Categorie: Autobiografisch

Huiswerk, of toch nog niet?

Gisterenavond stuurde ik Lou… “Het beeld van de kernreactor van Tsjernobyl die door een meltdown in zichzelf implodeert, leek me een gepaste metafoor om precies te beschrijven wat er zich in mijn hoofd afspeelt. Ik geloof dat ik je met gekrulde zinnen probeer duidelijk te maken dat ik het ècht meen om onbevooroordeeld met mezelf aan de slag te gaan en dat ik min of meer begrepen heb wat we besproken hebben.”

Ik schrijf, “Beste Lou, je vroeg me een andere toon te zoeken en andere woorden te vinden wanneer ik mijn gedachten op papier zet. Ik heb besloten om een dagboek bij te houden om te zien of me dat lukt. Ik ben heel erg benieuwd naar de evolutie van mijn woordenschat en of hij doorheen onze sessies dezelfde verandering zal doormaken als ikzelf.”

Op mijn berichtje verwacht ik niet onmiddellijk antwoord omdat ze me toevertrouwde dat zondag haar heiligdom is en ze in haar me-time met andere dingen zal bezig zijn, dan met losgeslagen patiënten.

Rond middernacht licht het scherm van mijn gsm op, bericht van Lou. “Jan, fenomenaal hoe jij schrijft.” Gevolgd door zes uitroeptekens. “Kleine verbetering, ik ben geen psycholoog”, gaat ze verder, gevolgd door een opsomming van alles wat ze wel is. Er volgen een resem titels en diploma’s van alle dingen die ze wel is, stuk voor stuk voorafgaand met het veel betekenisvol E-woord, ‘Erkend’.

 E-deskundige in verlies, E-familiaal bemiddelaar, E-burn-outbegeleider, E-systeemcounselor, E-verlieskundige etc… “Bijna acht jaar gestudeerd, maar dat is niet belangrijk”, schrijft ze. “Mijn ervaring en de kunst om aan te haken en te blijven is wat ècht telt.”  

“Wie is hier expert in zichzelf kleiner te maken?”, bedenk ik met een glimlach zonder aan die gedachte verder aandacht te besteden, hoewel ik mezelf toch op een lichte ontgoocheling betrap.

“Heb ik vandaag mijn toekomst, mijn hart en ziel in de handen gelegd van een life-coach?” Ik bestudeer die gedachte vanop afstand en vraag me af waar mijn weerstand vandaan komt.  Dat het internet overloopt van mensen die zichzelf expert-in, en life-coach-van noemen is wellicht een verklaring. Een andere plausibele uitleg is dat ik nogal wat mensen helemaal verknoeid heb zien worden door pseudo-huis-tuin-en-keuken-zielenknijpers die hoofden van patiënten lieten leeglopen om met de inhoud ervan hun portefeuille te laten vollopen.

In dezelfde reflex bedenk ik me dat deze kritische beschouwing een ingeving moet zijn die mijn oude zieke geest me influistert en me van een hanteerbaar excuus bedient om niet met mezelf aan de slag te gaan. Het klikte tocht met Lou. Ze heeft me toch de spiegel voorgehouden en me nieuwsgierig gemaakt waar mijn knoop zou kunnen liggen, en hoe het komt dat ik er totop vandaag niet in gelukt ben om hem los te friemelen. De suggestie, dat de wijze waarop ik naar mezelf kijk wél degelijk iets te maken kan hebben met mijn levensverhaal, zoals veel psychologen beweren, betekent dat er mogelijks iets in mijn verhaal moet veranderd worden. Er moeten relaties met het verleden verbroken worden. Misschien moet ik ergens afscheid van nemen.  Mogelijks moet ik een foute overtuiging herzien. Dat zijn toch juiste suggesties die Lou in onze eerste gesprekken heeft aangereikt?

Wat het ook is, we hebben een connectie die waardevoller is dan het vooroordeel dat probeert om me van mijn stuk te brengen. Mentaal wis ik de gedachte die in de weg zit om de volgende stap te zetten en voel opluchting door mijn lijf stromen. Negen jaar AA heeft me geleerd om weerstand, onnodige twijfel, excuses en zelfbeklag te herkennen, te begrijpen, er doorheen te stappen en ermee aan de slag te gaan. Laat maar komen dat huiswerk.

Lou, 8:45: “Jan, goedemorgen! Ik heb zonet jouw huiswerk verzonden .” 

“Betrap ik je nu op je eerste leugen? Niet werken op zondag? Dat zei je toch?  Tsss…”, antwoordt de socialist in mij die zondagsrust als een hoog verworven goed beschouwd omdat zelfs Adolf Daens in hoogsteigen persoon ervoor op de barricaden heeft gestaan en dat feit op de koop toe ook nog heeft mogen gaan uitleggen bij paus Leo de dertiende.

“Merci, en vergeet je koffiekoek niet.”, antwoord ik in de hoop dat Lou mijn gedachten kan lezen. “Psychologen”, excuseer me het woord, “self-made-deskundigen in hun vakgebied” hebben namelijk ook rust nodig.

De dag komt heel moeizaam en traag op gang. Na een koude plons in mijn zwemvijver, een gewoonte die ik uit Noorwegen heb meegebracht, één die ik dagelijks een aantal keer herhaal, vat ik het plan op om mijn huiswerk eens te bekijken. Het lukt nauwelijks. Snerpende hoofpijn speelt hard op. Ik kan me niet concentreren. Mijn aandacht neemt af en ik voel mijn slapen kloppen, alsof een oud gebouw met een boorhamer moet gesloopt worden.

Om wat afleiding te zoeken, scrol ik doelloos door mijn gsm en vind één gemiste oproep van een onbekend nummer en één uitgaande oproep van gisterennamiddag, naar datzelfde nummer. Ik herinner me vaag een gesprek, alleen weet ik verduveld niet meer met wie ik gesproken heb. Ik pijnig mijn gedachten maar kan me niet herinneren met wie ik gebeld heb. De hersenmist verontrust me maar laat de brain fog verder voor wat hij is. Niet alle zaken zijn even belangrijk of kunnen tegelijk aangepakt worden. Nog een AA-les die me vaak staande houdt.

Zowat alle redenen waarom ik vorige week beslist heb om Lou te zien en haar hulp in te roepen, hebben zich voorgedaan. Ik voel me door mijn eigen gedachten fysiek, mentaal en emotioneel weggeduwd, alsof ik niet besta. Het gemis aan connectie met mezelf en met anderen rust op mijn schouders en maakt me minstens een halve meter kleiner.  Ik doe vruchteloos pogingen om een beetje afstand te nemen van mezelf en van mijn gedachten.

De manier hoe ik naar mezelf kijk en ik gebeurtenissen uitvergroot maken me helemaal onzichtbaar en onzeker. Ik nestel me in mijn bubbel, zet mijn hoofdtelefoon op en tracht de kwelgeesten weg te schrijven. Met elke zin die ik uit mijn pen probeer te wringen wordt de hoofdpijn heviger. Ik sluit mijn ogen en probeer rust te vinden.

De afgelopen negen jaar hoorde ik doorwinterde AA’ers wel eens volgende uitspraak doen, “Eens je met de afwerking van jezelf begint, zal je merken dat stoppen met drinken nog het gemakkelijkste was…”.  Ik geloof dat ik nu pas helemaal begrijp wat daarmee bedoeld werd.

Het blijft in de familie

Vader zijn, ik wil daar niet flauw over doen, het laat me niet onberoerd. Ze zeggen wel eens: “de beste vaders herken je aan hun kinderen”.  Ik ben niet geheel zeker of die gedachte me geruststelt of ze me eerder angst inboezemt. In elk geval, het idee op zich streelt mijn ego wel met een zachte plumeau.  Misschien is die uitspraak wel het beste geschenk dat je als vader kan krijgen, ik weet het niet. Wat er ook van aan is, vaderschap, het blijft in de familie en dat is een geruststelling.

Als vader ben je, ofwel trots op de dingen die jouw spruiten realiseren alsof je er zelf aandeel in had, ofwel ontgoocheld wanneer dingen net niet lukten en je hen de ontgoocheling wou besparen.

Vaderschap maakt je betrokken vanop de eerste rij maar vader zijn verplicht je ook los te laten op momenten dat je daar niet klaar voor bent.  Een tegenstrijdigheid die soms lastig is te dragen. Ik weet daar veel over, maar wil die lastigheid besparen. Ze zullen dat ten gepaste tijden zelf wel aan den lijve ondervinden. Ik hoef hen daar nu niet mee te bezwaren. Dat pakt toch geen verf.

25 jaar geleden wist ik niet of ik voor deze levensbelangrijke verantwoordelijkheid uit het juiste hout gesneden was. Ik had geen idee of ik klaar was voor deze levenslange dwangarbeid. Vandaag durf ik nog niet zeggen dat ik het altijd met zekerheid weet. Ik rommel maar wat aan.

Vaderschap is geen schoolvak. Je krijgt daar geen diploma voor. Je hoeft er geen examen voor af te leggen. Het is niet voor punten.  De enige evaluatie die je krijgt is een glimlach, een traan, een onverwachte knuffel of een boze blik die je te beurt vallen wanneer je je vaderrol weer maar eens naar best vermogen, onzeker-verantwoordelijk of stuntelig-onhandig opneemt.

Soms gun ik me de illusie de touwtjes van het vaderschap stevig in handen te hebben. Deze gedachte is echter puur zelfoverschatting die gebaseerd is op slecht geacteerde autoriteit want mijn zonen en dochter weten me altijd wel op een schalkse manier rond hun pink te winden, zonder dat ik dat in de gaten heb. Ik laat dat graag gebeuren, want ik hoef in mijn vaderrol niks te winnen.

Zoals je kan vaststellen: vaderschap is een hondenstiel, schijnbaar onderschat in wat je er moet voor doen, ogenschijnlijk overschat in wat je ervoor terugkrijgt, tenminste als dat verwachtingen waren waarmee je aan deze levenswerkstukken begonnen bent.

Vaderschap is ook in de spiegel kijken en geconfronteerd worden hoe DNA dat aan de oorzaak ligt van persoonlijke levensblunders ongevraagd doorgegeven worden aan de next-gen. De natuur is wat dat betreft niet zelfregulerend maar onverantwoord meedogenloos.

Vaderschap blijft toch vooral als grootste supporter, vol vertrouwen toekijken hoe, met vallen en opstaan kuikens hun ei breken en hun weg proberen zoeken in de grote boze wereld vol wolfijzers en schietgeweren. Na 25 jaar ben ik daarin iets rustiger geworden, want het is fijn om te constateren dat alles altijd goed komt. Waarschijnlijk is dat het geval omdat vaderschap in de familie blijft.

En dat is weeral heel veel om op deze dag dankbaar voor te zijn.

Pseudo-intellectuele masturbatie, binnenstebuiten gekeerd snobisme of onnozele pleziertjes?

Onnozele pleziertjes zijn niet iets om je voor te schamen, maar ook niet iets om mee te stoefen. Een avondje vermakelijke vlakheid kan deugd doen. Ik pleit ook schuldig of wat had je gedacht?  Na een dag van ‘pseudo-intellectuele masturbatie’ en ‘binnenstebuiten gekeerd snobisme’, dingen waaraan ik een bloedhekel heb, maar waaraan ik tegen mijn zin blootgesteld word, verval ik graag in zinloos nihilisme. Ik hou er nu eenmaal van om me te onderwerpen aan de uitersten van mezelf. Dan kan ik echt ironisch-tegenstrijdig worden alsof een duister gat moet gevuld worden. Met zinloos vermaak gun ik me dan een gevoel van vrijheid zonder inkijk van anderen. Aan anderen heb ik op dat moment geen behoefte, en al zeker niet aan bemoeienissen. Niets- of veelzeggende zinnen neerschrijven, is gewoon mijn onnozel pleziertje. Ik schaam me er niet voor en probeer er niet mee uit te pakken. Dat lukt niet altijd.

De vrees van jouw oordeel is namelijk dezelfde angst die me ervan weerhoudt om intenser te leven of om vrijuit te schrijven. De vraag die dan beantwoord moet worden is aan wie ik verantwoording of loyaliteit verschuldigd ben? Aan mezelf of aan anderen?  Het liefst van al zou ik jou vertellen over die ene dag die belangrijk geweest is, die een stempel gedrukt heeft. Een die een litteken bezorgd heeft dat heel mijn leven zichtbaar zal blijven. Voor mij toch. Iedereen heeft wel zo’n dag. Meestal is dat de dag waarop je begrijpt wie je echt bent en wat het geluid van je ware stem is. Maar durf ik dat? Riskeer ik het al om mijn woorden niet langer te verbergen in een fantasiewereld die ver van mij afligt? En is dat gebrek aan lef niet het excuus om intenser te leven of om vrijuit te schrijven? Het mag gerust allemaal wat simpeler of eerlijker, geloof ik. Misschien kom ik er, als ik dat doe, achter welk verhaal ik echt wil vertellen en vind ik met juiste woorden wapens om er de grenzen van mijn schuchterheid mee aan te vallen.

Maar tot vandaag hang ik nog vast in binnenstebuiten gedraaid snobisme waarvan ik niet weet welke kant ik ermee uit wil. Ik herken het goed want ik etaleer het hier wekelijks. Dan speel ik met tegenstrijdigheid en ironie en met datgene wat ik echt wil vertellen. Zoals een kat met een muis. Ik verpak dan wat ik echt wil zeggen in een onbegrijpelijke fantasiewereld die ver van me af ligt. Voorlopig blijft schrijven dus gewoon maar een simpel onschuldig pleziertje. Ik geloof dat ik me er niet voor hoef te schamen, tenzij ik jou ermee wil imponeren.

Een keuze als een andere!

Deze morgen, het zal iets over zes geweest zijn. In de veel te warme bedstee was niets spannends te beleven.  Ik wijt dat gemakshalve aan de temperatuur maar ook aan de donsdeken dat voor ‘god weet welke reden’ tussen ons inlag als een barricade die de goeden van de slechten scheidt. Om me de ergernissen van het zwoele ochtendgloren niet op de hals te halen, nam ik het besluit om de nieuwe dag dan al een eerlijke kans te geven.

Een paar tellen later, ik staar door het open schuifraam naar buiten en probeer mijn slaperige indrukken te ordenen.  Ik roer doelloos het zoet door mijn iets te sterke koffie en met elke slok die ik neem doet de cafeïne zijn werk. In de verte krijst een mannetjespauw om de aandacht van een wijfje. Ik ben zeker dat zijn staart ook recht staat. De natuur zit simpel in elkaar want tussen de vogels in zit geen opgefrommeld donsdeken in de weg. Hoewel simpel?  De staart van de mannetjespauw waarin hij zijn ego verbergt zal ook weleens in de weg zitten wanneer het erop aan komt zeker?

“Mijn vader is een saucisse” kopt een katern in de weekendbijlage van de zaterdagkrant. Mijn oog valt op de titel van deze eerste Vlaamse post corona prent.  Hij zou op mij van toepassing kunnen zijn. Ik zeg dat omdat ik ook over dat naïeve feelgood-achtige iets beschik waardoor ik denk dat ik het leven in mijn broekzak kan steken. Aan overmoed en onschuldige onnozelheid geen gebrek, ik kan winkel houden in embryonale ideeën en kan grossieren in illusies. De wereld is er vooralsnog nog niet beter van geworden.

Waar wordt de wereld dan wel beter van? Tegen beterweten in zoek ik mijn heil in de rest van de gazet. Ik had het beter niet gedaan. “Racisme kent vele gezichten maar als het over één onnavolgbaar en hardnekkige eigenschap beschikt, is het zijn eigenzinnig vermogen om vergeten te worden.”  De krantenkop spreekt, zwart op wit. De vetgedrukte letters doen me aan mijn broer denken. Hij is naast gerenommeerd geschiedeniskenner ook een notoir nieuwe racist, één die zijn witte suprematie niet onder stoelen of banken steekt. Met de tijd is hij gaan behoren tot de nieuwe brigade ter bevordering van de onverdraagzaamheid en zurigheid en de voorkoming van samenhorigheid en de gezelligheid. Zo ergert hij zich bijvoorbeeld bleekblauw aan de sportieve knieval van verdraagzame voetballers die met hun symbolische actie respect en antidiscriminatie onder de aandacht willen brengen. “Politiek en sport hebben met elkaar geen uitstaan”, brult hij dan kwaad in whatsapp berichten waarmee hij mij bestookt. Als ik hem fijntjes zeg dat institutioneel racisme aan een exclusief witte onderhandelingstafel wordt besproken en dat de politieke arena er niet in geslaagd is de maatschappij verdraagzame vormen te geven, en dat dit symbool op de knie onschuldig is, voelt hij zich door zijn witte eer helemaal in het nauw gedreven.  Mijn broer is somber, angstig en azijnzuur geworden. Hij voelt zich in het nauw gedreven door een hoofddoek, door burgemeester Somers (die hij steevast Mohamed Somers noemt) door couscous en falafel en kikkererwten, door muntthee maar ook door een symbolische knieval. Zelf dweept hij met en heeft hij sympathie voor halve gekken in maatpak die met hun rechterarm omhoog de samenleving symbolisch naar de verdoemenis wensen. Mij niet gelaten, ik hoop oprecht dat hij er vrolijk van wordt.  

Om uit de impasse te komen waarin de krant me gebracht heeft, spreek ik symbolisch een fatwa uit over negatieve gedachten. Een laatste blik op de krant leert me dat de vaccinontkenners maar 1.6 % van de bevolking uitmaken en ik stel me de vraag waarover ik me de afgelopen maanden druk heb lopen maken?

De rode cijfers van de klok van de microgolfoven verraden dat het zes na zeven is. Ik neem het besluit dat ik de rest van de dag een saucisse zal zijn. Het is een keuze als een andere!

Er is ruimte voor zon!

Ik drink al bijna 9 jaar niet meer. Nu breng ik mezelf niet langer meer in de war met de toon waarop ik dat tegen mezelf zeg. Nooit meer drinken, dat was in het begin helemaal niet mijn bedoeling geweest, zelfs niet toen de dokter, vrienden, collega’s of mijn vrouw me zeiden dat ik bezig was met mezelf kapot te zuipen. “Ze moeten die dingen niet overdrijven, ik drink alleen af en toe wat te veel”. Ik ervoer hun oordeel als pure jaloezie, als een snood complot omdat zij allemaal in een veel te drukke schema zaten en dus nooit de tijd vonden om evenveel en zo dikwijls te kunnen drinken als ik. “Doe ze nog eens vol.” Maar dat was toen…

Ik zie ze dikwijls, mensen die het professionele drinken al een tijdje afgezworen hebben. Lotgenoten, die nadat ze eventjes droog staan met de gedachte rondlopen dat ze hiermee een onmenselijk zwaar offer brengen. Na verloop van tijd willen ze daarvoor dan hun beloning opeisen. Ze prenten zich in dat ze geleerd hebben uit het verleden en dat het hen niet meer zal overkomen. Ze menen het oprecht wanneer ze zeggen dat ze niet meer terug willen naar dat vroegere leven, maar ze willen ook opnieuw leren drinken als normale mensen die nog nooit voet gezet hebben in het duistere rijk der demonen. Wat ze het liefste zouden willen is, boven blijven drijven, aan de oppervlakte, in het licht van de zon. Ze willen niet wegzinken in het moeras en soms lukt dat, eventjes. Maar op die tijdelijke overwinning willen ze telkens opnieuw kunnen klinken met een wijntje, met een cava of met een pint. Ze zijn onwetend of kunnen het eenvoudigweg niet opbrengen om gewoontes te doorbreken en kunnen er niet voor kiezen om het geheugen van het lichaam te wissen. Het enige wat ze echt willen en waar ze krampachtig naar streven zijn duidelijke, haalbare, vast gelegde termijnen en onderhandelbare grenzen om te kunnen blijven drinken. Ze willen wel een tijdje stoppen of minderen. Een maand, twee maanden of een half jaar maar dan willen ze opnieuw de onbereikbare controle van een of twee glazen per dag. Een glas witte wijn in het weekend of dan juist niet omdat net dan iemand toekijkt aan wie ze beloofd hebben dat het onder controle is. Alleen tussen acht en tien uur ’s avonds of niet voor negen uur. Een glas dure rode wijn bij de juiste maaltijd of twee of drie pinten in het juiste gezelschap. Zo drinken ze dan een tijdje doordacht omdat diegenen waarmee ze het doen toezien en kunnen ingrijpen. Het liefst van al zouden ze een lijst opmaken met alarmbellen die allemaal afgaan wanneer het de verkeerde kant dreigt uit te gaan. Liever nog zouden ze willen dat ze die alarmbellen niet steevast negeren. Ze willen drinken en niet drinken. Ze willen het doen met een constante proefperiode van onbepaalde duur en met tussentijdse evaluaties waarin ze op elk ogenblik zelf kunnen ingrijpen om de drankvoorwaarden te veranderen. Hoewel ze er diep vanbinnen misschien hevig naar verlangen, is volledig stoppen ondenkbaar. Het zorgt voor verwarring, angst of ze zien het als verraad van hun heilige gevecht tegen de onzinnigheid van het bestaan of tegen het leven waarin ze zijn gestrand. Soms zelfs zien ze definitief stoppen als een inbreuk of een ontkenning van hun identiteit want de vaders van hun vader en de moeders van hun moeder hebben het hen voorgedaan. Ze willen wel proberen om limieten te stellen en afspraken te maken maar het lukt hen eenvoudigweg niet. Ze blijven de grenzen van zichzelf op zoeken om ze vervolgens uit te rekken tot een nieuwe grens. Ze zien stoppen met drinken alleen als een moeilijke strijd, als een zware prestatie maar nooit als een overwinning. Wanneer je jezelf inprent dat je nooit meer mag drinken, betekent dat namelijk nog steeds dat je met een torenhoog alcoholprobleem worstelt en die bekentenis willen ze niet afleggen, zelfs niet tegen zichzelf. De enige overwinning die voor hen proeft als een echte zege is opnieuw te leren drinken op een gematigde en gecontroleerde manier zonder een diep slijkspoor van problemen achter zich te slepen. Die koppige gedachte zet hen schaakmat. Ze kunnen of willen zich geen leven zonder drank voorstellen maar een compromis is er niet. Wie met een drankprobleem kampt maar ervoor kiest om eerlijk met zichzelf te zijn kan geen kant meer uit. Dan rest er niets anders meer dan definitieve overgave.  Dan dient elke strijd gestaakt en wordt elke strategie om dat te ontkennen een tijdbom op die intentie.

Wanneer ik het over “ze” heb in deze tekst heb ik het natuurlijk over mezelf.  Weten dat ik een levenslang probleem heb, stemt me niet langer angstig, opstandig of verdrietig. Ik voel me er ook niet meer schuldig voor.  Het weegt niet meer door. Mijn probleem dat ik mezelf had ingeprent of de gedachte dat ik dat probleem in eerste instantie zelf had uitgevonden draag ik niet langer meer alleen. Het voelt telkens als een opluchting wanneer ik er eerlijk kan over zijn. Als je het wil kan je het lezen. Als je het liever nog niet wil is dat ook helemaal ok. Je mag naar me kijken maar je hoeft me niet te feliciteren. Misschien ben ik door te stoppen met drinken wat kleiner en kwetsbaarder voor mezelf geworden, toch voelt het aan alsof ik meer ruimte inneem dan ooit tevoren. Soms is het nog lastig om niet te drinken en dat is goed. Het mag een beetje moeite blijven kosten anders wordt het vanzelfsprekend en dat ben ik niet meer. Vandaag gaat het goed en morgen, tja morgen, die dag bestaat nog niet.

De weersverwachtingen voor vandaag blijven onveranderd. Deze namiddag is vooral in de oostelijke helft van het land de kans op buien groot. In de Ardennen is er kans op onweer. Vanaf het westen komt er meer ruimte voor de zon. De wind komt uit het westen tot noordwesten en is matig tot vrij krachtig.

Er is ruimte voor zon. Dat is al wat ik onthoud. Met het vooruitzicht van zon kan ik altijd uit mijn eigen schaduw stappen. En dat is opnieuw veel om dankbaar voor te zijn.