Dagdroom.

 

Grand Café Industrie was de juiste locatie voor onze eerste live ontmoeting. Hoewel ik me in dit rustieke decor de juiste figurant voelde, waren de zenuwen toch strak gespannen. Nerveus speurde ik naar een herkenbaar gezicht. Toen mijn afspraak niet onmiddellijk in mijn blikveld viel zocht ik een plek in het midden van het café. Aan een tafeltje op een verhoog. Van daar uit had ik prima overzicht. Als Mark binnen zou komen zou hij me onmiddellijk opvallen. Vlak boven de tafel hing een impressionante ronde koperen luchter die mooi contrast vormde met de rest van het victoriaans interieur. De beige-bruine mozaïekvloer waarop vier groteske ronde pilaren rustten die het hoge plafond ondersteunden, maakte het geheel compleet.

Uitgelezen scène voor een dagdroom!

Allerlei soorten mensen vulden de ruimte. Een hip bejaard koppel rechts van mij nipten hun koffie en bespraken hun volgende citytrip. Zo wil ik ook oud worden bedacht ik. Eensgezind en energiek zonder wrevel of gemor kwamen ze overeen dat het Praag zou worden. Ik wierp hen fijntjes een glimlach toe. Ze glimlachten terug. “Prima keuze”: zei ik bemoeiziek. Ik denk niet dat ze het heel erg vonden.

Wat verderop zaten 2 zakenmensen. Dat zag ik aan hun strakke pak en hun suède schoenen. Ze praatten druk en gesticuleerden hevig toen ze hun verkoopstrategie kracht bijzetten. De vrouw die geïmponeerd leek door zoveel overtuigingskracht bleef zonder een moment de aandacht te laten verslappen aan hun lippen hangen. Even later krabbelde ze haar handtekening onder een elektronisch contract. Goede zaken waren beklonken want er kwamen bubbels aan te pas.

Een mooie jonge vrouw met een hippe rugzak schuifelde binnen. Ze draaide en keerde op dezelfde manier zoals ik dat net eerder had gedaan. Ze nam plaats op de bank, bestelde thee en begon op haar smartphone te tokkelen. Even verder zoemde nog een gsm. Iemand had ook digitale vrienden.

Ik bestelde een tweede cappuccino. De serveerster weigerde mijn euro’s want ze verzekerde me dat de man achter de pilaar mijn rekening zou betalen. Nu pas herkende ik Mark, de baas van de uitgeverij, die ondertussen ook vergezeld was door de jonge vrouw en een andere man die Gunther heette.

De jonge dame had ook goed nieuws gekregen. Haar kinderboekje zou over drie weken al gedrukt worden. De mijne over een aantal maanden pas, als het manuscript verbeterd is en wanneer we het na de proefdruk eens zullen raken over een mooie bijpassende cover.

2 uur geleden zat ik nog in de trein met een hoop vragen, met darmen in de knoop en als hoofdpersonage van mijn overmoedige droom. Nu sta ik buiten. Voor het station en speel ik mijn hoofd even voor Brusselmans of Lanoye maar dan zonder lang vettig haar of nichterige maniertjes.

Ik heb zin om te luid te roepen of om te springen of om iets anders zot te doen. Een echt boek schrijven misschien?

Pijpen en vrouwendag

 

Op een dag als deze ben ik des temeer opgelucht dat mijn seksuele identiteit helemaal overeen stemt met het geslacht waarmee ik geboren ben. Mijn ochtenderectie heeft me dat daarstraks heel duidelijk gemaakt toen ik half wakker en met zandslapers in mijn ogen, mijn nog slapende vrouw in de gaten kreeg. Het dekbed was weg gewroet zodat ze ongeveer tot aan het middel bloot lag. Een spaghettibandje van haar slaaptopje was van haar schouder gerold zodat een borst zich half ontblootte. De jongeman in kwestie had niet meer nodig.

Ik was stiekem trots want mijn mannelijkheid werd bevestigd. Vanaf vijftig worden wij daar blij van geloof me. Al dient in dezelfde adem gezegd, dat ik me ‘die sta(a)t(d)us’ of ‘staat’ van dienst een paar luttele tellen beklaagde, toen ik met volgestroomde zwellichamen probeerde te pissen.

In die toestand de blaas legen, blijft een uitdaging en een hachelijk huzarenstuk want pissen terwijl de eenogige slang je recht in de ogen kijkt is geen sinecure. Het is alleen geriefelijk en bruikbaar wanneer ik een ‘Z’ in de sneeuw wil mikken maar daarvoor is het lang nog niet de tijd van het jaar.

Hoewel verpleegsters met deze plaatselijke ‘rigor mortis’ doorgaans  raad weten, durf ik dat voorzichtige hoofdstandje niet te geven. Ik wacht dus maar geduldig tot het dier terug in zijn kot kruipt. Gelukkig was er vanmorgen geen hoog water voorspeld.

Voor zo lang het nog duurt ben ik blij met mijn mannelijkheid want vandaag het is vrouwendag. Je zult het geweten hebben want newsfeeds lopen over.  Straffe vrouwen met gebalde ‘forceballen’ prijken op internettegels of in nieuwsartikels van organisaties die’ topvrouwen’ of ‘vrouwen on top’ al als vanzelfsprekend achten. Mijn mening doet er niet toe maar volgens mij zouden vrouwen, alle dagen van het jaar deze aandacht mogen krijgen want ze zijn tot meer in staat dan wij mannen. Ze kunnen bijvoorbeeld ’s morgens wel zonder problemen pissen zonder het risico dit in hun eigen gezicht te doen. Toch verkrijgen ze tot op heden nog steeds niet de aandacht, de sociale, politieke, morele of intellectuele gelijkwaardigheid, laat staan de lonen, die ze verdienen.

Zelfs leeuwin Gwendolyn Rutten klauwde kwaad.  ‘Maak daar maar heel kwaad van!’: brieste ze. Toen volgens de blauwe hofdame, de kandidaat voor het Oost-Vlaams gouverneurschap Carina Van Cauter, afgelopen week genadeloos werd geslachtofferd door mannelijke politieke afrekeningen.

Misschien dat wij mannen, de vrouw daarom vandaag zo graag betuttelen en hen met veel bravoure op een pied de stalle zetten. Om hen met een illusie kalm te houden of heel misschien om in de verf te zetten dat ze er nog lang niet zijn.

Toch is de toekomst vrouwelijk want ze hebben statistische overmacht. De rol van de man is uitgespeeld want het sterke geslacht dient al veel langer een veel hoger doel dan er goed uit te zien of de krant of de sloffen te brengen voor hun pijpen rokende vent.

Al blijft het schrijnend dat er nog steeds vrouwendag nodig is, om dit onder de aandacht te brengen.

 

.

 

 

Boekenbal

 

Halverwege de trappen houd ik even halt en kijk voor me uit. Ik was hier eerder. Vorig jaar en alle voorgaande jaren ook maar dan alleen als bezoeker en toeschouwer. Vandaag is het anders.

Aan deze ingang hoef ik niet aan te schuiven. De aarzeling in mijn tred verraadt zenuwachtigheid. Iedereen kan dat van ver zien. Een handvol hostessen die bezoekers verwelkomen, staan op de hoogste trede. Ze dragen allemaal dezelfde lichtblauwe anorak en rode T-shirt. Een ervan scant mijn toegangsbadge en begroet me hartelijk. “Welkom, het is langs hier. Volgt u maar.” Ik ben niet zeker of ik zelf “hallo, goedemorgen” of iets anders vriendelijks terug zei. Mocht ik op mijn gemak zijn, ik zou dat nooit vergeten, al was het maar uit beleefdheid. Nu is me dat door de omstandigheden en door mijn nervositeit ontgaan. Ik ben zeker dat ze me door mijn ongewilde boertigheid een verwaande, arrogante eikel vindt. Ik twijfel even of ik terug zou gaan om het haar uit te leggen. Om te zeggen dat ik het niet zo bedoelde en dat ik doorgaans wel manieren heb maar ik bedenk me.  Wellicht omdat vandaag al grotere ego’s haar trap bestegen hebben. Ik laat het goed bedoelde voornemen verder voor wat het is want vandaag heb ik andere katten te wassen.

Zweetdruppels lopen langs mijn bilspleet en voel de boxershort ter hoogte van mijn liezen klam worden. Onwennig duw ik de glazen deur open. Uitgesproken verwachtingen heb ik niet en ik heb al helemaal geen idee hoe de namiddag verder zal verlopen. Toch begin ik me stilaan lichter en opgeladen te voelen. Ik besluit katten uit bomen te kijken en af te wachten wat de dag verder voor mij in petto heeft.

Eens binnen scannen mijn ogen jachtig de omgeving en speuren naar iets bekend of veilig. Een vrouwelijke figurant die verkleed is als Jommeke gesticuleert met veel gebaar en tracht de aandacht van kinderen op te eisen. We hebben oogcontact en zij bemerkt mijn hulpeloze onzekerheid. Snel probeer ik uit te maken of ze me ermee uitlacht of ze eerder tracht me op mijn gemak te stellen. Ik vermoed het tweede dus zwaai ik slungelachtig terug en prijs me gelukkig dat ik niet een ganse dag in zulk een jommekes-harnas moet rond dartelen en dat ik hier maar wat hanenpoten mag komen zetten. Wellicht zal haar slip natter zijn dan die van mij, maar ik verban die gedachte snel naar mijn mentale prullenbak.

In de eerste grote hal lopen mensen als zenuwachtige mieren door elkaar. Ze slenteren in min of meer geordende rijen achter elkaar, als werksters of verkenners van de kolonie, op zoek naar een interessante prooi die in hun blikveld valt. De ene mier achter de andere, kop tegen gat. Of ze schuiven aan en drummen voor een glimp van, of een kort praatje met hun idool die ze persoonlijk kennen van Tv. Iedereen sjouwt met tassen en zakken.  De meeste ervan puilen uit, met folders, kranten en tijdschriften of ander leesvoer dat allemaal verpakt is in hetzelfde bruine inpakpapier. De draagtassen zijn ook allemaal eender. Wall street van de boeken draait op volle toeren.

Achter hoge tafels zitten de ijdele hogepriesters of de gladiatoren van de boekenarena. Sommigen zie ik genoegzaam glunderen en genieten van de aandacht die hen te beurt valt. Andere dan weer verbergen hun gezicht achter de stapels boeken en houden zich er schuchter en bedeesd schuil voor de opdringerige attentie van het plebs waarvoor ze het geschreven hebben. Schrijvers zijn een vreemd volkje.

Als de nieuwbakken koningin van de kolonie arriveert, schuift de mensenmassa snel als een modderstroom naar zaal 3. Uit Pure-borden en Pure-kommetjes serveert de voedselmaker van de mierenhoop minutieus gestylde gerechten.  Voedsel zonder koolhydraten, zonder suiker en zonder smaak. Maar de menigte lust haar pure pap wel en “la Naessens-Jambers”, geniet zienderogen van de warme spotlights van waaronder zij haar voedselevangelie predikt. Zij kan zich niet verschuilen achter stapels boeken omdat die even snel slinken als overtollig vet dat even snel smelt als je de eetstijl overneemt die ze neerschreef in haar recepturen.

Hopelijk worden niet al de euro’s gespendeerd aan voedselrages van ouder wordende taarten of aan voetbalpraatjes van stotterende sportjournalisten en rest er nog een duit in de beurs voor literair verantwoorde dingen of voor andere leuke boekjes, van stuntelige auteurs, die zich verstoppen achter hun stapel omdat ze te verlegen zijn of te onzeker of omdat ze nog niet doorhebben hoe het boekenbal precies in elkaar zit.

Ik raak stilaan rustig. Wie schrijft die blijft en ik vis de vulpen uit mijn binnenzak.

 

Het vallen van het blad

De oudewijvenzomer duurde lang. Misschien iets te lang want hij liet de herfst ongedurig wachten. Nu de laatste zomerwarmte verdwenen is, raakt de natuur stilaan wel in de juiste stemming en laat hij eindelijk zijn ware kleuren zien. Hoewel bladeren geel, bruin en rood kleuren, en alles in vol ornaat getoond wordt, blijven grijze wolken, aanschouwd door een raam er even grijs en somber uitzien.

Straten liggen bezaaid met afgevallen, rottend blad. De Indian Summer is vergeten. Eindelijk is de verwarring verdwenen. Het waait, het miezert en het is vroeger donker. De natuur raakt in de overgang en het buitenleven vecht tegen de menopauze van de nakende somberheid.

Met de intocht van het guur lijkt het leven zwaarder te wegen. Yin neemt over en de emotiemachine zorgt her en der voor een ongewenste herfstdip. Rondom mij hoor ik gezeur en gezaag, over alle dingen waar mensen zich kunnen over beklagen. De herfst en het weer zijn toppers in de klaagzang al moet de uitslag van de verkiezingen niet onder doen. “Waarom gaan wij nog kiezen. Alles is toch op voorhand bedisseld?” “Doe het dan niet en stop met jammeren”: wil ik hen van repliek dienen. Maar ik doe het niet. Ik laat het zuur voor wat het is.

Omdat ik tegendraads ben en omdat niemand me zegt: “ Ik ben blij dat die rotzomer voorbij is”, roep ik hard in mezelf: “Hoera, het is herfst!” Want authentiek en lang- of kortdurend geluk wordt in mijn hoofd al langer toegelaten zonder hulp van een positieve psycholoog. En van de seizoenen hoef ik al helemaal geen toestemming te krijgen om me goed of slecht te voelen? Al zeker van de herfst niet en van zeurende mensen nog minder.

De gedachten aan geluid van knisperende bladeren onder mijn voeten en het hamsteren van tamme kastanjes, okkernoten en hazelnoten, jagen me naar het bos. Van die ingebeelde pompoen, die ik onderweg zeker zal meepikken uit de hof van een verre buur maak ik in gedachten al een soepje, met koriander en een paar gegrilde scampi’s.

Konijnen, fazanten en reeën zijn gezellen op mijn pad. Ze kunnen mijn aanwezigheid maar matig appreciëren. Ze vluchten even haastig weg voor het geluid van de krakende bladeren onder mijn bottines als ik voor de zeurende, zure mensenmassa. Ik denk dat ik begrijp wat ze me duidelijk willen maken.

Van achter bladerloze kruinen spant een regenboog de hemel op. De holebi’s kunnen er ook maar goed mee zijn, bedenk ik. Het is hoogtijd om aan die soep beginnen al zal ik dan wel eerst de kassa van de supermarkt moeten passeren. Hopelijk kom ik er niet te veel mensen tegen.

De juiste afslag

 

11 uur is net gepasseerd en ik keerde zopas terug naar datzelfde cafeetje waar gisteren samen met beste vrienden van vroeger, het verleden werd opgerakeld.

Nu vallen stamgasten opnieuw met mondjesmaat binnen. Het gezelschap is rustiger, en onbekender en misschien iets meer van een gezegende leeftijd dan gisteren.

“All, or nothing at all.  There is no in between…” Billy Holliday accentueert op de achtergrond mijn gedachten en zingt het met haar rauwe stem precies hoe ik het bedoel. Als passend behangpapier. Mijn open geklapte laptop wordt een digitale loopgraaf en een uitgelezen schuilplaats om er naar mensen te kijken en om er de sfeer van  gisterenavond mee terug  te toveren.

Een vrouw met oranje sjaal bladert snel in een flair. Het tempo waarmee ze de pagina’s draait laat me vermoeden dat ze nerveus op iemand zit te wachten. Even later valt haar amant binnen. Ze kussen elkaar innig zoals achttienjarigen dat doen. Billy Holliday laat er zich niet door van haar stuk brengen. “The kiss in your eyes, the touch of your hand makes me weak…”  Ze laat de tekst klinken alsof die exclusief voor hen bedoeld was.

Net zoals gisteren bestel ik koffie. Opnieuw is hij perfect, sterk genoeg gezet.  Net zoals ik hem het liefst heb. Uit twee oude suikerpotten kan ik kiezen uit witte kristal- of grijze rietsuiker. Het glaasje plat water en de witte praline met een hazelnoot die er bij geserveerd worden maken mijn wachtmoment helemaal compleet. Geluk heeft soms een klein plekje.

Het café is veel minder vol dan gisteren. Rustiger ook, al echoën de gesprekken van gisteren nog na. De geesten uit het verleden lijken nog even terug te komen, om te spoken en om te zien dat het goed was geweest. Wellicht ben ik de enige die ze hoort. Al kan ik me niet van de indruk ontdoen dat de barman die ons gisteren ook bediende ze eveneens even opmerkte.

Het kost me geen moeite om terug te blikken op gisterenavond. Net zoals vanouds was ik er als eerste en koos een gepaste stek, dicht bij de tapkast.  Om van daar, in de juiste cadans en op het juiste tempo bediend te raken. Al verlang ik dat zelf al een hele tijd niet meer. Van sommige oude gewoonten raak je blijkbaar niet snel verlost en al zeker niet wanneer ik op het punt stond die oude gewoonten te delen met bekenden die het van me gewend waren.

Vanaf 7 uur vielen ze binnen, één voor één of met zijn tweeën. Sommigen zagen er zichtbaar ouder uit, kaler of waren door hun Bourgondische levensstijl wat bij gespekt. De ene ziel al wat harder en feller of grijzer door de wol van het leven geverfd dan de andere. De meesten onder hen waren geen haar veranderd. Of misschien merkte ik door mijn eigen rimpels en mijn eigen genuanceerde blik het verschil niet meer. Dat kan ook. Een kleine 30 jaar geleden bewandelden we een tijdje hetzelfde levenspad. Op school. Al was die plek toen eerder een juist alibi om er na de uren op café, op een TD of tijdens een Cantus toekomst en geschiedenis mee te maken. Gisteren kwamen we voor het eerst weer samen om hele oude koeien uit grachten te redden. Met onderscheiding hebben we ons van die opdracht gekweten. Sommigen zelfs met meer succes dan vroeger tijdens examens, al moet ik wat dat betreft misschien eerder voor mezelf spreken.

Het deed deugd hen allemaal te terug zien. Om bij te praten en vast te stellen dat ieder op zijn tempo en met zijn persoonlijke ambitie of verwachting de juiste afslag heeft gevonden. Om daar dan toe doen wat zij belangrijk achten. Al moesten sommigen tot in Zuid Afrika rijden om daar te vinden naar wat ze op zoek waren. Het maakt niet uit.

Mijn jongste zoon valt binnen en haalt me abrupt uit mijn mijmerende gedachten. “Het maakt niet uit wat we gaan eten, zolang het maar veel is. Ik heb razende honger en straks ga ik pinten pakken, met mijn maten van school …“

Ik kan een innerlijke glimlach niet onderdrukken en bedenk me dat hij zich hier over 30 jaar misschien ook terug komt bezinnen over de avond die hij op punt staat te beleven. Ik hoop het zo voor hem.

 

 

De Oezbeek!

Ik heb een hoop vrienden. Een ervan kent iemand. Hij is vluchteling en is afkomstig uit Oezbekistan. Hij leert Nederlands. Het is niet mijn vriend die Nederlands leert. Neen, hij is oerdegelijk Vlaams. Hij praat zelfs een beetje zoals Geert Bourgeois. Stijf en statig en met een veel te harde “G”. Wellicht is het nog een onbewaakte gewoonte die hij aanleerde tijdens zijn studietijd. Om er zijn West-Vlaamse accent mee te verdoezelen. Omdat hij er mee werd uitgelachen. Ik vermoed het want ik heb hem nooit gevraagd waarom hij zo hard op die “G” rochelt.

‘Vriend’ is een groot woord. Ik zie hem soms en dan praten wij tegen elkaar. Gewoon maar praten, omdat mensen die elkaar kennen dat doen. Uit gewoonte, niet per force omdat we elkaar zo tof vinden of zo. We praten en produceren woorden en zinnen. Soms, zelfs wisselen we gedachten uit. Over gemeentelijke opcentiemen of over het orgasme van een varken. Wist je trouwens dat het orgasme van een zeug ongeveer dertig minuten duurt en dat er dan meer dan een halve liter varkenssperma ‘gedoneerd’ wordt? Daar kan je lang over praten, over het orgasme van een varken. Minstens een half uur. Daar ben ik zeker van. We praten dus. Over alles en over niets. Verder hebben we niet zo veel met elkaar gemeen. Misschien zal ik hem daarom en om misverstanden te vermijden maar gewoon, ‘kennis’ noemen in plaats van ‘vriend’.

Die Oezbeek ken ik trouwens ook niet. Die heb ik zelfs nog nooit gezien of ontmoet en dat hoeft voor mijn part ook niet. Ik praat namelijk geen Oezbeeks en hij niet voldoende Nederlands. Zeker te weinig om het er überhaupt over iets mee te kunnen hebben. Over het orgasme van een olifant bijvoorbeeld. Dat zal vast ook wel lang duren en er zal meer dan een halve liter olifantensperma aan te pas komen, denk ik. Maar ik zal het niet te weten komen. Niet vandaag en niet uit een gesprek met een onbekende Oezbeek.

In een van onze onbenullige gesprekken, zei mijn ‘kennis’ dat de Oezbeek, die klaarblijkelijk wel Nederlands begrijpt, zich stoorde aan hoe dikwijls wij Vlamingen het woord ‘zitten’ gebruiken. En hoe hij daar kop nog staart aan krijgt Hij heeft dat vast op een andere manier gezegd want ik kan me niet voorstellen dat een Oezbeek die Nederlands leert al zulke tekenende spreekwoorden gebruikt. Ik moest daar trouwens tijdens ons gesprek al eens even over nadenken. Over het woord ‘zitten’. Hij heeft een punt. Hoewel hij maar een paar woorden Nederlands spreekt, heeft die Oezbeek overschot van gelijk. Het woord ‘zitten’ zit zot ineen.

Nu ik thuis ‘zit’, (het gesprek met mijn ‘kennis’ ging trouwens over een niets zeggend onderwerp) ‘zit’ ik er al een uur mijn kast over op te fretten. Terwijl ik het denk, weet ik dat ik dat ook zo maar zou kunnen vertellen zonder dat ik daadwerkelijk ‘zit’ zeg. De waarheid is zelfs dat ik helemaal niet zit want ik lig in mijn sofa. Ik zou ‘zit’ dus ook kunnen zeggen terwijl ik rondloop of de afwas aan het doen ben of zo. Echt ‘zitten’ heeft daar van ver of van dichtbij iets mee te maken.

Terwijl ik door boom over het woord ‘zitten’, ‘zit’ de poes te krabben aan de lederen zetel waar ik in ben neer gevleid. “Daar mag je niet ‘aanzitten’“: roep ik op autoritaire toon, en ik gooi mijn pantoffel naar het ongedierte.

Gesteld dat mijn ‘kennis’ en de Oezbeek getuigen waren van dit tafereel en eveneens aangenomen de Oezbeek het woord ‘aanzitten’ in deze context zou hebben aangeleerd, zou een restaurantbezoek bron van smakelijke misverstanden zijn. Ik zie het zo voor me. De Oezbeek en mijn ‘kennis’ stappen binnen in een sjiek spel en de gastvrouw gebiedt hen beleefd aan de keurig gedekte ronde tafel ‘aan te zitten’. Welke gedachten zouden er op dat ogenblik door het hoofd van de Oezbeek dwalen? Mag hij zitten? Of mag hij het niet en zou hij met zijn pantoffel gooien? Want een duur sterrenrestaurant heeft iets sjieks. Daar komen geen ongehoorzame poezen aan te pas en aan de tafels wordt zonder berisping ‘aangezeten’. In de veronderstelling ten minste, dat er geen kauwgom aan mijn broek ‘zit’ doordat ik een stoel uitkoos waar een kauwgom op ‘zat’.

In duidelijke omstandigheden en in de oorspronkelijke betekenis van het woord heeft ‘zitten’ alles te doen met, ‘rustig gezeten zijn’, op je kont, op een stoel, in een zetel, of ‘op mijn vrouw’ maar dan niet in de betekenis die ik er hier wou aan geven. In die betekenis had ik wellicht net ervoor gezegd, dat het rode kleedje haar als gegoten ‘zit’. Geen Oezbeek ter wereld die eraan zou denken dat dat kleedje op die stoel zou ‘zitten’ of ik op mijn vrouw.

Het houdt me bezig. Waarom is ‘zitten’ zo ingeburgerd? Zegt het iets over mijn ‘zittend’ bestaan? Wanneer ik in mijn zetel ‘zit’, of wanneer ik ‘zittend’ op mijn krent deze onzin schrijf? ‘Zit’ ik er dan aan vast? En hoe komt die Oezbeek er trouwens op? Omdat hij al jaren op de vlucht is en daarom struikelt? Omdat hij nooit eens vijf minuten rust vond en daarom valt over ‘zitten’? Misschien moet ik het hem maar eens vragen. Misschien moet ik hem eens uitnodigen bij mij thuis zodat we het kunnen hebben over het orgasme van de olifant of over de gemeentelijke opcentiemen.

Op de achtergrond brult de televisie. Holland scoort 1 – 1.

Hij ‘zit’!

%d bloggers liken dit: