Steriel

Wanneer we elkaar dan toevallig eens tegen het lijf lopen of wanneer agenda’s nog eens met elkaar matchen en het eindelijk lukt om nog eens lang koffies te zuipen en sigaretten te paffen, begroet ik je altijd met een kus en een stevige omhelzing. Tijdens die fysieke begroeting trek ik je dan altijd stevig tegen mijn gillet. Dan ruik ik je unisex-parfum en voel ik hoe je in je vel zit. Als het niet goed met je gaat, druk jij je zo hard tegen mijn grote knuffelberenlijf en verberg jij je helemaal in die grote armen van mij, en ga je daar op zoek naar een beetje intieme geborgenheid of troost. Als het wel goed met je gaat verdraag je die omhelzing niet. Dan duw je me speels en plagerig weg en zeg je, blijf eens met je poten van mijn lijf, je bent mijn lief niet, je hebt je kans gehad.’ Al hoort die kus er altijd bij, maakt niet uit of je goed of je slecht in je vel zit…

TNu ik je als bij toeval tegen het lijf loop, draag ik een mondmasker om jou niet te besmetten en om niet door jou besmet te raken. Hoewel jij niet met zekerheid kan weten of jezelf ziek bent of dat ik dat ben, draag jij ook een mondmasker met exact dezelfde intentie. Ik besmet jou niet en jij besmet mij niet. Deze niet-afgesproken wederzijdse concensus om elkaar te ondergaan achter textiel dat alles filtert, maakt ons helemaal steriel. Jouw unisex-geurtje ontbreekt en ik kan niet voelen hoe jij in je vel zit. Ik ruik alleen maar mijn eigen stinkende koffieadem en voel alleen de warmte van mijn eigen gezicht. Hoewel ik breed glimlach zie jij dat niet. Dat jouw mond droef staat, valt me ook niet op omdat hij veilig en steriel verborgen blijft achter dat lichtblauwe wegwerpmondmasker. Praten doe ik van nature al stil dus als ik je nu wat toefluister vanachter mijn mombakkes hoor jij dat nauwelijks. Omdat jij slecht hoort of omdat ik weet dat ik te stil spreek, roep ik nu zo luid waardoor het lijkt dat ik gevoelloos tegen je sta te blaffen, zoals een hond naar zijn baas. Jou ogen alleen kunnen niet verraden of je het eens bent met mijn geblaf of dat je liever zou willen terugblaffen. Verscholen achter maskers, met anderhalve meter tussen ons zijn we schimmen geworden van wat we normaal van elkaar zijn. Maar om corona te onderdrukken zijn we wel veilg en steriel gebleven zoals deze toevallige ontmoeting en dit vluchtig gesprek dat ook was.

Onzichtbare belagers

De grijsgewassen korte broek en de grasgroene pull die ik in zeven haasten aangeschoten heb, vloeken zo hard met elkaar zoals alleen duivels uit de hel dat kunnen. ‘Precies een tang op een varken’, zou ons ma gezegd hebben, mocht ze nog geleefd hebben en onze pa zou daar dan aan toegevoegd hebben, ‘Die kleren? Daar wil ik nog niet in begraven worden’. Temeer omdat ik besloten had om onder mijn vestimentaire kakafonie ook nog eens Noorse sokken en bruine bergbottines te dragen.  Met de kladder wax die ik nonchalant door mijn warrige calotte gewreven had, waardoor ik nu tien centimeter groter lijk, gun ik mezelf zelfs nog de illusie er hipper uit te zien dan hoe ik het bedoeld had.  Althans dat maakte ik mezelf wijs al is de waarheid hoogstwaarschijnlijk dat ik gewoonweg potsierlijk voor de dag kom. Dat gaat zo in Coronatijden, dan gelden er andere schoonheidswetten. Het laat me koud. Niemand ziet me en niemand kijkt naar mij om dus wat kan het me schelen. En als ik dan al iemand tegenkom loopt die me toch klakkeloos, met de neus op de schoenen voorbij.  Er is haast geen levende ziel te bespeuren, laat staan dat die dan de moeite zou nemen om zich aan mijn clowneske outfit te storen. Zelfs die oude bes niet die net mijn pad kruiste ook al is het even waarschijnlijk dat ik haar net zo achteloos probeerde te omzeilen als zij mij. Zonder opkijken en zonder haar een blik te gunnen, vervolg ik doelloos en zonder vastberaden tred mijn weg, de ene stap na de andere. Even voel ik me als een gedetineerde die met zijn dagelijkse verplichte verluchting een uurtje frisse lucht mag snuiven om de geur van pis en kak van zijn cel uit zijn neus en uit zijn kleren te wassen.

De mensen die ik wat verderop in de Kasteeldreef op hun dagelijkse wandeling tegenkom, lijken me ietsje rustiger en ontspannen, mogelijks omdat de kans daar kleiner is om een potentiële vijand tegen het lijf te lopen.  Als we mekaar voorbijlopen in een tred die veel wegheeft van een soldatenpas, begluren we elkaar stiekem vanuit onze ooghoeken. Als onze blikken elkaar dan kruisen wenden we hem ook onmiddellijk weer even snel af alsof we betrapt zijn met een doodzonde en op het punt staan neergebliksemd te worden. Af en toe bemerk ik bij sommigen toch een vluchtige glimlach of een voorzichtige aanblik en dan beantwoord ik die blik of glimlach met dezelfde ontwapende grijns. Anderen knikken dan weer. Maar als ze dat doen is dat met een korte, haast onmerkbare knik vanachter hun mondmaskerbarricade. Ik knik dan beleefd terug alsof ik met die beweging een ingebeelde witte vlag hijs. Zelf snuif ik de lucht nog niet door een mondmasker omdat ik daar in mijn bovenkamer precies nog niet helemaal klaar voor ben. Als we dan, zij met een partizanenknevel voor de ademhalingsorganen en ik nog zonder, door het bos patrouilleren, zijn we op onze qui-vive voor die schalkse hinderlaag van onze gemeenschappelijke onzichtbare belager die het heel slecht met ons voorheeft. En dan heb ik nog niet eens boodschappen gedaan!

Dode letters, springlevend.

Koortsachtig leest hij bladzijden die op het ogenblik dat ze geschreven werden niet voor zijn ogen bestemd konden zijn. Nu hij zelf de leeftijd bereikt heeft en de woorden die twintig jaar geleden getrouw en gewetensvol werden neer-gekribbeld beter kan plaatsen, leest hij ze ongedurig maar zorgvuldig. De feiten die beschreven zijn, herkent hij omdat hij er zelf leidend voorwerp van is. De letters schuiven als een sneltrein voorbij en tonen beelden die hij lang uit zijn herinnering geband heeft. Hij alleen kent de echte reden waarom hij heil zoekt in krabbels die destijds zo zorgvuldig werden opgetekend door een pen die hij maar al te goed kent. De zinnen die hij nu leest zijn ooit geschreven met een griffel die diepe krassen kon zetten en onthullen eindelijk hun geheimen die gekwelde herinneringen bevestigen. Maanden geleden had hij alle hoop opgegeven om dit boekje ooit terug te vinden omdat het niet in de doos van de andere dagboeken was weggeborgen, wellicht omdat de schrijver ervan er zelf af en toe nog eens herinneringen in ophaalde.  Vandaag heeft hij het in handen. Het manuscript ziet er nog identiek uit als toen het destijds dagelijks op de keukentafel rondslingerde en wachtte tot hersensroerselen erin vereeuwigd werden. Het ietwat kinderlijke handschrift met grote krullen laat geen groots literair talent vermoeden maar de geschreven beelden doen dat eens te meer en ontsluieren hun herinneringen die op dezelfde manier zijn neergeschreven als dat ze in zijn gedachten ronddwalen. Dezelfde emotie, identiek verdriet en gelijkaardige machteloosheid lijken gekopieerd, alsof lezer en schrijver één-en dezelfde persoon zijn, maar dat is niet het geval. De schrijver ervan was mijn vader en de lezer ben ik en het verhaal is geschiedenis…

Lijstjes en nummertjes.

Een er ietwat slobberig uitziende vrouw, ik schat haar vijfenveertig, is diep in gedachten verzonken en zit warm ingeduffeld op een bank in het park voor zich uit te staren. Ze maakt ingebeelde lijstjes over de dingen die haar bezighouden, die ze zeker nog moet doen en die ze zeker niet mag vergeten. Niet dat de nummercombinatie van haar fietsslot of de code van haar bankkaart zich op een van die lijstjes bevindt of dat erop geschreven staat dat ze de soep voor straks nog moet ontdooien, neen dat is het niet. Die cijfertjes zijn zo belangrijk dat ze die nog uit het hoofd kent en ze niet op een lijstje hoeft te schrijven. Op haar eigen manier bepaalt zij met een ingebeelde cataloog de volgorde van zaken die echt belangrijk zijn, en niet uitsluitend van belang voor vandaag of voor morgen of voor zichzelf maar ze maakt een ingebeelde opsomming van dingen die heel belangrijk zijn voor de het dorp, voor de stad, voor het land of op het minst voor de hele wereld. Ze kan daar nu tijd voor maken want ze was toch aan het dromen en de wolken beginnen al op te trekken. Lijstjes maken is heel belangrijk in de kringen waarin ze elke dag vertoeft. Niet dat de mensen waarmee ze dagelijks omringd is, zich bekommeren over lijstjes die zij schrijft want de meesten onder hen zijn te druk in de weer met hun persoonlijke lijstjes. Als bejaardenhulp in het rusthuis krijgt ze namelijk alle dagen van de week te maken met dementerende oudjes die, om niet te vergeten lijstjes maken van dingen die voor hen belangrijk zijn. Die kattenbelletjes slingeren dan her en der rond of verzamelen zich in een schoendoos op de vensterbank zodat de volgeschreven papiertjes hen er steeds aan herinneren dat ze niet vergeten wat ze die dag niet mogen vergeten. Op al de lijstjes van alle dementerende oudjes van alle kamers van het rusthuis vind je naast een vergeelde foto van hun geliefde partner, de geheime code van de bankkaart die ze al lang niet meer bezitten omdat de kinderen al die belangrijke dingen zelf op hun eigen lijstje hebben gezet.

Ik betrap me er zelf op dat ik ook lijstjes bijhoud en dat zelfs die indexen al ziekelijke vormen beginnen aan te nemen.  Zo leg ik al een tijdje lijstjes aan van dingen die ik niet mag vergeten te zeggen of van woorden die ik kan gebruiken voor mijn schrijfsels. Ik bewaar ze in een brillendoos die ik overal naartoe zeul omdat mijn leesbril daar ook in zit en ik anders de lijstjes niet kan lezen die ik erin bewaard heb. Als ik vlug ben, tel ik vijftien kleine papiertjes en als ik eerlijk ben, zijn het er twintig. Thuis bewaar ik napoleonsnoepjes, pepernoten, chocolade en koekjes, ook allemaal in hun eigen doos maar dat is iets anders en heeft dat eerder te maken met mijn compulsief-neurotisch karaktertrekje. De brillendoos, dat is wat anders, daar leef ik naarstig in en ik word er actief van of helemaal passief. Ik zal de briefjes die ik erin bewaar nooit vroegtijdig weggooien omdat ze tot me spreken en ze me toe roepen: ‘niet vergeten, niet vergeten… let op dat je het niet vergeet.’ Niet dat ik van die vergeet-mij-nietjes in paniek raak hoor want ze geven me houvast maar als ik dan toch eens begin te twijfelen keer ik terug naar mijn versterkt kasteel, naar mijn vertrouwde brillendoos.

De oudjes in het rusthuis worden net zoals mijn vader zaliger ook elke dag door lijstjes en briefjes toegeschreeuwd, en worden net op dezelfde manier elke dag toegeroepen door wegglijdende gedachten op papier.  Op die briefjes houden ze voor zichzelf bij op welke knop zij moeten drukken en op welke knop zij absoluut niet mogen drukken, door wie ze worden opgehaald en door wie ze worden vergeten, en dat ze best gaan zitten als ze moeten pissen. In de liefdesbrief die mijn vader elke dag schreef, stond telkens geschreven dat hij het haar morgen niet mocht vergeten te vragen.  Elke dag opnieuw schreef hij in hanenpoten de pincode van zijn bankkaart op een briefje dat hij in de schoendoos op de vensterbank stopte tussen minstens dertig briefjes waarop dezelfde nummertjes geschreven stonden.  Nummertjes die ooit zo veel belangrijker waren dan het grootse wereldprobleem maar die nu enkel nog maar vier nietszeggende getalletjes meer zijn.

Het laatste velletje.

Een dikke traan, rolde over haar wang en een andere had de weg gevonden naar de onderkant van haar brilmontuur om een seconde later samen uiteen te spatten op een witte tegel van de drop-off zone van de vertrekhal van de luchthaven. Genegenheid tussen mensen hoeft niet altijd gemeten te worden met het aantal woorden die uitgewisseld worden, soms wordt niets gezegd en dat zegt ook iets. Mijn gemakkelijke woorden moesten namelijk niet dienen om haar moeilijke emoties te verbergen dus had ik me voorgenomen het afscheid kort te houden want in situaties als deze krijgen mijn woorden weleens scherpe tanden die de stem van de andere in tweeën kunnen bijten, daarom zweeg ik maar.  We nemen afscheid en glimlachen naar elkaar ook al is mijn glimlach eerder een gewrongen grimas die mijn gezicht in een vreemde plooi legt. Drie uur geleden had ik haar in vader-wijsheden op het hart gedrukt dat ze in de maand die gaat komen, dingen voor de eerste keer zal zien en misschien wel voor de laatste keer en dat ze die wondermooie beelden moet absorberen om ze nooit meer te vergeten zodat ze een heel leven kunnen meegaan. Nog anderhalf uur en ze vliegt naar andere tijdzones waar een groot gedeelte van onze gemeenschappelijke dag zal gewisseld wordt voor een andere nacht. Die twee tranen zetten er andere in gang en heel even staan we met zijn drieën in een soort ongemakkelijke groepsknuffel die als afscheid moet doorgaan. ‘Van mijn erf nu’, zeg ik stoer, in een poging om het pijnlijke moment niet langer te laten duren dan stikt noodzakelijk want ik weet dat afscheid nemen moeilijker wordt naarmate je dat moment uitstelt. We zwaaien nog even en ik klim in mijn auto, baan me een weg door het veel te drukke verkeer en denk hoe ik dat in hemelsnaam alleen ga redden de komende maand maar vanbinnen lach ik een beetje want ik herinner me alle keren dat ik me zo voelde al vraag ik me wel af wie straks die nieuwe rol toiletpapier zal brengen als het laatste velletje is opgebruikt.

%d bloggers liken dit: