De wereld draait door.

De laatste paar dagen plaatste ik dat medium hier vol onzin en onnozelheden. Ik deed dit niet om mezelf interessant te maken, om het virus te minachten, het te minimaliseren of om te lollen met risicogroepen of hulpverleners. Neen, ik deed het alleen maar in een luchtige poging om even een geforceerde glimlach op je lippen te brengen of om je hem te laten onderdrukken omdat het grapje “wat op het randje” was zodat je je even aan iets anders kon ergeren dan aan het Coronavirus. Maar ik deed het ook omdat ik weet wat het betekent om een tijdje van de wereld geïsoleerd te zijn of om 24/24 op elkaars lip te zitten. Vrolijk word je daar niet van. Helemaal alleen zijn of beperkt zijn in je persoonlijke bewegingsvrijheid … Dat doet iets met de mens. Sommige tenen worden dan snel te lang voor de schoenen waar ze in moeten. Andere mensen raken gedeprimeerd of worden opstandig als de lont kort te wordt, andere dan weer reageren angstig of overdreven emotioneel. Persoonlijk heb ik last van al die dingen. dus puur uit zelfbescherming heb ik mezelf gisteren uitgeschreven uit de meeste Whatsapp- en Messengergroepen en probeer ik overvloedige nieuws te vermijden. Ik deed dat niet omdat ik de mensen die erin zitten niet graag zie maar wel omdat berichten die ze erin dropten met het uur onheilspellender en dramatischer werden en ik er impulsief of emotioneel begon te op te reageren. Velen onder ons hebben de neiging om dingen die we weten, vermoeden of uit tweede of derde hand vernomen hebben op te blazen of er een eigen draai aan te geven en ze er erger willen doen laten uitzien waardoor straks de hemel zeker op onze kop valt. Ook ben ik er me heel bewust van dat ik, buiten binnen blijven, mensen vermijden en handen te wassen NIETS kan doen om het virus weg te jagen. Gisteren stelde ik mezelf de vraag of ik er beter van word te weten dat er in Italië -tig nieuwe besmettingen en -tig verse doden zijn te betreuren en dat Nieuw-Zeeland slechts één patiënt telt. Ik stelde me in dezelfde reflex de vraag of die overvloed aan (des)informatie een helende of belemmerende invloed had. Ik kwam erachter dat ik er niks mee kon aanvangen behalve te vervallen in doemscenario’s die te erg of niet erg genoeg zijn. Als ik zo verder zou doen zou ik mezelf gek maken waardoor het risico reëel wordt dat de symptomen van die onrust door over-informatie en stemmingmakerij nog erger worden dan die van virus waartegen we ons trachten te beschermen.

GDus a.u.b. verpreid geen onzin. Maak elkaar niet gek… laat mij dat maar proberen met mijn stomme lolletjes…..

En verder blijf binnen, was je handen, vermijd mensen, laat nog iets in de rekken liggen voor diegenen die na jou komen winkelen en … a.u.b. doe normaal…..De wereld draait al zot genoeg!

Kleine flieter.

Bescheidenheid siert de man.’ ….. Deze boutade, uitgesproken door een man, mezelf in dit geval, onderstreept het gegeven dat wij venten van deze eigenschap maar weinig kaas hebben gegeten, laat staan dat wij ootmoedigheid of pieterigheid met enige geloofwaardigheid zouden kunnen overbrengen mochten we er dan al bezit van hebben. Wie anders dan een vals-bescheiden man, mezelf dus, zou anders mogen beweren dat nederigheid en bescheidenheid een man mooier maakt? Ik, een oude, ingezakte, papperige, bescheiden vent misschien? Bescheidenheid, al dan niet valse, is dan ook ontegensprekenlijk het nieuwe macho want geloof me, als ik U zeg dat wanneer venten zich tegenover vrouwen onderdanig, inschikkelijk, meegaand of ogenschijnlijk onbelangrijk opstellen… vrouw houdt U vast aan de takken van de bomen en ‘boerin, let op uw kiekes’. Vele breedgeschouderde of felbehaarde lotgenoten zullen me dit boetesacrament en deze publiekelijke schuldbelijdenis niet in dank afnemen, integendeel, ze zullen me scheldwoorden zoals stielbederever, sukkel of zacht eitje naar het hoofd slingeren. Dat deert niet omdat ik me dan op mijn beurt met deze publiekelijke scheldtirades sympathiek maak bij het doelpubliek dat ik vandaag met deze pennentrek voor ogen heb, namelijk jij rondborstige schoonheid. Bescheiden als ik ben, hoop ik dan ook dat dit stukje proza net zo viraal zal gaan als COVID 19 en dat dezelfde draconische maatregelen zullen getroffen worden om te voorkomen dat dit irritante schriftelijke virus zich over landsgrenzen zal verspreiden om daar niet-besmette mannen met een te kleine flieter te infecteren. Dat dit tekstje zich net op internationale vrouwendag ontvouwde is geheel toevallig maar doet geen afbreuk aan het feit dat jullie, vrouwelijke nazaten van Eva, eigenlijk elke dag oprechte aandacht-zonder-bijbedoelingen zouden moeten verdienen, zeker ook van baardapen en brulsnottebellen die zich voor god weet welke reden denken beter te mogen voelen dan jullie of pretenderen dat ze het meer voor het zeggen mogen hebben dan jullie. En dan heb ik het nog niet eens over de maatpaksnullen die zich het op-niets-beruste-recht toe-eigenden om te denken dat ze meer centen voor hetzelfde werk mogen verdienen dan jullie. Maar dat zal nooit of te nimmer gebeuren omdat mannen met een veel te kleine flieter dan eindelijk moeten durven inzien en toegeven dat ze getroffen zijn door het vals-bescheidenheids-virus maar voor die consessie zijn hun ballen vooralsnog veel te klein en hun ego’s veel te groot.

Zomer in de winter.

Acht heb ik er en nadat ik al diegene die niet automatisch terug gedraaid worden, een uur heb afgenomen, laat ik één uurrwerk op zomeruur staan zodat die flikkerende lichtjes me er tot na de winter aan zullen blijven herinneren dat ik vandaag een uur meer heb gekregen om te doen waar ik zin in heb zonder me te moeten haasten. Vandaag en al de andere dagen die volgen in deze nieuwe tijdelijke tijdzone mag ik een uur langer moe zijn dan gisteren en mijn ochtenderectie mag een uur vroeger en een uur langer de knopjes van mijn boxershort losduwen want ik ben toch de enige zot die vandaag op dit onchristelijke uur de dingen al begroet. Voor het ingebeelde hoogtepunt dat me daarnet plotseling uit mijn natte droom haalde, krijg ik als cadeau een uur extra om het in het echt te proberen. De wijzers van de klok zullen me de hele wintertijd zeggen, ‘doe maar op het gemak, je hebt nog een uur’, en de ochtend zal me met haar donkere schemer de hele winter wat innerlijke rust gunnen zodat ik me niet gelijk een haastig stresskonijn zal moeten beginnen afjagen.

Opnieuw zal ik zoals elk jaar trouwens, vergeten om mijn autoklokje te resetten waardoor ik me minstens elke dag van de volgende week om zeven uur ’s morgens zal afvragen of het zes, zeven of acht uur is? Nadat het uur van mijn gsm me verklapt zal hebben dat het nog maar zes uur is, zal er spontaan een glimlach op mijn gezicht verschijnen omdat ik de file heb vermeden, een uur eerder kan stoppen met werken en zo een uur vroeger in mijn zetel kan ploffen. Ik word nu al instant gelukkig.

Naar mate de week vordert, zal ik er meer en meer van overtuigd raken dat de zomertijd een complot was om me te verwarren en om me te doen geloven dat ik energie bespaard heb, Welke energie? Van de wintertijd, ja daar krijg ik een overschot energie van, om er op een comfortabel manier de dag mee rond te komen. In deze nieuwe uurregeling laat mijn biologische klok me immers elke dag opnieuw soezen gelijk muizen tussen het meel en ik word blij met dat uurtje extra dat ik meer gekregen heb dan tijdens de zomertijd die me dat binnen een paar maanden opnieuw zal afnemen.

Doe mij maar alle dagen winter, ook in de zomer!

Kwijtgespeeld.

Nu ik mijn vijfde decennium ben ingestapt lijkt het wel alsof ik een onschatbaar goed ben kwijtgespeeld. Wanneer het gebeurde weet ik niet, misschien overkwam het me wel op het moment dat mijn uitgerekte jeugd overging in iets wat op volwassenheid begon te lijken. Ervoor was mijn leven te vol, te chaotisch en te onvoorspelbaar geweest zodat ik geen tijd had om verlangend of weemoedig aan eerste liefdes terug te denken of om er nieuwe te verzinnen. Nadien gebeurde dat soms wel, of wanneer een tweede of derde grote liefde waarvoor ik mijn leven geriskeerd had, dreigde vast te lopen in het slop, zoals houten wielen in een slijkerig karrespoor. Wat ik ervoor niet beleefd had, kreeg dan plots een enorme aantrekkingskracht alsof ik me net over die drempel van de vijftig, plots bevond aan het begin van een lange gang vol deuren die pas kunnen geopend worden wanneer ik die confronterende vraag juist beantwoord kreeg. Ligt mijn toekomst nu vast met de levensloop van het verleden of zal er nog iets spectaculair in veranderen? Ik probeer naief de rare gedachten weg te lachen maar ben er weinig sucessvol in. Nu ik mijn vijfde decennium ben ingestapt lijkt het wel alsof ik een onschatbaar goed ben kwijtgespeeld, mijn nonchalance. Tot dan moet ik gedacht hebben dat ik onsterfelijk was of zo maar nu zelfs merk ik dat soms zelfs mijn eigen lijf begint op te spelen en niet meer luistert, alsof het er wetten op nahoudt in regels die ik niet geschreven heb. Bijna alle bekoringen van de eerste keer zijn ingewisseld voor flauwe afkooksels ervan en dat geldt zelfs voor verliefdheid, verbazing en verdriet. Nu zelfs begint het me op te vallen dat ook taal me niet te hulp komt wanneer ik de vervoering van het leven of het langzaam verval ervan tracht uit te drukken waardoor elke zin en elk woord dat ik schrijf ook blijft vaststeken in een kleurloze alledaagsheid die vervelend, bespottelijk en pathetisch wordt. Toch had ik daarstraks toen ik mijn pen in de inktpot dopte, heel even een overschat romantisch idee dat ondanks dat alles, het misschien wel een goed idee was om een verhaal te schrijven dat begint met, ‘Nu ik mijn vijfde decennium ben in gestapt lijkt het alsof ik een onschatbaar goed ben kwijtgespeeld…. ‘

Papierprop.

In mijn hoofd leef ik, al is het maar tijdelijk, precies het bestaan van iemand anders. In afwachting van hun thuiskomst, lijkt het alsof ik in mijn hoofd kampeer in het onderkomen van iemand die tijdelijk op een andere plaats zijn tent heeft opgeslagen. Het is alsof ik hier al een eeuwigheid verblijf, zo vertrouwd lijkt alles al. Op de tafel naast de zetel liggen boeken die ik half gelezen heb en daar niet verder mee ben gegaan omdat ze me te dicht of te ver van mezelf brengen. Aan de waslijn waar normaal bh’s, slipjes, sokken en topjes hangen, drogen nu vijf mannen onderbroeken, zes T-shirts en twee korte broeken. De ijskast is leger dan normaal op een vrijdag en de vaatwasmachine is ook niet zo vol dan op andere dezelfde of op normale vrijdagen. Op twaalf dagen maakte ik één bord, één koffietas en één vork, mes en lepel vuil. In de broodtrommel ligt brood van vorige week zodat het verdachte groene vlekken vertoont. Alleen de koffiezet heeft de voorbije dagen onophoudelijk bonen gemaald en zwarte troost gebraakt. Van de zes barkrukken die normaal wanordelijk rond de keukentafel gedraaid zijn, zijn er vijf onaangeroerd. Slechts één ervan is achteruitgeschoven en eronder bespeur ik kruimels van boterhammen van toen die nog eetbaar waren. In de slaapkamer zien het bed, de kussens en de overtrek er even rommelig uit als toen ik vijftien was, alleen de krokante zakdoeken ontbreken in het tafereel. Op het terras is de parasol dicht geplooid en de witte stoelen staan onaangeroerd met hun rugleuning tegen de tafel geschoven, alsof er nog nooit iemand heeft opgezeten. Als ik over het leven niet te diep moet nadenken, zal het wel een waardevol leven zijn zeker, zoals het niet of nauwelijks de moeite loont om mezelf te verliezen in gedachten aan een leven dat ik niet leid. Tot ik hier in mijn nieuwe ingebeelde tent een andere stoel gevonden had, was ik nog niet al te dikwijls in deze mijmering verzeild geraakt. Nu verafschuw ik de gedachte iets te hebben mislopen. Iets dat nog niet is maar had moeten zijn, zoals de niet uitgelezen boeken op de tafel naast de sofa, de onderbroeken aan de waslijn of de kruimels onder mijn stoel of deze plotse zware ontroering. Ben ik dan schuldig en ondankbaar of onfair ten opzichte van mijn echte leven? Een leven dat niet precies past zoals het zou moeten passen, dat soms te groot is en soms te klein of te warm of te koud? En is dat ander beeld dan vals of verdorven en pleit ik met die gedachten dan schuldig en ondankbaar omdat ik het daarmee bijna als een verfrommelde papierprop in de vuilbak smijt?

%d bloggers liken dit: