Kamer 4.

Er is een nijpend tekort aan donoren, aan bloeddonoren, aan orgaandonoren maar ook aan spermadonoren. In het steriele ziekenhuis flikkeren neonlampen zo snel dat niemand het nog opmerkt omdat die ondingen voor de meeste mensen gewoon maar ongezellig licht geven. Voor een kleine minderheid echter zijn het marteltuigen, vermoeiende energiezuigers door het snelle flitsende bliksemlicht. Mensen lopen af en aan, om andere mensen te bezoeken of om duidelijkheid te krijgen over de kwaal waarmee ze zijn opgezadeld. De vrouw achter de balie aan de ingang heeft een grote bruine moedervlek aan de linkerkant van haar mondhoek. Daar woekert een dik zwart haar dat met de minuut langer wordt net zolang tot het zo hard stoort dat ze het met een pincet in een ruk uittrekt. ‘Hebbes’, zegt ze met zoveel triomfantelijkheid alsof ze een belangrijke overwinning geboekt heeft. Zonder dat hij de kans kreeg zich voor te stellen en waarom hij er was, vroeg ze kordaat zijn naam, voornaam en geboortedatum, precies in die volgorde en drukt hem, vriendelijker dan verwacht op het hart dat het zou even kunnen duren. Alsof ze zijn gedachten kon lezen, waarschuwt ze hem dat het drankautomaat naast de balie kapot is maar als hij achter de hoek kijkt, zich er daar nog een bevindt, of op de tweede verdieping dat kon ook. ‘Wachtzaal twee’, zegt ze terwijl ze hem een uitdraai stickers overhandigt die de reden van zijn bezoek aan zijn identiteit koppelen. ‘Het wachtnummer verschijnt op het scherm, alsook de kamer waar je mag binnengaan, maar ik zeg het je, je zal even geduld moeten hebben.” Omdat alle stoelen in de wachtzaal benomen zijn leunt hij nonchalant tegen de muur naast het kapotte drankautomaat. Op een tafel liggen allerlei tijdschriften rommelig door elkaar. Hij leest de kop van het beste roddelblad dat bovenaan de stapel ligt, ‘Paola, de vrouw die geen bastaardkind wil’, en glimlacht met de gedachte aan Albert als vlijtige spermadonor. Exact tegenover hem aan de andere kant van de wachtzaal zit een koppel. Hij een gezapige vijftiger met grijzig wordende haren, zij een energieke veertiger met rode schoenen. Zij maakt zich niet drukt dat iedereen hun bekvechten kan horen.

‘…En jij bent een saaie kloot geworden, bijt ze hem zonder enige gêne, verwijtend toe, zonder zich er in minste over te bekommeren dat de hele wachtzaal getuige is van haar verbale doodsteek.

De man, die aan de overkant nog steeds tegen de muur leunt en de verwijtende tirade gehoord had, voelt geen leedvermaak omdat hij opmerkte dat de arme man merkbaar aangeslagen is. Hij was geen saaie piet maar hij leeft gewoon een ander ritme dan zijn jongere partner, misschien uit noodzaak of zelfbehoud of zo.  Dat maakt hij op aan haar rode schoenen en aan zijn grijze haren en aan de manier hoe zij raast en hij incasseert. …Saaie kloot, twee woorden waar achter een wereld van frustraties en onuitgesproken emoties schuilgaan, verbeten en verzwegen onthoudingen die zich lange tijd onder de oppervlakte verborgen hadden gehouden maar nu als lava door een alles verwoestende vulkaan uitgebraakt werden. De leunende man hoopt dat het koppel op bezoek is voor een donorhart dat haar iets minder hard zou maken zodat ze elkaar opnieuw kunnen verdragen of terugvinden. In het andere geval moeten ze langs de fietswinkel, zij voor een gewone fiets en hij voor een elektrische zodat ze beiden op hun eigen tempo op de bestemming kunnen raken.

Nummer 23 kamer 4 verschijnt op een scherm. ‘Wenst u onbekend te blijven voor uw donatie’, vraagt een jonge verpleegster die hem een stapel pornoboekjes overhandigt waarvan de bladzijden aan elkaar kleven.

Het laatste velletje.

Een dikke traan, rolde over haar wang en een andere had de weg gevonden naar de onderkant van haar brilmontuur om een seconde later samen uiteen te spatten op een witte tegel van de drop-off zone van de vertrekhal van de luchthaven. Genegenheid tussen mensen hoeft niet altijd gemeten te worden met het aantal woorden die uitgewisseld worden, soms wordt niets gezegd en dat zegt ook iets. Mijn gemakkelijke woorden moesten namelijk niet dienen om haar moeilijke emoties te verbergen dus had ik me voorgenomen het afscheid kort te houden want in situaties als deze krijgen mijn woorden weleens scherpe tanden die de stem van de andere in tweeën kunnen bijten, daarom zweeg ik maar.  We nemen afscheid en glimlachen naar elkaar ook al is mijn glimlach eerder een gewrongen grimas die mijn gezicht in een vreemde plooi legt. Drie uur geleden had ik haar in vader-wijsheden op het hart gedrukt dat ze in de maand die gaat komen, dingen voor de eerste keer zal zien en misschien wel voor de laatste keer en dat ze die wondermooie beelden moet absorberen om ze nooit meer te vergeten zodat ze een heel leven kunnen meegaan. Nog anderhalf uur en ze vliegt naar andere tijdzones waar een groot gedeelte van onze gemeenschappelijke dag zal gewisseld wordt voor een andere nacht. Die twee tranen zetten er andere in gang en heel even staan we met zijn drieën in een soort ongemakkelijke groepsknuffel die als afscheid moet doorgaan. ‘Van mijn erf nu’, zeg ik stoer, in een poging om het pijnlijke moment niet langer te laten duren dan stikt noodzakelijk want ik weet dat afscheid nemen moeilijker wordt naarmate je dat moment uitstelt. We zwaaien nog even en ik klim in mijn auto, baan me een weg door het veel te drukke verkeer en denk hoe ik dat in hemelsnaam alleen ga redden de komende maand maar vanbinnen lach ik een beetje want ik herinner me alle keren dat ik me zo voelde al vraag ik me wel af wie straks die nieuwe rol toiletpapier zal brengen als het laatste velletje is opgebruikt.

Cynisch toneelstuk.

… Hun eens zo diepgaande gedachtenwissels die ze vanouds met elkaar deelden waren monotone babbels geworden, zo vlak en grijs als het trottoir in de straat waarover de gedachten van doorsnee mensen kuieren, getooid in alledaagse kleren, helemaal niet meer in staat om enige emotie op te wekken, geen lach, geen traan, geen verwachting of geen illusie. Hun harten verzonken in een leegheid waardoor de dagen aanvoelden als een langgerekte grauwe reeks frustraties en onuitgesproken aspiraties die telkens opnieuw uiteenspatten als zeepbellen in de zon. Na de vele vruchteloze pogingen om opnieuw vuur in elkaars harten te blazen zonder dat er ook maar één vonk oversprong moesten ze droevig toezien dat van hun hartstocht die hen lang aan elkaar had doen plakken, niet veel bijzonders meer was overgebleven. Au tour de parcours, in de drukte van bezigheden en in de drukke dagelijkse beslommeringen waren ze elkaar kwijtgeraakt en waren tederheden een kleurloze regelmaat gaan vertonen waarin omhelzingen en aanrakingen dezelfde gewoonten waren geworden als het dessertje dat van tevoren vastligt ter afsluiting van een ééntonige maaltijd. Het zicht op een uitweg werd belemmerd door doemscenario’s die ze zelf schreven, waarin ze verstrikt raakten en waardoor de toekomst aanvoelde als een lange pikdonkere weg die uitgeeft op een hermetisch afgesloten deur waarop geen slot te bespeuren was. Wanneer liefde cynisch of vanzelfsprekend wordt is er iets vreselijks mis mee en met die gedachte vroegen ze zich af of de liefde die zij kennen en waartegen ze telkens opnieuw aanbotsen geen cynisch toneelspel was geworden waarin in een vicieuze cirkel van begeren, beminnen, kwijtraken, en missen, geen toertjes gedraaid werden waardoor zij vol weemoed en nostalgie steeds opnieuw wilden terugkeren naar wat zij onderweg ergens waren kwijtgeraakt en niet meer terugvonden. Wanneer halfvolle glazen niet meer bijgevuld geraken, valt het gordijn als een sluier voor hun blikken en wordt de aftiteling van de film, met rondvliegend stof in een witte lichtbundel op het grote canvas afgerold. The end…

Traag en saai.

… Neem nu bijvoorbeeld mijn ouderlijk huis, een luxueuze villa was dat niet, verre van zelfs. In onze keuken kon je amper je gat keren wanneer je er met meer dan drie tegelijk in aanwezig was en ’s morgens moest ik voor alles geduldig mijn beurt afwachten. Ik moest in de rij aanschuiven, om mijn gevoeg te doen, om tanden te poetsen en ik moest wachten op koffie die nog doorliep in een thermos waarvan de onderste dichting niet meer helemaal aansloot zodat er wat donkere smurrie uit sijpelde. Soms leek het wel dat er in dat kleine kuip-in meer mensen woonde en dat ik daardoor als jongste altijd als laatste aan de beurt kwam. Alles ging trager dan in andere huizen. Doordat vader de bonen nog zelf maalde met een aftandse Moulinex koffiemolen en omdat de moor eerst nog moest fluiten was zelfs de koffie traag. Het nam nu eenmaal wat tijd, tot het water kookte en de filter kon opgegoten worden. Elke morgen was het wachten tot die helemaal doorgelopen was zodat we eindelijk aan onze dagelijkse kop zwart geluk geraakten. Onze pa deed dat elke dag en wij waren geduldig zonder mopperen…

Toen was traag niet saai maar ik wist niet beter.

Nu denk ik dat langzamer betekent dat ik bedachtzamer bezig ben met de dingen die ik doe of soms helemaal niet doe zodat smaak, geur, kleur en gevoel intenser binnen komen zodat ik ze gemakkelijker kan absorberen. Het is dan alsof ik de koffie opnieuw traag als een baxter in een infuus zie doorsijpelen en ruik ik opnieuw hoe ons keukentje van toen vervult raakte met de aroma van de pas gemalen koffie. Als ik zo naar de dingen kijk, voel ik dat mijn trager leven niet saai is al wordt mijn zweverigheid dikwijls door anderen helemaal niet geapprecieerd. Voor hen is het leven pas interessant genoeg wanneer het druk en doelbewust geleefd wordt. Misschien ben ik gewoon wat rebelser tegen de prestatiemaatschappij dan dat ik het besef want ik ben vastbesloten geen slaaf te worden van mijn tijd omdat dat volgens mij een onvermijdelijke bijwerking is die op de bijsluiter van het leven staat, ‘slaaf van je tijd’. Niet dat ik tegen groei, vooruitgang, efficiëntie, productiviteit of tegen wat dan ook ben hoor maar het is niet mijn levensdoel. Ik heb niet de ambitie om zo veel mogelijk werk in zo weinig mogelijk tijd te verzetten, ik heb geen zin om altijd druk bezig te zijn, ik doe het liever wat trager op mijn tempo.

Waarden, als ik die zo mag noemen zoals succes, materiële weelde, status of carrière zeggen me niets meer omdat ze me geen voldoening meer schenken en ik naar andere dingen op zoek ben. Menselijke interactie, verbinding, connectie, hechting vinden aan andere mensen en koffie zijn zaken die meer in mijn aard verankerd zitten en me meer voeldoening verschaffen dan een ratrace waarin ik toch als laatste in eindig omdat ik race zonder versnellingen. Voor mezelf hoef ik niet zo nodig alle grenzen te verleggen en grenzeloosheid te beoefenen om erachter te komen dat ik beperkt ben of om te zien dat er aan een grens nog een andere limiet zit die ik ook nog zou moeten najagen omdat anderen het ook doen. Mag ik nu dan wat trager alstublieft, met mijn slakkengang kom ik ook wel aan de eindstreep hoor!

Theoretisch rijexamen.

Een knaap die er ouder wou uitzien dan de jaren die hij maar had, ging op een lege kruk zitten, vlak voor de bar waar een blonde dame van jaar of twintig met minutieuze nauwkeurigheid een Duvel uitschonk voor een habitué die er dagelijks zijn krant kwam lezen. De vranke jonge ondeugd zei uitdagende dingen die bleven hangen, zoals een streep dat doet dat als ze met een verkeerd potlood op een schets getekend werd zodat ze niet meer kan uitgegomd worden.

‘U hebt een mooi stel benen, juffrouw’, zei hij vrijpostig.

Ze bitste terug, ‘hoe kunt U dat nu weten, kunt U misschien door de toog kijken?’ En ze liet die U met opzet te luid en te beleefd klinken zodat de versierpoging die op zich al hopeloos was, helemaal een wanhoopsdaad leek.

‘Toen ik U de eerste keer zag, toen U hier door de straat laveerde, waren die me al onmiddellijk opgevallen, ik heb namelijk nog maar zelden zulke mooie benen gezien’, ging de snaak door en hij probeerde goed te maken wat hij vier seconden eerder verkeerd had aangepakt. Op dat ogenblik had de jonge dame zich echter al van hem afgeweerd om de Duvel te brengen naar de man die verderop zijn te rode hoofd al in zijn dagelijkse krant had verstopt. De jonge toogdebutant vroeg ook een Duvel. Zij weigerde hem die prompt, omdat ze vermoedde dat ze daardoor de wet zou overtreden.

‘Ik ben al twee jaar achttien hoor’, sputterde hij tegen.

‘Laat dan je pas zien, he’, antwoordde ze hem terwijl ze er in gedachten ‘wijsneus’ bij zei maar dat niet deed omdat ze niet al te veel verkeerde aandacht wou schenken aan een opgehitste puber. Ze wou al evenmin indruk wekken dat ze met zijn geflirt gediend was.

‘Ik heb hem niet bij me, hij ligt nog in mijn auto’, zei de jongeman met zoveel overdreven gelogen zelfverzekerdheid, dat het lachwekkend was, al leek hij zich door zijn overmoed daar niet bewust van.

‘Drink dan maar cola of iets anders fris, zeker als je nog moet rijden,’ zei de serveerster speels. Ze was minstens even rad van tong als de overmoedige snaak omdat ze aan haar toog wel vaker te maken had met opdringerige bronstige venten die hun kans schoon zagen om haar te proberen imponeren. Even leek hij nog een poging te wagen maar zijn woorden gleden van haar af zoals water op een Tefal pan en met de staart tussen de benen, zonder Duvel en zonder nog een woord te zeggen, droop de Cassanova in spe af om anderhalf uur later opnieuw te verschijnen om op dezelfde kruk plaats te nemen.

‘Cola alstublieft en neem zelf ook iets’, zei hij met een stem die nog stoerder en zelfzekerder klonk dan een uur geleden en hij wees daarbij de vergeelde beteugeling van de dronkenschap waarmee ongeveer honderd jaar geleden zatlappen gewaarschuwd werden voor de gevolgen van openbare dronkenschap.

‘Ben jij nu bezopen?, vroeg de jongedame enigszins verbaasd.

‘U mag me hier dan misschien geen alcohol schenken maar nergens staat geschreven dat ik niet zat mag zijn. Wist U trouwens dat toen U daarstraks die man zijn Duvel bracht, U me de formele bevestiging gaf dat uw benen de mooiste zijn die ik ooit heb mogen aanschouwen en toen waren uw natuurlijk sensuele kuslippen me niet eens opgevallen. Maar om op uw vraag te antwoorden, neen ik ben niet zat want ik drink nooit. Ik had die Duvel alleen maar nodig om me moed in te drinken om U te durven zeggen dat U het schoonste meiske bent dat ik ooit al heb aangesproken.’ De academische woordkeuze, het ge-U en het feit dat hij haar meiske noemde, gaven hem een aandoenlijk stuntelige onhandigheid waardoor de jonge dame opeens gecharmeerd raakte.

‘Als we elkaar nu gewoon tutoyeren en als je nog een kwartier geduld hebt, dan zit mijn shift erop dan mag je me een wijntje trakteren en kan je me verder bewieroken want je hebt al mijn lichaamsdelen nog niet beschreven’, zei ze plots ontwapenend.

‘Mag dat ook nog als ik je zeg dat ik alleen nog maar mijn theoretisch rijexamen heb afgelegd?’

‘Kan ik daar dan nog een kwartier over nadenken?’

%d bloggers liken dit: