Rolmodel

Vandaag is het Vaderdag en pa ik denk aan jou. Je hebt al even het tijdelijke voor het eeuwige geruild daarom loop je hier nu niet meer rond, niet dat je dat op het einde van je dagen nog veel deed. Sinds je weg bent, denk ik bijna dagelijks aan jou. Soms droom ik zelfs van jou. Daarin vertel je me dan wat ik moet doen en dat vind ik een beetje vreemd omdat ik me niet kan herinneren dat je dat ooit deed toen je hier nog was. Van jou kreeg ik namelijk niet al te veel levensinstructies, wellicht omdat je van mening was dat ongevraagd advies er niets toe deed omdat ik dat doorgaans toch aan mijn laars lapte. Ik vermoed dat je altijd wel geweten hebt dat ik op de een of andere manier toch wel in jouw voetsporen zou terechtkomen, vaders weten zulke dingen.  Ze zegt me het nooit maar ik vermoed dat mijn vrouw me daarom in haar leven heeft toegelaten, omdat ik een goed vadervoorbeeld kreeg, één die in staat was in vertrouwen los te laten. Toen jij mijn leeftijd had keek ik nochtans niet zo op naar jou. Dan had ik het niet door omdat ik net zoals de meeste andere jongeren van mijn leeftijd druk bezig was met andere dingen. De aandacht van het  andere geslacht eiste mij toen volledig op en met de overschot van de tijd deed ik er alles aan om me los te weken van jou ouderlijk toezicht maar vooral ook van die van ons ma. Ik denk dat ik toen al hard probeerde een beetje de man te worden die jij al lang was, maar dat had ik toen ook niet door. Dat werd me pas duidelijk vanaf het moment dat ik zelf baby’s in mijn armen hield waardoor de overmoedige macho die uitgezet was om de wereld te veroveren plots besefte dat de wereld al in zijn armen sliep.

Vandaag is het Vaderdag en ik denk aan jou maar dan anders omdat ik nu zelf drie kinderen heb. Mijn boodschap aan hen is eenvoudig en ze is een beetje dezelfde als die jij wellicht ook had. Vandaag is het Vaderdag en je hoeft me niets te geven omdat ik het beste cadeau die een man in zijn leven kan krijgen al kreeg. Vaderschap, en ik denk dat ik die dankbare genen ook wel van jou gekregen heb.

Pimpelmees van de foor.

Hoewel ik haar blik wou vermijden, ontmoetten onze ogen elkaar halverwege het gejoel, ergens tussen het schietkraam en de autoscooter, al heette die attractie in die tijd gewoon nog de botsauto’s. Zij keek snel verlegen weg en ik deed hetzelfde. Indien ik haar was blijven aankijken zou het me zeker zijn opgevallen dat ze lichtjes bloosde en dat ze met de tong voorzichtig haar bovenlip beroerde maar ik was nog veel te groen achter de oren om dat op te merken, dus keek ik ook snel achteloos weg, naar de prijzen die één kapotgeschoten pijpje in het schietkraam zouden kunnen opleveren. Zij kon onmogelijk weten dat ik heel veel moeite had gedaan om haar preutse oogopslag te vangen want telkens ze mij in de gaten kreeg, keek ze schaapachtig weg. Ik zal ook wel gebloosd hebben en mijn ogen zullen wel geblonken hebben maar dat was haar ook niet opgevallen. Mocht ik haar nu tegen het lijf lopen, ik zou haar garderobe goedkoop en een beetje vulgair vinden, maar toen gaven de zwarte plak-netkousen die ze onder haar grijze plooirokje droeg met daarboven een rode wollen jas met veel te brede schoudervulling haar iets mysterieus en onbereikbaar. Voor mij was ze de diva van de foor.

‘For your eyes only’, Sheena Easton zong door luidsprekers in woorden die ik maar half verstond omdat de BBC alleen aan de kust in het zenderpakket zat en we thuis dus alleen maar keken naar Nederlands gesproken uitzendingen van BRT één, BRT twee en Holland één. Ik had vijftig frank, drie jetons voor de botsauto’s en twee kaartjes voor de rups in mijn broekzak. Die zouden die bewuste namiddag nog goed besteed worden op het dorpsplein van Muizen waar de kermiskaravaan voor het lange weekend was neergestreken.

In zaal Rerum Novarum vond op dat moment naar jaarlijkse gewoonte tijdens de grote kermis ook de vogelshow plaats. Een paar lokale duivenmelkers toonden hun prijsduiven en een handvol parkietenkwekers en kanarieliefhebbers gaven met evenveel lawaai als de vogels die ze tentoonstelden commentaar op hun favoriete gepluimde vrienden. Toevallig of niet maar zij paradeerde daar ook. Ze laveerde er tussen kooien en keven die overvol zaten met kippen en hanen en tussen volières waar exotische paradijsvogels en Chinese nachtegalen in rondfladderden. ‘Wist je dat de pimpelmees de trouwste zangvogel is en dat de rest van de mannetjesvogels al vreemd gaat vanaf het ogenblik dat de eieren gelegd zijn’, vroeg ik haar stompzinnig omdat ik geen andere veilige openingszin kon verzinnen. Toen ik haar met die wetenschap overviel zal ik zeker zo rood zijn aangelopen als de pioenen die bij mijn grootmoeder een paar straten verder in de voortuin bloeiden. ‘En wat voor vogel zijt gij dan wel? Een pimpelmees, een straatmus of een papegaai want ge kwettert wel nogal.’ Haar brutale antwoord stond me wel aan want ik antwoordde met heel slecht geacteerd zelfvertrouwen, dat ik haar dat wel in haar oor zou fluisteren in de rups. ‘Binnen vijf jaar dan toch’, bitste ze terug,  ‘wanneer ge uit uw korte broek gegroeid zijt’, en er verscheen een soort van glimlach op haar veel te rood gestifte lippen zodat het een grijns leek. Na twee zinnen stond ze al voor op punten en dat was slecht nieuws voor mijn gespeelde zelfverzekerdheid maar ik liet me er net als de vogels niet door uit mijn kot lokken. ‘Ziet ge die eend daar in die keef?’ en ik wees naar een mannetjeseend met een groene kop die wat verderop in een rieten mand nerveus rond trappelde. ‘Die is er veel slechter aan toe dan wij want als die gaat, waggelt zijn gat zo hard dat het lijkt alsof hij de ganse dag heeft paardgereden. Nu ziet ge dat niet maar als die stapt krijgt die zij poten niet meer toe.’ Ze probeerde ongeïnteresseerd haar ogen te rollen maar omdat zij een veel slechtere actrice was dan ik proestte ze het na twee seconden toch uit. ‘Gij zijt een grappig baazeke met uw korte broek en uwe grote mond, van waar zijt ge want ik heb u hier nog niet gezien?’ ‘Van over de stationsberg, van aan den overkant van de Steenweg. Zeg, zijt gij die vogels ook niet een beetje moe? Gaat ge met mij niet mee in de rups, ik heb al kaartjes.’ ‘Ja, om mij proberen binnen te doen zeker? Vergeet het maar, daarvoor is uw broek nog veel te kort. Betaal mij liever ne gesponnen suiker, als ge centen hebt tenminste, daarbij ge hebt me nog niet eens gezegd of ge nu een pimpelmees zijt of niet.’

Door die twee gesponnen suikers en die twee appels op een stokje was mijn kermisbudget een uur later al met een vijfde gesloken. Ik zat precies met een dure vogel op mijn dak bedacht ik en ik moest met mijn resterende veertig frank en met mijn drie jetons nog twee dagen toekomen. ‘Moogt gij karekollen?’ vroeg ik haar goed wetende dat haast geen enkel meisje van vijftien karrekollen lust. ‘Beikes!’, was dan ook zoals te verwachten haar antwoord omdat meiskes van standing in die tijd nog niet ‘ieuw’ zeiden. ‘Dat ga ik nooit van mijn leven eten, dat zijn precies dikke snottebellen uit de zee’, zei ze met een gezicht alsof ze die ooit al eens gegeten had. ‘Ik denk ook niet dat gij dat durft’, zei ik heel zelfzeker omdat ik wist dat ik met dat doordacht manoevre een lijn uit smeet ik waarmee ik in het Vrijbroekpark al dikkere karpers had bovengehaald. ‘Wat krijg ik als… , en ik zeg wel als ik dat toch doe?’ En ze liet die als klinken alsof de beloning er niet mee toe deed maar wel alsof ze tegenover een brutale snaak in korte broek geen gezichtsverlies wou leiden. ‘Ge moet met mij niet durven of doen spelen als ge dat niet wilt he, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben dat ge straks ziek wordt …’ Ik kreeg de kans niet om mijn zin met ‘..in de rups’ af te maken want ze onderbrak me met een vastberadenheid alsof ik al haar dapperheid en pit met mijn opmerking in vraag had gesteld.  ‘Peisde echt dat ik dat niet durf, zeg het maar he, wat krijg ik of durft gij niet meer misschien?’ Ik toonde haar mijn jetons van de botsauto’s en de kaartjes voor de rups en zei, ‘als ge dat wilt kan ik u vandaag vrijhouden, ge moogt overal mee in waar ik in ga en ik wil er zelfs nog een kaartje van het spookhuis bijdoen, maar dan moet ge wel op die slakken bijten en ze niet zo maar doorslikken.’ De karrekollen kraakten tussen haar kiezen zoals zand dat doet wanneer je slecht gewassen mosselen proeft. Door het speels geplaag was de romantische spanning de hele middag naar een climax opgevoerd dus wisten we geen van beiden wie de weddenschap nu gewonnen had en wie ze verloren had.

Toen in de krakende houten rups, tijdens het vierde rondje dat achterwaarts gereden werd de groene kap dicht viel en ze in mijn oor fluisterde dat ze hoopte dat ik een pimpelmees was, had ik nog veertien frank en vijfentwintig centiemen.

Betoverende onwetendheid.

Ze gaf me indruk alsof ze recht uit het canvas van een bekende schilder was gestapt. Hoewel de parel en de blauwe haarband ontbraken, had ze net zoals Vermeer minutieus lijntjes getrokken en esthetisch verantwoorde kleurtjes aangebracht, om dingen te accentueren of om er andere mee te verdoezelen. Ik vermoedde dat laatste omdat een donkere wal niet helemaal was weg gecamoufleerd zodat een fijn lichtblauw adertje mijn visuele aandacht kreeg. We hadden nog geen enkel woord met elkaar gewisseld en de zwijgende stilte was een handigheid omdat we zo wat tijd kregen om te wennen aan elkaars gemoedstoestand. Dat was nodig omdat die tegenstrijdig leken.

Het laatste kwartier pas had ik het een beetje rustig gemaakt en had ik wat plaats gemaakt in mijn hoofd zodat ik beter kon luisteren naar wat ze me te vertellen had. Zorgeloos leek ze deze keer niet, integendeel ze zag er aangedaan uit en getekend door gebeurtenissen, door dingen die niet hadden plaats gevonden of door kwesties die net wel hadden moeten gebeuren. Ze bestelde rode wijn maar niet alvorens te vragen of me dat niet stoorde. Dat deed het niet al vond ik het wel fijn dat ze zelfs nu nog aandacht had voor mijn gevoeligheden. Toen ze met haar verhaal begon, keek ze vaak weg alsof ze achtervolgd werd of alsof ze op een denkbeeldig iemand aan het wachten was. Praten was lastig omdat ze zich schaamde voor het leven dat haar nog maar eens verrast had met een vies cadeau dat verpakt was in een mooi papiertje. Ze ging ronduit door over al die dingen die haar de laatste maanden waren overkomen, waarmee ze geworsteld had en die haar uiteindelijk helemaal uit balans hadden gebracht, over zaken waar psychiater Dirk De Wachter voor waarschuwt wanneer hij er de gelegenheid voor krijgt.

‘Door constante focus op geluk en door continu jacht te maken op geluk jaag je het weg’, zegt hij. ‘Als je als hoofddoel non-stop geluk nastreeft, begint de miserie maar pas goed.’

De woorden van De Wachter vielen me op in haar ogen en in elke lang gerekte zucht waarmee ze de zwaarte van de dingen probeerde weg te blazen.

‘En jij, ben jij gelukkig?’, prevelde ze. ‘Gelukkig ik? Geen idee’, antwoordde ik ontwijkend. ‘Misschien betekent gelukkig zijn gewoonweg niet al te dikwijls ongelukkig zijn? Ik weet het niet, maar dat niet weten maakt me nieuwsgierig zodat ik me elke dag door de zoektocht naar dat mysterie mag laten betoveren.’

Ze lachte voor het eerst die namiddag.

Vlezige oorlellen en grote oren

Het was een doodgewone bruine kroeg die je vroeger in elk dorp vond. Er hing een intieme sfeer van huiselijke gezelligheid en geborgenheid die je alleen in zulke cafés aantreft. Het doorleefde karakter van dat staminee was authentiek en daarom niet na te bootsen. De verweerde spiegels en de zwart wit, vergeelde foto’s in de houten bruine omlijstingen deed vermoeden dat de krocht vroeger ook nog dienst had gedaan als coiffeurszaak.

Tegenover een groep mannen aan de toog die luidruchtig praatten, zat een ongewoon koppel. De man, hooguit een paar jaren ouder dan ikzelf, had het muffe uiterlijk van iemand die zich in een bureau van het plaatselijke postkantoor helemaal in zijn element zou voelen. De dame die in zijn gezelschap vertoefde, was fris en fruitig. Hoewel het behaaglijk, zelfs iets te warm was, stonden twee kippen met de bek door de draad naar mij te staren. Waarom de dame in kwestie, onder die witte bloes geen bh droeg en waarom me dat opviel is vreemd maar niet geheel onlogisch omdat belangrijke details mij nu eenmaal altijd onmiddellijk in het oog springen. Net zoals de subtiele tekening van jing en jang die op haar pols, in permanente inkt was gekerfd, me ook direct was opgevallen.

Hij (de man dus), had helemaal niets weg van George Clooney of van Harrison Ford en die vergelijking was een onderschatting. Zijn hoofd was veel te groot voor het kleine gezicht dat hij maar had. Het was een vreemde snijboon. Door het zware hoofd leek zijn nek te lang voor de karakterkop die hij ermee moest torsten maar het waren vooral zijn grote oorlellen die opvielen. Ze waren donzig en vlezig en er groeide dikke grijze haren op. “Eens er haar uit neus en oren groeit, is het vet van de soep”, taxeerde ik de zonderling zonder een verder aanwijsbare reden, die mijn minzaamheid zou kunnen verantwoorden. Op zijn paarse aardappelneus, die rood dooraderd was balanceerde een vierkant brilletje met beduimelde glazen. De trenchcoat die hij droeg, zat vol met vlekken en ingebrande sigarettengaten. Toch hing de jonge vrouw, van hooguit dertig vol bewondering, haast gebiologeerd aan zijn lippen, alsof hij haar de mooiste woorden toe fluisterde.

Zonder aarzelen nam ik curieus plaats naast het vreemde stel. Ik was op gehoorafstand gezeten zodat ik weldra, nieuwsgierig zou kunnen achterhalen wat de snuiter allemaal te vertellen had en vooral waarom de liefelijke verschijning al haar aandacht er aan opofferde.

Ik werd bediend met koffie. Of wat er moest voor doorgaan. De bak troost werd door een dame met witte schort helemaal naar de verdoemenis geholpen omdat het zwarte sap dat door de espressomachine aan de gemalen koffieboon ontwrongen was, aangelengd werd met veel te veel water. Water dat dan nog te heet was, waardoor de natuurlijke bitterheid van de boon helemaal verbrand werd. Mijn voorkeur gaat eerder uit naar ‘slow coffee’ die traag doorsijpelt in een filterzakje waardoor alle aroma’s en smaken zich op het juiste tempo vrijgeven zodat de bittere zuurte in alle schakeringen kan geproefd worden. Al dan niet met wat zoetigheid. De harde botertruffel met chocoladeschilfers die bij de zwarte leute bij geserveerd werd, compenseerde gelukkig wel ruimschoots de slapte van het brouwsel.

‘Hoe krijgt hij dat toch voor elkaar?’, dacht ik met ingehouden, niet-gespeelde jaloezie, absoluut niet wetend waarover hun conversatie ging of wat hun onderlinge relatie was.

Na drie te slappe koffies en drie te harde schilfertruffels, kwam ik erachter dat de man buiten een academische ‘ik begrijp het en hoe voel je je daarbij of hoe ben je daar dan mee omgegaan’, helemaal niets te vertellen had. Met zijn veel te grote oren deed hij niets meer maar ook niets minder dan alleen maar luisteren. Naar dramatische, in trieste verhalen van een jonge dame die al veel te veel had mee gemaakt voor de jaren die nog maar op haar teller stonden.

Toen ze even later de deur van de kroeg achter zich hadden dichtgetrokken en elk hun eigen weg gingen dacht ik. Het is helemaal niet door sterke verhalen te vertellen of straf uit te pakken met goed bedoeld slecht advies dat je eerlijke aandacht krijgt. Die krijg je volgens mij alleen maar door er gewoon oprecht geïnteresseerd naar te luisteren. Naar hoe ze ontstaan zijn en naar wat ze aangericht hebben.

Ik bestel nog een vierde koffie en besluit ook nog maar wat verder te zwijgen. Misschien mag ik dan straks ook luisteren naar een innemend verhaal zodat ik ook kan vragen hoe je daar dan mee bent om gegaan. Misschien koop ik ook nog wel eens een oude trenchcoat met vlekken en met ingebrande sigarettengaten. Wanneer er grijze haren uit mijn neus en oren groeien.


Levensmuseum

Niemand, geen enkele van al de mensen die ik vandaag tegen het lijf botste, was jij. Gisteren niet, de dag tevoren niet, en al evenmin, al die andere dagen van het afgelopen jaar. Ik moest daar aan wennen, aan die glazige afwezigheid. Al heb ik soms heel hard gevoeld dat je er op een onbegrijpelijke manier toch was. Alsof je van dichtbij, vanuit de massa of van over een vreemde schouder mee keek. Het was precies of je me ongemerkt volgde, met die veel betekenende, tandeloze glimlach van jou. Met die goedhartige grijns die tweedracht kon ontwapenen. Op andere momenten dan weer, keek je met die bekende afkeurende frons, om me even stil te laten staan, bij wat voor nonsens ik uit mijn botten aan het slaan was.

Vroeger kon ik die dingen eerst met jou afstemmen om op die manier de grootste levensblunders te vermijden. Op die momenten werd het ene woord al wel eens luider uitgesproken dan het andere, want we konden het soms heel hard met elkaar oneens zijn. We konden elkaar dan zo uitdagen met een tegenstrijdige ziens wijze dat er ‘kattekesspel’ van kwam. Jij provoceerde mij dan of ik jou, afhankelijk van wie met zijn mening het dichtste bij de waarheid zat. Dit jaar bleef het stil. Muisstil. Het hele jaar lang.

Hoewel ik je dat eerbetoon graag gegeven had, kon ik niet voorlezen op je zwanenzang. Omdat het verdriet te groot was en omdat in een open wonde geen zout moet gestrooid worden. Ik heb het mezelf ondertussen vergeven, al blijft dat moment van zwakte soms wel knagen. Ik had op dat moment best wat meer haar om mijn tanden mogen hebben. Jij had het vast wel gekund met je stoïcijnse kalmte. Ik ben daar zeker van.

De laatste maanden was je er niet meer helemaal bij. Je dwaalde door de breedtegraden van de tijd en haalde dan al de dingen door elkaar. Je kaars is heel langzaam uitgedoofd, om zo lang mogelijk licht en warmte te geven, denk ik.

Ik had nooit kunnen vermoeden, dat nadat jij je aftocht had geblazen, er ook een stukje van mij zou doodgaan. Ik ben me daar na een jaar stilte, heel pijnlijk van bewust. Plots en zonder waarschuwing was ik mijn klankbord kwijt. Het reflectiebord dat me altijd bevestigde of me met overtuigende argumenten tot andere gedachten kon brengen en dat is een gemis waar ik moeilijk aan gewend raak.

‘Zoon, ainsi va la vie!’, zou jij nu zeker gezegd hebben. En dat op voorhand weten, voelt vertrouwd. Het brengt rust en aanvaarding want met die gedachte ben ik overtuigd en gerust dat ik heel goed weet hoe jou klok tikte en ik je helemaal door had.

Alle herinneringen zijn dicht bij mij opgeborgen in een souvenirkistje waarvan ik alleen de sleutel bezit. Het is een soort levensmuseum van grote emoties, geschilderde beelden, onuitgegeven manuscripten en gevatte uitspraken.Ze zitten allemaal achter slot en grendel bewaard. Tot ze hier mogen ontsnappen, in uitspraken die die jouwe hadden kunnen zijn. Om op die manier voor altijd verder te blijven klinken in stomme verhaaltjes die er niet toe doen.


%d bloggers liken dit: