Een koe die saffraan eet.

Wanneer ik nadenk over persoonlijke triomf en over de totale nutteloosheid ervan, moet ik teruggaan naar de tijd – het moet ergens halverwege de jaren negentig geweest zijn – dat ik nog handbal speelde en ik dacht dat succes, winst en aanzien het allerbelangrijkste in het leven was. We trainden dikwijls, speelden vaak wedstrijden, die we soms wonnen en soms verloren, dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Soms haalden we met onze prestatie een enkele keer sportweekend, maar alleen wanneer er tijdens dat weekend toevallig geen voetbal- of wielerwedstrijd was. Ik herinner me nog dat ik nijdig werd toen Mark Vanlombeek mijn naam als Pultjo – of iets dat daar op leek – uitsprak en ik in prime-time een tegenspeler nogal hardhandig in de tribune keilde en er een rode kaart aan overhield. Dan komt een mens eens op Tv, lappen ze je dat. Elke week opnieuw trokken we vanuit Lebbeke naar Kortrijk, naar Eupen of naar elders ten lande, om daar te proberen de held van het speelveld en van de competitie te worden. Soms lukte dat, maar vaker of meestal ook niet. Dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Een keer werd ik geselecteerd voor de Belgische elite en mocht ik mee op interland naar Ijsland om daar de nationale kleuren te helpen verdedigen. Sportieve afgang heb ik nooit eerder zo hard ervaren als toen, in die met Vikings afgeladen volle sporttempel in Rejkjavik. Mijn brutale hoogmoed werd via alle kanten rond mijn hoofd aan diggelen gegooid. En ik, die dacht dat ik op handbalgebied wat voorstelde. Wist ik veel dat die Gunnarsons en Steffansons en alle andere -sons (elke naam in Ijsland eindigt op -son behalve als je zonder piemel geboren wordt dan eidigt hij op -dottir) die ons die avond mochten vernederen, stuk voor stuk hun centen verdienden in de Bundesliga, toendertijd de betere zoniet de beste handbalcompeitie van Europa en omliggende straten. Hoewel ik tijdens de heenreis nog dacht hoog te kunnen vliegen, ben ik sportief, nooit harder met de voeten op de grond beland dan die avond tussen de handballijnen van dat vulkanisch eiland. Om nederig te worden moest ik blijkbaar eerst de handbalvikings van Ijsland ontmoeten. Ik had het eigenlijk op voorhand moeten weten want, vele jaren tevoren was ik al een keer onzacht met een Deense Viking in aanraking gekomen, al had zij van mijn waardigheid nog iets overgelaten toen ze er met mijn hart van onder gemuisd was. Maar dat is een hele andere hystorie.

Een jaar of zestien zeventien zal ik geweest zijn toen ik dacht te weten hoe het leven in elkaar steekt. Mijn mond was toen vele malen groter dan mijn verstand, maar eigenlijk wist ik van het leven maar zoveel als een koe weet van saffraan eten, niks dus. Onze pa kon dat schoon zeggen, wanneer ik het op school weer eens veel te bont had gemaakt, dan zei hij, ‘zoon ge peinst dat ge het allemaal al weet, maar uwe grote bek begint maar daar waar uw stom verstand eindigt.’ Over mijn hart werd niet gesproken, dus begreep daar ik ook niets van, al kon ik daar niet grootmoedig over doen, want ik had al aan den lijve ondervonden dat ik dat ook heel snel kon kwijtraken, ongeacht de hoeveelheid branie dat ik uit mijn nek kletste. ‘S avonds in mijn bed, met mijn kussen als enige troostend gezelschap, mat mijn één meter drieënnegentig dan vele malen kleiner dan wanneer ik er overdag mee tussen mijn soortgenoten parradeerde die op dezelfde manier probeerden branie te schoppen en te verdoezelen dat ze eigenlijk even onzeker en sukkelachtig waren als ikzelf.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat nederig en bescheiden worden noodzakelijk is om het leven een heel klein beetje te begrijpen want in de tweeënvijftig jaar die ik binnenkort op deze aardkluit loop druk te doen, heeft mij nog nooit iemand op heldere of overtuigende wijze de belangrijkheid van vluchtig succes of van overroepen machtsvertoon kunnen uitleggen. Mijn hart is al een paar keer gelijmd en ik heb nog steeds niet geleerd om kemels te vermijden. Soms probeer ik nog altijd de slimste te spelen ook al versta ik van het leven niet veel tot niks. Nu weet ik pas dat ik het leven nooit helemaal zal kunnen begrijpen, en laat dat nu hetgene zijn wat ik zeker weet. Met al de rest ben ik ook nog bezig, om het te vergeten.

Zever.

Half elf zal het geweest zijn, of misschien iets vroeger of later, dat weet ik niet precies meer, want de letters van mijn digitale wekker waren verdwenen, omdat de batterijen plat waren. Drie uur eerder was dat nog niet het geval. Toen had ik nog gedacht, ‘een half uurtje nog, hoogstens.’ Het zijn er dus drie geworden. Niet dat ik gisteren de intentie had gehad om vandaag een gat in de dag te slapen, maar mijn lijf en de batterijen van mijn wekker hebben daar anders over beslist. Mocht ik nu met mijn lichaam in discussie kunnen gaan, gesteld dat ik dat überhaupt zou kunnen, ik zou één zekerheid hebben. Ik zou mijn pleitdooi verliezen, want de afgelopen weken, maanden zelfs, zijn hectisch geweest. Er is heel veel, en tegelijk niks gebeurd. Er is rondom mij zoveel gebeurd waar ik niks van verstaan heb. Ik heb er zo weinig van onthouden en zo weinig van begrepen, dat ik er onmogelijk een zinnig woord over op papier kan zetten. Mogelijks omdat ik te veel met mezelf ben bezig geweest, of met de besognes van anderen, dat kan ook, want dat overkomt me de laatste jaren ook wel meer, maar ik dwaal af. Ik wou zeggen dat ik een beetje vermoeid ben, want van ingehouden verhalen en opgekropte vertelsels wordt een man moe, tenminste als je de tegenslag hebt om met een geest als de mijne door het leven te moeten gaan. Wanneer verhalen door een samenloop van omstandigheden – laat me het zo zeggen – in de gevangenis van mijn brein blijven vastzitten zoals stoofvlees dat veel te lang drooggesudderd is, dat van de saus en van het draadjesvlees niets meer overblijft dan een bruine wansmakelijke aan de pan vastgekoekte smurrie.

De afgelopen dagen schrijf ik op Telenet aan artikels die geen kat leest. Maar voor het eerste keer in mijn schrijversloopbaan doe ik dat in opdracht van iemand die de onderwerpen belangrijk genoeg vindt om er anderen mee lastig te vallen, en dat heeft voordelen. Voor het eerst schrijf ik tegen de klok. Daardoor kan ik niet wegdromen op facebook of laterfanten op messenger. Ik kan me niet permitteren om uit te stellen tot morgen wat vandaag moet gepubliceerd worden, en dat maakt me productief. Productief met onzin en zever, maar wel productief. En dan vraag ik me af, nu ik deze woorden tik, of het me zou helpen, indien ik in mijn volgende boek dezelfde zever zou verkopen, tegen dezelfde strakke deadline. Zou dat laatste manuscript dan ook eindelijk ook nog eens een boek kunnen worden? Ik vraag het me af. Maar er is de laatste tijd door corona en, door de politiek – om over thuis maar te zwijgen – zoveel gebeurd dat ik de dingen die ik wel begreep en vermeldenswaardig genoeg vond om er een verhaaltje aan te wijden, vergeten ben. De ideeën die eens fris waren, zijn nu zo uitgerafeld als het kapot, te dikwijls en te heet gewassen stofje dat je niet meer kan zien dat het ooit een fraaie blouse geweest is.

Maar wat als ik me morgen nu eens zou afzonderen, en hetzelfde ritme zou kunnen hanteren, als de zever die ik op Telenet verkoop, zou het dan zomaar kunnen dat deze gestarte tekst binnen twee drie weken een boek zou kunnen worden? En zou het dan wèl gelezen worden? En waarom zou die snel ineen geflanste zever dan opeens meer gelezen worden dan de kul die ik al jarenlang schrijf, en die geen sterveling leest, maar waarop ik soms dagen of weken heb lopen kauwen?

Waarschijnlijk omdat het wellicht even grote zever zal zijn als deze die ik gewoonlijk uit mijn pen wring.

Dode letters, springlevend.

Koortsachtig leest hij bladzijden die op het ogenblik dat ze geschreven werden niet voor zijn ogen bestemd konden zijn. Nu hij zelf de leeftijd bereikt heeft en de woorden die twintig jaar geleden getrouw en gewetensvol werden neer-gekribbeld beter kan plaatsen, leest hij ze ongedurig maar zorgvuldig. De feiten die beschreven zijn, herkent hij omdat hij er zelf leidend voorwerp van is. De letters schuiven als een sneltrein voorbij en tonen beelden die hij lang uit zijn herinnering geband heeft. Hij alleen kent de echte reden waarom hij heil zoekt in krabbels die destijds zo zorgvuldig werden opgetekend door een pen die hij maar al te goed kent. De zinnen die hij nu leest zijn ooit geschreven met een griffel die diepe krassen kon zetten en onthullen eindelijk hun geheimen die gekwelde herinneringen bevestigen. Maanden geleden had hij alle hoop opgegeven om dit boekje ooit terug te vinden omdat het niet in de doos van de andere dagboeken was weggeborgen, wellicht omdat de schrijver ervan er zelf af en toe nog eens herinneringen in ophaalde.  Vandaag heeft hij het in handen. Het manuscript ziet er nog identiek uit als toen het destijds dagelijks op de keukentafel rondslingerde en wachtte tot hersensroerselen erin vereeuwigd werden. Het ietwat kinderlijke handschrift met grote krullen laat geen groots literair talent vermoeden maar de geschreven beelden doen dat eens te meer en ontsluieren hun herinneringen die op dezelfde manier zijn neergeschreven als dat ze in zijn gedachten ronddwalen. Dezelfde emotie, identiek verdriet en gelijkaardige machteloosheid lijken gekopieerd, alsof lezer en schrijver één-en dezelfde persoon zijn, maar dat is niet het geval. De schrijver ervan was mijn vader en de lezer ben ik en het verhaal is geschiedenis…

Sociale introvert.

In de vroegte van de achtend slokte de schuchtere herfstzon de ijzige nachtnevel op en deed de bevroren neerslachtigheid die zich de laatste dagen van mij had meester gemaakt ontdooien. Dunne laagjes ijs die zich op de schaarse plassen van de veldweg hadden gevormd kraakten bij elke stap onder mijn voeten en deden de natuur opschrikken. Bij elke pas die ik zette raakte ik meer ontroerd door iets wat ik niet onmiddellijk onder woorden kon brengen. Heel even flitste de gedachte binnen dat het mijn door de ouderdom aangetaste brein was waardoor ik mijn grenzeloze nostalgische heimwee waar ik steeds in wegzink plots aanzag voor iets verheven, als een hoger goed of zo. Hoewel ik nooit echt alleen ben geweest voel ik me wel eens eenzaam. Eenzaamheid als een uniform of overjas die me altijd al had beschermd tegen angst of pijn van het onbekende of tegen de bedreigende conclusie dat ik in mijn leven nog niet veel van waarde had gerealiseerd dat mijn levensaanwezigheid kon rechtvaardigen. Misschien vertoonde mijn overjas in het grootste deel van mijn bestaan ook wel te veel schutkleuren die altijd al dienst had gedaan als camouflage en waarmee ik me als een kameleon kon verbergen zodat ik geruisloos, ongezien en onopvallend door het leven kon kruipen. Zo ver ik kan terugdenken heb ik altijd dromen van anderen willen waarmaken en hield ik er te weinig voor mezelf over. Ik leverde gratis, in ruil voor companie tegen de eenzaamheid van mijn ingedeukte zelfvertrouwen. Om mezelf dan staande te kunnen houden moest ik eerst de regels overtreden en de normen negeren en zocht ik heil in de roes die als wegwijzer diende op de weg van maatschappelijke aanvaarding. Op de een of andere manier wou ik uit de boot vallen om gered te worden of was ik koortsachtig op zoek naar bevestiging van anderen of naar vriedschap van een vrouw of van een bende onbelangrijke lotgenoten. Nu word ik nog soms nog wel eens angstig of eenzaam van mensen die nog steeds zonder resultaat op zoek zijn naar de zin van het leven dat ik al losgelaten heb. Op zulke momenten ben ik het liefst alleen, op een afstand omgeven door eenzame mensen, als een sociale introvert. In de verte springt een ree in het dichte struikgewas, alsof het mijn gedachten kon lezen. Ben ik hier dan toch niet alleen?

Vlag van de overwinning.

Vanmorgen stond ik traag op, zo langzaam dat zelfs dat veel tijd in beslag nam om tot het besef te komen dat ik er nog ben, dat ik nog besta, misschien zelfs nog voor iemand anders dan voor mezelf. Nu niet dat ik vind dat ik een grote rol van betekenis heb in dit grenzeloze universum van onbegrijpelijke chemische verbindingen en fysische toevalligheden. Neen dat is het zeker niet want toen ik daarstraks de slapers uit mijn ogen wreef heb ik een absurde maar vrij geweldige sensatie meegemaakt. In een intieme bliksemflits realiseerde ik me plotseling dat ik niemand ben, niemand, absoluut niemand. Hoe ouder ik word hoe onbenulliger en nutteloos ik me soms voel. Je zou deze zelfanalyse ten onrechte als plat zelfbeklag kunnen bestempelen maar deze gedachte zou afbreuk doen aan mijn puurste intieme reflectie van totale overbodigheid. Wanneer verveling me verdooft en ik het leven in zijn groots- en kleinheid probeer te begrijpen, begeef ik me met mijn gedachten soms op een gevaarlijk pad. Op zulke momenten denk ik dat de kwelling van het relatieve me misschien beter zou kunnen maken maar meestal kom ik bedrogen uit omdat ik veel liever wat anders zou doen.

Meditatie of zelfreflectie mag dan misschien wel een godsgeschenk zijn voor ongekende huis-tuin en –keukenfilosofen of voor koeien in de wei, voor mij begint het denken pas wanneer ik kan tateren of schrijven om op die manier de erbarmelijkheden uit het donkere hoekje van mijn eigen ik te halen. Schrijven is dan de aangenaamste of gemakkelijkste manier om het leven te relativeren of om het te negeren. Hier mag ik ongestoord krabben aan littekens van oude en nieuwe wonden die ontstonden in gevechten die ik tot nu toe uit de weg ben gegaan. Met schrijven mag ik aan mezelf ontsnappen en kan ik me verbergen achter mijn geweten en mijn ziel die zich verstopt achter onbenulligheden of achter dingen die het daglicht niet mogen zien. Ik hoop maar dat mijn ziel of de realiteit van het leven me nooit zullen vinden en dat ik vandaag gewoon mag onthouden wat ik gisteren genegeerd heb zodat ik morgen mag worden wie ik vorige week verloren ben. Dan pas kan ik die al opgelopen nederlagen vieren met een vlag van de overwinning en zal ik eindelijk misschien iemand worden. Op een dag, wanneer de zomer en ’t schoon weer samenvallen.

%d bloggers liken dit: