Zondagmorgen, met een slaapkop en met mijn verfrommelde net-uit-het-bed-look, strompelde ik naar de ijskast, op zoek naar iets eetbaars. Brood was er niet. Dat had ik al gezien. Maar er was ook geen melk, geen yoghurt en tot overmaat van ramp was ook de pot choco leeg. De Dodentocht was dit weekend gepasseerd. Drie dagen lang had heel Bornem, naar jaarlijkse gewoonte, collectief besloten om alle supermarkten te mijden. Ik dus ook. Even maakte ik de overweging om gewoon te blijven waar ik was en te doen alsof een paar augurken, twee gekookte eieren, een bokaal vervallen ansjovis en zeven cashewnoten een volwaardige maaltijd kunnen vormen. Niet omdat dat een goed plan was, maar omdat ik op een leeftijd gekomen ben waarop ik mijn luiheid met zoveel overtuiging kan cultiveren dat die een nieuwe streng aan mijn DNA gevormd heeft. Maar nu zat er echt niks anders op dan aan mezelf toe te geven dat ik dringend een paar boodschappen moest gaan doen. Zonder choco zou ik de dag niet doorkomen.
Een kwartier later reed ik dus vloekend en tierend met mijn net-uit-de-badkamer-look maar ook met mijn aftandse VW Polo, de parking van de Carefour op.
Ik zag hem direct. Die BMW. Hij stond compleet scheef geparkeerd en niet zo maar een beetje scheef, maar echt gewoon los over twee parkeervakken, alsof witte lijnen alleen maar getrokken zijn voor normale stervelingen zonder BMW. De eigenaar van de patserbak was in heinde en verre niet te bespeuren en ik voelde in mijn hoofd een licht tot matige storm opsteken.
“Sommige mensen nemen wel erg veel plaats in”, dacht ik. Maar dat is de gekuiste versie van wat door mijn hoofd ging voor ik alles censureerde.
Een zwarte BMW dus. In mijn hoofd, maar nu dus ook op de parking van de Carfour, is de eigenaar zo’n figuur die altijd twee parkeerplaatsen nodig heeft, één voor zijn Bak Met Wielen en één voor zijn ego. Elke dag knippert hij minstens tien keer met zijn lichten omdat iemand die het aandurft om voor hem te rijden, volgens hem altijd twee kilometer per uur te traag rijdt. Hij spreekt je aan met “vriend” maar zegt dat op zo’n manier alsof hij juist een vergunning heeft gekregen om overal een klootzak te zijn. Natuurlijk draagt hij een zonnebril en staat zijn kapsel stijf van de gel. Dag in dag uit loopt hij tegen iedereen te stoefen over de prestaties van zijn “Beemer”. Prestaties die omgekeerd evenredig zijn aan die van zichzelf. Ongetwijfeld is hij van mening dat verkeersregels belangrijk zijn, maar alleen voor mensen zonder “Beemer”.
Ik wist niets van hem maar tegen de tijd dat ik een winkelkar had gevonden, had ik hem al schuldig bevonden voor parkeerterreur, een overdosis aftershave, chronische ombeschoftigheid en minstens drie gevallen van verkeersagressie. Ik kan dat heel goed, van op afstand van iemand een complete idioot maken zonder dat ik hem ooit ontmoet heb. Er zijn dagen waarop ik daarin uitblink, zeker na een weekend dodentocht en ik geen boterhammen met choco heb gehad.
Sorry, maar gelijk hebben is een rare hobby.
Ge krijgt daar geen medaille voor. Niemand belt ooit aan de voordeur met een boeket bloemen om te zeggen, “Janneke, we hebben het allemaal nog eens goe bekeken. En ge had gelijk. Niet alleen over die BMW, maar ook over uw theorie dat mensen die altijd gelijk hebben zich daar altijd vooraf voor excuseren, zodat ze nadien vals bescheiden kunnen zijn wanneer blijkt dat ze toch gelijk hadden.
Dat gebeurt dus nooit. Wat wel gebeurt, is dat ik, opnieuw in mijn hoofd (ik moet daar toch precies dringend eens weggaan), altijd wordt gefeliciteerd door mensen die niet bestaan.
Onder die dakpan van mij zit een vernuftig beloningssysteem, met een jury, punten en een klassement enal. Daar alleen krijg ik de erkenning die niemand in het echte leven mij ooit geeft. Tien op tien voor een juiste observatie, vijf bonuspunten voor een scherp inzicht en een eervolle vermelding omdat ik tijdens een discussie pas drie uur later het perfecte antwoord kan bedenken. Daarom zeg ik dus altijd eerst sorry. Niet omdat ik beleefd wil zijn maar omdat ik gelijk heb en hoop dat iemand mij ooit zal tegenspreken anders krijg ik echt altijd gelijk.
Alleen, de waarheid is iets minder spectaculair. Toen ik buitenkwam, stond er naast die BMW een man van een eind in de zeventig, misschien net over de tachtig. Hij was klein, stond een beetje krom en leunde met zijn linkerhand op een wandelstok. In zijn andere hand droeg hij een boodschappenzak.
Hij keek bedenkelijk naar zijn auto, schudde met zijn hoofd en zei tegen zichzelf en niemand anders in het bijzonder, “Dedju, ik staan zelf zo scheef als een zichel en dien bak van mijne jongste ook .” Daarna wrong hij zich in zijn geleende bolide en reed tegen drie kilometer per uur weg, met een file achter hem.
Dat was alles. Hij had geen zonnebril op, had geen gel in zijn haren want hij was zo kaal als een knikker en hij vertoonde geen branie of verkeersagressie. Hij was gewoon een kramikkig oud mannetje dat blijkbaar even slecht kon parkeren als ik kan oordelen en conclusies trekken.
De jury in mijn hoofd heb ik voor het binnengaan in de Carefour buitengesmeten. Ze waren druk in beraad over wie van ons twee op die parking de grootste idioot was. Ik had hun oordeel niet langer vandoen. Ik wist al dat ik het was.
