Licht dementerend

Ik vraag me af of ik het erg zou vinden om licht dementerend te zijn. Volgens mij zitten er mogelijkheden in. Het zou absoluut niet leuk zijn mocht ik helemaal weggezonken zijn in lala-land en niet meer zou weten of ik van voor of van achter leef. Neen dat zou maar niets zijn. Maar gewoon een beetje licht vergeetachtig, dat zou ik zien zitten. Met een beetje kalk op de leidingen.

Elk gesprek zou dan net lijken als een spannende eerste ontmoeting.

Ongestoord en ongegeneerd zou ik iedereen kunnen aanspreken om dan zonder blikken of blozen te vragen. “Ken ik je niet ergens van? Van TV misschien?” “Ik voel aan dat we elkaar vroeger al ontmoet hebben maar ik kan het me niet precies herinneren. Ik ben namelijk licht dementerend.”

Om het allemaal wat aan te dikken zou ik vertellen: “Daarstraks at ik koteletten met boontjes en een gekookte aardappel maar vraag me niet wat ik gisteren at want dat weet ik niet meer, rijst peins ik want ik ga slecht af”

“Wie ben jij trouwens? Iets zegt me dat ik je al met je gesproken heb. Nog niet zo lang geleden. Ik denk dat ik je toen verteld heb dat ik licht dementerend ben en dat mijn vrouw het daar moeilijk mee heeft. Moeilijker dan ik zelf. Niet dat ik niet zindelijk ben of zo hoor want ik neem minstens een keer per dag een douche of een bad met badschuim van sunlight. Soms zelfs 2, als ik weer vergeten ben dat ik er al een genomen heb. Neen hoogstens laat ik eens een onderbroek slingeren of een kous. Of knoop ik mijn hemd verkeerd. Dat gebeurt ook wel eens. Maar belangrijke dingen vergeet ik niet. Etenstijd bijvoorbeeld. 12:30 stipt is 12:30 stipt. Zij is nooit op tijd. Altijd is ze te laat. Als ik boontjes met kotteletten gemaakt heb wordt 12:30 dikwijls 12:50 of later”. “Ik was het vergeten”: zegt ze dan. “Ik hoop maar dat ze niet, net als ik ook licht dementerend wordt: denk ik dan”. “Al vind ik het zelf allemaal niet zo erg.” “Trouwens, als ze boontjes en kotteletten niet zo lekker vindt mag ze me dat ook gewoon zeggen. Of op dat briefje schrijven. Naast dat andere waar op geschreven staat: NIET VERGETEN: Strijken!!! , Ramen kuisen!!!! , Gras afdoen!!! en naar het containerpark gaan!!!! Maar dat stond in PS met 3 x-en er onder. Belangrijke dingen vergeet ik toch niet, Zeker niet als er 3 uitroeptekens achter staan.

Ik zou ook niet rood worden als ik met veel charme in je oor zou fluister. “Jij bent een toffe, ik weet nog precies waar ik je voor het eerst gesproken heb. Wist je al dat ik licht dementerend ben?”

Door mijn lichte dementie zou ik sympathiek overkomen. Helemaal ongevaarlijk, en aandoenlijk stuntelig dus sympthiek. Soms zou ik het wel veinzen. Wanneer ik een helder moment heb. Maar ik zou er mee wegkomen want ze zouden weten dat ik licht dementerend ben. Dan zou ik er de leukste uitkiezen en zeggen: “Ken ik je niet ergens van? van Tv of zo? Je ziet er leuk uit met je neptieten en je schilderijen”. Maar ik ben jammer genoeg niet licht dementerend dus ook niet sympathiek stuntelig of aandoenlijk. Nu ben ik alleen maar stom, lomp en dwars.

Soms wou ik dat ik wat licht dementerend was. Dan mocht ik mijn hemd verkeerd knopen en een kous laten slingeren en een onderbroek of een natte vod. In de gootsteen.

Ochtendgeluiden

Opgesloten in de stilte in mijn hoofd die alleen opgevuld raakte met luide ochtendgedachten ontwaak ik uit mijn veel te lichte slaap. Ik ben nog moe. Moe opstaan haat ik. Daar heb ik een bloedhekel aan. De nacht was te kort. Veel te warm en veel te vochtig. De eerste muggen waren er ook. Ze beten en zoemden. Te vroeg voor de tijd van het jaar denk ik. . De beten zijn de dag nadien pas erg. Als ze veranderd zijn in grote, rode, jeukende bobbels. ’s Nachts is het enkel het gezoem rond mijn hoofd waar ik zo horendol van word.

Het is half zes. Merels roepen om regen. Andere vogels roepen om iets anders. Ik weet zeker dat merels roepen om regen. Omdat ze dan na de bui door hun getrappel op het gazon de pieren naar boven kunnen pesten. Die verdragen de regen al moeilijk maar van die trillingen van merelvoetjes boven hun hoofden krijgen ze het hélemaal op de heupen. Al ben ik niet overtuigd of pieren hoofden hebben of heupen. Als ze zich dan met hun hoofd (dat ze dus waarschijnlijk niet hebben,) eerst uit het grasperk wurmen worden ze opgepikt. Door de merels. Slimme beesten toch die merels. Niet die pieren want die hadden misschien beter gewoon wat dieper in de grond gekropen. Maar daar was het te nat. Door de regen. Ze hadden geen keuze. Pech. Voor de pieren.

Tortelduiven laten het niet aan hun hart komen. Niet het lot van de pieren, niet de nacht die broeierig zwoel was houdt hen van hun bezigheid. Ze doen in de dakgoot gewoon waar wij het gisterenavond veel te warm voor vonden. Zij hebben blijkbaar weinig last van het vocht of warmte. Ze vogelen maar wat rond en storen zich niet aan andere vogels of gevogel. Omdat het per slot van rekening nog altijd maar mei is en ze misschien nog niet aan ei raakten. Of gewoon omdat ze andere dingen aan hun hoofden hadden. Ook pieren pesten misschien? Al heb ik ze nog nooit op het gazon zien dansen. Een hoofd hebben ze wel daar ben ik wel zeker van.

De eerste vroege auto’s in de straat duwen de natuur naar de achtergrond. In de verte zoemt de file van de rijksweg. De facteur duwt mijn bus vol ongewenste post.

Ik ben wakker.

Het beloofd weer een spannende dag te worden.

50/50 of 60/40?

Laten we er vooral eerlijk over zijn. Wanneer tijdens een gezellig avondje onder vrienden, bij een etentje of op café, de gesprekken plots gaan over klassieke rolpatronen is de kans niet onbestaande dat de sfeer wat grimmig of venijnig wordt. Tot er groen hout van komt.

Vrouwen vegen vandaag nog steeds de grot proper en zorgen nog altijd voor blinkende stalagmieten en –tieten.

In het hol van Lascaux en Altamira of in het Neanderthal ergerden ze zich indertijd al blauw over speren en bogen die veilig moesten weggelegd worden voor de kinderen opdat knotsen niet op verkeerde hoofden terecht zouden komen. Of over de verf die nog gemaakt moest worden om er de wanden mee te beschilderen met jachttaferelen.

Rondslingerende sokken en dopjes van tandpasta zijn clichés en scoren vandaag nog steeds hoog in de top 10 van de vrouwelijke ergernissen. Ze blijven een terugkerend discussiepunt. Het ouderwetse plaatje dat vrouwen wassen, plassen en het grut verzorgen terwijl mannen zelfs hun eigen viezigheid niet zien, blijft overeind.

Statistieken bevestigen. Huishoudelijk werk en er met veel zelfbeklag over klagen, is anno 2018 na christus nog steeds hoofdzakelijk een vrouwending. Waarom worden vrouwen anders al miljoenen jaren obsessief-compulsief als het stof, vuil en rommel gaat? Maar belangrijker waarom willen vrouwen de regeling die al sinds mensenheugenis overeind blijft, veranderen in een modernere 50/50 regeling? In het genderdebat hoeft de maatschappelijke vooruitgang van de vrouw toch niet de achteruitgang van de man te betekenen? Alsof de man een soort communicerend vat wordt waarin de opmars van de vrouw alleen maar kan geregeld worden door het zwakkere geslacht naar beneden te halen.

Moeten mannen dan mee onder huishoudelijke druk bezwijken terwijl het hun genetisch gezien en volgens de evolutieanalyse van Darwin geen zak uitmaakt? Dat er stof op het aanrecht ligt of dat de ramen niet perfect streep-loos en doorzichtig zijn?

Misschien wel! Want hulpvaardige mannen hebben een beter seksleven. Behulpzame, altruïstische heren zouden volgens statistieken sneller worden gekozen als potentiële sekspartner. Zelfs voor een korte stomende flirt.

Dames! Vergeet dus snel het genderdebat en zeg me waar dat vuilblik ligt. Geef me die dweil en die handleiding van die stofzuiger?

En is een 60/40 regeling ook ok?

Eieren. Krot, prut en zwarte drab

 

Het begon met eieren. Niet elke dag begint met eieren. Deze dus wel. Met zacht gekookte want van hard gekookte krijg ik een droge mond of de hik. Waarschijnlijk omdat ik ze te gulzig eet? Daar heb ik nog niet over nagedacht. Ik was ze ook eerst. In lauw water. Doe ik dat uit voorzorg?  Misschien is het wel een overblijfsel of een nutteloze gewoonte die overgebleven is uit de tijd van de dioxinecrisis of de fipronilcrisis. Alsof ik mezelf wijsmaak dat ik dat spul er überhaupt zou kunnen afwassen mocht het er op zitten.

“Met eieren moet je oppassen.” Dat had mijn oma zaliger me al vroeg ingepeperd toen ik nog klein was. “Want ze komen uit de poep van een kip. Daardoor plakken ze vol met van alles en nog wat en van alles en nog wat dat is kiekenstront.” Ik ben het nu nog niet vergeten. Opgepast dus met die eieren! Dat ze uit de poep kwamen wist ik al langer. Lang voor ze het me gezegd had.

In die tijd waren alle kippen nog vrije uitloopkippen. Ze waren nog niet samengepakt in veel te kleine hokken, om daar met 100 of meer, tegelijk de hele dag eieren te schijten op een transportband. Of om elkaar de ogen uit te pikken omdat ze te weinig vrije uitloop hebben of te weinig mais.

Drie fipronilvrije scharreleitjes van uitloopvrije kippen dus! Die ging ik koken voor het ontbijt. Met geroosterde soldaatjes en krokant gebakken spek. Toen de eitjes in het kokende water van mijn splinternieuw steelpannetje dansten werd mijn aandacht getrokken door de broodtrommel. Die was zo goed al leeg. Buiten een oudbakken korst en een harde sandwich was er niets eetbaars om straks in onze zachte eitjes te doppen. In aller haast trok ik mijn zevenmijlslaarzen aan en repte me naar de bakker. Voor verse sneetjes volkorenbrood.

De rij was lang zoals steeds op zondagmorgen. 2 bejaarde dames beklaagden het weer en de prijs van de patisserie. Het leken nochtans precies zelf mislukte taarten met hun te paars uitgevallen kapsels en hun plastiek kapje dat hun scalp moest beschermen tegen regen die er niet was. Toen de winkeljuffrouw het nummertje riep dat op mijn scheurbriefje stond brak het angstzweet plots in alle hevigheid uit. Mijn eieren stonden nog op. 21 minuten lang al. Gelukkig droeg ik zevenmijlslaarzen om me huiswaarts te spoeden.

Op ongeveer het zelfde moment dat die paniekaanval mij overviel, werd mijn vrouw abrupt uit haar schoonheidsslaap gerukt. Door eitjes die in de keuken luidruchtig “tap-dansten” in een rokende, roodgloeiende steelpan. Mijn sleutel stak nog maar net in het sleutelgat en kreeg ik al heel veel luide woorden naar mijn hoofd geslingerd. Woord-gekrakeel waar ik tot dan het bestaan niet nog niet van kende. Ze klonken, denk ik als dieventaal van over het water. “Lomp, stom en zot” meende ik wel te herkennen in de tirade.

Na het ontbijt dat overigens verder vrij rustig verliep, zonder gevaarlijke eieren of soldaatjes, ging vrouwlief het terrashout proper spuiten. Met de hogedrukreiniger want zonder, is daar geen beginnen aan. Het mos was immers veel te hard aan mijn bankira-planken gehecht om het met een gewone straal uit een lans los te spuiten.

De mislukte poging tot brandstichting was alleen nog maar een anekdote die nog wel eens ter sprake zal komen op een of andere gelegenheid of aan een toog, wanneer er mij iets betaald moet gezet worden. Om me in mijn hemd te zetten of om er mijn handigheid mee te illustreren. Het is haar gegund.

Vast besloten om het groene hout de oorspronkelijke kleur terug te geven blies de drukspuit de zwarte smurrie in het rond en begon vrouwlief stillaan wat weg te hebben van Monneke Pek. Van boven tot onder hing ze vol groene en zwarte drab. Het krot en de prut werd door de kracht van het water tot in haar kanten slipje geblazen. Een activiteit echter, die nochtans normaal gesproken alleen maar door mij mag uitgevoerd worden, maar dit ter zijde. Ze staakte de ijverige kuiswoede pas 2 uur later. Toen alle planken opnieuw hun oorspronkelijke houtkleur hadden maar er zelf uit zag als een veldrijder die net een modderig parkoers had omgeploegd en een uur lang slijk gevreten had. Toen ik voorstelde om haar een beetje proper te spuiten was ze te moe en speelde haar pijnlijke rug te fel op om tegen te stribbelen. Ze had het beter wel gedaan. Want omdat de spuit al enige tijd onaangeroerd was blijven liggen, was de druk en de kracht van de straal zo sterk dat ik naast de drek en het gort eveneens het vel van haar tenen ermee weg spoot. De luide “Waase” vloekwoorden die opnieuw naar mijn hoofd geslingerd werden, herkende ik meteen maar bleven even onverstaanbaar weerklinken als een paar uur tevoren. Hoewel de woordjes “lomp en zot” er zeker weer tussen zaten.

Om te schuilen tegen het woordenbombardement en ook wel als preventiemaatregel tegen nog groter onheil, zocht ik de keuken op. Om daar mijn zoon te “helpen”. Hij was al een paar uur drukdoende. Omdat het weer het toeliet had hij voorgesteld om straks vlees en vis te roosteren op de barbecue.

“Strak plan, waarmee kan ik helpen?”: vroeg ik “behulpzaam”.

“Met niet veel meer, alles is zo goed als gedaan. Alleen bieslook en dat beetje peterselie moet nog fijngehakt worden. Voor in de sla.”

Een echt koksmes is naast redelijk groot, vrij zwaar ook vlijmscherp. Dat hoort het te zijn, want met een scherpe snijkant doe je geen accidenten. Die heb je alleen maar met botte messen. Wanneer je afschampt en zo in je eigen vlees terecht komt. Ik was voorzien van een klein keukenzwaard waarmee Samoerai pijnloos harakiri kunnen plegen. Gewapend met zulk een stiletto kon me niets gebeuren. Ik had Jeroen Meus het trouwens al zien doen. Hoe moeilijk kon het zijn? Je zet je het punt van je mes op de snijplank, houdt het lemmet op 45° en maakt gelijkmatige op-en-neer gaande bewegingen. Het mes doet al de rest.

Wat er precies gebeurde ik weet het niet precies. Was het mijn dochter die me afleidde door de tv aan te zetten? Waren het afdwalende gedachten die me uit mijn snijconcentratie bracht? Wordt een keukenmes altijd een onverantwoord wapen eens ik het in mijn handen houd? Niemand kan het navertellen, want niemand had gezien welke vreselijke tafereel op het punt stond zich te voltrekken.

Een ijselijke gil die de gevoelstemperatuur met tien graden deed dalen, galmde door de huiskamer. Alsof een konijn gevild werd met een houten mes. Zo moet het ongeveer geklonken hebben toen het lemmet mijn nagel doorboorde, het nagelbed raakte, en metersdiep door mijn vlees hakte….

Toen ik ’s avonds, voorzien van pleisters en windsels het vuur van de barbecue probeerde aan te maken en mijn zoon pas op het nippertje kon verhinderen dat ik het pas gekuiste terras in lichterlaaie stak, snakte ik naar een dwangbuis. En een wit gecapitonneerd kamertje. Om tot rust te komen en me te bezinnen. Over lompigheid, impulsiviteit, Murphy, en Relatine.

Demonen en nachtspoken.

Zij was pas 15 geworden dat was ik niet vergeten. Haastig fietste ik naar de brico. In de plantenafdeling vond ik onmiddellijk wat ik zocht. Ze had pas een verzameling cactussen aangelegd. Grote en piepkleine. Sommige hadden prachtige bloemen. Andere waren schraal en puntig. Ik wist gevoelsmatig welke zij zou kiezen en kocht er drie. Een kleine schrale met puntige stekels maar op dewelke, als ze hem goed verzorgde, oranje met rood en gele bloemen zouden verschijnen. Haar kennende zou dat niet te lang duren. Hoogstens een maand, of twee. Want voor planten was ze ook zorgzaam en stipt. Alleen water als ze in bloei stonden. Op andere momenten haalden ze hun vocht uit de lucht en kregen ze geen druppel. De andere steekplant leek meer op een soort vetplant die weelderig zou tieren als ze hem in de volle grond zou verplanten. Aan de derde groeide vruchten die ik niet onmiddellijk kon thuisbrengen. Zij vast ook niet maar ze zou het zeker opzoeken in haar encyclopedie. Om er nadien enthousiast over te vertellen. Wat de oorsprong ervan was. Waar ze groeiden en hoe ze bloeiden en welke woestijndieren zich aan hun vruchten tegoed deden. Om te overleven wanneer de zon te heet brandde als het hoogzomer was. De kassiester zette de planten in een kartonnen doosje waar ze precies in pasten. Ik klemde de buit onder de rekker van de bagagedrager en reed naar mijn lief. Om haar te verrassen. Voor haar vijftiende verjaardag. Ze zou het ongewone cadeautje zeker weten te appreciëren. Dat wist ik zeker.

Vandaag houdt het me wakker. Waarom had ik toen cactussen gekocht? Planten die ze zo graag wilde? Omdat ik haar oprecht graag zag, strontverliefd was en haar wou imponeren met de juiste attentie? Of om me op voorhand van wat voorsprong en krediet te voorzien opdat ze niet zo boos zou worden als ze er de maandag nadien op school zou achterkomen dat ik die avond rond 11uur niet recht naar huis was gefietst. Zoals ik het haar beloofd had. Maar ik eerst nog langs het jeugdhuis was gepasseerd. Om daar in ander gezelschap pinten binnen te gieten. Veel pinten. Om dan met geveinst zelfvertrouwen een slow te kunnen dansen met Katrien. Die lange blonde basketbalspeelster die er in haar korte short en hoge kousen ook leuk uitzag als ze over het basketveld dartelde. Op woensdagnamiddag toen ik altijd veel te vroeg in de sporthal was.

Toen was ik er niet mee bezig. Of toch niet op de manier. Nu 35 jaar later houdt het me klaarwakker.

Hoe lang al heeft alcohol me al in zijn greep? Hoe lang al hebben pinten mijn gedrag bepaald? Hoe lang precies al ben ik verslaafd en was het bier dat voor mij besliste? Wat er ook op het spel stond? Wat ook de consequenties waren? Hoe lang zit ik al gevangen in de cel van mijn verslaving. Van mijn vijftien? Zal het dan nooit stoppen? Houdt het dan nooit op? Ook al sta ik bijna 5 jaar kurkdroog. Wanneer kan ik het afsluiten? Nooit?

De demonen spoken nog steeds rond en houden me bezig. Vaak op de meest onverwachte momenten. Zoals nu om 3 uur ‘s nachts. Al denk ik wel dat door dit verhaaltje neer te schrijven ze weer even verjaagd zijn.

Als ik dát vergeet… dan.

 

 

… Toen ik het nog onder controle had. Althans toen ik dacht dat er nog controle was, geloofde ik dat het bier en wijn was dat ik nodig had. Om mee te doen en er bij te horen. Een fles later of een kater later dacht ik dat het iets anders moest zijn. Mogelijks een vrouw of sucess. Of geld en goed want met geld, drank, aanzien, een vrouw en kinderen zou ik immers niet meer afgeleid kunnen worden door de grote leegte die me altijd bekroop. Wanneer ik mezelf vergeleek met anderen of wanneer een schuchtere poging toch weer niet het resultaat gegeven had dat ik ermee voor ogen had. 

Ik zou eindelijk vaste grond onder mijn voeten voelen. Met status en aanzien zou ik het verschil wel maken. 

Ik zou eindelijk sucess en aanzien oogsten in de speelzaal van het leven.

Toen dat een illusie bleek of toen dat om voor de hand liggende redenen mislukte werd mijn radius nog kleiner. Het territorium werd versmald tot een lange toog en een grote ijskast. Mijn enge wereldje dat niet om me niet gaf en me niet verschafte wat ik volgens mij verdiende, werd meer en meer een vleesetende plant. Een medogenloos stuk onkruid dat me verslond tot er niets meer overbleef. Niets meer om mee te tellen en om een verschil mee te kunnen maken. Niets meer over om aan vast te klampen.

Mijn stem en gedachten reisden maar mee als drugs in een trip. Langs oren die niet wilden luisterden. Oren van mensen die vergaten wat ik vertelde nog voor ze het gehoord hadden. Wanneer ik me dan zat omdraaide naar mezelf kon ik de nutteloosheid die ik uitstraalde vergeten en hoefde ik niet meer stil te staan bij datgene wat ik geworden was.

Drank had me gemaakt tot een gepantserd ding dat vervaardigd was uit stalen harnassen en door in gewapend beton opgetrokken muren waarover niemand kon kijken. Achter die hoge wallen zat ik. Eenzaam in een paleis. Verborgen in de vergeetput van een vervallen  kasteel waar niemand me ooit zou kunnen vinden.

Wanneer ik dat vergeet, word ik het opnieuw.

Iedereen socialist!

 

Natuurlijk ben ik een socialist. Wat anders?

Persoonlijk ben ik zeker dat er zich in ieder van ons een socialist schuil houdt. Soms sluimerend als een klein waakvlammetje dan weer hevig oplaaiend rond een kampvuur wanneer kumbaya gezongen wordt. Soms als stille toeschouwer of als supporter dan weer als activist of overtuigde pleitbezorger en voorvechter. Afhankelijk van de situatie. Wanneer we ons diep in onze democratische vezels getroffen voelen. Of wanneer fundamenteel onrecht is aangedaan, muteren we dan niet allemaal in een grote solidaire massa die zich rood van woede schaamt en zich verzet? Tegen onrecht, misbruik of waanzin? Verzamelen en verenigen we ons op die momenten dan niet allemaal in een witte mars of in een lange kaarsenstoet? Om ons collectief af te vragen hoe het zo ver is kunnen komen. Of om ons in groep te bezinnen of we nog wel Charlie genoeg zijn?

Gelijkheid, vrijheid, rechtvaardigheid en solidariteit? Staan we daar op zulke momenten niet allemaal voor? Zijn dat niet universele menselijke waarden die ons onderscheiden van het dierlijk gedrag van andere soorten? Tegen verdrukking van de kleinsten. Voor een plasticvrije oceaan en zuivere lucht. Of voor wat meer comfort en waardigheid voor onze grijzer wordende generatie voorgangers? Is dat niet het soort socialisme waar we ons allemaal een beetje door aangetrokken voelen en waar we een natuurlijke aantrekkingskracht voor hebben? Voelen we niet allemaal een beetje sympathie voor Che Guevara die dolde en rebeleerde tegen Amerikaans arrogantie? Was Robin Hood niet onze held omdat hij pikte van de sherrif en voste en vogelde met de dochter van de koning? Die koning die zijn onderdanen onderdrukte en hen als misdadigers of ciminelen vogelvrij verklaarde.

Natuurlijk ging het mis toen verkeerde mensen zich Robin Hood of Che Guevara waanden. Toen figuren zich uit opportunisme en eigenbelang verrijkten op de kap van sukkelaars. En zich met rode vlag in handen en al dan niet democratisch gelegaliseerd, een post toe eigenden om mee te kunnen te tafelen rond de honingpot van dewelke ze mee konden likken. Geflankeerd door diegenen tegen wie ze zich verzetten. Zogezegd om minderheden of maatschappelijk zwakkeren te vertegenwoordigen.

Maar dat zegt niets over socialisme. Dat zegt niets over de waarden ervan. Dat zegt allesover charlatans die zich onrechtmatig die waarden toe eigenen om er voordeel mee te halen.

Maar dat socialisme raakt stilaan uitgeroeid. Dat socialsme is op sterven na dood. Laten we het begraven.

Het socialisme is dood. Leve het socialisme.

Iedereen socialist!

Lichaamsopeningen in de cloud.

 

Terwijl polen smelten, bossen verschrompelen en lucht met de dag smeriger wordt, zitten supergeeks zich geilend op The Internet of Things, intellectueel te masturberen op nieuwe apps en toepassingen. In de cloud rukken ze zich wild af op nieuwe nutteloze gimmicks waarop niemand zit te wachten. Ze bedenken en ontwikkelen onzichtbare digitale enkelbanden die onze privacy te grabbel gooien voor moderne legale maffiosi die er misbruik van maken. Terwijl wetgevers en psychologen digitale detox prediken of wetten proberen te bedenken om ons van een beetje privacy en life-balans te verzekeren, freewheelen zij zich suf over virtuele, intelligente digitale systemen die automatisch communiceren met nog intelligentere digitale netwerken zodat wij dom achterblijven. De bewegingsvrijheid beperkt tot het pad dat vooraf voor ons digitaal werd uitgestippeld. Veel mensen wandelen mee. Zoals varkens naar de voerbak van waaruit ze vetgemest worden. Ze denken er niet over na en schoffelen zich gulzig vol met voorgekauwde pulp.

Verstand en intelligentie. Ik ben er te matig mee bedeeld. De slechtste van de klas werd wel eens gezegd. Het zal wel. Maar de bollebozen van de klas van toen denken er niets van. Ze lachen me opnieuw uit. Nu als doem denkende filosoof die zich terug trekt in zijn persoonlijke grot van Altamira. Voor hen ben ik een fossiel die de moderne wereld niet kan bevatten. Volgens hen begrijp ik de snelle nieuwe wereld niet waar het privéleven zich afspeelt op het internet die veilig bewaard wordt in de cloud.

In mijn toekomstige horrorwereld zullen vroegere onschuldig en onschadelijk ogende apparaten zoals tandenborstels, tv’s, thermostaten, koelkasten, matrassen, vibrators, diepvriezers, wc-papier houders etc. die overal in ons huis aanwezig zijn, ons beloeren en bespioneren. Ze zullen er voor zorgen dat onze persoonlijke en intieme gegevens naar de cloud zullen worden getransfereerd naar het internet van de dingen.

Als ik dan in de wereld van morgen een koortsthermometer onder mijn oksel steek of hem rectaal inbreng bij mijn 3 maand oude jammerende baby. Of wanneer ik mijn tanden een wittere tint geef met mijn elektronische tandenborstel, zal ik via usb-poorten van mijn lichaamsopeningen informatie doorgeven naar mijn veilige cloud. Zodat wanneer ik me aanmeld bij mijn volgende internetsessie het winkelmandje automatisch gevuld wordt met glutenvrije koekjes en zeep voor de intieme hygiëne. Mijn tandarts zal me automatisch whatsappen en me laten weten dat ik bij mijn volgende virtuele controle volle pot zal moeten betalen. Omdat ik het afgelopen jaar gemiddeld genomen mijn tanden maar 2 keer gepoetst heb in plaats van 3 keer zoals mijn tandverzekeringspolis het me het had voorgeschreven.

Gelukkig ben ik maar een cynische doemdenker en heb ik geen rectale koortsthermometer. Ik lach met mezelf en sla een bladzijde om van een boekje dat vanmorgen in de brievenbus viel en ik lees de kop van het eerste artikel. There is no bigger high than discovery… Het zal wel.

Cara en 4 Roses?

 

Heb ik een probleem? Als ik die vraag voor de kiezen krijg (en dat overkomt me de laatste tijd vaker) ken ik doorgaans het antwoord wel.

De vraag stellen is ze beantwoorden! Althans zo is het toch bij mij gegaan. Op het ogenblik dat het voor mezelf helder werd dat ik weerloos was geworden en dat het spul me volledig in zijn greep had kon ik pas een volgende stap zetten. De eerste eigenlijk. De belangrijkste. Vanaf dat moment kon het anders en beter.

Als ik het thema tegenwoordig ongevraagd voor de voeten geworpen krijg en ik geconfronteerd wordt met heel persoonlijke problemen, schrijnende verhalen of situaties, worstel ik met een dilemma:

Ben ik wel de juiste persoon om antwoorden te geven?

Heb ik al recht van spreken?

Ben ik wel sterk en betrouwbaar genoeg om te zeggen hoe het anders kan?

Elke situatie is toch verschillend en wie ben ik om te prediken hoe het moet? Want er moet toch niets! Dat is toch niet voor niets mijn persoonlijke lijfspreuk geworden. De leuze waar ik elke dag tot vervelens toe mijn omgeving mee tracht te beïnvloeden?

Een dilema dus. Omdat, toen ik het destijds allemaal niet meer wist, wel antwoorden kreeg op vragen die ik mezelf nog niet had gesteld. Door iemand die met hetzelfde worstelde en zich eveneens afvroeg: “Wie ben ik om over jou te oordelen en je als alcoholverslaafde te bestempelen? Er is maar een persoon op de wereld in staat hierop een juist antwoord te geven en dat ben jezelf’”

Als ik er nu op terugkijk op dat levensbelangrijke ogenblik denk ik dat dit het enige juiste antwoord was, waar ik destijds met enige kans van slagen mee verder kon. Indien hij me toen in mijn schuchter vermoeden bevestigd had, was ik vermoedelijk weg gelopen. Ver weg van mezelf en van mijn levensprobleem. Om nooit meer terug te keren.

Vorige week zocht ik door de straten van Parijs naar vertier, opgelgde cultuur en culinaire hoogstand. Waarvoor gaat een mens anders naar de lichtstad? Toch niet om 2 uur aan te schuiven en op een ijzeren toren te klimmen? In de buurt van Het Louvre laveerde ik plots ongemakkelijk tussen clochards. Tussen vale, onfrisse buitenslapers die zich met gans hun hebben en houden in een verhakkelde slaapzak, ongemakkelijk onder een gaanderij hadden geïnstalleerd. Vanop hun stuk karton keken ze wezenloos en verdwaasd naar de wereld. De lege flessen goedkope bocht lagen verspreid aan hun voeteneind. Aan de halfvolle of halflege klampten ze zich vast al was het hun dierbaarste bezit. Dat zal het in hun ogen ook wel geweest zijn. Ik zag het er aan. Aan de ogen die ik herkende.

Zowel de toeristen als de Parijzenaars gunden hen geen blik. De massa passeerde en stapte er onachtzaam over, zoals over een plas modder! Zoon van of dochter van? Vader, moeder of broer van… geen mens geeft om hun verhaal of aan hoe zij precies op dat stuk karton zijn beland met hun onafscheidelijke fles binnen handbereik.

Gisteren brak Avicii zijn pijp. Oorzaak drank! Al mag dat niet op die manier gezegd worden. Want dat is geen voorbeeld voor de jeugd.

Over de doden niets dan goeds. Zeker niet over bekende doden. Wellicht zal de doodsoorzaak de komende dagen dan ook wel als orgaan falen bestempeld worden. Net zoals bij Amy Winehouse, Whitney Huston, … of dichterbij, Luc De Vos. Je bent per slot van rekening voor iets toch een publiek figuur (geweest).

Echter, als clochard uit Parijs er met vier komma zes promille alcohol in zijn bloed, van tussen valt heeft hij zich simpelweg dood gezopen.

Wat is het verschil? De keuze tussen een krat Cara en 2 flessen Four Roses?

Op momenten als deze heb ik minder last van mijn dilemma. Omdat ik de wanhoop herken in de ogen van die zwervende sloeber en juist kan gissen naar dezelfde wanhoop als waar Tim Bergling eenzaam ten onder ging op zijn hotelkamer in Oman.

En jij? Hoe zit het met jou? Hoe wil jij de pijp aan Maarten geven? Met Cara of met Four Roses? Of ergens halverwege, met iets daar tussenin?

Een kamelenteen en oxytocine.

 

Evy Gruyaert is opnieuw mijn heldin want zij weet hoe ik gelukkig word in 21 dagen.

Van eigens. Telkens ik haar op het scherm tegen het lijf bots, slaat mijn hart minstens een slag over. Dat is zonder twijfel nog een gevolg van toen ze met haar veel te sensuele stemgeluid: “Nu,! Sneller! Harder! Je bent er bijna!” in mijn oor hijgde. Al was ik telkens wel blij dat ik na 3 minuten mocht wandelen.  Wanneer die eerste ellendige kilometers achter de rug waren.

Als ik Evy mag geloven hoeven de kilo’s er niet af te vliegen door aan gewichten te sleuren of door als een gek te sporten. Om me 100% begenadigd te voelen, word ik ook niet gedwongen om mijn lijf in onmogelijke kronkels plooien op een yoga mat. Al zou ik  niet ongelooflijk ongelukkig worden om vanop dat plekje naar perfecte vrouwen te staren. Naar vrouwen van wie de rondingen in hun niets verhullende, te strakke spandex geprangd zit, zodat hun verticale glimlach mij uitdagend tegemoet lacht.  Al hoeft die occasionele kamelenteen niet zo nodig. Die heeft geen meerwaarde in de setting en belemmert uiteindelijk alleen maar de suggestie.

Wat moet ik dan wel precies doen om die zweverige gelukzaligheid in al mijn vezels gewaar te worden? Volgens Evy moet ik zoveel als mogelijk mensen vast grabbelen. Bekenden en onbekenden. Hen knuffelen en fijn knijpen. 21 dagen lang, minstens 10 minuten per dag. Daar word je blij van, al  wordt dat een opgave want ik voel me oprecht ongemakkelijk wanneer vreemd volk mijn persoonlijk territorium betreedt. Knuffelen dus en dat met Jan en alleman, het wordt nog wat!

Hoewel deze activiteit ver uit mijn comfortzone ligt ga ik het er toch op wagen.  Evy oogt immers ook altijd opgewekt en opgetogen. Misschien heeft het op mij wel het zelfde effect. Daarbij de comfortzone is niet het plekje “where the magic happens”. Dat heb ik ooit ergens gelezen. In een boekje bij de psychiater denk ik.

Knuffelen schijnt onmiskenbare voordelen te hebben.  Het lichaam zou in overvloed oxytocine aanmaken. In de volksmond beter gekend als het knuffelhormoon. Hoewel ik hormonen door de band genomen voor geen meter vertrouw, zou deze stof in tegenstelling tot de hormonen die ik ken en die het maandelijkse onheil bij mijn vrouw veroorzaken, gevoelens van onzekerheid en angst verzachten. Het zou ook de cortisolspiegel in het bloed verlagen zodat stress en onrust verdwijnen als sneeuw voor de zon. Bovendien zou mijn bloeddruk na een paar dagen vel tegen vel al verlagen met een paar punten. Als ik Evy mag geloven zal ik me ook minder eenzaam en gespannen voelen en word ik nog meer zelfzeker en socialer.

Dus verschiet niet als ik je een van komende dagen tegen mijn gilet trek en je in mijn persoonlijk grondgebied sleur. Het is voor de wetenschap en mijn gelukzaligheid.

Ik laat je ook nog weten hoeveel toeken ik tegen mijn bakkes gehad heb als ik die nietsvermoedende voorbijganger heb vast gegrepen.

 

 

Boos of depressief?

 

Is het gemakkelijker verdrietig te zijn dan boos? Persoonlijk denk ik van wel.

Verdriet, depressie en zelfbeklag zijn heel passieve emoties die me helemaal deden terugplooien in mezelf. Met heel grote focus op mijn eigen overschatte ellende. Wegkwijnen is gemakkelijker dan confrontatie aan gaan en weerbaar te zijn. Depressieve mensen aanvaarden onrechtvaardigheid en trachten er in te berusten. Althans, ik deed dat toch lange tijd. Al lukte me dat maar amper, dat berusten of vaak zelfs helemaal niet omdat ik me door mijn passiviteit en besluiteloosheid een gekwetst en uitgesloten slachtoffer bleef voelen. Onbegrepen, en zalig zielig.

Vanaf het ogenblik dat ik me gebeten voelde, kwaad kon worden en daardoor uit mijn schulp kroop, veranderde het ten goede. Dan pas besefte ik dat ik niet langer op mijn kop hoefde laten zitten. Dat ik me niet langer moest laten kleineren om het nog langer te blijven ondergaan. Mijn kwaad bloed begon te stromen en ik kreeg energie. Omdat ik de situatie wou veranderen. Omdat ik niet langer wou berusten en defensief of reactief wou ondergaan op wat voor onheil het leven nog allemaal voor mij in petto had. Ik deed eindelijk wat ik al heel lang had moeten doen.

Ik kan me nu de vraag stellen waarom ik zolang koos voor verdriet, berusting en zelfbeklag? Ik ben niet zeker. Misschien omdat het veilig was of gemakkelijker omdat ik dat gevoel kon beheersen en controleren? Omdat ik de oorzaak steeds maar weer bij de anderen kon leggen en zo zelf geen verantwoordelijkheid moest opnemen? Of was het gewoon omdat ik bang was van mijn eigen boosheid? Voor de gevolgen ervan of voor de afkeur of kritiek omdat het beeld dat ik voorhield haaks stond op hoe ik mezelf al die jaren had voorgedaan?

Langzaamaan zag ik in dat er niets mis was met assertiever in het leven te staan. Met een lijn te trekken tot waar men voortaan mag komen. Wanneer iemand die denkbeeldige grens overschrijdt en overtreder wordt van mijn emotionele of fysische plafond geeft me dat automatisch het recht om boos te zijn en dan word ik het. Want ik heb het natuurlijke en vanzelfsprekend recht om met respect behandeld te worden. Niet door zelfbeklag te veinzen of om anderen emotioneel te chanteren. Want dat heeft door de loop der jaren een averechts effect op mij gekregen. Dan pas word ik wat chagrijnig en bits.

Mijn grenzen probeer ik te bewaken al kost dat moeite en word ik daardoor voor lastige keuzes geplaatst en word ik er soms boos van.  Maar enkel op die manier hou ik teugels in handen en kan ik met opgeheven hoofd ’s avonds in de spiegel kijken om te zien dat het nu beter is.

Dus stop met blijten, veeg die snottebellen uit je ogen, word kwaad en kom in actie! Je zal er beter van worden en er zelfrespect van krijgen.

 

 

 

Twijfel

 

In de verte luidt de kerkklok. Geconcentreerd tel ik de slagen. Tien, elf, twaalf middernacht. Tenzij ik mis telde. Dan was het maar elf uur. Tien kon niet want ik miste toch geen twee slagen? Ik ben niet zeker. Klokslag twaalf was het want een uur later klinkt maar één slag.

Harde regenvlagen beuken tegen het dakraam en zorgen voor een vreemd ritmisch getik dat voor een beangstigende rust zorgt. Alsof er onheil op komst is. De noorderwind fluit gierend door de dakpannen en doet de luiken van de ramen op de benedenverdieping rammelen in hun hengsels.

“Zinnen zijn maar zelden zo briljant als gedachten”. Verwachtingen over hoe ik het bedoel zijn net zo verraderlijk als valse beloften. Ze komen niet uit. Net als de onrustige nacht spookt het in mijn hoofd. Zal het goed genoeg zijn? Ben ik op de goede weg of heb ik de bal helemaal mis geslagen? Ik weet wel dat een zin geen onnodige woorden moet bevatten en een paragraaf geen onnodige zinnen. Net zoals een tekening geen overbodige details en een computer geen nutteloze onderdelen hoeft. Ik moet opnieuw schrappen om de essentie te benadrukken. De boodschap moet strak en uitgekleed zijn zodat alleen de pointe rest. Dan is het duidelijk en veilig.

Niet? Of spreekt het verhaal toch meer tot de verbeelding als het breed uitgesponnen wordt met beeld, geur en kleur? Als het ietwat klef en melig in elkaar geschreven is. Doorregen met emoties en naakt op de straatstenen. Kwetsbaar bloot en langdradig gedetailleerd zodat ik genadeloos kan neergesabeld worden met mijn openhartigheid. En dan word even onrustig als de nacht want ik krijg het echt Spaans benauwd van kritiek. Omdat die nu een maal langer op mijn huid plakt dan een pluim. Ik ben zeker gevoeliger voor een veeg uit de pan ben dan voor een schouderklopje, zelfs al krijg ik er soms meer van.

Twijfel en trots wisselen elkaar af tijdens die nacht tot ’s morgens.  Tot wanneer ik ongevraagd bevrijdende woorden hoor. Je mag fier zijn op je boekje hoor. Je hebt het toch maar gedaan. Sommige pluimen blijven precies toch wel plakken.

Tijd

 

“Waar je je tijd in steekt is waar je je leven aan besteedt.”

Wat een wijsheid. Wat een wijze woorden. Ze zijn niet van mezelf maar van madam Google. Al denk ik wel dat ik die uitspraak nu ook zou kunnen doen. Om er straf mee uit de hoek te komen. Ik laat de woorden doordringen om er iets clever mee te doen. Wat doe ik eigenlijk zelf met mijn tijd? Als ik erover dub wil ik hem stilzetten. Om eens diep na te denken hoe ik hem verstandig zou kunnen besteden, maar ik heb er de tijd niet voor.

Het liefst van al zou ik alles tegelijk doen. Boeken lezen of schrijven. Een reuze karper vangen. De tuin eindelijk helemaal naar mijn hand zetten of dat lange gesprek voeren met mensen van mijn soort. Gesprekken waarin we de wereld helemaal veranderen en een ander soort leiderschap uitvinden of gewoon waarin we maar wat lanterfanten. Maar ik heb geen tijd. Mijn denkbeeldige lijstjes raken niet afgevinkt. Omdat ik er niet aan begin. Omdat ze een te strakke deadline hebben (en ik strakke deadlines haat) of omdat ze te uitgespreid zijn in de tijd zodat ik altijd wel een excuus heb om er niet nu aan te beginnen. Omdat ze in de weg zitten.

Als ik vraag of het teveel moeit kost om een kamer op te rommelen of om samen eens iets leuks te doen luidt het antwoord steevast. “Ik heb daar geen tijd voor.” Facebook, de x-box, de gitaar, Messenger, de ouderraad, de sport, het werk, het lief, Neflix, Yello, Snapchat, Instagram en Twitter zitten altijd hoger op de prioriteitsschaal dan ik. Geen tijd dus.

En wat doe ik zelf? Ik zoek en volg dan maar interessante en oninteressante mensen. Ik wil ze achterhalen en doorgronden. Ik ben een voyeur op zoek naar mensen die ik kan adoreren, volgen en na kan bootsen. Ik speur naar trends en praat me binnen in levens van mensen die ik ken, niet ken of ooit gekend heb. Omdat ze me passen. Omdat het geen moeite kost of wanneer ik daar een blauwtje loop het me geen hartzeer bezorgt. Gemakkelijk, oppervlakkig, veilig en vrijblijvend…en saai.

Is dat niet datzelfde prioriteit principe als de facebook, de x-box, de gitaar, de Messenger, het lief, Netflix, Yello, snapchat en Instagram van diegenen die ik het verwijt?

Waarom bel ik niet? Waarom schrijf ik niet? Waarom spreek ik niet af of spring ik niet in mijn auto of in een vliegtuig? Om die mensen echt te ontmoeten die er toe doen? Om er koffie mee te drinken en om er eventjes die ideale wereld even mee te beleven? Omdat ik er de tijd niet voor heb? Of omdat ik angst heb dat ik hem er mee verspeel? Mijn tijd?

Slikken en absorberen zonder te ontdekken is wat ik doe. Dat is waar ik mijn tijd, die ik nota bene niet heb, mee verdoe. Als mijn tijd een tekortkoming is geworden door de dingen waar mee ik hem opvul moet ik diep nadenken. Dit kan niet zijn hoe ik het toen bedoeld heb. Toen ik zelfzeker verkondigde dat ik voortaan nog alleen ging doen wat ik graag doe en me nog alleen maar ging omringen met diegenen die er toe doen.

Een of andere dag… dan zeker… daar kan je op aan… Als ik er 2 minuten tijd voor heb!

 

 

 

De smeerlap.

Volgende maandag, ik kijk er tegenop. Opnieuw zal het een uur vroeger eerder dag zijn dan dat ik het eindelijk gewend geworden was. De wijzers van de klok zullen me zoals elk jaar, minstens gedurende een week verplichten om me een uur sneller moe te voelen dan dat ik het ben. Het irritante alarm van mijn klokwekker zal me dan ook weer ongevraagd een uur vroeger uit mijn natte droom halen zodat mijn ingebeelde hoogtepunt ook daar naar net-niet zal uitgesteld worden.

Om in het zomeruur te leven moeten zondag alle klokken stipt om twee uur ‘s nachts een uur worden verder gedraaid. Dat is belangrijk want zo moet het gebeuren,  volgens Frank en Sabine. Zo niet zal ik maandagochtend ontwaken in een koud huis en zal ik genoodzaakt zijn ijskoffie te slurpen omdat de timers niet gesynchroniseerd zullen zijn aan het opstaan-uur. Is er trouwens iemand vertrouwd met het resetten van mijn biologische klok? Want zoals elk jaar opnieuw zal mijn ochtenderectie zich ongevraagd  in uitgesteld relais aandienen, op een gênant moment, in de auto, of erger tijdens mijn eerste te vroege vergadering of in de lift.

Het was nu net weer licht ‘s morgens en ik hoefde me na het werk niet langer af te vragen waar de dag gebleven was wanneer ik in het grijze duister naar mijn auto zocht. Ik was dat nu net gewoon geworden. De collega’s hadden net aanvaard dat ik het daarom vijf minuten eerder voor bekeken hield.

Opnieuw zal ik zoals elk jaar trouwens, vergeten mijn autoklokje te resetten waardoor ik me om zeven uur ’s morgens weer zal afvragen of het zes uur is of negen, of toch zeven? En dan zal ik me andermaal ergeren omdat die verdomde klok niet kan voort of -teruggedraaid kan worden terwijl de auto rijdt waardoor ik me op woensdag in dezelfde tergende situatie zal bevinden als op dinsdag. Ik durf er gif op nemen.

Halverwege de week, en nadat ik uit pure wanhoop de helft van de klokken minstens drie keer naar voor en de andere helft vier keer achteruit gedraaid heb, zal ik er achter komen dat ik minstens in de helft van de gevallen op tijd kwam. De andere gevallen zal ik in eer en geweten verontschuldigend kunnen wijten aan het zomeruur. Computers stellen zich gelukkig automatisch in maar dat zal ik vergeten zijn waardoor het  op maandag in de voormiddag tien uur zal lijken, het elf uur zal zijn maar toch zal aanvoelen alsof het 12 uur is. Naar mate de week vordert, zal ik er meer en meer van overtuigd raken dat de zomertijd een complot is, om me te verwarren en om me te doen geloven dat ik energie bespaar. Welke energie? Want ik heb nu al geen overschot om er de dag mee rond te maken. Terugdraaien naar winteruur. Ja, dat begrijp ik nog. Daar ben ik fan van. Daar ben ik helemaal mee mee omdat mijn biologische klok me dan al soezend tussen het meel laat voelen dat ik een uur meer gekregen heb dan tijdens de zomertijd die me jaar in jaar uit dat gewonnen uur opnieuw afneemt, de smeerlap.

En de chocolade is nog op ook.

 

Soms wou ik dat ik sterker was. Moediger ook en iets minder kwetsbaar. Dat mijn gevoel minder snel de bovenhand neemt en dat ik wat rationeler zou kunnen reageren. Of niet zo uitgesproken. Grijzer. Tussen in, iets minder zwart wit.
Dat ik minder stroef en star was. Dat ik me niet zo voelde zoals ik me nu voel. Dat ik iets minder gewaar zou worden dat het even niet goed gaat. Dat het me oprecht allemaal wat minder zou deren maar dat doet het dus niet.
De vinger kan ik er niet op leggen want er is geen grote oorzaak en er is geen groot gevolg. Maar het is er wel. Ontegensprekelijk.
Het wemelt in mijn hoofd alsof er aan oude littekens gekrabd wordt. Alsof een kras die genezen was opnieuw werd open gehaald en dat er zolang aan geprutst werd dat het echt opnieuw begon te storen.
Niet dat ik van nature achterdochtig ben of dat ik het moeilijk heb om vertrouwen te geven of te krijgen. Dat is het ook niet. Ik kan het niet benoemen.
Van waar komt het dan toch? Dat gevoel als word ik langs achter bespied en beslopen. Door ongure figuren die het niet te best met me voorhebben.
Wil ik weer te veel controle en wil ik voorlopen op wat nog niet is? Of ben ik weer scenario’s aan het hertekenen die zo ver achter mij liggen dat ik er enkel in een droom nog impact kan op uitoefenen?
Het laat me niet los en ik krijg het niet vast.
Moet het dan altijd leuk zijn? Moet ik dan steeds vrolijke stabiele Frans spelen of mag ik gewoon aanvaarden dat het soms allemaal keihard sucked.
Zonder reden en zonder gevolg omdat het gewoonweg  een kutdag is.
En de chocolade is dan nog op ook…