Op voorhand crisis

Onlangs las ik ergens in één of andere blog voor wanhopige mannen dat de gemiddelde midlifecrisis ergens rond uw vijftigste begint. Ergens rond uw vijftigste? Maar wat is dat juist? Is dat vijfenveertig, vijfenvijftig of achtenvijftig met een overdreven interesse voor de kleur van gras waardoor ik elk weekend gelijk een gepensioneerde tuinarchitect in mijn hof loop te koteren? Niemand weet het. Het is voor iedereen verschillend en laat dat het nu zijn met die midlifecrisis. Ze komt wanneer ze goesting heeft, zonder brief en zonder uitnodiging.  Enfin een beetje gelijk mijn ex. Ge ziet of hoort daar jaren niks van en ge peist dat ge er voorgoed vanaf zijt tot ze u voor welke reden dan ook dringend moet spreken.  Blijkt dat ze gewoon geld vandoen heeft en ze dat bij mij hoopt af te troggelen.

Midlifecrisis komt dus ergens halverwege, maar wanneer was ik daar, daar ergens in den helft? Met mijn ADHD heb ik graag structuur, een duidelijke planning, het liefst in Excel met minstens één tabblad in fluo, “toekomstige miserie”. Overzicht dus. Maar het probleem is, mij leven heeft geen structuur. Het heeft alles weg van een rommelige schuif met elastiekjes, opladers, vervallen condooms en drie identieke Ikea-inbussleutels zonder te weten wat die dingen daar liggen te doen.

Daarom kies ik nu al voor crisis.

Mijn madam, die voor onduidelijke redenen nog dikwijls in mijn buurt vertoeft, bekijkt me zoals ze naar een kat kijkt die net de zetel heeft kapot gekrabt en daar zelf heel tevreden over lijkt te zijn.

“Wij zitten al 25 jaar in een relatie,” zei ze. “Dat is de crisis.”

Misschien heeft ze een punt. Het is allemaal al lang geen romantische film meer. Misschien is het ooit zo begonnen maar halverwege, tijdens zijn midlifecrisis, heeft de regisseur voor een ander genre gekozen. Het werd een documentaire over een nieuw logistiek samenlevingssysteem. Wat wij hebben heeft dan ook veel weg van die kleine luchthaven die je ziet in Aircrash Investigations op National Geografic, met vertragingen, onverstaanbare aankondigingen en af en toe een onverwachte noodlanding, en één persoon die altijd kwaad naar de security kijkt.

Vroeger droomden we samen. Nu bespreken we in detail of kaas met groene schimmel nog eetbaar is en wie eerst naar het wc mag.

Een midlifecrisis zou daar allemaal verandering in moeten brengen. Dat heb ik toch gelezen in die blog. Venten kopen een sportwagen, nemen een minares of erger, ze beginnen te padellen en leren Spaans “voor later, op reis”.
Zelf heb ik het bescheidener aangepakt. Ik heb online gekeken of een tweedehands camper betaalbaar is, niet eens om te kopen, gewoon om te kijken. Een uur lang en dat was al redelijk revolutionair.

Ze had het natuurlijk direct gezien, “ga je een camper kopen?”  “Nee”, brabbel ik, “Ik ben gewoon aan ‘t kijken.”

Ik denk dat elke midlifecrisis ongeveer zo begint, met een zoekterm op Google.

En ergens snap ik het allemaal wel want rond deze leeftijd begint alles te kraken. Mijn lijf bijvoorbeeld klinkt gelijk een houten trap uit mijn ouderlijk huis van 1974. En mijne kop begint vragen te stellen over zaken waar ik vroeger helemaal geen tijd voor had. Wat heb ik gedaan? Is dit het? Heb ik hier veertig jaar mijn botten voor afgedraaid en waarom heb ik drie verschillende opladers waarvan geen enkele deftig marcheert?

Zij daarentegen heeft geen crisis nodig. Zij is de structuur zelf, de Excel in ons leven. Met kleurcodes, filters, draaitabellen en met een verborgen tabblad waarin al mijn fouten systematisch worden bijgehouden.

Misschien is een lange relatie gewoon een permanente oefening in hoe je een crisis uitstelt. Ik schuift ze ook voor me uit, jaar na jaar, gelijk dat krantenabonnement dat ik altijd vergeet op te zeggen.

Ineens zegt ze, “we moeten hier eens naar kijken.”
En ik antwoord, “is ‘t dringend?”
“Nee”, zegt ze,  “laat maar. We hebben nog kaas. Ik vroeg me gewoon af of die nog goed is.”

Misschien kies ik bewust voor die dagelijkse kleine crisis. Niet omdat het moet maar omdat het dan eindelijk eens alleen over mij gaat.

Tot ze vraagt wanneer de vuilkar komt en wie de vuilnis buitenzet.

Dan ineens besef ik, dit is geen midlifecrisis.

Het is gewoon zondag.

De ultieme Padel-les voor koppels

Ze hadden het nochtans vooraf afgesproken “gewoon voor het plezier”. Het spelletje start dan ook zoals het spelletje hoort te starten, met ballen die braaf over en weer gaan, maar dat ook doen met een onheilspellende rust die veel te kalm is om onschuldig te blijven. Twee lichamen die al lang niet meer in topconditie zijn. Maar zich voor de gelegenheid hebben uitgedost in een tot in de puntjes doordachte sportoutfit, een padeloutfit die voor beiden veel meer belooft dan hij kan waarmaken.

Haar lijf zit als gegoten in dat laatste nieuwe padelpakje. Je moet haar zien. Ze ziet eruit alsof ze net uit een reclamefilmpje van Bullpadel is gestapt. Haar perfect uitgekozen ‘ensemble’ zit strak en oogt professioneel. De kleuren zijn assorti met de schoenen, de sokken met haar ondergoed. Ze kan zo défilé lopen op de padel catwalk van een sports illustrated modeshow. Ze zou er niet op misstaan. Haar modieuze rokje volgt haar lichaam met een soort zelfvertrouwen en elegantie die haar voeten niet altijd lijken te delen. Zij heeft een splinternieuw, vederlicht racket dat blinkt in wit carbon, een model waarmee vermoedelijk de halve World Padel Tour-finalisten ontelbare winners hebben geslagen. Alles aan haar ademt controle, elegantie, finesse en ervaring.

Hij daarentegen houdt zijn racket vast alsof het een biljartkeu is. Hij kocht het onlangs in dezelfde winkel.  Topmateriaal, had de verkoper gezegd. Sinds dan is hij er van overtuigd dat hij zich ergens in de buurt van een P-1000 bevindt, een niveau dat er in zijn hoofd alleen maar uit bestaat om in gedachten heel hard “vamos” te denken zonder het luid te durven uitspreken.  Hij draagt compressiesokken die zijn onderbenen er doen uitzien als kiekepoten. Ze zijn voorzien van twee orthopedische kniebraces die elke stap die hij zet, laat voorafgaan door veel te lange onderhandelingen.  De schouderbrace die hij op maat heeft laten maken, houdt zijn bovenlijf bijeen alsof dat ook een fragiele constructie is die anders uit elkaar valt bij de eerste voorzichtige slag. Zijn outfit is hip, al zou die veel beter passen bij iemand anders (jonger, sportiever, cooler) maar hij was wel duur. Dat telt ook ergens.

De eerste spelletjes verlopen ontspannen en staan bol van goede bedoelingen. Tijdens de opwarming al slaat zij voor hem onhoudbare ballen terug.  Hij corrigeert, vooral tactisch en voorzichtig, “iets dichter bij het glas en iets meer naar het net”, zo klinkt het.  Het zijn kleine, bijna liefdevolle aanwijzingen, die nog net geen kritiek zijn. Zij knikt van achter haar zonnebril, maar haar blik blijft toch al een fractie langer op de baan hangen, alsof zijn boodschap onderweg nog even moest uitwijken langs een omweg in haar hoofd alvorens hij landde waar het bedoeld was. “Ja ja,” zegt ze, al lichtjes geprikkeld en iets luider dan strikt noodzakelijk. Ze wil immers ook leren en winnen maar vooral, ze wil tonen dat ze zelf haar balletje (mannetje) wel kan slaan (staan).

Tijdens het eerste spelletje valt een bal tussen hen in. Hij was niet beslissend want nadat het splinternieuw wit carbon racket zijn minder dure racket raakte, belandde de bal ergens in het achterveld.  Die bewuste bal vloog naar de overkant van de baan en werd geslagen met genoeg ernst om het plezier te laten verdwijnen. Het was dat soort bal die in een relatie hetzelfde gewicht heeft als een lege rol wc-papier die niet tijdig vervangen is of de spreekwoordelijke wc-bril die niet dicht is , triviaal en niets op zich maar symbolisch in alles. 

Zij zegt dat bewegen en communicatie belangrijk zijn.  Hij hoort alleen maar, “tamme zak, beweeg eens dat was jouw fout.”  Als het tweede spelletje start, spreken ze ineens een andere taal. Het zijn geen zinnen meer. Hun communicatie heeft veel weg van oerkreten waarmee Neanderthalers elkaar afblaffen. Ze blijven ergens hangen tussen sturen en verwijten. “Die was van jou”, snoeft ze. “ Maar je zei niks”, reposteert hij, nog enigszins beleefd.

De padelbaan verandert. De lijnen blijven waar ze altijd al zaten, het glas blijft ook op zijn plaats maar met elke slag lijkt het veld kleiner en de afstand naar de overkant van het net groter. Elke bal krijgt de lading mee van de vorige.  Niets begint nog op nul, zelfs het volgende spelletje niet.

Een bal valt opnieuw tussen hen in. Hij staat links zij rechts. Eerst kijken ze er allebei naar, dan  naar elkaar. Niemand beweegt. “Serieus?” zegt hij. “Wat?”, blaft zij terug. Ze kijken elkaar aan alsof ze zelfs niet meer weten dat de bal moet opgeraapt worden. “Pak hem zelf!”, bitst ze.

Vanaf dan gaat het sneller. Zij begint nog harder te slaan alsof kracht kan redden wat ze al lang niet meer onder controle hebben.  Ballen vliegen tegen het glas, tegen het net of over de kooi. Het maakt nog weinig uit. Het moet vooruit gaan. Hij vergeet zijn eigen blunders en geeft een theoretische verklaring voor elke fout en voor elke reden een uitleg die ook in het net beland of tegen het glas.  Alleen zijn woorden worden scherper, zijn slagen volgen niet.

Op het veld ernaast wordt niet meer gespeeld. Er wordt met open mond gekeken naar het spectakel. Iemand leunt tegen het hek.  Iemand anders verslikt zich in een slok water. Vanuit de cafetaria schuift een stoel en nog één.  “Zij zijn precies niet meer aan het padellen,” zegt iemand. “Moeten we niet eens gaan kijken?”

Aan de overkant kijken de tegenstanders elkaar eerst nog  glimlachend aan. Een soort glimlach die zegt, “dit gaat wel over”. Ze proberen nog even, een bal terug en nog één. Uiteindelijk laten ze een punt lopen dat ze makkelijk hadden kunnen winnen, uit voorzichtigheid of medelijden, wie zal het zeggen? Elke rally dreigt drie keer onderbroken te worden met, “Je moet op tijd ‘los’ roepen! En jij moet niet elke bal tegen de ruiten kloppen!”

Zij vindt dat hij te veel analyseert. Hij vindt dat zij niet luistert.
Hij vindt dat zij altijd controle wil. Zij vindt dat hij te veel ‘ballen van haar’ neemt.

Haar outfit blijft ondanks alles perfect zitten. Wanneer ze een bal mist, doet ze dat esthetisch verantwoord. Het rokje vangt elke beweging op en het racket volgt een lijn die op papier misschien nog wel klopt, alleen de bal doet niet meer mee. Die heeft ondertussen alle ruiten proper gemaakt. Dat maakt het voor hem allemaal nog erger.

Hij daarentegen begint, zoals dat in YouTube-filpmjes uitgelegd wordt, zijn greep op het racket te verleggen, subtiel maar compleet fout. Een teken dat hij wil terugvallen op instinct, alleen heeft hij nog nooit instinct ontwikkeld omdat hij te trots is om les te volgen. De combinatie van overtuiging en onkunde krijgt iets ontroerends, tot het dat niet meer is.

Bij 1-9 is het voorbij. Officieel toch. Ze tikken af, correct en beleefd, zoals het hoort, met rackets tegen elkaar, maar ook met een hand die net iets te hard wordt geschud. Het einde kwam veel sneller dan verwacht of niet snel genoeg, dat kan ook.  De uitslag was al lang bijzaak, want het spelletje vertoonde veel te veel gelijkenissen met de Roses uit The war of the Roses net voor ze in hun alles verwoestende vechtscheiding terecht kwamen.

 Ze verloren dan ook roemloos en dat stond al een tijdje vast. Wat niet vaststaat, is wat er tijdens dat spelletje precies nog allemaal is verloren gegaan.

Het advies vanuit de cafetaria komt ongevraagd, maar het is voor hen beiden heel duidelijk. Niet meer samen spelen. Niet omdat het niet kan maar omdat niemand wil zien wat er dan echt kapotgaat.

Kleine misantroop als influencer van zelfkennis

Wanneer mijn hoofd beslist heeft dat rust voor mij een theoretisch concept is dat werkt zoals kwantumfysica, weet ik niet. Niet dat ik iets van kwantumfysica afweet trouwens, en laat dat nu juist het punt zijn. Misschien zit datgene (wat ik nog geen naam heb kunnen geven) al van bij mijn geboorte op te spelen omdat het in mijn DNA zit net zoals scheve tanden of een familienaam waar niemand trots op is.  Maar het kan evengoed zijn dat ik gewoon ooit tegen iets ja heb gezegd terwijl ik nee had moeten zeggen en daardoor ontspoord ben en helemaal uitgewassen ben tot iets dat niet meer te controleren valt.

Soms denk ik dat ik een wandelend alarmsysteem ben met een hoofd, een lijf, met armen en benen. Want alles piept. Alles kraakt. En alles knippert. Mijn zintuigen staan ook altijd aan. Als hypochonder, chronisch pleaser ben ik ook superslecht relatiemateriaal. Voeg daaraan toe dat ik onzeker en licht obsessief-compulsief door het leven stap met een zelfverklaarde vorm van ADHD en je krijgt een spectrum dat nog moet uitgevonden worden.

Alle bovenstaande diagnoses heb ik trouwens bij mezelf gesteld, zonder tussenkomst van de mutualiteit omdat zelfkennis nog altijd niet wordt terugbetaald.

Door al die aandoeningen is het me niet gelukt om een universitair diploma te behalen maar ben ik wel eigenaar van een eredoctoraat piekeren dat uitgereikt werd door een gerenommeerde jury in mijn hoofd. Volgens hen bezit ik het uitzonderlijk talent om me altijd en overal over alles zorgen te maken. Zo kan ik bijvoorbeeld vooruit piekeren, achteruit piekeren en voor de afwisseling kan ik ook mega-piekeren over het feit dat ik pieker. Me ontspannen doe ik dus alleen in theorie en zelfs dan struikel ik over mijn eigen voeten.

Relaties heb ik ook. Vooral toxische en bij voorkeur professionele, waardoor ik met mijn bazen steevast in situaties beland die beginnen met iets wat lijkt op samenwerken maar eindigt als een psychologisch werkstuk. Na verloop van tijd weet niemand nog wat het probleem was, of het er ooit één geweest is en wie nu uiteindelijk dader of slachtoffer is. Ik neem de vrijheid om dat fenomeen de hiërarchie-stoornis te noemen. Concreet, ik zeg altijd ja, denk meestal nee, doe vaak misschien of half-zijn-gat en voel me achteraf altijd schuldig over het resultaat. Grenzen heb ik ooit gehad, maar die zijn op een dag verdwenen zonder een adres achter te laten. Geen telefoonnummer, geen emailadres. Niks.

Hoewel ik graag met een racket tegen een bal klop, weiger ik me lichamelijk over te geven aan die nieuwe sport- en fitnesscultuur, dat helemaal in tegenstelling tot oude eetculturen, waar ik alles wil van weten en drinken.  Deze interesse heeft geleid tot een iets te hoge BMI en een alarmerende cholesterol. Ik ben ook de niet-trotse bezitter van mantieten.  Ik vind ze niet leuk om niet te zeggen dat ik er absoluut geen fan van ben. Ik haat ze maar ze operatief laten verwijderen krijg ik niet over mijn hart want dat zou aanvoelen als verraad aan mijn innerlijke feministe. Dus ik laat ze gewoon hangen, uit principe. Ze worden niet door een walvissenbaleinen-BH ondersteund maar zijn wel sterk ideologisch onderbouwd. Samen met mijn tieten doe ik namelijk elke dag alsof we een statement maken om niet te voldoen aan dat opgedrongen, mannelijke schoonheidsideaal.  Dat lukt buitengewoon goed. Ik draag mijn tieten dus tegelijk met trots en schaamte. De enige vorm van multitasking die lukt.

Voor ik het vergeet te zeggen, ik ben ook alcoholist, al ben ik al langer dan een decennium in herstel. Dat betekent concreet dat ik het voor anderen extreem gezellig kan maken zonder zelf ook maar enige vorm van plezier of genot te ervaren. Hierdoor werd ik doodsaai en bruut-eerlijk zonder één enkel charmant kantje over te houden.  Water drink ik alsof ook dat een statement is en kijk ik naar wijn zoals ik kijk naar mijn ex die zegt dat ze geëvolueerd is en dat het allemaal beter gaat. Ik vertrouw haar nog altijd evenveel als dat glas wijn.

Zal ik er dan geen doekjes rond winden? Misschien ben ik een influencer van zelfkennis of een kleine misantroop. Al draag ik dat label op een heel inclusieve manier. Ik heb namelijk aan alles en iedereen dezelfde stronthekel, vooral aan mezelf. Vooral in groep speelt dat op. Daarom mijd ik drukke plaatsen omdat die me altijd het gevoel geven dat iedereen mijn strot wil toeknijpen. Babbelen over ditjes en datjes, smalltalk dus, ervaar ik als psychologische oorlogsvoering. Wanneer iemand nog maar vraagt, “alles goed”, hoor ik al mijn interne sirenes afgaan en wil ik het liefst een AK-47 kopen al zou ik er ook genoegen in vinden om de persoon in kwestie eigenhandig de strot dicht te knijpen.

Wie of wat ik zoek? Absoluut niets of niemand. Ik wil geen match, geen klik, geen mening, geen vonk en geen gesprek waarin het plots drie uur ’s nachts wordt. Ik wil gewoon dat je dit leest en even de wenkbrauwen fronst, om me nadien gerust te laten. Ik hoop trouwens dat nadat je dit gedaan hebt, je tot de conclusie kwam dat je nog liever contact zoekt met je plaatselijke bibliothecaris dan met mij. Een hond nemen is trouwens geen oplossing want die voelt mensen aan.

Mijn grootste sterkte is zelfkennis tot op het bot met een vleugje ironie en sarcasme als verdedigingsmechanisme. Ik bezit namelijk de indrukwekkend efficiënte eigenschap om elk schoon moment met dynamiet op te blazen door het op voorhand kapot te analyseren. Mijn zwaktes? Bijna alles, behalve pindanoten eten, sigaretten paffen en koffiedrinken.

Zou je overwegen om na deze sarcastische mijmering met mij toch nog een gesprek te willen aanknopen, geef ik je de raad om hulp te zoeken. Voor ons beiden. Voor elkaar. En zeker niet samen.  Cognitieve gedragstherapie of EMDR schijnen prima resultaat op te leveren. Ik heb daar een goed adres voor.

Probeer nooit te worden wie je al bent

Nog nooit, en zeker niet na dat laatste bezoek aan die luxueuze spa ergens in de Oostenrijkse Alpen, heb ik de behoefte gevoeld om me als vrouw te identificeren. Dat durf ik hardop zeggen, zeker op dagen dat ik mezelf geloof. Dat lijkt me trouwens iets bijzonder ingewikkeld, jezelf overtuigen dat je vrouw wil worden terwijl je een leven lang een vent geweest bent, zelfs al zit er de laatste tijd een beetje sleet op die mannelijkheid.  Ik heb mezelf ooit grotere leugens wijsgemaakt maar dit idee aan mezelf verkopen lijkt me onmogelijk.

Als ik mijn vrouw mag geloven weet ik weinig of niets af van vrouwelijkheid en al zeker niets van vrouwelijke psychologie. Waarschijnlijk heeft ze gelijk want mijn kennis komt hoofdzakelijk voort uit slechte (subjectieve) observaties of uit meningen die ik achteraf liever niet had gehad. Vrouw worden dus. Begin ik daaraan met een hoger stemmetje van mijn nieuwe identiteit? Dat typische stemmetje dat altijd op zoek is naar bevestiging want daar heb ik ervaring mee?  Of doe ik dat met waggelende botox-billen die iets te nadrukkelijk naar achter willen geduwd worden zodat ze ongevraagd aandacht krijgen zonder precies te weten waarvoor ze dat doen? Of moet ik gewoon mezelf en anderen overtuigen van dingen waar ik absoluut geen bal vanaf weet?  Dan pas zou ik aan mijn geslacht gaan twijfelen, of hoe we dat tegenwoordig ook noemen wanneer we onszelf een beetje kwijt zijn.

Helemaal onzeker zou ik worden als ik op voorhand al neen begin te schudden terwijl ik eigenlijk ja bedoel, maar mijn antwoord nog eerst een omweg moest maken langs drie onzekere gevoelens die elkaar niet kennen en elkaar niet vertrouwen. Misschien moet ik dit innerlijk gesprek vannacht in een droom verderzetten. Daar heeft niemand last van de dubbelzinnige lichaamstaal van de vrouw die ik niet ben en daar kan ik tenminste gewoon doen alsof. Overdag ben ik toch maar een verzameling tegenstrijdige gedachten die niet altijd even beleefd blijven. ’s Nachts zeg ik trouwens ook nooit ergens nee tegen.  Gun me dus maar de illusie dat dit het ultieme bewijs is dat ik me nooit als vrouw zal kunnen identificeren. Al is het ook goed mogelijk dat ik overdag gewoon een lafaard ben en ’s nachts een dromerige fantast.

Toch zie ik ’s morgens in de spiegel een lijf dat lang met de zwaartekracht onderhandeld heeft maar die onderhandeling aanging alsof het een slecht georganiseerde vakbond is. Maar zwaartekracht onderhandelt niet en spiegelglas liegt niet. Helaas. Beiden tonen me ronder wordende vormen en manborsten die niet meer fier vooruit staan en zelfs een klein beetje naar het zuiden neigen alsof ze beschaamd zijn voor hun verloren trots. Als ik echt heel hard mijn best doe, zie ik daar iets vrouwelijks in. Vooral paniek en overgave dan. Maar ook iets dat meegaand is maar door de uitdeining van het heelal lichtjes uit vorm is geraakt. Alleen ontbreekt me de drang om hiervoor hysterisch te beginnen wenen. Ik voel ook geen neiging om een personal trainer onder de arm te nemen die me aanspoort om in een morele oorlog tegen elke vetrol te vechten alsof het mijn maatschappelijke plicht is.  Een oorlog, tussen haakjes, die ik persoonlijk heb uitgevonden.  

Ik bekijk mezelf in de spiegel en de mannelijke alfa-ziel in mij haalt gerustgesteld en vastbesloten de schouders op. Dat doet hij vooral wanneer hij bang is.  Hij zegt zelfvoldaan, “een vrouw word ik niet. Nooit.” Ook al is hij wantrouwig, hij sust zich met de overtuiging dat hij wellicht nooit enige behoefte zal voelen om zich als vrouw te identificeren.

Sommige alfa-mannen die ongewild eigenaar zijn van een huizenhoog ego willen zich nu al identificeren met de geschiedenis, als man of als nieuwe vrouw, zolang ze maar als monument op een of andere grote markt worden neergezet. Als het kan in brons maar liefst in bladgoud.  Ikzelf zie het minder groot. Ik wil me gewoon identificeren als een andere man. Dat is op zich niet moeilijk want die bestaat al, zij het in gedachten. Hij staat ook voor de spiegel.  Hij staat rechterop, is minder uitgezakt en zijn blik is vastberaden, zonder agressie. Hij is slimmer, sterker en ook betrouwbaarder dan ik. Hij vindt altijd de juiste woorden en beter nog, hij weet wanneer hij ze moet inslikken. Hij is succesvol maar op een manier dat niemand er zenuwachtig van wordt. Ambitieus is hij ook maar dan zonder arrogant te zijn. Hij ziet er niet slecht uit maar dan op een nonchalante manier, alsof hij per abuis aantrekkelijk geworden is en zich daar zelfs een beetje voor schaamt. Ik ben het niet, maar ik identificeer me wel met hem.

Hij gaat achteloos door het leven, trekt zich niks aan van wat anderen over hem denken en volgt daarbij een pad dat alleen door hem is aangelegd al lijkt het soms verdacht veel op een goed uitgestippelde vluchtroute. Vrouwen, en ik overdrijf niet graag, maar vrouwen voelen onmiddellijk dat hier een man staat die weet wat hij wil. Hij hoeft hen niet uit te leggen waarom hij altijd een beetje meer ruimte inneemt. Hij weet precies wanneer hij aandacht moet geven maar ook perfect wanneer het licht moet gedimd worden.  Hij zwijgt op tijd want hij is niet bang dat zijn stilte iets over hem zal verraden. Gevoelige vrouwen die zich zelfverklaard zacht wanen maar ook licht chaotisch en structureel besluiteloos zijn, worden als vanzelf naar hem toegezogen.  Ze giechelen met zijn moppen, zelfs met diegene die hij nog nooit op anderen heeft uitgeprobeerd. Met die man identificeer ik me. Al heel mijn leven lang, want hij leeft het leven dat ik alleen in theorie helemaal beheers.

’s Nachts wordt het helemaal angstaanjagend realistisch want in mijn dromen ben ik hem al. Daar kan ik hem overtuigend nadoen. Helemaal. Compleet. Dan spreek ik vloeiend minstens zes talen, handel altijd beheerst en wek daarbij bewondering zonder dat ik het zelf opmerk. En juist dat feit, dat niemand anders het opmerkt, maakt het zo geloofwaardig. Dit is de man die ik diep van binnen ben, de man met wie ik me identificeer. Het is de man die mijn angst ontworpen heeft zodat ik nooit meer hoef te testen of ik hem werkelijk ben. Met hem zou ik trouwen mocht ik me toch ooit laten verleiden om een vrouw te worden.

En nu ga ik in transitie. Niet naar een vrouw maar naar een versie van mezelf die ik waarschijnlijk niet wil zijn, maar van wie mijn spiegel voorlopig nog gelooft dat ik hem kan worden.

Zachte zielen en gebroken beloftes

Toen ik nog een zatterik was en zoop gelijk een Tempelier, bleef ik meestal veel langer plakken dan nodig was of dat ik me had voorgenomen. Aan een of andere toog brabbelde ik dan luid, grote woorden alsof ze het evangelie waren. Ik bleef dat zelfs doen als niemand meer luisterde. Mijn verzopen waarheid en ik, het was een complexe relatie die niks voorstelde. Ze had geen betekenis.

Ik ken ze allemaal, natuurlijk ken ik ze, de cafés waar in de winter de ramen aandampen en waar de tijd geen haast heeft. Hoe kon ik weten dat helderheid van geest een plaats kan hebben in het donker van de nacht. Ik was nooit helder. Ik had alleen de nacht die ik kende en dat was er een van overdaad, roes en vluchten.

Als ik vandaag ergens binnenkom, wat ik niet dikwijls meer doe, spreek ik zachter, met minder grote woorden want het leven leerde me dat ongemakkelijke stilte, niet draaglijker wordt naarmate je die opvult met lawaai uit een glas of een fles.  Nu zet ik gewoon een stoel bij of neem een kruk die vrij is. Ik luister, ik observeer.  Stoppen met drinken maakte me niet noodzakelijk slimmer of dommer, wel alerter. Ik werd een zwijger, een waarnemer die details van gesprekken onthoudt terwijl ik vroeger alles vergat. Zelfs wie ik was.

De meeste avonden begonnen wel als een gesprek maar eindigden dikwijls met een biecht vol zelfbeklag. Drinkebroers van toen leken misschien vrienden, het waren gewoon vreemden die hun hand op mijn schouder legden alsof ze me al jaren kenden. Dat deden ze niet. Niemand kende me. Ik meende dat mijn dagelijkse drinkgewoonte waarde had terwijl ik gewoon drank met vriendschap en verbinding verwarde. Het was geen van beide.

Zelfs in dat gezelschap en met mijn dagelijkse roes trok dat angstige zelfbeeld zich nooit terug, toch niet helemaal, maar wel genoeg om te kunnen doen alsof ze dat wel deed.

Niemand vroeg iets op voorhand. Niet hoe het ging. Niet wat ik dronk. Dat was voor niemand een geheim. Gebroken beloftes had ik in overvloed maar de verklaring waarom ik ze telkens brak, had ik niet. Op het einde van de avond betaalde ik niet voor het eerste glas, niet voor het tweede en ook niet voor de routine van mijn drinken. De echte rekening werd pas gepresenteerd toen ik niet meer wist waarvoor ik dronk.

Samen met mij zag ik anderen struikelen. Sommige waren scherpe geesten, anderen zachte zielen, sukkelaars eigenlijk, net als ik.  Eén ding hadden we gemeen. Allemaal dachten we dat we controle hadden. En dat is misschien zijn grootste gave, want drank deed me geloven dat het allemaal een keuze was, dat het een deel van mezelf was en dat het allemaal in mijn karakter verborgen zat met nieuwsgierigheid naar mijn grenzen. Ik was ze al lang kwijt.

Na twaalf jaar zonder roes weet ik dat je met stoppen niets kan forceren. Het leven wordt niet ineens draaglijk of gemakkelijk. Of voorspelbaar. Het enige wat je kan doen is geduldig afwachten. En als je dan eindelijk stilstaat en omkijkt, zie je dat die weg achter je, hoe moeilijk hij ook was, volledig door jezelf is aangelegd.

Dat is veel om vandaag dankbaar voor te zijn.

Een elastiek rond een piemel of waarom hetero’s beter wel het woord ‘partner’ zouden gebruiken

Ik moest even gaan zitten. Eerst dacht ik dat ik een script van ‘de ideale wereld’ aan het lezen was. Niks daarvan het was ‘De Standaard’. Een hoogleraar taalkunde van de universiteit van Leuven stelt voor dat hetero’s vanaf nu massaal het woord “partner” gaan gebruiken wanneer ze “hun lief” bedoelen.  Dan kunnen LGBTIQ-mensen hun identiteit beter verdoezelen. Serieus? Ja serieus!

Als ik Dorien Van de Mierop mag geloven, zij is de hoogleraar in kwestie, is “partner”, voor LGBTIQ-mensen een nieuwe geheime code. Een soort morse-taal die impliceert, “ik ben superqueer, maar zeg aub niet luidop dat ik maar pas in transitie ben.” Fascinerend allemaal.

Nog fascinerender, dat de prof in kwestie ervan uitgaat dat het mij maar iets kan schelen hoe mensen zich identificeren en tot welke sociologische subgroep hun lief, excuseer, “hun partner” behoort” en hoe dat kan gemaskeerd worden.

Wees dus welkom in het absurde universum van de taalwetenschap en van de nog absurdere prof die er haar stokpaardje of haar hobbelpaardje van maakte.  Als we haar laten doen, krijgen woorden straks buiten een betekenis er ook gratis en voor niks een sociaal-seksuele camouflagestick bij, om te verdoezelen wat ze allemaal kunnen impliceren.

Voortaan zal elke lgbt, lhbti, lgbtq, lhbtqia, elke plus, elke min, elke x, y, z en bij uitbreiding uw schoonmoeder uit Boemerskonten het woord “partner” moeten gebruiken. Enkel op die manier zullen alle negatieve, sociale signalen verdwijnen en wordt dat woord eindelijk “neutraal”. Want zo simpel werkt taal in de taalkanselarij natuurlijk. Alsof woorden ineens uit zichzelf beginnen te evolueren en dat sociale betekenissen ervan vanzelf verdwijnen of er op een wonderbaarlijke, grillige manier bijkomen. Taal als laboratoriumexperiment dus, maar waarom hebben ze dat dan niet eerst op ratten uitgetest?

Dit is een schoolvoorbeeld, excuseer, een universiteitsvoorbeeld van overcompensatie van een specifieke doelgroep die zo ver gaat dat de term inclusie zelf ondergesneeuwd raakt door al dat academisch gezwets. Alsof “partner” ineens de magische sleutel wordt die de wereld warm, begripvol en inclusief zal maken, terwijl taal gewoon al moeilijk, complex, grillig is en dikwijls genoeg een onoverzichtelijke puinhoop geworden is.

Zeg gerust je “partner” als je dat plezant vindt. Maar heb alstublieft niet de overmoedige illusie dat je daarmee de wereld beter zal maken of dat je een geheime code hebt ontdekt die LGBTIQ-mensen een “veilig gevoel” zal geven. Alleen een condoom kan dat, maar taal is geen rekbaar elastiek die je rond een piemel schuift. Soms is taal gewoon iets waar mensen mee praten zodat anderen verstaan wat je bedoelt, en niet om zelf gecreëerde sociale signalen mee te manipuleren, te voeden of te verdoezelen.

Eerst moest de LGBTIQ-gemeenschap overal zendtijd krijgen, zichtbaar zijn, benoemd worden, liefst met hoofdletters, vlaggen en wimpels en met punten en komma’s. Want iedereen moest weten wie ze waren. En nu? Nu willen ze opnieuw opgeslokt worden in de grote, brede, exclusieve, betekenisloze “partner-gemeenschap” zodat ze onherkenbaar zijn. Begrijp jij het nog, of ligt het aan mij?

Kan het niet allemaal een klein beetje bescheidener? Want elke keer als straks in Gent of Antwerpen iemand het woord “partner” zegt alsof het een nieuw ineen-geknutseld-inclusie-instrument is, zal ik zeggen, “da gaade gij nie bepaale!”.

Een bad dat koud geworden is

Overal duiken ze op, reclame en podcasts. Ze kruipen onder je vel gelijk schimmel in een slecht verluchte badkamer. Hoewel ik het niet echt wil, betrap ik me erop dat ik weer zit te luisteren naar twee duffe koppen rond een micro.  Zogezegd scherpe geesten maar in werkelijkheid, niet de scherpste messen uit de schuif. Voor de verandering, het zijn twee vrouwen maar dat is bijzaak. Het geslacht doet er niet toe, leegte is uniseks. Domheid kent geen gender, leegte geen identiteit. Er is alleen gebrabbel, traag, ritmisch, zonder ooit tot een climax te komen.

Ze zitten daar te ratelen alsof ze liggen te weken in een warm bad van hun eigen dampen. De ene klinkt alsof ze permanent op een yogamat woont tussen wierook en trauma.  De andere alsof ze recht uit een yurt komt gekropen, met grond onder haar nagels en een mening over alles. Je mag dat een gesprek noemen maar eigenlijk is het gewoon een intellectueel bubbelbad waar iedereen zijn eigen scheet laat en hoopt dat die naar lavendel ruikt.

Nog voor ze goed en wel begonnen zijn, zijn ze al irritant. Die geforceerde glimlachjes hoor je door de micro, dat samenzweerderig gegremel alsof ze iets gevaarlijks gaan zeggen. Spoiler, dat doen ze niet.

De ene heet Merel, een typische naam die standaard geleverd wordt met een totebag, een Instagramprofiel in sepia en een moreel kompas dat altijd naar zichzelf wijst. Ze praat traag, niet bedachtzaam, gewoon traag zodat elke zin lijkt alsof ik een breekbaar cadeau moet uitpakken. Om de drie woorden slikt ze hoorbaar, precies of ze bang is dat haar stem in twee zal breken.

“Wat ik heel sterk aanvoel,” zegt ze, “is die individuele zelfoptimalisatiedruk.” Lap, tien seconden bezig en we zijn al waar we moeten zijn. Er is een eerste term gedropt, iedereen content.

“Individuele zelfoptimalisatiedruk”, ze zegt dat op zo’n toon, alsof ze echt een gevaarlijke scheet heeft losgelaten. En dan volgt een pauze. Een plechtige stilte zodat alles kan bezinken. Maar bij mij bezinkt er niks. Het is badschuim dat in mijn oren kruipt en waar ik jeuk en uitslag van krijg.

Dan is het aan Sofie. Er moet altijd een Sofie zijn.  Ze heeft matte roze lippenstift op en een kapsel dat zegt, “ik ben de moeilijkste niet maar heb wel altijd gelijk.” Ze kreunt instemmend. “…ik wil hier toch even op intunen…” Intunen. Mijn lijf reageert fysiek. Tenen gekruld, de kaken op elkaar en alle haren op mijn lijf schieten rapper recht dan mijn ochtenderectie. Dit wordt weer zo’n lulgesprek waarin de ene niets zegt en de andere dat niets, volledig begrijpt.

“Ja, honderd procent.” Sofie, heeft een irritante lach die uit voorzorg, altijd net iets te laat komt. Elke keer dat ze haar snater opentrekt, begint ze haar zin met “ik denk” of “voor mij persoonlijk”, maar wat dan volgt is semantische diarree die helemaal geen betrekking heeft op zichzelf of op wat ze heeft meegemaakt. “We moeten durven erkennen dat, niet in het systeem passen ook een manier is van in het systeem te passen.” Ze zegt dat allemaal alsof ze net een tattoo heeft laten zetten waar ze later spijt van zal krijgen. Sofie zucht diep. Merel zucht harder, met nog meer gefakete betekenis, of met de illusie daarvan. Of als voorspel.

Wat mij het hardst tegen de kloten slaat, is hoe ze elkaar constant bevestigen. Dat aaien en instemmend knikken. “Ja dat volg ik helemaal…”.  “Ja, exact dat…”. Exact wat godverdomme? Geef me één voorbeeld zonder het woord ‘spanningsveld’ te gebruiken. Onmogelijk. In hun podcast is alles een spanningsveld. Hoe ze ademen, hoe hun blikken elkaars bevestiging zoeken, zelfs de afstand van de koffiebekers tot de microfoon. Elk woord is een echo van een echo, elk gebaar een pose, en zij draaien rond in een theater van betekenisloosheid waarin ze giechelend en knikkend elkaar bevestigen alsof ze de Nobelprijs voor gebakken lucht hebben gewonnen.

Het enige wat ze te vertellen hebben is dat ze helemaal niets te vertellen hebben, behalve dat ze ook luisteren naar podcasts van andere vrouwen die ook podcasts maken waar ze dan naar verwijzen, en naar luisteren. Ze spreken met blinkende ogen. In een perfect gemonteerde studio, zijn gesponsord door een matrasmerk of een datingapp die ook je ademhaling regelt. Het zijn rebellen met een sponsorcode en een btw-nummer. Ze gebruiken woorden die niemand begrijpt en hanteren een jargon waarmee ze constant aan elkaars erogene zones zitten te frutselen. “Oh da’s mooi gezegd.” “Ja, dat resoneert.” “Dat maakt iets los, dat raakt iets.”

Wat raakt dat dan? Uw G-spot misschien? Uw LinkedInprofiel? Ze blijven doorgaan en rochelen verder woorden zoals ‘collectieve vertraging’, alsof dat iets anders is dan lanterfanten of talmen met een grotere vocabulaire. Alles vertraagt, behalve hun zelfingenomenheid, die dendert onophoudelijk voort als een goederentrein zonder remmen.  Hun glitter klinkt als een modeshow voor mensen die zichzelf nooit vuil willen maken aan de realiteit.

Alles wordt opgenomen, alles geregistreerd, zelfs het nutteloze papiergeritsel, het getik van hun nagels op de tafel, ritmisch, zelfbewust en storend. Af en toe hoor ik het slokjesgeslurp aan hun haver latte macchiato, gevolgd door “mmm lekker.” Ik wil hen mijn zure oprispingen laten proeven.

Influencers (ik krijg rillingen van dat woord) zoals Sofie en Merel vinden zichzelf scherp, kritisch en relevant maar bevestigen alleen dat ze met hun gewauwel bij elkaar horen, in een cocon van consensus die als safe-space dient voor hun vaagheid en pseudo-intellectueel gemekker. Er is geen frictie, niemand loopt risico. Het enige wat ze doen is verheven woorden naar elkaar gooien tot dat lang genoeg geduurd heeft om me te laten geloven dat dit denken is en betekenis heeft.

Ik zit in mijn bad en voel uit mijn bruisbal pure ergernis opborrelen. Niet omdat het vrouwen zijn, maar omdat ze leeg zijn en doen alsof leegte diepgang heeft.

Geef mij één zin zonder jargon, één gedachte die snijdt. Het komt niet.  Ze geven niks. Alleen nog een geforceerd lachje, nog een knikje, en “…ja, daar moeten we zachter in worden.”

 Zachter. Ik zet het af. Het enige wat achterblijft is mijn weerspannige ego. En dat lag daar al. Bloot en zelfvoldaan, in een bad dat ondertussen ook nog koud geworden is.

Waardeloze wens

Ik heb in mijn leven al heel wat af gewenst. Ik deed dat wanneer ik een vallende ster zag, als ik kaarsen uitblies, zelfs bij een verdwaalde wimper. Vorig jaar heb ik mensen het allerbeste gewenst. Ik zie het nog voor me. Ik deed het met de overmoedige overtuiging dat mijn woorden of wensen iets zouden kunnen omdraaien, vertragen of ongedaan maken. “Gelukkig nieuwjaar”, twee woorden, die ik vol verwachting en met hoop uitsprak alsof ze vanzelf hun weg wel zouden vinden.

Sommige van die mensen zijn er niet meer. Ondanks mijn wens. Ze verdwenen of gingen dood. Hun naam is niet weg, maar hij klinkt anders. Alsof ze niet meer in deze tijd staan, of zo. Mijn wens heeft hen niet kunnen beschermen. Hij heeft niets tegengehouden, niets genezen, niets verlengd, en dan denk ik, mijn wens is waardeloos geweest.

Maar misschien was hij niet verkeerd of waardeloos, maar heb ik hem te groot gewenst, of heb ik hem te achteloos of te kwistig uitgedeeld en had ik gewoon wat zuiniger moeten zijn voor wie ik hem bewaarde.  Ik probeer het dit jaar te doen, misschien dat het leven zich volgend jaar dan een beetje zal gedragen, dat verlies een omweg zal nemen en de kalender een beetje milder zal zijn.

Mijn wens van vorig jaar heeft me geleerd dat een wens geen belofte is en dat de dingen niet altijd proper op elkaar volgen zoals een wens of het leven dat zou moeten doen. Soms stort alles gewoon in elkaar ongeacht al dat gewens.

Vandaag, aan de rand van een oud jaar en aan het begin van een nieuw, wil ik het allemaal een beetje zuiniger, een beetje rustiger. Ik wens je dan ook geen vanzelfsprekend, groots geluk met de verwachting dat daarmee alles afdwingbaar wordt, want dat zal het nooit zijn.

Wat blijft er dan over? Aanwezigheid misschien, voor jezelf en voor elkaar?  Misschien zullen we dan beseffen dat elk moment zijn waarde heeft. Misschien dat we dan durven blijven kijken en blijven voelen ook op momenten dat het leven ingewikkeld wordt. Dat we dan niet wegkijken van stilte, gemis, oneerlijkheid, eenzaamheid en van alles wat niet direct opgelost raakt. Misschien moet niet alles direct opgelost te raken.

Voor mezelf wens ik voldoende moed om mensen te blijven vasthouden zolang ze er zijn, zonder overmoedig te denken dat tijd vanzelfsprekend is. Dat aanwezigheid vanzelfsprekend is.  Dat jij vanzelfsprekend bent. Voor jou wens ik hetzelfde.

Ik wens mezelf ook zachtheid en rust om afwezigheid, gemis, oneerlijkheid en eenzaamheid niet altijd te willen herstellen met woorden maar ook een keer met daden.

Morgen begint een nieuw jaar. Geen ziel die weet wat dat zal brengen.  Dus niemand die nu al weet welke straks het meest bruikbaar zullen zijn. Ik hoop dan ook dat deze waardeloze wens genoeg is om opnieuw te beginnen, om er het hele jaar mee door te komen.

Gesponsorde bullshit met een kortingscode

Strontmoe ben ik het, niet een klein beetje sarcastisch moe maar echt strontbeu. Ziekmakend is het. Op de plaats waar ik vroeger een beetje mentale rust vond, liggen nu advertenties te rotten.

Het begint ’s morgens al. Zelfs op kerstdag. Nog voor ik goed en wel mijn ogen heb opengetrokken, ligt die fucking gsm al als een opgefokte hond in mijn oor te hijgen. Iedereen wil iets van mij en iedereen wil het me laten weten. Wat zogenaamd goed en juist is, waar ik beter van moet worden, nog voor ik zelf weet dat ik iets mankeer. Niemand houdt nog gewoon zijn bek.

Vijf- tot zesduizend reclameprikkels per dag, dat is geen marketing meer dat is pure mishandeling. Terreur. Elke vijf seconden tikt een ingebeeld iemand ongevraagd op mijn schouder, die komt zeggen, “heb je dit of dat niet vandoen want zoals je er nu uitziet ben je niet af. Zoals je er nu bijloopt, ben je geen van ons. Heb je dit of dat al eens geprobeerd?” En als het geen product is waar ik al niet zat op te wachten, is het tegeltjeswijsheid in een gesponsorde levensles. Gesponsord. Uiteraard.

Zwijg me over al die fucking influencers. Dat zijn geen mensen meer, dat zijn wandelende reclameborden met gesponsorde gezichten. Allemaal tuiten ze hun lippen gelijk een gans maar lachen doen ze niet want dat rendeert niet. Zelfs na hun laatste mentale breakdown willen ze me iets verkopen. “Ik deel dit even met jullie omdat het belangrijk is.” Hou toch je bakkes. De enige reden waarom je dit deelt is omdat er geld in zit.  Zelfs de ziel of het geweten van je moeder zou je verkopen. Wees tenminste eerlijk in je smerigheid.

Ik wil niks proberen en al zeker niks kopen. Ik zal zelf wel bepalen wie mijn redding zal zijn. Auto’s, kleren, rust, focus, zelfliefde, alles moet in dezelfde Zalando-, Amazon-, of bol-dot-com-doos passen. Allemaal laten ze uitschijnen dat mijn existentiële ellende maar zal verdwijnen met dit of dat product. Ik heb geen tekort aan producten, ik heb een tekort aan rust. Ik wil geen overdosis bullshit-gelul meer.

Mijn brein is stilaan een vuilnisbelt aan ’t worden waarop elke marketeer, elk bedrijf en elke influencer zijn, met reclame bedrukte vuilzak rotzooi dumpt. De Hoge Maey is er niks tegen. En ik zou nog dankbaar moeten zijn ook.  Als ik alles moet geloven zou ik met al die zever tien andere versies van mezelf kunnen kopen. Dank-u, maar ik moet jullie zogenaamde luxe niet. Ik moet er niet voortdurend herinnerd te worden aan alles wat ik niet ben. Daarvoor ga ik wel naar een psycholoog.

Zelfs mijn stilte wordt kapotgemaakt met meditatie-apps die tegen me praten met ademhalingsoefeningen met een abonnement. Ik wil betalen om gerust gelaten te worden. Elke dag word ik door het internet en al die social bullshit in elkaar geklopt om daarna een pleister en een pilletje tegen de zeer te krijgen, tegen betaling of met een abonnement.

Ik scroll mee. Ongewild.  En dan haat ik mezelf. Want dat is misschien nog het smerigste, ze hebben me zo ver gekregen dat ik medeplichtig geworden ben aan mijn eigen overprikkeling, uitputting en ergernis.

Ik wil geen gesponsorde of geïnfluenste merken meer, niet aan mijn lijf, niet in mijn hoofd en niet in mijn gsm. Ik wil geen producten. Ik wil geen beloftes meer en zeker geen opgedrongen abonnementen met fucking kortingcodes. Ik wil dat alles stopt. Dat iedereen stopt met die gesponsorde bullshit in mijn strot te duwen. Ik wil dat mijn gedachten weer van mij alleen worden, zelfs al zijn ze lelijk, onsamenhangend en nutteloos.

Maar dat verkoopt niet. Dus spuug ik ze hier maar in jouw feed. Gratis en voor niks.

In rood omlijnde bladzijden

Ik blader in dagboekjes van onze pa en voel opnieuw hoe weinig woorden die mens nodig had om zijn kleine wereld te dragen.
Onze pa had geen Facebook. Geen Instagram. Hij had absoluut geen behoefte om digitaal herinnerd te worden. Hij had zijn eigen schrijfsels, bijgehouden in boekjes met vergeelde bladzijden en een rood randje. Hij schreef om te begrijpen, niet om gelezen te worden. Hij schreef over regen en wind, over pijn en geluk, over vissen die niet beten, over ons ma, ons, en over zijn kleinkinderen die hem jong hielden.

Maar tussen die banale regels lees ik nu grote dingen.
Ik lees woorden van een man, een vader, een grootvader en een vriend die zijn dagen op zijn manier groots wilde vastleggen, misschien om ons niet te laten vergeten dat ze allemaal hun waarde hebben. Het zijn zinnen van een kleine man met een groot hoofd maar een eenvoudig leven, dat hij op zo’n manier leefde om zichzelf te bevestigen dat het ertoe deed.
Dat hij ertoe deed.

En precies daarom blijven zijn denkbeeldige laatste woorden me raken.
Niet omdat ze hard klinken, maar omdat ze eerlijk zijn.
Hij heeft deze wereld niet dramatisch verlaten, maar nuchter, zoals hij was, zoals hij altijd geweest is en met woorden waarmee hij zoveel bladzijden eindigde, “Ik hou het hier voor bekeken.”
Hij wist wanneer de cirkel rond was.

Tussen zijn regels lees ik nu dingen die ik vroeger niet las. Ik voel vertrouwen en een overtuiging dat wij wel verder zouden kunnen, zelfs als hij dat niet meer kon.
Ik vind hoop en troost in woorden die hij niet voor mij schreef, maar die toch in mij blijven hangen. Zonder dat ik het besef zitten ze in mijn keuzes, in mijn verhalen, in hoe ik leef en voel en in de manier waarop ik naar buiten kijk en ineens aan hem denk.

Vandaag begrijp ik het allemaal een klein beetje beter dan acht jaar geleden.
Na verloop van tijd legt afscheid bloot wat overblijft wanneer alles wegvalt. Het is niet meer rauw of triest. Het is zijn humor, zijn warmte, zijn koppigheid, zijn kleine rituelen die overblijven. Opeens krijgt dat allemaal een andere betekenis, juist omdat het niet vanzelfsprekend is.

Schol, vader.
En ik zeg dat, niet als gemakkelijke troost, maar uit dankbaarheid.
Merci dat je er was.
Merci dat je ertoe deed.
Merci voor al die sporen die je achterliet, niet omdat ze in je dagboeken staan, maar omdat ze allemaal in mij zitten.

Schol.

Tupperwareoorlog

Het is een doordeweekse middag, zonnestralen op de tafel. De gazet binnen handbereik. Alles lijkt harmonieus en rustig. Ik rommel wat in de keuken en denk naïef dat ik veilig ben.  Tot mijn gezicht verandert in de blik van een chirurg die zegt, “meneer, misschien kan je toch beter even gaan zitten.”

Alles begint met één enkel Tupperwarepotje uit de vaatwasser. Voor haar is het orde, een systeem en een masterplan van efficiëntie, alles op één plek, klaar voor later. Voor mij is het een plastieken oorlogsverklaring in pastelkleuren. Een legitieme reden voor relatietherapie. Elk plastic potje komt nat uit de vaatwasser. Altijd. Zonder uitzondering. Het deksel past niet meer en het bevat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nog sporen van bolognaisesaus uit 2004.

Ik open de kast. De bewuste kast, je weet wel. Elke keuken heeft er een. Ik doe het met de voorzichtigheid van een archeoloog die voor het eerst een sarcofaag aanraakt. Een lawine van potjes dondert naar beneden alsof de keukenkast besloten heeft, vandaag moet hier iemand kapot.

Zijn het de Russen?  Is het Trump? Deksels vliegen in het rond als drones zonder afstandsbediening. De plastic torens, volgens haar “zorgvuldig” gestapeld, blijken instabiele piramides van huishoudelijke waanzin. Deksel nummer 34B dat eigenlijk op potje 17C zou moeten passen, zit op pot 67A en sluit van geen kanten. De kast puilt uit van Tupperware, micro- en macroplastic. Eén verkeerde beweging, één mistasten en je hebt geen relatie meer maar een afvalcontainer vol pastelroze plastic.

Zij ziet vooral handigheid. Ik zie alleen chaos. In 3D. TUPPERWARE, Het woord dat elke man vreest, maar in geen enkel relatieboek terug te vinden is. Niet het dopje van de tandpasta. Niet de wc-bril. Niet de vuilbak die nog buiten moet gezet worden. Dat zijn voorhoedegevechten, kleine veldslagen. TUPPERWARE, dat is nucleaire en chemische oorlogsvoering. Ergens tussen de kast, de vaatwasser en de ijskast schuilt de dreiging van een onoplosbaar conflict, een stille oorlog die jaren kan duren en generaties kan overleven.

“Je moet dat gewoon anders stapelen,” zegt ze even rustig als een DOVO-expert die de instructie geeft, “gewoon de rode draad doorknippen.”  Ik probeer te antwoorden, maar het enige wat ik produceer is een fluittoon van een V1-bom net voor ze haar doel treft.

Dan open ik de ijskast. Wat daar gebeurt, tart elke vorm van logica. Dit is geen opslag. Dit is biologisch verzet. Drie weken oude couscous, een restje chili dat meer weg heeft van groen mos dan van een overschotje. Halve paprika’s die hun identiteit al lang hebben opgegeven. Allemaal onherkenbare etensresten die stilaan beschouwd kunnen worden als beschermd natuurgebied. Alles netjes gestockeerd in diezelfde pastelkleurige Tupperware potjes. Voor haar is het praktisch. Voor mij is het een schimmelrevolutie, een laboratoriumexperiment van biologische horror. Terreur voor de volksgezondheid.

“Waarom laat ge dit nog staan?” vraag ik enigszins verbijsterd en bijna kokhalzend, terwijl mijn neus protesteert en mijn maaginhoud alle moeite van de wereld doet om niet in tegenovergestelde richting mijn lichaam te verlaten.

“Voor later”, zegt zij kalm, alsof het vanzelfsprekend is. “Da’s toch zonde om alles zomaar weg te gooien.”

“Zonde?” protesteer ik, terwijl ik wijs naar een soort groene, harige cultuur die in het doosje floreert. “Dit is geen voedsel. Dit is een incubator voor een gezinsdrama. Dat is geen ijskast, dit is een broeihaard van mutaties voor de kweek van nieuwe schimmels en ongekende bacteriën.  Dat moet in quarantaine.  Dat is hoe pandemieën ontstaan. Ik ben redelijk zeker dat covid 19 uit zo’n potje is ontsnapt.”

Zij haalt haar schouders op. “Overdrijft ge nu niet een beetje?” Da’s toch handig. Multifunctionele potjes om alles te bewaren en alles terug te vinden.” Zij probeert nog tevergeefs een onderhandelingspositie in te nemen.

“Multifunctioneel? Desastreus ja!” roep ik meer dan licht geïrriteerd. Voor mij blijven dat allemaal natte, misvormde stukken plastic, minstens biologisch verdacht maar zeker een aanval op onze huiselijke zekerheden.” Mijn grens is bereikt. “Alles stapelt verkeerd, het komt nat uit de vaat, het stinkt alsof een groen leger het huis heeft overgenomen, en je riskeert er je gezondheid mee.”

Ze haalt haar schouders op, glimlacht een beetje ongemakkelijk en spartelt nog even tegen, haar laatste intenties, maar het was duidelijk. Dit gevecht had een winnaar. Ze zet het laatste potje op het aanrecht, nat en beschimmeld, terwijl ik de alles veranderlijke waarheid uitspreek, “Tupperware is brol. Overbodig. Een bron van chaos, natheid en biologische horror. Weg ermee.

”De kast ademt ondertussen opnieuw. De ijskast slaakt een zucht van verlichting, en de vaatwasser kan zich voor het eerst sinds mensenheugenis sluiten zonder diplomatieke tussenkomst bij een hoogoplopend conflict over vocht, deksels en restjes.

Zij kijkt naar de lege ijskast en glimlacht een beetje weemoedig. Terwijl ergens achteraan in het koelvak, op de plaats waar het licht van de ijskast nauwelijks schijnt, een vergeten potje pesto voelt dat ook haar tijd gekomen is.

Ook de glazen conserven beginnen voor hun lot te vrezen. Zure ajuintjes, kappertjes, augurken, allemaal met een vervaldatum die tijdens de tweede legislatuur van Verhofstadt al was overschreden, schuifelen zenuwachtig dichter tegen elkaar.

Ze beseffen, als Tupperware valt, zijn wij de volgende. En heel even begint de microgolfoven zich ook zorgen te maken.

Mijn nacht

Mijn nacht is een kamer zonder ramen. Er cirkelen luidruchtige vogels rond die nergens kunnen landen. Mijn gedachten hangen erbij, als een mist die weigert op te trekken.

Aan het voeteinde zit een gestalte, een vijand of een vriend, dat weet ik niet. Met zijn donkere ogen kijkt hij naar mij zoals ik soms naar mezelf kijk. Met een mengeling van ongeduld en onzekere mildheid en een oordeel dat hij zelf nauwelijks begrijpt.

Mijn verstand wil loslaten, maar vanbinnen blijft iets rechtop staan. Stil, maar alert. Alsof de dag mijn gedachten nog even bij zich wil houden om uit te spreken wat gedurende de dag onuitgesproken bleef.

De nacht zit er naast, geduldig als altijd. Hij dringt zich niet op. Hij wacht.

Mijn lichaam ligt dan wel horizontaal, maar mijn denken blijft overeind als een nachtwaker die niet afgelost wil worden. Ik woel, ik draai, ik keer, maar de nacht weigert mee te draaien. Hij probeert een vorm te vinden die nog niet te vormen is.

Het lukt niet om de twijfels van de dag uit mijn systeem te trekken. Precies alsof ik nu pas voel wat ik overdag slechts vluchtig aanraak zonder er aandacht aan te kunnen geven.

Dit is geen zachte vorm van wakker zijn. Het is wakker zijn zonder adrenaline, zonder haast.
Het is wachten op iets waarvan ik niet weet of het nog komt.

Misschien, verschijnt mijn rust straks als ik zachtjes erken dat de dag nog niet hoeft te verdwijnen, maar gewoon even naast me mag komen liggen. Gewoon liggen zonder opdracht, zonder verwachting. Met de ogen open in het donker.


Misschien komt er dan rust. Niet omdat ik de dag moet loslaten, maar omdat ik hem toesta om nog heel even te blijven.

Ergens. Tussen onrecht, schuld en vergeving

Ik slenter tussen de echo van mijn eigen stappen. Soms klinken ze te luid, soms te zacht. Het lijkt wel alsof ik mezelf door die stilte heen wil slaan. Ergens in mij resoneert iets dat lijkt op oude schaamte, zwaar en stijf, iets dat ik niet helemaal begrijp, laat staan onder woorden kan brengen. Het is geen duidelijk gevoel, eerder een koude wind die telkens in mijn nek blaast net voor de nacht besluit of hij mij welkom heet of niet.

Wanneer ik denk dat ik dat gevoel ben ontgroeid, duikt het opnieuw op.  Onaangekondigd als zachte, beschuldigende indrukken die fluisteren dat ik nooit genoeg zal zijn, alsof ik iets of iemand onrecht heb aangedaan, misschien mezelf wel het meeste.

De laatste weken heb ik gedacht dat vergeving of acceptatie bij de ander begint. Dat iemand mij wel zou aankijken om te zeggen, “het is goed genoeg, ik begrijp je”. Nu pas voel ik hoe dringend ik die woorden tegen mezelf moet uitspreken. Want, niemand kent het gewicht dat ik draag beter dan ikzelf. Ik alleen weet precies waar het verkeerd is gelopen. Ik ken de situaties, mijn gedachten en de keren dat ik zweeg terwijl ik had moeten opstaan en protesteren. Maar ik ken ook de momenten waarop ik te luid sprak terwijl zwijgen beter was geweest.

Wanneer ik terugkijk, zie ik mezelf als kind. Helder, niet vaag of verdwaald, maar onzeker, met te kleine handen om te dragen wat me werd aangereikt. Ik probeerde al stevig te staan, maar mijn benen waren te kort, mijn rug te zwak voor alles wat op mijn schouders drukte.

Heb ik daarom zo vroeg geleerd om mezelf te verstoppen in verhalen en gedachten die niet van mij waren om te fel te leven zoals anderen dat van mij verwachtten, in plaats van zoals ik het voelde. Wie zal het zeggen?

Er zit iets rauws in het besef dat schuld en schaamte of onrecht niet zomaar verdwijnt met de tijd. Het is dat soort gevoel dat zich ingraaft, in stilte groeit en zich voedt met pijnlijke herinneringen en rondcirkelende gedachten. Maar als ik goed kijk, vind ik in al die mijmeringen ook een zacht kantje, één dat ik mezelf maar zelden gun.

Er zit iets dat ik te lang heb genegeerd. Ik wil ook vooruit, soms te traag, vaak onbeholpen, dikwijls te stuntelig maar wel vooruit. Ik voel dat ik het mezelf verschuldigd ben om op te houden met weg te duiken, om eindelijk rechtop te staan, zelfs als ik kwetsbaar ben en het ongemakkelijk of oneerlijk aanvoelt.

Wat mij raakt is, hoe mezelf vergeven fragiel en moeilijk blijft. Het is geen groots of dramatisch gebaar naar mezelf. Het zijn geen open armen in het midden van de storm. Het is eerder mijn stem die zegt, “Janneke, zullen we het nog een keer proberen?” Het is die glimlach die ik mezelf schenk wanneer ik mijn littekens aanraak en voel dat ze minder pijn doen, omdat ze een schoon verhaal vertellen.

Ik verstop me nog te dikwijls achter starre trots, omdat toegeven als zwakte voelt. Terwijl ik beter weet dat kwetsbaarheid geen capitulatie is, maar misschien de mooiste vorm van zelfbehoud. Leg me dan uit waarom ik me blijf verdedigen tegen mijn eigen hart?

Er zit een zekere schoonheid in het herkennen van mijn tekortkomingen zonder ze per force te willen corrigeren of te veroordelen. Ik observeer mezelf, de mens die ik was, die ik ben en die ik nog wil worden. Tussen die drie figuren zit nog afstand maar ook nieuwsgierigheid. Maar misschien moet ik toch eerst helemaal barsten en breken om ruimte te krijgen om terug te kunnen groeien.

Vergeving is geen point final aan het einde van een zin, eerder een komma midden in een verhaal dat zich nog aan’ t schrijven is.

De wind zal gaan liggen als ik besloten heb om niet meer mee te waaien. Om te blijven staan, misschien tegen beter weten in, hopelijk met een soort onverwachte moed. Dan pas zal ik opnieuw mijn echte stem horen en met mijn hart op mijn hart kunnen zeggen, “Ik ben het niet vergeten, maar ik heb het een plaats gegeven …”

Maar dat is nog niet … echt nog niet voor vandaag!

Zeg, moette nu eens iets weten?

Het is een doordeweekse maandagavond van dertien in een dozijn. Zoals gewoonlijk op een avond als deze, hang ik languit in de zetel, zitten kun je dat bezwaarlijk noemen.  Ik ben volledig in camouflage-uitrusting.  Korte broek, kousen met gaten, een halve zak chips, en met een vaag plan om straks misschien nog iets nuttigs te doen. Mijn vrouw, druk in de weer met de was en de strijk. De tv is behangpapier en speelt iets wat me zoals gebruikelijk, geen bal interesseert. Eindelijk. Rust

Elke man weet het.  Want elk vredesverdrag is broos en elke stilzwijgende overeenkomst is gedoemd om ooit verbroken te worden. Vanachter de strijkplank klinken dan ook plots de gevleugelde woorden. “Zeg, moette nu eens iets weten?”

Elke man die zich in mijn situatie bevindt, weet instinctief wat die vraag inhoudt. Die ene zin doet, bij elke man die ooit voet zette in het gezinsleven, haren omhoogrijzen en het bloed stollen. Want het is niet zomaar een vraag. Het is een aankondigingsalarm van een monoloog van minstens een kwartier. Een tirade zonder climax, vol onnavolgbare emotionele diepgang en minstens vier vrouwelijke personages, waarvan drie dezelfde voornaam hebben. De lucht kleurt zwart, de barometer zakt, en ergens ver weg hoor ik een tweede donder. “Zeg Janneke, moette nu eens iets weten?”

Ik veer rechtop. Waarom er opeens een zwarte kat van mijn schoot springt weet niemand, want wij hebben niet eens een kat. Ik wijt het aan het overlevingsinstinct van dat ingebeelde zwarte beest dat op het punt staat zijn negende leven te verliezen, en aan mijn verbeeldingskracht.


Ze begint te vertellen.

Het gaat over iemand van haar werk, laat me haar gemakshalve X noemen.  Ook al heb ik haar naam al minstens dertig keer gehoord, ik durf in deze fase van het “gesprek” niet toegeven dat ik dat telkens vergeet. Blijkbaar had X iets gezegd over Y tegen Z. Y vond daar iets van. Z had het gehoord en het tegen W gezegd. En toen… enfin, je kent dat wel.

Een vrouwelijk verhaal is nooit zomaar een verhaal. Het is een soort van nieuw sociaal universum, compleet met hoofd- en bijrollen, flashbacks en vol met onduidelijke relaties en verborgen morele lessen die niemand begrijpt. Ik hoor namen, gevoelens, omstandigheden. Ik kan al lang niet meer volgen, laat staan onderscheiden wie het slachtoffer is en wie de dader, maar ik blijf dapper knikken, en doen alsof ik luister maar mentaal praat ze tegen een blinde muur. Af en toe gooi ik er een “hmm” of “amai, echt” tussen, puur als hartslagcontrole en om te checken of ik nog adem.

Na ongeveer twaalf minuten begin ik te zweten. Niet van emotie, maar van pure schrik, want ik weet wat eraan zit te komen. Ze gaat het zeggen. Ze gaat het vragen. Die ene vraag die elke man tot wanhoop kan drijven. Mijn maag trekt samen en voel het bloed uit mijn gezicht wegtrekken.

“Zeg. Wat denkt gij daar eigenlijk van?”


Inmiddels zit de ingebeelde kat met een staart zo dik als een tochthond helemaal in elkaar gedoken onder de zetel, instinctief, alsof ze voelt, ’t is hier gebakken met da schrijverke. Ik krimp ook ineen.

Mijn hoofd zit vol scenario’s. Wat kan ik zeggen? Als ik zeg “ik snap het”, peist ze dat ik haar niet begrijp. Als ik zeg “ge hebt gelijk”, denkt ze dat ik geen mening heb. Als ik zeg “amai, ook ni gemakkelijk”, peist ze dat ik me er zomaar vanaf wil maken. En als ik zeg “ik weet het niet, denkt ze dat ik het wel weet maar het niet zeg omdat ze denkt dat ik haar verdenk dat ze van mij denkt dat ik een betweter ben.

“Maar allez serieus… wat denkt gij daar nu van?”

Mijn brein slaat tilt. Paniek kruipt in mijn maag, mijn hartslag gaat crescendo en koud zweet staat in de spleet die de linkerhelft van mijn gat onderscheid van de rechterhelft. De ingebeelde kat kijkt ondertussen toe vanop veilige afstand onder de zetel en denkt, “gelukkig, ik heb negen levens.  Da schrijverke heeft er maar één”.

Net op het laatste nippertje vooraleer de hemel wordt opengereten, herinner ik me de heilige zin.  Die ene zin die alle mannen van generatie op generatie ooit fluisterend aan elkaar hebben doorgegeven. Ofwel op café, tussen twee pinten in, ofwel na een eerste huwelijkscrisis. Ze delen hem met elkaar en blijven het doen met hetzelfde respect dat anderen voor geloof en religie hebben.

“Neen, je overdrijft niet. X had dat niet mogen zeggen en Y had er niet zo emotioneel op mogen reageren. Ik denk dat je gelijk hebt.” Ik zeg het kalm, beheerst en zonder een enkele zenuwtic of vorm van emotie.

Ze kijkt me doordringend aan, één seconde… Twee seconden… Drie seconden.  Dan knikt ze voorzichtig instemmend, “Voila. Dat dacht ik dus ook”, terwijl ze haar ogen op spleten trekt.

Ik heb het gehaald. Ik heb geluisterd. Of heb op z’n minst iets gezegd dat klinkt alsof ik geluisterd heb. De ingebeelde kat die haar schuilplaats verlaten heeft, begint gelukzalig te spinnen en ik zak opnieuw rustig achterover in mijn zetel met een hartslag die langzaam daalt en een bilnaad die opdroogt.

Het is voorbij. Tot ze zegt, “Nu ik erover nadenk. Wa bedoelde gij daar eigenlijk mee? Waarover heb ik gelijk?”

De ingebeelde zwarte kat springt uit het raam.
En ik? Ik overweeg ernstig om erachter te springen!

Ergens anders.

Rust komt niet zomaar komt aanwaaien. Hoe harder ik haar probeerde te grijpen, hoe verder ze van me afdreef. Op zo’n momenten voelt het alsof ik zand probeer vast te houden. Hoe harder ik knijp, hoe sneller het tussen mijn vingers wegglipt.

Ik dacht lang dat rust iets was dat ik moest verdienen. Na een drukke week, een vol hoofd of na een to-do-lijst die eindelijk afgevinkt is. Maar de afgelopen maand heb ik gemerkt dat dat niet zo werkt, althans niet voor mij. Een moment waarop alles klaar is, bestaat niet voor mij. Er is altijd iets te doen zelfs al is het een dwingende gedachte die roept: “straks moet je nog naar Amalfi, naar Pompeï en op de top van de Vesuvius ook al is die top een gat”

Mijn laatste reisje Napels heeft me dat op een vreemde manier doen inzien. Ik ging er naartoe om op te laden, om dingen te zien en om onbekende mensen te ontmoeten. De waarheid is dat ik mijn onrust gewoon meenam in mijn koffer. En dat mag je gerust letterlijk nemen want door een cyberattack in de luchthaven was mijn bagage een dag te laat. Ineens voelde ik me ontworteld, verweesd bijna, alsof ik niks kon doen en niemand kon zijn zonder mijn tandenborstel of een propere t-shirt. Het was ongemakkelijk, frustrerend. Het bracht een vreemde onrust die ik niet had voorzien. Ik dacht, hoe kan ik hier nu rust vinden als zelfs mijn valies mijn tempo niet kan bijhouden?

De eerste dag liep ik dan ook rond als een stinkende toerist die bang is om iets te missen. De stad was luid, vol geuren, vol kleuren en vol hectische chaos. Na een frustrerende morgen van telefoongesprekken, e-mails en sms’en die geen duidelijkheid brachten over mijn valies, zat ik op een klein terras, ergens in een smalle straat met pas gewassen lakens boven mijn hoofd en relikwieën van Maradonna zowat overal.  Scooters en Vespa’s scheerden voorbij met daarop mannen en vrouwen met luidruchtige stemmen die elkaar overstemden. Naast me zat een oude Italiaan. Zijn gezicht was verweerd, alsof de zon van Napels er jarenlang verhalen in had gebrand. Rimpels als karresporen, diep en grillig. Zijn neus was groot en haakvormig, een trotse boog boven een mond waaruit een gouden tand opblonk als hij glimlachte. Niet uit luxe, maar uit gewoonte. Die tand ging waarschijnlijk al even lang mee als zijn sandalen.

Zijn linnen hemd was vaalblauw en verkreukeld. Er ontbrak een knoop. Zijn broek ooit wit geweest, had nu dezelfde kleur als al het stof van Napels. Alles aan hem leek het rumoer te overstemmen. Zijn handen rustten op de tafel, met ouderdomsvlekken op zijn kromme vingers. Hij bewoog amper, alsof elke beweging voorafging aan een moeilijke keuze. Zijn espresso stond voor hem als zijn laatste vriend.

Hij dronk hem tergend traag, zonder haast, alsof tijd voor hem niet bestond. En ineens voelde ik het. Ik werd helemaal rustig.  Ondanks mijn koffer-loze morgen, mijn lichte paniek over dingen die ik niet dicht bij me had, voelde ik dat ik even mocht ophouden met zoeken.

Vanaf dat moment stopte ik met plannen. Met willen. Met moeten. Ik dwaalde gewoon door de straten, zonder doel, en vreemd genoeg, midden in die chaotische drukte, vond ik stilte. Niet buiten me, maar vanbinnen. Ik besefte ineens dat ik niks nodig had om hier te zijn.

Ik ben bijna een week terug en ben vastberaden om dat gevoel vast te houden. Niet door mijn dagen perfect in te plannen, maar door genoeg momenten te voorzien waarin ik niets moet doen. Soms lukt dat door gewoon even uit het raam te staren. Maar ook door dit te doen. Beschrijven wat ik denk en voel.

Het helpt me om gecontroleerd stil te vallen. Van het ogenblik dat ik mij klavier op mijn schoot leg, vertraagt alles. Mijn gedachten kalmeren en krijgen woorden, mijn adem wordt rustiger en mijn hartslag vertraagt. Soms schrijf ik alleen maar losse zinnen, zonder richting, zonder dat het ergens naartoe moet. Juist daarin vind ik mijn rust.

Ik begin stilaan te begrijpen dat rust niet betekent dat alles stil is of stilstaat. Rust is niet de afwezigheid van geluid, lawaai of beweging. Het is de aanwezigheid van mijn aandacht. Het is het moment waarop ik ophoud met achter de dingen aan te lopen en te beseffen dat de wereld of mijn bagage op een ander tempo loopt.

Misschien is rust geen plaats, geen reis, geen plan of geen prestatie. Misschien is het gewoon iets waar ik elke dag even mag voor kiezen. Zoals die oude man in Napels zijn espresso dronk bewust en zonder haast. Mogelijks is schrijven mijn manier om dat te doen. Even stoppen, even alleen maar ademen, luisteren en voelen, ook als mijn koffers en al wat ogenschijnlijk belangrijk is, nog ergens anders zijn.