Categorie: Man-Vrouw

Liefde is stopverf

Liefde is een illusie, een spelletje, maar wel één dat best met zorg en aandacht gespeeld wordt, anders is er niks aan. Door ouder te worden heb ik mezelf veroordeeld tot een subtiele maar een daarom niet minder cynische vorm van eenzame liefde. Misschien deed ik het onbewust omdat ik door de jaren heen de illusie van de liefde doorprikte of misschien is het een gevolg van het feit dat ik de spelregels niet helemaal volgde? Wie zal het zeggen?


Liefde en ouder worden, niet dat ik iemand wil schofferen, en mezelf al zeker niet, maar ik stel me openlijk de vraag of er geen sleet zit op de formule? Ik stel me ook de vraag of niet iedereen het spelletje moet blijven meespelen om het voor alle deelnemers een beetje plezant te houden?
Een illusie dus, of iets voor de jonge generatie die er nog naïef op vertrouwd dat verliefdheid en liefde hetzelfde betekent, en dat het voor altijd blijft duren. Als je een bepaalde leeftijd bereikt, zoals ik dus, en sensuele geilheid inruilde voor sleur of verplichting, is het in stand houden van die illusie meer dan ooit een levensnoodzakelijke opdracht. Verlies je dat droombeeld uit het oog, en geloof me, daar is met de snelheid van het leven niet veel voor nodig, rest je niets anders dan met constant gepieker al je angsten en twijfels in je eentje te doorstaan.
De hele dag lopen vloeken en tieren, ik zou dat kunnen doen maar doe het niet omdat het net die illusie is die mij recht houdt.


Liefde is een illusie. Wat we ervan gemaakt hebben, heeft niets te maken met de romantische voorstelling die we er vroeger aan gaven, toen we jong en onnozel waren. Dat beeld vervaagde met de tijd. Behendigheid, gemakzucht en voortplanting, al dan niet bezegeld in een wettelijk geregistreerd partnership onder een luifel van wederzijdse verantwoordelijkheid, zijn we liefde gaan noemen. Eeuwigdurende liefde bestaat niet, voortplanting bestaat, reproductie. Voortplanting, gemakzucht en aanpassing, veilig beschut onder het dak van gewenning en gewoonte. Al de rest passen we aan op een manier die ons het beste uitkomt. Wat dat betreft zijn liefdesverwachtingen even kneedbaar als stopverf. We bewerken ze met klei die nooit hard wordt. Als doorwinterde darwinisten geven we er telkens opnieuw een nieuwe schwung aan zodat van het oorspronkelijke plan niets overblijft. Op die manier wordt liefde een levenswerk van bijstellen, nuanceren, herformuleren, aanpassen en finetunen. We doen het net zolang tot het helemaal vervormd is en we vergeten zijn welk kunstwerk het oorspronkelijke ooit geweest is.
We doen nog wel dingen samen hoor, af en toe zelfs nog met elkaar al moet ze me daar wel op voorhand voor waarschuwen. Soms denk ik dat zij gewoon mijn wandelstok is. Mocht ze er niet meer zijn, ik zou nog somberder door het leven stappen omdat ik de korter wordende afstand tot het einde alleen zou moeten afleggen, zonder wandelstok.


Wat blijft er dan over? Als je ouder wordt, blijft alleen de veranderlijkheid en de schoonheid van de liefde over. Toegegeven, dat is veel.


Darwin had gelijk:

“…De zwakken moeten ervantussen als ze niet in staat zijn zich aan te passen…”

Een penisplaatje in haar profiel

Tijdens een gesprek met vrienden, in de bruinste kroeg van Bornem, noemt ze mij opeens papa. Zo maar, out of the blue, zonder voorafgaandelijke waarschuwing en vooral zonder aanleiding. Heb ik dat nu goed gehoord? Was dat tegen mij?  Noemt ze mij nu al papa? Zijn we echt al in die fase aanbeland of is haar vader hier plots opgedoken. Op dit uur? Dat lijkt me onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk. Op dit eigenste ogenblik bevindt hij zich namelijk in een andere tijdzone, aan de andere kant van de wereld. Meer bepaald, in Dubai, in het bijzijn van mama, enfin van schoonmama, om daar op de vierhonderdste etage van de Burj Khalifa hun verrimpeld huwelijk nieuw leven in te blazen.

“Papa?”: Ik moet het me ingebeeld hebben. Mijn grootmoe noemde bompa indertijd ook papa. Dat zonder twijfel goed bedoelde koosnaampje waarmee bobonne mijn bompa berispte wanneer hij met zijn galoches de keuken betrad zonder eerst zijn voeten af te vegen, zorgde in die tijd bij mij al voor de nodige verwarring. Wat is het nu papa, bompa of lompe ezel, nog zo’n koosnaampje dat wel eens uit de mond van mijn bobonne rolde.

Het gesprek kabbelt rustig verder, soms ernstig, meestal eerder amusant en luchtig. Het onderwerp van de caféklap doet nu even niet ter zake, maar het gaat, als u het per se wil weten, zoals vaak in deze compagnie trouwens, over seks en relaties. Verbaast je dat misschien? Mij al lang niet meer hoor, “Het zijn zij die er het minst over spreken, die er het meest van weten.”

Ik zwijg, luister, leer bij en fantaseer inmiddels verder over het seksleven van bobonne en bompa op de vierhonderd vijfenzestigste verdieping van de Burj Khalifa. Of is het mama en papa? Ik kom er niet uit.

Mijn gedachten zitten nog bij de galoches van bompa, dus hoor ik alleen het laatste gedeelte van een vraag die voor mij bestemd was, “jij vindt dat toch ook he papa?”

Bovenaan begint het te knetteren alsof alle verbindingen in mijn bovenkamer even zonder stroom komen te zitten. “Papa”, voor de tweede keer, deze avond en dat niet eens in een ‘spank-me-papa-kinda-way.’

Ik excuseer me beleefd, zoals het een papa betaamd die zich in het bijzijn van zijn kinderen bevindt, om te zeggen dat hij even naar het toilet moet. Hoogdringend, het kan niet wachten.

Om van het ‘ge-papa’ van ‘mama’ verlost te raken sluit ik me een paar tellen later op in het kleinste kamertje. Ik ben radeloos en zie geen enkele andere mogelijkheid om haar aan het verstand te brengen dat ik haar papa niet ben. Dus neem ik een dickpic en duw mijn niet al te scherp penisplaatje droog en zonder voorspel in haar whatsapp-profiel.

Opeens krijg ik begrip voor Marc Overmars.

Om van te houden!

Ik kan geen kant meer uit. De krant, het scherm, een boek, een serie, sociale media…alles maar dan ook alles, (een mens mag al eens overdrijven) draait tegenwoordig rond gender, geaardheid, sekse en verdraagzaamheid. Serieus, ik ben het debat en de discussie over vrouwen, mannen en x-en, kots- maar dan ook kotsbeu. Zolang er genoeg staanplaatsen zijn op deze aardkluit mag van mij iedereen erbij. Hoe meer zielen, hoe meer leute. Voor mijn part kan het allemaal. Het maakt mij helemaal niets uit. Vrouwen, mannen, neutralen, trans- x, wat mij betreft, … alles moet kunnen.  De wetenschap is zo ver geraakt dat met hormonen en operatieve ingrepen lichamelijke kenmerken in overeenstemming kunnen gebracht worden met het psychologisch geslacht. Top, maar kunnen we er nu stilaan over zwijgen? De meeste mensen liggen daar niet wakker van. Echt niet. De hysterische drang naar inclusie, diversiteit en gelijkheid wordt kunstmatig zo groot gemaakt dat het me de strot uit komt.

Moet dan echt alles gewikt en gewogen worden op de schaal van verdraagzaamheid? Het leven is zonder dit ontploft debat al eierenlopen, toch? Mag er nog eens gelachen worden, alstublieft? Met een foute mop of met een uitvergroot cliché? Kunnen we het niet gewoon allemaal een beetje zijn gang laten gaan, met de juiste nuance en met fijngevoelige gelaagdheid? Alstublieft?

Ik wil zonder schaamte en met lichte zin voor ‘onderschatting’ verkondigen dat alle mannen om de zeven seconden aan seks denken. Ik wil me beklagen dat alle mannen muteren in onuitstaanbare boeren eens er pinten in gegoten worden. Ik wil ook zeggen dat vrouwen voor een pittig stukje worst niet het hele varken hoeven te nemen. Maar ik wil ook kunnen zeggen, zonder het risico te lopen overgoten te worden met pek en veren dat ik me blijf verbazen hoe vrouwen nadat ze honderd jaar geleden stemrecht verwierven, nog steeds het verschil niet kennen tussen links en rechts. Dat ze niet te genieten zijn wanneer ze hun regels hebben en dat schmink dient om er niet belabberd uit te zien maar dat het resultaat dat dikwijls wel is.

Moeten onderlinge relaties dan alleen maar afgewogen worden op een schaal die te fijn geijkt is op verdraagzaamheid en zedige correctheid?  

Ik snap dat de jongere generatie de drang voelt om zich af te zetten tegen de geschiedenis waar zij geen inspraak in hadden. Maar is het echte probleem niet dat het glazen plafond nog steeds doorschijnend is? Dat de loonkloof tussen man en vrouw nog steeds om en bij de 9% bedraagt en is dat niet het sprekend bewijs dat de strijd tegen ongelijkheid tussen mannen en vrouwen nog niet gestreden is? Verliezen we met tegeltjeswijsheden, slogans en scheefgetrokken genderdiscussies die de maatschappij verdeelt in mannen, vrouwen en x-en niet uit het oog dat we het toch samen zullen moeten doen?

Vrouwen, mannen en x-en ze dienen toch om van te houden, toch niet om ze te begrijpen?

Vuisten tot witte knuisten geklemd

Neem hem nu, een grijzig, ambtenaar-achtig figuur die eruitziet alsof alle menselijke gevoelens in hem al jaren geleden verdampt zijn tot grauwe sleur.  Of zijn vrouw, met haar vormloze gestalte, flutjeshaar en verfrommeld uiterlijk waardoor hij nauwelijks nog uitgenodigd wordt om naar haar te kijken.  Het omgekeerde gebeurt trouwens al jarenlang niet meer. Hoewel het nooit een bewuste keuze geweest is, zijn ze de interesse in elkaar al jaren kwijt.  Hun dag speelt zich grotendeels af in hun eigen kleurloze bubbel waarin ze zich terugtrekken om er hun verwrongen emoties en gedachten te cultiveren tot geriefelijk ingetogen geduvel waarmee ze elkaars leven belemmeren.

Ik zie ze wegkwijnen, zij met opgetrokken knokige knieën, terwijl ze machteloos haar vuisten tot spierwitte knuisten klemt. Hij zwijgend, gevoelloos en cynisch voor al hetgeen wat rondom hem gebeurt. Beiden eraan gewend geraakt dat ze in een dip zitten die nog een leven lang moet duren. Zonder woorden, zonder emotie of zonder grote verwijten sussen ze elkaar met de idee dat je van de vloer af niet dieper kan vallen als je al in de kelder ligt.

Wat de grijsaard uitstraalt is niet wat hij voelt. Het liefst van al zou hij haar stilletjes toefluisteren, “…zelfs met krulspelden in je flutjeshaar en met jouw kousen half afgezakt tot op je enkels en met die oude badjas rond je uitgezakte lijf, ben je nog steeds mooi om naar te kijken.” Maar hij zwijgt, uit gewoonte, uit angst voor, … hij weet niet wat.

Ook zij wil het liefst van al ontdooien maar in haar gewoontegedachten raakt ze niet verder dan een “… zelfs in het bijzijn van mijn vrienden of van jouw kinderen ben je een ramp.  Dan maak je wel venijnig lawaai en spreek je me wel tegen.  Met het overschot van de tijd loop je maar te zwijgen en rond te dolen in je eigen beknotte wereldje. Eigenlijk ben je niets minder dan een bullenbak en een tiran. Op die momenten twijfel ik zelfs of je een ziel hebt…”

Hoewel ze het heel graag willen, ontdooien ze niet… Hoe hebben ze het ooit klaargespeeld om elkaar een enkel plezier te doen? Of om elkaar graag te zien. Je kan je dat afvragen. Of hoe ze elkaar ooit het hof gemaakt hebben en hoe ze zo van elkaars leven vervreemd raakten. Misschien omdat zij op haar moeder lijkt, of hij op zijn vader? Die hadden ook niets meer om liefde mee te inspireren.

En toch denken zij ook wel eens. “Ondanks alles ben je mijn man, niettegenstaande ben je mijn vrouw.”  Mocht hij een poging doen om een beetje gewicht te verliezen, een ietsepietsje aan sport te doen en zich iets minder in zijn eigen spookwereld terug te trekken. Mocht zij proberen iets vriendelijker te zijn. Af en toe een glimlach op haar gezicht, een onhandige knuffel… misschien, dan? Zouden ze dan elkaars hart opnieuw kunnen dragen zodat het wulpse meisje terugkeert en die onhandige jongeman opnieuw verschijnt die elkaar zoveel geluk gaven wanneer ze altijd elkaars hand vasthielden?

Gelukkige koppels zien er allemaal eender uit. Ongelukkige mensen denken dat ze helemaal alleen staan. Mensen, ze zijn er in alle soorten. Sommige staan alleen maar goed met zichzelf. Andere zoeken hun heil in het geluk van anderen. Er zijn er die naar binnenkijken en er zijn er die naar buitenkijken.  Ze komen in allerlei soorten en maten. Maar zonder een beetje liefde, een ietsepietsje begrip en warmte, stellen ze niets voor. Gerald Walschap schreef het veel beter dan ik het ooit zou kunnen bedenken, “Niemand is iedereen en iedereen is niemand, de mens ge kunt daar niet aan uit, en aan een koppel al zeker niet.”

Ikzelf en mijn mensen? …  Ik weet het allemaal niet zo goed en dat ‘niet weten’ zou nog boeken kunnen vullen, maar ik ben Walschap niet.

Geen scheet over de lippen gehad!

“Met de dag begin jij meer op je vader te lijken”: bitste ze me nogal kortaf toe nadat ze haastig de ontbijttafel verliet zonder dat daar in mijn ogen aanleiding voor was.  Mijn permanent aanwezige vrouwelijke huisgenoot die zichzelf voor onduidelijke redenen een hogere rang in de familiale hiërarchie heeft toegeëigend, was overduidelijk geërgerd. Ze blafte in een bitse uitval verder: “Hoe dikwijls nog? Niet met je mondvol!” Met die laatste snibbige schimp was, naast mijn allerlaatste broodkruimel ook mijn allerlaatste twijfel weggenomen. Het was glashelder dat het niet mijn vaders allerzachtaardige kant was die ze in gedachten had toen ik een paar tellen geleden de vergelijking met hem moest doorstaan. Geen idee welk beeld ze van mijn pa precies voor ogen had maar ik durf er gif op nemen dat het niet zijn voordeligste kant was.

Ik zou het licht van de zon ontkennen, mocht ik u proberen overtuigen dat ik met mijn vader geen enkele genetische overeenkomst heb.  Men zou terecht andere vragen kunnen stellen, moest dat niet het geval zijn. Die mens heeft me per slot van rekening verwekt. Neem nu bijvoorbeeld de omvang van onze hoofden. Dat is duidelijk een niet te verloochenen uiterlijk verschijnsel dat de Pultau-dynastie al eeuwenlang generatie op generatie doorgeeft. Mijn zonen zijn ook met datzelfde, in het oog springend genetisch kenmerk belast. En die last mag gezien de omvang ervan redelijk letterlijk genomen worden. Zou u ons niet kennen, geloof me dan maar op mijn woord dat wij, Pultau ’s dè “hoofdreden” zijn waarom het woord bol in Van Dale omschreven wordt als “rond lichaam dat begrensd wordt door een gebogen oppervlak waarvan alle uitstekende punten even ver verwijderd zijn van het middelpunt”. Zou u ons in levenden lijve zien, u zou vaststellen dat wij allemaal over datzelfde grote pompoenenhoofd beschikken als vader zaliger, in de veronderstelling dat u mijn vader zaliger in eigen persoon gekend heeft natuurlijk. Wat hij naast grote karakterkoppen nog ongewild aan ons heeft doorgegeven is zijn gulzige eetlust. Volgens hem was dat het gevolg van de oorlogsschaarste. “Als ge toen niet haastig waart en pakte wat ge kon krijgen, had ge niks!” Ik kan hem die zin met zijn tandeloze mondvol nog horen smakken. Ridderlijk toegegeven, kokette tafelmanieren, het zijn niet de sterkste punten van het geslacht Pultau. Niet dat wij als onbeschofte Neanderthalers werden opgevoed, zeker niet, want mijn ma, eveneens zaliger, kon een erwt nog in vieren snijden alvorens ze er zuinig en zonder gesmak een half uur op te kauwen.

Ik vertel u dit alles omdat de vrouw des huizes de kwaal waaraan zij leidt niet langer meer kan onderdrukken. De diagnose die ze nota bene zonder doktersbezoek bij zichzelf stelde, heet Misofonie. En dat beste mensen is een bijzondere aandoening. Terwijl ze eigenlijk gewoon onverdraagzaamheid bedoelen, is Misofonie de medische term die psychologen bezigen om overgevoeligheid voor specifieke geluiden te benoemen. Hoewel het een vrijwel onbekend verschijnsel is, zijn witjassen het er roerend over eens. Misofonie is een psychische afwijking die zich kenmerkt door een extreme afschuw van bepaalde geluiden.  Geluiden die Misofonie veroorzaken en zelfs tot woede-uitbarstingen of agressie kunnen leiden zijn bijvoorbeeld het voortdurend kuchen van iemand in de directe omgeving, het hoorbaar peuzelen aan een kippenbout of zelfs de ritmische ademhaling van een geliefde kan irriteren en stoppen doen doorslaan. Een te luide scheet of een verdwaalde boer kunnen voldoende aanleiding zijn voor een echtscheiding of voor intra-familiaal geweld.

Wanneer je me dus straks met een blauw oog of een gebroken arm ziet rondlopen, betekent dit waarschijnlijk dat ik te luid geslikt heb, dat ik te hoorbaar of te uitdrukkelijk ademde of dat ik een boer niet langer meer kon onderdrukken want geloof me wanneer ik u zeg dat ik een scheet in haar bijzijn, al maandenlang niet meer over de lippen heb gehad.