Categorie: Vriendschap

Voor alles wat er nog is, ondanks al wat ontbreekt.

Dagen schuiven door.  Dat doen ze onverbiddelijk. Deze maandag heeft veel weg van alle andere maandagen, zelfs wanneer de kalender 29 juni aanwijst. Maandag 29 juni, een datum die op zich niet zo veel om het lijf heeft en toch hapert er vanalles aan want die dag heeft iets in mij vastgezet dat weigert weg te gaan.

Ik voel dat mensen blijven hangen. Diegenen die er niet meer zijn maar ook diegenen die achterblijven. In gedachten zeg ik hun namen allemaal luidop. Ik voel dat hun loodzware rouw milder is geworden. Ze kunnen elkaar al rustig neerzetten zonder dat ze omvallen.

Je hebt moed nodig om achter te blijven. Dag in dag uit alleen opstaan met telkens dezelfde vragen, wetende dat er vandaag ook geen antwoorden zullen komen. Misschien trek je vandaag zijn favorite trui aan en blijft je neus even hangen in de stof omdat je hoopt om daarin zijn geur te vinden. Je weet best dat die al een tijdje verdwenen is. Ook die plaat vol herinneringen laat je op de kast staan uit schrik dat ze te gewoon zal klinken of omgekeerd, dat elke noot te veel zal zijn.

Sinds je verdween zit het leven vol met dat soort haperingen. Je probeert dan wel te doen wat je moet doen ook al weet je dat vannalles ontbreekt. Toch begint de morgen soms al voorzchtig naar binnen te schuiven als licht onder een deur die je nog niet helemaal durft open te doen.

Wat je achterliet is niet proper uiteen gevallen. Het zit versrpreid in huizen, in kamers, in herinneringen en in gesprekken die plots stilvallen. De chaos zit ook in foto’s waar je net buiten beeld lijkt te staan. Ik weet niet of je dat bewust deed.

Misschien gaat het niet meer over begrijpen wat je deed. Misschien gaat het eerder over verdragen. Over toelaten dat je tegelijk afwezig en aanwezig bent. In de manier waarop je verder leeft, zonder juist te weten hoe of waar.

Er zit iets wat op troost begint te lijken omdat het gemis niet elke dag vlijmscherp of te pijnlijk is. Troost is dat denk ik, al durf ik zelf dat woord niet goed te gebruiken. De wonde is dicht maar het  litteken blijft jeuken. Troost, en ik denk dat dat het enige is wat we elkaar vandaag voorzichtig mogen beginnen gunnen.

Met de wind niet per se in de rug, maar net genoeg om een stap vooruit te zetten zonder dat iemand dat hoeft te merken.

‘De P-300 padelzak’

De rosé stond koud genoeg om gevaarlijk te worden. Natuurlijk zaten de dames eerst aan de toog want de eerste fles was al half. Hun hoofden waren tomatenrood aangelopen en hun lijven waren nog bezweet van die laatste rally die juist iets te kort was geweest om het sport te noemen maar net lang genoeg had geduurd om het als excuus te kunnen gebruiken dat het wel sport was.

Wij venten kwamen lichtjes manktend aangestrompeld, allemaal met een lijf dat alle tijd neemt om nu nog niet beginnen op te spelen. Daar is het morgenvroeg, als we aan de kuis moeten beginnen meer dan tijd genoeg voor. De meeste van ons nemen ook rosé, ik hou het bij water en koffie.

Zij, naam bekend bij de redactie, had een nieuwe padeltas.

Iedereen zag dat direct. Nog voor ze er zelf iets over had gezegd. De zak was groot en zwart, maar zwart genoeg zoals dingen die zwart zijn, zijn wanneer ze serieus willen genomen worden. Hij leek handig ook, maar was toch vooral groot maar zonder dat het stoeferig werd. Er waren geen blinkende ritsen of overdreven logo’s. Je zag aan alles dat dit geen impulsaankoop was die vrouwen soms durven doen als ze slecht in hun vel zitten. Neen deze zak was overwogen en beslist.

Die padelzak was een statement, misschien vooral voor zichzelf, zo van, “mannekes kijk nu efkes naar mijne padelzak en neem hem serieus, of anders neem ik mijzelf serieus.”

“Alleen P300-spelers hebben die,” zei ze, langs haar neus.

Niemand had al iets over haar nieuwe tas gezegd. “Het is een P-300-zak”, zei het half lachend, maar precies ook een beetje verontschuldigend alsof ze al haar padelambities in die zak had verstopt en ze die wilde neutraliseren met een mop.

Ik keek naar die tas en dacht, hoe handig moet het zijn om alles bij te hebben. Extra grips, extra ballen, zeep, shampoo, een frisse handdoek die naar wasmiddel ruikt in plaats van naar oud zweet en er zal zeker ook genoeg plaats zijn voor alle ambities en twijfels want die nemen meestal meer plaats in dan je in één padelzak kwijt kan.

De gesprekken gingen verder, zoals gesprekken dat doen op vrijdagavond als er genoeg rosé is en niemand nog moet winnen. Al leek rosé drinken zelf ook wel een soort competitie te worden. Van padel naar eten, het is  a small step for man, maar one giant leap for een padelgezelschap.  Want, in dat gezelschap worden soms dingen gezegd zonder dat iemand zeker weet of ze wel kloppen.

“Beuling, dat is toch zoute vis?” , zei iemand met zekerheid die exact één seconde overeind bleef.

“Neen,” zei zij, die met de nieuwe padeltas. “Beuling, dat zijn pensen.”

Die bewering werd gefactcheckt op een telefoon die al vettige vingers had van de nootjes en van de gebakken bouletten. En ze kreeg gelijk, al gaf haar dat niet onmiddellijk groot plezier.

Iemand vroeg wat er allemaal in die padeltas zat.

Ze haalde haar schouders op en opende de rits een heel klein beetje. Genoeg om iets te tonen, niet genoeg om iets te zien.

“Gewoon,” zei ze. Maar een volle padeltas is nooit zomaar “gewoon”. Dat weet ik als geen ander. Ik ben zeker dat er onderin die zak een halve kilo beuling verstop zit. Voor straks, als het gesprek stilvalt en iemand ineens zegt dat honger eigenlijk gewoon dorst is die zich vergist heeft.
Ik ben zeker dat in die zak geen halve kilo maar vijf kilo pensen versopt zit. Of een oude blessure, misschien zelfs een verloren match die nog niet helemaal verwerkt is.  Al zou het ook zomaar kunnen dat er een reservespeler inzit, voor later, als zij alleen P300 geworden is.

Op voorhand crisis

Onlangs las ik ergens in één of andere blog voor wanhopige mannen dat de gemiddelde midlifecrisis ergens rond uw vijftigste begint. Ergens rond uw vijftigste? Maar wat is dat juist? Is dat vijfenveertig, vijfenvijftig of achtenvijftig met een overdreven interesse voor de kleur van gras waardoor ik elk weekend gelijk een gepensioneerde tuinarchitect in mijn hof loop te koteren? Niemand weet het. Het is voor iedereen verschillend en laat dat het nu zijn met die midlifecrisis. Ze komt wanneer ze goesting heeft, zonder brief en zonder uitnodiging.  Enfin een beetje gelijk mijn ex. Ge ziet of hoort daar jaren niks van en ge peist dat ge er voorgoed vanaf zijt tot ze u voor welke reden dan ook dringend moet spreken.  Blijkt dat ze gewoon geld vandoen heeft en ze dat bij mij hoopt af te troggelen.

Midlifecrisis komt dus ergens halverwege, maar wanneer was ik daar, daar ergens in den helft? Met mijn ADHD heb ik graag structuur, een duidelijke planning, het liefst in Excel met minstens één tabblad in fluo, “toekomstige miserie”. Overzicht dus. Maar het probleem is, mij leven heeft geen structuur. Het heeft alles weg van een rommelige schuif met elastiekjes, opladers, vervallen condooms en drie identieke Ikea-inbussleutels zonder te weten wat die dingen daar liggen te doen.

Daarom kies ik nu al voor crisis.

Mijn madam, die voor onduidelijke redenen nog dikwijls in mijn buurt vertoeft, bekijkt me zoals ze naar een kat kijkt die net de zetel heeft kapot gekrabt en daar zelf heel tevreden over lijkt te zijn.

“Wij zitten al 25 jaar in een relatie,” zei ze. “Dat is de crisis.”

Misschien heeft ze een punt. Het is allemaal al lang geen romantische film meer. Misschien is het ooit zo begonnen maar halverwege, tijdens zijn midlifecrisis, heeft de regisseur voor een ander genre gekozen. Het werd een documentaire over een nieuw logistiek samenlevingssysteem. Wat wij hebben heeft dan ook veel weg van die kleine luchthaven die je ziet in Aircrash Investigations op National Geografic, met vertragingen, onverstaanbare aankondigingen en af en toe een onverwachte noodlanding, en één persoon die altijd kwaad naar de security kijkt.

Vroeger droomden we samen. Nu bespreken we in detail of kaas met groene schimmel nog eetbaar is en wie eerst naar het wc mag.

Een midlifecrisis zou daar allemaal verandering in moeten brengen. Dat heb ik toch gelezen in die blog. Venten kopen een sportwagen, nemen een minares of erger, ze beginnen te padellen en leren Spaans “voor later, op reis”.
Zelf heb ik het bescheidener aangepakt. Ik heb online gekeken of een tweedehands camper betaalbaar is, niet eens om te kopen, gewoon om te kijken. Een uur lang en dat was al redelijk revolutionair.

Ze had het natuurlijk direct gezien, “ga je een camper kopen?”  “Nee”, brabbel ik, “Ik ben gewoon aan ‘t kijken.”

Ik denk dat elke midlifecrisis ongeveer zo begint, met een zoekterm op Google.

En ergens snap ik het allemaal wel want rond deze leeftijd begint alles te kraken. Mijn lijf bijvoorbeeld klinkt gelijk een houten trap uit mijn ouderlijk huis van 1974. En mijne kop begint vragen te stellen over zaken waar ik vroeger helemaal geen tijd voor had. Wat heb ik gedaan? Is dit het? Heb ik hier veertig jaar mijn botten voor afgedraaid en waarom heb ik drie verschillende opladers waarvan geen enkele deftig marcheert?

Zij daarentegen heeft geen crisis nodig. Zij is de structuur zelf, de Excel in ons leven. Met kleurcodes, filters, draaitabellen en met een verborgen tabblad waarin al mijn fouten systematisch worden bijgehouden.

Misschien is een lange relatie gewoon een permanente oefening in hoe je een crisis uitstelt. Ik schuift ze ook voor me uit, jaar na jaar, gelijk dat krantenabonnement dat ik altijd vergeet op te zeggen.

Ineens zegt ze, “we moeten hier eens naar kijken.”
En ik antwoord, “is ‘t dringend?”
“Nee”, zegt ze,  “laat maar. We hebben nog kaas. Ik vroeg me gewoon af of die nog goed is.”

Misschien kies ik bewust voor die dagelijkse kleine crisis. Niet omdat het moet maar omdat het dan eindelijk eens alleen over mij gaat.

Tot ze vraagt wanneer de vuilkar komt en wie de vuilnis buitenzet.

Dan ineens besef ik, dit is geen midlifecrisis.

Het is gewoon zondag.

Waardeloze wens

Ik heb in mijn leven al heel wat af gewenst. Ik deed dat wanneer ik een vallende ster zag, als ik kaarsen uitblies, zelfs bij een verdwaalde wimper. Vorig jaar heb ik mensen het allerbeste gewenst. Ik zie het nog voor me. Ik deed het met de overmoedige overtuiging dat mijn woorden of wensen iets zouden kunnen omdraaien, vertragen of ongedaan maken. “Gelukkig nieuwjaar”, twee woorden, die ik vol verwachting en met hoop uitsprak alsof ze vanzelf hun weg wel zouden vinden.

Sommige van die mensen zijn er niet meer. Ondanks mijn wens. Ze verdwenen of gingen dood. Hun naam is niet weg, maar hij klinkt anders. Alsof ze niet meer in deze tijd staan, of zo. Mijn wens heeft hen niet kunnen beschermen. Hij heeft niets tegengehouden, niets genezen, niets verlengd, en dan denk ik, mijn wens is waardeloos geweest.

Maar misschien was hij niet verkeerd of waardeloos, maar heb ik hem te groot gewenst, of heb ik hem te achteloos of te kwistig uitgedeeld en had ik gewoon wat zuiniger moeten zijn voor wie ik hem bewaarde.  Ik probeer het dit jaar te doen, misschien dat het leven zich volgend jaar dan een beetje zal gedragen, dat verlies een omweg zal nemen en de kalender een beetje milder zal zijn.

Mijn wens van vorig jaar heeft me geleerd dat een wens geen belofte is en dat de dingen niet altijd proper op elkaar volgen zoals een wens of het leven dat zou moeten doen. Soms stort alles gewoon in elkaar ongeacht al dat gewens.

Vandaag, aan de rand van een oud jaar en aan het begin van een nieuw, wil ik het allemaal een beetje zuiniger, een beetje rustiger. Ik wens je dan ook geen vanzelfsprekend, groots geluk met de verwachting dat daarmee alles afdwingbaar wordt, want dat zal het nooit zijn.

Wat blijft er dan over? Aanwezigheid misschien, voor jezelf en voor elkaar?  Misschien zullen we dan beseffen dat elk moment zijn waarde heeft. Misschien dat we dan durven blijven kijken en blijven voelen ook op momenten dat het leven ingewikkeld wordt. Dat we dan niet wegkijken van stilte, gemis, oneerlijkheid, eenzaamheid en van alles wat niet direct opgelost raakt. Misschien moet niet alles direct opgelost te raken.

Voor mezelf wens ik voldoende moed om mensen te blijven vasthouden zolang ze er zijn, zonder overmoedig te denken dat tijd vanzelfsprekend is. Dat aanwezigheid vanzelfsprekend is.  Dat jij vanzelfsprekend bent. Voor jou wens ik hetzelfde.

Ik wens mezelf ook zachtheid en rust om afwezigheid, gemis, oneerlijkheid en eenzaamheid niet altijd te willen herstellen met woorden maar ook een keer met daden.

Morgen begint een nieuw jaar. Geen ziel die weet wat dat zal brengen.  Dus niemand die nu al weet welke straks het meest bruikbaar zullen zijn. Ik hoop dan ook dat deze waardeloze wens genoeg is om opnieuw te beginnen, om er het hele jaar mee door te komen.

Zoals jij het bedoeld hebt

Als ik eerlijk ben. Er is iets veranderd. Niet in het missen zelf, dat blijft, maar in hoe gemis zich gedraagt.
Het zit niet meer prominent op de voorgrond. Het dringt zich niet meer ongevraagd op. Het zit gewoon ergens achter mij, niet zwaar meer al is het er nog.
Ik heb in drie jaar geleerd dat missen niet meer beenhard hoeft te zijn. Het wordt stiller, milder. Gelijk een pull die ik al lang niet meer gedragen heb, maar nog een beetje naar vroeger ruikt. Ik weet niet waarom maar ik moet ineens aan die spuuglelijke muts denken die je ophad toen we gingen wandelen op oudejaarsavond een paar jaar geleden.

Soms heb ik gedacht of gehoopt dat herinneringen als deze voor altijd scherp zouden blijven.
Dat de contouren van je gezicht helder zouden blijven. Dat is niet zo. Soms heb ik al moeite om me je stem voor te stellen. Soms wil ik die scherpte terug want ik ben bang dat ik dat soort herinneringen helemaal aan het verliezen ben, beetje bij beetje, zonder dat ik het wil.

Vorig jaar voelde dat vreemder dan vandaag. Want er is nog veel blijven hangen. Hoe je van kleine dingen grote kon maken. Hoe je belachelijk enthousiast kon worden over zotte ideeën die alleen in jouw gedachten konden ontstaan. Wie wil er nu een zwembad bouwen met alleen gestapelde lege bakken bier en een plastieken zeil.
Soms betrap ik mezelf op een gedachte waarvan ik weet, die zou jij ook kunnen gehad hebben.
Misschien is dat wat overblijft, zonder drama maar met alleen de herinneringen aan wie je was.

Het is vandaag 29 juni. En ik voel ‘iets anders’, iets anders dan vorig jaar, iets wat ik nog niet helemaal ken. Ik voel voor het eerst ook geen drang meer om het te begrijpen of te benoemen.

Misschien is het dàt, zoals jij het bedoeld hebt.
Vanmorgen dacht ik aan jou, zonder schuldgevoel, zonder boosheid en met iets minder vragen.
Dat is nieuw Yannick. En ik denk voor het eerst dat je dat zo wel zou gewild hebben.

Zoals jij het bedoeld hebt.

Taaie ouwe duvel

“Zeg zooneke… ge zijt me toch wee nie vergeten zeker?”

Je allerlaatste kaartje hangt hier nog altijd aan ‘t prikbord. “Nee pa, ik ben je niet vergeten.” Nooit! Je bent er nog. Niet lijfelijk, maar ge leeft wel voort in uwe onzin. In uw stomme moppen, in uw dagboeken vol met pensen met appelspijs en in al uw citaten die ge gepikt hebt van den ene of den andere filosoof, maar die ge uitsprak met een Mechels accent.

Ik hoor het je nog zeggen: “Alles komt goe! Behalve oud weurre, daar raak ik nie aan gewoen.”
95 had ge vandaag kunnen zijn. Klein van gestalte, waart ge. Maar ge had een grot kop vol met wijsheid. Of zoals gij het zei, ” Ik zen ne valse lange met lange armen maar keutte benen ma oemtoaft da de kloan nie gemokt zen om in de groete eule gat te kruipen.”

Maar gij waart de grootste, pa. Op uw manier. Ofwel in stilte, ofwel met veel te veel overbodig lawijt. Je stond in de coulissen, achteraan maar altijd daar. Of je stond fier te blinken, met veel te hard gebakken fritten en met gekookte in plaats van gebakken biefstuk, zo hard en taai als de oorlog waar ge zelf uit kwam.

Al die verhalen vol branie en scheve humor. Je vertelde ze met een pint in de hand en met een veel te grote een Guinness-T-shirt uit Schotland aan. Uw eerste vlucht. Uw enige vlucht. Tot 8 jaar geleden gold uw afspraak met Beëlzebub, de prins der vliegen waarmee ge een pact gesloten had om 108 jaar te worden. Onderhandelen, ook niet je sterkste punt.

Ge had dat boek moeten schrijven hé pa, over “De kus door het sleutelgat, Vrouw met de lange tong”, Maar ge vond dat ge al genoeg had geschreven in die grijze boekjes met dat rood randje.

Ik heb het van geen vreemden.

“Alta met avve neus na de grond, as ge stapt”, dat zei je ook “omda ge dan misschien een briefke van 50 frang vindt, dan kunne we een verniete pint gaan pakken.” Maar wij vonden meer dan geld. We kregen wijsheid, onnozelheid, en liefde, allemaal wel heel onhandig verpakt maar altijd wel aanwezig. Gelijk gij. Met uw groot hart dat zo groot was als uwe kop.

Ge wordt hier gemist, pa.  Vooral op deze dag.
Maar als ik ons mannen en ons Noor hier zie rondhangen met al die trekjes die de jouwe zijn, zijt ge niet vergeten en zijde zelfs niet eens zo ver weg.

“Dus happy birthday ouwe, ’t is hier allemaal goe aan’t komen.  Alles komt altijd goe!
Behalve die biefstuk… maar daar hebben we het al over gehad.”

Ooit, als ik man zal zijn

Een dag, waarschijnlijk na een slapeloze nacht. Ik ontwaak op een andere manier dan ik gewend ben omdat ik besef dat er niets meer te winnen of te verliezen valt. Misschien staat de zon laag en is het licht zacht en troostend. Misschien werpt het een lange, vermoeide schaduw alsof het leven nog een laatste poging doet om dramatisch te zijn. Het maakt niet uit. Ik heb geen oordeel, ben niet gehaast en stel me de vraag niet meer of ik wel geworden ben wie ik moest zijn. Ik ben eindelijk zover dat ik niet meer moet doen alsof dat antwoord belangrijk is.

Die dag, ik verlies, niet één keer maar alles ineens, mijn haar, mijn geduld, mijn metabolisme en mijn naïeve illusies. Dingen verdwijnen, relaties vervagen en ambities vervliegen en dat is ok. Ik weet hoe het voelt om iets op te bouwen en het daarna te zien verdwijnen. Niet in één klap of op spectaculaire wijze maar gewoon, zoals een sok in de was waarvan je dacht dat je er twee had. Sommige dingen lossen op zonder verklaring en ik weet, niets was ooit echt van mij, behalve die katers en de zure smaak na te veel slechte beslissingen. Maar ik treur niet om wat voorbij is maar kijk met hoop naar wat blijft. Dat is een bevrijdende gedachte en dat is genoeg.

Liefde wordt simpel, niet iets dat moet gered of bewezen worden. Geen paniek of eindeloze discussies meer over “wat bedoel je met die blik”. Gewoon graag zien, zonder eisen, zonder contracten of verzekeringspolissen en zonder vasthouden of angst om kwijt te raken.  Graag zien, als een huiskat. Als ze spint en in mijn oor ronkt is het goed.  Als ze buiten muizen vangt, is het ook ok. Houden van, hoeft niks te overleven en niks te bewijzen. Het moet alleen bestaan op het moment dat het er is en vanzelf doodgaan als het dat niet meer doet.

Die dag, ik vecht zonder haat, niet tegen mensen maar tegen de uitnodigende verleiding om zelf een zure, klagende oude man te worden.  De klachtendienst van het universum is namelijk belabberd en onderbemand. Ik vecht ook tegen de naïeve illusie dat het leven mij iets verschuldigd is of dat ik het iets te bieden heb. Ik heb geleerd dat stilte soms de beste keuze is. Dus leg ik mijn ego het zwijgen op. Stilte is genoeg.

Mensen praten over mij. Ze denken te weten wie ik ben. Ze verdraaien woorden die ik nooit gezegd heb, geven er een andere betekenis aan, of begrijpen ze verkeerd. Vaak projecteren ze hun eigen onzekerheden. Ik haal mijn schouders op want niemand op zijn sterfbed, denkt “had ik maar wat meer tijd besteed om uit te leggen dat ik een domme kloot was.” Ik schaam me er zelfs voor dat ik me ooit druk maakte om meningen van mensen die niet eens hun eigen facebookwachtwoord kunnen onthouden. Vanaf nu luister ik alleen nog als het zin heeft. Maar geloof niet alles. Ik spreek als het nodig is. Maar ik leg niet alles uit. En ik zwijg als dat beter is.

Een dag, ik tel niet meer, niet de jaren, niet de fouten, niet de successen of de momenten waarop ik mezelf voorhield dat ik alles snapte, om vervolgens keihard op mijn bek te gaan. Ik weet nu pas dat begrijpen zwaar overschat is. Het leven wordt niet geleid door kennis, maar door gevoel. Niet door te weten, maar nèt door niet te weten.

Ik faal, zoals ik altijd heb gefaald. Ik verlies zoals ik altijd verloren heb. Maar ik zal doorgaan als een goudvis die na zeven seconden vergeten is dat hij in een viskom zwemt.

Op die dag, als ik door een verlaten bos loop en mijn reflectie zie in een plas, kijk ik zonder oordeel. Niet naar fouten of gemiste kansen, niet naar tijd die voorbij is gegaan. Ik beklaag me enkel dat ik geen paraplu bijheb. In die plas zie ik mezelf, zonder spijt, zonder trots, maar met de rust van iemand die weet dat hij geleefd heeft, niet perfect, niet moedig of halfslachtig maar echt.

Dan pas zal ik een man zijn, tot dan ben ik een gewoon een broekvent die al jaren doet alsof hij al die tijd al een man was. En dat is al erg genoeg!

Als je naast de rimpels kijkt

Net zoals altijd bij uitbundige feesten, sta ik een beetje op de achtergrond, kijkend naar mensen, als een vlieg op de muur. Vijftigers, de meeste toch zijn halverwege. Een handvol, een minderheid lijkt zich al bij het einde te hebben neergelegd, anderen zijn duidelijk op zoek naar een tweede jeugd alsof ze in een oude jas nog een vergeten briefje willen vinden.

Zelf ben ik al een tijdje niet echt meer helemaal één van hen, je weet wel, toch voel ik me hier vreemd genoeg thuis. Ik ben hier, niet jong genoeg om nog naïef te zijn, niet oud genoeg om al wijs te zijn. Halfweg dus, net als zij.

Ik sta een beetje aan de kant, losgeweekt van de uitbundigheid, met een glimlach die niet helemaal in de stemming past. Deze generatie lijkt alles te hebben, tijd, geld maar ook rimpels waarin ervaringen verborgen zitten die niet veel daglicht kunnen verdragen. Net als iedereen draag ik ook duidelijke sporen van de jaren.  Ik ben hier, niet jong genoeg om nog onrealistisch groots te dromen, niet oud genoeg om het niet te kunnen laten. Halfweg dus, net als zij.

Even waan ik me onzichtbaar voor de oppervlakkige blikken toch ben ik duidelijk zichtbaar, wie goed kijkt, ziet me. Even kijken we het met dezelfde blik die vraagt, “Wat nu?”

De muziek is luid, iets te luid voor mij. Buiten mij lijkt het niemand anders te storen. De laatste show band speelt nummers die we dertig jaar geleden al meebrulden. De zanger, ook een vijftiger zoals de rest van ons, probeert een noot te raken die al jaren niet meer bereikbaar is. Iemand speelt luchtgitaar de andere waant zich Céline Dion, maar de betere versie. Iedereen applaudisseert. We klappen allemaal even luid en uitbundig. Hier gaat het al lang niet meer over perfectie maar om de illusie ervan. De perfecte avond is halfweg. Net zoals wij.

Mijn generatie in het midden, samengepakt op een paar vierkante meter. De avond halfweg, een fractie waarop alles lijkt te kloppen. Deze generatie, niet oud genoeg om al stil te staan, niet jong genoeg om nog te rennen maar nog steeds gek genoeg om twintig te blijven, al is het maar in ons hoofd en je naast de rimpels kan kijken.

Leven op ruïnes

Mezelf of anderen vergeven blijkt dan toch niet dat te zijn wat ik dacht dat het was. Het is al zeker geen kwestie van het allemaal te vergeten of het weg te vegen alsof het er nooit is geweest.

Vrede krijgen met het verleden is eerder het opgeven van de hoop dat het anders had kunnen zijn, anders had moeten zijn.

Dat mistige verleden ligt nu ver achter me. Maar het was een puinhoop, als ik dat zo mag zeggen, een die ik niet meer kan herstellen of wegdenken. De storm heeft hevig huisgehouden en heeft schade aangericht. Toch ben ik niet langer diegene die alle brokstukken terug op hun plaats moet leggen. Het zou trouwens onbegonnen werk zijn.

Die puinhoop heb ik lang genegeerd. Ik deed alsof hij er niet was. Dan vluchtte ik weg en dronk ik om hem niet te zien om zo de machteloosheid in stilte te dempen of met veel lawaai uit te schreeuwen. Het heeft me nergens gebracht

In dromen achtervolgt dat verleden me soms nog als een spookstad waarin ik rondwandel. Dan zie ik oude gebouwen en straten vol herinneringen aan mensen die er ooit samen met mij in hebben rondgedwaald. Maar alles is ingestort. Alles wordt dan opnieuw akelig echt de puinhoop die het vroeger was.  Tot ik boos, angstig of overmand door schuldgevoel wakkerschiet.

Ik zou ervoor kunnen kiezen om kwaad te blijven want ik ben lang boos geweest. Boos op mensen, boos op de wereld maar toch vooral boos op mezelf.  Alleen, woede is een nutteloze emotie. Het brengt niets terug, het brengt niets bij en het bouwt niets op. Het sloopt alleen maar verder.

Ik moest leren dat vergeven betekent om kwaadheid en schuldgevoel te laten gaan en te aanvaarden dat het soms is wat het is. Ik leef nu verder in die ruïnes. Dat werd mijn nieuwe stille stad, de plek waarin ik leef zonder om te kijken, zonder misplaatste hoop dat het beter had kunnen zijn. Het is goed zoals het is.

Maar eerst moest ik heropbouwen op datgene wat over was en nog rechtstond, zelfs al betekende dat dat sommige dingen vanaf de grond moesten worden rechtgezet. Ik denk dat ik die genen van mijn vader geërfd heb.  Die zei als het leven hem tegenzat ook, “breek deze tempel af en morgen bouw ik een nieuwe”. De laatste maanden dacht ik vaak aan zijn woorden.

Alleen niemand heeft me een bruikbare Ikea-handleiding gegeven hoe ik het moest aanpakken. Geduld en intuïtie was alles waarmee ik het moest stellen.

Dus begon ik. Eén steen tegelijk. Geduldig en vastberaden, niet omdat ik wist wat ik aan het doen was, maar omdat ik geen andere keuze had. Vergeving, geduld en zelfzorg werden mijn gereedschap om te bouwen. Dat is niet groots of heldhaftig. Integendeel, het is klein en stil. Het deed mijn hoofd buigen om verder te kunnen gaan, zelfs als ik niet wist waarheen, zelfs als ik niet meer wist waaraan ik aan het bouwen was.

Sommige mensen heb ik moeten loslaten. Ik heb liefde, vriendschap en genegenheid voor een aantal mensen moeten lossen, mensen waarvan ik dacht dat ze er voor altijd zouden zijn. Sommige vielen plots weg, sommigen verdwenen langzaam uit mijn gezichtsveld. Er zijn er vele verdwenen, dat is pijnlijk en soms nog moeilijk.

Maar ook dat is aanvaarding. Dat is leren om de hoop op een ander einde te laten varen en het te laten voor wat het is. Ik heb nu een redelijk goede connectie met mezelf gevonden en met een klein groepje mensen die bij me passen waardoor ik opnieuw vooruit kan.

Geen enkele spijt, wrok, jaloezie, afgunst of woede zal me mijn “oude stad” teruggeven die ze ooit was, voor de storm.  Ik geloof zelfs dat ik er niet meer zou aarden. Het enige wat ik kan doen, is met geduld aan mijn “tempel” blijven bouwen, op de ruïnes van het verleden.

Lore

Liefste Lore,

Je had iets ongrijpbaars. Je was jong ook al leek je al een getekend leven achter de rug te hebben. Je stem was zacht en vastberaden, je lach helder, maar de wisselingen in je stemmingen, zo plotseling, zo intens en zo verwarrend.

Op goede dagen leek je enthousiast, gemotiveerd en onoverwinnelijk, zelfbewust en vastberaden. Er waren echter ook dagen dat donkere wolken over je gezicht trokken waardoor je helemaal in jezelf verdween, haast onbereikbaar voor de buitenwereld en voor de vele mensen om je heen.

Je oogde levenslustig met een glimlach die de zon leek op te roepen, maar met stralen die je hart nog maar zelden konden bereikten. Achter die glimlach schuilde iets mysterieus donkers, iets wat ik niet echt begreep. Vrienden hoor ik zeggen hoe goed je was voor anderen, hoe slim je was, hoe je altijd klaarstond en altijd doorging, zelfs, met je gepijnigde gedachten. Je wou het zo graag zo goed doen. Alleen, het wou maar niet lukken.

Ik denk dat de avonden je vijand werden waarbij je troost zocht in dingen waar je beter geen troost in zoekt. Onze gesprekken werden stiller en minder frequent. Soms maakte je nog plannen voor morgen, sprak je nog over dromen die je wilde waarmaken, alleen jij wist dat deze nooit zouden uitkomen.

Je leefde alsof je in een constante strijd verwikkeld was, een gevecht tussen de helderheid van goede dagen en de diepe, duistere afgrond van de slechte. Waarom toch zag je zelf niet wat voor uitzonderlijk iemand je was?

In een van onze laatste gesprekken, maanden geleden zag ik je balanceren op de rand van iets onpeilbaars. We konden je niet meer terug naar boven trekken, althans niet voor lang. Niemand kon dat. Dat besef is er nu pas. Ik probeerden je op te beuren, je perspectief te tonen, je te laten lachen je te zeggen dat geduld en tijd je grootste bondgenoot is, maar de leegte in je ogen bleef dof en vooral onuitgesproken. Misschien dacht je dat je de controle nog had, dat je de balans nog zou vinden. Maar die balans was verdwenen, onzichtbaar voor jezelf maar ook voor degenen die dicht bij jou stonden. Je had het zo graag anders gewild maar het lukte niet.

Daarstraks hoorde ik dat je er niet meer bent. De stilte en het verdriet en de wanhoop en onmacht is haast ondraaglijk. Ik herken het nu allemaal in jouw stilzwijgen.

Het besef drong onmiddellijk door dat je de strijd had verloren of dat je hem niet langer meer wou voeren. Het besef sijpelt door dat jouw onuitputtelijke kracht om door te gaan is verdampt. Nu is er alleen nog die stilte, en de schrijnende waarheid dat je jouw demonen niet langer meer wou verdragen en dat je de moed en de kracht bent kwijt gepeeld om jezelf even graag te zien als die vele mensen om je heen dat doen.

Jouw strijd is voorbij. Rust nu maar zacht lieve Lore.  Jouw innemende lach zal zo hard gemist worden.

Kruispunten van hoop

Schuchter verjaagt de ochtendzon een duisternis die het deze nacht nooit is geweest. In de schemerige hoeken van mijn gedachten, waar onverwachte herinneringen dansen als paarse schimmen in het noorderlicht, hou ik halt op de kruispunten van mijn leven.

Deze nostalgische mijmering voelt aan alsof ik op verweerde boswegjes loop die overwoekerd zijn met alle keuzes die ik ooit maakte en met diegene die ik vermeed. In elke stap hoor ik de echo van mijn verleden, als ondefinieerbaar ballast dat ik meezeul, een onuitwisbare stempel op mijn ziel.

Ik herinner me vaag die bewuste nacht. Die nacht dat ik de leegte van mijn ziel voorgoed probeerde te vullen met de vloeibare troost van de fles? Dat ene moment dat mijn leven door mijn vingers leek te vloeien als zand in een dichtgeknepen vuist, en ik die wanhopig de tijd probeerde te stoppen door hem te verdoven. Op dat kruispunt stond ik, wankelend en laverend tussen gitzwarte duisternis en het vage licht van hoop. Hoe gemakkelijk zou het zijn geweest, om te kiezen voor de weg van de minste weerstand en mezelf kwijt te spelen in de mist van mijn ondergang.

Maar ik deed het niet. Ergens, diep vanbinnen, fluisterde een onbekende stem van verzet. Een stem die smeekte om gehoord te worden, te midden van het lawaai van mijn zelfvernietiging. Ze kreeg de volle aandacht. Het was alsof mijn hele lijf dat laatste sprankeltje hoop vastgreep, als een verloren liefde die smeekt om vergeving.  Op dat kruispunt nam ik met bevende handen en een hart dat bijna brak van angst, aarzelend en voorzichtig een eerste stap op het pad van mijn herstel.

Neem het van me aan, het was geen gemakkelijke keuze, het was de moeilijkste die ik ooit nam. Elke dag was een gevecht, een strijd tussen het verlangen naar verlossing en de lokroep van de duisternis. Maar langzaam, heel langzaam, begon ik de schoonheid te zien in de worsteling.  Nu lijk ik eindelijk ontwaakt uit een lange verwarde droom. Nu pas bekijk ik de wereld om me heen voorzichtig met nieuwe ogen.

Ik kijk naar het leven alsof ik me in het lichaam van een dode vriend bevind. De afwezigheid laat een leegte achter die ik nooit zal begrijpen, een leegte die nooit meer helemaal gevuld kan worden. Het is een pijn die als een schaduw over mijn dagen zal blijven hangen. En toch, te midden van dat gemis en verdriet, ontdek ik een nieuwe, ietwat vreemde soort dankbaarheid. Ik heb geleerd te waarderen wat ik heb en elke beperking te aanvaarden alsof ze er niet is. Ik leer elke dag te leven en elk moment te koesteren alsof het mijn laatste is.

En nu, sta ik hier, bijna elf jaar nuchter, en laat de kruispunten uit het verleden achter me als herinneringen die langzaam vervagen. Ik kan niet zeggen dat ik nooit twijfel, dat ik nooit wil dat ik andere keuzes had gemaakt. Maar elke misstap, elke val, elke traan en elke lach, elke breuk en elke scheur hebben me gebracht naar de plek waarop ik me vandaag bevind. En hoewel de wegen en de keuzes nog steeds onzeker zijn, voel ik een vreemde rust. Dit plekje is eindelijk van mij en het is van mij alleen.

En nee en voor alle duidelijkheid, ik begrijp nog steeds niks van het leven. Met die twijfel stel ik me de vraag of mijn woorden ertoe doen, of mijn verhalen verschil maken. Dan denk ik aan diegenen die nog steeds worstelen en op zoek zijn naar een lichtpuntje in hun duisternis.

Dan weet ik dat zelfs wanneer mijn pen aarzelt, mijn stem nog steeds haar weg zal vinden en mijn woorden kunnen gelezen worden, al is het maar door een eenzame ziel, iemand die net als ik twijfelt of door iemand die nood heeft aan een lichtpunt in de verte.

Misschien mag ik hem of haar die hoop niet ontzeggen?

Stof

Stof dwarrelt neer en legt een schaduw op mijn herinneringen. Kleine dingen verraden dat. Ik merk het elke dag. Herinneringen, kostbaar en ogenschijnlijk voor altijd, verdwijnen langzaam als de tijd zelf. Vorige week nog overviel me de overmoedige impuls om bepaalde herinneringen voorgoed te willen afsluiten, misschien om ze zelfs voor altijd te wissen, als grote kuis van mijn geheugen.

Een overbodige bezigheid zo blijkt want sommige herinneringen verdwijnen vanzelf, zonder er inspanning voor te hoeven doen. Ze raken haast automatisch verborgen in een geheugen dat te klein wordt om er alles in op te slaan. Met elke nieuwe neerdwarrelend stofdeeltje raakt alles meer en meer bedolven in het geheugen van een tijdscapsule die aan het leven voorbijflitst.

Verbleekte beelden raken verstrikt in een spinnenweb van vervlogen momenten. Ik wil ze vasthouden, niet dat ze vervagen, zelfs de pijnlijke niet. Ook zij verdienen een plek in het archief van mijn verleden.

Maandenlang probeerde ik het te negeren. Geen gesprekken, geen zoektochten. Niet in berichten, niet tussen foto’s, niet in oneindige mogelijkheden van het internet. Ik verbande je naam en verbood me zelfs om hem te denken, niet omdat je me niet meer interesseert, maar vooral omdat het moeilijk was en dat soms nog altijd is. Je smeet onvoorwaardelijke vriendschap zomaar weg als afgedragen schoenen die je niet langer wilde dragen!

Ik heb niet de illusie te geloven dat ik je ooit volledig zal kunnen loslaten. Het idee alleen al lijkt gruwelijk. Onuitgesproken zaken die je uit jouw leven hebt verbannen kregen nooit een plaats, zelfs niet nu, na al die tijd. Ik weet gewoonweg niet wat er allemaal gebeurd is om zo’n afkeer bij je op te roepen, genoeg om me te doen alsof ik niet meer besta.

Maar ik vergeef je. Meer nog, ik vergeef je elke dag. Ik doe het ’s morgens en ’s avonds, bewust. Soms kost het me meer moeite dan op andere dagen, daar hoef ik niet flauw over te doen. Het is mijn manier om jou elke dag een beetje minder aanwezig te maken in mijn leven, een beetje minder belangrijk.

Misschien gaat loslaten wel over het loslaten van de hoop op een ander verleden. Ik probeer dat wel te hopen maar het is onmogelijk. Het verleden kan ik niet veranderen, hoogstens kan ik proberen er een andere betekenis aan te geven, in de hoop dat die belangrijker wordt.

Toch vergeef ik je. Voor al wat je nooit zei maar wel had moeten doen. Voor alles wat je verzweeg, maar me op jouw manier wel kwalijk nam. Voor elke dank u zonder het echt te menen. Voor het stilzwijgen. Voor hoe je me liet geloven dat ik minder ben dan wie ik werkelijk ben. Voor de boosheid maar vooral toch voor de soms onverdraagzame eenzaamheid.

Ik vergeef je, dag na dag en elke dag opnieuw, ik zal het zolang doen tot de dag komt dat je zo ver in de schaduwen van mijn herinneringen verdwenen bent dat ik dat zelfs niet meer hoef te doen.