Pofmaïs

Om kwart voor twaalf komt ze de trap naar boven opgelopen.Het is zaterdagmiddag. Elke week komt ze omstreeks dat uur thuis. Met zakken vol boodschappen. Wat niet expliciet op het boodschappenlijstje opgeschreven is, wordt niet gekocht. Wellicht daarom dat ik bijna elke week, ongeveer een kwartier later opnieuw naar de supermarkt ga om datgene te kopen wat zij vergeten is. Steevast ontstaat dan discussie over of zij die dingen vergeten is of ik ze niet opgeschreven heb. Die woordenwisseling is meestal het startschot om samen in de kasten te duiken en uit te vissen wat nog ontbreekt zodat even later eensgezind een nieuw boodschappenlijstje geboren wordt. Het blijft vooralsnog een raadsel waarom dat ritueel zich wekelijks niet een uur vroeger afspeelt, maar daarom is het een raadsel natuurlijk.

‘Ik moest je de goeie dag doen’, zegt ze terwijl ze een bokaal schorseneren in de proviandkast zet.

‘Ah van wie’, vraag ik oprecht geïnteresseerd. Hoewel deze vraag me redelijk defensief lijkt. Ik stel ze per slot van rekening alleen maar  om  te weten te komen wie ze zonet ontmoet heeft, kijkt ze me toch met lichte irritatie aan. Ze had ondertussen haar rode pumps uitgetrokken en begon aan de rits van haar jas, die ze nog steeds aan had, te frunniken.

‘Ja, van wie? Dat is het nu juist. Wie was het ook al weer? De naam ligt op het puntje van mijn tong, maar het komt niet. Dat heb ik tegenwoordig meer en meer. Gezichten vergeet ik nooit maar namen kan ik niet onthouden.’

‘Ik heb daar ook meer en meer last van. Was het een man, een vrouw?’, probeer ik behulpzaam.

‘Een vrouw natuurlijk!’

‘Is dat zo natuurlijk? Het is toch niet omdat driekwart van de wereldbevolking vrouwelijk is dat je daarom een vrouw ontmoette. Hoewel de kans statistisch gezien kleiner is kon het toch ook een man zijn?’

‘Maar ik heb haar toch met mijn eigen ogen gezien.’

‘Ja, maar ik toch niet? Wat voor vrouw? Van waar moet ik haar kennen dan?’

‘Wel, toen we vroeger nog samen gingen winkelen en dan nadien in het dorp gingen aperitieven, was ze daar ook altijd. Donker haar. Iets groter dan ik. Ze rookte gelijk een Turk. Bastos, denk ik. Nu zal ze een jaar of vijftig zijn, schat ik. Hoewel ze ook vijfenvijftig zou kunnen zijn. Want sigaretten roken veroudert. Je krijgt daar oud vel van.’ ‘Ik ben niet zeker of ze nu nog rookt.Ik heb haar dat niet gevraagd, want zulke vragen stel je niet in de supermarkt aan de kassa.  Tenzij er een farde Bastos in haar karretje zou liggen, maar dat was niet het geval.’

‘Vijftig, dat is te oud om jeugd te zijn en jeugdig om oud te zijn’, antwoord ik bijdehands, in een poging om het gesprek een andere richting te laten uitgaan zodat ik eindelijk kon vertrekken om de overige “vergeten” boodschappen te gaan kopen.

‘Waar slaat dat nu weer al op? Wat is dat nu weer voor een opmerking. Dat is weer zo een uitspraak uit een van je verhaaltjes zeker?’

‘Ze was meestal alleen, hoewel er soms een man bij was maar die kennen we niet.’ Ze dronk pinten in zo’n sierlijk lang glas, van s’ middags al’.

‘Zo wordt het moeilijk. Een vrouw van vijftig die sigaretten rookt gelijk een Turk en lange fluiten drinkt.  Een verrimpelde madame met donker haar, van wie je de naam vergeten bent en die soms vergezeld was van een man die we niet kennen.’ ‘Daar kom ik niet verder mee.’ ‘Weet je er niet meer van?’

‘Deodorant, keukenrol en pofmaïs’, zei ze plotseling alsof die nieuwe informatie me zou doen inzien van wie ze me de groeten moest doen.

‘Wat heeft dat er nu mee te maken?’

‘Deodorant, omdat je zonder, muf onder je oksels ruikt. Keukenrol omdat die er niet meer is en ik je rommel niet blijf op deppen met toiletpapier want dat plakt daar in.  Pofmaïs omdat er morgen een vriendinnetje van ons dochter komt slapen, ze naar een film willen kijken en ik hen popcorn beloofd heb’, zei ze nu echt geïrriteerd.

Het gesprek eindigde even onduidelijk dan dat het begonnen was. Het nachtlampje werd aangeklikt, het dekbed werd weg getrokken en mijn vrouw ging aan de rand van het bed zitten. Met een kartonnen tong en ogen vol slapers trachtte ik te achterhalen wat er aan de hand was. ‘Wat scheelt er aan?’

‘Ik had haar bijna. Jac… Nath… damn ik ben het weer kwijt.’’Haar naam!’

 ‘Doe het licht uit en ga slapen, het belangrijkste is dat we de groeten hebben. En dat ik deodorant en pofmaïs gekocht heb.’

‘En keukenrol? Je bent die keukenrol toch niet vergeten?’

Levensmuseum

Niemand, geen enkele van al de mensen die ik vandaag tegen het lijf botste, was jij. Gisteren niet, de dag tevoren niet, en al evenmin, al die andere dagen van het afgelopen jaar. Ik moest daar aan wennen, aan die glazige afwezigheid. Al heb ik soms heel hard gevoeld dat je er op een onbegrijpelijke manier toch was. Alsof je van dichtbij, vanuit de massa of van over een vreemde schouder mee keek. Het was precies of je me ongemerkt volgde, met die veel betekenende, tandeloze glimlach van jou. Met die goedhartige grijns die tweedracht kon ontwapenen. Op andere momenten dan weer, keek je met die bekende afkeurende frons, om me even stil te laten staan, bij wat voor nonsens ik uit mijn botten aan het slaan was.

Vroeger kon ik die dingen eerst met jou afstemmen om op die manier de grootste levensblunders te vermijden. Op die momenten werd het ene woord al wel eens luider uitgesproken dan het andere, want we konden het soms heel hard met elkaar oneens zijn. We konden elkaar dan zo uitdagen met een tegenstrijdige ziens wijze dat er ‘kattekesspel’ van kwam. Jij provoceerde mij dan of ik jou, afhankelijk van wie met zijn mening het dichtste bij de waarheid zat. Dit jaar bleef het stil. Muisstil. Het hele jaar lang.

Hoewel ik je dat eerbetoon graag gegeven had, kon ik niet voorlezen op je zwanenzang. Omdat het verdriet te groot was en omdat in een open wonde geen zout moet gestrooid worden. Ik heb het mezelf ondertussen vergeven, al blijft dat moment van zwakte soms wel knagen. Ik had op dat moment best wat meer haar om mijn tanden mogen hebben. Jij had het vast wel gekund met je stoïcijnse kalmte. Ik ben daar zeker van.

De laatste maanden was je er niet meer helemaal bij. Je dwaalde door de breedtegraden van de tijd en haalde dan al de dingen door elkaar. Je kaars is heel langzaam uitgedoofd, om zo lang mogelijk licht en warmte te geven, denk ik.

Ik had nooit kunnen vermoeden, dat nadat jij je aftocht had geblazen, er ook een stukje van mij zou doodgaan. Ik ben me daar na een jaar stilte, heel pijnlijk van bewust. Plots en zonder waarschuwing was ik mijn klankbord kwijt. Het reflectiebord dat me altijd bevestigde of me met overtuigende argumenten tot andere gedachten kon brengen en dat is een gemis waar ik moeilijk aan gewend raak.

‘Zoon, ainsi va la vie!’, zou jij nu zeker gezegd hebben. En dat op voorhand weten, voelt vertrouwd. Het brengt rust en aanvaarding want met die gedachte ben ik overtuigd en gerust dat ik heel goed weet hoe jou klok tikte en ik je helemaal door had.

Alle herinneringen zijn dicht bij mij opgeborgen in een souvenirkistje waarvan ik alleen de sleutel bezit. Het is een soort levensmuseum van grote emoties, geschilderde beelden, onuitgegeven manuscripten en gevatte uitspraken.Ze zitten allemaal achter slot en grendel bewaard. Tot ze hier mogen ontsnappen, in uitspraken die die jouwe hadden kunnen zijn. Om op die manier voor altijd verder te blijven klinken in stomme verhaaltjes die er niet toe doen.


Oorkonde van deugdzaamheid

Onbezonnen groot worden, wat een voorrecht. In mijn kuikens-jaren bleef ik grotendeels gespaard van eeltvorming op mijn ziel toen ik uit me uit mijn schelpje bevrijdde. Ik mocht lichtvaardig en onbesuisd groeien als een kool zonder me over al te veel grote zorgen hoeven te maken. Pijnlijk leed hoefde ik niet te negeren want het was er gewoonweg niet. Toch niet in de leefwereld onder mijn kerktorentje. Ik was geprivilegieerd en rijk geboren. Wat een luxe.

Al weken lang volg ik de één productie kinderziekenhuis. Zonder tussen beiden te kunnen komen krijg ik inkijk in het leed, in emotie en vertwijfeling maar ook in hoop moed, veerkracht en doorzettingsvermogen van jonge patiëntjes en hun ouders. Ik hoef het onzekere lot van een ziek kind niet uit handen te geven aan dokters of verpleegsters in een kinderziekenhuis. Ik moet niet dagelijks in onzekerheid leven en wachten op een onheilspellende diagnose die het leven van een van mijn kinderen door de willekeur van het lot, ingrijpend zou kunnen veranderen. De verhalen en de getuigenissen van gekwetste zielen komen hard binnen. Met een kramp in mijn maag en met natte ogen kom ik tot besef. Ik ben bevoorrecht met mijn gezonde kinderen.

 Een uurtje later kom ik zappend aan in Jemen, een land zich op de rand van de afgrond bevindt. Het ondergaat de grootste mogelijke menselijke crisis ter wereld. Elf miljoen kinderen worden dagelijks geconfronteerd met geweld, ontbering ziekte of ondervoeding en zijn er onrechtvaardig groot slachtoffer van. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ondervoede schimmen van wie de buik aan de rug kleeft komen, smekend om een aalmoes of een korst, de huiskamer binnen gestrompeld. Ik krijg de beelden ervan niet gecensureerd en ik besef. Ik ben bevoorrecht met mijn land, met mijn afkomst en met patatten in de kelder.

 Vandaag bestel ik koffie, zoals gewoonlijk. Ik speur rondom mij naar wat levendigheid. Vier mannen, gezegend met jaren zitten langs mij. Ze drinken trappist, de ene blonde de anderen donkere. Door hun uitlatingen en gebaren geven ze indruk elkaar te vervloeken. De ene omdat hij voor zijn beurt speelde. De andere omdat hij vergat troef te volgen. Elke week zitten ze hier in elkaars gezelschap de namiddag door te brengen. Ze klagen niet want ze zijn bezig met wat zij op dat ogenblik het belangrijkste vinden.Vrouwen worden in dat gezelschap niet getolereerd. Hen maak je niets meer wijs hoor ik mezelf denken. Zij weten al beter. Op een speciale manier zijn ze ook geprivilegieerd. Door leeftijd en door jaren en omdat ze voor even verlost zijn van hun vrouwen die het beter weten.

De krant die ik vastneem staat bol met slecht nieuws. Ze is gevuld met artikels over politiekers van wie het ego groter is dan de toren van Babel. Reportages van gore figuren die het in de wereld voor het zeggen hebben. Met onze centen bekampen ze elkaar voor persoonlijke doelen die ze over veertig dagen willen behalen. Zij zijn ook bevoorrecht maar op een vieze manier. Ze zijn geprivilegieerd om, met een alleenrecht en het voorwendsel van een betere wereld, persoonlijke ambities die met rode bolletjes ingekleurd worden, te realiseren. Op de kap van arme zielen zoals wij.

 Rode neuzen, ze zijn maar pas van het scherm verdwenen en de warmste week springt al in beeld. Otto-Jan Ham, Eva De Roo en Michèle Cuvelier zullen ons proberen met het juiste goede doel en met het gepaste hippe verzoeknummer een geweten te schoppen. Terwijl de rest van de wereld naar de kloten draait.

En dan denk ik, ‘Ik ben bevoorrecht om me zorgen te kunnen maken over problemen en vast te stellen dat een probleem maar een probleem is wanneer ik er zelf geen last van heb’.

Ik bestel nog een koffie. Een van de oudjes heeft een solo verloren. Hij zal zich straks vast ook niet bevoorrecht voelen. Wanneer de rekening moet vereffend worden.

Jan en Jantelov

Vraag me niet hoe het komt of waarom het ooit mijn aandacht opeiste en het sinds dan aan mijn vel is blijven plakken. Ik kan me het niet meer precies voor de geest halen.

Misschien was het wel mijn verre Deense vriendin die me er in een hoog opgelopen politieke discussie over links en rechts op alludeerde. Wellicht heeft ze me het toen voor de voeten gegooid. Ik weet het niet meer precies maar sinds ik er lucht van gekregen heb, heeft het me nooit meer helemaal losgelaten.

‘Janteloven’ zo wordt het in het Noorden genoemd.  Het zijn eigenlijk maar tien regels die me iets duidelijk willen maken:

  1. Je moet niet denken dat je wat bent.
  2. Je moet niet denken dat je even veel bent als wij.
  3. Je moet niet denken dat je slimmer bent dan wij.
  4. Je moet je niet inbeelden dat je beter bent dan wij.
  5. Je moet niet denken dat je meer weet dan wij.
  6. Je moet niet denken dat je meer bent dan wij.
  7. Je moet niet denken dat je deugt.
  8. Je moet niet om ons lachen.
  9. Je moet niet denken dat iemand om je geeft.
  10. Je moet niet denken dat je ons wat kunt leren.

Jantelov is Scandinavisch dat is zeker. Het lijken tien arrogante vingerwijzingen die bedoeling hebben om kort te houden. Om spiegel voor te houden en me in te peperen dat ik eigenlijk niet al te veel voorstel zodat ik niet te hoog van de toren ga blazen. Maar is dat wel zo? Klopt dat wel? Ik ben al even op zoek naar wat er precies tussen de regels te lezen staat. Ik vraag het me af, of het wel geschreven is als gedragscode of als reglement om initiatief te beknotten en om volgzaamheid te cultiveren. Of is het net het omgekeerde en moet het net daarom beschouwd worden als kritiek op dit soort van denken en handelen?

Het is geleden van de godsdienstles uit mijn humaniora dat tien regels me nog zo bezig hielden maar dat was omdat ik ze toen van buiten moest leren.

Toen ik deze nieuwe tien geboden voor de eerste keer las, was ik inderdaad van mening dat het maar brute kritiek was die tien keer krachtig gespuid werd op een bekrompen manier van denken. Als een soort berisping of waarschuwing van de ‘champignonmaatschappij’, die me er moest doen aan herinneren dat, eens mijn wit kopje in de mest is uitgekomen, het toch onmiddellijk zal afgemaaid worden. En dat ik daarom maar best, gewoon met de stroom mee kan stromen zoals dode vis die meedrijft in een rivier. Niet te weerspannig maar gedwee en mak om klakkeloos en zonder nadenken mijn lot te aanvaarden.

De tekst kreeg plots een hele andere betekenis toen ik met de persoonlijke voornaamwoorden begon te spelen. In de ik-vorm worden de regels opeens een uitdrukking van bescheidenheid en nederigheid. ‘ ik moet toch niet denken dat jij van mij wat kan leren.’ In de jij-vorm werd het dan weer een ode aan gelijkwaardigheid tussen mensen waar de ene niet beter of slechter is dan de andere. Al zou ‘Jantelov’ evengoed kunnen geïnterpreteerd worden op de manier zoals ik het de eerste keer deed, om mensen te beknotten en te betuttelen.

Hoe ik het ook wend of keer ‘Jantelov’ is nog zo onnozel niet. Op de een of andere manier vind ik er wel een boodschap in waar ik verder mee aan de slag kan. Om dingen te relativeren, om me met mijn voeten op de grond te houden wanneer ik wat hoogdravend word of om me er mee onder mijn kont te trappen als ik ingedommeld raak.

En dan hoop ik maar dat de grootsprekers in de politiek, in het bedrijfsleven of in de financiële wereld ook een beetje ‘Jantelov’ worden zodat dat de machtswellust of de zelfverheerlijking een beetje getemperd wordt en bescheidenheid wat bovenhand krijgt.

Want of je nu wereldleider, top politicus, minister of staatssecretaris bent: ‘Je moet niet denken dat je wat bent!’

Kauwgom en een hondendrol

 

Wanneer mijn humeur overslaat, en dat overkomt me soms meer dan dat ik het graag heb, probeer ik wel eens stil te staan, om er achter te komen, wat het is dat deze ‘moodswings’ uitlokt.

Wanneer wordt goed slecht en wanneer wordt slecht goed of beter?

Ik ben er gaandeweg, met vallen en opstaan achter gekomen dat het kleine dingen moeten zijn want aan de grote hecht ik überhaupt niet zoveel waarde. Die zullen het verschil niet maken. Dure auto’s, een groot huis, carrière, overvloed, geld, reizen of status zijn niet onmiddellijk zaken die mij druk bezighouden of die me contenter of ambetanter zullen maken.

Ik ben redelijk zeker dat het meeste wat ik nodig heb om normaal gelukkig en comfortabel door te dobberen, al bezit. Ik leef mijn dagelijks onbezonnen, niet al te ongezond leventje met huis, tuin en boom, kabbelend en rustig verder. Maar hoe komt het toch dat ik me soms plotseling en zonder grote aanleiding precies in een doodlopende steeg waan, zoekende. Naar iets dat ik niet vind. Alsof ik reik en streef naar iets dat onbereikbaar is of naar iets dat misschien zelfs niet eens bestaat.

Sommigen beweren dat tevredenheid in het alledaagse kan gevonden worden zonder te vergelijken met anderen. Dat zal zo wel zijn en het zal zo wel horen te zijn. Maar moet ik daarvoor dan dankbaar zijn? Moet ik daarvoor dan dank-u zeggen omdat er altijd wel een groter sukkelaar op deze aardkluit zal rondlopen die er slechter aan toe is dan ikzelf? Om er dan gevuld van schuldgevoel achter te komen dat ik me eigenlijk alleen maar druk aan het maken ben omdat ik dik, oud, lelijk en met de dag senieler aan het worden ben. Terwijl ik het tot nu toe alleen maar gewend ben geweest om jong en hip door het leven te dartelen. Is het dat dan en zet dat besef me dan op een dwaalspoor? Ik zal weer maar eens met mezelf lachen en dankbaar zijn dat ik dat nog kan. Dat ik mezelf nog kan relativeren tot een slechte mop.

Moet ik mijn persoonlijke voldoening dan voortaan niet eerder zoeken in een groene grasspriet en in het gesjirp van een vogel? Of in een zonsopkomst of –ondergang zodat ik op die momenten ga beseffen dat ik voor die momenten geen eurocent hoef te betalen. Om daarmee dan tot inzicht kom dat niemand zich dat tafereel ooit zal kunnen veroorloven. Zelfs niet met al het geld van de wereld.

Zal ik me dan maar gewoon maar een beetje verder blijven ergeren aan mijn omgeving, mijn werk en mijn vrienden? En aan mijn vrouw die wellicht op dit ogenblik met net hetzelfde bezig is als ik. Of zal ik voortaan trachten me niet meer te storen aan de onzekerheid van het leven en aan de dingen ervan zodat ik me wat tijd kan gunnen om te beslissen wat ik er verder mee wil aanvangen? Zodat ik bij elke fout die ik zeker nog zal maken misschien dankbaar wordt omdat ik er altijd iemand anders de schuld kan van geven. Mijn vrouw, het weer, of de Walen en de Sossen.

De belangrijkste dingen in het leven zijn gratis en voor niets en dat is een zegen want op die manier kan de rest van mijn vermogen besteden aan het op één na belangrijkste.

Van die gedachte word ik blij en bijzonder dankbaar omdat ik het op een andere manier geworden ben dan dat ik het verwachtte. En dan wordt plots die kauwgom en die hondendrol waar ik zonet in trapte het hoogtepunt omdat die me er aan herinneren dat perfectie niet bestaat. De rechtse rijstrook van het leven wordt op die manier een perfecte vluchtweg voor de bumperklevers die me van het linkse willen duwen. En met die gedachte leer ik eindelijk de dingen te zien zoals ze misschien ooit zouden zullen worden. Wanneer ik zot genoeg geworden ben en mezelf geen tijd meer gun om me er zorgen over te maken wanneer het weer  niet loopt zoals ik het verwacht had.

En als je denkt dat ik wartaal uitkraam of ongelijk heb, wil ik toch voorzichtig proberen jou van het tegendeel te overtuigen. Door me hier het recht toe te eigenen te zeggen wat ik denk, zelfs al is het niet eens de moeite waard om het te zeggen, laat staan om er deze woorden aan te verspillen.

Dank u.

Nachtgesprek.

 

Ik spreek soms tegen haar. Stom he? Ik doe dat meestal s’ avonds. Alleen, wanneer het stikdonker is en ik zeker ben dat niemand kijkt of luistert. Vanop mijn terras staar ik omhoog, in het zwarte zwerk. Ik inspecteer het donkere hemelgewelf en de maan en ik ontwar de sterren en hun beelden tussen de grijze wolken. Ik steek een sigaret op en beeld me in dat ze daar ergens rondzweeft, dichtbij hemelpoort zeven.

Een dialoog kan je het niet noemen want door de band genomen, voeren we geen diepzinnige gesprekken met lange epistels en uitgerekte standpunten. Neen, ik geloof dat ik meestal alleen aan het woord ben en zij luistert gewoon maar, als ze al luistert. Het is net zoals vroeger eigenlijk. Toen kon ze met haar binnensmonds geprevel ook de indruk geven dat ze helemaal je aandacht had, terwijl ze eigenlijk met haar gedachten ergens anders vertoefde. Hoewel ze soms ook wel het hoge woord voerde. Om zich te beklagen en om me in haar taaltje, fors de les te spellen of om me te zeggen dat ik het wat kalmer moest aandoen. Ze zal wel gelijk gehad hebben. Zoals gisteren…

 

 

<‘Ah zijde daar eindelijk? Zeg, waarom schrijft ge feitelijke nooit eens iets over mij in uw boekskes? Ik ben toch uw moeder? Of zijt ge dat allemaal al vergeten?’

>‘Vergeten? Ik ben niets vergeten. Alles weet ik nog. Ik had alleen niet verwacht dat ik u hier, zou tegenkomen. Hier in het duister van de nacht en dat je eindelijk eens iets zou terug zeggen. Ik sta hier meestal moederziel alleen in de nacht te brabbelen.’

< Ja, manneke, gij zijt ook altijd zo in gedachten verzonken en zo met uw eigen zaken begaan, dat ge me niet hoort of niet ziet. Juist gelijk vroeger.’ ‘Alles en iedereen moest altijd al wijken voor uw ideeën en plezierekes.’ ‘Hoe dikwijls heb ik dat niet gezegd tegen onze Jef.’ Die kleinste, ik weet niet waar dat hij nu weer mee bezig is maar veel goeds zullen we daar maar niet van verwachten. Daar gaan weer vodden van komen, schrijf het maar al op.’

‘Alles moest altijd verlopen hoe dat gij het in uwe kop had en als ge iets in uwe kop had, had ge het niet in uw gat he.’ ‘Pakt nu uw studies. Eerst ging ge boekhouder worden.’ ‘Toen ge daar in den tijd mee voor de pinnen kwam zei ik tegen onze Jef, daar zal veel volk naar komen zien, hij kan nog niet met zijn eigen pree omgaan, laat staan met die van een ander.’ ‘Dat zijn kosten op het sterfhuis heb ik toen gezegd en ziet, een boekhouder is er aan u niet verloren gegaan he manneke.’ ‘Dat stond hier toen al in de sterren geschreven dat ge daar geen prijzen in ging halen.’

‘Als ge dan het jaar nadien, met al uw buizen in uwe zak thuis kwam en ons op uw blote knieën kwam smeken om het nog eens te proberen in de communicatiewetenschappen, had ik daar wel een beter oog in.’ ‘Want klappen, dat kon ge als den beste, nu nog trouwens zolang het maar niet in een vreemde taal is en zolang ge niet te veel moet uitsteken.’ ‘Uw lui zweet is rap gereed en ge weet wat ze zeggen he: ‘Een ezel zweet al van te kakken’. ‘Luister naar mijn woorden maar kijk niet naar mijn daden zou ons Heer over u gezegd hebben.’

‘Tussen ons gezegd en gezwegen, van werken had ge een broertje dood he. Altijd al gehad en nu nog peins ik, al zie ik je af en toe wel al eens achter het fornuis staan of een stofzuiger vast pakken. Dat hebt ge van ons vader geloof ik, die mens heeft ook altijd mee zijne nikkel afgedraaid in het huishouden.’

‘Nu dat ik toch bezig ben. Zeg, zoon, dat boekske?  Serieus, moest dat nu?’ ‘Voor wie zijn heiligen hebt ge dat nu weer gedaan? Waarvoor of voor wie smijt ge feitelijk al uwe vuile was op ’t straat?’ ‘De mensen hebben daar toch geen affaires mee?’ ‘Peisde nu echt dat ge daar iemand een dienst mee bewijst?’ ‘U zelve ja, maar ziet toch maar uit uw doppen, dat ge genen dikke nek krijgt want soms denk ik dat ge peinst dat ge Herman Deconinck zijt.’

‘Past op, ik ga alle redenen plaats geven’: ‘Chapeau dat ge gedaan hebt hetgeen ge gedaan hebt, ik zou het niet gekund hebben. Maar om dat nu zo in het lang en in het breed, allemaal in een boekske uit te smeren.’ ‘Ik heb er mijn gedacht van maar ja naar uw moeder luistert gij toch niet he.’

‘Gij zijt nog geen haar veranderd, misschien een rimpeltje meer aan uwe mond maar ik ga het zeggen gelijk dat ik het peins. Klinkt het niet dan botst het maar. Ik vind wel dat ge het precies wel wat hoog in uwen bol gekregen hebt.’  ‘De laatsten tijd klapt ge zelfs al op de letter.’ ‘Soms zeg ik dat hier tegen onze Jef.’ ‘Die kleinste, die is al lang vergeten van waar dat hij gekomen is met zijn Jannestreken.’  ‘Juist uw vader. Zeg ik dan, want die dacht ook altijd dat hij Rockefeller was.’

‘Maar, bon ik ben de piste in nu. Ik heb genoeg op je dak gezeten en ik moet hier nog al die kruiswoordraadsels oplossen. Voor dat ik het vergeet.’ ‘Breng de volgende keer eens een paar pakjes blauwe Belga filter mee en een fles porto, ah nee want dat moogt gij niet drinken zeker?’

‘Doet ze daar allemaal de goeiedag ik zijn naar huis …’

Paard zonder teugel

 

Alle  amoureuze verhoudingen worden wel eens op de proef gesteld want elke relatie is een machtsstrijd, een soort van battle of sex(es). Autoriteit voor intimiteit. Iedereen wil immers toch in min of meerdere mate een beetje controle of autonomie over zijn leventje om dingen doen die hij of zij spannend of belangrijk vindt. Vanuit die verschillen en vanuit die soms tegenstrijdige persoonlijke keuzes en verwachtingen, kan een relatie wel eens onder spanning komen te staan en omgetoverd worden tot een frontlinie.

De generaties van een paar decennia geleden maakten er minder moeilijke woorden aan vuil. ‘Het is stil waar het nooit waait’, zei ons moe indertijd, toen het weer eens ‘groen hout’ was omdat onze va zijn goesting weer eens niet gekregen had en daarom naar het estaminet was getrokken. ‘Het waait wel over want een vent zonder vrouw is als een paard zonder teugel’. Hij komt wel terug straks. ‘ Met zijne steert tussen zijn benen!’

Onbegrensd mijn zin doen of straf uithalen ten koste van een andere, om gelijk te krijgen, om de mond te snoeren of omdat ik mijn goesting weer eens niet gekregen heb. Ik hoop dat ik het niet te dikwijls meer doe. Maar soms, wanneer ik in mijn grensposten aangevallen word en mijn tolerantie op de proef gesteld wordt, doe ik het toch. Op die zeldzame momenten, wanneer ik vind dat ik niet behandeld word zoals ik het graag wil of hoe ik denk dat ik het verdien, kan ik het nog. Dan loos ik verbale bagger om de vlucht vooruit te nemen.

‘Schijt op een hoop! Trek je hobbel en stik in je gelijk!’ en dan volgt soms nog ‘trut’, ‘kalf’ of ‘kutwijf’ Afhankelijk of zij me eerst haar favoriete koosnaam, ‘eikel’ of ‘luibakken lul’ naar het hoofd geslingerd had.

Op die momenten is er geen connectie of verwantschap en wordt de bedstee door rookgordijnen en afweergeschut een paar dagen lang omgebouwd tot oorlogsgebied, waar de ene mijnen zaait en de andere zich in loopgraven terugtrekt, afhankelijk van wie het meeste gelijk opeiste of wie ongepast te veel noten op de zang had.

Er mag best wel duidelijke limieten gezet worden om aan te geven waar grenzen liggen. En het hoeft niet altijd expliciet gezegd of luid uitgeroepen worden tot waar de andere mag gaan en tot waar zeker niet. Want ruzie maken doen we beschaafd.

Al vind ik maar zelden gelijk in straffe macho koppigheid want ‘stil is het waar het nooit waait’ en in de confrontatie schuilt ware intimiteit. Nadat alle potten door het huis vlogen en nadat  lakens scheurden door ze te hard naar me toe te trekken, worden harde woorden teruggetrokken en compromissen bezegeld. Zij meestal met een traan. Ik dikwijls met ongemakkelijke schone woorden. 

De mythe dat ik alleen maar persoonlijk zou groeien door maar wat  aan mezelf te sleutelen wordt dan met een snelle veeg van de tafel gekeerd.  Als ik het uiteindelijk aandurf om met de witte vlag omhoog en met ‘de steert tussen de benen’, de loopgraaf te verlaten voelt het niet als capitulatie of nederlaag maar als een dikke zode aan de dijk van toekomstige eensgezindheid.

En dan worden we door dat nieuwe vredesverdrag uiteindelijk alle twee winnaar van de battle of the sex(es). Zij met haar ondeugende glimlach, ik omdat ik nog steeds met twee snelle vingers haar bh kan los prutsen.

Versie 2.0. van de onnozelheid

 

Tot nog niet zo lang geleden kenden we het fenomeen alleen van horen zeggen of van uit Amerikaanse filmpjes die ons bereikten via het journaal of via You Tube.

Ik weet nog hoe we verbouwereerd, voor de beeldbuis gekluisterd zaten en massaal wenkbrauwen fronsten omdat we stille getuige waren hoe hysterische dames elkaar bekampten in de ‘catfight’ van het jaar. Ze vochten een gladiatorengevecht voor het juiste trouwkleed aan halve prijs, voor de laatste afgeprijsde roze i-phone of voor de grootste, platste flatscreen van het moment. ‘L(ife’s) G(reat)’ maar alleen maar als het plat is. Hoe platter hoe beter. Elke Amerikaan ging plichtsbewust op strooptocht naar de passende platte 2.0 versie van onzinnigheid en onnozelheid.

Vandaag zie ik in de Hoogstraat dezelfde verbaasde meute, massaal mee kwijlen met de kunstmatig opgedrongen Angelsaksische koophysterie die god weet hoe en god weet van waar, is binnen gewaaid. God betert want de West-Europese waardigheid is om zeep. Alle Amerikaanse onnozelheid wordt ten langen leste toch netjes met een ‘trick or treat’ gekopieerd alsof het al eeuwen kostbaar cultureel erfgoed is geweest.

Het is Black Friday en je zult het geweten hebben. De advertenties en verborgen verleiders worden via alle beeld poriën van gangbare schermen op mijn netvlies gespuwd om me ongevraagd te tonen dat alles te koop is, zelfs mijn kritische waardigheid.

Op Black Friday wordt iedereen meegesleurd in dezelfde koopjes orkaan of stormachtige solden windhoos waar je alles kunt kopen wat je wilt, niet op zit te wachten en zeker niet nodig hebt. Op deze hoogdag van koning kapitalisme wordt kopen, opdoen, inslaan, stockeren en consumeren de lijfspreuk van de dag. Het liefst kosteloos op afbetaling tot het maximum krediet bereikt is zodat je persoonlijke gegevens bij de volgende gelegenheid, schalks en leep opnieuw gerecycleerd en misbruikt kunnen worden.

Gelukkig is het volgende week Cyber Monday zodat alle overbodige of dubbel gekochte rommel on-line kan aangeboden worden op de betere E-bay shop. Enkel op die manier zal je binnen dertig dagen genoeg sollen over hebben om mee te kunnen doen  met de kersthysterie en broodnodig Nieuwjaar solden.

Superheld in de gouden kooi

 

Het liefst van al zou ik de wereld redden. Mocht ik een beetje moediger zijn,  ik zou een onbevreesde voorvechter zijn. Een soort superheld van rust en geluk, die elke dag nobele doelen na streeft, spannende dingen doet en mensen begeestert om ze juiste keuzes voor te leggen zodat ze gemaakt worden. Maar ik ben het niet. Ik vlieg niet zo door het leven. Ik mis er de ambitie en de eerzucht voor of ik ben er te bescheiden voor.

Carrière en aanzien, houden me weinig of zelfs helemaal niet (meer) bezig. Ik leef eerder met mijn ‘juist’ idee dat vrijheid, geluk en plezier het hoogst bereikbare level van succes is. De overschot is een illusie van opgedrongen levensdoelen die verpakt zitten in uitgedokterde loopbanen en strategische promoties.

Ik loop ze dagelijks tegen het lijf, de uitslovers, de loonslaven of statusgijzelaars, de strebers die tot eer en glorie van onbereikbaar aanzien en nutteloze status, in de gouden kooi geketend zitten. Om daar op zoek te gaan naar het hoogst ‘onhaalbare’ met klein geluk dat dient als onderpand om het net niet te kunnen verwezenlijken. Omdat de wortel te ver hangt.

In een enquête geeft een op vijf van alle werkenden voor zijn persoonlijk werkgeluk niet meer dan een zes of scoort zelfs onvoldoende, terwijl één op vijf, minimum een zeven scoort op de vraag hoe werkdruk ervaren wordt.

In mijn hoofd zie ik haastige of duffe mensen die zich geïrriteerd voortslepen in een file waar nauwelijks nog beweging in zit. Ze torsen gewicht op schouders en manoeuvreren met noeste arbeid of met ellebogenwerk naar een denkbeeldige top, net zo hard tot ze denken dat ze er zijn. Ze worden voortgedreven door de illusie van macht, status of promotie en opslag. Tegen beter weten in trekken ze verder. In slierten en lange rijen, naar kantoor of een ‘chantier’ om daar in hun hoofden aan planmatige carrières te prutsen om rijker en beter te worden, terwijl ze snakkend naar verlof, uren en dagen af tellen. Naar de avond en het weekend om daar dan zonder groot resultaat proberen te recupereren wat onderweg verloren raakte, in de jachtigheid van de ratrace.

‘Niets lijkt zo flexibel als ambities’ Want ze passen zich in hetzelfde tempo aan naar mate ze bereikt worden om uiteindelijk ongrijpbaar te worden of te duur. Tenminste als men de prijs durft te bekijken die er uiteindelijk voor betaald werd.

En dan denk ik: ‘Carrière en rijk, dat is voor idioten’ al zal het wel leuker zijn om ongelukkig te zijn in een Mercedes dan in Lada.

Pijpen en vrouwendag

 

Op een dag als deze ben ik des temeer opgelucht dat mijn seksuele identiteit helemaal overeen stemt met het geslacht waarmee ik geboren ben. Mijn ochtenderectie heeft me dat daarstraks heel duidelijk gemaakt toen ik half wakker en met zandslapers in mijn ogen, mijn nog slapende vrouw in de gaten kreeg. Het dekbed was weg gewroet zodat ze ongeveer tot aan het middel bloot lag. Een spaghettibandje van haar slaaptopje was van haar schouder gerold zodat een borst zich half ontblootte. De jongeman in kwestie had niet meer nodig.

Ik was stiekem trots want mijn mannelijkheid werd bevestigd. Vanaf vijftig worden wij daar blij van geloof me. Al dient in dezelfde adem gezegd, dat ik me ‘die sta(a)t(d)us’ of ‘staat’ van dienst een paar luttele tellen beklaagde, toen ik met volgestroomde zwellichamen probeerde te pissen.

In die toestand de blaas legen, blijft een uitdaging en een hachelijk huzarenstuk want pissen terwijl de eenogige slang je recht in de ogen kijkt is geen sinecure. Het is alleen geriefelijk en bruikbaar wanneer ik een ‘Z’ in de sneeuw wil mikken maar daarvoor is het lang nog niet de tijd van het jaar.

Hoewel verpleegsters met deze plaatselijke ‘rigor mortis’ doorgaans  raad weten, durf ik dat voorzichtige hoofdstandje niet te geven. Ik wacht dus maar geduldig tot het dier terug in zijn kot kruipt. Gelukkig was er vanmorgen geen hoog water voorspeld.

Voor zo lang het nog duurt ben ik blij met mijn mannelijkheid want vandaag het is vrouwendag. Je zult het geweten hebben want newsfeeds lopen over.  Straffe vrouwen met gebalde ‘forceballen’ prijken op internettegels of in nieuwsartikels van organisaties die’ topvrouwen’ of ‘vrouwen on top’ al als vanzelfsprekend achten. Mijn mening doet er niet toe maar volgens mij zouden vrouwen, alle dagen van het jaar deze aandacht mogen krijgen want ze zijn tot meer in staat dan wij mannen. Ze kunnen bijvoorbeeld ’s morgens wel zonder problemen pissen zonder het risico dit in hun eigen gezicht te doen. Toch verkrijgen ze tot op heden nog steeds niet de aandacht, de sociale, politieke, morele of intellectuele gelijkwaardigheid, laat staan de lonen, die ze verdienen.

Zelfs leeuwin Gwendolyn Rutten klauwde kwaad.  ‘Maak daar maar heel kwaad van!’: brieste ze. Toen volgens de blauwe hofdame, de kandidaat voor het Oost-Vlaams gouverneurschap Carina Van Cauter, afgelopen week genadeloos werd geslachtofferd door mannelijke politieke afrekeningen.

Misschien dat wij mannen, de vrouw daarom vandaag zo graag betuttelen en hen met veel bravoure op een pied de stalle zetten. Om hen met een illusie kalm te houden of heel misschien om in de verf te zetten dat ze er nog lang niet zijn.

Toch is de toekomst vrouwelijk want ze hebben statistische overmacht. De rol van de man is uitgespeeld want het sterke geslacht dient al veel langer een veel hoger doel dan er goed uit te zien of de krant of de sloffen te brengen voor hun pijpen rokende vent.

Al blijft het schrijnend dat er nog steeds vrouwendag nodig is, om dit onder de aandacht te brengen.

 

.

 

 

Boekenbal

 

Halverwege de trappen houd ik even halt en kijk voor me uit. Ik was hier eerder. Vorig jaar en alle voorgaande jaren ook maar dan alleen als bezoeker en toeschouwer. Vandaag is het anders.

Aan deze ingang hoef ik niet aan te schuiven. De aarzeling in mijn tred verraadt zenuwachtigheid. Iedereen kan dat van ver zien. Een handvol hostessen die bezoekers verwelkomen, staan op de hoogste trede. Ze dragen allemaal dezelfde lichtblauwe anorak en rode T-shirt. Een ervan scant mijn toegangsbadge en begroet me hartelijk. “Welkom, het is langs hier. Volgt u maar.” Ik ben niet zeker of ik zelf “hallo, goedemorgen” of iets anders vriendelijks terug zei. Mocht ik op mijn gemak zijn, ik zou dat nooit vergeten, al was het maar uit beleefdheid. Nu is me dat door de omstandigheden en door mijn nervositeit ontgaan. Ik ben zeker dat ze me door mijn ongewilde boertigheid een verwaande, arrogante eikel vindt. Ik twijfel even of ik terug zou gaan om het haar uit te leggen. Om te zeggen dat ik het niet zo bedoelde en dat ik doorgaans wel manieren heb maar ik bedenk me.  Wellicht omdat vandaag al grotere ego’s haar trap bestegen hebben. Ik laat het goed bedoelde voornemen verder voor wat het is want vandaag heb ik andere katten te wassen.

Zweetdruppels lopen langs mijn bilspleet en voel de boxershort ter hoogte van mijn liezen klam worden. Onwennig duw ik de glazen deur open. Uitgesproken verwachtingen heb ik niet en ik heb al helemaal geen idee hoe de namiddag verder zal verlopen. Toch begin ik me stilaan lichter en opgeladen te voelen. Ik besluit katten uit bomen te kijken en af te wachten wat de dag verder voor mij in petto heeft.

Eens binnen scannen mijn ogen jachtig de omgeving en speuren naar iets bekend of veilig. Een vrouwelijke figurant die verkleed is als Jommeke gesticuleert met veel gebaar en tracht de aandacht van kinderen op te eisen. We hebben oogcontact en zij bemerkt mijn hulpeloze onzekerheid. Snel probeer ik uit te maken of ze me ermee uitlacht of ze eerder tracht me op mijn gemak te stellen. Ik vermoed het tweede dus zwaai ik slungelachtig terug en prijs me gelukkig dat ik niet een ganse dag in zulk een jommekes-harnas moet rond dartelen en dat ik hier maar wat hanenpoten mag komen zetten. Wellicht zal haar slip natter zijn dan die van mij, maar ik verban die gedachte snel naar mijn mentale prullenbak.

In de eerste grote hal lopen mensen als zenuwachtige mieren door elkaar. Ze slenteren in min of meer geordende rijen achter elkaar, als werksters of verkenners van de kolonie, op zoek naar een interessante prooi die in hun blikveld valt. De ene mier achter de andere, kop tegen gat. Of ze schuiven aan en drummen voor een glimp van, of een kort praatje met hun idool die ze persoonlijk kennen van Tv. Iedereen sjouwt met tassen en zakken.  De meeste ervan puilen uit, met folders, kranten en tijdschriften of ander leesvoer dat allemaal verpakt is in hetzelfde bruine inpakpapier. De draagtassen zijn ook allemaal eender. Wall street van de boeken draait op volle toeren.

Achter hoge tafels zitten de ijdele hogepriesters of de gladiatoren van de boekenarena. Sommigen zie ik genoegzaam glunderen en genieten van de aandacht die hen te beurt valt. Andere dan weer verbergen hun gezicht achter de stapels boeken en houden zich er schuchter en bedeesd schuil voor de opdringerige attentie van het plebs waarvoor ze het geschreven hebben. Schrijvers zijn een vreemd volkje.

Als de nieuwbakken koningin van de kolonie arriveert, schuift de mensenmassa snel als een modderstroom naar zaal 3. Uit Pure-borden en Pure-kommetjes serveert de voedselmaker van de mierenhoop minutieus gestylde gerechten.  Voedsel zonder koolhydraten, zonder suiker en zonder smaak. Maar de menigte lust haar pure pap wel en “la Naessens-Jambers”, geniet zienderogen van de warme spotlights van waaronder zij haar voedselevangelie predikt. Zij kan zich niet verschuilen achter stapels boeken omdat die even snel slinken als overtollig vet dat even snel smelt als je de eetstijl overneemt die ze neerschreef in haar recepturen.

Hopelijk worden niet al de euro’s gespendeerd aan voedselrages van ouder wordende taarten of aan voetbalpraatjes van stotterende sportjournalisten en rest er nog een duit in de beurs voor literair verantwoorde dingen of voor andere leuke boekjes, van stuntelige auteurs, die zich verstoppen achter hun stapel omdat ze te verlegen zijn of te onzeker of omdat ze nog niet doorhebben hoe het boekenbal precies in elkaar zit.

Ik raak stilaan rustig. Wie schrijft die blijft en ik vis de vulpen uit mijn binnenzak.

 

Het vallen van het blad

De oudewijvenzomer duurde lang. Misschien iets te lang want hij liet de herfst ongedurig wachten. Nu de laatste zomerwarmte verdwenen is, raakt de natuur stilaan wel in de juiste stemming en laat hij eindelijk zijn ware kleuren zien. Hoewel bladeren geel, bruin en rood kleuren, en alles in vol ornaat getoond wordt, blijven grijze wolken, aanschouwd door een raam er even grijs en somber uitzien.

Straten liggen bezaaid met afgevallen, rottend blad. De Indian Summer is vergeten. Eindelijk is de verwarring verdwenen. Het waait, het miezert en het is vroeger donker. De natuur raakt in de overgang en het buitenleven vecht tegen de menopauze van de nakende somberheid.

Met de intocht van het guur lijkt het leven zwaarder te wegen. Yin neemt over en de emotiemachine zorgt her en der voor een ongewenste herfstdip. Rondom mij hoor ik gezeur en gezaag, over alle dingen waar mensen zich kunnen over beklagen. De herfst en het weer zijn toppers in de klaagzang al moet de uitslag van de verkiezingen niet onder doen. “Waarom gaan wij nog kiezen. Alles is toch op voorhand bedisseld?” “Doe het dan niet en stop met jammeren”: wil ik hen van repliek dienen. Maar ik doe het niet. Ik laat het zuur voor wat het is.

Omdat ik tegendraads ben en omdat niemand me zegt: “ Ik ben blij dat die rotzomer voorbij is”, roep ik hard in mezelf: “Hoera, het is herfst!” Want authentiek en lang- of kortdurend geluk wordt in mijn hoofd al langer toegelaten zonder hulp van een positieve psycholoog. En van de seizoenen hoef ik al helemaal geen toestemming te krijgen om me goed of slecht te voelen? Al zeker van de herfst niet en van zeurende mensen nog minder.

De gedachten aan geluid van knisperende bladeren onder mijn voeten en het hamsteren van tamme kastanjes, okkernoten en hazelnoten, jagen me naar het bos. Van die ingebeelde pompoen, die ik onderweg zeker zal meepikken uit de hof van een verre buur maak ik in gedachten al een soepje, met koriander en een paar gegrilde scampi’s.

Konijnen, fazanten en reeën zijn gezellen op mijn pad. Ze kunnen mijn aanwezigheid maar matig appreciëren. Ze vluchten even haastig weg voor het geluid van de krakende bladeren onder mijn bottines als ik voor de zeurende, zure mensenmassa. Ik denk dat ik begrijp wat ze me duidelijk willen maken.

Van achter bladerloze kruinen spant een regenboog de hemel op. De holebi’s kunnen er ook maar goed mee zijn, bedenk ik. Het is hoogtijd om aan die soep beginnen al zal ik dan wel eerst de kassa van de supermarkt moeten passeren. Hopelijk kom ik er niet te veel mensen tegen.

De juiste afslag

 

11 uur is net gepasseerd en ik keerde zopas terug naar datzelfde cafeetje waar gisteren samen met beste vrienden van vroeger, het verleden werd opgerakeld.

Nu vallen stamgasten opnieuw met mondjesmaat binnen. Het gezelschap is rustiger, en onbekender en misschien iets meer van een gezegende leeftijd dan gisteren.

“All, or nothing at all.  There is no in between…” Billy Holliday accentueert op de achtergrond mijn gedachten en zingt het met haar rauwe stem precies hoe ik het bedoel. Als passend behangpapier. Mijn open geklapte laptop wordt een digitale loopgraaf en een uitgelezen schuilplaats om er naar mensen te kijken en om er de sfeer van  gisterenavond mee terug  te toveren.

Een vrouw met oranje sjaal bladert snel in een flair. Het tempo waarmee ze de pagina’s draait laat me vermoeden dat ze nerveus op iemand zit te wachten. Even later valt haar amant binnen. Ze kussen elkaar innig zoals achttienjarigen dat doen. Billy Holliday laat er zich niet door van haar stuk brengen. “The kiss in your eyes, the touch of your hand makes me weak…”  Ze laat de tekst klinken alsof die exclusief voor hen bedoeld was.

Net zoals gisteren bestel ik koffie. Opnieuw is hij perfect, sterk genoeg gezet.  Net zoals ik hem het liefst heb. Uit twee oude suikerpotten kan ik kiezen uit witte kristal- of grijze rietsuiker. Het glaasje plat water en de witte praline met een hazelnoot die er bij geserveerd worden maken mijn wachtmoment helemaal compleet. Geluk heeft soms een klein plekje.

Het café is veel minder vol dan gisteren. Rustiger ook, al echoën de gesprekken van gisteren nog na. De geesten uit het verleden lijken nog even terug te komen, om te spoken en om te zien dat het goed was geweest. Wellicht ben ik de enige die ze hoort. Al kan ik me niet van de indruk ontdoen dat de barman die ons gisteren ook bediende ze eveneens even opmerkte.

Het kost me geen moeite om terug te blikken op gisterenavond. Net zoals vanouds was ik er als eerste en koos een gepaste stek, dicht bij de tapkast.  Om van daar, in de juiste cadans en op het juiste tempo bediend te raken. Al verlang ik dat zelf al een hele tijd niet meer. Van sommige oude gewoonten raak je blijkbaar niet snel verlost en al zeker niet wanneer ik op het punt stond die oude gewoonten te delen met bekenden die het van me gewend waren.

Vanaf 7 uur vielen ze binnen, één voor één of met zijn tweeën. Sommigen zagen er zichtbaar ouder uit, kaler of waren door hun Bourgondische levensstijl wat bij gespekt. De ene ziel al wat harder en feller of grijzer door de wol van het leven geverfd dan de andere. De meesten onder hen waren geen haar veranderd. Of misschien merkte ik door mijn eigen rimpels en mijn eigen genuanceerde blik het verschil niet meer. Dat kan ook. Een kleine 30 jaar geleden bewandelden we een tijdje hetzelfde levenspad. Op school. Al was die plek toen eerder een juist alibi om er na de uren op café, op een TD of tijdens een Cantus toekomst en geschiedenis mee te maken. Gisteren kwamen we voor het eerst weer samen om hele oude koeien uit grachten te redden. Met onderscheiding hebben we ons van die opdracht gekweten. Sommigen zelfs met meer succes dan vroeger tijdens examens, al moet ik wat dat betreft misschien eerder voor mezelf spreken.

Het deed deugd hen allemaal te terug zien. Om bij te praten en vast te stellen dat ieder op zijn tempo en met zijn persoonlijke ambitie of verwachting de juiste afslag heeft gevonden. Om daar dan toe doen wat zij belangrijk achten. Al moesten sommigen tot in Zuid Afrika rijden om daar te vinden naar wat ze op zoek waren. Het maakt niet uit.

Mijn jongste zoon valt binnen en haalt me abrupt uit mijn mijmerende gedachten. “Het maakt niet uit wat we gaan eten, zolang het maar veel is. Ik heb razende honger en straks ga ik pinten pakken, met mijn maten van school …“

Ik kan een innerlijke glimlach niet onderdrukken en bedenk me dat hij zich hier over 30 jaar misschien ook terug komt bezinnen over de avond die hij op punt staat te beleven. Ik hoop het zo voor hem.

 

 

De Oezbeek!

Ik heb een hoop vrienden. Een ervan kent iemand. Hij is vluchteling en is afkomstig uit Oezbekistan. Hij leert Nederlands. Het is niet mijn vriend die Nederlands leert. Neen, hij is oerdegelijk Vlaams. Hij praat zelfs een beetje zoals Geert Bourgeois. Stijf en statig en met een veel te harde “G”. Wellicht is het nog een onbewaakte gewoonte die hij aanleerde tijdens zijn studietijd. Om er zijn West-Vlaamse accent mee te verdoezelen. Omdat hij er mee werd uitgelachen. Ik vermoed het want ik heb hem nooit gevraagd waarom hij zo hard op die “G” rochelt.

‘Vriend’ is een groot woord. Ik zie hem soms en dan praten wij tegen elkaar. Gewoon maar praten, omdat mensen die elkaar kennen dat doen. Uit gewoonte, niet per force omdat we elkaar zo tof vinden of zo. We praten en produceren woorden en zinnen. Soms, zelfs wisselen we gedachten uit. Over gemeentelijke opcentiemen of over het orgasme van een varken. Wist je trouwens dat het orgasme van een zeug ongeveer dertig minuten duurt en dat er dan meer dan een halve liter varkenssperma ‘gedoneerd’ wordt? Daar kan je lang over praten, over het orgasme van een varken. Minstens een half uur. Daar ben ik zeker van. We praten dus. Over alles en over niets. Verder hebben we niet zo veel met elkaar gemeen. Misschien zal ik hem daarom en om misverstanden te vermijden maar gewoon, ‘kennis’ noemen in plaats van ‘vriend’.

Die Oezbeek ken ik trouwens ook niet. Die heb ik zelfs nog nooit gezien of ontmoet en dat hoeft voor mijn part ook niet. Ik praat namelijk geen Oezbeeks en hij niet voldoende Nederlands. Zeker te weinig om het er überhaupt over iets mee te kunnen hebben. Over het orgasme van een olifant bijvoorbeeld. Dat zal vast ook wel lang duren en er zal meer dan een halve liter olifantensperma aan te pas komen, denk ik. Maar ik zal het niet te weten komen. Niet vandaag en niet uit een gesprek met een onbekende Oezbeek.

In een van onze onbenullige gesprekken, zei mijn ‘kennis’ dat de Oezbeek, die klaarblijkelijk wel Nederlands begrijpt, zich stoorde aan hoe dikwijls wij Vlamingen het woord ‘zitten’ gebruiken. En hoe hij daar kop nog staart aan krijgt Hij heeft dat vast op een andere manier gezegd want ik kan me niet voorstellen dat een Oezbeek die Nederlands leert al zulke tekenende spreekwoorden gebruikt. Ik moest daar trouwens tijdens ons gesprek al eens even over nadenken. Over het woord ‘zitten’. Hij heeft een punt. Hoewel hij maar een paar woorden Nederlands spreekt, heeft die Oezbeek overschot van gelijk. Het woord ‘zitten’ zit zot ineen.

Nu ik thuis ‘zit’, (het gesprek met mijn ‘kennis’ ging trouwens over een niets zeggend onderwerp) ‘zit’ ik er al een uur mijn kast over op te fretten. Terwijl ik het denk, weet ik dat ik dat ook zo maar zou kunnen vertellen zonder dat ik daadwerkelijk ‘zit’ zeg. De waarheid is zelfs dat ik helemaal niet zit want ik lig in mijn sofa. Ik zou ‘zit’ dus ook kunnen zeggen terwijl ik rondloop of de afwas aan het doen ben of zo. Echt ‘zitten’ heeft daar van ver of van dichtbij iets mee te maken.

Terwijl ik door boom over het woord ‘zitten’, ‘zit’ de poes te krabben aan de lederen zetel waar ik in ben neer gevleid. “Daar mag je niet ‘aanzitten’“: roep ik op autoritaire toon, en ik gooi mijn pantoffel naar het ongedierte.

Gesteld dat mijn ‘kennis’ en de Oezbeek getuigen waren van dit tafereel en eveneens aangenomen de Oezbeek het woord ‘aanzitten’ in deze context zou hebben aangeleerd, zou een restaurantbezoek bron van smakelijke misverstanden zijn. Ik zie het zo voor me. De Oezbeek en mijn ‘kennis’ stappen binnen in een sjiek spel en de gastvrouw gebiedt hen beleefd aan de keurig gedekte ronde tafel ‘aan te zitten’. Welke gedachten zouden er op dat ogenblik door het hoofd van de Oezbeek dwalen? Mag hij zitten? Of mag hij het niet en zou hij met zijn pantoffel gooien? Want een duur sterrenrestaurant heeft iets sjieks. Daar komen geen ongehoorzame poezen aan te pas en aan de tafels wordt zonder berisping ‘aangezeten’. In de veronderstelling ten minste, dat er geen kauwgom aan mijn broek ‘zit’ doordat ik een stoel uitkoos waar een kauwgom op ‘zat’.

In duidelijke omstandigheden en in de oorspronkelijke betekenis van het woord heeft ‘zitten’ alles te doen met, ‘rustig gezeten zijn’, op je kont, op een stoel, in een zetel, of ‘op mijn vrouw’ maar dan niet in de betekenis die ik er hier wou aan geven. In die betekenis had ik wellicht net ervoor gezegd, dat het rode kleedje haar als gegoten ‘zit’. Geen Oezbeek ter wereld die eraan zou denken dat dat kleedje op die stoel zou ‘zitten’ of ik op mijn vrouw.

Het houdt me bezig. Waarom is ‘zitten’ zo ingeburgerd? Zegt het iets over mijn ‘zittend’ bestaan? Wanneer ik in mijn zetel ‘zit’, of wanneer ik ‘zittend’ op mijn krent deze onzin schrijf? ‘Zit’ ik er dan aan vast? En hoe komt die Oezbeek er trouwens op? Omdat hij al jaren op de vlucht is en daarom struikelt? Omdat hij nooit eens vijf minuten rust vond en daarom valt over ‘zitten’? Misschien moet ik het hem maar eens vragen. Misschien moet ik hem eens uitnodigen bij mij thuis zodat we het kunnen hebben over het orgasme van de olifant of over de gemeentelijke opcentiemen.

Op de achtergrond brult de televisie. Holland scoort 1 – 1.

Hij ‘zit’!

Voor de goei.

 

…“Moeder, hebt ge mijn wit hemd gesteven? Is mijn kostuumbroek geperst en waar hebt ge begot mijn bretellen gelegd? Ik wil opgekleed naar de keus. Vandaag ben ik evenveel waard als die kiesmannen Want vandaag hebben ze mij van doen. Pas op, morgen zijn ze mij vergeten. Ik maak mij geen illusies. Ik ben niet aan mijn gat gedoopt. Dedju! 

Voor den Bsp stem ik niet meer. Die rooi, dat zijn juist radijzen. Rood genoeg langs den buitenkant, daar niet van. Maar spierwit, langs den binnenkant. Sinds die mannen hun overall gewisseld hebben voor een kostuum is het vet van de soep. Die zijn ineens allemaal vergeten van waar ze gekomen zijn. Uit welke broek ze geschud zijn. Als die morgen mee aan de vetpot kunnen lekken, zijn ze vandaag al vergeten wat ze ons gisteren beloofd hebben. Weet ge wat het zijn? Arrivisten! Wat zeg ik arrivisten, dat zijn ze! Dedju!

Zwijgt me van Willy De Clercq “de Vlerk” van de P.V.V.  Dat is pas een rasechte meeloper. Die zit in de zak van Vanden Boeynants. Die mag alleen, geletterd, met zijn schoon dictie en met evenveel krullen als op zijne kop, zijn gedacht zeggen.  Zolang dat maar het zelfste is als dat van “Polleke Panch”.  De zakkenvuller! Wat zeg ik een zakkenvuller, dat is hij. Dedju!

De C.V.P.  Breek me de mond niet open. Vanden Boeynants is misschien een idealist zonder illusies maar voor mij blijft hij nen illusionist die pensen doet veranderen in stemmen. Brussels krapuul! Wat zeg ik Krapuul. Dedju!…

En de Volksuniedat zijn zwetterikken! Dedju. Zwetterikken. “

Verkiezingen 40 jaar geleden ten huize Pultau. In zijn gesteven kostuum trok hij moedig ten strijde met één stem in zijn borstzak.

Diplomatie, takt en beleefde welbespraaktheid, werden me niet altijd met de paplepel opgelepeld. Onze pa zei het fors, met een vloek en met een vuist op tafel. Maar hij liep niet mee met de hoop. Ondanks zijn werkbroek en zijn dagelijkse schoofzak vormde hij zijn eigen gedacht en durfde daarvoor uit te komen. Het mocht klinken en botsen. Dat deerde hem niet. Hij kwam op voor zijn gedacht en liet zich niet of nauwelijks beïnvloeden door wat de grotere massa zei of dacht. Wat ben ik blij dat ik dat van hem geërfd hem al zeg ik het niet zo straf met een vloek. Dat doe ik nu ook niet.

Ik heb gewoon maar gestemd. Met een gestreken hemd, met mijn broek in de plooi en met mijn zondagse schoenen aan. In eer en geweten!  Voor de goei!