Bewijs eerst dat je bestaat

In de boomstraat staat een oude man aan de bankautomaat.  Hij staart naar zijn gsm en lijkt naar iets op zoek. De wanhoop staat in zijn ogen. Zijn gsm heeft geen compassie en de bankautomaat zelf geeft ook geen kik. Die oude snaak, het zou zomaar onze pa kunnen zijn, die had ook een speciale band met zijn bank en met zijn geld dat hij niet had.

De man, ik ken hem van ziens. Volgens mij is hij de tachtig dik voorbij want hij loopt krom achter zijn rollator. Altijd heeft hij dezelfde klak op. Wellicht heeft hij jarenlang zijn nikkel afgedraaid en altijd proper belastingen betaald. Hij heeft mee de kinderen grootgebracht, een huis afbetaald en nu past hij op woensdagnamiddag af en toe op zijn kleinzoon. Enfin het is zo iemand waarvan je zou verwachten dat de samenleving daar rekening mee houdt.

Zijn gsm piept ineens.  Hij verschiet en ik verschiet mee van zijn verschieten.

“Ze vragen hier weeral een code, ik word zot van al die codes want ik kan die allemaal niet onthouden”, zegt hij tegen niemand in het bijzonder.

De bank zelf heeft al lang geen loket meer.  De bank is nu een cashpunt waar je al je administratieve brol zelf moet regelen. De mutualiteit, idem dito, die heeft wel een website maar je loopt er verloren in. De huisartsenpraktijk heeft een app.  Alleen je raakt er niet in als je niet in hun patientenbestand zit. Zelfs de afvalkalender staat ergens op de site van de gemeente, waarschijnlijk achter een wachtwoord of een paywall.

De man zucht ,”vroeger moest ik alleen onthouden dat ik mijn centen en mijne pas niet mocht vergeten. Nu moet je om te mogen kakken ook al een een code hebben.”

Ik glimlach ongemakkelijk maar het is niet grappig.

Vorige week zat mijn schoonmoeder aan de keukentafel met haar gsm in haar hand. Ze zit daar graag, om spellekes te spelen, patience bijvoorbeeld of candy crush. Normaal gezien gaat ze heel voorzichtig om met dat ding want ik geloof dat ze denkt dat het elk moment kan ontploffen. Nu staat ze op het punt om dat spul door het raam te pleuren.

“Ik moet ergens op drukken maar ik zie het niet,” zei ze.

Ze had haar meterstand ingevuld en moest die bevestigen. “ De gas opnemen was iets waar vroeger “die van de gas” voor langskwam” , jammert ze.  Ergens onderweg heeft iemand beslist dat “gemak” hetzelfde is als vooruitgang. Voor wie die vooruitgang precies telt, ontgaat me een beetje.

Ok, de bank is gemakkelijker geworden, behalve als je het een leven lang gewoon bent geweest om naar daar te gaan om je papperassen te regelen. De overheid lijkt op ’t eerste zicht ook toegankelijker geworden met de site ‘mijn burgerprofiel op vlaanderen.be’, behalve voor wie echt binnen moet zijn. Dan moet je eerst langs itsme, het wondermiddel waar je met vingerafdrukken, gezichtsherkenning of codes moet bewijzen dat jij het bent terwijl vroeger iedereen gewoon kon zien dat jij het was, met of zonder paspoort.

Vooruitgang dus, behalve wanneer er op haar gsm ineens een sms binnenkomt van cardstop die beweert dat iemand haar rekening probeert leeg te halen. Even twijfelde ze of dat bericht echt was, niet omdat ze naïef is of zo maar omdat die fucking phishingberichten steeds beter worden.  Ik moest zelfs twee keer naar de afzender kijken om te weten dat het een fraudebericht was.

En toch wordt van mensen die opgroeiden met een zwarte  bakkeliete telefoon in de gang, verwacht dat ze het verschil kennen tussen een echte melding en digitale oplichting.

We noemen dat allemaal vooruitgang of administratieve vereenvoudiging, alleen achter die administratieve vereenvoudiging zit wel een dochter of een zoon die elke zondagnamiddag de digitale administratie komt doen en de codes komt herstellen. Mijn schoonmoeder logt in en mijn madam bewaart de wachtwoorden. De digitale vereenvoudiging is in de praktijk niks minder dan digitale mantelzorg geworden die alleen maar efficiënt kan zijn met een loket van onzichtbare familieleden.

En wat doen we met al die mensen die niemand meer hebben? Just, helemaal niks. Want die kunnen zich on line toch niet beklagen.  Een samenleving die zichzelf modern noemt, maar een tachtigjarige naar een app stuurt om daar twee codes en een beveiligingscontrole in te vullen om een overschrijving te doen, is een samenleving die zelfs menselijkheid probeert te digitaliseren. Ondertussen is die samenleving stillaan wel vergeten hoe een mens eruitziet zonder een scherm.

Uiteindelijk heb ik die man met zijn klak geholpen. Hij moest gewoon zijn pincode hernieuwen omdat hij drie keer de verkeerde had ingetoetst.

Toen ik wegging, bedankte hij me tien keer. Nog geen vijf tellen later was hij opniew naar zijn gsm aan’t kijken. Om zijn code van buiten te leren, denk ik. Ik hoop maar dat hij morgen zijn koffiekoeken kan betalen als zijn kleinzoon langskomt.

Is dat niet het absolute olympische minimum? Dat een mens van tachtig zijn eigen koffiekoeken kan betalen zonder hulp van een kleinzoon, een app of een wachtwoord dat hij gisteren nog kende en vooral zonder eerst te moeten bewijzen dat hij nog bestaat.

Vrijdag bijnadag!

Die ene mail staat al van gisterenavond open. Niet dat antwoorden moeilijk is. Integendeel zelfs, want in mijn hoofd heb ik dat antwoord al minstens vijf keer geschreven, verbeterd en verzonden. In mijn hoofd dus.

Het glas staat ook al sinds gisteren aan de voordeur. Het zit in zo’n blauwe plooibak van de Colruyt. Daar worden lege flessen verzameld tot iemand beslist dat het tijd is voor de glasbol. Meestal is dat de andere, vrouwelijke, permanente huisgenoot. Ik de vuilzak zij de glasbak, sommige rolpatronen verdragen geen uitzondering op een ongeschreven regel.

Maar hij staat dus nog op exact dezelfde plaats als gisterenavond. Niet omdat ik dat vergeten ben, want ik heb daar ook al minstens vijf keer naar gekeken. Vrijdag heeft dat soort mogelijkheden. Dan krijg ik precies een beetje meer ademruimte. Alsof vrijdag zelf iets minder streng is dan al die andere dagen. Alleen moet ik vaststellen dat ik met die extra tijd niks aanvang.  Die mail blijft openstaan. Het glas blijft ook staan.

En dat vat een doordeweekse vrijdag behoorlijk goed samen.

Vrijdag is nu eenmaal een dag die zich anders gedraagt dan andere dagen. We moeten dat aanvaarden. Dat begint meestal ergens rond tien uur. Dan zegt iemand, “gelukkig is het vrijdag.” Dat gebeurt bijna elke week, maar niemand legt uit waarom het gelukkig vrijdag is. Er is ook niemand die daarnaar vraagt.

Tegen de middag gaan de dingen echt veranderen. Voor alle duidelijkheid, niet de koffie, want die smaakt hetzelfde als op andere dagen, naar straffe thee. En ik drink geen thee. De mails zijn ook nog dezelfde als deze morgen, al blijken ze tegen de middag toch verrassend goed bestand tegen uitstel. Want zaken die daarstraks nog superdringend leken, kunnen ineens toch wachten tot maandag.

En het is niet dat ik dat in mijn eentje heb beslist. Dat gebeurt gewoon uit zijn eigen. Vrijdag heeft daar blijkbaar een speciaal talent voor. De week is dan nog niet helemaal voorbij, maar de vrijdagnoen heeft er precies al een streep onder getrokken.

Ik heb altijd gevonden dat vrijdag een dag vol verwachtingen en mogelijkheden is, want al wat vandaag niet gebeurt, krijgt maandag een nieuwe kans. En toch blijft het een rare dag die een beetje gewrongen zit tussen donderdag en zaterdag.

Het is mijn bijnadag. Want het is bijna weekend. Bijna rust. Bijna poeperkesdag, al blijft het merkwaardig hoe weinig belangstelling zaterdag en zondag voor die activiteit hebben. Bijna uitslapen dus. En bijna een ander leven dat twee dagen duurt en genoeg moet zijn om tegen maandag een frisse versie van mezelf te worden.

Dat lukt dus bijna nooit.

En toch probeer ik dat elke vrijdag opnieuw.

Het glas staat trouwens nog altijd aan de voordeur. De mail staat ook nog altijd open maar is ondertussen door iemand anders beantwoord. Door iemand die niet weet dat het vandaag bijnadag is.

Een oceaan vol palingen

Ik heb de laatste tijd een redelijk ongezonde relatie met mijn computer. ’t Is nog niet echt rampzalig en het is nog juist niet van die orde dat mijn huisgenoten zich zorgen hoeven te maken of een interventie moeten plannen. Maar het valt mij wel op dat ik elke dag in dezelfde rituelen verval.

Computer openklappen. Naar spam kijken alsof daar verrassende dingen in zitten. En dan dwangmatig naar die map. Altijd naar diezelfde map alsof al die teksten die daar al jaren stof liggen te vergaren zich ineens zonder mij hebben herschreven.

Precies alsof ik daar alleen maar mee bezig ben.  Op zich is dat wel wat raar want normaal gezien stel ik alles uit.  Een mail beantwoorden bijvoorbeeld kan bij mij zonder probleem, gaan van “ik doe dat straks wel” naar “ik hoop dat die mens peist dat ik verhuisd ben naar een andere planeet “

Ik ben daar allemaal niet fier op maar speciale talenten kies je nu eenmaal niet zelf. En met die map was dat niet anders. Jarenlang was die daar gewoon. Die stond ergens op mijn computer. Zoals al die andere dingen die daar al zo lang opstaan dat ik ze niet eens meer zie, laat staan dat ik weet waarvoor ze allemaal dienen.

Bon die map dus.  Om de zoveel tijd opende ik ze. Ik verschoof daar een paar punten. Haalde een komma weg. Schreef één zin en schrapte er vijf om daarna alles, voor onbepaalde duur, weer proper dicht te doen. Meestal keek ik gewoon naar die teksten zoals ik naar een dessertkaart kijk. Ook al is er keuze genoeg, de keuze ligt eigenlijk altijd  op voorhand al vast. Het wordt een dame blanche.

Als ik iets moet beslissen is er nog altijd morgen. Volgende week trouwens ook.

Het verraderlijke aan uitstelgedrag is dat het van buitenaf op luiheid lijkt. Dat hoor ik dikwijls genoeg van mijn huisgenoten. Terwijl het meestal gewoon echt iets anders is. Schrik. En in mijn geval zelfs heel specifieke schrik want zolang alles proper in die map blijft zitten, kan er niks gebeuren en kan er niks mislukken.

Niemand kan het onnozel vinden.

Niemand kan het verkeerd verstaan.

Niemand kan het afkeuren.

Het bestaat wel maar alleen nog niet echt en alleen op mijn voorwaarden. En als het echt moet, kan ik nog altijd doen alsof het niet bestaat.

Op die manier heb ik mezelf jarenlang wijsgemaakt dat ik geduldig was. Dat ik wachtte op het juiste moment of op het juiste inzicht. Sommige dingen hebben nu eenmaal tijd nodig. Om te rijpen of om te rotten. Als ik eerlijk ben, zijn dat gewoon twee verschillende woorden voor hetzelfde excuus. Schrik.

Ik stelde altijd alles uit. Waarom doe ik dan nu ineens het tegenovergestelde? Waarom open ik mijn privémailbox om de vijf minuten alsof ik wacht op iets waarvan ik eigenlijk al weet dat het eraan zit te komen?

Waarom betrap ik mezelf erop dat ik blijf wachten op iets dat ik jarenlang heb uitgesteld?

Dat zijn dan de momenten waarop ik beslis om rap rap nog iets nuttelozer te doen. Een pollepel zoeken die ik niet nodig heb. Kijken hoeveel procent batterij mijn telefoon nog heeft. Of opzoeken waarom alle palingen in hun leven ooit beslissen dat ze dringend naar de andere kant van de oceaan moeten zwemmen. Eender wat.

Alles is beter dan te lang stil te blijven staan bij de enige vraag.

Omdat ik het antwoord ondertussen al ken.

Ik moet alleen nog even aan het idee wennen dat die map binnenkort niet langer zomaar een map zal zijn. Maar dat jij er ook zal in kunnen rondneuzen.

En dat … is precies toch allemaal een beetje spannender dan een oceaan vol palingen.

Het schijnt dat ik vandaag 58 word

Dat staat toch ergens genoteerd. In het moederhuis van Mechelen hebben mijn verwekkers en een goedbedoelende pastoor op 13 september 1968 in een trouwboekje voor het eerst mijn naam geschreven. Sindsdien wordt dat beschouwd als een feit. En omdat niemand tot vandaag met ander doorslaggevend tegenbewijs afgekomen is, ga ik er van uit dat wat daar toen werd vastgelegd, juist is.

Achtenvijftig dus. Mijn lijf lijkt voorlopig akkoord te gaan met die regeling. Al heeft mijn linkerknie een paar weken geleden toch al officieel protest aangetekend. Mijn bakkes onderhandelt ondertussen ook al geruime tijd met de spiegel, zonder dat er een akkoord in zicht is. Slachtoffers zijn er voorlopig niet gevallen, maar het wederzijdse vertrouwen tussen mijn verstand en de rest van mijn lijf staat danig onder druk

Toen ik nog een slungel was, keek ik naar mensen van mijn huidige leeftijd en dacht ik dat die het allemaal wel doorhadden. Die leken allemaal oud, serieus, een beetje verrimpeld maar op de een of andere manier gearriveerd. Alsof ze onderweg ergens een handleiding hadden gekregen waarin uitgelegd stond hoe alles marcheert.

Nu ik zelf al aan deze kant sta, begin ik te vermoeden dat die bewuste handleiding nooit gedrukt is. Toch zie ik elke dag verrassend veel mensen rondlopen die doen alsof of beweren dat ze het gelezen hebben.

Wat me de laatste jaren ook opvalt, is hoe weinig al die grote momenten uiteindelijk voorstellen. Toen ik jong was, dacht ik dat alles afhing van diploma’s, huwelijken, overlijdens, verhuisdozen en al dat soort dingen waarvoor notariële actes vandoen zijn.

Achteraf blijken het toch andere dingen te zijn die aan je botten blijven plakken.

Een café waarvan de deur al twintig jaar op slot is. Dat telefoontje dat je bijna niet had opgenomen. Iemand waarvan je dacht dat ze vergeten was maar na veertig jaar nog altijd ergens lijkt rond te dolen. Een naam op een bierviltje en iemand die zei “we moeten nog eens afspreken” en dat, tegen alle verwachtingen in, ook deed.

Dat soort dingen. Ze lijken rommel tussen de hoofdstukken maar achteraf beschouwd heeft daar meer leven in gezeten.

Waarschijnlijk bestaat een zinvol mensenleven uit  dat soort dingen. Enfin voor mij toch. En eerlijk gezegd stelt me dat gerust. Want als alles zou moeten passen in diploma’s, Cv’s, foto’s of andere officiële rommel, dan heb ik ergens onderweg heel slecht opgelet. Van de meeste dingen bestaat niet eens een papiertje.

Vandaag blaas ik dan ook geen kaarsen uit want de belangrijkste dingen die mij ooit zijn overkomen hebben nooit op wenslijstjes gestaan. Dikwijls kwamen ze zelfs eerst binnen als dikke miserie.

Deze verjaardag laat ik passeren. Vandaag kijk ik gewoon even naar buiten. Ik herken een paar gezichten maar mis er ook enkele.

Dat laatste had ik vroeger nooit toegegeven.

En nu ik hier toch ben. Merci aan iedereen die vandaag aan mijn verjaardag gedacht heeft.

Ikzelf was er niet mee bezig. Ik was bezig met beweren dat een mensenleven niet in data, formulieren en officiële feiten zit. Om dan vast te stellen dat een hoop mensen mijn datum toch niet vergeten zijn. Dat was niet het cadeau dat ik verwacht had.

Maar zoals ik al zei, de belangrijkste dingen in ’t leven staan meestal niet op een verlanglijstje.

De ongeschreven wetten van een stabiele relatie

Ze zit dus naar De Verhulstjes te kijken. Enfin, kijken. Ik weet niet of je dat echt kijken kunt noemen. Haar ogen zijn wel op de tv gericht, maar in haar hoofd is ze duidelijk op een andere plek. Waarschijnlijk bij dat spelletje Tetris dat ze al zo lang speelt dat ik niet meer weet of het een hobby is of een psychische afwijking. Twintig jaar speelt ze dat al. Misschien nog langer. De meeste relaties duren zelfs zo lang niet.

Op tv ziten alle Verhulstjes ondertussen bijeen rond een tafel. De oudste Verhulst vertelde net een stomme mop, de jongste nog een stommere. Wat me stoort aan dat programma, ook al kijk ik nooit, iedereen lacht altijd op het juiste moment alsof dat programma alleen maar uit dingen bestaat die altijd spontaan gebeuren. Het probleem alleen is dat De Verhulstjes er teveel centen aan verdienen om al die dingen er normaal en geloofwaardig te laten uitzien.

Ondertussen zit mijn vriendin drie meter verder te kijken en is ze tegelijk op haar telefoon aan ‘t tokkelen. Ik zeg nu vriendin maar soms zeg ik ook mijn vrouw. Soms mijn partner. Af en toe madam of mylady. Dat hangt af van wie het vraagt en hoeveel ik op dat moment over onze relatie wil prijsgeven.

Buiten padel hebben wij trouwens niet echt veel gemeenschappelijke interesses. En zelfs padellen doen we liever niet samen. Niet omdat we mekaar niet graag zien of zo, maar omdat een bandeja of een vibora doorgaans beter gespeeld wordt met een padelcoach in de buurt dan met de tussenkomst van een advocaat of notaris. Die zouden zeker nodig geweest zijn mochten we zijn blijven samen spelen.

Dat is geen verwijt, niet naar mezelf en niet naar haar. Noem het een proefondervinderlijke vaststelling, zoals het wc-papier dat soms bijna op is, ook een vaststelling is.

Doorgaans kijkt zij naar programma’s waarin koppels huizen verbouwen of laten verbouwen. Of ze kijkt naar The Real Housewives of naar blijtfilms, wat tegenwoordig ongeveer hetzelfde is, voor mij dan toch.

Ik zoek dan weer naar documentaires waarin mensen elkaar of zichzelf slopen. Of ik kijk op Netflix naar reeksen waar mensen hun halve familie in stukken kappen.  Niet omdat ik geïnteresseerd ben in het kappen zelf, dat lijkt me technisch wel doenbaar maar omdat die mens ooit moet gedacht hebben, mensen in stukken kappen, dit lijkt me een redelijk plan.

Mochten wij niet samenwonen, dan zouden we elkaar waarschijnlijk niet eens volgen op Facebook of Instagram. Ik zou haar in ‘t echt ook niet achtervolgen want ik ben geen psychopaat.

En toch zitten we hier al jaren in dezelfde zetel.

Blijkbaar overschatten mensen het belang van gemeenschappelijke interesses.

Samen fietsen, koken, wandelen, samen yoga, samen op citytrip. Samen ademen waarschijnlijk ook. Dat lijkt mij verschrikkelijk. Alsof liefde een verplicht groepswerk is waarvoor je bij de inschrijving alle twee dezelfde vakjes moest aankruisen.

Wat wij samen hebben is net voldoende voor een stabiele relatie. Soms net niet genoeg maar dat is op een ander niet anders.

Bij ons voert zij meestal het woord terwijl ik zwijg. Ik denk dat dat zo is omdat zij graag praat of zichzelf graag hoort praten en ik liever luister. Of omdat ik geen kans krijg om iets te zeggen. Dat zijn ineens drie perfect plausibele verklaringen die elkaar niet uitsluiten. Ik geloof zelfs dat ze elkaar een beetje aanvullen.

Madam wil de wereld ontdekken en ik ben al content wanneer ik eindelijk alle draadalgen uit mijn vijver heb getrokken zonder dat ik er nieuwe vind tussen al die steentjes in mijn zuurstofmoeras.

Om maar te zeggen, tussen ons zit veel ruimte maar niet dat soort ruimte waar relatietherapeuten of andere witjassen drama over maken. Het is gewoon noodzakelijke ademruimte en we gunnen die elkaar. Soms denk ik zelfs dat we op twee aparte eilandjes wonen met ergens daartussen een gemeenschappelijk schiereilandje waar we elkaar af en toe maar eens tegenkomen.

Ik zou het trouwens niet kunnen, vijfentwintig jaar naast iemand zitten die aan exact hetzelde denkt als ik. Dan kan ik evengoed tegen een spiegel praten. Die geeft tenminste commentaar waar ik iets mee ben.

En ik ken ook koppels die al jaren dezelfde spotify playlist hebben, naar dezelfde films kijken, dezelfde mening hebben over politiek, eten en vakanties. Vanop afstand zijn dat dus perfect op elkaar afgestemde dubbelgangers. Misschien werkt dat voor dat soort koppels, ik zou daar zot van worden.

“Waar zit jij eigenlijk aan te denken?” vraagt ze ineens zonder op te kijken van haar gsm.

Ik haal in gedachten mijn schouders op en mompel iets dat ook voor mezelf onverstaanbaar is.

“Waarom loopt die hond daar eigenlijk rond met een pamper aan?” vraag ik ineens langs mijn neus weg.

Ze kijkt even op, niet naar de tv maar naar mij en ze kijkt met een blik die mensen hebben wanneer ze niet zeker zijn of er een herhaling nodig is voor wat ze net gezien of gehoord hebben.

Er valt een stilte maar niet zo één die ongemakkelijk aanvoelt omdat iemand zich verplicht voelt om ze vol te brabbelen.

Ondertussen doen De Verhulstjes waar De Verhulstjes goed in zijn, rond een tafel zitten, lullen en wachten tot er iets gebeurt. Voor alle duidelijkheid niemand had het over een hond, er is zelfs geen hond in beeld geweest.

Vijf minuten later vraagt Gert Verhulst ineens, geheel volgens de wetten van dat programma, “Waarom heeft die hond eigenlijk een pamper aan?”

“Da’s raar,” zegt ze ineens en ze laat het mysterieus klinken alsof ze op het punt staat een dief  te betrappen.

“Wat?”, vraag ik achterdochtig.

“Vorige week heb je juist dezelfde vraag gesteld.”

En ineens had ik door waarom ze mij daarnet zo raar had bekeken. Niet omdat er wel of geen hond in beeld was geweest of een pamper of whatever. Maar omdat ik altijd en aan iedereeen probeer uit te leggen waarom ik nooit naar De Verhulstjes kijk, en ik net ontmaskerd ben.

En dan? Naar De Verhulstjes kijken is tien keer onschuldiger dan naar Pornohub. Daar kijk ik touwens ook niet naar.

Om er zeker van te zijn dat niemand er iets van gemerkt heeft.

Een onbelangrijke eigenschap van een verjaardag is dat iedereen het snapt waarom je die viert. Alweer een jaartje ouder, da’s niet niks. Ook al heb je er zelf niks voor moeten doen behalve blijven ademen en belastingen betalen. Toch krijg je felicitaties, taart en toen je nog klein was ook nog ballonnen en een feestje. Voor alle duidelijkheid ik verjaar pas binnen twee weken, op 13 september. Je hoeft me dus nog niet te verwensen.

Maar vandaag speelt er toch iets anders en dat is ook een soort verjaardag want vandaag ben ik exact dertien jaar gestopt met drinken. En dat was, laat daar geen twijfels over bestaan,“iets” minder vanzelfsprekend. Toch is er geen feestje.  Er speelt geen fanfare en er is geen burgemeester die een speech geeft waarop hij zegt.  “Proficiat Janneke gij hebt vandaag dertien jaar lang consequent iets niet gedaan.”

En toch zit ik hier te dubben. Moet ik daar nu iets over zeggen of moet ik deze dag gewoon maar laten passeren?

Niks zeggen, dat heeft iets elegants natuurlijk want dat heeft iets weg van nederigheid en dat past wel bij mij denk ik.  Maar door te zwijgen doe ik ook wel alsof ik boven de erkenning sta en dan lijkt het erop alsof ik de dalai lama van de AA ben geworden. “Zie mij hier eens helemaal geen aandacht vragen voor iets waar ik dertien jaar lang mijn ziel heb ingestoken.”

Als ik je zeg dat ik mezelf met die gedachte niet helemaal vertrouw, lieg ik niet. Want misschien is zwijgen gewoon wel een subtielere manier om aandacht te vragen. Een manier  die stil hoopt dat er toch iemand is die compleet toevallig die datum heeft onthouden. En dat er dan ineens in een berichtje verschijnt met de woorden, “Proficiat Jean!!  Doe er nog maar wa jaren bij……” Waarop ik dan bescheiden uit de lucht kan komen vallen om te zeggen, “Just… Nu ge’t zegt…”

Die mind fuck ken ik van vroeger, alleen toen waren de vloeistoffen anders, rijkelijker uitgegoten en straffer.

Maar eerlijk gezegd, er vandaag over spreken voelt ook een beetje ongemakkelijk aan. Zeker niet omdat ik me schaam, want dat doe ik al lang niet meer maar omdat elk jaar nuchterheid precies een nieuw verhaal vraagt. Een nieuwe balans ofzo of een nieuw soort eindafrekening waarin ik mezelf opnieuw verplicht om het allemaal nog eens uit te leggen. En dat is een beetje ambetant want de waarheid is dat met elke verjaardag mijn realiteit een stuk minder indrukwekkend wordt.

Na dertien jaar ben ik niet ineens een verlichte ziel geworden of zo. Ik was en ik ben nog altijd iemand die op restaurant eerst naar de dranken kijkt. Of op een feest of een receptie denkt, die witte wijn zag er precies niet slecht uit. Ondertussen weet ik wel dat die gedachte al lang geen bevel meer is.

En nu ik het herlees klinken die laatste zinnen weeral veel spectaculairder dan ze in ’t echt zijn.

Dertien jaar geleden stopte ik met drinken omdat ik ondervond dat alcohol veel te veel plaats ingenomen had. Plaats die mij helemaal had weggeduwd. Nu denk ik daar niet elke dag meer aan, wat misschien ergens een succes zou moeten zijn. Maar langs de andere kant, viert niemand dertien jaar omdat hij al zo lang niet meer met zijn hoofd tegen dezelfde muur loopt te bonken. Zeker niet als hij onderweg andere muren heeft gevonden om tegen te bonken. Applaus, toert, toeters, champagne en een groepsfoto met het feestvarken.

En dat is just waarom ik twijfel. Niet omdat ik niet fier zou zijn, maar omdat ik ongepaste fierheid altijd een beetje verdacht vind. Het is dan precies alsof ik mezelf een speekmedaille geef voor een handbalwedstrijd waarbij ik het grootste gedeelte van de match op de bank moest zitten.

En aan een nog andere kant,  als ik er helemaal niks over zeg, doe ik just alsof de dingen zich in die dertien jaar helemaal zelf hebben geregeld en dat volhouden ook maar iets is wat vanzelf gaat, gelijk ademen en belastingen betalen.

Dus als ik het nog eens zeg, zal ik het niet doen met een imagoversterkende LinkedIn-post van het derde knoopsgat met een zonsopgang en een regenboog en met een tenenkrullende quote over dat alles mogelijk is als je er zelf maar in gelooft. Niks van dat soort kul, ik zeg het gewoon als een  feit. Zoiets in de zin van, “Vandaag drink ik al dertien jaar niet meer, punt aan de lijn”.

Want dertien jaar, dat is toch lang genoeg om er niet meer het grootste deel van de dag mee bezig te moeten zijn? Al is het blijkbaar wel lang genoeg om er een hele dag over te lopen piekeren.

En dat is dan weer het perfecte bewijs van hoe weinig behoefte ik nog heb aan de mening van anderen. Ik heb genoeg aan de mijne. Misschien dat ik er daarom een tekst van meer dan achthonderd woorden over geschreven heb. Gewoon om er helemaal zeker van te zijn dat niemand er iets van gemerkt heeft.

Besta maar niet te luid

De trein begint langzaam te rijden maar het lijkt alsof het de wereld is die vertrekt. Het is spitsuur. De trein zit proppesvol mannen met laptopzakken, vrouwen met chacochen en laptopzakken er zijn jongeren met uitpuilende tassen alsof ze er hun hele kot hebben ingepropt.  Ik wring mezelf door een wagon. “Daar vier rijen verder, nog één vrije plaats. Meer heb ik er niet nodig”, zeg ik in gedachten tegen die toeschouwer in mijn hoofd die dezelfde reis maakt.

Buiten begint alles achteruit te schuiven, eerst gebeurt dat traag dan een beetje sneller.  Ik zie huizen, bomen, geparkeerde auto’s, een tuin met een trampoline, Hotel De Notelaar en een boze man die net een paar tellen te laat was en nu dwaas naar binnen kijkt omdat hij deze trein vandaag niet op tijd zal nemen.

Een vrouw met een wazige tattoo van een vogel op haar schouder schuift haar handtas een paar centimeter opzij zodat een man kan passeren. Hij knikt beleefd. Zij knikt beleefd terug. Hun relatie duurt één tel en dat was net lang genoeg voor niet gespeelde beleefdheid maar te kort voor wederzijdse nieuwsgierigheid.

Een andere vrouw die tegenover mij zit, is iets ouder. Ze draagt een bril met vierkant montuur die ze om de twee minuten een beetje hoger op haar neus duwt. Haar telefoon houdt ze met twee handen vast. Ik vermoed dat ze dat altijd doet. Ze glimlacht. Iemand heeft haar een bericht gestuurd. Is het goed nieuws of is het een foto van haar kleindochter die voor de eerste keer zonder zijwieltjes fietst. Misschien een vriendin die een slechte mop doorstuurde die ze al drie keer gekregen heeft. Misschien is het helemaal niets en is ze gewoon goed gezind.

Ik weet het niet.

Ik verzin het allemaal ter plekke maar weet dat ik er waarschijnlijk helemaal naast zit. Heel even speel ik met de gedachte om te vragen.”Goed nieuws?” Maar dat is het rare aan treinen, je zit dicht genoeg bij elkaar om elkaars parfum te ruiken, maar te ver uiteen om er iets mee aan te vangen. Zij glimlacht en ik verzin daar een verhaal rond. Misschien vraagt zij af waarom ik zwijg. Wie zal het zeggen?

Twee zetels verder zit een jonge gast. Hij ligt met zijn hoofd tegen het raam. Het is duidelijk een student. Zijn mond staat een beetje open. Zijn oortjes zitten nog in en zijn rugzak zit tussen zijn voeten geklemd alsof hij bang is dat iemand ermee vandoor gaat. Misschien heeft hij een zware nacht gehad of misschien is hij er net achtergekomen dat volwassenen op een trein gewoon maar doen alsof ze wakker zijn terwijl ze eigenlijk allemaal lopen te dromen in hun eigen wereldje.

Drie interessante mensen met een eigen leven. Ik krijg maar net genoeg informatie om er een verhaal mee te beginnen maar veel te weinig om het juist te vertellen.

Niemand zegt iets, of toch niet?

“Ik zit op de trein,” zegt een man veel te luid zodat de halve wagon ongevraagd mee in het gesprek zit. Op zich is dat zelfs een fascinerende zin. “Ik zit op de trein.” Vroeger, lang voor de gsm bestond, heeft waarschijnlijk nooit iemand die zin uitgesproken.  Toen liet gewoon niemand thuis weten waar hij was. Je kon niet zeggen, “Moeder, zet de petatten maar op, want ik zit op de trein, binnen een kwartier ben ik thuis.”

Dat was allemaal overbodige informatie want je moeder wist dat je op die trein zat. In die tijd kon een mens gewoon nog even verdwijnen. Nu kan dat niet meer.

“Ja, ik zit op de trein.”  “Nee, op de trein.” Maar dan luider alsof de mensen in die coupé daar nog twijfel over hadden. Ik merkte hun irritatie aan kleine dingen. Aan die jonge gast die zijn oortjes wat dieper stak. Aan die vrouw voor mij die even opkijkt om dan haar blik opnieuw op haar scherm vast te pinnen en aan die man die luid hoorbaar door zijn neus zucht.

Maar niemand zegt er iets van. Dat is ook zo een afspraak op een trein. Je mag bestaan, zolang je het niet met teveel lawaai doet.

Op dat moment trilt mijn telefoon. “Ja,” hoor ik mezelf zeggen. ” Binnen 10 minuten, ik zit nog op de trein.”

De vrouw tegenover mij glimlacht opnieuw, alsof ze mijn gedachten kon lezen en er met mijn laatste zin ook een verhaal heeft mee bedacht.

Ik vraag me af welk.

Een alledaags verhaal van een niet alledaagse BMW-bestuurder

Zondagmorgen, met een slaapkop en met mijn verfrommelde net-uit-het-bed-look, strompelde ik naar de ijskast, op zoek naar iets eetbaars. Brood was er niet. Dat had ik al gezien. Maar er was ook geen melk, geen yoghurt en tot overmaat van ramp was ook de pot choco leeg. De Dodentocht was dit weekend gepasseerd. Drie dagen lang had heel Bornem, naar jaarlijkse gewoonte, collectief besloten om alle supermarkten te mijden. Ik dus ook. Even maakte ik de overweging om gewoon te blijven waar ik was en te doen alsof een paar augurken, twee gekookte eieren, een bokaal vervallen ansjovis en zeven cashewnoten een volwaardige maaltijd kunnen vormen. Niet omdat dat een goed plan was, maar omdat ik op een leeftijd gekomen ben waarop ik mijn luiheid met zoveel overtuiging kan cultiveren dat die een nieuwe streng aan mijn DNA gevormd heeft.  Maar nu zat er echt niks anders op dan aan mezelf toe te geven dat ik dringend een paar boodschappen moest gaan doen. Zonder choco zou ik de dag niet doorkomen.

Een kwartier later reed ik dus vloekend en tierend met mijn net-uit-de-badkamer-look maar ook met mijn aftandse VW Polo, de parking van de Carefour op.

Ik zag hem direct.  Die BMW. Hij stond compleet scheef geparkeerd en niet zo maar een beetje scheef, maar echt gewoon los over twee parkeervakken, alsof witte lijnen alleen maar getrokken zijn voor normale stervelingen zonder BMW. De eigenaar van de patserbak was in heinde en verre niet te bespeuren en ik voelde in mijn hoofd een licht tot matige storm opsteken.

“Sommige mensen nemen wel erg veel plaats in”, dacht ik. Maar dat is de gekuiste versie van wat door mijn hoofd ging voor ik alles censureerde.

Een zwarte BMW dus. In mijn hoofd, maar nu dus ook op de parking van de Carfour, is de eigenaar zo’n figuur die altijd twee parkeerplaatsen nodig heeft, één voor zijn Bak Met Wielen en één voor zijn ego.  Elke dag knippert hij minstens tien keer met zijn lichten omdat iemand die het aandurft om voor hem te rijden, volgens hem altijd twee kilometer per uur te traag rijdt. Hij spreekt je aan met  “vriend” maar zegt dat op zo’n manier alsof hij juist een vergunning heeft gekregen om overal een klootzak te zijn. Natuurlijk draagt hij een zonnebril en staat zijn kapsel stijf van de gel. Dag in dag uit loopt hij tegen iedereen te stoefen over de prestaties van zijn “Beemer”. Prestaties die omgekeerd evenredig zijn aan die van zichzelf. Ongetwijfeld is hij van mening dat verkeersregels belangrijk zijn, maar alleen voor mensen zonder “Beemer”.

Ik wist niets van hem maar tegen de tijd dat ik een winkelkar had gevonden, had ik hem al schuldig bevonden voor parkeerterreur, een overdosis aftershave, chronische ombeschoftigheid en minstens drie gevallen van verkeersagressie. Ik kan dat heel goed, van op afstand van iemand een complete idioot maken zonder dat ik hem ooit ontmoet heb. Er zijn dagen waarop ik daarin uitblink, zeker na een weekend dodentocht en ik geen boterhammen met choco heb gehad.

Sorry, maar gelijk hebben is een rare hobby.

Ge krijgt daar geen medaille voor. Niemand belt ooit aan de voordeur met een boeket bloemen om te zeggen, “Janneke, we hebben het allemaal nog eens goe bekeken. En ge had gelijk. Niet alleen over die BMW, maar ook over uw theorie dat mensen die altijd gelijk hebben zich daar altijd vooraf voor excuseren, zodat ze nadien vals bescheiden kunnen zijn wanneer blijkt dat ze toch gelijk hadden.

Dat gebeurt dus nooit. Wat wel gebeurt, is dat ik, opnieuw in mijn hoofd (ik moet daar toch precies dringend eens weggaan), altijd wordt gefeliciteerd door mensen die niet bestaan.

Onder die dakpan van mij zit een vernuftig beloningssysteem, met een jury, punten en een klassement enal. Daar alleen krijg ik de erkenning die niemand in het echte leven mij ooit geeft. Tien op tien voor een juiste observatie, vijf bonuspunten voor een scherp inzicht en een eervolle vermelding omdat ik tijdens een discussie pas drie uur later het perfecte antwoord kan bedenken. Daarom zeg ik dus altijd eerst sorry. Niet omdat ik beleefd wil zijn maar omdat ik gelijk heb en hoop dat iemand mij ooit zal tegenspreken anders krijg ik echt altijd gelijk.

Alleen, de waarheid is iets minder spectaculair. Toen ik buitenkwam, stond er naast die BMW een man van een eind in de zeventig, misschien net over de tachtig. Hij was klein, stond een beetje krom en leunde met zijn linkerhand op een wandelstok. In zijn andere hand droeg hij een boodschappenzak.

Hij keek bedenkelijk naar zijn auto, schudde met zijn hoofd en zei tegen zichzelf en niemand anders in het bijzonder, “Dedju, ik staan zelf zo scheef als een zichel en dien bak van mijne jongste ook .” Daarna wrong hij zich in zijn geleende bolide en reed tegen drie kilometer per uur weg, met een file achter hem.

Dat was alles. Hij had geen zonnebril op, had geen gel in zijn haren want hij was zo kaal als een knikker en hij vertoonde geen branie of verkeersagressie. Hij was gewoon een kramikkig oud mannetje dat blijkbaar even slecht kon parkeren als ik kan oordelen en conclusies trekken.

De jury in mijn hoofd heb ik voor het binnengaan in de Carefour buitengesmeten. Ze waren druk in beraad over wie van ons twee op die parking de grootste idioot was. Ik had hun oordeel niet langer vandoen. Ik wist al dat ik het was.

Voor alles wat er nog is, ondanks al wat ontbreekt.

Dagen schuiven door.  Dat doen ze onverbiddelijk. Deze maandag heeft veel weg van alle andere maandagen, zelfs wanneer de kalender 29 juni aanwijst. Maandag 29 juni, een datum die op zich niet zo veel om het lijf heeft en toch hapert er vanalles aan want die dag heeft iets in mij vastgezet dat weigert weg te gaan.

Ik voel dat mensen blijven hangen. Diegenen die er niet meer zijn maar ook diegenen die achterblijven. In gedachten zeg ik hun namen allemaal luidop. Ik voel dat hun loodzware rouw milder is geworden. Ze kunnen elkaar al rustig neerzetten zonder dat ze omvallen.

Je hebt moed nodig om achter te blijven. Dag in dag uit alleen opstaan met telkens dezelfde vragen, wetende dat er vandaag ook geen antwoorden zullen komen. Misschien trek je vandaag zijn favorite trui aan en blijft je neus even hangen in de stof omdat je hoopt om daarin zijn geur te vinden. Je weet best dat die al een tijdje verdwenen is. Ook die plaat vol herinneringen laat je op de kast staan uit schrik dat ze te gewoon zal klinken of omgekeerd, dat elke noot te veel zal zijn.

Sinds je verdween zit het leven vol met dat soort haperingen. Je probeert dan wel te doen wat je moet doen ook al weet je dat vannalles ontbreekt. Toch begint de morgen soms al voorzchtig naar binnen te schuiven als licht onder een deur die je nog niet helemaal durft open te doen.

Wat je achterliet is niet proper uiteen gevallen. Het zit versrpreid in huizen, in kamers, in herinneringen en in gesprekken die plots stilvallen. De chaos zit ook in foto’s waar je net buiten beeld lijkt te staan. Ik weet niet of je dat bewust deed.

Misschien gaat het niet meer over begrijpen wat je deed. Misschien gaat het eerder over verdragen. Over toelaten dat je tegelijk afwezig en aanwezig bent. In de manier waarop je verder leeft, zonder juist te weten hoe of waar.

Er zit iets wat op troost begint te lijken omdat het gemis niet elke dag vlijmscherp of te pijnlijk is. Troost is dat denk ik, al durf ik zelf dat woord niet goed te gebruiken. De wonde is dicht maar het  litteken blijft jeuken. Troost, en ik denk dat dat het enige is wat we elkaar vandaag voorzichtig mogen beginnen gunnen.

Met de wind niet per se in de rug, maar net genoeg om een stap vooruit te zetten zonder dat iemand dat hoeft te merken.

Buitenspelval op zaterdagnacht

De bal ligt stil op het scherm. Misschien ligt de bal echt stil of misschien heeft mijn digibox beslist dat bewegende beelden een betalende optie zijn en ik maar een basispakket heb. Het is moeilijk te zeggen. Ik lig languit in de zetel. Natuurlijk lig ik hier, het is al zondag.  Eén hand zit in een zak chips. De andere in mijn short, twee plaatsen waar zelden belangrijke dingen ontstaan die later van pas kunnen komen.

“Het zit hem in de details,” zegt Eddy Demarez. En hij zegt dat alsof hij zelf die waarheid heeft uitgevonden. Ik neem hem dat niet kwalijk. Demarez is niet slecht, daar niet van, want hij klinkt dikwijls alsof hij begrijpt wat er op het veld gebeurt, en dat is veel meer dan ikzelf kan zeggen. Want het interesseert me allemaal maar matig en juist daarom moet ik opletten. Even niet kijken en ik ritsel in de verkeerde zak. Geloof me, paprika aan je scrotum is een risico dat je maar één keer bewust neemt.

“Ze moeten het spel beter lezen”, hoor ik hem stil, bijna gedempt zeggen alsof hij ook weet dat mannen in deze huiskamer meestal in de leegte praten.  “Zien wanneer het gat er is.” Deze zin doet mijn gedachten naar boven schieten, naar mijn vrouw die ligt te slapen. “Beter het spel lezen”. Ik probeer al zo lang haar spel te lezen maar raak meestal niet verder dan de eerste zin terwijl zij al aan de laatste alinea zit.

Op het scherm wordt iemand in de diepte gestuurd. De spits staat meters buitenspel. Ik zie de vlag, hoor het fluitje en alles stopt om opnieuw te beginnen. Fascinerend is dat niet echt.  Iedereen probeert als eerste aan de goal te zijn en dan word je gestraft omdat je te vroeg bent. Precies mijn leven, denk ik.  Ik herken dat.  Soms peis ik dat ik heel mijn leven al buitenspel sta, met een verkeerde timing. Ook al is het paal binnen, ik word afgevlagd. Het telt niet. Het voelt nochtans alsof het wel telde maar ik zat dan een fractie te vroeg of te laat in het gat.

Zo’n WK heeft iets geruststellends want iedereen doet alsof het ertoe doet, en daardoor doet het er ook toe. Er is een spelschema, met groepsfases, een knock-outfase, twee halve finales en uiteindelijk een finale met een duidelijk einde, één ploeg wint en die is kampioen. De rest gaat naar huis. Zelf heb ik niet dikwijls zo’n duidelijke afspraak met de toekomst gehad.

Ondertussen is het bijna twee uur. “Die moet erin,” Demarez zegt dat luider, met een soort vermoeide woede, waarschijnlijk omdat hij voelt dat hij in de leegte spreekt. De spits staat weer alleen voor doel maar hij twijfelt een fractie te lang en dat is genoeg. Hij trapt. De bal schampt de paal en botst terug het veld in.

“Dat scheelde niets!” En dat is het soort zin waar ik kwaad van word want het scheelde alles. Het is het verschil tussen iets waar je later over stoeft en iets waar je over zwijgt. Ik heb die momenten ook gehad. Dan dacht ik die zit er goed in, op de juiste plaats, de timing klopt, alles gaat vanzelf en dan zat ik juist niet ver genoeg of juist te ver om hem gewoon binnen te duwen.

Gewoon. Dat woord heeft ook zoiets onnozels. Alsof alles altijd zo simpel is. Alsof faalangst en twijfel, wegvallen zodra iemand “gewoon” zegt. In gesprekken is dat ook zo. “Ge moet gewoon wat meer praten, “gewoon” beter luisteren, “gewoon” beter uw best doen, alsof het leven zelf een lege goal is en je hem gewoon maar moet binnen duwen.

De match kabbelt verder. Er is minder tempo en meer misverstanden. Er wordt minder gelopen en er worden nog minder ballen goed geraakt. Af en toe is er een duel dat meer weg heeft van een misverstand of van commedia dell’arte. De scheidsrechter laat doorspelen, met het fluitje in de mond maar met te weinig goesting om erop te blazen.

Mijn vrouw roept ineens van boven. “Kom je sebiet ook?” Ik hoor de vraag duidelijk, misschien iets te duidelijk. Ze klinkt zelfs een beetje onheilspellend. Vragen die te duidelijk of onheilspellend zijn, kan  je best op voorhand interpreteren.

 “Kom je sebiet?” en ik denk aan die spits van daarnet en kijk nog eens naar het veld. De verdediging schuift naar voor en is klaar om de spits opnieuw te verrassen.

Demarez zegt: “Hij geloofde erin, maar hij dook toch weer iets te vlug in het gat.”

“Kom je sebiet?” Volgens mij is mijn buitenspelval net opengegaan.

‘De P-300 padelzak’

De rosé stond koud genoeg om gevaarlijk te worden. Natuurlijk zaten de dames eerst aan de toog want de eerste fles was al half. Hun hoofden waren tomatenrood aangelopen en hun lijven waren nog bezweet van die laatste rally die juist iets te kort was geweest om het sport te noemen maar net lang genoeg had geduurd om het als excuus te kunnen gebruiken dat het wel sport was.

Wij venten kwamen lichtjes manktend aangestrompeld, allemaal met een lijf dat alle tijd neemt om nu nog niet beginnen op te spelen. Daar is het morgenvroeg, als we aan de kuis moeten beginnen meer dan tijd genoeg voor. De meeste van ons nemen ook rosé, ik hou het bij water en koffie.

Zij, naam bekend bij de redactie, had een nieuwe padeltas.

Iedereen zag dat direct. Nog voor ze er zelf iets over had gezegd. De zak was groot en zwart, maar zwart genoeg zoals dingen die zwart zijn, zijn wanneer ze serieus willen genomen worden. Hij leek handig ook, maar was toch vooral groot maar zonder dat het stoeferig werd. Er waren geen blinkende ritsen of overdreven logo’s. Je zag aan alles dat dit geen impulsaankoop was die vrouwen soms durven doen als ze slecht in hun vel zitten. Neen deze zak was overwogen en beslist.

Die padelzak was een statement, misschien vooral voor zichzelf, zo van, “mannekes kijk nu efkes naar mijne padelzak en neem hem serieus, of anders neem ik mijzelf serieus.”

“Alleen P300-spelers hebben die,” zei ze, langs haar neus.

Niemand had al iets over haar nieuwe tas gezegd. “Het is een P-300-zak”, zei het half lachend, maar precies ook een beetje verontschuldigend alsof ze al haar padelambities in die zak had verstopt en ze die wilde neutraliseren met een mop.

Ik keek naar die tas en dacht, hoe handig moet het zijn om alles bij te hebben. Extra grips, extra ballen, zeep, shampoo, een frisse handdoek die naar wasmiddel ruikt in plaats van naar oud zweet en er zal zeker ook genoeg plaats zijn voor alle ambities en twijfels want die nemen meestal meer plaats in dan je in één padelzak kwijt kan.

De gesprekken gingen verder, zoals gesprekken dat doen op vrijdagavond als er genoeg rosé is en niemand nog moet winnen. Al leek rosé drinken zelf ook wel een soort competitie te worden. Van padel naar eten, het is  a small step for man, maar one giant leap for een padelgezelschap.  Want, in dat gezelschap worden soms dingen gezegd zonder dat iemand zeker weet of ze wel kloppen.

“Beuling, dat is toch zoute vis?” , zei iemand met zekerheid die exact één seconde overeind bleef.

“Neen,” zei zij, die met de nieuwe padeltas. “Beuling, dat zijn pensen.”

Die bewering werd gefactcheckt op een telefoon die al vettige vingers had van de nootjes en van de gebakken bouletten. En ze kreeg gelijk, al gaf haar dat niet onmiddellijk groot plezier.

Iemand vroeg wat er allemaal in die padeltas zat.

Ze haalde haar schouders op en opende de rits een heel klein beetje. Genoeg om iets te tonen, niet genoeg om iets te zien.

“Gewoon,” zei ze. Maar een volle padeltas is nooit zomaar “gewoon”. Dat weet ik als geen ander. Ik ben zeker dat er onderin die zak een halve kilo beuling verstop zit. Voor straks, als het gesprek stilvalt en iemand ineens zegt dat honger eigenlijk gewoon dorst is die zich vergist heeft.
Ik ben zeker dat in die zak geen halve kilo maar vijf kilo pensen versopt zit. Of een oude blessure, misschien zelfs een verloren match die nog niet helemaal verwerkt is.  Al zou het ook zomaar kunnen dat er een reservespeler inzit, voor later, als zij alleen P300 geworden is.

Onderbroeklogica en een zure ochtendwalm

Half wakker, half met mijn hoofd nog in een droom, sta ik in mijn onderbroek in de keuken met een lepel in mijn hand. De koffie dampt. Ik weet niet zeker of ik er al in geroerd heb, ook niet of ik er al suiker ingedaan heb. Droom ik nu dat ik al wakker ben?

“Eerst een duik in de vijver. Koud water zal me goed doen”.  Water op mijn vel is zo iets dat ‘s mogens automatisch door mijn hoofd wordt beslist. Het duldt geen discussie.  En toch pruttel ik tegen, ook automatisch, “Serieus, ga je nu al die vijver in? Je verspreidt nog een ochtendwalm alsof er een dode mus onder je tong zit. Je vissen gaan doodvallen, een rappe douche dan misschien?”

“Ok, maar eerst koffie. Altijd eerst koffie”, zeg ik tegen niemand en doe verder alsof deze morgen een duidelijke routine heeft. Ik neem een slok. Veel te vroeg en veel te heet, zo blijkt want mijn tong trekt zich terug zoals mijn piemel dat doet wanneer hij merkt dat de temperatuur van het water minder dan zes centimeter is. Met een verdoofde tong en met slapers in mijn ogen wordt mijn aandacht ineens gegrepen door het pakje sigaretten. Het ligt daar zoals het daar altijd ligt, naast mijn portefeuille en mijn sleutels. “Koffie en een sigaret, dat is toch de juiste volgorde”, zeg ik opnieuw tegen niemand.  Ochtenden hebben regels en structuur nodig, anders vallen ze uit elkaar. En ik vind dat er rust zit in voorspelbaarheid. Koffie, een sigaret en daarna ‘t wc. Ik weet ondertussen hoe het moet.

Dan ruik ik aan mijn adem. Het is te zeggen, eerst lik ik aan mijn hand en wapper de geur in mijn richting. Ik ruik nog steeds dezelfde zure ochtendlucht van een nacht die nog niet helemaal vertrokken is en waarin ik precies een onfrisse overjaarse MILF gebeft heb. En plots voelt dat eerste idee van die vijver iets minder noodzakelijk want ik stink vreselijk uit mijn bek. Het is zelfs een beetje gênant.

Van waar het komt weet niemand maar ineens is daar compleet onaangekondigd een ander dwingend bevel dat ook geen discussie duldt. “Ga nu naar de wc”. Mijn lijf laat zich blijkbaar niet plannen en volgt geen logisch schema, het trekt zich gewoon nul de botten aan van mijn zelf opgebouwd ritueel dat er tot nu toe nog geen is geweest.

“Eerst nog een slok koffie en dan gewoon verder doen alsof ik niet door iets van buitenaf gestuurd word. Alles nog even uitstellen”, zeg ik opnieuw tegen niemand die ondertussen al met zijn drieën zijn. Met dat uitstelgedrag gun ik mezelf de illusie dat ik controle heb.

Op de wc zit ik dan toch plots stil. Dat is misschien het enige moment van de morgen waarop alles even mag stoppen zonder dat ik er moeite moet voor doen. Even zijn er geen keuzes en geen volgorde. Gewoon zitten, een beetje naar de muur kijken, en voelen hoe mijn lijf leegloopt en mijn hoofd vol.

“Ok, Koffie. Kakken,tanden… vijver.” Ik zeg het luidop, alsof ik iemand probeer te overtuigen die al lang weg is.  Na de wc kijk ik naar mijn tandenborstel. Hij kijkt terug alsof die me iets wil verwijten. “Eerst poetsen”, roept hij. “Maar koffie na tandenpoetsen maakt mijn bek opnieuw smerig”, protesteer ik in gedachten. En met dat dilemma kom ik helemaal vast te zitten  tussen twee tegenstrijdige keuzes die elkaar in stand houden, maar niet genomen worden, en het is nog maar half acht.

 “Koffie. Kakken, tanden…vijver.” Het klinkt allemaal heel overtuigend en logisch maar ik hoor alleen de twijfels van mijn eigen stem. Ik neem nog een slok. Even testen of die koffie al beter smaakt. Dat doet hij niet. Het is nog steeds dezelfde gewone koffie.

Water heeft geduld, meer dan ik ooit zal hebben”, denk ik want in mijn hof wacht de vijver nog altijd uitnodigend op mijn gezelschap. “Hij ligt daar maar te liggen en trekt zich niets aan van al mijn ingebeelde schema’s die in ’t honderd blijven lopen. Even stel ik me  voor hoe het zou zijn om gewoon te gaan. Zonder koffie, zonder tanden poetsen, zonder plan. Gewoon naar buiten, blote voeten door het natte gras, en net op tijd koud water op mijn vel voor het denken kan beginnen.

Maar ik beweeg niet. In plaats daarvan maak ik een boterham. Want ergens in die warboel van besluitloze volgordes bedenkt mijn lijf dat eten nu logischer is. Zoals altijd smeer ik choco veel te dik, alsof meer choco mijn beslissingen meer gewicht zal geven. Ik sop mijn boterham in de lauwe koffie, neem een hap maar proef nauwelijks iets. Mijn hoofd zit bij de vijver, bij de tandpasta, bij mijn zure ochtendwalm en bij die denkbeeldige versie van mezelf die altijd alles in de juiste volgorde wil doen en daar nooit in slaagt.

Dat pak sigaretten blijft liggen. Dat is nieuw of misschien valt het me nu pas op. Ik schuif het pakje een beetje opzij, alsof ik met die handeling plaats wil maken voor een nieuwe gedachte, een nieuwe keuze. Ik maak ze niet.

De koffie is ondertussen koud maar drink toch verder. Niet omdat ik dat wil, maar gewoon omdat hij er toch staat. Meer redenen heb ik niet nodig.

Dit is zo ongeveer mijn dagelijks ochtendritueel, alleen het is er nooit echt één. Eigenlijk doe ik elke morgen niks anders dan half wakker, half dromend, rondjes draaien rond een vijver die niets van mij vraagt. Ik kijk naar buiten. Het water beweegt rimpelend, alsof het me uitlacht. Ik kan dat niet goed zien van hierboven. En ineens denk ik dat ik er al in ben geweest. Daarstraks net voor die koffie. Die is ondertussen ijskoud geworden en dat is misschien het eerlijkste aan deze ochtend. Alle zaken die “heet” moeten blijven, worden uiteindelijk toch ijs- en ijskoud. Kijk maar naar mijn… (puur uit zelfbehoud beslis ik om deze zin niet af te maken, deze ochtend is namelijk al moeilijk genoeg zo)

Ik zet mijn zjat neer en wacht. Op wat? Dat weet ik niet. Misschien op het moment dat één van die versies in mijn hoofd eindelijk kan beslissen wat er eerst moet gebeuren.

Ondertussen blijft mijn boterham liggen. Mijn tandenborstel ook. Buiten trekt de vijver zich daar niets van aan.

Tussen verdiepingen

De lift ruikt naar goedkope parfum van een vrouwelijke collega die zonet op de tweede verdieping is uitgestapt. Hij staat naast mij. Het is nog geen negen uur en ik wacht tot hij op een knop duwt die blijkbaar al ingedrukt was. Ik kijk naar de cijfers die te traag bewegen. Ik weet wie het is, maar zijn naam… Die zit in dezelfde schuif verborgen tussen alle andere namen die ik moest onthouden maar dat voor onduidelijke redenen niet meer kan.

De lift hapert tussen het gelijkvloers en de eerste verdieping. Het is zo’n schok die ik in mijn knieën voel.  Ik probeer het weg te lachen, maar doe het niet. We staan met z’n tweeën in de lift. De man naast mij, ik kom echt niet op zijn naam, houdt zijn laptop vast alsof het zijn enige houvast is. Hij knikt kort, alsof hij me ook van ergens kent maar dat liever vergeet.

“Warm he,” zeg ik.  Hij zucht, “ja zo is dat hier altijd”. Het zijn woorden die niets vragen en niets geven en alleen maar dienen om een ongemakkelijke stilte op te vullen.

Ik hoor ons praten. We lachen niet. We glimlachen ook niet. We blijven gewoon staan zonder iets te riskeren. Ik voel mij plots heel zichtbaar in mijn korte broek en met mijn poging om iets open te trekken wat niet open wil. Alsof er een handleiding bestaat voor dit soort ontmoetingen en ik de verkeerde bladzijde heb opengeslagen.

Hij kijkt naar het plafond, ik naar de spiegel die ons iets eerlijk laat zien. Twee mensen die iets proberen maar het niet vinden. Ik vraag mij af of hij dat ook voelt of gewoon… doorgaat. Sommige mensen lijken dat te kunnen. Gewoon bestaan en doorgaan.

De lift stopt. Hij stapt uit zonder afscheid te nemen. Ik blijf nog een seconde staan, alsof ik nog iets wou redden, maar de lift beslist voor mij. Hij sluit en trekt naar een andere verdieping, opgelucht dat hij verder kan zonder ons.

Later op de dag, ik stop aan een bureau van een vrouw die ik eigenlijk maar net ken. Een nieuwe collega want haar naam plakt ook nog niet helemaal vast aan mijn geheugen,  haar aanwezigheid doet dat wel. Ze zit niet stil. Haar handen bewegen als ze praat, niet storend maar alsof gewoon stilzitten niet bij haar past. Op haar bureau ligt haar telefoon met het scherm naar beneden. “Anders ga ik er te veel op kijken,” zegt ze, zonder dat ik ernaar gevraagd heb.

Ze vertelt dat ze migraine heeft. Niet dat soort koppijn dat je wegslikt met een pilletje en een glas water. Ze heeft er gisteren een inspuiting voor gekregen. “Het begint altijd achter mijn ogen en dan neemt het langzaam alles over. Alsof iemand het licht uitdoet, maar dan alleen in mijn hoofd.” Ze lacht ermee. Niet omdat het grappig is, maar omdat het zo serieus is.

Ze wrijft kort over haar slaap. “Ik voel het op voorhand opkomen,” zegt ze, bijna alsof ze zich ervoor excuseert. Ikzelf merk dat ik rechter ga zitten om te luisteren en voel dat ik iets moet zeggen. Maar wat? Ik ben misschien goed in woorden die een gat vullen maar veel minder in woorden die iets oplossen.

“Heb je dat… dikwijls?” vraag ik.

Ze haalt haar schouders op. “Soms. Te veel geluid. Te veel mensen. Of gewoon mijn lijf dat beslist dat het genoeg geweest is. Misschien is het overprikkeling. Of hormonen. Of gewoon pech.” Ze zegt het droog, alsof ze een weerbericht geeft over haar eigen hoofd. Het zijn allemaal even geldige verklaringen voor dezelfde koppijn.

Ik wil iets verstandigs zeggen, iets wat kan helpen. Maar alles wat in mij opkomt klinkt als advies van dokter Google. Dus ik zeg niets. Ik luister gewoon. Dat blijkt voldoende.

We gaan voorbij de logica van klachten en triggers. Ze vertelt me over hoe ze soms midden in een vergadering voelt dat het eraan komt en dat ze dan blijft zitten, knikken en doen alsof ze nog volgt, terwijl ze al lang mentaal op pauze staat. “Je wil niet weer degene zijn die weer moet afhaken,” zegt ze. Dat woord ‘weer’ blijft even hangen tussen ons.

“Ik doe dat ook,” zeg ik. “Niet afhaken maar blijven terwijl ik er eigenlijk al lang niet meer ben.” Ik vertel haar niets spectaculairs over mezelf, geen grote verhalen. Alleen kleine dingen en ook dat ik soms gesprekken voer die nergens landen en dat ik me dan erger aan mijn eigen beleefdheid. Dat ik soms liever stilte heb die iets betekent dan woorden die lawaai maken. Ze knikt instemmend. Het is dat soort knik dat je niet kan faken.

Het bureau is ondertussen leeg. Buiten ons twee is er niemand.  De tl-lampen zoemen zacht, alsof zij ook iets willen zeggen maar niet weten hoe. We praten rustig verder over hoe mensen soms passen, elkaar aanvoelen en soms helemaal niet. Ze zegt dat ze die situaties herkent en dat ze het ook niet kan uitleggen. Ik zeg haar dat het misschien niet moet.

“Raar,” zegt ze plots. “Het trekt weg.”

Ze wijst naar haar slapen, alsof ze me wil laten zien waar de koppijn zat. “Die druk. Het is minder.” Ze zegt het voorzichtig, alsof ze schrik heeft dat het terugkomt als ze het te luid uitspreekt.

Ik sta recht. Het gesprek is niet afgerond. Het stopte gewoon, zonder dat het een einde nodig had om te kloppen.

Op de gang kom ik de man van de lift weer tegen. Hij knikt opnieuw. Dezelfde knik, dezelfde afstand. Ik knik terug maar net iets sneller deze keer, en ik besef dat ik me zijn naam nog altijd niet herinner en dat ik nog altijd niet weet wat ik hem zou moeten zeggen.

Misschien wil ik het zelfs niet meer weten.

Op voorhand crisis

Onlangs las ik ergens in één of andere blog voor wanhopige mannen dat de gemiddelde midlifecrisis ergens rond uw vijftigste begint. Ergens rond uw vijftigste? Maar wat is dat juist? Is dat vijfenveertig, vijfenvijftig of achtenvijftig met een overdreven interesse voor de kleur van gras waardoor ik elk weekend gelijk een gepensioneerde tuinarchitect in mijn hof loop te koteren? Niemand weet het. Het is voor iedereen verschillend en laat dat het nu zijn met die midlifecrisis. Ze komt wanneer ze goesting heeft, zonder brief en zonder uitnodiging.  Enfin een beetje gelijk mijn ex. Ge ziet of hoort daar jaren niks van en ge peist dat ge er voorgoed vanaf zijt tot ze u voor welke reden dan ook dringend moet spreken.  Blijkt dat ze gewoon geld vandoen heeft en ze dat bij mij hoopt af te troggelen.

Midlifecrisis komt dus ergens halverwege, maar wanneer was ik daar, daar ergens in den helft? Met mijn ADHD heb ik graag structuur, een duidelijke planning, het liefst in Excel met minstens één tabblad in fluo, “toekomstige miserie”. Overzicht dus. Maar het probleem is, mij leven heeft geen structuur. Het heeft alles weg van een rommelige schuif met elastiekjes, opladers, vervallen condooms en drie identieke Ikea-inbussleutels zonder te weten wat die dingen daar liggen te doen.

Daarom kies ik nu al voor crisis.

Mijn madam, die voor onduidelijke redenen nog dikwijls in mijn buurt vertoeft, bekijkt me zoals ze naar een kat kijkt die net de zetel heeft kapot gekrabt en daar zelf heel tevreden over lijkt te zijn.

“Wij zitten al 25 jaar in een relatie,” zei ze. “Dat is de crisis.”

Misschien heeft ze een punt. Het is allemaal al lang geen romantische film meer. Misschien is het ooit zo begonnen maar halverwege, tijdens zijn midlifecrisis, heeft de regisseur voor een ander genre gekozen. Het werd een documentaire over een nieuw logistiek samenlevingssysteem. Wat wij hebben heeft dan ook veel weg van die kleine luchthaven die je ziet in Aircrash Investigations op National Geografic, met vertragingen, onverstaanbare aankondigingen en af en toe een onverwachte noodlanding, en één persoon die altijd kwaad naar de security kijkt.

Vroeger droomden we samen. Nu bespreken we in detail of kaas met groene schimmel nog eetbaar is en wie eerst naar het wc mag.

Een midlifecrisis zou daar allemaal verandering in moeten brengen. Dat heb ik toch gelezen in die blog. Venten kopen een sportwagen, nemen een minares of erger, ze beginnen te padellen en leren Spaans “voor later, op reis”.
Zelf heb ik het bescheidener aangepakt. Ik heb online gekeken of een tweedehands camper betaalbaar is, niet eens om te kopen, gewoon om te kijken. Een uur lang en dat was al redelijk revolutionair.

Ze had het natuurlijk direct gezien, “ga je een camper kopen?”  “Nee”, brabbel ik, “Ik ben gewoon aan ‘t kijken.”

Ik denk dat elke midlifecrisis ongeveer zo begint, met een zoekterm op Google.

En ergens snap ik het allemaal wel want rond deze leeftijd begint alles te kraken. Mijn lijf bijvoorbeeld klinkt gelijk een houten trap uit mijn ouderlijk huis van 1974. En mijne kop begint vragen te stellen over zaken waar ik vroeger helemaal geen tijd voor had. Wat heb ik gedaan? Is dit het? Heb ik hier veertig jaar mijn botten voor afgedraaid en waarom heb ik drie verschillende opladers waarvan geen enkele deftig marcheert?

Zij daarentegen heeft geen crisis nodig. Zij is de structuur zelf, de Excel in ons leven. Met kleurcodes, filters, draaitabellen en met een verborgen tabblad waarin al mijn fouten systematisch worden bijgehouden.

Misschien is een lange relatie gewoon een permanente oefening in hoe je een crisis uitstelt. Ik schuift ze ook voor me uit, jaar na jaar, gelijk dat krantenabonnement dat ik altijd vergeet op te zeggen.

Ineens zegt ze, “we moeten hier eens naar kijken.”
En ik antwoord, “is ‘t dringend?”
“Nee”, zegt ze,  “laat maar. We hebben nog kaas. Ik vroeg me gewoon af of die nog goed is.”

Misschien kies ik bewust voor die dagelijkse kleine crisis. Niet omdat het moet maar omdat het dan eindelijk eens alleen over mij gaat.

Tot ze vraagt wanneer de vuilkar komt en wie de vuilnis buitenzet.

Dan ineens besef ik, dit is geen midlifecrisis.

Het is gewoon zondag.

De ultieme Padel-les voor koppels

Ze hadden het nochtans vooraf afgesproken “gewoon voor het plezier”. Het spelletje start dan ook zoals het spelletje hoort te starten, met ballen die braaf over en weer gaan, maar dat ook doen met een onheilspellende rust die veel te kalm is om onschuldig te blijven. Twee lichamen die al lang niet meer in topconditie zijn. Maar zich voor de gelegenheid hebben uitgedost in een tot in de puntjes doordachte sportoutfit, een padeloutfit die voor beiden veel meer belooft dan hij kan waarmaken.

Haar lijf zit als gegoten in dat laatste nieuwe padelpakje. Je moet haar zien. Ze ziet eruit alsof ze net uit een reclamefilmpje van Bullpadel is gestapt. Haar perfect uitgekozen ‘ensemble’ zit strak en oogt professioneel. De kleuren zijn assorti met de schoenen, de sokken met haar ondergoed. Ze kan zo défilé lopen op de padel catwalk van een sports illustrated modeshow. Ze zou er niet op misstaan. Haar modieuze rokje volgt haar lichaam met een soort zelfvertrouwen en elegantie die haar voeten niet altijd lijken te delen. Zij heeft een splinternieuw, vederlicht racket dat blinkt in wit carbon, een model waarmee vermoedelijk de halve World Padel Tour-finalisten ontelbare winners hebben geslagen. Alles aan haar ademt controle, elegantie, finesse en ervaring.

Hij daarentegen houdt zijn racket vast alsof het een biljartkeu is. Hij kocht het onlangs in dezelfde winkel.  Topmateriaal, had de verkoper gezegd. Sinds dan is hij er van overtuigd dat hij zich ergens in de buurt van een P-1000 bevindt, een niveau dat er in zijn hoofd alleen maar uit bestaat om in gedachten heel hard “vamos” te denken zonder het luid te durven uitspreken.  Hij draagt compressiesokken die zijn onderbenen er doen uitzien als kiekepoten. Ze zijn voorzien van twee orthopedische kniebraces die elke stap die hij zet, laat voorafgaan door veel te lange onderhandelingen.  De schouderbrace die hij op maat heeft laten maken, houdt zijn bovenlijf bijeen alsof dat ook een fragiele constructie is die anders uit elkaar valt bij de eerste voorzichtige slag. Zijn outfit is hip, al zou die veel beter passen bij iemand anders (jonger, sportiever, cooler) maar hij was wel duur. Dat telt ook ergens.

De eerste spelletjes verlopen ontspannen en staan bol van goede bedoelingen. Tijdens de opwarming al slaat zij voor hem onhoudbare ballen terug.  Hij corrigeert, vooral tactisch en voorzichtig, “iets dichter bij het glas en iets meer naar het net”, zo klinkt het.  Het zijn kleine, bijna liefdevolle aanwijzingen, die nog net geen kritiek zijn. Zij knikt van achter haar zonnebril, maar haar blik blijft toch al een fractie langer op de baan hangen, alsof zijn boodschap onderweg nog even moest uitwijken langs een omweg in haar hoofd alvorens hij landde waar het bedoeld was. “Ja ja,” zegt ze, al lichtjes geprikkeld en iets luider dan strikt noodzakelijk. Ze wil immers ook leren en winnen maar vooral, ze wil tonen dat ze zelf haar balletje (mannetje) wel kan slaan (staan).

Tijdens het eerste spelletje valt een bal tussen hen in. Hij was niet beslissend want nadat het splinternieuw wit carbon racket zijn minder dure racket raakte, belandde de bal ergens in het achterveld.  Die bewuste bal vloog naar de overkant van de baan en werd geslagen met genoeg ernst om het plezier te laten verdwijnen. Het was dat soort bal die in een relatie hetzelfde gewicht heeft als een lege rol wc-papier die niet tijdig vervangen is of de spreekwoordelijke wc-bril die niet dicht is , triviaal en niets op zich maar symbolisch in alles. 

Zij zegt dat bewegen en communicatie belangrijk zijn.  Hij hoort alleen maar, “tamme zak, beweeg eens dat was jouw fout.”  Als het tweede spelletje start, spreken ze ineens een andere taal. Het zijn geen zinnen meer. Hun communicatie heeft veel weg van oerkreten waarmee Neanderthalers elkaar afblaffen. Ze blijven ergens hangen tussen sturen en verwijten. “Die was van jou”, snoeft ze. “ Maar je zei niks”, reposteert hij, nog enigszins beleefd.

De padelbaan verandert. De lijnen blijven waar ze altijd al zaten, het glas blijft ook op zijn plaats maar met elke slag lijkt het veld kleiner en de afstand naar de overkant van het net groter. Elke bal krijgt de lading mee van de vorige.  Niets begint nog op nul, zelfs het volgende spelletje niet.

Een bal valt opnieuw tussen hen in. Hij staat links zij rechts. Eerst kijken ze er allebei naar, dan  naar elkaar. Niemand beweegt. “Serieus?” zegt hij. “Wat?”, blaft zij terug. Ze kijken elkaar aan alsof ze zelfs niet meer weten dat de bal moet opgeraapt worden. “Pak hem zelf!”, bitst ze.

Vanaf dan gaat het sneller. Zij begint nog harder te slaan alsof kracht kan redden wat ze al lang niet meer onder controle hebben.  Ballen vliegen tegen het glas, tegen het net of over de kooi. Het maakt nog weinig uit. Het moet vooruit gaan. Hij vergeet zijn eigen blunders en geeft een theoretische verklaring voor elke fout en voor elke reden een uitleg die ook in het net beland of tegen het glas.  Alleen zijn woorden worden scherper, zijn slagen volgen niet.

Op het veld ernaast wordt niet meer gespeeld. Er wordt met open mond gekeken naar het spectakel. Iemand leunt tegen het hek.  Iemand anders verslikt zich in een slok water. Vanuit de cafetaria schuift een stoel en nog één.  “Zij zijn precies niet meer aan het padellen,” zegt iemand. “Moeten we niet eens gaan kijken?”

Aan de overkant kijken de tegenstanders elkaar eerst nog  glimlachend aan. Een soort glimlach die zegt, “dit gaat wel over”. Ze proberen nog even, een bal terug en nog één. Uiteindelijk laten ze een punt lopen dat ze makkelijk hadden kunnen winnen, uit voorzichtigheid of medelijden, wie zal het zeggen? Elke rally dreigt drie keer onderbroken te worden met, “Je moet op tijd ‘los’ roepen! En jij moet niet elke bal tegen de ruiten kloppen!”

Zij vindt dat hij te veel analyseert. Hij vindt dat zij niet luistert.
Hij vindt dat zij altijd controle wil. Zij vindt dat hij te veel ‘ballen van haar’ neemt.

Haar outfit blijft ondanks alles perfect zitten. Wanneer ze een bal mist, doet ze dat esthetisch verantwoord. Het rokje vangt elke beweging op en het racket volgt een lijn die op papier misschien nog wel klopt, alleen de bal doet niet meer mee. Die heeft ondertussen alle ruiten proper gemaakt. Dat maakt het voor hem allemaal nog erger.

Hij daarentegen begint, zoals dat in YouTube-filpmjes uitgelegd wordt, zijn greep op het racket te verleggen, subtiel maar compleet fout. Een teken dat hij wil terugvallen op instinct, alleen heeft hij nog nooit instinct ontwikkeld omdat hij te trots is om les te volgen. De combinatie van overtuiging en onkunde krijgt iets ontroerends, tot het dat niet meer is.

Bij 1-9 is het voorbij. Officieel toch. Ze tikken af, correct en beleefd, zoals het hoort, met rackets tegen elkaar, maar ook met een hand die net iets te hard wordt geschud. Het einde kwam veel sneller dan verwacht of niet snel genoeg, dat kan ook.  De uitslag was al lang bijzaak, want het spelletje vertoonde veel te veel gelijkenissen met de Roses uit The war of the Roses net voor ze in hun alles verwoestende vechtscheiding terecht kwamen.

 Ze verloren dan ook roemloos en dat stond al een tijdje vast. Wat niet vaststaat, is wat er tijdens dat spelletje precies nog allemaal is verloren gegaan.

Het advies vanuit de cafetaria komt ongevraagd, maar het is voor hen beiden heel duidelijk. Niet meer samen spelen. Niet omdat het niet kan maar omdat niemand wil zien wat er dan echt kapotgaat.