Zomer in de winter.

Acht heb ik er en nadat ik al diegene die niet automatisch terug gedraaid worden, een uur heb afgenomen, laat ik één uurrwerk op zomeruur staan zodat die flikkerende lichtjes me er tot na de winter aan zullen blijven herinneren dat ik vandaag een uur meer heb gekregen om te doen waar ik zin in heb zonder me te moeten haasten. Vandaag en al de andere dagen die volgen in deze nieuwe tijdelijke tijdzone mag ik een uur langer moe zijn dan gisteren en mijn ochtenderectie mag een uur vroeger en een uur langer de knopjes van mijn boxershort losduwen want ik ben toch de enige zot die vandaag op dit onchristelijke uur de dingen al begroet. Voor het ingebeelde hoogtepunt dat me daarnet plotseling uit mijn natte droom haalde, krijg ik als cadeau een uur extra om het in het echt te proberen. De wijzers van de klok zullen me de hele wintertijd zeggen, ‘doe maar op het gemak, je hebt nog een uur’, en de ochtend zal me met haar donkere schemer de hele winter wat innerlijke rust gunnen zodat ik me niet gelijk een haastig stresskonijn zal moeten beginnen afjagen.

Opnieuw zal ik zoals elk jaar trouwens, vergeten om mijn autoklokje te resetten waardoor ik me minstens elke dag van de volgende week om zeven uur ’s morgens zal afvragen of het zes, zeven of acht uur is? Nadat het uur van mijn gsm me verklapt zal hebben dat het nog maar zes uur is, zal er spontaan een glimlach op mijn gezicht verschijnen omdat ik de file heb vermeden, een uur eerder kan stoppen met werken en zo een uur vroeger in mijn zetel kan ploffen. Ik word nu al instant gelukkig.

Naar mate de week vordert, zal ik er meer en meer van overtuigd raken dat de zomertijd een complot was om me te verwarren en om me te doen geloven dat ik energie bespaard heb, Welke energie? Van de wintertijd, ja daar krijg ik een overschot energie van, om er op een comfortabel manier de dag mee rond te komen. In deze nieuwe uurregeling laat mijn biologische klok me immers elke dag opnieuw soezen gelijk muizen tussen het meel en ik word blij met dat uurtje extra dat ik meer gekregen heb dan tijdens de zomertijd die me dat binnen een paar maanden opnieuw zal afnemen.

Doe mij maar alle dagen winter, ook in de zomer!

Kwijtgespeeld.

Nu ik mijn vijfde decennium ben ingestapt lijkt het wel alsof ik een onschatbaar goed ben kwijtgespeeld. Wanneer het gebeurde weet ik niet, misschien overkwam het me wel op het moment dat mijn uitgerekte jeugd overging in iets wat op volwassenheid begon te lijken. Ervoor was mijn leven te vol, te chaotisch en te onvoorspelbaar geweest zodat ik geen tijd had om verlangend of weemoedig aan eerste liefdes terug te denken of om er nieuwe te verzinnen. Nadien gebeurde dat soms wel, of wanneer een tweede of derde grote liefde waarvoor ik mijn leven geriskeerd had, dreigde vast te lopen in het slop, zoals houten wielen in een slijkerig karrespoor. Wat ik ervoor niet beleefd had, kreeg dan plots een enorme aantrekkingskracht alsof ik me net over die drempel van de vijftig, plots bevond aan het begin van een lange gang vol deuren die pas kunnen geopend worden wanneer ik die confronterende vraag juist beantwoord kreeg. Ligt mijn toekomst nu vast met de levensloop van het verleden of zal er nog iets spectaculair in veranderen? Ik probeer naief de rare gedachten weg te lachen maar ben er weinig sucessvol in. Nu ik mijn vijfde decennium ben ingestapt lijkt het wel alsof ik een onschatbaar goed ben kwijtgespeeld, mijn nonchalance. Tot dan moet ik gedacht hebben dat ik onsterfelijk was of zo maar nu zelfs merk ik dat soms zelfs mijn eigen lijf begint op te spelen en niet meer luistert, alsof het er wetten op nahoudt in regels die ik niet geschreven heb. Bijna alle bekoringen van de eerste keer zijn ingewisseld voor flauwe afkooksels ervan en dat geldt zelfs voor verliefdheid, verbazing en verdriet. Nu zelfs begint het me op te vallen dat ook taal me niet te hulp komt wanneer ik de vervoering van het leven of het langzaam verval ervan tracht uit te drukken waardoor elke zin en elk woord dat ik schrijf ook blijft vaststeken in een kleurloze alledaagsheid die vervelend, bespottelijk en pathetisch wordt. Toch had ik daarstraks toen ik mijn pen in de inktpot dopte, heel even een overschat romantisch idee dat ondanks dat alles, het misschien wel een goed idee was om een verhaal te schrijven dat begint met, ‘Nu ik mijn vijfde decennium ben in gestapt lijkt het alsof ik een onschatbaar goed ben kwijtgespeeld…. ‘

Papierprop.

In mijn hoofd leef ik, al is het maar tijdelijk, precies het bestaan van iemand anders. In afwachting van hun thuiskomst, lijkt het alsof ik in mijn hoofd kampeer in het onderkomen van iemand die tijdelijk op een andere plaats zijn tent heeft opgeslagen. Het is alsof ik hier al een eeuwigheid verblijf, zo vertrouwd lijkt alles al. Op de tafel naast de zetel liggen boeken die ik half gelezen heb en daar niet verder mee ben gegaan omdat ze me te dicht of te ver van mezelf brengen. Aan de waslijn waar normaal bh’s, slipjes, sokken en topjes hangen, drogen nu vijf mannen onderbroeken, zes T-shirts en twee korte broeken. De ijskast is leger dan normaal op een vrijdag en de vaatwasmachine is ook niet zo vol dan op andere dezelfde of op normale vrijdagen. Op twaalf dagen maakte ik één bord, één koffietas en één vork, mes en lepel vuil. In de broodtrommel ligt brood van vorige week zodat het verdachte groene vlekken vertoont. Alleen de koffiezet heeft de voorbije dagen onophoudelijk bonen gemaald en zwarte troost gebraakt. Van de zes barkrukken die normaal wanordelijk rond de keukentafel gedraaid zijn, zijn er vijf onaangeroerd. Slechts één ervan is achteruitgeschoven en eronder bespeur ik kruimels van boterhammen van toen die nog eetbaar waren. In de slaapkamer zien het bed, de kussens en de overtrek er even rommelig uit als toen ik vijftien was, alleen de krokante zakdoeken ontbreken in het tafereel. Op het terras is de parasol dicht geplooid en de witte stoelen staan onaangeroerd met hun rugleuning tegen de tafel geschoven, alsof er nog nooit iemand heeft opgezeten. Als ik over het leven niet te diep moet nadenken, zal het wel een waardevol leven zijn zeker, zoals het niet of nauwelijks de moeite loont om mezelf te verliezen in gedachten aan een leven dat ik niet leid. Tot ik hier in mijn nieuwe ingebeelde tent een andere stoel gevonden had, was ik nog niet al te dikwijls in deze mijmering verzeild geraakt. Nu verafschuw ik de gedachte iets te hebben mislopen. Iets dat nog niet is maar had moeten zijn, zoals de niet uitgelezen boeken op de tafel naast de sofa, de onderbroeken aan de waslijn of de kruimels onder mijn stoel of deze plotse zware ontroering. Ben ik dan schuldig en ondankbaar of onfair ten opzichte van mijn echte leven? Een leven dat niet precies past zoals het zou moeten passen, dat soms te groot is en soms te klein of te warm of te koud? En is dat ander beeld dan vals of verdorven en pleit ik met die gedachten dan schuldig en ondankbaar omdat ik het daarmee bijna als een verfrommelde papierprop in de vuilbak smijt?

Wijf of diepvrieskip?

Af en toe geef je me de indruk alsof je dagenlang op het ijs hebt gelegen en dat je helemaal bevroren bent zoals een dievrieskip of een doos crème glace. Gelukkig denk ik alleen maar zo als we woorden hebben. Op die momenten krijg je me zo nijdig omdat je het einde van die lange stilte of van het gekrakeel een prijs geeft die zo duur moet betaald worden alsof het een gigantisch duur cadeau betreft. Als de al zeldzame romantiek helemaal verdwenen is en plaats heeft gemaakt voor ijzige strubbelingen en koude woordgevechten, heb je nog meer dan anders de neiging, om het laken helemaal naar je toe te trekken. ‘Ik doe tenminste voort, jij zwijgt alleen maar en trekt smoelen. Ik ben tenminste super-rationeel en jij bent over-emotioneel. Net een wijf, jij’, zeg je dan en met de toon krijgen die woorden nog wat meer buskruitlading zodat ik nog wat dieper in mijn loopgraaf kruip. Wat ik op zulke momenten hoor is, ‘Ik ben bedachtzaam en scherpzinnig, op mij kan je rekenen. Jij bent geesteloos, emotioneel, impulsief, lui en ongeïnteresseerd.’

Nochtans denk ik dat alle dingen die ik doe alleen maar ingegeven zijn door emotie en ik vind dat niet verkeerd. Zo eet ik bijvoorbeeld omdat ik honger heb of omdat ik het lekker vind, niet omdat ik weet dat daardoor koolhydraten omgezet worden in suikers die me energie geven om in leven te kunnen blijven. Ik schrijf dit omdat ik het leuk vind, niet om onderwerpen, persoonsvormen en naamwoorden in de juiste volgorde te plaatsen, zoals ik het geleerd heb. Mijn ratio gebruik ik dus alleen maar om de dingen die rondom mij gebeuren een beetje beter te begrijpen. Met mijn zintuigelijke waarnemingen leg ik een puzzel die me leert hoe mijn wereld draait. Daarbij gebruik ik eigen ervaringen en die van anderen en probeer ik zo een scherper beeld te krijgen van wat moet gebeuren om vooruit te komen of om het een beetje naar mijn zin te hebben. Mijn Ratio geeft mijn bestemming aan maar het zijn mijn emoties die me tot actie zullen laten overgaan want mijn denken bepaald de bestemming. Toch zal ik een andere richting uitgaan als mijn gevoel me dat ingeeft. Waarom denk je anders dat ik nog sigaretten paf en waarom ik wel gestopt met pinten drinken?

Ruzie maken, het zou ergens moeten over gaan en het zou ons ergens naar toe moeten brengen. Jij zou er slimmer en rationeler van kunnen worden zodat we in de toekomst die ruzie kunnen vermijden en ik zou ervan moeten leren om er als het dan toch gebeurt, minder emotioneel, niet impulsief en minder gevoelig mee om te springen maar ik blijf het wijf en jij de diepvrieskip.

Mars der verdrukten.

In zaal Volksbelang hing een gespannen drukte. Het café was zoals elke jaar op één mei de toneelscene van het rode congres van de overwinning. Mannen en vrouwen die er allemaal hetzelfde uitzagen kregen op de kraag van hun zondagse kostuum een rode roos en een rode duim gespeld. Rode vlaggen en wimpels werden van onder het stof gehaald om noodlijdende broeders in armoede een hart onder de riem te steken. Zelfs de morgen was in die dagen nog solidair want die kleurde ook bloedrood toen de bond der rechtvaardigen in een lang gerekte stoet de straat opkwam waar ze in een feestroes hun maatschappelijke onderdrukking kracht bij zetten.

Dertig jaar later is solidariteit in de selfie-maatschappij een scheldwoord geworden. Al wie opkomt voor diegene die het met wat minder dient te stellen, wordt beschimpt, in een hoek gezet of als fraudeur of profiteur afgeschilderd. Wanneer je heden ten dage, openlijk socialisme en samenhorigheid uitdraagt, wordt je verketterd, scheef bekeken en uitgejoeld! Terwijl gelijkheid, vrijheid, rechtvaardigheid en solidariteit nochtans steeds dezelfde universele waarden zijn die ons nog altijd onderscheiden van dierlijke instinctieve geldingsdrang. Wanneer de jeugd op straat komt voor plasticvrije oceanen, zuivere lucht en wat meer comfort en waardigheid voor de grijze generatie worden ze als verwaand en lui verguisd.

Mijn persoonlijk socialisme probeer ik dagelijks uit te dragen en zeker niet op één mei omdat dan socialisme, solidariteit en samenhorigheid te vaak misbruikt wordt, door verkeerde figuren die er de geschiedenis mee willen recupereren of om een verborgen agenda en een electorale combine verkocht te krijgen.

Dus stap ik vandaag maar mee in een andere kleurrijke stoet der verdrukten. Samen met een andere bond der rechtvaardigen zal ik getooid in geel rode kleuren hard roepen voor noodlijdende broeders in een andere ongelijke strijd.  Tot de overwinning binnen is.

“Wij blijven kakkers of da ge da na geire hebt of nie….! “

“Forza Malinwa…!”

%d bloggers liken dit: