allemaal tuiten ze hun lippen gelijk een gans maar lachen doen ze niet want dat rendeert niet. Zelfs na hun laatste mentale breakdown willen ze me iets verkopen. “Ik deel dit even met jullie omdat het belangrijk is.” Hou toch je bakkes. De enige reden waarom je dit deelt is omdat er geld in zit.  Zelfs de ziel of het geweten van je moeder zou je verkopen. Wees tenminste eerlijk in je smerigheid.

Ik wil niks proberen en al zeker niks kopen. Ik zal zelf wel bepalen wie mijn redding zal zijn. Auto’s, kleren, rust, focus, zelfliefde, alles moet in dezelfde Zalando-, Amazon-, of bol-dot-com-doos passen. Allemaal laten ze uitschijnen dat mijn existentiële ellende maar zal verdwijnen met dit of dat product. Ik heb geen tekort aan producten, ik heb een tekort aan rust. Ik wil geen overdosis bullshit-gelul meer.

Mijn brein is stilaan een vuilnisbelt aan ’t worden waarop elke marketeer, elk bedrijf en elke influencer zijn, met reclame bedrukte vuilzak rotzooi dumpt. De Hoge Maey is er niks tegen. En ik zou nog dankbaar moeten zijn ook.  Als ik alles moet geloven zou ik met al die zever tien andere versies van mezelf kunnen kopen. Dank-u, maar ik moet jullie zogenaamde luxe niet. Ik moet er niet voortdurend herinnerd te worden aan alles wat ik niet ben. Daarvoor ga ik wel naar een psycholoog.

Zelfs mijn stilte wordt kapotgemaakt met meditatie-apps die tegen me praten met ademhalingsoefeningen met een abonnement. Ik wil betalen om gerust gelaten te worden. Elke dag word ik door het internet en al die social bullshit in elkaar geklopt om daarna een pleister en een pilletje tegen de zeer te krijgen, tegen betaling of met een abonnement.

Ik scroll mee. Ongewild.  En dan haat ik mezelf. Want dat is misschien nog het smerigste, ze hebben me zo ver gekregen dat ik medeplichtig geworden ben aan mijn eigen overprikkeling, uitputting en ergernis.

Ik wil geen gesponsorde of geïnfluenste merken meer, niet aan mijn lijf, niet in mijn hoofd en niet in mijn gsm. Ik wil geen producten. Ik wil geen beloftes meer en zeker geen opgedrongen abonnementen met fucking kortingcodes. Ik wil dat alles stopt. Dat iedereen stopt met die gesponsorde bullshit in mijn strot te duwen. Ik wil dat mijn gedachten weer van mij alleen worden, zelfs al zijn ze lelijk, onsamenhangend en nutteloos.

Maar dat verkoopt niet. Dus spuug ik ze hier maar in jouw feed. Gratis en voor niks.

Tupperwareoorlog

Het is een doordeweekse middag, zonnestralen op de tafel. De gazet binnen handbereik. Alles lijkt harmonieus en rustig. Ik rommel wat in de keuken en denk naïef dat ik veilig ben.  Tot mijn gezicht verandert in de blik van een chirurg die zegt, “meneer, misschien kan je toch beter even gaan zitten.”

Alles begint met één enkel Tupperwarepotje uit de vaatwasser. Voor haar is het orde, een systeem en een masterplan van efficiëntie, alles op één plek, klaar voor later. Voor mij is het een plastieken oorlogsverklaring in pastelkleuren. Een legitieme reden voor relatietherapie. Elk plastic potje komt nat uit de vaatwasser. Altijd. Zonder uitzondering. Het deksel past niet meer en het bevat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nog sporen van bolognaisesaus uit 2004.

Ik open de kast. De bewuste kast, je weet wel. Elke keuken heeft er een. Ik doe het met de voorzichtigheid van een archeoloog die voor het eerst een sarcofaag aanraakt. Een lawine van potjes dondert naar beneden alsof de keukenkast besloten heeft, vandaag moet hier iemand kapot.

Zijn het de Russen?  Is het Trump? Deksels vliegen in het rond als drones zonder afstandsbediening. De plastic torens, volgens haar “zorgvuldig” gestapeld, blijken instabiele piramides van huishoudelijke waanzin. Deksel nummer 34B dat eigenlijk op potje 17C zou moeten passen, zit op pot 67A en sluit van geen kanten. De kast puilt uit van Tupperware, micro- en macroplastic. Eén verkeerde beweging, één mistasten en je hebt geen relatie meer maar een afvalcontainer vol pastelroze plastic.

Zij ziet vooral handigheid. Ik zie alleen chaos. In 3D. TUPPERWARE, Het woord dat elke man vreest, maar in geen enkel relatieboek terug te vinden is. Niet het dopje van de tandpasta. Niet de wc-bril. Niet de vuilbak die nog buiten moet gezet worden. Dat zijn voorhoedegevechten, kleine veldslagen. TUPPERWARE, dat is nucleaire en chemische oorlogsvoering. Ergens tussen de kast, de vaatwasser en de ijskast schuilt de dreiging van een onoplosbaar conflict, een stille oorlog die jaren kan duren en generaties kan overleven.

“Je moet dat gewoon anders stapelen,” zegt ze even rustig als een DOVO-expert die de instructie geeft, “gewoon de rode draad doorknippen.”  Ik probeer te antwoorden, maar het enige wat ik produceer is een fluittoon van een V1-bom net voor ze haar doel treft.

Dan open ik de ijskast. Wat daar gebeurt, tart elke vorm van logica. Dit is geen opslag. Dit is biologisch verzet. Drie weken oude couscous, een restje chili dat meer weg heeft van groen mos dan van een overschotje. Halve paprika’s die hun identiteit al lang hebben opgegeven. Allemaal onherkenbare etensresten die stilaan beschouwd kunnen worden als beschermd natuurgebied. Alles netjes gestockeerd in diezelfde pastelkleurige Tupperware potjes. Voor haar is het praktisch. Voor mij is het een schimmelrevolutie, een laboratoriumexperiment van biologische horror. Terreur voor de volksgezondheid.

“Waarom laat ge dit nog staan?” vraag ik enigszins verbijsterd en bijna kokhalzend, terwijl mijn neus protesteert en mijn maaginhoud alle moeite van de wereld doet om niet in tegenovergestelde richting mijn lichaam te verlaten.

“Voor later”, zegt zij kalm, alsof het vanzelfsprekend is. “Da’s toch zonde om alles zomaar weg te gooien.”

“Zonde?” protesteer ik, terwijl ik wijs naar een soort groene, harige cultuur die in het doosje floreert. “Dit is geen voedsel. Dit is een incubator voor een gezinsdrama. Dat is geen ijskast, dit is een broeihaard van mutaties voor de kweek van nieuwe schimmels en ongekende bacteriën.  Dat moet in quarantaine.  Dat is hoe pandemieën ontstaan. Ik ben redelijk zeker dat covid 19 uit zo’n potje is ontsnapt.”

Zij haalt haar schouders op. “Overdrijft ge nu niet een beetje?” Da’s toch handig. Multifunctionele potjes om alles te bewaren en alles terug te vinden.” Zij probeert nog tevergeefs een onderhandelingspositie in te nemen.

“Multifunctioneel? Desastreus ja!” roep ik meer dan licht geïrriteerd. Voor mij blijven dat allemaal natte, misvormde stukken plastic, minstens biologisch verdacht maar zeker een aanval op onze huiselijke zekerheden.” Mijn grens is bereikt. “Alles stapelt verkeerd, het komt nat uit de vaat, het stinkt alsof een groen leger het huis heeft overgenomen, en je riskeert er je gezondheid mee.”

Ze haalt haar schouders op, glimlacht een beetje ongemakkelijk en spartelt nog even tegen, haar laatste intenties, maar het was duidelijk. Dit gevecht had een winnaar. Ze zet het laatste potje op het aanrecht, nat en beschimmeld, terwijl ik de alles veranderlijke waarheid uitspreek, “Tupperware is brol. Overbodig. Een bron van chaos, natheid en biologische horror. Weg ermee.

”De kast ademt ondertussen opnieuw. De ijskast slaakt een zucht van verlichting, en de vaatwasser kan zich voor het eerst sinds mensenheugenis sluiten zonder diplomatieke tussenkomst bij een hoogoplopend conflict over vocht, deksels en restjes.

Zij kijkt naar de lege ijskast en glimlacht een beetje weemoedig. Terwijl ergens achteraan in het koelvak, op de plaats waar het licht van de ijskast nauwelijks schijnt, een vergeten potje pesto voelt dat ook haar tijd gekomen is.

Ook de glazen conserven beginnen voor hun lot te vrezen. Zure ajuintjes, kappertjes, augurken, allemaal met een vervaldatum die tijdens de tweede legislatuur van Verhofstadt al was overschreden, schuifelen zenuwachtig dichter tegen elkaar.

Ze beseffen, als Tupperware valt, zijn wij de volgende. En heel even begint de microgolfoven zich ook zorgen te maken.