Eieren. Krot, prut en zwarte drab

 

Het begon met eieren. Niet elke dag begint met eieren. Deze dus wel. Met zacht gekookte want van hard gekookte krijg ik een droge mond of de hik. Waarschijnlijk omdat ik ze te gulzig eet? Daar heb ik nog niet over nagedacht. Ik was ze ook eerst. In lauw water. Doe ik dat uit voorzorg?  Misschien is het wel een overblijfsel of een nutteloze gewoonte die overgebleven is uit de tijd van de dioxinecrisis of de fipronilcrisis. Alsof ik mezelf wijsmaak dat ik dat spul er überhaupt zou kunnen afwassen mocht het er op zitten.

“Met eieren moet je oppassen.” Dat had mijn oma zaliger me al vroeg ingepeperd toen ik nog klein was. “Want ze komen uit de poep van een kip. Daardoor plakken ze vol met van alles en nog wat en van alles en nog wat dat is kiekenstront.” Ik ben het nu nog niet vergeten. Opgepast dus met die eieren! Dat ze uit de poep kwamen wist ik al langer. Lang voor ze het me gezegd had.

In die tijd waren alle kippen nog vrije uitloopkippen. Ze waren nog niet samengepakt in veel te kleine hokken, om daar met 100 of meer, tegelijk de hele dag eieren te schijten op een transportband. Of om elkaar de ogen uit te pikken omdat ze te weinig vrije uitloop hebben of te weinig mais.

Drie fipronilvrije scharreleitjes van uitloopvrije kippen dus! Die ging ik koken voor het ontbijt. Met geroosterde soldaatjes en krokant gebakken spek. Toen de eitjes in het kokende water van mijn splinternieuw steelpannetje dansten werd mijn aandacht getrokken door de broodtrommel. Die was zo goed al leeg. Buiten een oudbakken korst en een harde sandwich was er niets eetbaars om straks in onze zachte eitjes te doppen. In aller haast trok ik mijn zevenmijlslaarzen aan en repte me naar de bakker. Voor verse sneetjes volkorenbrood.

De rij was lang zoals steeds op zondagmorgen. 2 bejaarde dames beklaagden het weer en de prijs van de patisserie. Het leken nochtans precies zelf mislukte taarten met hun te paars uitgevallen kapsels en hun plastiek kapje dat hun scalp moest beschermen tegen regen die er niet was. Toen de winkeljuffrouw het nummertje riep dat op mijn scheurbriefje stond brak het angstzweet plots in alle hevigheid uit. Mijn eieren stonden nog op. 21 minuten lang al. Gelukkig droeg ik zevenmijlslaarzen om me huiswaarts te spoeden.

Op ongeveer het zelfde moment dat die paniekaanval mij overviel, werd mijn vrouw abrupt uit haar schoonheidsslaap gerukt. Door eitjes die in de keuken luidruchtig “tap-dansten” in een rokende, roodgloeiende steelpan. Mijn sleutel stak nog maar net in het sleutelgat en kreeg ik al heel veel luide woorden naar mijn hoofd geslingerd. Woord-gekrakeel waar ik tot dan het bestaan niet nog niet van kende. Ze klonken, denk ik als dieventaal van over het water. “Lomp, stom en zot” meende ik wel te herkennen in de tirade.

Na het ontbijt dat overigens verder vrij rustig verliep, zonder gevaarlijke eieren of soldaatjes, ging vrouwlief het terrashout proper spuiten. Met de hogedrukreiniger want zonder, is daar geen beginnen aan. Het mos was immers veel te hard aan mijn bankira-planken gehecht om het met een gewone straal uit een lans los te spuiten.

De mislukte poging tot brandstichting was alleen nog maar een anekdote die nog wel eens ter sprake zal komen op een of andere gelegenheid of aan een toog, wanneer er mij iets betaald moet gezet worden. Om me in mijn hemd te zetten of om er mijn handigheid mee te illustreren. Het is haar gegund.

Vast besloten om het groene hout de oorspronkelijke kleur terug te geven blies de drukspuit de zwarte smurrie in het rond en begon vrouwlief stillaan wat weg te hebben van Monneke Pek. Van boven tot onder hing ze vol groene en zwarte drab. Het krot en de prut werd door de kracht van het water tot in haar kanten slipje geblazen. Een activiteit echter, die nochtans normaal gesproken alleen maar door mij mag uitgevoerd worden, maar dit ter zijde. Ze staakte de ijverige kuiswoede pas 2 uur later. Toen alle planken opnieuw hun oorspronkelijke houtkleur hadden maar er zelf uit zag als een veldrijder die net een modderig parkoers had omgeploegd en een uur lang slijk gevreten had. Toen ik voorstelde om haar een beetje proper te spuiten was ze te moe en speelde haar pijnlijke rug te fel op om tegen te stribbelen. Ze had het beter wel gedaan. Want omdat de spuit al enige tijd onaangeroerd was blijven liggen, was de druk en de kracht van de straal zo sterk dat ik naast de drek en het gort eveneens het vel van haar tenen ermee weg spoot. De luide “Waase” vloekwoorden die opnieuw naar mijn hoofd geslingerd werden, herkende ik meteen maar bleven even onverstaanbaar weerklinken als een paar uur tevoren. Hoewel de woordjes “lomp en zot” er zeker weer tussen zaten.

Om te schuilen tegen het woordenbombardement en ook wel als preventiemaatregel tegen nog groter onheil, zocht ik de keuken op. Om daar mijn zoon te “helpen”. Hij was al een paar uur drukdoende. Omdat het weer het toeliet had hij voorgesteld om straks vlees en vis te roosteren op de barbecue.

“Strak plan, waarmee kan ik helpen?”: vroeg ik “behulpzaam”.

“Met niet veel meer, alles is zo goed als gedaan. Alleen bieslook en dat beetje peterselie moet nog fijngehakt worden. Voor in de sla.”

Een echt koksmes is naast redelijk groot, vrij zwaar ook vlijmscherp. Dat hoort het te zijn, want met een scherpe snijkant doe je geen accidenten. Die heb je alleen maar met botte messen. Wanneer je afschampt en zo in je eigen vlees terecht komt. Ik was voorzien van een klein keukenzwaard waarmee Samoerai pijnloos harakiri kunnen plegen. Gewapend met zulk een stiletto kon me niets gebeuren. Ik had Jeroen Meus het trouwens al zien doen. Hoe moeilijk kon het zijn? Je zet je het punt van je mes op de snijplank, houdt het lemmet op 45° en maakt gelijkmatige op-en-neer gaande bewegingen. Het mes doet al de rest.

Wat er precies gebeurde ik weet het niet precies. Was het mijn dochter die me afleidde door de tv aan te zetten? Waren het afdwalende gedachten die me uit mijn snijconcentratie bracht? Wordt een keukenmes altijd een onverantwoord wapen eens ik het in mijn handen houd? Niemand kan het navertellen, want niemand had gezien welke vreselijke tafereel op het punt stond zich te voltrekken.

Een ijselijke gil die de gevoelstemperatuur met tien graden deed dalen, galmde door de huiskamer. Alsof een konijn gevild werd met een houten mes. Zo moet het ongeveer geklonken hebben toen het lemmet mijn nagel doorboorde, het nagelbed raakte, en metersdiep door mijn vlees hakte….

Toen ik ’s avonds, voorzien van pleisters en windsels het vuur van de barbecue probeerde aan te maken en mijn zoon pas op het nippertje kon verhinderen dat ik het pas gekuiste terras in lichterlaaie stak, snakte ik naar een dwangbuis. En een wit gecapitonneerd kamertje. Om tot rust te komen en me te bezinnen. Over lompigheid, impulsiviteit, Murphy, en Relatine.

%d bloggers liken dit: