Categorie: Heimwee

Details veranderen

Als mensen, die zichzelf belangrijk vinden en zich in het episch centrum van het universum wanen, zeggen, “ik zou graag de geschiedenis in gaan als…”, heb ik, afhankelijk van wie deze onzin uitkraamt zin om te vragen, “komt het idee niet in je op om vandaag al de geschiedenis in te gaan?  Doe eens een beetje moeite. Persoonlijk ontbreekt het mij aan elk soort ambitie om dingen te doen waarmee ik de geschiedenis in zou kunnen gaan. Mijn levensdoelen situeren zich dichterbij. Kleine, onbenullige dingen die mijn dag een beetje glans geven, dat is waar het mij om te doen is. Ik houd me bezig met zaken die zich de komende tien tot twaalf uur aandienen. Veel verder reiken mijn plannen meestal niet. Toekomstige geschiedenisboeken van een verleden dat nog niet bestaat en waar ik een rol in te vervullen heb, ooit deed ik het wel, maar echt, ik ben daar nu niet meer mee bezig.

Een van de eerste dingen die ik elke dag doe, vooraleer ik ook maar iets anders zou kunnen bedenken waarmee ik de geschiedenis kan ingaan, is de brilglazen van mijn bril opblinken. Ik heb namelijk een hekel om de wereld te zien door de mist van mijn eigen beduimelde vingerafdrukken.  Ze belemmeren een klare kijk. Maar eerlijk, ik zou het ook maar niets vinden om de geschiedenis in te gaan als iemand die zich elke dag opnieuw maar als enige doel stelt om brilglazen proper te houden om beter naar de wereld te kunnen kijken.

Ik kan me voorstellen dat sommigen nu al kregelig worden en me liefst zouden verwijten lui en tam te zijn en dat ik maar best, zo snel als mogelijk zou toegeven aan zelfgecreëerde schaamte en opgelegde schroom. Leven als een ongevaarlijke rebel zonder doel is voor sommige mensen een bedreiging.  Geconstrueerde twijfels om ergens een verschil mee te maken of om ergens bij te horen voel ik niet. Ik heb geen spijt dat het mij aan die grote ambitie ontbreekt. Ik ben wie ik ben en mijn identiteit bestaat uit vele laagjes. Verwondering, nieuwsgierigheid en verwarring zijn daar maar een deel van. Doen alsof ik niemand nodig heb zit ook onder een van die laagjes.

Laat me dan zo maar de geschiedenis ingaan, als iemand die elke dag zijn brilglazen proper houdt en perfect kan doen alsof hij niemand nodig heeft. Nu ik erover nadenk. Misschien zou ik toch liever ècht de geschiedenis ingaan, al is het maar om daar een paar details te veranderen.

Romantische verzetsdaad

Veel moedige verzetsdaden heb ik in mijn leven niet gesteld. Meestal verkies ik het veilige pad. Aangeleerd gedrag, vermoed ik.

Gisteren parkeerde ik mijn auto net buiten de stad, in een ondergrondse VINCI-parking.  Op het eerste gezicht zou je dit bezwaarlijk een verzetsdaad noemen.  Toch nam ik dit moedige besluit omdat een parkeerplaats me voor de vierde keer ontglipte.  Telkens werd ze voor mijn neus ingenomen door één of andere onbeschofte verkeersagressor. Ik weet dat verzetsdaden zich dikwijls voltrekken tegen de agressor, behalve gisteren. In plaats van mij verbaal af te reageren op deze zich herhalende boertigheid, besloot ik mijn autootje uit protest niet in de binnenstad te parkeren. Ik verkoos een ruime ondergrondse betaalparking waarin beschaafdere verkeersregels gelden. Bekijk het maar, bende onbeschofteriken!

Toen ik me even later in de Merodestraat bevond, besefte ik maar pas dat ik het zelf allemaal moest bekijken. Ineens was ik een wandelaar geworden in de stad waar ik van hou. Een oude stad die ik hoofdzakelijk als autorijder ken en die tot voor kort zo hard door autorijders werd gedefinieerd dat zelfs het gps-netwerk er overbelast van raakt.

Eerst beschouwde ik deze verplichte wandeling als zinloze arbeid maar algauw begon ik te genieten van mijn zelf opgelegd martelaarschap. De onverwachte vertraging zorgde niet alleen voor rust, het maakte ook dat ik nieuwe dingen zag maar ook dat ik bekende dingen op een andere manier zag. Ik fantaseerde de zesendertig cafés erbij die ooit deel uitmaakten van het straatbeeld in de tijd toen de kazerne nog bemand werd door drieduizend dienstplichtigen die er in de cafés hun soldij kwamen verbrassen.

De wandeling van vierduizend negenhonderd éénentwintig stappen in een van de oudste straten van Mechelen werd een herinnering van samengeperste tijdlagen. Zo zag ik ineens cinéma Lumière, een geklasseerd gebouw dat ooit dienstgedaan had als Karmelietenklooster, meisjesschool en nadien als stadsfeestzaal. Jaren geleden was het de uitvalsbasis bij uitstek geweest voor jonge bakvissen zoals ik die er op romantische wijze invulling probeerden te geven aan hun anders zo zinloos studentenleven.  Twintig was ik, het was nog ver vóór de tijd van Google Maps en Streetview, toen ik aan de overkant van de straat, tegen de muur van het sint-janskerkhof de sterren uit de hemel kuste met een medestudentin aan wie ik mijn hart verloren was geraakt. Toen was ik welbewust naar deze plaats afgezakt. Nu was ik toevallig gepasseerd om erachter te komen dat de straat en de wandelaar buiten herinneringen niets meer met elkaar gemeen hebben.

Melancholie overvalt me. Dat overkomt me wel meer. Ik heb het altijd een beetje bizar gevonden, hoe plaatsen blijven bestaan terwijl de tijd er dwars doorheen raast. Dat ik op dit kruispunt kan staan en me kan herinneren hoe ik daar, jaren geleden iemand kuste in het holst van de nacht. De gebeurtenis is helemaal verdwenen terwijl het een betoverende gedachte is te denken dat die romantische avond helemaal met die plek verweven is geraakt. Dat is natuurlijk niet zo. De muur van het sint-janskerkhof heeft er niets mee te maken, die is wat hij is: gewoon een muur. De herinnering, is enkel voorbehouden aan de muur, aan mezelf, en aan diegene met wie ik de sterren deelde.

Het leven heeft soms een rare manier om gebeurtenissen met elkaar te rijmen.

Als deze quote niet de juiste manier is om het leven samen te vatten, is deze romantische verzetsdaad in een oude stad misschien wel de drijfveer om auto’s er voorgoed uit te verbannen.

Een niet al te grote schuimkraag

MECHELEN, woensdag 26 november 1941. Mejuffer Carola Van Assche, 44cm 3,45kg zag het levenslicht omstreeks 11:41 uur.

Deze woorden werden op de achtenveertigste woensdag van dat jaar, in sierlijke letters, in vulpen geschreven op de tweede regel van de laatste bladzijde van het trouwboekje van Alfons Van Assche en Florentine Piscaer.

De ietwat gelige vlekken, op de voorlaatste bladzijde van datzelfde boekje, die er door de tijd zijn gaan uitzien als een soort watermerk, doen vermoeden dat er mogelijks menige fles gekraakt werd. Al kan het evengoed zijn dat ze veroorzaakt werden door Alfons zelf in café de Xavrianen, door een nieuw vat bier voor deze heuglijke gebeurtenis te steken. 

Tachtig zou je vandaag worden ware het niet dat die vreselijke ziekte je vroegtijdig geveld heeft.

Op een dag als deze zou je zeker een, twee of meer uit een vers vat gestoken Stella’s gedronken hebben. De schuimkraag niet al te groot want aan grote schuimkragen had je een bloedhekel.

Als we nadien in een niet al te chique restaurant aan tafel zouden gaan, zou je het hoofdgerecht onaangeroerd laten, met als excuus dat je vlees niet goed kan bijten of dat de frieten te hard gebakken zijn en je verhemelte zullen kwetsen.  Wanneer echter, even later het dessert geserveerd wordt, kan je er geld op inzetten, dat je het taartje van ons vader zal afluizen, met als excuus dat dessertjes slecht zijn voor de cholesterol.

Rond de klok van achten zul je zeker met verheven stem zeggen, “kom Jef we geun nar hous.” Die woorden zul je dan zeker vier keer herhalen, met als excuus dat er minstens nog precies zoveel Stella’s, met een niet al te grote schuimkraag moeten gedronken worden.

Maar je bent er niet meer. Dertien jaar geleden ging je definitief “nar hous”, maar dat neemt niet weg dat ik vandaag aan je denk. Met veel weemoed maar met een even grote glimlacht blik ik terug, aan jouw verheven stem, aan de onaangeroerde hoofdschotel en aan Stella’s met een niet al te grote schuimkraag.

Mocht je vandaag daar boven een hemelse Stella bestellen, hoop ik oprecht, speciaal voor diegene die jou bedient, maar voor de algehele hemelrust in het bijzonder, het er een is met een niet al te grote schuimkraag.

Gelukkige verjaardag moeder.

Steriel

Wanneer we elkaar dan toevallig eens tegen het lijf lopen of wanneer agenda’s nog eens met elkaar matchen en het eindelijk lukt om nog eens lang koffies te zuipen en sigaretten te paffen, begroet ik je altijd met een kus en een stevige omhelzing. Tijdens die fysieke begroeting trek ik je dan altijd stevig tegen mijn gillet. Dan ruik ik je unisex-parfum en voel ik hoe je in je vel zit. Als het niet goed met je gaat, druk jij je zo hard tegen mijn grote knuffelberenlijf en verberg jij je helemaal in die grote armen van mij, en ga je daar op zoek naar een beetje intieme geborgenheid of troost. Als het wel goed met je gaat verdraag je die omhelzing niet. Dan duw je me speels en plagerig weg en zeg je, blijf eens met je poten van mijn lijf, je bent mijn lief niet, je hebt je kans gehad.’ Al hoort die kus er altijd bij, maakt niet uit of je goed of je slecht in je vel zit…

TNu ik je als bij toeval tegen het lijf loop, draag ik een mondmasker om jou niet te besmetten en om niet door jou besmet te raken. Hoewel jij niet met zekerheid kan weten of jezelf ziek bent of dat ik dat ben, draag jij ook een mondmasker met exact dezelfde intentie. Ik besmet jou niet en jij besmet mij niet. Deze niet-afgesproken wederzijdse concensus om elkaar te ondergaan achter textiel dat alles filtert, maakt ons helemaal steriel. Jouw unisex-geurtje ontbreekt en ik kan niet voelen hoe jij in je vel zit. Ik ruik alleen maar mijn eigen stinkende koffieadem en voel alleen de warmte van mijn eigen gezicht. Hoewel ik breed glimlach zie jij dat niet. Dat jouw mond droef staat, valt me ook niet op omdat hij veilig en steriel verborgen blijft achter dat lichtblauwe wegwerpmondmasker. Praten doe ik van nature al stil dus als ik je nu wat toefluister vanachter mijn mombakkes hoor jij dat nauwelijks. Omdat jij slecht hoort of omdat ik weet dat ik te stil spreek, roep ik nu zo luid waardoor het lijkt dat ik gevoelloos tegen je sta te blaffen, zoals een hond naar zijn baas. Jou ogen alleen kunnen niet verraden of je het eens bent met mijn geblaf of dat je liever zou willen terugblaffen. Verscholen achter maskers, met anderhalve meter tussen ons zijn we schimmen geworden van wat we normaal van elkaar zijn. Maar om corona te onderdrukken zijn we wel veilg en steriel gebleven zoals deze toevallige ontmoeting en dit vluchtig gesprek dat ook was.

Onzichtbare belagers

De grijsgewassen korte broek en de grasgroene pull die ik in zeven haasten aangeschoten heb, vloeken zo hard met elkaar zoals alleen duivels uit de hel dat kunnen. ‘Precies een tang op een varken’, zou ons ma gezegd hebben, mocht ze nog geleefd hebben en onze pa zou daar dan aan toegevoegd hebben, ‘Die kleren? Daar wil ik nog niet in begraven worden’. Temeer omdat ik besloten had om onder mijn vestimentaire kakafonie ook nog eens Noorse sokken en bruine bergbottines te dragen.  Met de kladder wax die ik nonchalant door mijn warrige calotte gewreven had, waardoor ik nu tien centimeter groter lijk, gun ik mezelf zelfs nog de illusie er hipper uit te zien dan hoe ik het bedoeld had.  Althans dat maakte ik mezelf wijs al is de waarheid hoogstwaarschijnlijk dat ik gewoonweg potsierlijk voor de dag kom. Dat gaat zo in Coronatijden, dan gelden er andere schoonheidswetten. Het laat me koud. Niemand ziet me en niemand kijkt naar mij om dus wat kan het me schelen. En als ik dan al iemand tegenkom loopt die me toch klakkeloos, met de neus op de schoenen voorbij.  Er is haast geen levende ziel te bespeuren, laat staan dat die dan de moeite zou nemen om zich aan mijn clowneske outfit te storen. Zelfs die oude bes niet die net mijn pad kruiste ook al is het even waarschijnlijk dat ik haar net zo achteloos probeerde te omzeilen als zij mij. Zonder opkijken en zonder haar een blik te gunnen, vervolg ik doelloos en zonder vastberaden tred mijn weg, de ene stap na de andere. Even voel ik me als een gedetineerde die met zijn dagelijkse verplichte verluchting een uurtje frisse lucht mag snuiven om de geur van pis en kak van zijn cel uit zijn neus en uit zijn kleren te wassen.

De mensen die ik wat verderop in de Kasteeldreef op hun dagelijkse wandeling tegenkom, lijken me ietsje rustiger en ontspannen, mogelijks omdat de kans daar kleiner is om een potentiële vijand tegen het lijf te lopen.  Als we mekaar voorbijlopen in een tred die veel wegheeft van een soldatenpas, begluren we elkaar stiekem vanuit onze ooghoeken. Als onze blikken elkaar dan kruisen wenden we hem ook onmiddellijk weer even snel af alsof we betrapt zijn met een doodzonde en op het punt staan neergebliksemd te worden. Af en toe bemerk ik bij sommigen toch een vluchtige glimlach of een voorzichtige aanblik en dan beantwoord ik die blik of glimlach met dezelfde ontwapende grijns. Anderen knikken dan weer. Maar als ze dat doen is dat met een korte, haast onmerkbare knik vanachter hun mondmaskerbarricade. Ik knik dan beleefd terug alsof ik met die beweging een ingebeelde witte vlag hijs. Zelf snuif ik de lucht nog niet door een mondmasker omdat ik daar in mijn bovenkamer precies nog niet helemaal klaar voor ben. Als we dan, zij met een partizanenknevel voor de ademhalingsorganen en ik nog zonder, door het bos patrouilleren, zijn we op onze qui-vive voor die schalkse hinderlaag van onze gemeenschappelijke onzichtbare belager die het heel slecht met ons voorheeft. En dan heb ik nog niet eens boodschappen gedaan!