Misschien kom ik je tegen.

Toen ik de boekenhandel binnenstapte en ik al die titels en auteurs in de rekken zag pronken, vroeg ik me af waarom ik de innerlijke drang maar niet kon weerstaan om me met hen te meten. Alles is toch al gezegd en alles is al eens geschreven, in mooiere zinnen die ik ooit zou kunnen bedenken. Wat doet mijn interpretatie van de feiten, die dat vaak niet eens zijn, er dan toe?

Misschien is schrijven voor mij alleen maar een aangename manier om het leven maximaal te negeren, want geef toe, een doorsnee mensenleven is toch te kort om er een blijvende rol van betekenis in te spelen. Waarom zou ik mijn tijd dan nog verschijten met niemendallen op te schrijven in woord-geknutsel waar niemand wakker van ligt? Als er niks waardevols te vertellen is, moet ik toch niet proberen de woorden die ik gevonden heb, in graniet te beitelen? Dat heeft toch geen zin? Dat is toch een bezigheid die uitsluitend voor echte woordacrobaten is weggelegd, voor koorddansers die erin slagen om in woord en beeld het vergankelijke onvergankelijk te maken.

Waarom ik die laatste gedachte om elf uur s ’ochtends, tussen de boeken aanboorde, weet niemand. Waarschijnlijk omdat ik een eeuwige twijfelaar ben die naar een strohalm reikte om aan zichzelf zijn onbenullige gedachten uit te leggen. En met die laatste reflectie voelde ik me zelfs te klein om in het café, dat zich naast de boekshop bevond, koffie te drinken. Niet dat dat ik geen zin had in koffie, want ik heb altijd zin in koffie. Ik had alleen geen zin in mensen en in hun verhalen. Ik was bang dat ik er niet lang door geboeid zou blijven.

Tien minuten later sijpelde het zwart sap, dat aan een handvol betere koffiebonen onttrokken was, langzaam uit mijn super-de-luxe DeLonghi Dinamica, en toverde een crèmige, beige kraag in mijn tas. De cafeïne die door mijn aderen stroomde deed mijn dwingende traagheid vervagen, zodat ik voor een tweede keer, tijdens die jonge dag, verstrikt raakte in onafwendbare barrières die mijn gedachten hadden opgeworpen.

Zijn mensen dan niet altijd op zoek naar verhalen, vroeg ik me af? Zou het leven niet helemaal zinloos worden zonder? Neem nu een relatie, en ik bedoel dan een liefdesverhaal. Dat gaat toch over oorzaken die langzaam gevolgen worden in een aaneenschakeling van toevalligheden. Een romance, of ze nu lang duurt of kortstondig is, gaat toch altijd over een samenloop van omstandigheden die leiden tot nieuwe gebeurtenissen, die aan elkaar geregen worden met stomende seks en met vlammende ambras? Sommige koppels hebben geen verhalen meer en zijn helemaal uitverteld, waardoor van stomende seks niets meer in huis komt en er enkel nog vlammende ambras overblijft, of oorverdovende stilte. Dat is even goed mogelijk.

De enige bedenking die ik maak waardoor het allemaal wat moeilijker ligt, is dat het leven niet altijd een spannende verhaallijn heeft, laat staan een interessant plot op de allerlaatste bladzijde. De enige zekerheid die het leven biedt, is dat het ooit een einde neemt. Het maakt niets uit of dat leven nu spannend of kleurloos is geweest. En dat op zich is een hele geruststelling want dat inzicht maakt dat ik me alleen over vandaag hoef te bekommeren en niet op zoek moet naar spannende zaken. Ik neem dan ook vastberaden en weloverwogen het besluit om vandaag niets te doen en laat dat nu net zijn wat ik het liefste doe. Nietsdoen en rondlummelen in de onbekende straten van mijn gedachten, waarin de stappen die ik zet, alle richting en vaart mogen missen zodat mijn zintuigen de details kunnen absorberen die normaal aan mij voorbijgaan. Snelheid is in mijn nieuwe leven eerder uitzondering dan regel geworden. Op stap gaan, met een lege portefeuille vol herinneringen en het leven mogen torsen in al zijn lichtheid, weegt al meer dan zwaar genoeg zonder dat haastig gedoe. Met vijf euro, een half pakje peuken, een zak vol nieuwsgierigheid en een vulpen, zodat ik het leven nog lang op een aangename manier kan blijven negeren. Misschien kom ik jou er wel in tegen.

Pussy-wagons in Antwerpen

Of Antwerpen dan wel Rotterdam zich tot grootste Europese zeehaven van Europa mag kronen is een manier om dit opiniestuk te beginnen maar heeft in al wat hierna volgt evenveel belang, als het feit of Kevin De Bruyne nu straks, wel of niet meespeelt in de Nationsleague-wedstrijd, Denemarken – België. Dat de Antwerpenaren de haven van Rotterdam wellicht als ‘De Parking van de Zeehavens’ beschouwen, doet dus nu even niet ter zake. Laat ons het er gewoon over eens zijn dat de Antwerpse haven met zijn overslagcapaciteit van ruim 200 miljoen ton tot één van de grootste van Europa behoort. Dat via die havenpoort op Europa af en toe een pakje wiet wordt binnengesmokkeld zal dus niemand verbazen.

Hoewel t’ Stad, zich een tijdje in een lockdown bevond, was de drugsmaffia dat allerminst. Zo werd in de eerste helft van het jaar maar liefst 28 ton cocaïne onderschept, aldus Kristian Vanderwaeren, administrateur-generaal van de Douane en Accijnzen. Dat de het witte poeder van de drugsmaffia in de binnenstad opduikt om daar een afzetmarkt te zoeken is logisch want in het bruisend uitgangsleven is een feest nu eenmaal geen feest meer zonder een sneeuwstorm in de neus.

Van film ken ik niets, maar wat ik wel weet is dat filmscenaristen zich dikwijls beroepen op bestaande feiten om hun prent inhoud of geloofwaardigheid te geven. Maar zo niet in Antwerpen, want daar lijkt het tegenovergestelde aan de gang. Dat blijkt uit de berichtgeving van VRT NWS waar gemeld wordt dat verschillende drugsbendes met man en macht op zoek zijn naar een drugscrimineel, die grote partijen cocaïne zou zijn kwijtgespeeld. Dat geweld in die speurtocht niet geschuwd wordt, bewijzen de kogels en de granaten die de afgelopen dagen in de koekenstad rond de oren vlogen. Je zou bijna vermoeden dat de film, Patser van Adil en Billal in het echt wordt opgevoerd, al mis ik in deze versie de frivole Badia wel, maar misschien wordt Jinnih Beels als fout-getypecaste-flik nog wel opgevoerd. Anyway om in drugs te doen, om het in je neus te blazen of om erover te schrijven moet je een beetje ‘zot in uwe kop’ zijn.

Waar je echter niet ‘zot in uwe kop’ voor moet zijn, is om vast te stellen dat de frontlinie in deze war on drugs een paar kilometer verkeerd staat. Wanneer oorlog gevoerd worden zou je er toch mogen vanuit gaan dat een historicus als Bart De Wever bij de les is. Van zijn vrienden zou hij toch al moeten vernomen hebben dat de geallieerden niet in Calais zijn geland maar wel in Normandië, maar misschien is deze vergelijking wel een ‘pantsertank op een varken’. Of toch niet? Met zekerheid weet ik dat natuurlijk niet, maar ik vermoed dat Bart De Wever liefst niet in de achtertuin van de Fernand Huts gaat rommelen om daar een beetje orde op zaken te stellen. Bon, wat ik wel weer weet is, dat er vorig jaar al, volgens Kristian Vanderwaeren (dezelfde Administrateur van Douane en Accijnzen als die van daarstraks) plannen bestonden om elke container die ‘den Blauwe Steen’ passeert, op drugs te laten besnuffelen. Alleen, is er één probleem, de investering van die ‘snuffelaar’ is een redelijk dure affaire. Die investering zou naar verluidt vele miljoenen kosten en met een federale regering in lopende zaken is het er nog niet van gekomen en in de Vlaamse regering? Ja, daar zijn ze het vergeten. Nu blijkt dat er eerst een financieringsmodel moet opgezet worden om die noodzakelijke drugssnuffelaar te betalen. Men moet het alleen nog eens worden of dat ding door Europa, Federaal, lokaal, privaat of een combinatie van dit alles moet afgedokt worden. Als de haven niet uitgemest wordt blijft het in het centrum dweilen met open kranen. Om dan maar wat sneller bliksems en granaten af te leiden, besliste De Wever om een paar Bearcats aan te schaffen. Die logge ‘patsertuigen’ hebben erg veel weg van bulldozers en zullen in de binnenstad ingezet worden tegen drugskoeriers die zich (houdt u vast) verplaatsen met snelle brommertjes. Als je het mij vraagt, had hij die brute oorlogstuigen beter ingezet, als ‘GRAAF-Machien’ om de wegeniswerken aan de Kennedytunnel wat vooruit te laten gaan.

In elk geval, nu Bart De Wever zichzelf opwerpt als de nieuwe Eliott Ness van Antwerpen, lijkt hij een nieuw aanknopingspunt te hebben gevonden met de geschiedenis al heeft hij met zijn ‘Kill Bill, pimped-up Chromed-out Pussywagons’ ook wel heel erg veel weg van Astrid Bryan.

Enigma

Het liefst schep ik een kleine wereld rondom mij waarin niemand om mijn aandacht schreeuwt, zo een klein mini-universum waar ik niet per force een achtergestelde beschaving moet redden. Aan mezelf heb ik namelijk nog werk genoeg om het kunstwerk dat ik aan het worden ben, met oog voor detail af te werken.

Vroeger was het anders, dan sloeg ik voor problemen op de vlucht. Wist ik veel dat ik uitsluitend door mijn eigen problemen op te lossen slimmer en rustiger kon worden. Zo was de vlucht vooruit die ik steeds nam niets meer dan een ogenschijnlijk dappere poging om de moeizame weg ter verbetering van mezelf uit de weg te gaan. Nu ik wat meer jaarringen op mijn bast heb, ben ik me er bewust van dat vluchten dikwijls moeilijker is dan de uitdagingen onder ogen te zien en zelf in te grijpen.  Temeer, omdat bij elke ontsnappingsroute die ik voor mezelf uitstippelde toch steeds nieuwe obstakels opdoken die de weg bleven belemmeren. Van moeilijke situaties weglopen bleek gewoon maar een handige toverformule te zijn die de zin van het leven omzette in compleet waardeloze hebbedingetjes die door mijn brein ingefluisterd werden.

Maar soms, op een onbewaakt moment wanneer er zich onverwachte gebeurtenissen of problemen voordoen, val ik nog weleens ten prooi aan rare, onverklaarbare psychologische kettingreacties die zich onder mijn dakpan afspelen. Ik weet dat omdat ik dat bij mezelf al meermaals heb vastgesteld. Dat gebeurt dan meestal wanneer ik teleurgesteld ben in anderen of wanneer mijn strakke verwachtingen niet ingelost worden. Dan begin ik me, zoals een dat varken in de modder rolt, te wentelen in zelfbeklag, om dan even later overmand te worden door een gevoel van desillusie, schuld of machteloosheid. Dit sentiment wordt in mijn hoofd, dan door een mysterieus ingebouwd enigma vertaald en omgezet in woede, paniek of agressie die ik gemakshalve op anderen projecteer, het liefst op diegenen die het dichtste bij mij staan. Ik kan er gif op innemen dat ik, in situaties als deze, eerst boos word op mezelf, omdat de dingen niet lopen hoe ik ze had gepland of omdat het resultaat me niet aanstaat, om me nadien furieus te wenden tot de eerste de beste die mijn gezichtsveld verstoort of tot diegene het waagt om in mijn persoonlijk territorium te komen rommelen. In die dynamiek activeer ik dan een destructief zelfverdedigingsmechanisme waar ik, vanuit mijn gegraven éénmansgat kogels afvuur en bommetjes gooi om te treffen of om schade aan te richten. Door op deze manier met een onverwachte situatie om te gaan, gun ik me zelf de illusie dat ik gemakkelijker afstand kan nemen van de tijdelijke identiteit die ik mezelf gegeven heb.  Ik reageer me dan hard en onfair af op diegenen waarvan ik vermoed dat zij het zijn die me in die nieuwe of ongewenste situatie gebracht hebben. Hoewel ik persoonlijk, in situaties als deze liefst een beetje mystieker, onvoorspelbaarder of een beetje meer empathisch zou willen zijn, blijf ik mezelf erop betrappen dat ik toch steeds maar weer ageer als een eikel die net van de boom is gevallen, ook al bezorgt die tactiek mezelf en anderen collaterale schade die ik liever vermeden had.

De enige manier om de nare gevolgen van dit nutteloos cirkelgedrag te voorkomen, is dat ik mijn verwachtingen in andere mensen bijstel, en dat ik me niet langer blijf focussen op wat anderen zouden moeten doen om mij tevreden te stellen of om me mijn comfortabele controle en zelfbeheersing te laten bewaren.  Alleen, wanneer ik het heft in eigen handen neem, me niet afhankelijk van anderen opstel en wanneer ik tracht om doemscenario’s tot een strikt minimum te beperken, maak ik ruimte vrij in mijn hoofd. En die noodzakelijke bewegingsvrijheid is noodzakelijk om me met essentiële zaken bezig te kunnen houden, met waardevolle dingen die ikzelf bepaal, waar ik impact op heb en waar ik beter van word.

Aangezien ik daar gisteren mee begonnen ben, krijgt mijn leven vanaf vandaag de glans waarmee ik in de toekomst op een zinvol verleden kan terugkijken.

Dagdroom.

 

Grand Café Industrie was de juiste locatie voor onze eerste live ontmoeting. Hoewel ik me in dit rustieke decor de juiste figurant voelde, waren de zenuwen toch strak gespannen. Nerveus speurde ik naar een herkenbaar gezicht. Toen mijn afspraak niet onmiddellijk in mijn blikveld viel zocht ik een plek in het midden van het café. Aan een tafeltje op een verhoog. Van daar uit had ik prima overzicht. Als Mark binnen zou komen zou hij me onmiddellijk opvallen. Vlak boven de tafel hing een impressionante ronde koperen luchter die mooi contrast vormde met de rest van het victoriaans interieur. De beige-bruine mozaïekvloer waarop vier groteske ronde pilaren rustten die het hoge plafond ondersteunden, maakte het geheel compleet.

Uitgelezen scène voor een dagdroom!

Allerlei soorten mensen vulden de ruimte. Een hip bejaard koppel rechts van mij nipten hun koffie en bespraken hun volgende citytrip. Zo wil ik ook oud worden bedacht ik. Eensgezind en energiek zonder wrevel of gemor kwamen ze overeen dat het Praag zou worden. Ik wierp hen fijntjes een glimlach toe. Ze glimlachten terug. “Prima keuze”: zei ik bemoeiziek. Ik denk niet dat ze het heel erg vonden.

Wat verderop zaten 2 zakenmensen. Dat zag ik aan hun strakke pak en hun suède schoenen. Ze praatten druk en gesticuleerden hevig toen ze hun verkoopstrategie kracht bijzetten. De vrouw die geïmponeerd leek door zoveel overtuigingskracht bleef zonder een moment de aandacht te laten verslappen aan hun lippen hangen. Even later krabbelde ze haar handtekening onder een elektronisch contract. Goede zaken waren beklonken want er kwamen bubbels aan te pas.

Een mooie jonge vrouw met een hippe rugzak schuifelde binnen. Ze draaide en keerde op dezelfde manier zoals ik dat net eerder had gedaan. Ze nam plaats op de bank, bestelde thee en begon op haar smartphone te tokkelen. Even verder zoemde nog een gsm. Iemand had ook digitale vrienden.

Ik bestelde een tweede cappuccino. De serveerster weigerde mijn euro’s want ze verzekerde me dat de man achter de pilaar mijn rekening zou betalen. Nu pas herkende ik Mark, de baas van de uitgeverij, die ondertussen ook vergezeld was door de jonge vrouw en een andere man die Gunther heette.

De jonge dame had ook goed nieuws gekregen. Haar kinderboekje zou over drie weken al gedrukt worden. De mijne over een aantal maanden pas, als het manuscript verbeterd is en wanneer we het na de proefdruk eens zullen raken over een mooie bijpassende cover.

2 uur geleden zat ik nog in de trein met een hoop vragen, met darmen in de knoop en als hoofdpersonage van mijn overmoedige droom. Nu sta ik buiten. Voor het station en speel ik mijn hoofd even voor Brusselmans of Lanoye maar dan zonder lang vettig haar of nichterige maniertjes.

Ik heb zin om te luid te roepen of om te springen of om iets anders zot te doen. Een echt boek schrijven misschien?

Arrogante desillusie…

Zo een stoere rebel ben ik, dat het enige Witte Huis dat ik deze week bestormde, een bouwvallig luchtkasteel bleek te zijn dat ik in mijn hoofd had opgetrokken. In tegenstelling tot de gewelddadige Amerikaanse beeldenstorm bestond mijn ingebeelde reis van deze week alleen maar uit ongevaarlijke gedachtensprongetjes in min of meer aangenaam gezelschap.  Nu mijn trektocht achter de rug is realiseer ik me weer dat mijn tijd kort wordt en ik me beter een beetje zou haasten om ervoor te zorgen dat ik ooit bereik waarvoor ik hier ben. Hoewel die druk soms dwingend kan zijn, laat ik me door niemand opjagen. Ik ben mijn eigen baas. Hij, en hij alleen zal me ten gepasten tijde laten weten wanneer ik eraan moet beginnen en in het slechtste geval kom ik er wel achter wanneer de omstandigheden me ertoe dwingen.

Ik blijf geduldig want mijn leven is toch maar een eindeloze speurtocht met als speelveld een ongekend terrein waarop ik probeer te achterhalen hoeveel ik ertoe doe, en hoeveel niet. De enige hulp die ik daarbij heb, is een onleesbare kaart waarop wegen en kruispunten kriskras door elkaar lopen. Om de juiste bestemming te zoeken of om de afmetingen en de grenzen van mezelf te vinden, kan ik me enkel baseren op een onbegrijpelijke legende die me tegenstrijdige instructies toont. Hoe langer mijn ontdekkingsreis duurt, hoe vaker ik tot de vaststelling kom dat mijn queeste misschien alleen maar als doel heeft, dingen te vinden die ik niet bezit maar waarvan ik wenste dat ik ze had, en dingen kwijt wil waarvan ik eigenaar ben maar wenste dat ik ze niet had. Maar dingen zijn onbelangrijk, schoonheid daarentegen… Piekeren over streven naar het onbereikbare doet me er met open mond naar gapen, tot ik helemaal ondersteboven hang en tot mijn hart op dit papier uit mijn mond valt. Inzicht in mezelf en kennis van hoe ik in elkaar zit en is één ding maar wanneer je er teveel van hebt wordt het soms iets om bang van te zijn.

Nu ik herlees wat ik hier neergeschreven heb, kom ik tot de conclusie dat ik veel goed klinkende woorden bezit maar over veel te weinig daadkrachtige acties beschik die ermee overeenstemmen. Misschien is mijn leven gewoon maar wat prutserij dat ontstaat uit woorden die mijn bestaan interessanter proberen voor te stellen dan het in werkelijkheid is en wordt de zinloosheid ervan maar gemeten aan het aantal tegenstrijdige woorden dat ik erover op papier kan zetten. Laat dat nu zijn wat ik tegenwoordig nog doe, ik pieker, maak koffie en bezwijk aan suïcidaal nihilisme dat ik neerschrijf.

Mogelijks wil ik gewoon dat iedereen mij leuk vindt en zelfs dat idee op zich is een arrogante gedachte. Met die aanmatigende desillusie ben ik ooit al eens bijna aan mijn einde gekomen, vorige week nog, toen ik aan deze zoektocht begon.

Tabula rasa met een ontsmette ziel.

Mijn computer doet het niet. Althans, hij doet de dingen die ik hem vraag wèl, maar véél trager dan ik het van hem gewend ben. De cursor in het midden van mijn beeldscherm draait onophoudelijk cirkeltjes alsof het mij wil laten weten, niet te kunnen beslissen om ergens mee te starten of om ergens mee te willen stoppen.  Dit fenomeen is, door de crisistijd waarin we ons bevinden, mij niet geheel vreemd.  Omdat de beperkingen van de dag me niet kunnen blijven achtervolgen, mag ik zonder me te schamen vervallen in uitstelgedrag over dingen die ik nog zou moeten doen. Soms heeft dat als gevolg dat ik net zo vast kom te zitten als de computer die zucht, kreunt en toertjes draait over wat ik van hem verwacht.

‘Herstart eens’: dicteert ze me onachtzaam, zonder oogcontact te verliezen met het scherm van het mobieltje waarmee ze belangrijke dingen lijkt te doen.  Aangezien ik evenveel kennis over computers bezit als over Taxidermie, doe ik zonder nadenken wat ze mij opdraagt.  Zonder nadenken doen wat mijn vrouw me oplegt, stuit normaliter bij mij op meer weerstand, maar gezien de situatie maak ik met minder zeiken dan gewoonlijk een uitzondering. Zij werkt per slot van rekening toch al een eeuwigheid op de ICT-afdeling van een gerenommeerd communicatiebedrijf. Ik ben het zeker dat haar bazen enorm tevreden zijn over het werk dat ze dagelijks levert, ook al bestaat haar persoonlijke bijdrage aan het oplossen van problemen er soms alleen maar uit om die ene magische vraag te stellen, ‘Heb je al eens geprobeerd om terug op te starten?’ Om het in mijn hoofd en naar mijn aanvoelen allemaal nog een beetje erger te maken, beveelt ze kortaf, bovenop de goedbedoelde hulplijn die ze mij al toesmeet nog: ‘Control, Alt, Delete!’. Vreemd om vast te stellen dat drie woorden die met de beste wil van de wereld uitgesproken worden, nu als brandversneller dienen op een vuurtje dat ik per se klein wilde houden.  Gelukkig zit haar blik nog steeds vastgekluisterd aan het scherm van haar telefoon, zodat ze onmogelijk kan merken dat ik ongepast geïrriteerd met mijn ogen rol.  Met een diepe zucht vind ik een dankbare schuldige voor mijn tactloze onverdraagzaamheid. Ik acht de traagheid der dingen en de gevolgen van de Coronacrisis er persoonlijk verantwoordelijk voor dat we elkaars persoonlijk territorium al tien maanden lang onbedoeld blijven overtreden omdat er gewoonweg geen andere uitweg is.

Hoewel de dag zich veelbelovend aandiende, is dit alles op een woensdag begonnen. Misschien ontging het u maar dit onheilsjaar begon op een woensdag, met een valse start en met tv-beelden vanuit China die het virus virtueel in ons gezicht uitbraakte om er ons de rest van het jaar sociaal mee te verlammen.  Hoe dichter het einde van dit kut-jaar nadert, hoe meer het zich op dezelfde manier tot 2019 verhoudt, zoals masturberen zich verhoudt tot stomende seks. Je bent dan wel even tot een geforceerde climax gekomen, je blijft wel helemaal op jezelf en op je inbeeldingsvermogen aangewezen om het een beetje spannend te houden, al dan niet met de bijdehandse hulp van een ‘fake vriend’ die je in het nachtkastje van je slaapkamer verborgen houdt.

Is het omdat de pandemie het afgelopen jaar zo hevig woedde dat we ‘echte vrienden’ voor het alziend oog van de buren en voor rondvliegende Drones, in onze tuin moesten verstoppen? Of is het omdat verifieerbare feiten en wetenschap ondergeschikt werden aan complottheorieën en misplaatste ingebeelde samenzweringen, dat 2020 nu precies aanvoelt alsof het een einde neemt zonder dat het ooit een echt begin heeft gehad?  Is het hierdoor dat we belangrijke dingen waarvan we leerden om er blind op te vertrouwen naar de achtergrond duwden, om plaats te maken voor twijfel, angst, ontevredenheid en agitatie? En is dit dan een jaar om snel of om nooit meer te vergeten? Zelf heb ik geen antwoord op die vraag maar als ik straks dit jaar eindelijk definitief mag weg zuchten zal ik zeker weten dat tegendraads zijn mijn gemoedsrust niet kan bevorderen, integendeel. Dat heb ik zelf tot scha en schande mogen ondervinden.

Maar als we nu nog even volhouden, zullen we straks eindelijk woorden als superverspreider, balkonsolidariteit, huidhonger, versoepelaar en knuffelcontact definitief naar onze collectieve vergetelheid kunnen verbannen en zullen we tabula rasa, met vuile handen en met ontsmette zielen samen in ‘roaring twenties’ een nieuwe start kunnen nemen.

Ondertussen is mijn computer aan het opstarten. Ctrl-Alt-Del en die herstart was echt zo moeilijk niet en mocht dat niet lukken kan je altijd nog de stekker uittrekken.

Simpel leven.

Buiten is het ijzig stil en hoewel er aan de bomen geen enkel blad ritselt, draaien de windmolens in mijn hoofd onophoudelijk. Ze molenwieken geruisloos tegenwijzerzin en malen de gedachten fijn tot er alleen nog idealistische waanideeën of onpraktische heldendaden overblijven. De duisternis buiten en het rode klokje van de microgolfoven zeggen me dat het zeven uur, drieëntwintig minuten en zeventien seconden geleden is dat de dag door de nacht werd opgeslokt, hét uitgelezen moment voor deze dolende ridder om een verroest harnas aan te trekken, een papieren helm op te zetten, en om met een botte griffel, idealistisch en overmoedig ten strijde te trekken tegen de kwelgesels van de illusie en de spoken van de realiteit, voorwaar soms een gevaarlijke bezigheid, zelfs voor een gammel wordende edelman.

Terugblikken is heilig en helend. Maar het is ook hels en duivels. Als ik niet oplet wordt mijn geheugen een Fata Morgana in een woestijn waar angst, schaamte en schuld als uitgehongerde aasgieren rondcirkelen boven rottende kadavers. Dat gebeurt steevast wanneer ik terug ga naar die onheilsplaats om er naar antwoorden te zoeken op vragen die overblijven maar waarop ik maar geen sluitende antwoorden weet te verzinnen.

Net op het moment dat ik dit onheilspellend denkspoor verlaat, stelt iemand, en voor hetzelfde geld is het mijn ingebeelde zelf, me zo maar uit het niets de vraag wat ik nog met de rest van mijn leven wil aanvangen. Ik bedien de stem in mijn hoofd van een repliek door te zeggen dat, ‘halfwassen oud worden een gave is dat enig talent vereist en dat ik daar, zonder dat er twijfel mag over bestaan, beter in ben dan eender wie’. Ik verzwijg voor de stem in mijn hoofd dat ik me daarin gerust nog jarenlang tot expert wil bekwamen. Ik zeg ook niet dat de jaren die nog in het verschiet liggen, mij bijwijlen nog met ambitieuze verwachtingen liggen te begluren, met vooruitzichten waarvan ik op grond van huidige feiten of omstandigheden durf te betwijfelen of ze ooit aan daadkracht zullen winnen.  De vraag of ik het mijn leeftijd niet verschuldigd ben om meer te doen dan te grossieren in kosmische avonturen duw ik naar de grens van mijn gedachten.  Waar bemoeien die zich mee zeg?

Op dit moment, over acht dagen zal het grootste gedeelte van mijn congé payé achter de rug zijn. Als ik daartegen nog niet tot de conclusie gekomen ben dat de thuiswerkende mens de nieuwe heilige is, zal ik buiten het bedenken van nieuwe kosmische avonturen niets aan het doen zijn. Mezelf kennende is de kans namelijk zo veel malen groter dat ik me tegen dan al helemaal heb gespecialiseerd in het nemen van vakantie. Want laat, naast halfwassen oud worden, vakantie nemen de tweede belangrijkste gave zijn, die ik bezit en waarvoor een even groot uitzonderlijk talent noodzakelijk is als voor jong van geest oud worden.

Deze verplichte staycation, wat haat ik dat kutwoord, schrikt me niet af, want nu het licht halfuit is en de stad met zijn drukke mensen is omgevormd tot ghosttown kom ik tot de conclusie dat ik er helemaal niets in verloren ben. Net zoals ik niets van waarde verloren ben in onheilspellende flashbacks of in sinistere toekomstscenario’s. Voorlopig heb ik nog meer dan genoeg aan vandaag, aan mezelf en aan een verroest harnas, een papieren helm en een botte griffel. Het leven kan simpel zijn, zelfs voor een puberende ridder van tweeënvijftig bent die ronddoolt in zijn gedachten.

Schuiver…

Vastberaden, dat is het woord dat helemaal juist omschrijft hoe ik het aangepakt heb, kordaat en gedecideerd, sinds de eerste dag dat ik voor mezelf beslist had om definitief te stoppen met alcohol te drinken. Zeven jaar lang heb ik het zo goed gedaan om gestopt te blijven. In die tijd heb ik alles terugverdiend wat ik de twintig jaren voordien was kwijtgespeeld. In die zeven jaren was het me gelukt om de drankduivel een stapje voor te blijven waardoor het leven voorzichtig en met mondjesmaat teruggekeerde. Liefde, plezier, voldoening, inzicht, eigenwaarde, zelfrespect en rust waren gevoelens die ik in mezelf en samen met anderen opnieuw ontdekt had. Zonder me ongepast op de borst te kloppen, durf ik zelfs zeggen dat het me de laatste jaren niet eens grote moeite heeft gekost om gestopt te blijven. Het ging bijna als vanzelf. Tot gisterenavond. Er stond een pas geopende fles Chablis in de koelkast. Vraag me niet wat me bezielde. Vraag me niet waarom ik die aangeleerde trucs om de verleiding te weerstaan negeerde. Vraag me niet naar het waarom, want ik heb geen antwoorden. “Een glas”, dat kan geen kwaad”, en dat was meteen het allerlaatste wat ik me van gisterenavond nog kon herinneren, toen ik vanmorgen in het ziekenhuis wakker werd van het gepiep van een hartmonitor. Ik werd beademd en in mijn rechterarm zat een infuus die leidde naar een baxter en een andere flacon, waarvan ik de inhoud niet kon aflezen. Hoe ik hier aanbeland ben en wat ik heb uitgespookt, is een vraag waarop ik het antwoord beter schuldig blijf. Ik ben hervallen en het enige wat ik zeker weet, is dat de 3,2 alcoholpromile in mijn bloed voor vele mensen fataal zou kunnen zijn. Dat heeft een dokter me zonet kordaat ingepeperd. Na al die jaren, is deze terugval de meest frustrerende en de meest vernederende ervaring die ik ooit meemaakte. De nederlaag voelt zo zwaar, en zo-alles-vernietigend aan dat schuld en schaamte de enige gevoelens zijn die nog resten. Al het andere kan ik alleen maar omschrijven als zwarte doffe ellende. Ik durf niemand onder ogen komen en de verleiding om de handdoek definitief in de ring te gooien, en om mijn verslaving heel kort en hevig uit te leven, is vele malen groter dan de moed om de draad weer op te nemen. Ik wil nu dood en die beslissing is sneller, en met meer vastberadenheid genomen dan de overweging van enig ander alternatief…

Ondanks het feit dat het dakraam op een spleet staat, en het in de kamer behoorlijk koel is, schiet ik koortsachtig, badend in het zweet wakker. Mijn mond is kurkdroog en mijn slapen kloppen als boorhamers. Ik duizel en mijn hart gaat wild te keer alsof een kater in alle hevigheid woedt. In de verte vraagt iemand of ik ok ben. De stem klinkt vertrouwd, en als het licht van de nachtlamp het duister verjaagt, merk ik dat ik helmaal verward, rechtop in mijn bed zit. “Een nachtmerrie”, prevel ik angstig, nog steeds beschaamd, omdat ik niet helemaal zeker weet of datgene wat ik zonet beleefde een kwade droom of realiteit was. Bij het leeggoed dat in de bergruimte naast de blauwe pmd-zak staat, zitten geen lege flessen Chablis en vind enkel drie lege fles ice-tea-zero en daarmee de bevestiging die ik nodig had.

Deze schuiver, is mij niet overkomen. Ik heb hem alleen heel erg hevig in een droom beleefd. En ook al voelde het aan als het einde van de wereld, prijs ik me nu gelukkig en ben ik dankbaar dat ik in staat ben om alles opnieuw langs de positieve kant te bekijken. Want door deze ingebeelde relaps weet ik weer heel zeker waarom ik, met de eindejaarsdagen in het verschiet, dat eerste glas maar beter kan laten staan.

%d bloggers liken dit: