Frans Laarmans van de jaarmarkt

 

Frans Laarmans, hoewel hij er uitermate ongeschikt voor was, gaf de wat rare snuiter ooit zijn werk van bode bij de General Marine and Shipbuilding Company op om zelfstandige kaasboer te worden. Met die carrièreswitch zou hij zeker in de gratie vallen van zijn omgeving naar de welke hij opkeek. Hij was overtuigd dat zijn nieuwe werk hem bij hen wat meer aanzien en status zou verschaffen. Althans zo had hij gehoopt.

Wat heb ik me bleekblauw geërgerd aan hem toen ik nog een vlegel was. Omdat hij als hoofdpersonage, steevast een prominente plek kreeg op een van de verplichte lectuurlijsten in de lessen Nederlands. Ik vond er niets aan omdat het verhaal veel te ver verwijderd was dan de dingen waar ik toen mee bezig was, als ik toen überhaupt al ergens mee bezig was.

Zeker ben ik niet want ik kan het hem niet meer vragen. Alfons de Ridder of Willem Elschot voor de leek, is per slot van rekening al van negentienzestig, even dood als Julius Caesar. Toch zou ik er nu geld voor over hebben om hem eens een paar vragen voor de voeten te gooien. Ik zou hem zeer zeker interpelleren over, of hij zich ooit zelf zo gevoeld heeft als Frans Laarmans, zijn favoriete hoofdrolvertolker. Vooral omdat van Frans beweerd wordt dat het één van Elschots alter ego’s was. Ik zou hem zeker ook vragen hoe de Schoonebeeks van deze tijd er nu uitzien en of ze nog op dezelfde verborgen manier verleiden in ruil voor status en aanzien. Niet dat ik opeens brie, camembert of oranje cheddar ga verkopen of markten ga afschuimen. Het tegendeel is eerder waar.  De onbestaande ambitie om marktleurder te worden, heb ik na mijn avontuur van gisteren snel in de schuif opgeborgen. Marktkramer is een niet te onderschatten stiel. Dat mag ik na gisteren getuigen. Gisteren probeerde ik mijn boekje aan de man en vrouw te brengen op de jaarmarkt. Net zoals Frans had Ik te veel tijd gestoken in de verpakking en de vorm en nauwelijks in een ernstig plan van aanpak. Zo was mijn kraam leuk versierd met posters, flyers en banners. De cake, de koffie, zelfs de kopjes en de borden waren zorgvuldig uitgekozen uit recyclebaar karton. Echter ik had geen moment stil gestaan bij hoe ik de voorbijgaande mensenmassa kon aanspreken met mijn koopwaar. Hoe ik wat aandacht kon verkrijgen. Mijn kraampje zag er net eender uit als alle andere.  Het gros van de tijd stond ik te sterven zoals vliegen en motten in een alleen staand huis. Frans Laarmans had er niet aan.

Zal ik dan maar weer gewoon doen wat werkt en een column schrijven in plaats van me de Eddy Wally van de jaarmarkt te wanen. Een boek is per slot van rekening geen sjakosj en al zeker geen bol kaas!

Zeedijk van de onzin

 

Als verveling me om de oren kletst, waag ik me wel eens aan een wandeling op het internet. Op de zeedijk van de onzin en de overbodigheid schep ik lucht en snuister ik rond tot iets me opvalt.

Zo een vijfentwintig jaar geleden had een bolleboos het wat vreemde idee die activiteit als “surfen” te benoemen. Ik ben geen etymoloog, en hoewel ik me in gedachten op een virtuele zeedijk bevind kan ik me niet voor de geest halen waarom die bezigheid als surfen moest bestempeld worden. Aan verbeeldingskracht ontbreekt het me doorgaans niet maar staren naar een scherm of schuiven met een muis heeft volgens mij weinig uitstaan met watersport. Die activiteiten worden doorgaans rechtstaand gedaan, op een plank of op een zinker, met zeil of zonder. Al durven ze dat tegenwoordig ook al op hun knieën doen, al peddelend op een plas. Mij niet gelaten.

Ik nestel me achter een scherm en laat me het geen me voor de ogen schuift niet ontvallen. In een poging me niet druk te maken glijd ik, met de muis in aanslag, van het ene oninteressante artikel naar het andere. Ik surf!

Hier op het internet is het razend druk. Dat is het hier altijd.  Iedereen wil in deze tijd van vluchtigheid een deeltje van de publieke ether om zinnige of onzinnige dingen te delen met de wereld. Op mijn virtuele promenade merk ik merk dat de verkiezingspropagandamolen op volle toeren draait.  Ik stuit op edele voornemens, onuitvoerbare ambities en tactische uiteenzettingen, verkondigd door betrouwbare uitziende figuren. Beloftes worden vervoegd tot onbestaande, overdreven of over het paard getilde superlatieven. Het is nooit anders geweest en het zal nooit anders zijn. Verkiezingen lijken wel een georganiseerde ruzie waar kleine kanten van diegenen van het andere gedacht, uit proportie gesleurd worden en waar belangrijke verwezenlijkingen van de vijand, geminimaliseerd worden tot ondeelbare deeltjes. Wanneer anders onbenullige mensen de kans krijgen om mee aan de vetpot te likken maken ze rare soms bokkensprongen. Dat blijkt. Ik zit er niet mee. Ze doen maar, hier op dat internet.

De baren van de pulp brengen me ongevraagd bij Enzo Knol. Deze jonge “ondernemer” verdient meer dan zijn brood door zelf opgenomen filmpjes te delen op het internet, in een vlog. Meer doet hij niet. Wanneer hij ontwaakt, filmt hij zijn suffe kop. Wanneer hij eet, vereeuwigt hij zich door mondvol te praten over wat hij tussen zijn kiezen propt. De hele tijd loopt hij rond met stijve arm of met een selfiestick om in scene te zetten waar hij zijn dag mee vult. Hij doet het altijd en overal.  Wanneer hij eet, slaapt of kakt. Alles gaat de ether in en 1.9 miljoen mensen kijken jaloers mee. Als voyeur naar een freak. De wereld draait raar tegenwoordig, hier op dat internet.

En dan ben ik  blij dat ik me af en toe maar eens verveel. Zodat jullie geen getuige hoeven te zijn van een opname van mijn kwijl dat uit mijn mondhoed sijpelt wanneer ik hier op mijn sofa, op mijn tamme krent, in slaap gesukkeld ben. En dat ik jullie maar af en toe eens mag vervelen met mijn zelfgeschreven onzin. Aan jullie om weg te zappen of verder te lezen. Het is ten slotte jullie internet!

Emo vs ratio

Doe ik het te niet dikwijls en veel te verregaand vraag ik me af. Stel ik me niet steeds veel te veel vragen? Over mezelf, over het leven in het algemeen of over mijn intieme beslommeringen? Ben ik met mijn publiek gedachtengespin dan een zielsverwant of eerder een rare zonderling die solitaire speelt met zijn private zielenroerselen? 

Als ik haar die kwestie voor de voeten gooi, kijkt ze me aan alsof ze het in Keulen hoort donderen! Ze wikt en weegt woorden, om te reageren maar buiten stilte die lawaai maakt, komt er niet veel. 

Met die plotse diepe frons op haar anders zo strakke voorhoofd, verraadt ze dat ze me niet begrijpt. Alsof we opeens een anders soort taal spreken. Ze geeft indruk niet te vatten wat ik probeer duidelijk te maken. Soms is praten moeilijk, alsof we op twee sporen koersen aan verschillende snelheden, in tegenovergestelde richting.

Soms wil ik een van mijn netelige kronkels begrijpelijk maken. Het gaat dan meestal over persoonlijke hindernissen, waar ik tegen aan bots. Kwesties waar ik loop op te bijten of waar ik mijn geweten mee aan de waggel houd. Op die momenten wordt mijn uitleg, of wat daar moet voor doorgaan, eerder een obstakel voor verduidelijking dan een poging tot toenadering. Ik voel dan te veel. Daar staan we dan, emo versus inzicht.

Met geargumenteerde ratio redeneert ze dan, alsof het geen moeite kost, mijn veel te gevoelsmatige benadering stuk. Hoewel ik voelsprieten heb die te vertrouwen zijn, of die ik vertrouw, mis ik meestal toch alle harde bewijs om mijn punt te maken, en dan voel ik me stom en stupide. Niet in staat om op te tornen tegen te veel beredeneerde argumenten.

“Je bent te verstandig voor mij” denk ik dan want vleierij is peper en zout in de relatie. Al zou ik om die te proeven, die paar woorden, de volgende keer gewoon beter ridderlijk en luidop uitspreken zodat haar blazoen ook opgeblonken blijft. 

Droom

Ik werd wakker met een schok, alsof ik ontwaakte uit narcose. 7:02 08 werd in rode cijfers op het plafond geprojecteerd. Tegen de schuine plafondwand zodat de cijfers een beetje uitgerekt en minder scherp werden. Ik zou minstens nog een uur langer kunnen blijven soezen zoals muizen tussen meel want op mijn werk word ik niet getimed. Niet met een prikklok, niet met een andere vorm van tijdsregistratie. Ze kijken daar niet al te nauw op uur en tijd. De bazen doen dat ook niet. Soms komen die pas om tien uur aan om nog voor de klok van vier terug te verdwijnen. Naar belangrijke afspraken met invloedrijke mensen uit voorname netwerken waar ons, ons kent. Niet dat ik dat heel zeker weet.

Maar ik deed het niet. Ik smeet de te dikke dons aan het voeteneind en ging op de rand van het bed zitten en staarde in het duister. Ik wou terug naar die vreemde droom die ik bijna kon terughalen. In een laatste vruchteloze poging probeerde ik er in gedachten naar te grijpen, maar de gestalten werden vage schimmen en losten zich vervolgens op in geesteloze grauwe damp.

Ik wankelde slaapdronken naar de keuken. Mijn gewrichten waren stram en mijn spieren nog wat verstijfd. Die nutteloze ochtenderectie duwde tegen de knopen van mijn boxershort en deed de gulp ervan halfopen staan. Er was nog niemand wakker dus ik stoorde me niet aan die uitgestalde mannelijkheid die zonder andere meerwaarde aankondigde had dat mijn bloed aan het stromen was.

Van de droom van daarnet proefde ik alleen nog maar de wrange smaak zoals een zure afdronk van wijn die te lang open gestaan had zonder kurk. Ik herinnerde ook nog dat ik nog groen was achter mijn oren en dat ik alles nog moest ontdekken. Op de een of andere manier werd ik er blij van en gerust omdat ik de ontknoping en de afloop kende.

Zonder enig resultaat groef ik verder in mijn memorie en wachtte op meer. En tot het water van de koffiezet heet was. Gedurende de dag horen ratelende koffiebonen bij de dagelijkse routine. Nu was het alleen nog maar storend lawaai dat mijn gedachten deed verstommen en de bobbel in mijn short deed verdwijnen.

“Koffie is voor alles goed”: dacht ik even later toen dampende expresso als een infuus uit de machine druppelde. Maar dan wel iets sneller.

Met de koffie verdwenen de laatste schimmen in de nevel van mijn gedachten. Vanavond ga ik vroeg slapen want ik wil weten hoe ik alles nog eens kan terug dromen alsof ik er nog een keer zelf bij was.

Onder het behang

Geuren leiden naar herinneringen. Vraag me niet waarom maar opeens dwalen mijn gedachten af naar mijn ouderlijk huis. Mijn ouders kochten dat veel te benepen pand ergens begin jaren zeventig. Hoewel het “goeden tijd” was en ze zich veel ruimer hadden kunnen zetten, was het er eigenlijk veel te klein om er groot in te worden. Er waren twee piepkleine slaapkamers zonder verwarming. Het was eigenlijk zo een typisch Vlaams huis met achtereen gebouwde koterij. In de badkamer, waar je je gat niet kon in keren, was het ofwel te koud ofwel veel te warm. Gedurende de week was het er eigenlijk alleen maar s’ morgensvroeg warm en op zaterdag, dan ook. Want dan mochten we in bad. Die piepkleine ruimte was dan zo bedompt dat je je naam kon schrijven in de aan gewasemde spiegel of in de faience-tegeltjes. Het badwater, dat minstens twee keer moest dienen was ook steeds, ofwel te heet ofwel te koud, afhankelijk van of je er als eerste dan wel als tweede in kon. Ik moest me altijd eerst van boven tot onder inzepen met een blok sunlight zeep waardoor ik precies een bruistablet was, wanneer ik dan eindelijk in dat hete water mocht. Ik bleef er dan meestal zo lang in tot ik helemaal verrimpeld was en rook naar de appeltjes die op het etiket van die grote bus shampoo stonden. Shampoo die trouwens ook dienst deed als veel te veel badschuim waardoor het badwater steeds appelblauwzeegroener kleurde.

Mijn vader en moeder konden zich vast en zeker iets veel groter permitteren dan dat kleine arbeidersrijhuis maar mijn vader was voorzichtig en spaarzaam op zijn pree. Ons ma trouwens ook. Naderhand beschouwd misschien te voorzichtig maar dat is gemakkelijk gezegd als je kan terug blikken en weet wat je weet. “Ge moet sparen, voor later. Voor als het eens tegen zit, Dan moet ge ook nog nen biefstuk kunnen eten”: zei ze terwijl ze snijbonen of tomaten aan het inmaken was, voor in de winter. Die groenten van op het land werden dan eerst geblancheerd, in van die glazen bokalen die op het gasvuur eerst steriel moesten gekookt werden. In een reusachtig grote, grijze, ijzeren ketel. Ik weet nog dat ik dan eerst met een primitief ding kilo’s snijbonen van uit den hof mocht draaien, tot gans het huis naar snijbonen stonk.

Om de drie, vier jaar gebeurde het. Dan kwam het op als het vliegend schijt. “Als gij iets in uwe kop hebt, hebt ge het niet in uw gat”: zei mijn vader dan. Al pruttelde hij meestal niet lang tegen. Mijn moeder was een verstokte roker. In grijze wolkjes blies ze de hele dag door kringetjes uit haar blauwe Belga filters, waardoor de kleuren van het bloemetjesbehang in de keuken veel te snel vergeelden. Meestal had ze met een plamuurmes al een deel van het papier afgestoken waardoor onze pa niet anders kon dan naar “Piessens” te rijden. Voor nieuw bloemetjesbehang met een moderner motiefje.

Nieuw behang was altijd een belevenis. Als de muur helemaal “oud-papiervrij” was, konden we aan het streepjes op de muur zien hoeveel centimeters we gegroeid waren tegen de vorige keer dat er “getappisseerd” was. In potlood schreef onze pa er dan altijd de datum bij en een stomme uitspraak. “6 centimeter in vier jaar, dat gaat hier een gat vooruit!” of “Ge weet toch dat elke tand in uwe kop ne klomp goud waard is”. Zo van die dingen schreef hij. Naar mate we ouder werden raakte de hele muur in de keuken vol geschreven. Met wijsheid of met onzin.

Mijn keukenmuur is niet behangen met modern bloemetjes behang. Daardoor is hij daaronder ook niet volgeschreven met volkswijsheid van onze pa. Dat hoeft niet zo om te weten dat het begot een gat vooruit gaat en dat elke tand in hune kop een klomp goud waard is.

Rupsje rimpel en Jan lul

 

Hoe onnozel achterlijk! Ik die dacht dat vrouwen enkel de hand aan zichzelf leggen op Hustler- en Playboy-tv. Of voor camera’s van internetsites waar heel veel XXX-en in het webadres zitten. Al wist ik ook wel dat het af en toe eens gebeurde in de boekskes. In die bladjes, vol geile vrouwen die voorzien zijn van te dikke borsten met sterretjes op, en die je kunt kopen in benzinestations langs grote autostrades. Al meen ik me ook nog te herinneren dat schreeuwende vrouwen wel eens tot hoogtepunten gemanoeuvreerd werden in reclamefilmpjes van shampoo met speciale kruiden. Al heb ik dat nooit goed verstaan. 

Dat was dus waar ik foefelende vrouwen mee associeerde maar toch niet met  stijvere presentatrices of met radiostemmen.

Tot gisteren dus, toen werd ik verbaasd uit mijn preutse illusie getrokken. Ongevraagd was ik getuige, en nog wel in prime-time en ik vertaal dat even vrij in pruimtijd, dat onze aller ex-speekerin Eva Daeleman dagelijks de vingers bevochtigt. In haar voorpoep en verplicht nog wel, elke dag. Met de complimenten van haar kraker. Om opnieuw connectie te leggen tussen lijf en geest. 

Toen ik in mijn tijd “lichaam en geest probeerde te verbinden” achter de deur, en ik werd betrapt, vloog ik naar meneer pastoor. Om er te biechten. Met wat geluk mocht ik als boete en voor absolutie, op de schoot. Om te voelen hoe eerwaarde biechtvader geen onderbroek droeg onder zijn kazuifel. Echt plezant vond ik dat niet maar ik deed het liever dan twintig  weesgegroetjes en dertig onzevaders op te dreunen. Want dat hielp zeker ook niet. De ene zondigt en de andere zalft en balsemt zal ik toen al gedacht hebben.

Nu zit iedereen er blijkbaar anders in. Nu kunnen persoonlijke gamechangers in geuren en kleuren als bloemlezing besproken worden op tv. Als getuigenis tot innerlijk geluk en groei.  Over groei gesproken trouwens. Vaak voel ik mezelf als Jan lul. Te stijf om te pissen en te slap om te poepen en dan gebeurt er niks. Eva deed het niet. Haar getuigenis over hoe ze voortouw nam in haar leven heeft me ontroerd. Haar moedige verhaal heeft me echt gepakt. Hoe ze al haar zekerheden over boord gooide om zich te storten in een ongekend, onzeker avontuur. Goed voor haar en inspirerend als voorbeeld voor anderen maar misschien hoefde ik niet te weten dat ze daarvoor ook elke dag rupsje rimpel aait. Want die visual staat nu toch ongevraagd op mijn netvlies gebrand. Schreeuwend, onder de douchekop met kruidenshampoo in het haar.

Alles wat ik weet

 

Toen ik klein was, amper een duim hoog, deed ik het al. Ik blufte, sprak groot en hakte op, tegen andere snotapen die het beter wisten. Tegen de juf of tegen ons ma en bij uitbreiding tegen iedereen van wie ik vermoedde dat ze me zouden zeggen hoe het moest. Hoe het hoorde, om er te komen. Ik deed het om meer man te zijn. Althans meer man voor de centimeters die ik maar groot was. Ik wist het allemaal al en veel beter dan de rest. Het was maar het begin, daar ergens in de lente van het leven. Wist ik veel dat ik nog moest rijpen om zoet te worden.

Op 17 was ik overtuigd het wel te weten. Zeker!  Deze keer wel. Nu zag ik het in. Ik kon beseffen en ik kon bevatten. Ik dacht te weten wat het leven in voor mij in petto had. Nu zou het lukken want ik had al eerste zachte eelt op mijn ziel. Ze zouden me niet opnieuw vangen, voor dat zelfde gat.  Ik had mijn lessen goed geleerd en ging het maken. Recht op mijn doel af, hongerig en bezeten.

Als ik me nu soms terugtrek in mezelf en ik kijk naar de wereld waar ik miljoenen passen in zette, snap ik nog steeds niet hoe hij draait. Hoe hij steeds verandert, snel gaat en soms stopt. Hoe wetten ervan omslaan en er nieuwe in ontstaan. Negenentwintig was ik. Dan wist ik alles. Alles over de liefde en hoe het niet werkt. Over rozen met doornen en over het leven. Over vrouwen en geld en over hoe ik van beide steeds te kort had. Ik dacht echt dat ik alles al had gedaan. Ik had gereisd en al een stukje wereld gezien. Ik had verspild, gehoerd en geboerd. Ik had harten gebroken en gelijmd. Ik wist het nu wel. Hoe het in elkaar steekt, dat leven. Maar ik had mijn korsten nog niet op. Wist ik veel, daar in de helft van mijn leven. Maar misschien leerde ik dan wel wat het belangrijkste is. Ik schrijf het hier snel op in vier, vijf woorden. Om het nooit te vergeten. De dag dat je iemand ontmoet waar het mee klikt, is de mooiste. Ik geloof niet dat ik het beter kan zeggen. Het is de mooiste. Nachten van stil verdriet raak je kwijt. Die vervagen en worden gewist in een logica die ik niet begrijp. Maar nooit de ochtenden. Die vroegtes van intense, verliefde tederheid. Die blijven plakken. Voor altijd. Zoals de zoute lijven in de lakens gedraaid waarin ze ontwaakten.

Gans mijn jeugd, en tot gisteren wou ik jullie overtuigen dat ik het wist. De waarheid is dat hoe langer ik er achter zocht des te minder ik vond. Des te minder ik er van af wist. En nu ik in het blauwe van mijn scherm staar weet ik het wel. Ik weet dat ik het nooit zal weten. Dat ik er niets van begrijp. Van het leven, van geld, van vrienden en van vrouwen. Van de liefde of van de kleur van rozen. Dat is alles wat ik weet. Maar dat, dat weet ik wel zeker!

Midwifecrisis.

 

Wat haat ik dit gevoel.  Ik kan het niet eens precies benoemen al is het er zeker wel. Het sluimert langzaam en het neemt over. Het adopteert me en het zich vast zet als een teek in een pels.  Ik weet niet exact wat het is of wanneer het zich manifesteerde en onopgemerkt binnen sijpelde maar nu voelt het aan alsof het zich me helemaal heeft toegeëigend. Opgeëist. Zonder verwittiging en zonder herkenbaar symptoom voel ik me op de een of andere manier geannexeerd aan een regime met verwachtingen waar ik niet vertrouwd mee ben.

Doe ik er nog toe? Ben ik nutteloos overbodig, maak ik nog verschil? Ik ben niet meer overtuigd. Ik kan mezelf niet afdoende bepraten om tot andere invalshoeken te komen. Met al dan niet gespeelde zelfzekerheid kon ik vroeger wel lakens naar me toe trekken. Ik kon doortastend spreken en overtuigend overreden. Ik kon mijn dag vullen hoe ik er zin in had. En als de goesting ontbrak was, liet ik me die niet ontvallen. Ik kon ze koesteren, die momenten van tijdelijk pensioen. Desnoods languit op mijn bed of in de zetel. En opeens lijkt het alsof daar niets van over schiet. Vandaag voelt die zo geheten vrede aan als een beklemming en een drukkende benauwdheid. Als een leegte die niet opgevuld raakt. Bodemloos schuif ik door in een hellebron waarin ik die ongemakkelijkheid niet van me afgewassen krijg.

Is het gewoon wat ontspoord zelfbeklag of deed die vijf misschien meer dan dat ik aan mezelf wil toegeven? Met elk begin van een nieuw persoonlijk millennium lijkt wel een nieuw soort puberteit aanvang te nemen. Met nieuwe en ongerepte onzekerheid. Alsof ik opnieuw, verloren, loop te zoeken naar juiste houdingen en passend gedrag. Ga ik juist om met die 2 nieuwe cijfers? Ben ik nu oud of nog jong? En doet dat er eigenlijk toe?

Liep ik niet altijd te brullen dat leeftijd geen label is waaronder alle gedrag mag geordend worden? Toeterde ik niet altijd luid dat leeftijd maar een cijfertje is een getalletje? Dat het vandaag te doen is.

Mijn overmoedige driestigheid haalde weer even bovenhand. Net zoals dat wel vaker gebeurd op mijn levenswandel.

Zal ik anders een was in steken en de strijk al doen? Dan kan ik met zekerheid straks aan mijn stoere mannelijkheid ook beginnen twijfelen. En is dat dan midWife-crisis?

Liefste vreemden

 

Ooit waren we verliefde vreemden voor elkaar maar door de loop van de jaren leerden we elkaar steeds beter kennen. Maar nooit helemaal denk ik, al spreek ik wat dat betreft helemaal voor mezelf.  Soms verbeeld ik me dat ze mij wel helemaal doorheeft. Maar aangezien ik, wat dat onderwerp betreft, over te weinig betrouwbare informatie beschik, kan ik dat niet helemaal juist beoordelen. Op die manier bewaren we wat schemerige mystiek en blijven we op een aandoenlijke manier een beetje vreemden voor elkaar. Met kleine geheimpjes en luttele, kleine, verstoken trekjes.

Niettemin leerde ik in de loop der tijden vele dingen over ons en over mezelf. Zaken waar ik nu soms diep beschaamd over word. Wanneer ik me ze herinner of wanneer ik er over door boom. Streken die ik uitgehaald heb of dingen die ik niet deed en beter wel had gedaan. Banale kleinigheden waarvoor ik te beschaamd of te verlegen  ben om ze helemaal uit de doeken te doen. Soms schaam ik me ook voor haar. Dat gebeurt ook. Over dezelfde banale, onbenullige habbekratsen.

Te veel nadenken en terug spitten naar wat ooit geweest is, of moest zijn, is een ondraaglijke vorm van gevaarlijk leven. Gelukkig haalt ze me met één vraag uit mijn dromerige kwelling. Ze heeft me weer door, denk ik.

“ Zijn we er? Ben je bijna klaar?”: vraagt ze ongeduldig?

Een jas of trui draag ik nooit en mijn schoenen heb ik in twee seconden aan. Zij is er nog niet. Of toch niet helemaal want in de gang blijkt dat ze haar handtas boven vergeten is. Dat lichtgroene, hippe, lederen ding dat ze ooit, als koopje, in een veel te dure winkel, op de kop kon tikken en waar ze lippenstift, vrouwengerief, een gsm en andere dingen, waar ik me van afvraag waarom ze überhaupt in een handtas rond rondslingeren, op een wanordelijke manier in hamstert. Om niets te vergeten, schat ik. Of omdat er spullen in zitten die ooit van pas zouden kunnen komen, in noodsituaties. Wat die dan ook moge zijn.  Aan de voordeur zegt ze: “Ik moet nog even terug, want de tv staat nog aan, het schuifraam is niet dicht en ik denk dat de dakramen nog openstaan”. Ik laat het allemaal rustig gebeuren alsof het voorbestemd is zodat de dingen geordend raken in een soort van compulsieve neurose waar alles in een bepaalde volgorde dient te gebeuren.

Als we eindelijk op het voetpad staan draaft ze geagiteerd: “Waarom ben je zo gehaast? Het is vijf voor vijf. De scouts is om 5 uur gedaan en het is maar 200 meter stappen. We hoeven ons toch voor niets of niemand te haasten en hoeven al helemaal niet te lopen. Dat is nergens voor nodig. We laten ons toch niet opjagen?”

We stappen 400 passen op een rustig tempo. Die liefste vreemde en ik.  Ik steek en sigaret op en terwijl ik dat doe, stel ik me de vraag waarvoor ze nu zo nodig die handtas nodig had. Ik vraag het haar niet want ik wil het niet weten. Want als ik dat allemaal ook nog zou te weten komen, is ze morgen geen liefste vreemde meer.

Dunne democratie.

 

Democratische bewindvoering en al wat het belichaamt is onbeschaafd en lawaaierig geworden. Grove boertigheid en achterbakse sluwheid lijkt het te winnen van geciviliseerd fatsoen. Dat is het al een tijdje zo en het zal niet snel veranderen. Door het internet kunnen gededemocratiseerde opvattingen vrij en vrank gespuid worden. Op twitter en facebook mag al lang vuil getoeterd worden. Charlie waakt wel over toon, taal en inhoud. Alles moet kunnen ter wille van de heilige “freedom of speech”. Om er de zijnen mee te winnen of om er tweedracht mee te zaaien.

Een gevaarlijk randfenomeen is dat alle toetredingsbarrières om publiek en met open vizier deel te nemen aan een maatschappelijk debat weggevallen zijn. Hierdoor kunnen gepolariseerde opinies weelderig kiemen in allerlei besloten reflectiekamers. Om ze straffer te maken, met sterkere wortels.

In duistere darkrooms wordt elk vermogen om kritisch mening te vormen gefnuikt. Zodat er alleen associaties en standpunten overblijven van diegenen met wie men het eens is. Of waardoor men overdonderd wordt. Met sloganeske en ingekookte maatschappijvisies.  

De gepassioneerde pleitbezorgers, van datgene waar ze voor staan, dulden geen tegenspraak of tegenstanders. Links niet van rechts, de rechtsen niet van linksen. Voorlopig zitten al die opinies nog wel verstrengeld in een politiek bestel waar al die ideologische geschillen uitdrukking vinden in strijdende internetpolemieken, in plaats van in stenen en kogels, maar hoe lang nog? Ik word er ongemakkelijk van.

De grote zwijgende middenmassa maakt zich wellicht ook zorgen maar roert zich niet. Terwijl net zij met de luisdste stem zouden kunnen spreken. Om te roepen dat het genoeg is.  Om ook te toeteren dat we die politiek van het zoeken naar schuldenbokken en die maatschappij waar tegenstanders beschimpt worden en aanhangers gepaaid, meer dan beu zijn. 

Roep het maar mee als je het eens bent. Je mag er mij de schuld van geven!

Tijdstanden van 50

 

Ik staar wat doelloos voor me uit. Ik lig op mijn rug in een stil huis. Nu ik het grootste gedeelte van de dag mezelf als gezelschap heb, heb ik tijd om te mijmeren. Terug en vooruit.

Binnen acht dagen word ik vijftig. Een mijlpaal zeggen ze. Ik zit er niet echt mee. Ik geloof niet dat het me iets doet. Wellicht omdat ik gewoonweg veel te lui ben om ouder te worden. Ik voel het niet, die hogere nummertjes want ik ben geen label. Of symbool van een soort wiskunde die ik niet begrijp. Sommige zaken kan je nu eenmaal niet optellen denk ik. Jaren zeker niet. Want sommige stonden bol terwijl andere er als een platte vijg uitzagen alsof er niets in gebeurd was.

Arroganter en groffer ben ik wel geworden door de tijdstanden, peins ik. Want ik betrap me er tegenwoordig op soms, antwoorden te verzinnen op vragen die niet gesteld zijn. Om straf te zijn of om indruk te maken. Op anderen. Op diegenen die er nog niet over nagedacht hebben. En dan waan ik me filosoof die het tot literatuurlijsten gaat schoppen. Misplaatste, overschatte ijdelheid is me niet vreemd.

Met ouder worden krijg je ervaring zo zegt men. Ervaring als top of summum. Leuke en waardevolle belevenissen verzameld op een berg mislukkingen. Maar wat ben ik ermee zo hoog te raken als ik de weg naar het dal er door niet meer zie? 

Schrijver noemen ze me nu. Dat etiket werd op mijn revers gespeten. Daarvoor moest ik vijftig worden. Om woorden en zinnen te schijten, als afgedragen lompen van gerafelde of verbleekte gedachten. Want alles werd toch al eens gezegd en geschreven. Al ben ik zeker dat ik het niet ben. Schrijver of auteur. Ik geloof dat ik met vijftig te worden, gewoon veel te veel denk en nog meer in mezelf praat. En wel zo luid en zo gemeend, overtuigend dat ik die zelfspraak geloof. En ik ze in leugenachtige beschouwingen gewoon maar opschrijf. Met een riek in een messinc, zodat er een pisbloem op kan groeien. Of zo?  Ik ben eigenlijk gewoon maar een eigentijdse troubadoer die met zijn gespin een wilde slag slaagt naar gedachten en emoties, in de hoop er af en toe een te raken.

Het blijkt mijn geluk en mijn lang leven te worden. Die uitgesponnen pennentrekken.  Al zijn het ook maar korte momenten die vervliegen vanaf het ogenblik dat ze in een zinnig opstel op papier raken. Als roddels van een nieuw soort waarheid die nooit geverifieerd werden. Omdat ze te luid geroepen werd. Door mezelf.

Je ziet het. Vijftig. Ik zit er niet mee. Al beken ik wel dat ik het erg genoeg vind dat ik vandaag al negenenveertig ben. Oud he?

Rode wijn met goudvissen.

 

De radio staat aan. Ik hoor flarden van gesprekken ergens op de achtergrond. Een vrouwenstem die ik zeker zou herkennen, mocht ik me er op concentreren, is aan het woord. Ze heeft het over eenvoud. Ik neem er geen kennis van. Geen enkel idee waar het gesprek precies over gaat.  Ik luister niet. De radio fungeert als decor. Een beetje zoals vergeeld behangpapier aan een muur van een oud huis dat zorgt voor een zachte akoestiek zodat storende geluiden of zwijgzame stiltes niet overheersen of terugbotsen. Ik zou scherp tegen mezelf willen uithalen of mezelf toe fluisteren dat stilte de slaap is die wijsheid voedt maar ik zwijg stil. Misschien is dat wel verstandiger of wijzer. Het lukt amper.

Ik hoor vaak van mensen: “Jij lijkt altijd zo rustig en kalm, stoïcijns bijna”.  Ze moesten eens weten. Ik heb het bijna nooit stil. Hier boven is het meestal niet kalm.  Vandaag ook niet. Mocht men nu kunnen binnen kijken, er zou te zien zijn dat ik in die ogenschijnlijke zwijgzaamheid redevoeringen geef aan mezelf.  En aan toehoorders van mijn illusies die er gulzig kritiek op geven. Of ben ik het zelf? Gedachten worden gewend en gekeerd tot ze droog gedraaid zijn en niet meer bruikbaar zijn om er nog een punt mee te maken. Ze leiden nergens naar toe.

Het gaat niet altijd goed. Of hoe ik zou willen dat het gaat. Het valt me vandaag heel erg op bij mezelf. Ik ben pas geopereerd aan mijn knie en ik lig hier een beetje hulpeloos en verveeld te staren naar het plafond. Hoewel ik mijn rustige “zelfmomentje” probeer te koesteren bereik ik precies het tegenovergestelde.  In een hels tempo worden films afgespeeld met onrealistische en achterhaalde scenario’s. Over vroeger, toen ik hier ook zo lag. In etterzielen met een kapotte knie en een schouder in puin. Hoe harder ik die beelden probeer te verdringen des te sneller ze binnen vallen. Ze plegen een hold-up op mijn gevoel en mijn humeur. Ze stellen me op de proef.

Ik giet drie kwart van een fles rode wijn door de gootsteen. Ze stond me flirterig aan te gapen en te verleiden. Van gisteren al, met goudvissen die op  bezoek zijn als stille getuige. Ze zwemmen triomfantelijk rond in hun viskom. Ze zien er opeens content uit!

De eendenfluisteraar.

 

Doorgaans doe ik hard mijn best om het niet te doen. Luidop denken en in mezelf praten. Gelukkig doe ik het enkel als ik alleen ben. Wanneer ik autorijd of in bad zit. Maar het vaakst betrap ik mezelf daarop wanneer ik alleen aan de waterkant zit. Alsof ik tegen eenden spreek en hen befluister. Zoals honden- of paardenfluisteraars dat doen. De waarheid is nochtans dat ik eerder mezelf probeer te bezweren. Het geeft me een rustig en gerust gevoel want op die manier raken mijn rondbotsende gedachten geordend en mijn chaos gerangschikt. De warboel wordt dan helemaal opnieuw ontrafeld tot nieuw spingaren. 

Als ik ermee betrapt word, kan men mij van geestelijk “niet helemaal in orde” verdenken. Maar dat geeft niet. Niemand heeft daar last van en ik word er beter van. Ik zal er niet mee stoppen want kleine verlangens ontzeg je jezelf toch niet? 

Ik deed het wel, ooit. Toen ik van dat kleine verlangen een grote slaaf geworden was. Een soort lijfeigene van de alles ontziende roes die met de strategie van de verschroeide aarde elk pad in as legde.

Vijf jaar geleden kocht ik mezelf vrij. En dat lijkt alsof het gisteren was en dat op zich is al even akelig als spectaculair.  Onze pa kon dat schoon zeggen:

“Op ne schonen dag, als ge lang genoeg leeft en uw toekomst stilletjes verleden tijd wordt. Dan draait ge u om en kijkt ge terug op uw eigen jonkheid en op uw stommiteiten maar ook op die zakes die ge goed gedaan hebt. Waar ge fier moogt op zijn”. 

De tijd vliegt. Zeker als je hem bewuster doorleeft. Vijf jaar. Het lijkt zo ver en tegelijk zo schrikbarend dichtbij. 

“Chapeau!”: hoor ik dan wel eens. “Dat je dat kan. “En nooit zo eens eentje? “Dat kleine verlangen hoef je jezelf toch niet te ontzeggen?” hoor ik hen denken. “Dat moet toch kunnen. Zo eentje?” Het is vast goed bedoeld en ik neem het niemand kwalijk. Maar eerlijk, ik heb het nooit gekund. Ik heb dat voornemen nooit kunnen waarmaken. Eentje was niet aan mij besteed. Voor één glas maakte ik mijn lippen niet nat. Om dan te stoppen met goesting? Ben je niet goed? Ik hoef mezelf wat dat betreft niet voor te liegen. Ik kan mijn eigen daarover niets meer opdisselen. Nooit was het me gelukt, het bij dat ene glas te houden. Waarom zou ik het nu dan nu opeens wel kunnen? Omdat ik al vijf jaar stopseldroog sta? 

Ik sta er nog steeds maar even ver van af als vijf jaar geleden. Ik ben nog steeds maar één armlengte verwijderd van het glas en de toog die me zo lang in hun donkere kerker gekentend hielden. Dus vergeef het me als ik niet in ga op die vriendelijke uitnodiging om mee te doen. Het zou mijn ondergang betekenen.

Misschien is zelfkennis wel de grootste kennis die je kan verwerven. Wat die zou me behoeden voor ijdelheid en beuzelaarij, al zou het ook perfect mijn laatste illusie kunnen zijn. 

Ik zeg of schrijf dit niet allemaal op om me er fier mee op de borst te kloppen en er hovaardig mee neer te kijken op de zuiplappen die met ware doodsverachting nog rustig verder blijven doen. Omdat ze niet kunnen stoppen. Of nog niet, omdat de peer nog niet rijp genoeg is om van de boom te vallen.

Het is niet omdat ik altijd wat anders drink, dat ik het recht heb om anderen hun pintjes  en wijntjes te ontzeggen. Zeker niet van die drinkers die er wel op een verantwoorde manier mee kunnen omgaan. Mijn waardeoordelen laat ik wat dat betreft best achterwege want het leidt me maar af van mijn eigen soberheid.

En als ik het daar dan overdenk zeg ik tegen een voorbij drijvende mannetjeseend: “Ik zal maar stilletjes verder blijven doen zeker want een betere keuze is er niet.” De woerd kwaakt en ik ben niet zeker of hij wel luisterde want voorbijdrijvende eenden horen nooit. Die zijn ook met andere zakes bezig.

Kwallen, zweetkaas en zeemeerminnen.

 

Het zilte nat spat onstuimig rond. Achter ons verandert de kleur van het water in appelblauw zeeazuur. Door het bruisende kielzog van ons bootje en door de luchtbellen die er van de buitenboordmotor doorheen gedraaid worden. De hemel is staalblauw en er is geen wolkplukje te bespeuren. Hier en daar laat een meeuw van zich horen, al blijken die redelijk zuinig te zijn met hun gekrijs. 

Onze vissersschuit is kleurrijk versierd met verticale strepen. Gele, rode, groene en blauwe gekleurde meten, een beetje zoals gondels op de grachten in Venetië.

De wind blaast ons bootje langzaam naar een rotsachtig eilandje. Niet groter dan een boerenzakdoek. “Blue Lagoon” staat op het kaartje dat we van de zeekapitein mee hadden gekregen. Want zo zag de verweerde kapitein Haddock er uit, die ons het sloepje verhuurd had. Alsof de wind en de zon diepe rimpels geploegd hadden in zijn getaande gelaat.

2 knopen snel deinen we de baai in. Luxejachten omringen ons. Het ene al wat chiquer en trendier dan het andere. Bovendeks, op het grote witte jacht met vier verdiepingen zit vast rijk volk want ze worden er bediend door statige mannen in witte pakken. Er wordt kreeft geserveerd en hier en daar knalt een kurk. 

De jachten vullen de baai met luidruchtig gejengel en gejoel. Engelsen schat ik, of Hollanders dat zou ook nog kunnen. Die twee naties worden nu eenmaal altijd een beetje lawaaieriger eens ze hun heimat achter zich gelaten hebben en er wat alkohol op vergoten wordt. Hun koloniaal verleden zal daar mogelijks de hand in hebben. Wie zal het zeggen? We zitten per slot van rekening in Malta, de handelspoort naar Afrika en Azie. Ze spelen eigenlijk een halve thuismatch, onze kolonisten van Catan.

Op een iets kleiner schip liggen dames drukdoend te keuvelen. Ze zijn neergevleid op het voorsteven. Op wit, duur strandlinnen.  De marineblauwe of hagelwitte lapjes textiel waarmee ze hun intieme plekjes verbergen zijn soms wat nipt en benepen. Overdaad kruipt nu eenmaal altijd naar de vervelendste plekjes. Waar het niet gewenst is. Ook bij duurdere dames.

Bruin gebrand mansvolk tracht met halsbrekende duiken de vrouwen te imponeren. Of is het met de gouden kettingen die rond hun halzen bengelen. Dat kan ook. Ik ben niet helemaal zeker of het hen aan het lukken is. Dat imponeren. Want de dames hebben ogenschijnlijk geen aandacht voor de paringsdans van de bronstige macho’s. Mogelijks zouden de deernes ook wel voor hen bezweken zijn zonder die halsbrekende toeren. Omdat ze nu eenmaal uit “een iets durdere pantalon” geschud werden. Want een werkmansbroek zal het niet geweest zijn. Al werd deze stelling is niet met feiten onderbouwd.

Het aanzicht is mooi en de baai fabelachtig. Maar de zee wordt niet blauwer vanop een dure cruiseboot. Vanop onze kleurrijke, lekke visserssloep. Met een paar flesjes halfwarm mineraalwater en een wakke pistolet met zweetkaas, ziet ze er net eender uit. En mijn twee meerminnen mogen er ook zijn, al zouden ze beter wat minder schrikkentist  zijn. Want de kwallen zitten immers echt wel allemaal op die grote boten!

Over tuinbonen en borstvergrotingen

 

Het is verwarrend. Waarschijnlijk ben ik wat trager. Misschien zijn vrouwen en tattoo’s echt “wel” een goede combinatie. Misschien moet ik dringend mee met de tijd zodat ik ook het mooie van lichaamskunst op een vrouwenlijf kan leren appreciëren. Maar dan heb ik het zeker niet over smakeloze reetgeweien, opzichtige indianentribes of in het oog springende borstenpoëzie.  Eerder over subtiel geplaatste lichaamsfresco’s. Fijnzinnige zinnebeeldjes met betekenis. Die doen afleiden van de essentie of die vrouwen er wulpser of harstochtelijker en uitdagender doen uitzien. Zulke lichaamsschilderingen kan ik nog wel pruimen. Al hoeft dat deeltje vrouwenlijf, of de dichte omgeving ervan, nu ook weer niet noodzakelijk permanent bedrukt. Laat dat maar zo. Dat stukje vrouw spreekt meestal wel genoeg vanzelf tot de verbeelding. Dat hoeft niet in de verf. Less is more!

Van al wat neigt naar altijddurende lichaamsversiering heb ik doorgaans een lichte tot sterke, natuurlijke afkeur. Waarschijnlijk omdat de oren van die fout geplaatse Mickey Mouse, er na verloop van tijd, helemaal anders zullen uitzien dan het figuurtje dat Walt Disney er ooit mee in gedachten had. Mogelijks ook omdat een konijntje met een strik ter hoogte van die linker eierstok niet langer bij je past nu je zelf, je dochter probeert te overtuigen dat een tattoos echt wel voor altijd zijn.

Of gewoon maar omdat oorlellen met uitgerokken, grote gaten er ronduit afzichtelijk uitzien. En dan heb ik het nog niet eens over tepelspijkers, vulvaringen of andere extreme lichaamsmodificaties. 

Dus dames kleur jullie vooral vol maar laat de dingen die voor zich spreken onbeschreven. Zo blijven ze ook onbesproken. 

Wie schrijft die blijft. Dat staat als een paal maar dat opstel op de tieten of die proza op jullie dij. Dat hoeft niet hoor. Al wil ik jullie met plezier allemaal, helemaal komen vol schrijven. Pagina’s vol. In henna. Dan kan ik er volgende week iets anders op verzinnen.

Over tuinbonen of zo of over borstvergrotingen.