Zat gezegd is nuchter gepeinsd.

Soms denk ik, “ik wou dat ik zat was”. Niet een beetje tipsy of in de wind maar zo fel in de olie dat remmen geen grip meer vinden. Dan wil ik zo ver boven mijn water zijn dat ik het nog eens goed en straf kan zeggen zonder me in bochten hoeven te wringen. Zonder bekommerd te zijn hoe ik bij jou over kom. Om me er dan de dag nadien, beschaamd voor te kunnen verontschuldigen. Dat het niet zo bedoeld was.

“Zat gezegd, is nuchter gepeinsd”, zegt het spreekwoord. En dat zal wel kloppen anders was het geen spreekwoord.

Hoe gemakkelijk was dat niet. Om me tot aan mijn slikker vol te gieten. Om dan met bloed doorlopen waterogen bagger te kunnen lozen. Om verdronken onzin uit te kunnen kramen of fel overdreven zatte waarheden te lallen. Met gemakzucht zo hard schofferen om de dag nadien te kunnen zeggen: “Het spijt me maar ik had te veel gezopen, ik was de controle even kwijt. Ik heb het zo niet bedoeld”.

Maar, ik ben ook niet poederdroog geworden om me opzij te laten zetten omdat ik nu wel beheersing vind om het niet te doen. Te schofferen en te lallen om gelijk te halen.

Vroeger had ik dan misschien geen recht van spreken omdat er altijd wel wat goed te maken viel. Of om punten te verdienen waarvan er altijd veel meer uitgegeven werden dan dat ik er gespaard had. Toen moest ik dikwijls zwijgen en de ronde laten voorbij gaan om te passen met de beste kaarten. Nu zou ik wel kunnen spreken en op tafel slaan. Gelijk halen omdat ik denk dat ik het heb. Misschien dat ik het daarom nu net niet doe. Omdat ik wat gematigder ben en wat rustiger. En dan peins ik…

Gelukkig heb ik niet gezopen en heb ik gezwegen. Want anders moest ik nu weer met een houten kop achter straffe excuses zoeken, en schoon woorden geven om het weer min of meer op orde te krijgen. Met holle woorden en inhoudsloze beloften waarvan ik niet helemaal zeker zou zijn of die überhaupt wel zouden binnenkomen.

Gelukkig heb ik niet gezopen!

Verleden als schatkist voor de toekomst.

 

 

Deze nacht is niet zo donker als de meeste andere nachten want de volle maan kleurt de zwarte duisternis grijzer. De slaapkamer is broeierig zwoel en ik proef de zilte warmte die de opgedroogde zweetparels achterlaten op mijn lippen. Tussen twee zuchten door deemster ik weg. Slapen kan je het niet noemen. Ik draai mijn hoofdkussen nog eens om in de hoop dat de andere kant wat koeler is. Het valt tegen. De ramen staan wijd open en donderwolken die onderling strijd lijken te voeren voor het wijdste luchtruim, doen me opschrikken uit mijn deemstering. Als er al een vlaag in zit zal ze niet voor hier zijn, denk ik slaperig wakker. Ik wil de drukkende warmte negeren maar het lukt me moeilijk.

“Als ik een probleem zelf niet kan oplossen, neem ik er afstand van”. Is dat niet wat ik steeds opnieuw kwek wanneer ik anderen probeer te overtuigen om dingen los te laten. Want, je bezig houden met zaken waar je geen impact op hebt is tijdverspilling. Dat brengt toch geen zode aan de dijk. Dat predik ik toch steeds overtuigd en vastberaden!

Maar mijn eigen levenswijsheden lijken in het niets te vervallen wanneer het zwoel en plakkerig is. Dan tellen ze niet. Of toch?

Niets is zo langzaam en kostbaar als persoonlijke ervaringen. Geen enkel schrander mens zal ooit beginnen te experimenteren als hij het met kans van slagen, kan leren van iemand anders? Toch? Dus doe ik maar wat me door anderen is wijsgemaakt of opgedragen. Omdat zij het al met succes gedaan hebben.

Vroeger zou ik opstaan. Om te drinken, om te roken of om te gaan plassen omdat ik te veel gedronken had. Niet dat het me hielp. Want uren later had lag ik nog te rollen en te puffen.  Nu niet. Ik houd me stil en denk aan gesprekken die in de dag passeerden. Aan de gesprekken met mensen die vruchteloos de dingen naar hun hand probeerden te zetten om ze te controleren of om ze te veranderen. Het was hen niet gelukt en het zou hen niet lukken. Nooit. Ze blijven met frustraties, woede of verdriet achter. In die val trap ik niet meer want anders worden fouten uit het verleden geen schatkist voor de toekomst!

Om zeven uur werd ik gewekt door de klokradio en het weerpraatje van Sabine die waarschuwde dat het vandaag nog zwoeler zal worden. Ik geeuw de plakkerigheid van me af en neem een duik in een plonsbadje dat veel te warm is om er in af te koelen. Maar dat zal ik ook wel overleven.

Overmorgen geven ze regen!

Ik wil ook zo iets!

 

Laat er vooral geen twijfel over bestaan. Vrouwen die lippen vuurrood kleuren, het zet iets in gang bij een vent. Daar hoeven wij, minderbedeelden der natuur, niet flauw over te doen. Zelfs antropologen zijn het roerend eens. Hoe roder de lippen hoe vruchtbaarder de vrouw. 

En ze weten het verdomd goed. Die van het sterke geslacht.  Mannen associëren getuite rode lippen nu eenmaal, ongewild met sex, met paren en met voortplanten. Zo beweren diezelfde menskundige wetenschappers toch. Hoewel ik van dat laatste maar moeilijk te overtuigen ben. Dat zullen die er zeker wel bij gesleurd hebben om al die vrouwen met hun rode lippen gerust te stellen.

Maar is het dan te kort door de bocht te stellen dat vrouwen met felrode mondcontouren bronstige, op sex beluste, hete manverslinders zijn? 

Zijn zij dan niet die ogenschijnlijk hulpeloos ogende prooien waarvoor wij mannen hen sinds Darwin aanzien?  Zijn zij dan de “gedoodverfde” medogenloze jagers bij uitstek? De roofdieren die met hun rode vettigheid mannen om de tuin weten te leiden omdat zij de associatie aan flapperende schaamlippen niet kunnen weerstaan waardoor automatisch de werking van de rest van hun neo-cortex wordt stil gelegd? Want daar zijn diezelfde antropologen het ook nog over eens. Bij fel rode lippen denken wij verdorven, zieke mannen zowizo eerst aan rupsje rimpel! Dat beeld floept bij rode lippen bij ons mannen als eerste binnen. Als close-up van de flamoes. Van de vochtspelonk en als oester op de ijsberg.

Zien jullie dames dan niet in en kunnen jullie de gevolgen dan niet inschatten van wat jullie met die rode verf allemaal aanrichten in ons brein? Ici-Paris-XL wordt een pornofilm. Een catwalk van venusheuvels, schaamdriehoekjes en wandelende gleuven.

Jullie moesten beschaamd zijn!

Vrouwen zijn dus al eeuwen in staat om alleen met rode verf het verleidingsspel en de paringsdans in gang te zetten! Een ritueel dat bij ons venten altijd het startschot is om ons gelijk halve zotten beginnen uit te sloven om op die manier in de gratie te vallen van een stel bedriegelijke rode lippen? 

Hoe oneerlijk is dat niet? Zeg? Ik wil ook zo iets…

Den ezel kan ni kakken

 

Is België nu opeens een merk of een rage? Of is het eerder een vluchtige modegril en een hip modeverschijnsel dat door een sportieve opwelling tijdelijk wat nieuw leven werd in geblazen? 

Nooit kreeg ons landje, een zakdoek groot, meer aandacht dan de laatste dagen. De Fransen werden door hun koloniaal verleden wel publiek verdacht gemaakt van exotische import om resultaat te scoren. België niet, maakt het uit waarom? 

Onder de flamboyante leiding van een Engels sprekende Spanjaard die getrouwd is met een Engelse lady en nota bene geen bier lust, werden oude, nieuwe, witte en met lichaamsversieringen gekleurde donkerdere Belgen samen verenigd op een groene tapijt om er samen voetbal hoogmis te vieren. Als er al gesproken werd over transferts gingen die over het doorsluizen hip volk naar Real of Barcelona. Over transfers naar Wallonië werd niet gesproken. Tenzij Deschacht nog wordt doorgeschoven naar Standard  maar dat zie ik niet onmiddellijk gebeuren. Daarbij Deschacht is geen Rode Duivel. 

“Oewaar is da feesje” hoorde ik keizer Hazard de afgelopen zondag in patatten nederlands roepen vanop een Brussels schoon verdiep. Geen franskiljon heeft er zich aan gestoord en de vlamingen lusten er ook pap van.

In een een interview hoorde ik Martinez nadien praten over, verenigen en inspireren. Over jeugd en versterken. Over samen en togezzer! In plaats van een kloven te maken en tegenstellingen te benadrukken, bouwt die man bruggen. Over gewests- en taalgrenzen heen. Van in Brugge tot in Luik. Zonder overkappingen en zonder bamtracé’s of ringlandtrajecten.

 Ik zie geen kliekjes en hoor geen comunautair gekibbel over wie na de wedstrijd niet mee mag klaverjassen omdat hij geen Vlaams of Frans  praat want ze praten onderling allemaal patatten Engels.

Geef die man aub een politiek mandaat. Want een merk werkt zelfs al heet het België. Laat ons desnoods onderling patatten engels spreken zodat we allemaal samen “oewaar is da feesje” kunnen roepen maar vooral. Politiekers alom neem een voorbeeld aan Martinez en als jullie het zelf niet kunnen geef hem dan een schoon verdiep misschien komt het dan met de rest van België ook nog wel goed.

Oh dierbaar België den ezel kan niet kakken…

Heb je ze zien kijken?

De sfeer was anders. Het decor ook, de zonnenbril niet. Minstens 3 keer per jaar gebeurt het. Spontaan. Zonder grote plannen of moeilijke afspraken in overvolle agenda’s. Dan hebben we opeens, zonder dat we er ‘s morgens bij stil hebben gestaan rendez-vous. We krijgen dan even elkaars volle aandacht om bij te praten. Ergens op een gezellig terras. Half in de zon half in de schaduw.

Zij met koffie verkeerd ik met de juiste. Pikzwarte met zoetjes. Om de compagnie compleet te maken waren er mini boules de Berlin bij. Niet om ons te verschuilen achter zweemzoete vettigheid of oude koeien maar gewoon omdat die wat luchtigheid brachten bij ons filosofisch geladen gespin.

De zon scheen flauw op haar gelaat, zodat ze zich, zoals ze wel vaker doet, veilig kon verbergen achter grote donkere glazen. De anders, altijd aanwezige denkrimpels waren verdwenen en haar brede glimlach zorgde voor 2 lachkuiltjes die me helemaal opgewekt maakte. De overvloedige cafeïne zal er ook nog wel voor iets tussen gezeten hebben.

Ze heeft iets met zonnebrillen. Altijd al gehad. Toen ik haar lang geleden voor het eerst ontmoette had ze er ook een op. Maar toen spraken uilen nog wartaal. Ze had een zwarte ray-ban die ze meestal in het haar droeg. Die deed haar wat weg hebben van Madonna. Ze zal het niet toegeven maar diegenen die haar kennen zullen beamen dat ze er destijds veel moeite in stak om er even cool uit te zien als die Material girl.
“Like a virgin” is ze niet meer, dat weet ik zeker. Ze zal destijds zeker “Papa don’t preach” gedacht hebben toen haar vader haar met een bedenkelijke blik taxeerde, wanneer ik een paar dagen later met gespeeld zelfvertrouwen de eerste keer aan haar voordeur belde.

Nooit zijn we elkaar uit het oog verloren. Niet als het goed ging maar ook niet als het met een van ons heel slecht ging.

Als ik nu zeg dat we stilaan oud worden, spreekt zij me met veel elan tegen. Dan overtuigt ze me dat we gewoon eindelijk in balans raken en we stilaan eindelijk van volwassenheid mogen verdacht worden. Voor de overschot zijn we het meestal wel roerend met elkaar. Over zowat alles. Over kinderen of over relaties en partners of over oude bekenden en hoe die soms opdringerig of onverdraagzaam jaloers kunnen zijn. Meestal eensgezind dus, behalve over gekleurde lichaamsverieringen maar daar hebben we het dan ook niet over.

35 jaar lang al passeert ze zo nu en dan. Vroeger wel meer dan nu maar dat kwam omdat ik toen even de juiste San Pedro was. Nu is er een geschiktere San die mee reist naar een of ander “la isla bonita.”

Het is altijd leuk om zomaar even bij te babbelen om te zien en te horen dat het goed met ons gaat. Dat we stilaan in balans raken. Ik wil dat echt nog wel 35 jaar blijven doen. Die babbels en die koffie al hoop ik wel dat ik daartegen gewend kan raken aan die veel te luide schaterlach.

Heb je de mensen zien kijken?

Friggatriskaidekafobie

 

Friggatriskaidekafobie of paraskevidekatriafoob. Ik beken ik pleit schuldig. Niet met voorbedachte rade maar wel schuldig. Mocht vandaag er een koude rilling over je rug lopen als je me ziet. Of als de haren op je arm rechtveren wanneer je mijn persoonlijk territorium betreedt, zoek de oorzaak dan niet bij jezelf. Het ligt aan mij. 

Beschuldig mij maar. Of de zondag dat mag ook. Want wil een vrijdag vallen op de dertiende moet de maand beginnen op een zondag. Geloof je me niet? Het klopt nochtans als een zwerende vinger. Geen vrijdag de dertiende zonder zondag. Kijk de kalender er maar op na.

Alfred Hitchcock en Fidel Castro waren ook zulke paraskevidekatriafoben en ze wisten verduiveld goed waarom. Net zoals ik. Ik ben er ook mee belast. 

Het is een ongelukkige dag. Een dag die ellende, pech en rampspoed brengt.

Laat je niets wijsmaken. Hoewel onderzoek suggereert dat de kans dat vandaag pech je te beurt valt, niet groter zou zijn dan op eender welke andere dag. Of dat vrijdag de dertiende weinig of geen effect zou hebben op ongevallen, bezoeken aan ziekenhuizen, natuurrampen of ongewenste zwangerschappen, toch is dertien geen geluksgetallendag. Het is tegenslagendag maar wel alleen voor jou. Jij bent er ongewild slachtoffer van. Je bent er mee belast omdat je me toevallig kent.

Want ik zag het levenslicht op een vrijdag de dertiende. Op zulk een dag werd ik uit de vulva van mijn verwekker geperst.  Dus ontloop me voortaan. Ontwijk me. Steek over als je me ziet of ga met een hele grote boog rond.  Respecteer mijn onheilspellende schutkring. Je behoedt jezelf ermee tegen rampspoed en ontij en je bewijst mij er ook een grote dienst mee. 

Anders moest ik met jou praten en kreeg ik nooit tijdig deze nonsens op papier!

Ik ben hoer! We kunnen fisten.

 

< “He ik ben al hoer, ik zie je zo aan het ontbijtbuffet. Noor is ook al hoer. Ze is bij mij. Tot zo.. en haasten jullie zich een beetje?”

We waren met zijn vieren in Parijs.  Om er cultuur te snuiven en ons culinair te laten overmeesteren. Een bezoek aan het kasteel van Versailles stond op de planning en mijn lief wou met dit tekstberichtje laten weten dat ze fris gewassen was en dat ze helemaal klaar was voor een culturele hoogdag. 

Versailles was mijn idee. De logies zijn steeds haar rayon. Ze had twee ruime kamers geboekt in een leuk pension vlakbij het kasteel. Noor had bij mijn vrouw geslapen en Dries had mij gans de nacht wakker gesnurkt.

Toen het, ik-ben-hoer-smsje, de gsm in mijn broekzak deed trillen kon ik een grijns maar moeilijk onderdrukken.  De radertjes in mijn hoofd draaiden helemaal gek en een snood plannetje ontspon zich razendsnel. Zoals een spin rag spint rond een vastgekleefde vlieg.

> “Hoer? En dat met onze dochter in de buurt, wat schuift dat? Kijk je eens even snel of er viagrabrood is of vaginacrème en vers fluit”: Antwoordde ik met de voorbedachtheid om haar helemaal tureluurs te teksten.

< “Hier”, bedoelde ik zot. Viagrabrood en vaginacrème? Maak eens dat je beneden bent, snul. Wij hebben honger”

> “Schreef ik viagrabrood? Ik bedoelde ciabattabrood en vanillecrème. Damn..  autocarrosserie, ik bedoel autocapitalistion… grrrrrr… autocorrect!” “Kont in orde hoor! Ik ben me aan het afdrogen.”

< “Neen hier hier is geen ciabatta, wel brioche en baguettes, en ik weet dat mijn kont in orde is. Ben je er?”

> “Komt in orde”:  Had het moeten zijn maar je hebt gelijk, je kont is nog in orde en ik kan het weten want op elk potje past een deksletje.” 

< “Deksletje… haha .. je doet het er om”

> “We zijn er hoor. Ga al maar. Ik loop gewoon nog even langs de balie voor onze tickets. Naar welke maitresse heb je die gestuurd?”

< “Hu?”

> “Maitresse… haha! emailadres. Naar welk emailadres?”

>“Het jouwe. Laat je ze voor de zekerheid printen? Als ze daar geen scanner hebben      aan de ingang kunnen we nog een uur in de rij staan.”

<“Kont in orde hoor! alles is afgerukt en nog goed nieuws we hoeven niet te stappen. Ik ben ook hoer en we kunnen fisten”

 

Slappe Lotus.

 

Blijf uit mijn energiebaan want ik raak uit balans. Het ene moment ben ik overmatig actief en heel dominant aanwezig. Dan weer vind je me stilletjes op de achtergrond. Diep in mezelf teruggetrokken. Een beetje afwezig en op zoek naar een strohalm. Het voelt aan alsof er te veel in mijn hoofd zit waardoor ik me licht en onevenwichtig voel. Ik heb nochtans een groot hoofd. Toch groter dan het gemiddeld hoofd. 

Zou mijn wortelchakra droog staan?

Ingeborg zou er zeker een gepaste uitleg voor hebben. Mocht ik haar kennen dan zou ze me zeggen: “Jan, je sacraalchakra leeft op oorlogsvoet met je navelchakra waardoor je zonnevlecht in de knoop zit. Laten we samen zingen. Toe! Please! Ik ken nog een topper. Gratitude before me, Gratitude behind me….”  

Ik krijg er spontaan bobbelen van en kom innerlijk in opstand tegen zoveel bewierookte, aansteklijke, opdringerigheid waarmee ze steeds ongevraagd probeert de edelstenen van mijn energie te bekrachtigen. Zeker wanneer ze me wil doen dansen om mijn opkomende depressieve gevoelens te onderdrukken. 

Terwijl ik het schrijf voel ik mijn sacraalchakra in opstand komen. 

Door de wind en door de regen probeert ze me er dwars door alles heen van te overtuigen dat ik een twijfelaar ben. Ze beschuldigt me van onzekerheid op het werk, in relaties en in de liefde. Wellicht is mijn zonnevlecht verkeerd geknoopt of zit ze helemaal in elkaar geklit. 

Ik begin me slechter te voelen. Lichamelijk zelfs. Mijn keelchakra heeft blijkbaar ook al afgehaakt want die zure boer voorspelde weinig goeds. Hopelijk is hij niet de voorbode van echte brokken.

Mijn hartchakra dan maar. Is deze al back on track? Ja, want ik voel de revolutie in mezelf in alle hevigheid los barsten. Ik doe wat ik het beste kan en kom in opstand tegen de zee van zweverigheid.  Pas wanneer ik Ingeborg en haar gratitude heb weggezapt ontstaat een beetje ruimte voor innerlijke vrede. 

Mijn derde oogchakra en mijn kruinchakra zijn het roerend eens. Ik ben zonet in mijn eigen kracht gestapt zodat ik eindelijk opnieuw verbinding heb met mijn eigen universum. Ik onhoud opnieuw mijn dromen zodat wanneer ik wakker word mijn lot vastbesloten in de handen kan leggen van lotus. Al hoop ik wel dat ik hem niet te lang in mijn koffie sop zoniet kan ik weer helemaal van voorafaan beginnen.

Harra harra harra….

 

Bladzijde 1

 

Bladzijde 1 ging vanzelf. Dat weet ik nog goed. Ik schreef en schrapte, herschreef en schrapte opnieuw. Als een bezetene ging ik te keer. Ik zocht naar woorden, synoniemen en een juiste invalshoek op een foute gedachte of een foute invalshoek op een juist idee. Tot het min of meer naar mijn zin was. Ik schreef in Times New Roman lettergrootte 14 want dat schiet aardig op. Die keuze leek me de juiste omdat de tekst dan nog kan gelezen worden zonder leesbril. Een voordeel, leek me voor het leespubliek dat ik beoogde. Mezelf.

Woorden, zinnen en alinea’s werden netjes horizontaal centraal gealigneerd want dat maakt een overzichtelijke indruk. Door voor tussenlijn 1,5 te kiezen leek het blad sneller vol dan dat het in werkelijkheid was. Een tekst-fata-morgana die het opstel er langer doet uitzien dan dat het in werkelijkheid is. Luiheid en gemakzucht zijn handige zonden die een beginnend schrijver niet vreemd zijn. Toen het eerste blad geschreven was telde ik 441 woorden. Bij het 442ste werd automatisch een nieuwe bladzijde beschreven. Hoe handig. Pagina’s vullen gaat automatisch.

Op de voetnoot van mijn wit blad staat onderaan rechts, in een wazig grijze font, pagina 268 en dan voel ik het in al mijn vezels. Ik wil over alles schrijven. Niet in het klad maar direct in het net, zodat het puur blijft en onversneden.  Over mannen en vrouwen of over grassprietjes. Over ogenschijnlijke alledaagsheid die me opvalt en me in het nu trekt zodat ik niet kan afdwalen naar kunstmatige grootsheid waar ik geen rol in heb. Ik kijk dan en voel of luister, zonder hoeven na te denken over wat nog komen zal of over wat al voorbij is en probeer het proper te verwoorden zodat jij het ook voelt. Of kan zien of proeven. Op die manier blijf ik scherp en attent op grote onbenulligheden die er toe doen. Wakker en bij de pinken voor non-valeurs die vandaag verschil maken, omdat ik, als ik dan later groot ben niet meer op dezelfde manier verbaasd zou kunnen zijn over dingen waar ik vandaag aan voorbij liep.

Als het steentje dan verlegd is stroomt de beek weer even wat sneller of trager. En sneller of trager is altijd goed.

 

 

 

Grijze silhouetten

 

Vijf uur en 7. Een nieuwe dag werd zonet geboren. Zonnestralen verdringen de nacht en de lichtgele schijn kalmeert het harde nachtduister.  De schuchtere ochtendzon tekent vage silhouetten op de slaapkamermuur. In mijn gedachten maak ik er bekenden van. Ik herken Wilfried Martens aan zijn te grote bril en Jimmy Hendrickx aan zijn gitaar. Tientalle kopjes staren me ongegeneerd en schamteloos aan. Onze pa meen ik ook te herkennen. Ergens net boven de horizontale lijn die de scheiding vormt tussen muur en plafond. Het moet hem wel zijn want niemand anders heeft ooit zo een perfect rond hoofd gehad. Hij grijnst met een lachwekkende grimas.  Alsof hij een tand mist omdat het rolluik ter hoogte van zijn mond daar net wel goed aansluit. Ons ma die wat lager afgetekend is kijkt toe. Ze denkt er duidelijk het hare. Wat zou ze anders doen. 

Hoewel de door de zon getekende mannetjes vanaf het krieken van de dag stille getuige zijn van mijn gesnurk, gewoel en ontwaken, storen ze niet. Hun gelaat wordt scherper naarmate het zonlicht aan kracht wint. Ventjes op de muur zoals dieren in de wolken. Als je lang genoeg kijkt ontstaan ze. Kijk je even weg dan zijn ze verdwenen of worden ze iemand anders. Elke keer als de zon er is en de morgen mij voorzichtig wekt, worden ze in mijn slaapkamer ‘s morgen op het muurcanvas geportreteerd.  Hun schaduwbeeld wordt er gevormd door spleten, gaatjes en scheurtjes in het rolluik. Omdat het niet helemaal perfect meer aansluit of omdat ik het gisterenavond maar half zijn gat toe getrokken heb. Dat is ook perfect mogelijk.

“De dag wordt wat je er van maakt” bedenk ik.  Het lijkt of mijn ochtendpubliek mijn gedachten kon lezen want plots valt het zonlicht in volle glorie binnen en zijn ze verdwenen. De ventjes en hun contouren. Even bang van de dag zoals ik van de nacht. Hopelijk valt de zon morgen iets schuiner binnen zodat onze pa zijn gebid weer volledig is en ons ma geen reden meer heeft om te jammeren.

Gekleurde wangen

 

Ik had een klak van de Rode Duivels opgezet en droeg oorlogskleuren. Op mijn kaken waren zorgvuldig 2 keer 3 strepen getrokken. De zwarte streep moest links, de rode rechts, de gele daartussen. Niet omgekeerd want dat brengt ongeluk. Dat wist ik nog van het vorige WK. Hoewel buienradar droog, zon en 22° voorspeld had, had ik een dikke sjaal rond mijn nek. Eveneens in oorlogskleuren. Rond mijn middel was een Belgische driekleur gedrappeerd die ik ooit eens gekregen heb bij een bak Jupiler. Het rood ervan was al een beetje afgegaan zodat het leek alsof ik voor de Roze Duivels ging supporteren.

Wanneer om de vier jaar, 22 mannen met gekleurde lichaamsversieringen een spelletje spelen met een bal, begin ik klaarblijkelijk mee raar te doen.

Noor heeft ook een duivels petje, Nele ook. Maar om onverklaarbare redenen verschenen zij beiden op het kerkplein zonder. Ze droegen beide een strak wit topje van H&M en blauwe jeans van Levis. Ik denk dat ze zich bekeken moeten gevoeld hebben omdat de zwart-geel-rood gekleurde modeshow volledig aan hen was voorbij gegaan. Al vielen ze uit de toon, toch waren ze mogelijks de enige 2 die “normaal” gekleed waren om naar het spelletje te komen kijken. 

Ze arriveerden aan de late kant want er waren al 3 doelpunten gevallen al leek dat detail hen geen van de twee te deren.

Het viel me op dat mijn vrouwen op een speciale manier voetbal kijken. Steeds druk pratend en gesticulerend. De kleinste met een cola de oudste met een cava. Beiden met hun rug naar het scherm. Toen het 4-1 werd voor de “Gele Duivels” vroeg Noor of al die “Rode” mensen zich niet van tenue hadden vergist. Ze zei me ook dat ze volgende keer haar pet ging opzetten en dat ze haar gele scouts t-shirt zou aantrekken. Dan zou zij de enige duivelssupporter zijn die tenminste de moeite had gedaan om assorti gekleed te zijn met de spelers. 

Gelukkig stonden er ondertussen ook 3 vegen op haar wangen anders had ze zich misschien te veel bekeken gevoeld.

Letterslet

 

Vanavond presenteer ik mijn boekje aan een schare vrienden en sympathisanten. Ik zal worden gevraagd hoe het er kwam, wat er in staat en wat ik er mee beoog. Hopelijk vind ik tegen dan op die moeilijke vragen eenvoudige antwoorden want ik ben niet van plan me slimmer voor te doen dan ik ben. 

Vanaf morgen “lig ik in de winkel” want zo wordt dat gezegd in schrijversjargon. En als ik het zo zeg klinkt het wat vreemd. ik lig in de winkel of ik sta in de vitrine. Als woordcoutisane of als letterslet. Te koop voor plezier.

Verbaasde, curieuze of fiere blikken zullen mij van achter de vitrine kunnen bekijken. Zij zullen tegen elkaar beamen dat ik mooi ben. De jaloerse, neerbuigende of schimperige tongen zullen ook staan loeren. Zij zullen het snel eens raken dat ik verwaand en afzichtelijk  ben. Omhoog gevallen of over het paard getild.

Het maakt niet zo veel uit. Ik lig er eigenlijk toch hoofdzakelijk voor mezelf. Verborgen en verscholen achter een mooi stijf kaftje.

Als ze er genoeg voor betalen mogen ze me aanraken en betasten. Of aan mij ruiken om er achter te komen of ik wel naar boek ruik. Misschien word ik wel in een leuk papiertje ingepakt. Om er iemand plezier mee te doen. Wie weet?

Vreemde vingers zullen door mijn hart en ziel bladeren om te achterhalen hoe ik het bedoeld heb. Wat ik per force opeens te vertellen had en wat voor mij zo belangrijk was dat ik het allemaal opgeschreven heb.

Weten dat ik te koop ben voelt vreemd. Dubbel denk ik. De ene helft is fier, moedig of stout de andere onzeker en terughoudend.  Aarzelend en wankel  kom ik uit een kast om er nadien terug te worden ingezet.

Hopelijk is morgen het uitstalraam van de boekenboer groot genoeg. Voor mijn 1meter 92 grote ego maar sta ik niet te hoog geëtaleerd. Voor wanneer ik er van mijn sokkel val.

Belle-vue

 

Ik drink graag koffie aan de favoriete toog van mijn favoriet cafeetje. Ik lach praat en redekalf er doorgaans met mensen die er even vertrouwd zijn als ik. Ze zijn even gemeenzaam als het cafeetje zelf. De gesprekken variëren.  De mensen, de standpunten en de manier waarop ze verdedigd worden zelden. Hoewel het garnituur op het eerste zicht weinig tot niets met elkaar gemeenschappelijk heeft ontstaat er toch een soort praatsysteem waar ieder zijn rol in heeft. Soms met geroep en getier of met een okkazionele “nondedju” godverdomme!

Aan de bar zitten ze door elkaar. Alle mannelijke stereotypen vertegenwoordigd en op een rij verzameld. De grootmoedige, grootsprekende ego’s zijn er eerst. Ze zijn meestal in de meerderheid. Ze proberen op iedereen indruk te maken terwijl ze wachten op hun vrouwen.  Die laten tijdens het obligaat wekelijks cafébezoek van hun bink, haar watergolven, wimpers wat langer krullen of ze doen een tintje donkerder op tussen de bank van het plaatselijke zonnecentrum. Nadien kopen ze allemaal nieuwe schoenen of een nieuw tailleurreke uit een vitrine van de plaatselijke middenstand.

De roepers verzamelen op dat moment dicht bij de bierkranen. Je herkent ze onmiddellijk omdat ze luid zijn.  Een onhebbelijke eigenschap die hun vrouwen hen na 20 jaar huwelijk niet afgeleerd krijgen. Thuis lukt het soms wel maar eens de vrouwelijke leiband er niet meer is, hervallen ze met een pint in aanslag in oude gewoonten. Ze zijn dan het vaakste aan het woord en nemen fors en overtuigend standpunt in over onderwerpen waarover zij zich thuis, met wikipedia bij de hand eerst over geïnformeerd hebben. Meestal staat hun volumeknop zo hoog omdat ze in de buurt van een tapkast meer zelfvertrouwen krijgen. Ook wel omdat hun vrouwen niet onmiddellijk in de buurt zijn. Het zijn de gangmakers.  Zij brengen met branie de boel op gang en oreren overtuigend controversiële onderwerpen.

De ja-knikkende conformisten zitten daar ook. Torenhanen die draaien met de wind en die thuis meestal nog minder te vertellen hebben omdat hun broek door moeder de vrouw daar ook al werd opgeëist. Ze zijn het gewoon naar de mond te praten en ondersteunen elke mening ook al wijkt deze 180° af van diegene waarvoor ze nog nooit durfden uitkomen. Nooit en nergens. Zij zijn de saaiste compagnie. Zij doen er niet toe. Om “iets” te compenseren dat wat groter had mogen uitvallen rijden ze in dure duitse auto’s  met 3 letters en dragen rayban omdat ze er op die manier hopen bij te horen.  Al zouden ze zeker ook gele oliejekkers of kaki zuidwesters dragen mocht een gangmaker met overtuiging beweren dat dit straks in Milaan de nieuwste modetrend wordt. 

Verwar hen niet met de scherpzinnige diplomaten. Want zij onderscheiden zich van de conformisten. Ze hebben wel een eigen mening. Komen er voor uit als ze zeker zijn en verstaan de kunst om te bemiddelen tussen de gangmakers en de dwarsen. Ze zeggen tegen de ja-knikkers dat ze moeten zwijgen of halen met hun: “Patron laat ons nog een keer drinken”, net op tijd -voor gemoederen echt oververhitten- de lont uit het kruidvat.

De “dwarsen” zijn naast de “opgepompte ego’s “ voor de “verstandige zwijgers” het meest interssantste mannentiepetje om te observeren. Volgens hen vergaat de wereld overmorgen en zal de 8e plaag nadien alles in een puinhoop veranderen. Net voor de wereld op ons hoofd valt. Ze nemen geen blad voor de mond en er durft al eens een vloek aan te pas komen om dingen wat krachtdadiger te stellen.

Mannen aan een toog. Soms durf ik echt betwijfelen of ze wel weten waarom!

Gelukkig is het gespreksonderwerp vandaag Naingolan, de bloedvorm van Hazard en de stijfheid van Martinez. En prijs me nog gelukkiger dat ons wekelijks cafeetje niet Facebook heet maar café Belle-Vue. Er waren anders doden gevallen of minstens zwaar gewonden.

Botergeil van tuinkruiden

Hoe krijg ik mijn vrouw weer botergeil?
Ondertussen zijn we een halve eeuw verder en kan je het pillendraaiers bezwaarlijk aanvrijven niet begaan geweest te zijn met de vrouwelijke sexualiteit en lust. De pil was al een revolutionaire uitvinding die begin jaren 60 vrouwen eindelijk hun verdiende wipgoesting teruggaf zodat vanaf dat moment eindelijk volop klokken geluid konden worden tijdens volle hoogmis. Haleluja. Vrouwen konden en mochten. Ad libitum, eindelijk. En dat er wat afgevogeld werd.
Als vrouw werd je niet langer als promiscue, vulgair of los van zeden bestempeld als je het graag deed en veel. Riscoloos, histig sensueel of wellustig.
Als ik echter de recente berichtgeving mag geloven zitten we opnieuw opgescheept met een massale sexdroogte. Maar niet getreurd er wordt op dat vlak hard onderzoek gevoerd. De vrouwelijke libidopil is in aantocht zodat veluxen of andere slaapkamerramen opnieuw vol condens bedampt kunnen worden.
Waar viagra paal en perk zet bij de man in nood zal de vrouwelijke lustpil dijken in het zuiden doen overstromen bij diegenen die het onderaan wat moeilijker vochtig krijgen. Of toch niet?
Wat met bijwerkingen? Zal onze enige favoriete sexpoes geen snor krijgen? De baard in de keel of hoofdpijn, en had ze die niet al? Zal vermoeidheid geen lastig bijfenomeen worden? Want te moe, dat was ze toch ook al? Maar belangrijker misschien, zal ze zich niet blijven storen aan mijn favoriete slaapmarcelleke zodat ze mij daarmee nog steeds met Onslow uit keeping up appearences zal associeren? Zal mijn onfrisse ochtend-walm die doorgaans sterk genoeg is om bootvluchtelingen finaal voor Engeland als eindstek te laten opteren, de pret niet onderdrukken?
Sex en goesting of het gebrek eraan afdoen als een epidemische vrouwelijke hersenaandoening is misschien wat bruggen te ver. Misschien moeten wij venten gewoon ook wat meer moeite doen. Misschien zouden we ons favoriete marcelleke waar onze mannentronie 25 jaar geleden mee kon geaccentueerd worden voortaan niet beter inruilen voor een mooie gestreken pyjama. En zouden we ‘s morgens niet eerst een rolletje king-muntjes wegknabbelen alvorens onze nieuwste pornomoves te etaleren. Misschien is tegen vrijwillige monogamie, sleur en een hespenrolletje meer wel geen pillenkruid gewassen?
Nu dan? Want Ik heb net mijn teennagels geknipt, mijn boxershortje gesteven en heb een halve tube tandpsta opgefret.
Btw ik ruik naar lavendel en kamille. Ik hoop nu maar dat ze geen hooikoorts heeft of allergisch is aan tuinkruiden.

Wasknijpers, to the moon and back

 

Honderd wasspelden, houtlijm, plakaatverf en een schort! Zo had ik het in kindergeschrift in mijn klasagenda genoteerd. Tegen maandag! 

s’ Vrijdags had ik het boodschappenlijstje van ons ma nog nagekeken. Ik moest zeker zijn dat ze het er met haar onleesbare hanepoten had bijgeschreven. 100 wasspelden! Onze pa had nog onbegrijpend gevraagd: “Waarom hebben wij in hemelsnaam 100 wasspelden van doen? Ik heb maar 2 hemden en 4 onderlijfkes en de witte was gaat naar de wasserij.” De lakens werden altijd gewassen in de wasserij van mijn nokel. Die had een wasserette. Toen we de was er s’ zaterdagsmorgen ophaalden rook het er steeds naar waspoeder, stijfsel en vochtig-warme droogkasten. De hagelwitte lakens werden er door een grote warme pers gehaald zodat ze hard gesteven en kreukvrij geplooid konden worden. Gaten of scheuren werden door mijn tante hersteld. Om maar te zeggen wasspelden waren enkel nodig om de “aparte” was op te hangen. En onze sponsen broekjes maar die waren altijd al bijna droog als ze uit de wasmachine kwamen. Dat wist ik want ik mocht die altijd mee ophangen. 

Op school, mochten we dan ‘s maandags nadien van “madam Keuppens”, want zo werd ze genoemd, de hele dag knutselen aan ons cadeautje. In die tijd hadden meesters en juffrouwen nog geen voornaam, enkel een achternaam. Sommigen heetten zuster dat kon ook maar dat was omwille van dat wit kapje op hun hoofd, dat op zijn plaats werd gehouden door vier schuivertjes. 

Eerst haalden we de houten wasknijpers uit elkaar door hen te ontdoen van die ijzeren veer die er voor zorgde dat je er mee kon knijpen.  Ik wist tot dan niet dat als je die twee houtjes van een wasspeld omgekeerd tegen elkaar kleeft, je precies een mannetje krijgt. Juf Keuppens wist dat wel. Zij was een geniale kunstenaar. Althans in de ogen van een 10 jarige. Al die veertjes mochten nadien in een grote houten doos gooien. Die zouden later nog dienst doen om er armbandjes mee te maken, maar dat wist ik toen ook nog niet. 

Eerst werden de houtjes aan elkaar gekleefd met houtlijm.  Als de lijm opgedroogd was kregen de ventjes met plakaatverf allemaal een ander kleurtje. Mijn verfjes waren natuurlijk onmiddellijk vuil, omdat ik het eerste mannetje zwart geschilderd had en omdat ik mijn penseel nadien, – niet-uitgewassen,  in elk ander verfpotje had gesopt. In mijn verfdoos restte maar één bruikbaar penseel. Van de andere stonden de haren te krom of waren te hard geworden om er het precizie schilderwerk mee te doen. Nadat ik Bartje zijn gele en groene verf ook had omgetoverd tot donkere herfstkleuren was ik klaar en kon mijn leger drogen.

Toen bleek dat mijn hoop soldaten met de voeten aan elkaar moesten geplakt worden zodat ze veranderd werden in een kleurrijke pannen-onderlegger, was ik eerst ontgoocheld. Ik had wellicht verwacht dat madam Keuppens geweldadiger geïnspireed was. Want zo kende ik haar toch wanneer ze me met haar houten regel telkens op de vingers tikte. Nadien pas toen de onderlegger ingepakt werd in een doorschijnend papiertje dat met blauw krullenlint dichtgeknoopt werd, wist ik zeker dat onze pa opgetogen zou zijn met zijn vaderdagcadeau.

Op het bijpassend briefje zou nu wellicht staan. “Voor de allerliefste papa van de wereld, Love you to the moon and back”, maar ik was toen al blij dat ik foutloos “Voor vaderdag, van je zoon Jan” kon schrijven.

Vandaag had ik zo graag voor onze pa een fles champgne gekocht. Voor zijn vaderkesdag.  Hij had dan wellicht gezegd: “Een pintje had al goed genoeg geweest. Je moest er “ommes” allemaal niet zoveel eieren onder gelegd hebben.” Maar dat gaat niet meer. De tijd heeft ons ingehaald.

“Voor vaderdag van je zoon Jan” of  “Love you to the moon and back”. Kies maar, waar je ook bent… daar ergens.