Dagdroom.

 

Grand Café Industrie was de juiste locatie voor onze eerste live ontmoeting. Hoewel ik me in dit rustieke decor de juiste figurant voelde, waren de zenuwen toch strak gespannen. Nerveus speurde ik naar een herkenbaar gezicht. Toen mijn afspraak niet onmiddellijk in mijn blikveld viel zocht ik een plek in het midden van het café. Aan een tafeltje op een verhoog. Van daar uit had ik prima overzicht. Als Mark binnen zou komen zou hij me onmiddellijk opvallen. Vlak boven de tafel hing een impressionante ronde koperen luchter die mooi contrast vormde met de rest van het victoriaans interieur. De beige-bruine mozaïekvloer waarop vier groteske ronde pilaren rustten die het hoge plafond ondersteunden, maakte het geheel compleet.

Uitgelezen scène voor een dagdroom!

Allerlei soorten mensen vulden de ruimte. Een hip bejaard koppel rechts van mij nipten hun koffie en bespraken hun volgende citytrip. Zo wil ik ook oud worden bedacht ik. Eensgezind en energiek zonder wrevel of gemor kwamen ze overeen dat het Praag zou worden. Ik wierp hen fijntjes een glimlach toe. Ze glimlachten terug. “Prima keuze”: zei ik bemoeiziek. Ik denk niet dat ze het heel erg vonden.

Wat verderop zaten 2 zakenmensen. Dat zag ik aan hun strakke pak en hun suède schoenen. Ze praatten druk en gesticuleerden hevig toen ze hun verkoopstrategie kracht bijzetten. De vrouw die geïmponeerd leek door zoveel overtuigingskracht bleef zonder een moment de aandacht te laten verslappen aan hun lippen hangen. Even later krabbelde ze haar handtekening onder een elektronisch contract. Goede zaken waren beklonken want er kwamen bubbels aan te pas.

Een mooie jonge vrouw met een hippe rugzak schuifelde binnen. Ze draaide en keerde op dezelfde manier zoals ik dat net eerder had gedaan. Ze nam plaats op de bank, bestelde thee en begon op haar smartphone te tokkelen. Even verder zoemde nog een gsm. Iemand had ook digitale vrienden.

Ik bestelde een tweede cappuccino. De serveerster weigerde mijn euro’s want ze verzekerde me dat de man achter de pilaar mijn rekening zou betalen. Nu pas herkende ik Mark, de baas van de uitgeverij, die ondertussen ook vergezeld was door de jonge vrouw en een andere man die Gunther heette.

De jonge dame had ook goed nieuws gekregen. Haar kinderboekje zou over drie weken al gedrukt worden. De mijne over een aantal maanden pas, als het manuscript verbeterd is en wanneer we het na de proefdruk eens zullen raken over een mooie bijpassende cover.

2 uur geleden zat ik nog in de trein met een hoop vragen, met darmen in de knoop en als hoofdpersonage van mijn overmoedige droom. Nu sta ik buiten. Voor het station en speel ik mijn hoofd even voor Brusselmans of Lanoye maar dan zonder lang vettig haar of nichterige maniertjes.

Ik heb zin om te luid te roepen of om te springen of om iets anders zot te doen. Een echt boek schrijven misschien?

Tot nooit meer…

Als ik al de stommiteiten die ik ooit gemaakt heb, en als ik al hetgeen wat me in mijn leven ooit te beurt gevallen is, en waarvan ik spijt heb of waarover ik me schaam, daadwerkelijk wilde vergeten, kon ik niet anders dan me alles zo precies mogelijk proberen voor de geest te halen. Ik moest en ik zou trachten om me elk detail zo juist mogelijk proberen te herinneren om niet het risico te lopen dat ik de moeilijkste zaken zou vergeten of dat ik ze zou vergeten te vergeten. Indien ik dat niet zou doen, zouden al die nare ervaringen die ik uit de weg probeerde te gaan of die ik onder de mat probeerde te moffelen, vroeg of laat opnieuw mijn pad kruisen. Ik vroeg me af of ik – om al die zware dingen lichter te maken en om ze een definieve plaats te geven – ze niet beter zou opschrijven, in een soort inventaris van mijn geweten. Ik ben geen masochist en ik wentel me niet graag in zelfbeklag. Ik kan ook niet zeggen dat ik niet vreesde om aan die oude littekens te prutsen, want misschien ging ik ze wel opnieuw open krabben, en ging ik oud verdriet of vergeten gemis op die manier verversen. Maar ik moest, koste wat het kost het lijstje van mijn geweten afvinken, om de openstaande rekeningen uit het verleden af te lossen. Ik denk niet dat ik eraan ontkomen kon, temeer omdat ik in de wekelijkse bijeenkomsten die ik al lang onderhoud, ondervonden heb dat er geen gelukkige toekomst mogelijk is zonder dat er eerst een leesbare of begrijpelijke versie van het verleden gemaakt wordt. Met begrip van mijn geschiedenis versta ik toch gemakkelijker mijn heden, niet? Leuk, was niet aan de orde, maar met een pen, een inktpot en een bereidwillige uitgever zou het me misschien lukken om een streep te trekken onder mijn bezwarend verleden, en zou ik er moed in kunnen vinden om een nieuw pad naar de toekomst te leggen.

Waarom had ik me toch zolang en zo koppig gefocust op ergernissen die buiten mezelf lagen. Waarom zie ik vandaag nog steeds beter de kemels die anderen maken dan diegene die ik zelf schiet? Waarom ergeren zoveel mensen – mezelf incluis – zich toch steeds opnieuw aan het gedrag of aan meningen van andere mensen, en aan mensen die zich op hun beurt dan weer ergeren aan andere mensen en aan andere meningen? Is dat het geval omdat ze eveneens geen vrede hebben kunnen sluiten met het leven dat ze vandaag zelf leiden maar niet de moed, het inzicht of de middelen hebben om het onder ogen te durven zien en om het zelf te veranderen? Zou het kunnen dat er bij hen ook onverwerkte dingen uit het leven in de weg blijven zitten en maar blijven opspelen zodat essentieële keuzes onmogelijk kunnen gemaakt worden? Zit er in onze generatie klagers dan zoveel ongenoegen omdat we voortspruiten uit een generatie babyboomers die zelf in hoogstens twee decennia vanuit een overall in een maatpak groeiden en dat ook van hun kinderen verwachtten. Misschien werden we door hen wel opgevoed met het idee dat het leven als een wedstrijd moet aangegaan worden, als een concurentiestrijd waarin niks mag gemist worden en waarbij de winnaars als belangrijker of voornamer aanzien worden dan verliezers. En misschien gaat dat obsessief streven naar maatschappelijk succes, naar status en materieel aanzien wel ten koste van empathie, verdraagzaamheid en naar harmonie die ons normaal gezien als sociale mens zo kenmerken? Misschien verloren we als maatschappij gewoon de juiste weg die leidt naar contentment en naar verdraagzaamheid, precies op dezelfde manier zoals ik mezelf kwijt raakte in de illusie van mezelf?

Gebeurtenissen uit het verleden zitten vaak op onheispellende plekken verborgen. Als je er naartoe gaat wordt je er met de neus op feiten gedrukt die je liever vermijdt want je ziet jezelf er vaak op een manier die niet zo fraai oogt. Misschien is het beter om die pijnlijke confrontatie gemakshalve uit de weg gaan, want sinds ik de ten laste legging van mezelf uit het verleden onder ogen kwam, staat mijn besluit vast. Ik ga er definitief afstand van nemen om er voor altijd van te scheiden. ‘Vaarwel en tot nooit meer’, zeg ik dan, of tot de volgende keer dat ik me weer helemaal in jou verlies al zal ik dan wel proberen om er jou niet langer meer mee lastig te vallen.

In ieder van ons zit er een.

Verslaving of afhankelijkheid? Al hebben die twee woorden een andere bijklank, in mijn ogen betekenen ze net hetzelfde. Ze roepen bij vele mensen weerstand op, omdat ze beladen zijn met taboe, met vooroordelen en met ontkenning. Deze maand vier ik mijn zevende verjaardag. Ik druk me expres zo uit, omdat het echt zo aanvoelt. Mijn leven kreeg pas weer betekenis toen ik gestopt ben met het leven zelf weg te drinken. Langer dan dertig jaar heeft het geduurd vooraleer ik mijn mening over alcohol en drinken in de juiste richting kon bijsturen. Vandaag is mijn kritiek op alcoholgebruik dan ook scherper en harder. Ik wikkel er geen doekjes meer rond wanneer ik erover spreek omdat ik mezelf als proefobject mag beschouwen en ik mezelf, mijn gedrag, mijn denken en voelen objectief mag beoordelen, zowel als drankorgel maar ook als herstellende verslaafde.

Over het gebruik of misbruik van hard drugs raken de meeste mensen het nog wel eens. Dat soort gedrag van spuiten, snuiven en roken wordt maatschappelijk en door de meeste onder ons als problematisch aanzien. Maar wist je dat er geen enkele afhankelijkheid zo ontkend wordt als alcoholafhankelijkheid? Alcoholmisbruik wordt genegeerd door onze maatschappij, onkend door onze cultuur en bijgevolg door ieder van ons niet als niet problematisch en dus als normaal beschouwd, omdat het “erbij” hoort. Alcoholafhakelijkheid wordt ten onrechte nog vaak alleen maar geassocieerd met dakloze zwervers die hun dag op straat doorbrengen en samenklitten op ranzige plaatsen om er samen, van ‘s morgensvroeg tot ‘s avondslaat halveliterblikjes bier of goedkope wijn uit kartonnen pakken te drinken om verder geen enkele maatschappelijk rol van betekenis meer te spelen. Toen ik nog dronk, vergeleek ik mezelf ook altijd met de anderen, met “de anderen” die meer dronken dan ikzelf. Ik vergeleek me dan ook met de zatte straatzwervers die ik hieboven beschreef. Om mijn eigen gedrag met die vergelijking te minimaliseren kwam ik tot de verkeerde conclusie dat ik (nog) geen probleem had omdat ik alles nog bezat. Ik had toch nog een vrouw en kinderen en werkte toch nog. Misschien dronk ik alleen wat veel, maar daar deed ik buiten mezelf toch niemand kwaad mee? Wat ik mezelf niet vertelde was dat die mensen met wie ik mezelf vergeleek wellicht vroeger in hun leven ook moeten gedacht hebben dat ze (nog) geen probleem hadden en dat ze met hun drinken niemand kwaad deden, maar daar wel zo lang mee zijn doorgegaan tot ze niet meer konden stoppen en alles, zelfs hun menselijke waardigheid, kwijtspeelden aan een halveliterblikje of een karton wijn.

De dingen en de trucs waarmee toen ik mijn afhankelijkheid verdoezelde zijn herkenbaar omdat ze universeel zijn voor iedereen die zich ik de gevarenzone bevindt. Ik heb niet de pretentie om afhankelijkheid te meten aan het aantal glazen per dag of per week. Ik heb niet de kennis om drinken door vrouwen anders te beoordelen dan drinken door mannen. Ik kan niet zeggen dat te veel sterke drank erger is dan te veel pintjes drinken. Wat ik wel uit eigen ervaring kan zeggen en wat ik met zekerheid weet, is dat ik mijn overmatig drankgebruik altijd heb ontkend en dat ik de hoeveelheden die ik binnengoot altijd heb geminimaliseerd, tegenover mezelf maar zeker ook tegenover anderen, of ik schepte erover op wanneer ik me in het “juiste gezelschap” bevond. Ik wist ook dat ik diep van binnen niet content of fier was met het feit dat het steeds opnieuw uit de hand liep en dat ik niet meer in staat was om een maat te houden. Ik betrapte me erop dat ik in gedachte en in ‘t geniep jaloers was op mensen die wel “sociaal” konden drinken. (Al bestaat die term nu in mijn ogen niet meer). Ik merkte ook dat ik een ongezonde relatie had opgebouwd met mijn drank die langzaam maar zeker de greep op mijn leven(r) begon over te nemen. Opeens en zonder duidelijke verwittiging bevond ik me in een destructieve machtsrelatie waarin ik hulpeloos en krachteloos in een soort van weerloze slachofferrol werd geduwd, niet meer in staat grip te krijgen of weerstand te bieden. Langzaamaan begon ik het leven te ondergaan waarin het drinken van wijn en bier een doodnormale gewoonte werd, zoals douchen en ontbijten. Elke gelegenheid, of het nu een begrafenis, een huwelijk of een babybezoek was, was steeds de juiste om het helemaal uit de hand te laten lopen. Bij alles wat ik deed – ik kon zelfs het gras niet meer maaien om mezelf nadien met minstens drie pinten te “belonen” – kwam alcohol te pas, tot ik ermee opstond en ik ermee ging slapen. Ik dronk als het goed ging en ik dronk als het slecht ging en omdat het een gewoonte geworden was deed ik het ook op alle andere momenten. Ik overschreed mijn eigen grenzen en die van anderen. Ik loog en bedroog, werd dik, pafferig en lelijk. Ik stonk en ademde uit al mijn zintuigen lusteloosheid uit. Mijn energiepijl daalde en mijn zelfbeeld ging mee de dieperik in.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat mijn alcoholprobleem ook ontstaan is door het ontkennen ervan, door het te verdoezelen en door het te minimaliseren. In het begin door het af te meten aan normen van alcoholtests die je her en der op het internet vindt, om dan net onder het toelaatbaar aantal glazen te blijven, of door ze iets groter in te schenken, nadien om me te vergelijken met de metro-zwervers en te besluiten dat ik geen probleem had. Ik wil alleen maar zeggen dat de problematiek van alcoholisme en de afhankelijkheid ervan, meer aandacht verdient dan een maatschappelijk oordeel over straatzwervers om er ons eigen drankgebruik mee te minimaliseren, want een alcoholist houdt zich schuil in ieder van ons!

Steriel

Wanneer we elkaar dan toevallig eens tegen het lijf lopen of wanneer agenda’s nog eens met elkaar matchen en het eindelijk lukt om nog eens lang koffies te zuipen en sigaretten te paffen, begroet ik je altijd met een kus en een stevige omhelzing. Tijdens die fysieke begroeting trek ik je dan altijd stevig tegen mijn gillet. Dan ruik ik je unisex-parfum en voel ik hoe je in je vel zit. Als het niet goed met je gaat, druk jij je zo hard tegen mijn grote knuffelberenlijf en verberg jij je helemaal in die grote armen van mij, en ga je daar op zoek naar een beetje intieme geborgenheid of troost. Als het wel goed met je gaat verdraag je die omhelzing niet. Dan duw je me speels en plagerig weg en zeg je, blijf eens met je poten van mijn lijf, je bent mijn lief niet, je hebt je kans gehad.’ Al hoort die kus er altijd bij, maakt niet uit of je goed of je slecht in je vel zit…

TNu ik je als bij toeval tegen het lijf loop, draag ik een mondmasker om jou niet te besmetten en om niet door jou besmet te raken. Hoewel jij niet met zekerheid kan weten of jezelf ziek bent of dat ik dat ben, draag jij ook een mondmasker met exact dezelfde intentie. Ik besmet jou niet en jij besmet mij niet. Deze niet-afgesproken wederzijdse concensus om elkaar te ondergaan achter textiel dat alles filtert, maakt ons helemaal steriel. Jouw unisex-geurtje ontbreekt en ik kan niet voelen hoe jij in je vel zit. Ik ruik alleen maar mijn eigen stinkende koffieadem en voel alleen de warmte van mijn eigen gezicht. Hoewel ik breed glimlach zie jij dat niet. Dat jouw mond droef staat, valt me ook niet op omdat hij veilig en steriel verborgen blijft achter dat lichtblauwe wegwerpmondmasker. Praten doe ik van nature al stil dus als ik je nu wat toefluister vanachter mijn mombakkes hoor jij dat nauwelijks. Omdat jij slecht hoort of omdat ik weet dat ik te stil spreek, roep ik nu zo luid waardoor het lijkt dat ik gevoelloos tegen je sta te blaffen, zoals een hond naar zijn baas. Jou ogen alleen kunnen niet verraden of je het eens bent met mijn geblaf of dat je liever zou willen terugblaffen. Verscholen achter maskers, met anderhalve meter tussen ons zijn we schimmen geworden van wat we normaal van elkaar zijn. Maar om corona te onderdrukken zijn we wel veilg en steriel gebleven zoals deze toevallige ontmoeting en dit vluchtig gesprek dat ook was.

De geknipte man.

‘Lukt het alleen vanaf hier’, vroeg de verpleegster me nadat ze me de kamer had getoond en ze me een plastic zakje had overhandigd waarin een wegwerpscheermes, een paar steriele verbandjes en een flacon eosine zat. ‘Gaat het alleen’, vroeg ze iets nadrukkelijker, omdat ik nog niet op haar vraag had geantwoord.

Voor een verpleegster – die haar dagen op de dienst urologie van het ziekenhuis doorbrengt – was dit een doodgewone, alledaagse handeling. Ikzelf echter wist me geen houding aan te nemen om gepast te reageren. Zou ik neen durven zeggen? In mijn fantasie flirtte ik even met het idee om haar het karwei te laten opknappen, maar ik liet die gedachte even snel varen. Ten eerste omdat ik de avond voordien mijn voorzorgen had genomen en mijn intiemste zone zelf van haar- en schaamdons had ontdaan, maar ook omdat ik een vrouw met een mes niet vertrouw, ook al is ze verpleegster en ook al is het maar een wegwerpmes. ‘Neen, laat maar, het gaat wel’, prevelde ik behoedzaam. Het moest maar eens zijn dat ik haar, – terwijl ze mijn scrotum zat te scheren – plotseling aan iemand deed denken met wie ze nog een “eitje mee te pellen had” en dat ze mij met hem verwarde. Ik zou begot zomaar met één haal “al” mijn mannelijkheid kunnen verliezen.

Op de vraag waarom ik me tot op vandaag herinner waarom ze onder haar witte verpleegsteruniform rode lingerie droeg, is een kwestie waarop niemand het juiste antwoord kent. Misschien was het gewoon een zinloze demarche of een wanhoopsdaad van mijn hypophyse, om daar in de aanschijns van vrouwelijke wulpsheid, mijn laatste greintje mannelijke waakzaamheid ten toon te spreiden die ik op het punt stond definitief te verliezen. Maar ik negeerde deze hormonale stuiptrekking compleet omdat een man die zich in een situatie als deze bevindt maar beter zijn koelbloedigheid kan bewaren en niet mag vergeten voor welk hoger doel hij zich in deze gênante situatie heeft gemanoeuvreerd. Waarom dit verhaal door de mate van detail nog gênanter aan het worden is, is een vraag, waarop net als op de vorige trouwens, niemand een afdoend antwoord kan verzinnen. Wat wel iedereen weet is dat in de voorbije decennia al veel gezegd en geschreven is over de zogenaamde verstoorde verhouding tussen mannen en vrouwen en dat die aan de basis zou liggen van wederzijds onbegrip en misverstanden. In dit geval echter, was de man in kwestie, ik dus, niet te beroerd geweest om zich supercorrect van zijn meest inschikkelijke kant te tonen, namelijk zijn onderkant. Om zich daar, aan deskundigen te onderwerpen en te laten gebeuren wat moest gebeuren. Om de natuur een stapje voor te blijven, maar ook om mijn lief af te helpen van die dagelijkse dosis toegevoegde hormonen, want geloof me maar op mijn woord als ik je zeg dat ze er daar “gewoonlijk” al meer dan genoeg van bezit. Haar hormonenspiegel hoefde door mijn mannenverminking dus niet langer dagelijks, kunstmatig verhoogd te worden, al vreesde ik zelf wel dat mijn persoonlijke hormonenhuishouding erg zou kunnen lijden onder de ingreep die ik op het punt stond te ondergaan. Maar die angst – zo zou nadien blijken – zit voornamelijk tussen de oren, al wil ik niet ontkennen dat die zich op dat bewuste moment toch eerder tussen mijn benen bevond.

Omdat mijn supersonisch-viriele, mannelijke ego – dat op dat moment nog niet vermoord was – er maar weinig voor voelde om zich onder plaatselijke verdoving te laten ontmannen, maar ook omdat ik best wel van efficiëntie houd en ik ook een neusoperatie moest ondergaan, werden beide operaties in één moeite door en onder volledige narcose gedaan. Hoewel mijn neus af en toe stijf wordt en mijn piemel soms automatisch begint te lopen – ik sluit niet uit dat beide operatie verwisseld werden en dat wat aan mijn neus moest gebeuren aan mijn zak is gebeurd – ben ik voor mijn lief vanaf die bewuste dag de genipte man. Omdat zijn van die rotpil verlost is, maar ook omdat ze eindelijk door de feiten bewezen, de broek mag dragen. Zelf dans ik ondertussen en sinds die bewuste knip, braaf naar hormonenvrije pijpen en dan bedenk ik me. Echte mannelijkheid zit van binnen, al hangt ze er vaak toch overbodig aan de buitenkant, in een zakje, gewoonweg belachelijk uit te zien, zeker als ze geschoren zijn!

Hoe pijnlijk het afscheid is.

Uit niets kon blijken dat – wanneer ik vanmorgen mijn ogen opensperde en de slapers uit mijn ogen wreef, het vandaag zo een dag zou worden. Zo’n dag waarop het leven je niet voorbereidt en het de eindigheid ervan abrupt in je gezicht gooit. Net ervoor had een flauwe zonnestraal, die de duisternis van een nare droom had weggejaagd, me nog enigszins opgewekt maar dat was alleen maar omdat ik te slaapdronken en nog onvoldoende helder bij zinnen was, om de gebeurtenissen van gisterenavond en de gevolgen ervan onder ogen te zien. Het was pas tijdens mijn dwangmatig ochtendritueel en nadat ik mijn ochtendsigaret had gedoofd dat ik opeens bevangen raakte door intens pijnlijk verdriet en een waanzinnig gemis. Met een verkeerde vingerknip was alles onherstelbaar kapot geraakt.

Is het alleen maar die plotse oorverdovende stilte en de immense leegte die me nu opeens naar de keel grijpt. Of is het eerder het lange grote zoeken naar het antwoord op de vraag – waar kan ik opnieuw een beetje vreugde vinden – dat me helemaal van slag brengt? Is het dat eeuwig zwijgen en die onmetelijke eenzaamheid of het pijnlijke, rustige ritme van mijn hart dat me nu doet inzien, ‘Ik ben je echt voor altijd kwijt’. Ik weet het niet.

Door de tranen die stromen van verdriet en door mijn verdoofde blik zie ik geen uitweg. Het is niet zomaar het gemis en die onbezette plaats naast de kookplaat – want dat was jou vast plaats – neen het is ook die stomme tijd die alsmaar zinloos en oorverdovend stil verder sluipt, zonder een kopje troost. De digitale klok die me al zo lang, op elk moment van de dag het uur verraadde, staat symbolisch stil. En deze stilstand is haast een illustratie van het tegenstrijdige gevoel dat nu bij mij overheerst. Alsof de hele wereld stilstaat maar tegelijkertijd ook heel hard ronddraait. Maar het is ook dezelfde zon die me daarstraks heeft wakker gemaakt, die opnieuw flauw binnenvalt en me vertelt. ‘Het leven gaat gewoon verder jong, ook zonder koffie, al rest voor jou wel de grote vraag, wat wil jij nu en wat ga jij nu doen?’

Delonghi is haar naam. Met haar intens, sensuele vorm en sexy design heeft ze haar plaats naast de kookplaat al helemaal opgeëist. Een uur lang al vult ze de keuken met wellustige aroma’s en met hartstochtelijke geuren van bittere Arabica-bonen. Al mijn zinnen worden genotziek geprikkeld door haar fluweelachtige textuur van slechts één kopje zwart goud dat onverwacht maar uiterst subtiel haar geur lost en de ruimte vult met walnoot en sandelhout en me doet denken aan exotische stranden. Maar ondanks de cafeïne-geilheid die het nieuwe koffiezetapparaat bij me teweegbrengt, vergeet ik nooit hoe pijnlijk het afscheid was. Nooit, zo lang ik leef, zal ik mijn eerste koffiezetapparaat en de mooie momenten die we samen beleefd hebben, vergeten ook al deed je de laatste paar weken wel heel erg flauw en stond je veel minder heet dan dat ik dat van jou gewend was.

%d bloggers liken dit: