Bøker og Børst

De rusteloosheid die ik al jaren tegen mijn zin meezeul en die me alsmaar als een zwarte schaduw bleef achtervolgen heb ik op deze reis ergens onderweg achtergelaten. Het is rustgevend dat mijn kalmerende gedachten me hier niet tot belachelijke destructieve vechtpartijen kunnen dwingen waarbij in een liefdeloos en oneindig gevecht de ene vermoeiende gedachte het van de andere met de bovenhand moet halen. Het is om en bij half elf, vrijdagavond. De dag loopt op zijn einde en op geen enkel moment heb ik me vandaag door zaken van gretigheid of geestdrift gedwongen gevoeld, dat het bijna lachwekkend is om er iets over te schrijven. Lachwekkend zeg ik omdat ik geen enkel ander woord kan verzinnen dat mijn sereniteit beter kan omschrijven. Misschien ben ik zelf wel lachwekkend of belachelijk omdat ik de onuitputtelijke behoefte om uit te leggen wat er zich in mijn hoofd en hart afspeelt maar niet het zwijgen kan opleggen. Dat lukt me niet, zelfs vandaag niet nu er niets noemenswaardig gebeurd is. Hoewel, vanmorgen heb ik een plaatselijke barbier bezocht. De kapper van dienst, een Italiaans uitziende Viking heeft mijn weerspannig wordende haren in een strakke snit geknipt. Hij kamde en kneedde, millimeterde en kortwiekte haartje voor haartje om er mij minstens twee en maximum vier jaar jonger uit te laten zien. Om mijn zelfvertrouwen wat op te krikken had ik mijn vertrouwde jeans en mijn bijpassende gestreepte trui aangetrokken.

Ik geloof dat ik gerustgesteld door veilige kleren en getooid met een hip kapsel die vreemde, ongekende stad beter tot mij kon laten komen, of ik tot haar. Om er haar gezelligste plekjes in te ontdekken. Stravanger is in het hoogseizoen een drukbezochte havenstad.  Dagelijks varen dan twee tot vier cruiseschepen af en aan om er duizenden op sensatiebeluste toeristen over uit te spuwen. Het is nooit één schip. Het zijn er altijd minstens twee en nooit meer dan vier. Ik verzin het niet. Twee overjaarse hippies, een was een eeuwig studerende, schrijvende archeoloog, in het bezit van drie masters en minstens duizend getuigschriften, de andere was activist die al jaren opbokst tegen al dat ook maar ietwat naar liberalisme en kapitalisme neigt. Zij hebben me dat verteld. Zij dronken rode wijn en ik gutste de baristo-koffie, de ene na de andere binnen. De archeoloog die men ook niet van enige kruimel rechts gedachtengoed kon verdenken had een plan bedacht om de Noorse democratie te laten imploderen door vijftig komma een procent van de kiezers te overhalen om blanco te stemmen. Hij ging dat voor elkaar brengen met een sociale media bom of zo. Ik verstond zijn Noors-Engels niet altijd even goed. Ik vergeet nog te zeggen dat de bar “Bøker og Børst” heette wat zoveel betekent als “boeken en zuip”, een plekje naar mijn hart. Ik hoefde geen uitleg te verschaffen waarom ik geen wijn dronk. Mijn nieuwe Noorse vrienden hadden dat al door.

Belachelijk vrolijke dag

Het is weer een dag geweest waarop ik mijn belachelijke vrolijkheid, euforisch in woorden op facebook, of in beelden op instagram zou kunnen afreageren. Omdat ik mezelf door de jaren heen, een beetje beter heb leren kennen, weet ik dat dit een bijzonder lijp voornemen kan zijn. Ik zie van deze nutteloze tijdsverpilling dan ook net op tijd af. Ik ga me dat morgen niet beklagen, ook al flirt ik nog even met het idee om mijn niet gespeeld jolijt met een nieuwe minimalistische, Ik blij-en-jij? statusupdate in de verf te zetten, maar laat dit voornemen eveneens achterwege gezien de penibele mentale tweestrijd waarin sommigen onder jullie zich vandaag zouden kunnen bevinden. In lastige tijden is zelfgenoegzaamheid of verwaandheid de laatste ambitie waaraan ik je de toelating zou verschaffen om me daarvan te verdenken. Dat ik me met dit plotse zelfbesef jouw jaloerse ergernissen niet op de hals hoef te halen, en er bijgevolg geen wroeging kan over hebben, is een vermakelijk nevenverschijnsel dat ik er met plezier bijneem. Indien morgen zou blijken dat facebook-minnend Vlaanderen dit niet-gepost bericht massaal met likes, hartjes en smileys heeft onthaald, ik zou er zomaar mijn verloren gewaande vertrouwen in de mensheid, mee kunnen herwinnen. Met alle andere voorgaande statusupdates mag je me wel van voorbedachtheid verdenken, zeker wanneer ik me met schamteloze zelfpromotie interessant of onalledaags probeer voor te stellen, althans interessanter of onalledaagser dan ik in werkelijkheid ben. Wat ik stuntelig probeer te zeggen, is dat het vandaag gewoon een dag geweest is, waarop ik mijn belachelijke vrolijkheid, euforischer zou kunnen voorstellen dan dat hij geweest is. Misschien net daarom dat ik er geen facebookstatus aan gewijd heb of er een instagrambeeld aan verspild heb. Het zou de fijne herinnering eraan, zo maar kunnen vertroebelen omdat ik er veel te weinig likes en hartjes op krijg, althans veel te weinig dan waarop ik gehoopt had. Geloof me dus gewoon maar op mijn woord wanneer ik je zeg dat vandaag een belachelijk vrolijke dag was.

Steriel

Wanneer we elkaar dan toevallig eens tegen het lijf lopen of wanneer agenda’s nog eens met elkaar matchen en het eindelijk lukt om nog eens lang koffies te zuipen en sigaretten te paffen, begroet ik je altijd met een kus en een stevige omhelzing. Tijdens die fysieke begroeting trek ik je dan altijd stevig tegen mijn gillet. Dan ruik ik je unisex-parfum en voel ik hoe je in je vel zit. Als het niet goed met je gaat, druk jij je zo hard tegen mijn grote knuffelberenlijf en verberg jij je helemaal in die grote armen van mij, en ga je daar op zoek naar een beetje intieme geborgenheid of troost. Als het wel goed met je gaat verdraag je die omhelzing niet. Dan duw je me speels en plagerig weg en zeg je, blijf eens met je poten van mijn lijf, je bent mijn lief niet, je hebt je kans gehad.’ Al hoort die kus er altijd bij, maakt niet uit of je goed of je slecht in je vel zit…

TNu ik je als bij toeval tegen het lijf loop, draag ik een mondmasker om jou niet te besmetten en om niet door jou besmet te raken. Hoewel jij niet met zekerheid kan weten of jezelf ziek bent of dat ik dat ben, draag jij ook een mondmasker met exact dezelfde intentie. Ik besmet jou niet en jij besmet mij niet. Deze niet-afgesproken wederzijdse concensus om elkaar te ondergaan achter textiel dat alles filtert, maakt ons helemaal steriel. Jouw unisex-geurtje ontbreekt en ik kan niet voelen hoe jij in je vel zit. Ik ruik alleen maar mijn eigen stinkende koffieadem en voel alleen de warmte van mijn eigen gezicht. Hoewel ik breed glimlach zie jij dat niet. Dat jouw mond droef staat, valt me ook niet op omdat hij veilig en steriel verborgen blijft achter dat lichtblauwe wegwerpmondmasker. Praten doe ik van nature al stil dus als ik je nu wat toefluister vanachter mijn mombakkes hoor jij dat nauwelijks. Omdat jij slecht hoort of omdat ik weet dat ik te stil spreek, roep ik nu zo luid waardoor het lijkt dat ik gevoelloos tegen je sta te blaffen, zoals een hond naar zijn baas. Jou ogen alleen kunnen niet verraden of je het eens bent met mijn geblaf of dat je liever zou willen terugblaffen. Verscholen achter maskers, met anderhalve meter tussen ons zijn we schimmen geworden van wat we normaal van elkaar zijn. Maar om corona te onderdrukken zijn we wel veilg en steriel gebleven zoals deze toevallige ontmoeting en dit vluchtig gesprek dat ook was.

Rolmodel

Vandaag is het Vaderdag en pa ik denk aan jou. Je hebt al even het tijdelijke voor het eeuwige geruild daarom loop je hier nu niet meer rond, niet dat je dat op het einde van je dagen nog veel deed. Sinds je weg bent, denk ik bijna dagelijks aan jou. Soms droom ik zelfs van jou. Daarin vertel je me dan wat ik moet doen en dat vind ik een beetje vreemd omdat ik me niet kan herinneren dat je dat ooit deed toen je hier nog was. Van jou kreeg ik namelijk niet al te veel levensinstructies, wellicht omdat je van mening was dat ongevraagd advies er niets toe deed omdat ik dat doorgaans toch aan mijn laars lapte. Ik vermoed dat je altijd wel geweten hebt dat ik op de een of andere manier toch wel in jouw voetsporen zou terechtkomen, vaders weten zulke dingen.  Ze zegt me het nooit maar ik vermoed dat mijn vrouw me daarom in haar leven heeft toegelaten, omdat ik een goed vadervoorbeeld kreeg, één die in staat was in vertrouwen los te laten. Toen jij mijn leeftijd had keek ik nochtans niet zo op naar jou. Dan had ik het niet door omdat ik net zoals de meeste andere jongeren van mijn leeftijd druk bezig was met andere dingen. De aandacht van het  andere geslacht eiste mij toen volledig op en met de overschot van de tijd deed ik er alles aan om me los te weken van jou ouderlijk toezicht maar vooral ook van die van ons ma. Ik denk dat ik toen al hard probeerde een beetje de man te worden die jij al lang was, maar dat had ik toen ook niet door. Dat werd me pas duidelijk vanaf het moment dat ik zelf baby’s in mijn armen hield waardoor de overmoedige macho die uitgezet was om de wereld te veroveren plots besefte dat de wereld al in zijn armen sliep.

Vandaag is het Vaderdag en ik denk aan jou maar dan anders omdat ik nu zelf drie kinderen heb. Mijn boodschap aan hen is eenvoudig en ze is een beetje dezelfde als die jij wellicht ook had. Vandaag is het Vaderdag en je hoeft me niets te geven omdat ik het beste cadeau die een man in zijn leven kan krijgen al kreeg. Vaderschap, en ik denk dat ik die dankbare genen ook wel van jou gekregen heb.

Pimpelmees van de foor.

Hoewel ik haar blik wou vermijden, ontmoetten onze ogen elkaar halverwege het gejoel, ergens tussen het schietkraam en de autoscooter, al heette die attractie in die tijd gewoon nog de botsauto’s. Zij keek snel verlegen weg en ik deed hetzelfde. Indien ik haar was blijven aankijken zou het me zeker zijn opgevallen dat ze lichtjes bloosde en dat ze met de tong voorzichtig haar bovenlip beroerde maar ik was nog veel te groen achter de oren om dat op te merken, dus keek ik ook snel achteloos weg, naar de prijzen die één kapotgeschoten pijpje in het schietkraam zouden kunnen opleveren. Zij kon onmogelijk weten dat ik heel veel moeite had gedaan om haar preutse oogopslag te vangen want telkens ze mij in de gaten kreeg, keek ze schaapachtig weg. Ik zal ook wel gebloosd hebben en mijn ogen zullen wel geblonken hebben maar dat was haar ook niet opgevallen. Mocht ik haar nu tegen het lijf lopen, ik zou haar garderobe goedkoop en een beetje vulgair vinden, maar toen gaven de zwarte plak-netkousen die ze onder haar grijze plooirokje droeg met daarboven een rode wollen jas met veel te brede schoudervulling haar iets mysterieus en onbereikbaar. Voor mij was ze de diva van de foor.

‘For your eyes only’, Sheena Easton zong door luidsprekers in woorden die ik maar half verstond omdat de BBC alleen aan de kust in het zenderpakket zat en we thuis dus alleen maar keken naar Nederlands gesproken uitzendingen van BRT één, BRT twee en Holland één. Ik had vijftig frank, drie jetons voor de botsauto’s en twee kaartjes voor de rups in mijn broekzak. Die zouden die bewuste namiddag nog goed besteed worden op het dorpsplein van Muizen waar de kermiskaravaan voor het lange weekend was neergestreken.

In zaal Rerum Novarum vond op dat moment naar jaarlijkse gewoonte tijdens de grote kermis ook de vogelshow plaats. Een paar lokale duivenmelkers toonden hun prijsduiven en een handvol parkietenkwekers en kanarieliefhebbers gaven met evenveel lawaai als de vogels die ze tentoonstelden commentaar op hun favoriete gepluimde vrienden. Toevallig of niet maar zij paradeerde daar ook. Ze laveerde er tussen kooien en keven die overvol zaten met kippen en hanen en tussen volières waar exotische paradijsvogels en Chinese nachtegalen in rondfladderden. ‘Wist je dat de pimpelmees de trouwste zangvogel is en dat de rest van de mannetjesvogels al vreemd gaat vanaf het ogenblik dat de eieren gelegd zijn’, vroeg ik haar stompzinnig omdat ik geen andere veilige openingszin kon verzinnen. Toen ik haar met die wetenschap overviel zal ik zeker zo rood zijn aangelopen als de pioenen die bij mijn grootmoeder een paar straten verder in de voortuin bloeiden. ‘En wat voor vogel zijt gij dan wel? Een pimpelmees, een straatmus of een papegaai want ge kwettert wel nogal.’ Haar brutale antwoord stond me wel aan want ik antwoordde met heel slecht geacteerd zelfvertrouwen, dat ik haar dat wel in haar oor zou fluisteren in de rups. ‘Binnen vijf jaar dan toch’, bitste ze terug,  ‘wanneer ge uit uw korte broek gegroeid zijt’, en er verscheen een soort van glimlach op haar veel te rood gestifte lippen zodat het een grijns leek. Na twee zinnen stond ze al voor op punten en dat was slecht nieuws voor mijn gespeelde zelfverzekerdheid maar ik liet me er net als de vogels niet door uit mijn kot lokken. ‘Ziet ge die eend daar in die keef?’ en ik wees naar een mannetjeseend met een groene kop die wat verderop in een rieten mand nerveus rond trappelde. ‘Die is er veel slechter aan toe dan wij want als die gaat, waggelt zijn gat zo hard dat het lijkt alsof hij de ganse dag heeft paardgereden. Nu ziet ge dat niet maar als die stapt krijgt die zij poten niet meer toe.’ Ze probeerde ongeïnteresseerd haar ogen te rollen maar omdat zij een veel slechtere actrice was dan ik proestte ze het na twee seconden toch uit. ‘Gij zijt een grappig baazeke met uw korte broek en uwe grote mond, van waar zijt ge want ik heb u hier nog niet gezien?’ ‘Van over de stationsberg, van aan den overkant van de Steenweg. Zeg, zijt gij die vogels ook niet een beetje moe? Gaat ge met mij niet mee in de rups, ik heb al kaartjes.’ ‘Ja, om mij proberen binnen te doen zeker? Vergeet het maar, daarvoor is uw broek nog veel te kort. Betaal mij liever ne gesponnen suiker, als ge centen hebt tenminste, daarbij ge hebt me nog niet eens gezegd of ge nu een pimpelmees zijt of niet.’

Door die twee gesponnen suikers en die twee appels op een stokje was mijn kermisbudget een uur later al met een vijfde gesloken. Ik zat precies met een dure vogel op mijn dak bedacht ik en ik moest met mijn resterende veertig frank en met mijn drie jetons nog twee dagen toekomen. ‘Moogt gij karekollen?’ vroeg ik haar goed wetende dat haast geen enkel meisje van vijftien karrekollen lust. ‘Beikes!’, was dan ook zoals te verwachten haar antwoord omdat meiskes van standing in die tijd nog niet ‘ieuw’ zeiden. ‘Dat ga ik nooit van mijn leven eten, dat zijn precies dikke snottebellen uit de zee’, zei ze met een gezicht alsof ze die ooit al eens gegeten had. ‘Ik denk ook niet dat gij dat durft’, zei ik heel zelfzeker omdat ik wist dat ik met dat doordacht manoevre een lijn uit smeet ik waarmee ik in het Vrijbroekpark al dikkere karpers had bovengehaald. ‘Wat krijg ik als… , en ik zeg wel als ik dat toch doe?’ En ze liet die als klinken alsof de beloning er niet mee toe deed maar wel alsof ze tegenover een brutale snaak in korte broek geen gezichtsverlies wou leiden. ‘Ge moet met mij niet durven of doen spelen als ge dat niet wilt he, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben dat ge straks ziek wordt …’ Ik kreeg de kans niet om mijn zin met ‘..in de rups’ af te maken want ze onderbrak me met een vastberadenheid alsof ik al haar dapperheid en pit met mijn opmerking in vraag had gesteld.  ‘Peisde echt dat ik dat niet durf, zeg het maar he, wat krijg ik of durft gij niet meer misschien?’ Ik toonde haar mijn jetons van de botsauto’s en de kaartjes voor de rups en zei, ‘als ge dat wilt kan ik u vandaag vrijhouden, ge moogt overal mee in waar ik in ga en ik wil er zelfs nog een kaartje van het spookhuis bijdoen, maar dan moet ge wel op die slakken bijten en ze niet zo maar doorslikken.’ De karrekollen kraakten tussen haar kiezen zoals zand dat doet wanneer je slecht gewassen mosselen proeft. Door het speels geplaag was de romantische spanning de hele middag naar een climax opgevoerd dus wisten we geen van beiden wie de weddenschap nu gewonnen had en wie ze verloren had.

Toen in de krakende houten rups, tijdens het vierde rondje dat achterwaarts gereden werd de groene kap dicht viel en ze in mijn oor fluisterde dat ze hoopte dat ik een pimpelmees was, had ik nog veertien frank en vijfentwintig centiemen.

%d bloggers liken dit: