Dunne democratie.

 

Democratische bewindvoering en al wat het belichaamt is onbeschaafd en lawaaierig geworden. Grove boertigheid en achterbakse sluwheid lijkt het te winnen van geciviliseerd fatsoen. Dat is het al een tijdje zo en het zal niet snel veranderen. Door het internet kunnen gededemocratiseerde opvattingen vrij en vrank gespuid worden. Op twitter en facebook mag al lang vuil getoeterd worden. Charlie waakt wel over toon, taal en inhoud. Alles moet kunnen ter wille van de heilige “freedom of speech”. Om er de zijnen mee te winnen of om er tweedracht mee te zaaien.

Een gevaarlijk randfenomeen is dat alle toetredingsbarrières om publiek en met open vizier deel te nemen aan een maatschappelijk debat weggevallen zijn. Hierdoor kunnen gepolariseerde opinies weelderig kiemen in allerlei besloten reflectiekamers. Om ze straffer te maken, met sterkere wortels.

In duistere darkrooms wordt elk vermogen om kritisch mening te vormen gefnuikt. Zodat er alleen associaties en standpunten overblijven van diegenen met wie men het eens is. Of waardoor men overdonderd wordt. Met sloganeske en ingekookte maatschappijvisies.  

De gepassioneerde pleitbezorgers, van datgene waar ze voor staan, dulden geen tegenspraak of tegenstanders. Links niet van rechts, de rechtsen niet van linksen. Voorlopig zitten al die opinies nog wel verstrengeld in een politiek bestel waar al die ideologische geschillen uitdrukking vinden in strijdende internetpolemieken, in plaats van in stenen en kogels, maar hoe lang nog? Ik word er ongemakkelijk van.

De grote zwijgende middenmassa maakt zich wellicht ook zorgen maar roert zich niet. Terwijl net zij met de luisdste stem zouden kunnen spreken. Om te roepen dat het genoeg is.  Om ook te toeteren dat we die politiek van het zoeken naar schuldenbokken en die maatschappij waar tegenstanders beschimpt worden en aanhangers gepaaid, meer dan beu zijn. 

Roep het maar mee als je het eens bent. Je mag er mij de schuld van geven!

Tijdstanden van 50

 

Ik staar wat doelloos voor me uit. Ik lig op mijn rug in een stil huis. Nu ik het grootste gedeelte van de dag mezelf als gezelschap heb, heb ik tijd om te mijmeren. Terug en vooruit.

Binnen acht dagen word ik vijftig. Een mijlpaal zeggen ze. Ik zit er niet echt mee. Ik geloof niet dat het me iets doet. Wellicht omdat ik gewoonweg veel te lui ben om ouder te worden. Ik voel het niet, die hogere nummertjes want ik ben geen label. Of symbool van een soort wiskunde die ik niet begrijp. Sommige zaken kan je nu eenmaal niet optellen denk ik. Jaren zeker niet. Want sommige stonden bol terwijl andere er als een platte vijg uitzagen alsof er niets in gebeurd was.

Arroganter en groffer ben ik wel geworden door de tijdstanden, peins ik. Want ik betrap me er tegenwoordig op soms, antwoorden te verzinnen op vragen die niet gesteld zijn. Om straf te zijn of om indruk te maken. Op anderen. Op diegenen die er nog niet over nagedacht hebben. En dan waan ik me filosoof die het tot literatuurlijsten gaat schoppen. Misplaatste, overschatte ijdelheid is me niet vreemd.

Met ouder worden krijg je ervaring zo zegt men. Ervaring als top of summum. Leuke en waardevolle belevenissen verzameld op een berg mislukkingen. Maar wat ben ik ermee zo hoog te raken als ik de weg naar het dal er door niet meer zie? 

Schrijver noemen ze me nu. Dat etiket werd op mijn revers gespeten. Daarvoor moest ik vijftig worden. Om woorden en zinnen te schijten, als afgedragen lompen van gerafelde of verbleekte gedachten. Want alles werd toch al eens gezegd en geschreven. Al ben ik zeker dat ik het niet ben. Schrijver of auteur. Ik geloof dat ik met vijftig te worden, gewoon veel te veel denk en nog meer in mezelf praat. En wel zo luid en zo gemeend, overtuigend dat ik die zelfspraak geloof. En ik ze in leugenachtige beschouwingen gewoon maar opschrijf. Met een riek in een messinc, zodat er een pisbloem op kan groeien. Of zo?  Ik ben eigenlijk gewoon maar een eigentijdse troubadoer die met zijn gespin een wilde slag slaagt naar gedachten en emoties, in de hoop er af en toe een te raken.

Het blijkt mijn geluk en mijn lang leven te worden. Die uitgesponnen pennentrekken.  Al zijn het ook maar korte momenten die vervliegen vanaf het ogenblik dat ze in een zinnig opstel op papier raken. Als roddels van een nieuw soort waarheid die nooit geverifieerd werden. Omdat ze te luid geroepen werd. Door mezelf.

Je ziet het. Vijftig. Ik zit er niet mee. Al beken ik wel dat ik het erg genoeg vind dat ik vandaag al negenenveertig ben. Oud he?

Rode wijn met goudvissen.

 

De radio staat aan. Ik hoor flarden van gesprekken ergens op de achtergrond. Een vrouwenstem die ik zeker zou herkennen, mocht ik me er op concentreren, is aan het woord. Ze heeft het over eenvoud. Ik neem er geen kennis van. Geen enkel idee waar het gesprek precies over gaat.  Ik luister niet. De radio fungeert als decor. Een beetje zoals vergeeld behangpapier aan een muur van een oud huis dat zorgt voor een zachte akoestiek zodat storende geluiden of zwijgzame stiltes niet overheersen of terugbotsen. Ik zou scherp tegen mezelf willen uithalen of mezelf toe fluisteren dat stilte de slaap is die wijsheid voedt maar ik zwijg stil. Misschien is dat wel verstandiger of wijzer. Het lukt amper.

Ik hoor vaak van mensen: “Jij lijkt altijd zo rustig en kalm, stoïcijns bijna”.  Ze moesten eens weten. Ik heb het bijna nooit stil. Hier boven is het meestal niet kalm.  Vandaag ook niet. Mocht men nu kunnen binnen kijken, er zou te zien zijn dat ik in die ogenschijnlijke zwijgzaamheid redevoeringen geef aan mezelf.  En aan toehoorders van mijn illusies die er gulzig kritiek op geven. Of ben ik het zelf? Gedachten worden gewend en gekeerd tot ze droog gedraaid zijn en niet meer bruikbaar zijn om er nog een punt mee te maken. Ze leiden nergens naar toe.

Het gaat niet altijd goed. Of hoe ik zou willen dat het gaat. Het valt me vandaag heel erg op bij mezelf. Ik ben pas geopereerd aan mijn knie en ik lig hier een beetje hulpeloos en verveeld te staren naar het plafond. Hoewel ik mijn rustige “zelfmomentje” probeer te koesteren bereik ik precies het tegenovergestelde.  In een hels tempo worden films afgespeeld met onrealistische en achterhaalde scenario’s. Over vroeger, toen ik hier ook zo lag. In etterzielen met een kapotte knie en een schouder in puin. Hoe harder ik die beelden probeer te verdringen des te sneller ze binnen vallen. Ze plegen een hold-up op mijn gevoel en mijn humeur. Ze stellen me op de proef.

Ik giet drie kwart van een fles rode wijn door de gootsteen. Ze stond me flirterig aan te gapen en te verleiden. Van gisteren al, met goudvissen die op  bezoek zijn als stille getuige. Ze zwemmen triomfantelijk rond in hun viskom. Ze zien er opeens content uit!

De eendenfluisteraar.

 

Doorgaans doe ik hard mijn best om het niet te doen. Luidop denken en in mezelf praten. Gelukkig doe ik het enkel als ik alleen ben. Wanneer ik autorijd of in bad zit. Maar het vaakst betrap ik mezelf daarop wanneer ik alleen aan de waterkant zit. Alsof ik tegen eenden spreek en hen befluister. Zoals honden- of paardenfluisteraars dat doen. De waarheid is nochtans dat ik eerder mezelf probeer te bezweren. Het geeft me een rustig en gerust gevoel want op die manier raken mijn rondbotsende gedachten geordend en mijn chaos gerangschikt. De warboel wordt dan helemaal opnieuw ontrafeld tot nieuw spingaren. 

Als ik ermee betrapt word, kan men mij van geestelijk “niet helemaal in orde” verdenken. Maar dat geeft niet. Niemand heeft daar last van en ik word er beter van. Ik zal er niet mee stoppen want kleine verlangens ontzeg je jezelf toch niet? 

Ik deed het wel, ooit. Toen ik van dat kleine verlangen een grote slaaf geworden was. Een soort lijfeigene van de alles ontziende roes die met de strategie van de verschroeide aarde elk pad in as legde.

Vijf jaar geleden kocht ik mezelf vrij. En dat lijkt alsof het gisteren was en dat op zich is al even akelig als spectaculair.  Onze pa kon dat schoon zeggen:

“Op ne schonen dag, als ge lang genoeg leeft en uw toekomst stilletjes verleden tijd wordt. Dan draait ge u om en kijkt ge terug op uw eigen jonkheid en op uw stommiteiten maar ook op die zakes die ge goed gedaan hebt. Waar ge fier moogt op zijn”. 

De tijd vliegt. Zeker als je hem bewuster doorleeft. Vijf jaar. Het lijkt zo ver en tegelijk zo schrikbarend dichtbij. 

“Chapeau!”: hoor ik dan wel eens. “Dat je dat kan. “En nooit zo eens eentje? “Dat kleine verlangen hoef je jezelf toch niet te ontzeggen?” hoor ik hen denken. “Dat moet toch kunnen. Zo eentje?” Het is vast goed bedoeld en ik neem het niemand kwalijk. Maar eerlijk, ik heb het nooit gekund. Ik heb dat voornemen nooit kunnen waarmaken. Eentje was niet aan mij besteed. Voor één glas maakte ik mijn lippen niet nat. Om dan te stoppen met goesting? Ben je niet goed? Ik hoef mezelf wat dat betreft niet voor te liegen. Ik kan mijn eigen daarover niets meer opdisselen. Nooit was het me gelukt, het bij dat ene glas te houden. Waarom zou ik het nu dan nu opeens wel kunnen? Omdat ik al vijf jaar stopseldroog sta? 

Ik sta er nog steeds maar even ver van af als vijf jaar geleden. Ik ben nog steeds maar één armlengte verwijderd van het glas en de toog die me zo lang in hun donkere kerker gekentend hielden. Dus vergeef het me als ik niet in ga op die vriendelijke uitnodiging om mee te doen. Het zou mijn ondergang betekenen.

Misschien is zelfkennis wel de grootste kennis die je kan verwerven. Wat die zou me behoeden voor ijdelheid en beuzelaarij, al zou het ook perfect mijn laatste illusie kunnen zijn. 

Ik zeg of schrijf dit niet allemaal op om me er fier mee op de borst te kloppen en er hovaardig mee neer te kijken op de zuiplappen die met ware doodsverachting nog rustig verder blijven doen. Omdat ze niet kunnen stoppen. Of nog niet, omdat de peer nog niet rijp genoeg is om van de boom te vallen.

Het is niet omdat ik altijd wat anders drink, dat ik het recht heb om anderen hun pintjes  en wijntjes te ontzeggen. Zeker niet van die drinkers die er wel op een verantwoorde manier mee kunnen omgaan. Mijn waardeoordelen laat ik wat dat betreft best achterwege want het leidt me maar af van mijn eigen soberheid.

En als ik het daar dan overdenk zeg ik tegen een voorbij drijvende mannetjeseend: “Ik zal maar stilletjes verder blijven doen zeker want een betere keuze is er niet.” De woerd kwaakt en ik ben niet zeker of hij wel luisterde want voorbijdrijvende eenden horen nooit. Die zijn ook met andere zakes bezig.

Kwallen, zweetkaas en zeemeerminnen.

 

Het zilte nat spat onstuimig rond. Achter ons verandert de kleur van het water in appelblauw zeeazuur. Door het bruisende kielzog van ons bootje en door de luchtbellen die er van de buitenboordmotor doorheen gedraaid worden. De hemel is staalblauw en er is geen wolkplukje te bespeuren. Hier en daar laat een meeuw van zich horen, al blijken die redelijk zuinig te zijn met hun gekrijs. 

Onze vissersschuit is kleurrijk versierd met verticale strepen. Gele, rode, groene en blauwe gekleurde meten, een beetje zoals gondels op de grachten in Venetië.

De wind blaast ons bootje langzaam naar een rotsachtig eilandje. Niet groter dan een boerenzakdoek. “Blue Lagoon” staat op het kaartje dat we van de zeekapitein mee hadden gekregen. Want zo zag de verweerde kapitein Haddock er uit, die ons het sloepje verhuurd had. Alsof de wind en de zon diepe rimpels geploegd hadden in zijn getaande gelaat.

2 knopen snel deinen we de baai in. Luxejachten omringen ons. Het ene al wat chiquer en trendier dan het andere. Bovendeks, op het grote witte jacht met vier verdiepingen zit vast rijk volk want ze worden er bediend door statige mannen in witte pakken. Er wordt kreeft geserveerd en hier en daar knalt een kurk. 

De jachten vullen de baai met luidruchtig gejengel en gejoel. Engelsen schat ik, of Hollanders dat zou ook nog kunnen. Die twee naties worden nu eenmaal altijd een beetje lawaaieriger eens ze hun heimat achter zich gelaten hebben en er wat alkohol op vergoten wordt. Hun koloniaal verleden zal daar mogelijks de hand in hebben. Wie zal het zeggen? We zitten per slot van rekening in Malta, de handelspoort naar Afrika en Azie. Ze spelen eigenlijk een halve thuismatch, onze kolonisten van Catan.

Op een iets kleiner schip liggen dames drukdoend te keuvelen. Ze zijn neergevleid op het voorsteven. Op wit, duur strandlinnen.  De marineblauwe of hagelwitte lapjes textiel waarmee ze hun intieme plekjes verbergen zijn soms wat nipt en benepen. Overdaad kruipt nu eenmaal altijd naar de vervelendste plekjes. Waar het niet gewenst is. Ook bij duurdere dames.

Bruin gebrand mansvolk tracht met halsbrekende duiken de vrouwen te imponeren. Of is het met de gouden kettingen die rond hun halzen bengelen. Dat kan ook. Ik ben niet helemaal zeker of het hen aan het lukken is. Dat imponeren. Want de dames hebben ogenschijnlijk geen aandacht voor de paringsdans van de bronstige macho’s. Mogelijks zouden de deernes ook wel voor hen bezweken zijn zonder die halsbrekende toeren. Omdat ze nu eenmaal uit “een iets durdere pantalon” geschud werden. Want een werkmansbroek zal het niet geweest zijn. Al werd deze stelling is niet met feiten onderbouwd.

Het aanzicht is mooi en de baai fabelachtig. Maar de zee wordt niet blauwer vanop een dure cruiseboot. Vanop onze kleurrijke, lekke visserssloep. Met een paar flesjes halfwarm mineraalwater en een wakke pistolet met zweetkaas, ziet ze er net eender uit. En mijn twee meerminnen mogen er ook zijn, al zouden ze beter wat minder schrikkentist  zijn. Want de kwallen zitten immers echt wel allemaal op die grote boten!

Over tuinbonen en borstvergrotingen

 

Het is verwarrend. Waarschijnlijk ben ik wat trager. Misschien zijn vrouwen en tattoo’s echt “wel” een goede combinatie. Misschien moet ik dringend mee met de tijd zodat ik ook het mooie van lichaamskunst op een vrouwenlijf kan leren appreciëren. Maar dan heb ik het zeker niet over smakeloze reetgeweien, opzichtige indianentribes of in het oog springende borstenpoëzie.  Eerder over subtiel geplaatste lichaamsfresco’s. Fijnzinnige zinnebeeldjes met betekenis. Die doen afleiden van de essentie of die vrouwen er wulpser of harstochtelijker en uitdagender doen uitzien. Zulke lichaamsschilderingen kan ik nog wel pruimen. Al hoeft dat deeltje vrouwenlijf, of de dichte omgeving ervan, nu ook weer niet noodzakelijk permanent bedrukt. Laat dat maar zo. Dat stukje vrouw spreekt meestal wel genoeg vanzelf tot de verbeelding. Dat hoeft niet in de verf. Less is more!

Van al wat neigt naar altijddurende lichaamsversiering heb ik doorgaans een lichte tot sterke, natuurlijke afkeur. Waarschijnlijk omdat de oren van die fout geplaatse Mickey Mouse, er na verloop van tijd, helemaal anders zullen uitzien dan het figuurtje dat Walt Disney er ooit mee in gedachten had. Mogelijks ook omdat een konijntje met een strik ter hoogte van die linker eierstok niet langer bij je past nu je zelf, je dochter probeert te overtuigen dat een tattoos echt wel voor altijd zijn.

Of gewoon maar omdat oorlellen met uitgerokken, grote gaten er ronduit afzichtelijk uitzien. En dan heb ik het nog niet eens over tepelspijkers, vulvaringen of andere extreme lichaamsmodificaties. 

Dus dames kleur jullie vooral vol maar laat de dingen die voor zich spreken onbeschreven. Zo blijven ze ook onbesproken. 

Wie schrijft die blijft. Dat staat als een paal maar dat opstel op de tieten of die proza op jullie dij. Dat hoeft niet hoor. Al wil ik jullie met plezier allemaal, helemaal komen vol schrijven. Pagina’s vol. In henna. Dan kan ik er volgende week iets anders op verzinnen.

Over tuinbonen of zo of over borstvergrotingen.

Overbodige informatie in een spannende BH.

Geen minuut duurt het of ik ben aan de praat. Is het zenuwachtigheid die me loslippiger maakt? Is het die veel te smalle zetel waar ik in opgespannen zit zoals een clown in een springdoos? Of is het omdat  mijn vrouw en dochter drie rijen achter mij zitten en ik hen niet kan lastigvallen met mijn vliegfobie? Ik weet het niet. In elk geval, ik kom er na tien minuten achter dat de man naast mij dit tripje een aantal keer per maand doet. Voor zaken. Hij vertrouwt me toe dat het vliegpersoneel op deze vlucht, je geen twee minuten met rust laat. Hij kan het weten. Luttele tellen later krijgt hij gelijk want net dan wordt nuttige en overbodige informatie  in een hels tempo, in onverstaanbaar Engels door de intercom gebrabbeld. Zo snel, zonder articulatie of intonatie dat onmogelijk te achterhalen valt welke informatie nuttig is of welke overbodig. Ik besluit dat het allemaal even overbodig is. De lichtgele reddingsvest en het potsierlijk toneeltje dat erbij hoort gaan zoals bij elke vlucht aan mij voorbij. Evenals het okergele bekertje dat uit het plafond valt wanneer we voor welke reden dan ook zonder zuurstof zouden raken. De doorkijkbloes van de vliegactrice maakt het schouwspel op een vreemde manier helemaal gênant. Vooral voor haar dan, wel te verstaan.. Mijn aandacht verslapt  want als deze kist neerstuikt zitten we toch met zijn allen in een wip bij magere hein. Daar zullen die gele ondingen niet veel aan kunnen verhelpen. Wat me wel opviel was dat de bh van de stewardess van dienst zo krap zat dat het leek alsof ze precies wel wat  zuurstof zou kunnen bezigen. 

De wat zwaardere zakenman had een punt. De vliegcrew heeft blijkbaar opdracht gekregen om ons constant lastig te vallen. Met wakke sponsbroodjes, belegen met plastiek cheddar.  Met Heineken in blikjes, met hete slappe koffie of met lotjes van de loterij voor een of ander goed doel. “Misschien zou de vliegtiran van Rayanair zijn personeel een beetje menswaardiger behandelen zodat ze niet met lotjes hoeven, lopen te leuren”, bedenk ik licht geïrriteerd. Mocht dit een liefdadigheidsproject zijn, ik kocht tien lotjes of 20. Zeker weten. Van die hostess met het te spannend ondergoed wel te verstaan.

De man naast mij die een klein beetje met zijn Bmi worstelt, is aangenaam gezelschap. Al had ik liever gehad dat hij, toen we nog op de grond stonden, voor een broodje kaas had gekozen in plaats van voor een pitta met looksaus. En die pepermuntjes die hij opknabbelt, zijn het alleen maar erger aan het maken.

 “Als België wereldwijd vermaard is voor frieten, bier en chocolade is Malta het land bij uitstek voor games en spelletjes”, gaat hij verder, terwijl hij de gamingbrowser van zijn macbook opzij schuift. 

De bezienswaardigheden van Malta zijn me na een half uur bekend. The Blue Lagoon zijn te mijden, Gozo is een must do een Valetta aan aanrader. Op dat zakdoekeiland is buiten lekker eten en mooi weer niet veel meer te beleven. 

“Net genoeg voor mij”, schat ik.

Vliegen. Om de een of andere reden heb ik er een bloedhekel aan al heeft de vriendelijke, wat zwaardere pittaman de vlucht zeker aangenamer gemaakt. Alleszins onderhoudender dan de loterijmadam met de te spannende soutien want het was niet door haar dat ik weer weet hoe een kebab met look smaakt en dat Maltezers diep gelovig zijn. Al zou je dat aan die spannende, niets aan de verbeelding overlatend corset van die vlieg-escorte niet onmiddellijk verwachten.

Omgeploegd gelaat

 

Soms daagt het leven me uit. Het provoceert me om te zien hoe ver het met mij kan gaan. Het tast dan af waar mijn grenzen liggen en of ik er onder plooi of breek. Bijwijlen lijkt het wel een droom. Een soort terugkerende nachtmerrie waarin ik jong, fris en viriel in slaap val en telkens ik ontwaak me plots veel ouder waan dan ik me voel. Naar mate de droom zich sneller herneemt, ben ik meer en meer beschadigd. Alsof die hersenschim van mijn leven me sneller en sneller aan gruizelen sloopt. Fysiek, mentaal en emotioneel word ik er langzaamaan door verguisd. Tijd lijkt wel meer snelheid te maken naar mate ik ouder word. Misschien is het omdat synapsen in ons zenuwstelsel zich niet meer hernieuwen en vrede hebben genomen met hoe het is en het daarom vanaf daar alleen maar bergafwaarts lijkt te gaan. Het zal wel.

Gelukkig zijn die nachtwandelingen maar utopische zinsbegoochelingen. Als ik ‘s morgens mijn zelfbeeld aan de dagelijkse inspectie onderwerp is averij nauwelijks merkbaar. De rimpels die mijn gelaat doorploegen verraden dan wel dat mijn lijf wat ouder wordt maar dat mijn hartstocht, mijn levenslust en geest jong blijven.  Alsof ik er nauwelijks onder geleden heb. Onder het leven. Of maak ik het me wijs.

Want ik lig opnieuw op mijn ziekenbrits. Net zoals 5 jaar geleden. Zelfde gewricht, ander been. En ook dat lijkt wel een nare droom die zich telkens herneemt. Die synapsen lijken me ook daar niet voor te kunnen behoeden. Voor eerder gemaakte blunders. Je zou verwachten dat ik het ondertussen wel onder de knie zou hebben. Maar neen. Ik heb ze verdraaid, die knie. Vorige week op de trap en nu is mijn meniscus kaduuk. Mijn snijdokter zal het wel weer fiksen dat heeft hij toch altijd al gedaan.

Morgen vertrek ik eerst nog op reis naar Malta en ik neem mee… krukken, een brace, pijnstillers, spuitjes tegen flebitis en mijn goed humeur. Dat mag ik niet vergeten zodat ik daar niet opnieuw herval in verkwistende waanzin die zijn oorsprong vindt in allesomvattend zelfbeklag en verveling. Zoals nu. Daar is Malta te mooi voor heb ik me laten wijsmaken.

Hopelijk houdt die rotknie het nog 14 dagen uit.

Flessentrekkerij.

Op 14 oktober ben ik geen kandidaat voor de gemeenteraadsverkiezingen in Bornem. Niet voor CD&V of sp.a. Niet voor N-VA of Beter Bornem en al zeker niet voor Vlaams Belang.

Hoewel mijn standpnten edelmoedig en vreedzaam zijn, trek of duw ik niets. Ik sta ook nergens tussenin of ergens in het midden. Als ervaringsdeskundige van onzin, overdrijvingen en superlatieven zou ik er nochtans niet op misstaan. Op één van die lijsten. Maar politiek is als café houden. Zoals de waard is zo vertrouwt hij zijn gasten. En ik ben al een tijdje geen caféspecialist meer.

Ik ga gewoon geamuseerd toekijken. Naar het beloftenopbod van partijprotagonisten. Naar de kopmannen die, ons -kiesvee- , de volgende 2 maanden, zullen proberen doen geloven dat, eens zij de sjerp dragen, Bornem zullen transformeren in een soort sociaal-groen, leef- woon- verkeers- en werkwalhala. Ik kijk echt uit naar het kemphanengevecht. Ik ben helemaal klaar voor de lege beloftentrommel.

Het is nochtans redelijk stil rond de kiezing. Het is precies een beetje afwachten. Zoals op een eerste demarrage in de sprint. Wie zit wie in het wiel? Waarschijnlijk is iedereen nog druk bezig met het bedenken van de juiste leugen of het grootste luchtkasteel. Of hoe je flessentrekkerij het best geloofwaardig maakt. Of hoe ze snel kan doen vergeten worden, eens na 14 oktober.

In dit eerste berichtje over de verkiezingen, dus geen leugens of spectaculaire beloftes want ik ben geen kandidaat en ik dien geen heer. Al kan over het woord “niets” in paragraaf 2 wel gediscussieërd worden.

Neuspiercings en oestrogeen!

 

Soms doe ik maar wat. Dan vertrouw ik blind op mezelf en op mijn intuïtie en flik ik maar wat. Ongeacht wat anderen zeggen.  Als ze me vragen “zou je dat nu wel doen?” doe ik het zeker. Omdat ik nu beter aanvoel of iets ok is of niet. Ook wel omdat iets van binnen me influistert dat ik het best wel doe. Liefst vandaag nog want morgen zou het te laat kunnen zijn. Vraag me niet naar redenen. Vraag me niet waarom. Ik doe het gewoon. Niet om iets terug te krijgen of om op mooie blaadjes te komen maar gewoon omdat het juist zit. Zonder garanties te eisen of zekerheden te willen. Die krijg ik niet en verlang ze ook niet. Het meeste van de tijd kom ik niet bedrogen uit. Integendeel ik krijg zo veel terug. Dat krijg ik hier nooit uitgelegd.

Ik durf tegenwoordig meer op mijn zintuigen en mijn instinct te vertrouwen. Vroeger was dat lastiger. Toen mijn gedachten, emoties en gevoelens bezoedeld waren met gezelschap van vijfentwintig centiliter of drieëndertig. 

Zonder dat ik het in de mot had werd ik onzeker en kwam ik nooit tot actie. Ik zocht steeds naar excuses en uitvluchten om iets niet te doen. Uit gemakzucht of omdat ik niet zeker wist dat ik of mijn gevoel wel te vertrouwen was. Of uit angst wat “de anderen” er van zouden vinden. Of gewoon uit luiheid. Dat zal het wel meestal geweest zijn.

Perceptie van mensen kan je niet veranderen, anders is het geen perceptie maar een feit. Waarom zou ik daar wakker van liggen of me er door laten tegenhouden? 

Sinds ik het zo aanpak, kom ik op vele plaatsen. Op plekjes waar ik vroeger nooit zou zijn gekomen. Ik ontmoette al zoveel interessante mensen die anders nooit op mijn pad zouden zijn verschenen. Ik mocht al zo dikwijls naar leuke, spannende of ongeloofelijke verhalen luisteren. Naar grappige praatjes, stories of levensverhalen die ik anders nooit zou horen. 

Gisteren nog mocht ik helemaal onverwacht te gast zijn op een verjaardagsfeestje. Van een oude bekende. Een geest uit het verleden met een persoonlijk verhaal. Ik maakte met veel plezier tijd en had er nog veel langer willen blijven maar er stonden alweer anderen te wachten. Met hun wekelijks verhaal. Die mocht ik ook niet missen.

Door gedreven dingen te doen die ik graag doe, val ik op. Ik spring er ongevraagd of ongewild mee in de kijker. Ik voel me er goed door en door mezelf goed voelen, zijn anderen voor hetzelfde geld ook op hun gemak. Win win!

Als ik mezelf niet had veranderd. Als ik niet voor mezelf had gekozen zou ik nooit ondekt hebben dat spoken uit het verleden soms 3 prachtige dochters uit hun werkmansbroek kunnen schudden. Dat levenswandels soms zo gelijkaardig verlopen. Of dat een vrouw van 53 er soms net zo oud kan uitzien als de drie dochters die ze gebaard heeft. Al zal dat zeker aan die neuspiercings gelegen hebben of aan al die oestrgeengiechels die onophoudelijk door de huiskamer galmden.

Dat het goed was. Het mag gezegd en geschreven worden.

Gelukkig is de strijk gedaan.

 

De zwoele zomeravond doet traag zijn intrede. Er deunt zachte muziek uit de box en eerste vleermuizen flirten door de donkere schemerzone. Ze zit vlak voor mij en kijkt me indringend aan maar alleen wanneer ze denkt dat ik het niet merk. Als afleidingsmanoeuvre blader ik achteloos door mijn smartphone maar mis geen enkele beweging in de achtergrond.

Als ze me stiekem gadeslaat, houdt ze het hoofd schuin en ondersteunt het met haar rechterhand. Met haar wijsvinger draait ze voorzichtige denkbeeldige krulletjes, net boven haar oor. Laconiek gooit ze haar lokken achteruit zodat haar hals ontbloot wordt. Ze denkt dat ik het niet merk of misschien zoekt ze op die manier wel aandacht waar ik strategisch probeer aan te weerstaan.

In de andere hand houdt ze sierlijk maar nonchalant een halfvol tulpglas vast. We lijken op hetzelfde tempo te drinken. Zij witte wijn ik water, met ijsblokjes. We nippen en ademen in hetzelfde ritme, alsof ze me imiteert. Haar lichtgrijze ogen zoeken vluchtig contact. De lichtgrijze kijkers lijken donkerder en blinken vochtiger alsof er pretlichtjes in fonkelen. Wanneer ze zich met haar indringende blik betrapt voelt, kijkt ze kort weg. Het lijkt alsof ze het laatste greintje spanning, met een diepe ademstoot uit haar lijf zucht. Na elk slokje wijn gaat ze verleidelijk met haar tong zacht over de lippen. Haar mond kleurt roder en voller. De blosjes op haar wangen lijken plotseling veel minder onschuldige gedachten te verraden. Ze is ver in gedachten verzonken en glimlacht. Ze bijt op haar lip. Haar denkwereld fluistert haar zachtjes toe. Ze luistert en kijkt op zo een manier dat ze elk woord en elk beeld lijkt op te nemen om het nooit meer te vergeten. De ondergaande zon stuurt nog een paar laatste stralen alvorens te verdwijnen achter een horizon die eveneens rustig afwacht.

Gelukkig is de was, de strijk en de afwas gedaan zodat ze daar nu niet kan door worden afgeleid.

Vlammend paard in een gouden wagen.

Ze is er al even mee bezig en de mensheid is er volledig afhankelijk van. Warmte en licht houden het bestaan aan de waggel. Al eeuwen lang.

Als ze er niet was geweest zou er geen leven zijn. Dan was het hier maar een dode koude boel. Leiding nemen van het zonnestelsel is niet vanzelfsprekend, toch verkrijgt ze vaak niet de eer die haar toekomt. Zeker al niet van diegenen die het hier voor het zeggen hebben. Met een beetje samenwerking zouden die haar energie veel beter kunnen besteden. Want schijnend op een juist paneel is ze tot veel in staat. Ze wordt er zelfs een beetje geïrriteerd door.

Haar zonnig karakter is ze er echter nooit door kwijtgespeeld al kreeg ze indertijd wel meer aanzien van Grieken of Oude Romeinen. Wanneer ze als kind van Zeus en Leto met een vlammend paard in een gouden wagen door de lucht mocht zoeven. Dan voelde ze zich helemaal in haar “element” en gewaardeerd omdat ze in die tijd wel behandeld werd als koningin. Haar ijdelheid werd dan helemaal gestreeld. Zeker toen ze haar met de hoogste status vereerde, door een dag van de week naar haar te noemen.

Vroeger was echt alles beter. Toen Azteken haar adoreerden en bewierookten en ze een exotische naam kreeg zoals Huitzilpchtli en oorlogen mocht uitvechten tegen Quetzalcoatl. Of toen Egyptenaren haar als Ra vereerden. Al was ze toen wel iets minder opgetogen omdat die haar als scarabee of mestkever de wereld in stuurden.

Vandaag echter schiet van dat oer-respect niet veel meer over. Tenzij van strandjeanetten en barbie-bimbo’s. Daar krijgt ze nog wel egards van. Wanneer die op een exotisch strand, onbeschermd aandacht opeisen omdat ze overtuigd zijn dat een gebrand kakbruin kleurtje goed voor hen is en menen dat ze er licht geroosterd aantrekkelijker uitzien.

Vervroegd pensioen of tijdskrediet zit er niet in en is voorlopig niet aan haar besteed dus blijft ze doorwerken tot ze helemaal is opgebrand. Ook al zou ze het door het broeikaseffect misschien beter een beetje rustiger aan beginnen doen. Het smelten van de ijskappen wijt ze niet aan zichzelf want ze doet gewoon maar wat ze altijd al heeft gedaan. Er zijn! In het centrum staan vindt ze leuk maar ze begint helemaal te stralen als ze ten volle beseft dat mensen volledig van haar afhankelijk zijn. Als ze dan al eens blaren veroorzaakt wijt ze dat aan domheid van mensen die te hard haar vriend willen zijn wanneer die naakt en onbeschermd te veel aandacht op willen eisen. Zelf zou ze het wel op prijs stellen wanneer ze bij temperaturen als deze gewoon zonder gezeur uitgezweet kon worden.

En als ze echt te heet wordt kan je altijd nog op haar zus springen. Die andere. Water geloof ik dat ze heet. Dan is die ook eens in haar “element”.

Kleuren van bloemen

 

De kinderen gaan binnenkort opnieuw naar school. Dan is de vakantie voorbij. De meesten onder ons gaan ook terug werken om er haastig te leven van de ene dag in de andere. De ene snel gevolgd door de andere. Het einde van de vakantie is dan het startschot om ons weer achter gesloten deuren en ramen op te sluiten, in onze dagelijkse sleur. Sommigen worden er zwaarmoedig van anderen lichten op en genieten van die geregelde drukte om weer indruk te kunnen maken of om levenswerken af te maken. Of er aan te beginnen.  Het maakt niet uit. Houd ervan, van het leven dat je leeft! En doe het met vuur en hartstocht.  De balans van het leven is zo subtiel omdat we leven op breedtegraden waar zelfbeschikking grotendeels bepaald wordt door onze omgeving en diegenen waarvoor we werken. In plaats van het heft zelf, in eigen handen te nemen. Begin er anders aan. Nu dan?

 

Hoewel ik van nature eerder pessimistisch ben, heb ik toch geleerd te leven met een relatief positieve geest. Met hoop en vertrouwen. Hoewel ik ook soms kan wegzinken in het duistere logboek van mijn leven. Om daar dan vast te stellen dat ik de cursus ervan slecht onthouden heb en gebuisd ben met onderscheiding! Stress en twijfel zijn docenten waar ik constant aan vraag hoe het verder moet. Hoe ik de dag, de week en de maand het beste indeel om er niet door opgeslokt te worden. Ze lijken wel eeuwige levenspartners in een moeilijke driehoeksverhouding. De relatie is ingewikkeld!
Hoewel ik beschik over een solide overlevings-gen en door wel wat dingen begeesterd raak pers ik mijn citroen soms ook wel veel te ver uit.  Tot er geen druppel meer in zit. Ik houd op zo veel manieren van mijn nieuwe leven, waar ik zelf architect van ben, dat ik het soms allemaal wil. Alles en ineens.  Als ik dan niet alert ben, wint de duivel op de ene schouder het van de engel op de andere. Op die momenten heb ik rust nodig zodat ik de duisternis van de herfst nog even kan uitstellen. Zodat de bloemen nog eventjes mooie kleuren sturen en ik de geur van mijn pad kan blijven volgen. Op de rechte weg. Met de juiste richting en dezelfde koers.  Met vaste tred zodat ik eindelijk die cursus vind en kan afmaken waar ik aan begonnen ben om er oude deuren te sluiten er er nieuwe te openen.

Op een dag is alles veranderd. Het is nooit te laat om te leren leven op de landweg van ons leven. Op die wegel die bezaaid is met wolfijzers en schietgeweren maar ook met kleuren van de bloemen!

Als je ze ziet staan, tenminste!

Proppen of vouwen?

 

Wezenloos staar ik voor me uit. Naar een witte muur in een veel te kleine kamertje. “Nooit zal ik nog naar de pijpen dansen van een vrouw”, lees ik in Dag Allemaal die hier al een paar weken rond slingert want de Rode Duivels moeten nog wereldkampioen worden.

Chris Van Tongelen was de pijpen of het pijpen (daarover is het artikel niet sluitend) van zijn ex-vrouw Brigitte blijkbaar grondig beu en is opnieuw op de markt.

Mooi! Denk ik en ik betrap me erop dat de ex-stiefvader van de Vlaamse Justin Bieber het bij mij aan respect aan het winnen is. Even verder in het “artikel” laat de Familieman er met zijn uitspraken, geen spaander van heel en verhakselt hij mijn prille waardering tot schriele houtkrullen.

“Een onenightstand moet wel kunnen”, staat er schaamteloos, al wil hij zich tegelijkertijd ook wel voor de volle 100% smijten in een nieuwe, romantische “coup de foudre”. Maar hij lijkt ook blij te worden van nieuwe vriendinnen waar hij af en toe eens mee kan gaan eten of een goed gesprek mee kan hebben. Ja ja… een goed gesprek? Dat zal wel.

“Van Tongelen, stielbederver! Je bent Romeo-onwaardig”, prevel ik tegen het boekje. “Wees eens een vent, word duidelijk en red de tijger! ”Wat wil je nu precies? Wil je de midlifecrisis van je gat vogelen? Ga je voor die fladderende buikvlinders die je weer naar pijpen zullen doen dansen of is het dat goede gesprek waar je cupidopijlen aan wil verschieten?

“Soms is het beter om je mond te houden en dom te lijken dan hem te openen en alle twijfels weg te nemen”, zeg ik tegen mijn witte muur. Hij antwoordt niet. “Zwijgen is instemmen”, prevel ik tegen het super de luxe toiletpapier, maar ook daar krijg ik geen gehoor.

De oudste Romeo moet het ontgelden. Opeens ziet hij er met zijn bloeddoorlopen oog uit alsof hij een dik pak slaag kreeg van Brigitte. Al was het maar omdat de mug die zich vannacht volzoog met mijn bloed nu op de voorpagina prijkt van s’ lands onbenulligste stukje roddelpers. Zo ongeveer ter hoogte van Van Tongelens’ rechter oog. Nu ziet de goedlachse Puttenaar er helemaal niet meer uit.  Hoe hij er nu uit ziet, zal hij met zekerheid niet aan die onenightstand raken en al zeker niet als hij zijn mond open doet.

Tegen zoveel vrolijkheid kan ik niet op en richt mijn blik opnieuw op die witte muur. Mijn 2 slapende billen halen me plots uit mijn ochtendlijke nonsens en brengen me abrupt weer tot de orde van de dag? Zal ik proppen of vouwen?

Des goûts et des couleurs

 

Mijn ballen staan zachtjes te rimpelen op het zachtste vuurtje. “Een uurtje sudderen op het kleinste bekken”, zo had Jeroen Meus het voorgedaan voor kokend Vlaanderen in zijn dagelijkse digitale kookboek kwartiertje van de boerinnenbond. Niet dat ik Meus nodig heb om balletjes te kneden, ze vorm te geven en ze in tomatensaus te zwieren. Helemaal niet maar toch wankelt het zelfvertrouwen van deze would-be-kok in kwestie, toch even nu ik ze dansend in mijn kookpot zie wiebelen. De stengels fijngehakte dragon en oregano kwamen niet voor in het recept. Daarom dat ik niet zeker ben of die twee aromaten wel een culinaire meerwaarde zullen bieden. Zelfs tegenover Jeroen Meus ben ik eigenwijs. De smaakpapillen van mijn proevers zullen straks wel beoordelen of deze keuze een geniale ingeving was dan wel een onvergeeflijke gastronomische blunder. Het kookluchtje waarmee de keuken zich vult, doet alvast het beste vermoeden. Af te wachten!

Koken op zich is rustgevend, tenminste als ik het alleen kan doen. Dan is het fijn tijdverdrijf. Toch maakt het op een vreemde manier die slapende macho weer in mij wakker. Eens is sta te roeren in een pot metamorfoseer ik een zichzelf veel te hoog inschattende, snobistisch koksidioot. Ik word dan een autistische maniak die tiert, vloekt in mezelf roep en me veracht omdat ik die beetgaar geachte mise-en -plats weer veel te plat gekookte. Of wanneer de, in mijn ogen verfijnde snijtechniek toch niet van dien aard blijkt te zijn om me uit te roepen tot sterren chef die ik in het bijzijn van machosoortgenoten soms pretendeer te zijn. Zeker niet wanneer ik stukken vinger mee verwerk in het snijwerk.

Buiten een keukenrobot, een snijplank, een scherp keukenmes en wat gamellen laat ik het liefst geen andere pottenkijkers toe. Toeschouwers zouden op die momenten alleen maar te beurt vallen aan mijn minachtende blik of aan de te pikante amuse-gueule van een halve zot die zich Gordon Ramsay waant.

Een gelijkaardig fenomeen doet zich voor wanneer mannen zich scharen rond een zomerse barbecue. Eens het vuur heet en grijs is, ontpopt het zwakke geslacht zich tot cuisson-specialist of gaartijd-fetisjist. Dit terwijl ze de overige 364 dagen de keuken mijden alsof ze er een prostaatonderzoek in moeten ondergaan. Het testosterongehalte rond de grill is vaak nog groter dan het hormonenvlees dat een kwartier later zwartgeblakerd wordt af geserveerd.

Koken, ondanks de persoonlijkheidsveranderingen die me ermee te beurt vallen doe ik het graag. Ik doe het zeker niet alle dagen maar ik doe het wel graag. Of ik het goed doe laat ik aan de smaak over van mijn lief, mijn huisgenoten en de occasionele gasten die ik straks weer zal willen imponeren met een rib-eye of een geroosterde sardine.

Maar ik kom er altijd mee weg want “des goûts et des couleurs on ne discute pas!”