Ik ben hoer! We kunnen fisten.

 

< “He ik ben al hoer, ik zie je zo aan het ontbijtbuffet. Noor is ook al hoer. Ze is bij mij. Tot zo.. en haasten jullie zich een beetje?”

We waren met zijn vieren in Parijs.  Om er cultuur te snuiven en ons culinair te laten overmeesteren. Een bezoek aan het kasteel van Versailles stond op de planning en mijn lief wou met dit tekstberichtje laten weten dat ze fris gewassen was en dat ze helemaal klaar was voor een culturele hoogdag. 

Versailles was mijn idee. De logies zijn steeds haar rayon. Ze had twee ruime kamers geboekt in een leuk pension vlakbij het kasteel. Noor had bij mijn vrouw geslapen en Dries had mij gans de nacht wakker gesnurkt.

Toen het, ik-ben-hoer-smsje, de gsm in mijn broekzak deed trillen kon ik een grijns maar moeilijk onderdrukken.  De radertjes in mijn hoofd draaiden helemaal gek en een snood plannetje ontspon zich razendsnel. Zoals een spin rag spint rond een vastgekleefde vlieg.

> “Hoer? En dat met onze dochter in de buurt, wat schuift dat? Kijk je eens even snel of er viagrabrood is of vaginacrème en vers fluit”: Antwoordde ik met de voorbedachtheid om haar helemaal tureluurs te teksten.

< “Hier”, bedoelde ik zot. Viagrabrood en vaginacrème? Maak eens dat je beneden bent, snul. Wij hebben honger”

> “Schreef ik viagrabrood? Ik bedoelde ciabattabrood en vanillecrème. Damn..  autocarrosserie, ik bedoel autocapitalistion… grrrrrr… autocorrect!” “Kont in orde hoor! Ik ben me aan het afdrogen.”

< “Neen hier hier is geen ciabatta, wel brioche en baguettes, en ik weet dat mijn kont in orde is. Ben je er?”

> “Komt in orde”:  Had het moeten zijn maar je hebt gelijk, je kont is nog in orde en ik kan het weten want op elk potje past een deksletje.” 

< “Deksletje… haha .. je doet het er om”

> “We zijn er hoor. Ga al maar. Ik loop gewoon nog even langs de balie voor onze tickets. Naar welke maitresse heb je die gestuurd?”

< “Hu?”

> “Maitresse… haha! emailadres. Naar welk emailadres?”

>“Het jouwe. Laat je ze voor de zekerheid printen? Als ze daar geen scanner hebben      aan de ingang kunnen we nog een uur in de rij staan.”

<“Kont in orde hoor! alles is afgerukt en nog goed nieuws we hoeven niet te stappen. Ik ben ook hoer en we kunnen fisten”

 

Slappe Lotus.

 

Blijf uit mijn energiebaan want ik raak uit balans. Het ene moment ben ik overmatig actief en heel dominant aanwezig. Dan weer vind je me stilletjes op de achtergrond. Diep in mezelf teruggetrokken. Een beetje afwezig en op zoek naar een strohalm. Het voelt aan alsof er te veel in mijn hoofd zit waardoor ik me licht en onevenwichtig voel. Ik heb nochtans een groot hoofd. Toch groter dan het gemiddeld hoofd. 

Zou mijn wortelchakra droog staan?

Ingeborg zou er zeker een gepaste uitleg voor hebben. Mocht ik haar kennen dan zou ze me zeggen: “Jan, je sacraalchakra leeft op oorlogsvoet met je navelchakra waardoor je zonnevlecht in de knoop zit. Laten we samen zingen. Toe! Please! Ik ken nog een topper. Gratitude before me, Gratitude behind me….”  

Ik krijg er spontaan bobbelen van en kom innerlijk in opstand tegen zoveel bewierookte, aansteklijke, opdringerigheid waarmee ze steeds ongevraagd probeert de edelstenen van mijn energie te bekrachtigen. Zeker wanneer ze me wil doen dansen om mijn opkomende depressieve gevoelens te onderdrukken. 

Terwijl ik het schrijf voel ik mijn sacraalchakra in opstand komen. 

Door de wind en door de regen probeert ze me er dwars door alles heen van te overtuigen dat ik een twijfelaar ben. Ze beschuldigt me van onzekerheid op het werk, in relaties en in de liefde. Wellicht is mijn zonnevlecht verkeerd geknoopt of zit ze helemaal in elkaar geklit. 

Ik begin me slechter te voelen. Lichamelijk zelfs. Mijn keelchakra heeft blijkbaar ook al afgehaakt want die zure boer voorspelde weinig goeds. Hopelijk is hij niet de voorbode van echte brokken.

Mijn hartchakra dan maar. Is deze al back on track? Ja, want ik voel de revolutie in mezelf in alle hevigheid los barsten. Ik doe wat ik het beste kan en kom in opstand tegen de zee van zweverigheid.  Pas wanneer ik Ingeborg en haar gratitude heb weggezapt ontstaat een beetje ruimte voor innerlijke vrede. 

Mijn derde oogchakra en mijn kruinchakra zijn het roerend eens. Ik ben zonet in mijn eigen kracht gestapt zodat ik eindelijk opnieuw verbinding heb met mijn eigen universum. Ik onhoud opnieuw mijn dromen zodat wanneer ik wakker word mijn lot vastbesloten in de handen kan leggen van lotus. Al hoop ik wel dat ik hem niet te lang in mijn koffie sop zoniet kan ik weer helemaal van voorafaan beginnen.

Harra harra harra….

 

Bladzijde 1

 

Bladzijde 1 ging vanzelf. Dat weet ik nog goed. Ik schreef en schrapte, herschreef en schrapte opnieuw. Als een bezetene ging ik te keer. Ik zocht naar woorden, synoniemen en een juiste invalshoek op een foute gedachte of een foute invalshoek op een juist idee. Tot het min of meer naar mijn zin was. Ik schreef in Times New Roman lettergrootte 14 want dat schiet aardig op. Die keuze leek me de juiste omdat de tekst dan nog kan gelezen worden zonder leesbril. Een voordeel, leek me voor het leespubliek dat ik beoogde. Mezelf.

Woorden, zinnen en alinea’s werden netjes horizontaal centraal gealigneerd want dat maakt een overzichtelijke indruk. Door voor tussenlijn 1,5 te kiezen leek het blad sneller vol dan dat het in werkelijkheid was. Een tekst-fata-morgana die het opstel er langer doet uitzien dan dat het in werkelijkheid is. Luiheid en gemakzucht zijn handige zonden die een beginnend schrijver niet vreemd zijn. Toen het eerste blad geschreven was telde ik 441 woorden. Bij het 442ste werd automatisch een nieuwe bladzijde beschreven. Hoe handig. Pagina’s vullen gaat automatisch.

Op de voetnoot van mijn wit blad staat onderaan rechts, in een wazig grijze font, pagina 268 en dan voel ik het in al mijn vezels. Ik wil over alles schrijven. Niet in het klad maar direct in het net, zodat het puur blijft en onversneden.  Over mannen en vrouwen of over grassprietjes. Over ogenschijnlijke alledaagsheid die me opvalt en me in het nu trekt zodat ik niet kan afdwalen naar kunstmatige grootsheid waar ik geen rol in heb. Ik kijk dan en voel of luister, zonder hoeven na te denken over wat nog komen zal of over wat al voorbij is en probeer het proper te verwoorden zodat jij het ook voelt. Of kan zien of proeven. Op die manier blijf ik scherp en attent op grote onbenulligheden die er toe doen. Wakker en bij de pinken voor non-valeurs die vandaag verschil maken, omdat ik, als ik dan later groot ben niet meer op dezelfde manier verbaasd zou kunnen zijn over dingen waar ik vandaag aan voorbij liep.

Als het steentje dan verlegd is stroomt de beek weer even wat sneller of trager. En sneller of trager is altijd goed.

 

 

 

Grijze silhouetten

 

Vijf uur en 7. Een nieuwe dag werd zonet geboren. Zonnestralen verdringen de nacht en de lichtgele schijn kalmeert het harde nachtduister.  De schuchtere ochtendzon tekent vage silhouetten op de slaapkamermuur. In mijn gedachten maak ik er bekenden van. Ik herken Wilfried Martens aan zijn te grote bril en Jimmy Hendrickx aan zijn gitaar. Tientalle kopjes staren me ongegeneerd en schamteloos aan. Onze pa meen ik ook te herkennen. Ergens net boven de horizontale lijn die de scheiding vormt tussen muur en plafond. Het moet hem wel zijn want niemand anders heeft ooit zo een perfect rond hoofd gehad. Hij grijnst met een lachwekkende grimas.  Alsof hij een tand mist omdat het rolluik ter hoogte van zijn mond daar net wel goed aansluit. Ons ma die wat lager afgetekend is kijkt toe. Ze denkt er duidelijk het hare. Wat zou ze anders doen. 

Hoewel de door de zon getekende mannetjes vanaf het krieken van de dag stille getuige zijn van mijn gesnurk, gewoel en ontwaken, storen ze niet. Hun gelaat wordt scherper naarmate het zonlicht aan kracht wint. Ventjes op de muur zoals dieren in de wolken. Als je lang genoeg kijkt ontstaan ze. Kijk je even weg dan zijn ze verdwenen of worden ze iemand anders. Elke keer als de zon er is en de morgen mij voorzichtig wekt, worden ze in mijn slaapkamer ‘s morgen op het muurcanvas geportreteerd.  Hun schaduwbeeld wordt er gevormd door spleten, gaatjes en scheurtjes in het rolluik. Omdat het niet helemaal perfect meer aansluit of omdat ik het gisterenavond maar half zijn gat toe getrokken heb. Dat is ook perfect mogelijk.

“De dag wordt wat je er van maakt” bedenk ik.  Het lijkt of mijn ochtendpubliek mijn gedachten kon lezen want plots valt het zonlicht in volle glorie binnen en zijn ze verdwenen. De ventjes en hun contouren. Even bang van de dag zoals ik van de nacht. Hopelijk valt de zon morgen iets schuiner binnen zodat onze pa zijn gebid weer volledig is en ons ma geen reden meer heeft om te jammeren.

Gekleurde wangen

 

Ik had een klak van de Rode Duivels opgezet en droeg oorlogskleuren. Op mijn kaken waren zorgvuldig 2 keer 3 strepen getrokken. De zwarte streep moest links, de rode rechts, de gele daartussen. Niet omgekeerd want dat brengt ongeluk. Dat wist ik nog van het vorige WK. Hoewel buienradar droog, zon en 22° voorspeld had, had ik een dikke sjaal rond mijn nek. Eveneens in oorlogskleuren. Rond mijn middel was een Belgische driekleur gedrappeerd die ik ooit eens gekregen heb bij een bak Jupiler. Het rood ervan was al een beetje afgegaan zodat het leek alsof ik voor de Roze Duivels ging supporteren.

Wanneer om de vier jaar, 22 mannen met gekleurde lichaamsversieringen een spelletje spelen met een bal, begin ik klaarblijkelijk mee raar te doen.

Noor heeft ook een duivels petje, Nele ook. Maar om onverklaarbare redenen verschenen zij beiden op het kerkplein zonder. Ze droegen beide een strak wit topje van H&M en blauwe jeans van Levis. Ik denk dat ze zich bekeken moeten gevoeld hebben omdat de zwart-geel-rood gekleurde modeshow volledig aan hen was voorbij gegaan. Al vielen ze uit de toon, toch waren ze mogelijks de enige 2 die “normaal” gekleed waren om naar het spelletje te komen kijken. 

Ze arriveerden aan de late kant want er waren al 3 doelpunten gevallen al leek dat detail hen geen van de twee te deren.

Het viel me op dat mijn vrouwen op een speciale manier voetbal kijken. Steeds druk pratend en gesticulerend. De kleinste met een cola de oudste met een cava. Beiden met hun rug naar het scherm. Toen het 4-1 werd voor de “Gele Duivels” vroeg Noor of al die “Rode” mensen zich niet van tenue hadden vergist. Ze zei me ook dat ze volgende keer haar pet ging opzetten en dat ze haar gele scouts t-shirt zou aantrekken. Dan zou zij de enige duivelssupporter zijn die tenminste de moeite had gedaan om assorti gekleed te zijn met de spelers. 

Gelukkig stonden er ondertussen ook 3 vegen op haar wangen anders had ze zich misschien te veel bekeken gevoeld.

Letterslet

 

Vanavond presenteer ik mijn boekje aan een schare vrienden en sympathisanten. Ik zal worden gevraagd hoe het er kwam, wat er in staat en wat ik er mee beoog. Hopelijk vind ik tegen dan op die moeilijke vragen eenvoudige antwoorden want ik ben niet van plan me slimmer voor te doen dan ik ben. 

Vanaf morgen “lig ik in de winkel” want zo wordt dat gezegd in schrijversjargon. En als ik het zo zeg klinkt het wat vreemd. ik lig in de winkel of ik sta in de vitrine. Als woordcoutisane of als letterslet. Te koop voor plezier.

Verbaasde, curieuze of fiere blikken zullen mij van achter de vitrine kunnen bekijken. Zij zullen tegen elkaar beamen dat ik mooi ben. De jaloerse, neerbuigende of schimperige tongen zullen ook staan loeren. Zij zullen het snel eens raken dat ik verwaand en afzichtelijk  ben. Omhoog gevallen of over het paard getild.

Het maakt niet zo veel uit. Ik lig er eigenlijk toch hoofdzakelijk voor mezelf. Verborgen en verscholen achter een mooi stijf kaftje.

Als ze er genoeg voor betalen mogen ze me aanraken en betasten. Of aan mij ruiken om er achter te komen of ik wel naar boek ruik. Misschien word ik wel in een leuk papiertje ingepakt. Om er iemand plezier mee te doen. Wie weet?

Vreemde vingers zullen door mijn hart en ziel bladeren om te achterhalen hoe ik het bedoeld heb. Wat ik per force opeens te vertellen had en wat voor mij zo belangrijk was dat ik het allemaal opgeschreven heb.

Weten dat ik te koop ben voelt vreemd. Dubbel denk ik. De ene helft is fier, moedig of stout de andere onzeker en terughoudend.  Aarzelend en wankel  kom ik uit een kast om er nadien terug te worden ingezet.

Hopelijk is morgen het uitstalraam van de boekenboer groot genoeg. Voor mijn 1meter 92 grote ego maar sta ik niet te hoog geëtaleerd. Voor wanneer ik er van mijn sokkel val.

Belle-vue

 

Ik drink graag koffie aan de favoriete toog van mijn favoriet cafeetje. Ik lach praat en redekalf er doorgaans met mensen die er even vertrouwd zijn als ik. Ze zijn even gemeenzaam als het cafeetje zelf. De gesprekken variëren.  De mensen, de standpunten en de manier waarop ze verdedigd worden zelden. Hoewel het garnituur op het eerste zicht weinig tot niets met elkaar gemeenschappelijk heeft ontstaat er toch een soort praatsysteem waar ieder zijn rol in heeft. Soms met geroep en getier of met een okkazionele “nondedju” godverdomme!

Aan de bar zitten ze door elkaar. Alle mannelijke stereotypen vertegenwoordigd en op een rij verzameld. De grootmoedige, grootsprekende ego’s zijn er eerst. Ze zijn meestal in de meerderheid. Ze proberen op iedereen indruk te maken terwijl ze wachten op hun vrouwen.  Die laten tijdens het obligaat wekelijks cafébezoek van hun bink, haar watergolven, wimpers wat langer krullen of ze doen een tintje donkerder op tussen de bank van het plaatselijke zonnecentrum. Nadien kopen ze allemaal nieuwe schoenen of een nieuw tailleurreke uit een vitrine van de plaatselijke middenstand.

De roepers verzamelen op dat moment dicht bij de bierkranen. Je herkent ze onmiddellijk omdat ze luid zijn.  Een onhebbelijke eigenschap die hun vrouwen hen na 20 jaar huwelijk niet afgeleerd krijgen. Thuis lukt het soms wel maar eens de vrouwelijke leiband er niet meer is, hervallen ze met een pint in aanslag in oude gewoonten. Ze zijn dan het vaakste aan het woord en nemen fors en overtuigend standpunt in over onderwerpen waarover zij zich thuis, met wikipedia bij de hand eerst over geïnformeerd hebben. Meestal staat hun volumeknop zo hoog omdat ze in de buurt van een tapkast meer zelfvertrouwen krijgen. Ook wel omdat hun vrouwen niet onmiddellijk in de buurt zijn. Het zijn de gangmakers.  Zij brengen met branie de boel op gang en oreren overtuigend controversiële onderwerpen.

De ja-knikkende conformisten zitten daar ook. Torenhanen die draaien met de wind en die thuis meestal nog minder te vertellen hebben omdat hun broek door moeder de vrouw daar ook al werd opgeëist. Ze zijn het gewoon naar de mond te praten en ondersteunen elke mening ook al wijkt deze 180° af van diegene waarvoor ze nog nooit durfden uitkomen. Nooit en nergens. Zij zijn de saaiste compagnie. Zij doen er niet toe. Om “iets” te compenseren dat wat groter had mogen uitvallen rijden ze in dure duitse auto’s  met 3 letters en dragen rayban omdat ze er op die manier hopen bij te horen.  Al zouden ze zeker ook gele oliejekkers of kaki zuidwesters dragen mocht een gangmaker met overtuiging beweren dat dit straks in Milaan de nieuwste modetrend wordt. 

Verwar hen niet met de scherpzinnige diplomaten. Want zij onderscheiden zich van de conformisten. Ze hebben wel een eigen mening. Komen er voor uit als ze zeker zijn en verstaan de kunst om te bemiddelen tussen de gangmakers en de dwarsen. Ze zeggen tegen de ja-knikkers dat ze moeten zwijgen of halen met hun: “Patron laat ons nog een keer drinken”, net op tijd -voor gemoederen echt oververhitten- de lont uit het kruidvat.

De “dwarsen” zijn naast de “opgepompte ego’s “ voor de “verstandige zwijgers” het meest interssantste mannentiepetje om te observeren. Volgens hen vergaat de wereld overmorgen en zal de 8e plaag nadien alles in een puinhoop veranderen. Net voor de wereld op ons hoofd valt. Ze nemen geen blad voor de mond en er durft al eens een vloek aan te pas komen om dingen wat krachtdadiger te stellen.

Mannen aan een toog. Soms durf ik echt betwijfelen of ze wel weten waarom!

Gelukkig is het gespreksonderwerp vandaag Naingolan, de bloedvorm van Hazard en de stijfheid van Martinez. En prijs me nog gelukkiger dat ons wekelijks cafeetje niet Facebook heet maar café Belle-Vue. Er waren anders doden gevallen of minstens zwaar gewonden.

Botergeil van tuinkruiden

Hoe krijg ik mijn vrouw weer botergeil?
Ondertussen zijn we een halve eeuw verder en kan je het pillendraaiers bezwaarlijk aanvrijven niet begaan geweest te zijn met de vrouwelijke sexualiteit en lust. De pil was al een revolutionaire uitvinding die begin jaren 60 vrouwen eindelijk hun verdiende wipgoesting teruggaf zodat vanaf dat moment eindelijk volop klokken geluid konden worden tijdens volle hoogmis. Haleluja. Vrouwen konden en mochten. Ad libitum, eindelijk. En dat er wat afgevogeld werd.
Als vrouw werd je niet langer als promiscue, vulgair of los van zeden bestempeld als je het graag deed en veel. Riscoloos, histig sensueel of wellustig.
Als ik echter de recente berichtgeving mag geloven zitten we opnieuw opgescheept met een massale sexdroogte. Maar niet getreurd er wordt op dat vlak hard onderzoek gevoerd. De vrouwelijke libidopil is in aantocht zodat veluxen of andere slaapkamerramen opnieuw vol condens bedampt kunnen worden.
Waar viagra paal en perk zet bij de man in nood zal de vrouwelijke lustpil dijken in het zuiden doen overstromen bij diegenen die het onderaan wat moeilijker vochtig krijgen. Of toch niet?
Wat met bijwerkingen? Zal onze enige favoriete sexpoes geen snor krijgen? De baard in de keel of hoofdpijn, en had ze die niet al? Zal vermoeidheid geen lastig bijfenomeen worden? Want te moe, dat was ze toch ook al? Maar belangrijker misschien, zal ze zich niet blijven storen aan mijn favoriete slaapmarcelleke zodat ze mij daarmee nog steeds met Onslow uit keeping up appearences zal associeren? Zal mijn onfrisse ochtend-walm die doorgaans sterk genoeg is om bootvluchtelingen finaal voor Engeland als eindstek te laten opteren, de pret niet onderdrukken?
Sex en goesting of het gebrek eraan afdoen als een epidemische vrouwelijke hersenaandoening is misschien wat bruggen te ver. Misschien moeten wij venten gewoon ook wat meer moeite doen. Misschien zouden we ons favoriete marcelleke waar onze mannentronie 25 jaar geleden mee kon geaccentueerd worden voortaan niet beter inruilen voor een mooie gestreken pyjama. En zouden we ‘s morgens niet eerst een rolletje king-muntjes wegknabbelen alvorens onze nieuwste pornomoves te etaleren. Misschien is tegen vrijwillige monogamie, sleur en een hespenrolletje meer wel geen pillenkruid gewassen?
Nu dan? Want Ik heb net mijn teennagels geknipt, mijn boxershortje gesteven en heb een halve tube tandpsta opgefret.
Btw ik ruik naar lavendel en kamille. Ik hoop nu maar dat ze geen hooikoorts heeft of allergisch is aan tuinkruiden.

Wasknijpers, to the moon and back

 

Honderd wasspelden, houtlijm, plakaatverf en een schort! Zo had ik het in kindergeschrift in mijn klasagenda genoteerd. Tegen maandag! 

s’ Vrijdags had ik het boodschappenlijstje van ons ma nog nagekeken. Ik moest zeker zijn dat ze het er met haar onleesbare hanepoten had bijgeschreven. 100 wasspelden! Onze pa had nog onbegrijpend gevraagd: “Waarom hebben wij in hemelsnaam 100 wasspelden van doen? Ik heb maar 2 hemden en 4 onderlijfkes en de witte was gaat naar de wasserij.” De lakens werden altijd gewassen in de wasserij van mijn nokel. Die had een wasserette. Toen we de was er s’ zaterdagsmorgen ophaalden rook het er steeds naar waspoeder, stijfsel en vochtig-warme droogkasten. De hagelwitte lakens werden er door een grote warme pers gehaald zodat ze hard gesteven en kreukvrij geplooid konden worden. Gaten of scheuren werden door mijn tante hersteld. Om maar te zeggen wasspelden waren enkel nodig om de “aparte” was op te hangen. En onze sponsen broekjes maar die waren altijd al bijna droog als ze uit de wasmachine kwamen. Dat wist ik want ik mocht die altijd mee ophangen. 

Op school, mochten we dan ‘s maandags nadien van “madam Keuppens”, want zo werd ze genoemd, de hele dag knutselen aan ons cadeautje. In die tijd hadden meesters en juffrouwen nog geen voornaam, enkel een achternaam. Sommigen heetten zuster dat kon ook maar dat was omwille van dat wit kapje op hun hoofd, dat op zijn plaats werd gehouden door vier schuivertjes. 

Eerst haalden we de houten wasknijpers uit elkaar door hen te ontdoen van die ijzeren veer die er voor zorgde dat je er mee kon knijpen.  Ik wist tot dan niet dat als je die twee houtjes van een wasspeld omgekeerd tegen elkaar kleeft, je precies een mannetje krijgt. Juf Keuppens wist dat wel. Zij was een geniale kunstenaar. Althans in de ogen van een 10 jarige. Al die veertjes mochten nadien in een grote houten doos gooien. Die zouden later nog dienst doen om er armbandjes mee te maken, maar dat wist ik toen ook nog niet. 

Eerst werden de houtjes aan elkaar gekleefd met houtlijm.  Als de lijm opgedroogd was kregen de ventjes met plakaatverf allemaal een ander kleurtje. Mijn verfjes waren natuurlijk onmiddellijk vuil, omdat ik het eerste mannetje zwart geschilderd had en omdat ik mijn penseel nadien, – niet-uitgewassen,  in elk ander verfpotje had gesopt. In mijn verfdoos restte maar één bruikbaar penseel. Van de andere stonden de haren te krom of waren te hard geworden om er het precizie schilderwerk mee te doen. Nadat ik Bartje zijn gele en groene verf ook had omgetoverd tot donkere herfstkleuren was ik klaar en kon mijn leger drogen.

Toen bleek dat mijn hoop soldaten met de voeten aan elkaar moesten geplakt worden zodat ze veranderd werden in een kleurrijke pannen-onderlegger, was ik eerst ontgoocheld. Ik had wellicht verwacht dat madam Keuppens geweldadiger geïnspireed was. Want zo kende ik haar toch wanneer ze me met haar houten regel telkens op de vingers tikte. Nadien pas toen de onderlegger ingepakt werd in een doorschijnend papiertje dat met blauw krullenlint dichtgeknoopt werd, wist ik zeker dat onze pa opgetogen zou zijn met zijn vaderdagcadeau.

Op het bijpassend briefje zou nu wellicht staan. “Voor de allerliefste papa van de wereld, Love you to the moon and back”, maar ik was toen al blij dat ik foutloos “Voor vaderdag, van je zoon Jan” kon schrijven.

Vandaag had ik zo graag voor onze pa een fles champgne gekocht. Voor zijn vaderkesdag.  Hij had dan wellicht gezegd: “Een pintje had al goed genoeg geweest. Je moest er “ommes” allemaal niet zoveel eieren onder gelegd hebben.” Maar dat gaat niet meer. De tijd heeft ons ingehaald.

“Voor vaderdag van je zoon Jan” of  “Love you to the moon and back”. Kies maar, waar je ook bent… daar ergens.

Licht dementerend

Ik vraag me af of ik het erg zou vinden om licht dementerend te zijn. Volgens mij zitten er mogelijkheden in. Het zou absoluut niet leuk zijn mocht ik helemaal weggezonken zijn in lala-land en niet meer zou weten of ik van voor of van achter leef. Neen dat zou maar niets zijn. Maar gewoon een beetje licht vergeetachtig, dat zou ik zien zitten. Met een beetje kalk op de leidingen.

Elk gesprek zou dan net lijken als een spannende eerste ontmoeting.

Ongestoord en ongegeneerd zou ik iedereen kunnen aanspreken om dan zonder blikken of blozen te vragen. “Ken ik je niet ergens van? Van TV misschien?” “Ik voel aan dat we elkaar vroeger al ontmoet hebben maar ik kan het me niet precies herinneren. Ik ben namelijk licht dementerend.”

Om het allemaal wat aan te dikken zou ik vertellen: “Daarstraks at ik koteletten met boontjes en een gekookte aardappel maar vraag me niet wat ik gisteren at want dat weet ik niet meer, rijst peins ik want ik ga slecht af”

“Wie ben jij trouwens? Iets zegt me dat ik je al met je gesproken heb. Nog niet zo lang geleden. Ik denk dat ik je toen verteld heb dat ik licht dementerend ben en dat mijn vrouw het daar moeilijk mee heeft. Moeilijker dan ik zelf. Niet dat ik niet zindelijk ben of zo hoor want ik neem minstens een keer per dag een douche of een bad met badschuim van sunlight. Soms zelfs 2, als ik weer vergeten ben dat ik er al een genomen heb. Neen hoogstens laat ik eens een onderbroek slingeren of een kous. Of knoop ik mijn hemd verkeerd. Dat gebeurt ook wel eens. Maar belangrijke dingen vergeet ik niet. Etenstijd bijvoorbeeld. 12:30 stipt is 12:30 stipt. Zij is nooit op tijd. Altijd is ze te laat. Als ik boontjes met kotteletten gemaakt heb wordt 12:30 dikwijls 12:50 of later”. “Ik was het vergeten”: zegt ze dan. “Ik hoop maar dat ze niet, net als ik ook licht dementerend wordt: denk ik dan”. “Al vind ik het zelf allemaal niet zo erg.” “Trouwens, als ze boontjes en kotteletten niet zo lekker vindt mag ze me dat ook gewoon zeggen. Of op dat briefje schrijven. Naast dat andere waar op geschreven staat: NIET VERGETEN: Strijken!!! , Ramen kuisen!!!! , Gras afdoen!!! en naar het containerpark gaan!!!! Maar dat stond in PS met 3 x-en er onder. Belangrijke dingen vergeet ik toch niet, Zeker niet als er 3 uitroeptekens achter staan.

Ik zou ook niet rood worden als ik met veel charme in je oor zou fluister. “Jij bent een toffe, ik weet nog precies waar ik je voor het eerst gesproken heb. Wist je al dat ik licht dementerend ben?”

Door mijn lichte dementie zou ik sympathiek overkomen. Helemaal ongevaarlijk, en aandoenlijk stuntelig dus sympthiek. Soms zou ik het wel veinzen. Wanneer ik een helder moment heb. Maar ik zou er mee wegkomen want ze zouden weten dat ik licht dementerend ben. Dan zou ik er de leukste uitkiezen en zeggen: “Ken ik je niet ergens van? van Tv of zo? Je ziet er leuk uit met je neptieten en je schilderijen”. Maar ik ben jammer genoeg niet licht dementerend dus ook niet sympathiek stuntelig of aandoenlijk. Nu ben ik alleen maar stom, lomp en dwars.

Soms wou ik dat ik wat licht dementerend was. Dan mocht ik mijn hemd verkeerd knopen en een kous laten slingeren en een onderbroek of een natte vod. In de gootsteen.

Ochtendgeluiden

Opgesloten in de stilte in mijn hoofd die alleen opgevuld raakte met luide ochtendgedachten ontwaak ik uit mijn veel te lichte slaap. Ik ben nog moe. Moe opstaan haat ik. Daar heb ik een bloedhekel aan. De nacht was te kort. Veel te warm en veel te vochtig. De eerste muggen waren er ook. Ze beten en zoemden. Te vroeg voor de tijd van het jaar denk ik. . De beten zijn de dag nadien pas erg. Als ze veranderd zijn in grote, rode, jeukende bobbels. ’s Nachts is het enkel het gezoem rond mijn hoofd waar ik zo horendol van word.

Het is half zes. Merels roepen om regen. Andere vogels roepen om iets anders. Ik weet zeker dat merels roepen om regen. Omdat ze dan na de bui door hun getrappel op het gazon de pieren naar boven kunnen pesten. Die verdragen de regen al moeilijk maar van die trillingen van merelvoetjes boven hun hoofden krijgen ze het hélemaal op de heupen. Al ben ik niet overtuigd of pieren hoofden hebben of heupen. Als ze zich dan met hun hoofd (dat ze dus waarschijnlijk niet hebben,) eerst uit het grasperk wurmen worden ze opgepikt. Door de merels. Slimme beesten toch die merels. Niet die pieren want die hadden misschien beter gewoon wat dieper in de grond gekropen. Maar daar was het te nat. Door de regen. Ze hadden geen keuze. Pech. Voor de pieren.

Tortelduiven laten het niet aan hun hart komen. Niet het lot van de pieren, niet de nacht die broeierig zwoel was houdt hen van hun bezigheid. Ze doen in de dakgoot gewoon waar wij het gisterenavond veel te warm voor vonden. Zij hebben blijkbaar weinig last van het vocht of warmte. Ze vogelen maar wat rond en storen zich niet aan andere vogels of gevogel. Omdat het per slot van rekening nog altijd maar mei is en ze misschien nog niet aan ei raakten. Of gewoon omdat ze andere dingen aan hun hoofden hadden. Ook pieren pesten misschien? Al heb ik ze nog nooit op het gazon zien dansen. Een hoofd hebben ze wel daar ben ik wel zeker van.

De eerste vroege auto’s in de straat duwen de natuur naar de achtergrond. In de verte zoemt de file van de rijksweg. De facteur duwt mijn bus vol ongewenste post.

Ik ben wakker.

Het beloofd weer een spannende dag te worden.

50/50 of 60/40?

Laten we er vooral eerlijk over zijn. Wanneer tijdens een gezellig avondje onder vrienden, bij een etentje of op café, de gesprekken plots gaan over klassieke rolpatronen is de kans niet onbestaande dat de sfeer wat grimmig of venijnig wordt. Tot er groen hout van komt.

Vrouwen vegen vandaag nog steeds de grot proper en zorgen nog altijd voor blinkende stalagmieten en –tieten.

In het hol van Lascaux en Altamira of in het Neanderthal ergerden ze zich indertijd al blauw over speren en bogen die veilig moesten weggelegd worden voor de kinderen opdat knotsen niet op verkeerde hoofden terecht zouden komen. Of over de verf die nog gemaakt moest worden om er de wanden mee te beschilderen met jachttaferelen.

Rondslingerende sokken en dopjes van tandpasta zijn clichés en scoren vandaag nog steeds hoog in de top 10 van de vrouwelijke ergernissen. Ze blijven een terugkerend discussiepunt. Het ouderwetse plaatje dat vrouwen wassen, plassen en het grut verzorgen terwijl mannen zelfs hun eigen viezigheid niet zien, blijft overeind.

Statistieken bevestigen. Huishoudelijk werk en er met veel zelfbeklag over klagen, is anno 2018 na christus nog steeds hoofdzakelijk een vrouwending. Waarom worden vrouwen anders al miljoenen jaren obsessief-compulsief als het stof, vuil en rommel gaat? Maar belangrijker waarom willen vrouwen de regeling die al sinds mensenheugenis overeind blijft, veranderen in een modernere 50/50 regeling? In het genderdebat hoeft de maatschappelijke vooruitgang van de vrouw toch niet de achteruitgang van de man te betekenen? Alsof de man een soort communicerend vat wordt waarin de opmars van de vrouw alleen maar kan geregeld worden door het zwakkere geslacht naar beneden te halen.

Moeten mannen dan mee onder huishoudelijke druk bezwijken terwijl het hun genetisch gezien en volgens de evolutieanalyse van Darwin geen zak uitmaakt? Dat er stof op het aanrecht ligt of dat de ramen niet perfect streep-loos en doorzichtig zijn?

Misschien wel! Want hulpvaardige mannen hebben een beter seksleven. Behulpzame, altruïstische heren zouden volgens statistieken sneller worden gekozen als potentiële sekspartner. Zelfs voor een korte stomende flirt.

Dames! Vergeet dus snel het genderdebat en zeg me waar dat vuilblik ligt. Geef me die dweil en die handleiding van die stofzuiger?

En is een 60/40 regeling ook ok?

Eieren. Krot, prut en zwarte drab

 

Het begon met eieren. Niet elke dag begint met eieren. Deze dus wel. Met zacht gekookte want van hard gekookte krijg ik een droge mond of de hik. Waarschijnlijk omdat ik ze te gulzig eet? Daar heb ik nog niet over nagedacht. Ik was ze ook eerst. In lauw water. Doe ik dat uit voorzorg?  Misschien is het wel een overblijfsel of een nutteloze gewoonte die overgebleven is uit de tijd van de dioxinecrisis of de fipronilcrisis. Alsof ik mezelf wijsmaak dat ik dat spul er überhaupt zou kunnen afwassen mocht het er op zitten.

“Met eieren moet je oppassen.” Dat had mijn oma zaliger me al vroeg ingepeperd toen ik nog klein was. “Want ze komen uit de poep van een kip. Daardoor plakken ze vol met van alles en nog wat en van alles en nog wat dat is kiekenstront.” Ik ben het nu nog niet vergeten. Opgepast dus met die eieren! Dat ze uit de poep kwamen wist ik al langer. Lang voor ze het me gezegd had.

In die tijd waren alle kippen nog vrije uitloopkippen. Ze waren nog niet samengepakt in veel te kleine hokken, om daar met 100 of meer, tegelijk de hele dag eieren te schijten op een transportband. Of om elkaar de ogen uit te pikken omdat ze te weinig vrije uitloop hebben of te weinig mais.

Drie fipronilvrije scharreleitjes van uitloopvrije kippen dus! Die ging ik koken voor het ontbijt. Met geroosterde soldaatjes en krokant gebakken spek. Toen de eitjes in het kokende water van mijn splinternieuw steelpannetje dansten werd mijn aandacht getrokken door de broodtrommel. Die was zo goed al leeg. Buiten een oudbakken korst en een harde sandwich was er niets eetbaars om straks in onze zachte eitjes te doppen. In aller haast trok ik mijn zevenmijlslaarzen aan en repte me naar de bakker. Voor verse sneetjes volkorenbrood.

De rij was lang zoals steeds op zondagmorgen. 2 bejaarde dames beklaagden het weer en de prijs van de patisserie. Het leken nochtans precies zelf mislukte taarten met hun te paars uitgevallen kapsels en hun plastiek kapje dat hun scalp moest beschermen tegen regen die er niet was. Toen de winkeljuffrouw het nummertje riep dat op mijn scheurbriefje stond brak het angstzweet plots in alle hevigheid uit. Mijn eieren stonden nog op. 21 minuten lang al. Gelukkig droeg ik zevenmijlslaarzen om me huiswaarts te spoeden.

Op ongeveer het zelfde moment dat die paniekaanval mij overviel, werd mijn vrouw abrupt uit haar schoonheidsslaap gerukt. Door eitjes die in de keuken luidruchtig “tap-dansten” in een rokende, roodgloeiende steelpan. Mijn sleutel stak nog maar net in het sleutelgat en kreeg ik al heel veel luide woorden naar mijn hoofd geslingerd. Woord-gekrakeel waar ik tot dan het bestaan niet nog niet van kende. Ze klonken, denk ik als dieventaal van over het water. “Lomp, stom en zot” meende ik wel te herkennen in de tirade.

Na het ontbijt dat overigens verder vrij rustig verliep, zonder gevaarlijke eieren of soldaatjes, ging vrouwlief het terrashout proper spuiten. Met de hogedrukreiniger want zonder, is daar geen beginnen aan. Het mos was immers veel te hard aan mijn bankira-planken gehecht om het met een gewone straal uit een lans los te spuiten.

De mislukte poging tot brandstichting was alleen nog maar een anekdote die nog wel eens ter sprake zal komen op een of andere gelegenheid of aan een toog, wanneer er mij iets betaald moet gezet worden. Om me in mijn hemd te zetten of om er mijn handigheid mee te illustreren. Het is haar gegund.

Vast besloten om het groene hout de oorspronkelijke kleur terug te geven blies de drukspuit de zwarte smurrie in het rond en begon vrouwlief stillaan wat weg te hebben van Monneke Pek. Van boven tot onder hing ze vol groene en zwarte drab. Het krot en de prut werd door de kracht van het water tot in haar kanten slipje geblazen. Een activiteit echter, die nochtans normaal gesproken alleen maar door mij mag uitgevoerd worden, maar dit ter zijde. Ze staakte de ijverige kuiswoede pas 2 uur later. Toen alle planken opnieuw hun oorspronkelijke houtkleur hadden maar er zelf uit zag als een veldrijder die net een modderig parkoers had omgeploegd en een uur lang slijk gevreten had. Toen ik voorstelde om haar een beetje proper te spuiten was ze te moe en speelde haar pijnlijke rug te fel op om tegen te stribbelen. Ze had het beter wel gedaan. Want omdat de spuit al enige tijd onaangeroerd was blijven liggen, was de druk en de kracht van de straal zo sterk dat ik naast de drek en het gort eveneens het vel van haar tenen ermee weg spoot. De luide “Waase” vloekwoorden die opnieuw naar mijn hoofd geslingerd werden, herkende ik meteen maar bleven even onverstaanbaar weerklinken als een paar uur tevoren. Hoewel de woordjes “lomp en zot” er zeker weer tussen zaten.

Om te schuilen tegen het woordenbombardement en ook wel als preventiemaatregel tegen nog groter onheil, zocht ik de keuken op. Om daar mijn zoon te “helpen”. Hij was al een paar uur drukdoende. Omdat het weer het toeliet had hij voorgesteld om straks vlees en vis te roosteren op de barbecue.

“Strak plan, waarmee kan ik helpen?”: vroeg ik “behulpzaam”.

“Met niet veel meer, alles is zo goed als gedaan. Alleen bieslook en dat beetje peterselie moet nog fijngehakt worden. Voor in de sla.”

Een echt koksmes is naast redelijk groot, vrij zwaar ook vlijmscherp. Dat hoort het te zijn, want met een scherpe snijkant doe je geen accidenten. Die heb je alleen maar met botte messen. Wanneer je afschampt en zo in je eigen vlees terecht komt. Ik was voorzien van een klein keukenzwaard waarmee Samoerai pijnloos harakiri kunnen plegen. Gewapend met zulk een stiletto kon me niets gebeuren. Ik had Jeroen Meus het trouwens al zien doen. Hoe moeilijk kon het zijn? Je zet je het punt van je mes op de snijplank, houdt het lemmet op 45° en maakt gelijkmatige op-en-neer gaande bewegingen. Het mes doet al de rest.

Wat er precies gebeurde ik weet het niet precies. Was het mijn dochter die me afleidde door de tv aan te zetten? Waren het afdwalende gedachten die me uit mijn snijconcentratie bracht? Wordt een keukenmes altijd een onverantwoord wapen eens ik het in mijn handen houd? Niemand kan het navertellen, want niemand had gezien welke vreselijke tafereel op het punt stond zich te voltrekken.

Een ijselijke gil die de gevoelstemperatuur met tien graden deed dalen, galmde door de huiskamer. Alsof een konijn gevild werd met een houten mes. Zo moet het ongeveer geklonken hebben toen het lemmet mijn nagel doorboorde, het nagelbed raakte, en metersdiep door mijn vlees hakte….

Toen ik ’s avonds, voorzien van pleisters en windsels het vuur van de barbecue probeerde aan te maken en mijn zoon pas op het nippertje kon verhinderen dat ik het pas gekuiste terras in lichterlaaie stak, snakte ik naar een dwangbuis. En een wit gecapitonneerd kamertje. Om tot rust te komen en me te bezinnen. Over lompigheid, impulsiviteit, Murphy, en Relatine.

Demonen en nachtspoken.

Zij was pas 15 geworden dat was ik niet vergeten. Haastig fietste ik naar de brico. In de plantenafdeling vond ik onmiddellijk wat ik zocht. Ze had pas een verzameling cactussen aangelegd. Grote en piepkleine. Sommige hadden prachtige bloemen. Andere waren schraal en puntig. Ik wist gevoelsmatig welke zij zou kiezen en kocht er drie. Een kleine schrale met puntige stekels maar op dewelke, als ze hem goed verzorgde, oranje met rood en gele bloemen zouden verschijnen. Haar kennende zou dat niet te lang duren. Hoogstens een maand, of twee. Want voor planten was ze ook zorgzaam en stipt. Alleen water als ze in bloei stonden. Op andere momenten haalden ze hun vocht uit de lucht en kregen ze geen druppel. De andere steekplant leek meer op een soort vetplant die weelderig zou tieren als ze hem in de volle grond zou verplanten. Aan de derde groeide vruchten die ik niet onmiddellijk kon thuisbrengen. Zij vast ook niet maar ze zou het zeker opzoeken in haar encyclopedie. Om er nadien enthousiast over te vertellen. Wat de oorsprong ervan was. Waar ze groeiden en hoe ze bloeiden en welke woestijndieren zich aan hun vruchten tegoed deden. Om te overleven wanneer de zon te heet brandde als het hoogzomer was. De kassiester zette de planten in een kartonnen doosje waar ze precies in pasten. Ik klemde de buit onder de rekker van de bagagedrager en reed naar mijn lief. Om haar te verrassen. Voor haar vijftiende verjaardag. Ze zou het ongewone cadeautje zeker weten te appreciëren. Dat wist ik zeker.

Vandaag houdt het me wakker. Waarom had ik toen cactussen gekocht? Planten die ze zo graag wilde? Omdat ik haar oprecht graag zag, strontverliefd was en haar wou imponeren met de juiste attentie? Of om me op voorhand van wat voorsprong en krediet te voorzien opdat ze niet zo boos zou worden als ze er de maandag nadien op school zou achterkomen dat ik die avond rond 11uur niet recht naar huis was gefietst. Zoals ik het haar beloofd had. Maar ik eerst nog langs het jeugdhuis was gepasseerd. Om daar in ander gezelschap pinten binnen te gieten. Veel pinten. Om dan met geveinst zelfvertrouwen een slow te kunnen dansen met Katrien. Die lange blonde basketbalspeelster die er in haar korte short en hoge kousen ook leuk uitzag als ze over het basketveld dartelde. Op woensdagnamiddag toen ik altijd veel te vroeg in de sporthal was.

Toen was ik er niet mee bezig. Of toch niet op de manier. Nu 35 jaar later houdt het me klaarwakker.

Hoe lang al heeft alcohol me al in zijn greep? Hoe lang al hebben pinten mijn gedrag bepaald? Hoe lang precies al ben ik verslaafd en was het bier dat voor mij besliste? Wat er ook op het spel stond? Wat ook de consequenties waren? Hoe lang zit ik al gevangen in de cel van mijn verslaving. Van mijn vijftien? Zal het dan nooit stoppen? Houdt het dan nooit op? Ook al sta ik bijna 5 jaar kurkdroog. Wanneer kan ik het afsluiten? Nooit?

De demonen spoken nog steeds rond en houden me bezig. Vaak op de meest onverwachte momenten. Zoals nu om 3 uur ‘s nachts. Al denk ik wel dat door dit verhaaltje neer te schrijven ze weer even verjaagd zijn.

Als ik dát vergeet… dan.

 

 

… Toen ik het nog onder controle had. Althans toen ik dacht dat er nog controle was, geloofde ik dat het bier en wijn was dat ik nodig had. Om mee te doen en er bij te horen. Een fles later of een kater later dacht ik dat het iets anders moest zijn. Mogelijks een vrouw of sucess. Of geld en goed want met geld, drank, aanzien, een vrouw en kinderen zou ik immers niet meer afgeleid kunnen worden door de grote leegte die me altijd bekroop. Wanneer ik mezelf vergeleek met anderen of wanneer een schuchtere poging toch weer niet het resultaat gegeven had dat ik ermee voor ogen had. 

Ik zou eindelijk vaste grond onder mijn voeten voelen. Met status en aanzien zou ik het verschil wel maken. 

Ik zou eindelijk sucess en aanzien oogsten in de speelzaal van het leven.

Toen dat een illusie bleek of toen dat om voor de hand liggende redenen mislukte werd mijn radius nog kleiner. Het territorium werd versmald tot een lange toog en een grote ijskast. Mijn enge wereldje dat niet om me niet gaf en me niet verschafte wat ik volgens mij verdiende, werd meer en meer een vleesetende plant. Een medogenloos stuk onkruid dat me verslond tot er niets meer overbleef. Niets meer om mee te tellen en om een verschil mee te kunnen maken. Niets meer over om aan vast te klampen.

Mijn stem en gedachten reisden maar mee als drugs in een trip. Langs oren die niet wilden luisterden. Oren van mensen die vergaten wat ik vertelde nog voor ze het gehoord hadden. Wanneer ik me dan zat omdraaide naar mezelf kon ik de nutteloosheid die ik uitstraalde vergeten en hoefde ik niet meer stil te staan bij datgene wat ik geworden was.

Drank had me gemaakt tot een gepantserd ding dat vervaardigd was uit stalen harnassen en door in gewapend beton opgetrokken muren waarover niemand kon kijken. Achter die hoge wallen zat ik. Eenzaam in een paleis. Verborgen in de vergeetput van een vervallen  kasteel waar niemand me ooit zou kunnen vinden.

Wanneer ik dat vergeet, word ik het opnieuw.