Ik leef op hoop.

Wordt het niet tijd dat de oudere generatie tot besef komt dat de jongeren zich op economisch en op vlak van mentale gezondheid aan het opofferen zijn? Is het niet hoogtijd dat ouderen inzien dat zij en alleen zij, hoofdzakelijk verantwoordelijk zijn voor de economische last van deze coronacrisis en dat de jongeren in onze maatschappij het grootste slachtoffer dreigen te worden? Is het niet normaal dat de factuur van de crisis wordt doorgeschoven naar die generatie die er ‘verantwoordelijk’ voor is.  Deze uitspraken komen niet van mezelf maar van ene Jan-Emmanuel De Neve, een vreemde snuiter die door het leven stapt als gezondheid- en gelukseconoom, die lesgeeft aan de universiteit van Oxford en advies geeft aan de Britse regering. Ik prijs me gelukkig dat ik niet belast ben met een diploma gezondheid- en gelukseconomie en bijgevolg niet hoef na te denken over Coronacrisisfacturen en welke generatie de maatschappij daarin het meeste last bezorgt. Wie de baten verschaft of wie vanaf een bepaalde leeftijd economisch niet interessant genoeg meer is en rijp is om geliquideerd worden. Niet dat ik het niet eens ben met het vervuiler-betaalt-principe maar waar begint of waar eindigt de gedachte dat mensen vanaf een bepaalde leeftijd (en die van nature een groter gezondheidsrisico vormen dan de jonge generatie) de factuur gepresenteerd krijgen van deze crisis? Jan-Emmanuel De Neve dus, ik had er tot op vandaag nog niets over gehoord of en nog niets van gelezen maar ik kan niet anders dan te walgen van zijn van-de-pot-gerukte ideeën. Mocht zijn voorstel bij beleidsmensen niet op een koude steen vallen, staan we voor maatregelen die alles weg zullen hebben van een oneerlijke maatschappelijke afrekening. Als zijn maatschappijvisie in de praktijk gebracht wordt, zijn we maar een steenworp verwijderd van een beleid waar met roedenbundels en slogans van frustratie en wanhoop, generaties en groepen van mensen tegen elkaar zullen worden opgezet om te zoeken naar een ingebeelde gemeenschappelijke publieke vijand die moet opgeofferd worden.

Oorlog en crisis brengen het slechtste in de mens naar boven. Ik maak me daar al lang geen illusies meer over maar ik kan maar hopen dat de beste man zich vandaag diep schaamt over zijn ontspoorde gedachte en dat wij als samen en als samenleving (in de meest strikte zin van dat woord) een menselijker en meer solidair antwoord kunnen geven om het hoofd te bieden aan de gevolgen van deze wereldwijde pandemie.  Ik leef op hoop maar niet door uitspraken van een schertsfiguur als Jan-Emmanuel De Neve!

Patiënt 1!

In een of ander onbeduidend artikel, in een nog onbeduidendere gazet las ik dat het Coronavirus in de eerste fase van de besmetting de geur- en smaakzin aantast. Eveneens zou een van de primordiale symptomen extreme vermoeidheid zijn. Wetenschap drijft op voortschrijdend inzicht, en laat dat groeiend besef bij virologen, artsen of andere wetenschappers nu net datgene zijn waar ik mijn persoonlijk leven in deze onzekere tijden tracht op af te stemmen. Want als door de wetenschap vandaag over het Coronavirus iets met zekerheid verkondigd wordt, zal dat morgen of overmorgen toch niet tegengesproken worden? Toch! In onzekere tijden doet de mens dat niet!

Vermoeidheid, geur- en smaakzin dus. Van nature ben ik vrij snel moe. Indien mijn dokter zich louter en alleen op het symptoom vermoeidheid zou baseren om bij mij Covid19 vast te stellen, ik was al jarenlang patiënt 1 zonder ziektebeeld. Vermoeidheid is voor mij dus een hoogst onbetrouwbare parameter om een mogelijke besmetting mee te bevestigen of uit te sluiten.  Maar stel dat ik plots slecht zou beginnen ruiken of dat ik niet zou proeven wat ik achter mijn kiezen steek dan pas zouden al mijn Corona-alarmen tegelijk afgaan. Om mijn medemens veilig te stellen en om mezelf en mijn huisgenoten helemaal van ziek zijn uit te sluiten, at ik vandaag dus al een handvol blauwe bessen, een boterham met fondant chocolade, tweehonderd gram aardbeien, veertien blokjes jong-belegen Gouda met een snuifje selderijzout, een half pak ribbeltjes-chips van Lays met pickles-smaak, een droge worst en acht Jaffa-koekjes met sinaasappelsmaak, dronk ik acht koppen koffie, twee cola’s en één milkshake met vanille. Tot nader order had enkel het plakje fricandon bij de krieken een vreemd smaakje maar wellicht was dat het geval omdat ik me bij de bereiding ervan vergist had en vooraf-gekruid varkensgehakt gebruikt heb, in plaats van het gebruikelijke varkens- en rundsgehakt waar ik zelf wat peper en zout over strooi.

Vooralsnog, tot dusver en zonder voorafname aan de testen van morgen mag ik me voorlopig nog steeds Covid-vrij verklaren.

Haal eruit wat erin zit

Een monotone vrouwenstem zonder gezicht, ogenschijnlijk niet erg geïnteresseerd, vraagt of iedereen op de vergadering aanwezig is. Hoewel het technisch perfect mogelijk is om video te delen opteert zij ervoor om anoniem verstopt te blijven achter het zwarte Skypescherm. Misschien doet ze dat omdat ze zich niet helemaal bloot wil geven, omdat ze op dit uur nog in haar négligé zit of omdat ze vreest dat iedereen de grijze haren van haar uitgroeiend kapsel zal tellen. Mijn vermoeden van haar onverschilligheid of schroom is louter gebaseerd op de toon van haar stem. Vroeger in het pré-video-vergaderen had ik mijn hypothese kunnen af toetsen aan haar mimiek, aan haar lichaamshouding of aan andere kleine details die me haar gemoedstoestand zouden verraden. Nu hoor ik enkel haar zakelijke stem die niet bijster enthousiast klinkt. Op de vraag of iedereen aanwezig is komt uiteraard geen antwoord omdat diegenen die niet in deze sessie zijn ingelogd geen antwoord kunnen geven. Ik ga even uit beeld, rol uitgebreid met mijn ogen en erger me voor de eerste keer.

“Ik ben er”, kreunt een collega op de achtergrond waarop een resem andere collega’s, “ik ben er ook”, knorren. Omdat hij als laatste het woord had, verschijnt op mijn scherm een onscherp beeld van een mannelijk silhouet die met zijn rug naar het raam zit. De zonnestralen die over zijn schouder meekijken, schijnen recht in de camera van zijn laptop waardoor ik niet met zekerheid uitmaken wie het is. Ik twijfel even om mijn zonnebril op te zetten maar zie daar om voor de hand liggende redenen vanaf. Ik wil namelijk mijn collega’s niet opzadelen met het vermoeden dat ik door huiselijk geweld van mijn partner slachtoffer ben geworden van een blauw oog. Door de felle lichtinval op het scherm kan ik niet uitsluiten of het donkere silhouet praat, wakker is of gewoon een vroeg middagdutje doet. Enkel door de zware adem waarmee hij in mijn oren hijgt, krijg ik zekerheid dat hij nog ademt. Een laatkomer floept binnen en zegt “goedemorgen” waardoor iedereen in een kakafonie, elkaar voor de vijftiende keer met dezelfde “goedemorgen” begroet. Mijn tenen beginnen te krullen.

Collega x (haar naam doet er niet toe) neemt het woord. De vrouw in kwestie zit zo dicht aan het scherm gekluisterd dat ik oog in oog kom te staan met twee reusachtige neusgaten. De neusvleugels staan zo ver af van het neustussenschot waardoor haar neusgaten zo groot worden dat het lijkt alsof ik in een spelletje online minigolf beland ben.  Met open mond staar ik gebiologeerd naar de twee kraters die me aangapen waardoor ik me nauwelijks kan concentreren op de inhoud van haar betoog. In het linkse neusgat tel ik vier zwarte neusharen en in het rechtse zit nog een harde keutel die in de laatste niesbui niet is weg geproest. Een andere collega die haar beleefd maar veel te enthousiast onderbreekt, praat zoals we dat van haar gewend zijn, namelijk met heel het lichaam. Met veel te veel gebaren maar vooral met een veel te diepe verticale glimlach staat ze, gehuld in een topje dat geen ruimte voor verbeelding laat, zo hard te permitteren dat haar twee dikke vrienden scherm breed meedeinen op hetzelfde ritme van haar getetter.

Mijn mannelijke collega die haar heel even onderbrak, is overtuigd dat onverzorgd hetzelfde betekent als naturel en kan nu helemaal niet meer verbergen dat hij er met zijn zeemansstoppels en zijn just-out-of-bedlook nog onuitgeslapener bijloopt dan wanneer hij zich normaal op het werk in zijn babybillengezicht vertoont.  De vergadering kabbelt rustig verder.  In afwachting van skypegedragsregels heb ik wijselijk mijn camera afgezet en ben ik geswitched naar mute zodat ik zonder schroom en ongestoord verder aan mijn ballen kan krabben en in mijn neus kan koteren, zonder dat ik daar mijn lieftallige collega’s deelgenoot van hoef te maken. Online vergaderen, haal er uit wat erin zit!

Ideologisch misbaksel

“Laat het hoofddoel van een ideologische strijd nu niet zijn om ervoor te sterven. Soms is het gewoon veel handiger om een beetje geduld te hebben en te wachten tot je tegenstanders dat zelf doen.”

Stel dat ik vandaag en uitgerekend op1 mei afgunst, winstbejag, egoïsme, eigenbelang en een nog een paar andere adjectieven waar ik even niet opkom, uit de wereld zou kunnen verbannen, zou socialisme dan morgen niet even overbodig zijn als ikzelf?

En wordt een lacune van de ideologie van je tegenstander dan niet de enige reden van bestaan van diegene waar je zelf supporter van bent? Is het in die logica dan niet vanzelfsprekend dat we onze tegenstander dan precies helemaal voor onszelf willen omdat we anders onze eigen identiteit en rechtvaardiging dreigen kwijt te spelen? Vijandigheid en nijd uit eigenbelang!

Grootdenkers zijn het erover eens dat dat de ingebakken gemeenheid of zwakte van het kapitalisme eruit bestaat dat de aardse zegeningen oneerlijk verdeeld worden.  Kunnen we het in die logica dan ook eens worden dat minderheidsdenken in het belang van de zwaksten nog een beetje bestaansrecht mag claimen? Al is het maar om de tragiek en de rampspoed een beetje eerlijker over de planeet te verdelen.

Ik pleit zeker niet voor communisme want net als bij kapitalisme worden dan mensen op dezelfde manier uitgebuit door andere mensen, maar dan omgekeerd. De rijken worden niet rijker maar de armen, armer! Dus laat ons even geduld hebben tot die tegenstrijdige ideologieën elkaar hebben uitgeroeid zodat op de ruïne van die misbaksels iets nieuws kan ontstaan.  Misschien noemen we het dan wel solidariteit of socialisme!

Geen klein bier!

Als ik het over alcoholmisbruik heb, gebruik ik niet graag het woord alcoholist of alcoholieker. Dat klinkt zo abstract, zo veraf en zo veroordelend. Als het gaat over alcoholverslavingen heb ik het liever over mezelf. Dat is eerlijker en het klinkt niet zo bedreigend en het heeft geen onderhuids verwijtende toon naar andere mensen. Hoe lang ik precies een alcoholprobleem heb gehad weet ik niet exact. Ik heb de dronkenmansjaren namelijk nooit geteld zoals ik de jaren nu tel, nu ik niet meer drink. Wellicht lukt het me niet omdat er teveel verloren of verzopen jaren tussen zitten om de optelsom juist en volledig te kunnen maken.

Ik wist het niet, of ik wou het niet aan mezelf toegeven dat ik een drankprobleem had. Laat staan dat ik wou nadenken over hoe groot het probleem was mocht ik er een gehad hebben.  Nu, na bijna zeven jaar zonder spul, weet ik dat ik aan de top van mijn alcoholcarrière meer zat was dan nuchter. Gelijk hoe ik tel of hoe ik het bekijk. Als ik de uren van de dag tel was ik meer onder invloed dan nuchter, tel ik de dagen in de week was ik meer zat dan nuchter en tel ik de weken in de maand enzoverder enzoverder….  Ik had meestal geen kwalijke dronk maar ik beloog en bedroog iedereen en mezelf nog het meeste. Ik geloof niet dat ik mezelf nu ik nuchter ben, lang als zat gezelschap zou kunnen verdragen. Ik merk dat op wanneer ik nu zatte mensen tegen het lijf loop. Ik dronk quasi altijd en overal. Geen gelegenheid was te veel en als het feest uit was en als de deuren van de cafés zich sloten, gingen mijn flessen open.

Alcoholisme is een familieziekte, zo wordt dikwijls gezegd en ik denk dat dat helemaal waar is. Omdat op alcoholisme zulk een maatschappelijke taboe rust zal de slachtofferfamilie er alles aan doen om de problemen binnenskamers te houden. ‘Wat zullen de mensen anders niet zeggen.’

Nu de sociale controle op drinken helemaal is weggevallen en er achter de gevels van ogenschijnlijk voorbeeldige huishoudens geen sociale alcoholrem meer kan opgetrokken worden, maak ik me zorgen, omdat ik weet hoe het mezelf zou vergaan mocht ik nog aan de fles hangen. Ik ben oprecht bezorgd voor de gezapige dronkaard die geen kwalijke dronk heeft, maar ik ben benauwder voor de minder gezellige zatterik die nu zijn of haar gezin terroriseert nu er zoveel alcohol vergoten wordt en niemand toekijkt. Maar ik maak me ook zorgen over gezelligheidsdrinkers die vandaag met een shotjes-challenge of met hun dagelijks glas (te veel) de gewoonte kweken om straks een even doorwinterde alcoholist als ik te worden. En hopelijk krijg je dan geen al te kwalijke dronk!

Daarom, denk na over elk glas dat je drinkt en ruil het in voor iets anders of haal het desnoods niet in huis als je er niet kan aan weerstaan. Maak van alcohol geen gewoonte, alleen zo voorkom je dat je net als ik in een jarenlange geestelijke lockdown verzeild geraakt. Doe er mee wat je wil maar geloof me als ik je zeg, ‘alcoholverslaafd zijn dat is geen klein bier!’

Helemaal steriel.

Raak me aan. Raak me asjeblieft aan, doe het met je ogen en vertel me veilig over vroeger. Vertel me dingen van voor ik besefte dat alles anders zou worden.

Het liefst van al zou ik je kussen en je hartelijk begroeten maar ik ben bang dat ik mij of jou in die omhelzing zal dood-ademen.  Mijn hart wil open maar blijft noodgedwongen op slot of angstig op een kier omdat dezelfde sluipmoordenaar kan binnenglippen wanneer ik je erin laat. Ik zou je willen aanraken en je willen voelen en ik wil het jou laten voelen dat ik het meen. Ze zeggen dat vaak ‘jij bent een gevoelensmens’. Maar ik wil dat niet horen, niet nu.  Ik wil het ook niet in vijf gekrulde woorden zeggen of opschrijven ik wil het je verdomme laten voelen.

Zolang ik het me kan herinneren plakt de wereld al aan mijn lijf, eerst met modder en slijk van plassen waarin ik speelde dan met sappen van lijven die ik begeerde. Vandaag mag ik enkel kijken, vanop afstand met minstens anderhalve meter tussen wat ik wil en wat ik mag. En zo wordt het leven langzaamaan een fantoompijn van een tijdelijk geamputeerd leven dat vervlogen herinneringen toont die jeuken. Het volle leven van voelen en proeven bestaat niet meer tenzij in pixels en galerijen verzameld achter een scherm. Het voelt alsof mijn zintuigen opgesloten zitten achter plexiglas en me afschermen van de lijfelijkheid die ik al gans mijn leven even noodzakelijk acht als lucht die ik in- en uitadem. Nu was ik zelfs een toevallige aanraking af met een alles-dodende substantie uit een of ander flacon.

Wanneer mag het eindelijk terug, dat voelen vooraleer ik helemaal steriel geworden ben.

Onzichtbare belagers

De grijsgewassen korte broek en de grasgroene pull die ik in zeven haasten aangeschoten heb, vloeken zo hard met elkaar zoals alleen duivels uit de hel dat kunnen. ‘Precies een tang op een varken’, zou ons ma gezegd hebben, mocht ze nog geleefd hebben en onze pa zou daar dan aan toegevoegd hebben, ‘Die kleren? Daar wil ik nog niet in begraven worden’. Temeer omdat ik besloten had om onder mijn vestimentaire kakafonie ook nog eens Noorse sokken en bruine bergbottines te dragen.  Met de kladder wax die ik nonchalant door mijn warrige calotte gewreven had, waardoor ik nu tien centimeter groter lijk, gun ik mezelf zelfs nog de illusie er hipper uit te zien dan hoe ik het bedoeld had.  Althans dat maakte ik mezelf wijs al is de waarheid hoogstwaarschijnlijk dat ik gewoonweg potsierlijk voor de dag kom. Dat gaat zo in Coronatijden, dan gelden er andere schoonheidswetten. Het laat me koud. Niemand ziet me en niemand kijkt naar mij om dus wat kan het me schelen. En als ik dan al iemand tegenkom loopt die me toch klakkeloos, met de neus op de schoenen voorbij.  Er is haast geen levende ziel te bespeuren, laat staan dat die dan de moeite zou nemen om zich aan mijn clowneske outfit te storen. Zelfs die oude bes niet die net mijn pad kruiste ook al is het even waarschijnlijk dat ik haar net zo achteloos probeerde te omzeilen als zij mij. Zonder opkijken en zonder haar een blik te gunnen, vervolg ik doelloos en zonder vastberaden tred mijn weg, de ene stap na de andere. Even voel ik me als een gedetineerde die met zijn dagelijkse verplichte verluchting een uurtje frisse lucht mag snuiven om de geur van pis en kak van zijn cel uit zijn neus en uit zijn kleren te wassen.

De mensen die ik wat verderop in de Kasteeldreef op hun dagelijkse wandeling tegenkom, lijken me ietsje rustiger en ontspannen, mogelijks omdat de kans daar kleiner is om een potentiële vijand tegen het lijf te lopen.  Als we mekaar voorbijlopen in een tred die veel wegheeft van een soldatenpas, begluren we elkaar stiekem vanuit onze ooghoeken. Als onze blikken elkaar dan kruisen wenden we hem ook onmiddellijk weer even snel af alsof we betrapt zijn met een doodzonde en op het punt staan neergebliksemd te worden. Af en toe bemerk ik bij sommigen toch een vluchtige glimlach of een voorzichtige aanblik en dan beantwoord ik die blik of glimlach met dezelfde ontwapende grijns. Anderen knikken dan weer. Maar als ze dat doen is dat met een korte, haast onmerkbare knik vanachter hun mondmaskerbarricade. Ik knik dan beleefd terug alsof ik met die beweging een ingebeelde witte vlag hijs. Zelf snuif ik de lucht nog niet door een mondmasker omdat ik daar in mijn bovenkamer precies nog niet helemaal klaar voor ben. Als we dan, zij met een partizanenknevel voor de ademhalingsorganen en ik nog zonder, door het bos patrouilleren, zijn we op onze qui-vive voor die schalkse hinderlaag van onze gemeenschappelijke onzichtbare belager die het heel slecht met ons voorheeft. En dan heb ik nog niet eens boodschappen gedaan!

Gouddroom

Waarschijnlijk ben ik een man van vele stemmingen en bevliegingen. Mogelijks is dat de reden waarom ik zonder enige moeite onrealistische waanideeën of overmoedig romantische plannen in één nacht bij elkaar kan dromen. Soms wint de ene fantasie, dan weer de andere. Wat ik ’s nachts droom bepaalt dan hoe ik me overdag voel, of is het omgekeerd? Aangezien ik aan mezelf het antwoord op deze vraag schuldig moet blijven, kan ik vandaag mijn humeur, dat niet al te best is zomaar verdacht maken voor wat er zich vannacht in mijn dromerige zinsbegoocheling heeft afgespeeld, ook al kan ik me daar helemaal niets van herinneren. Handig, of is het toch net iets complexer en liggen er misschien andere dingen aan de basis van mijn waanideeën en bijgevolg aan mijn gemoedsgesteldheid overdag? Misschien ligt het pijnlijk gemis aan connectie met de juiste lui wel aan de oorzaak van de wildgroei van mijn spookgedachten.  Misschien ben ik na vijf weken isolement zo onthecht geraakt van mezelf en van de buitenwereld dat mijn hoofd ’s nachts één grote zoemende bijenkorf wordt waarin ik niet meer kan ontwarren welke gedachten waardevol zijn en welke helemaal overbodig of te belemmerend om er mijn dag mee door te komen.

Ik kan niet puren uit ervaring om uit te sluiten wat het niet is en ik weet te weinig om te achterhalen wat het wel is, maar dat verontrust me niet. Ik lig er niet verder wakker van omdat ik net voldoende jaarringen op mijn bast heb om te weten dat het geheugen van het hart, straks als deze nachtmerrie geluwd is, de ergste herinneringen zal elimineren en de goede als een ballon zal opblazen. Misschien slaag ik erin om met deze psychische kunstgreep te verdragen wat vandaag nog allemaal zal gebeuren en anders droom ik er vannacht maar een nieuwe overmoedig romantische gouddroom over.

Wat met de jijrbees?

Nu ik een zee van tijd heb en ik me er met onzichtbare kluisters aan vastgeketend heb, kan ik het me nog meer dan anders veroorloven hem helemaal te verschijten met gedram. Gelukkig! Zonder dat iemand er aanstoot kan aan nemen, mag ik mezelf in deze gedwongen retraite helemaal suf piekeren of ik van deze artificiële ballingschap straks beter dan wel slechter zal worden. Mocht je in hetzelfde vel zitten als ik, zou je ook zomaar kunnen beginnen nadenken over werk en weelde of over de relatie of het verband tussen armoede en rijkdom.  Je zou mogelijks tot de snelle conclusie komen dat deze twee begrippen ogenschijnlijk elkaars tegenpool zijn. Je zou misschien tot de slotsom komen dat in dit land de statistische kans op echte armoede relatief klein is. Immers, met een beetje goede wil en wanneer je hard genoeg je nikkel afdraait is er aan plastiek overvloed nooit gebrek.  In deze economische gereduceerde welvaartsstaat komt het gros van de bevolking dan ook ogenschijnlijk niets te kort. En voor rampspoed en ontij werd een sociaal vangnet opgezet dat moet behoeden tegen persoonlijke of collectieve tegenslagen. Zolang de grootste hoop van de kudde kan werken om te consumeren zal de Westerse kommer en kwel tot een minimum beperkt blijven. Zolang de economische wind uit de juiste richting blaast, zal goedkoop, zwaar of vuil zorgwerk uit het Oosten geïmporteerd worden en zal duur en belangrijk werk uitgevoerd worden naar het Westen.  In de luxe van dezelfde waanzin zullen we elk jaar in de veilingen van Limburg tonnen overschotoogsten fruit en groenten vernietigen, zullen we met melkplassen morsen en zal de landbouw Europese subsidies kunnen slurpen wanneer ze akkerlanden weer een seizoen braak laten liggen.  In dezelfde waanzin van de omgekeerde wereld zullen we in december gretig bonen kopen uit Kenia en Egypte en zullen we in februari smakeloze aardbijen uit Marokko of Spanje op ons bord willen. Met die intellectuele economische masturbatie en met de welvaartsmythe als Playboy-prent zullen we de illusie in stand houden dat we armoede de baas kunnen blijven en zullen we ervoor zorgen dat we wereldeconomisch een verschilmaker kunnen blijven.

Wanneer armoede dan ogenschijnlijk helemaal uit ons gezichtsveld verdwenen is en wanneer politici door wetenschappers op hun geflipte hoogmoed gewezen wordt als er een verloren pandemie binnen waait, blijkt pas echt hoe wankel, nietig, afhankelijk en straatarm we als samenleving geworden zijn. We krijgen zelfs vandaag, onze witte wereldtrots, de asperge niet meer zelf uit de grond gestekt. Gelukkig is het witloofseizoen voorbij maar wat straks met de jijrbees?

Lelijk ding!

Je kent ze wel de bullebakken. Iedereen heeft er minstens een in zijn nabije omgeving. Soms duikt hij (m/v) op als dwarse collega met een vuil blad, dan weer als zure buur met een grote smoel. Anders is het een verre, nukkige nonkel die op familiefeestjes met een vunzige, ongepaste vloek de vriendelijkere tantes het zwijgen oplegt. Ik ken maar weinig mensen die er van gespaard zijn gebleven en er geen last van hebben.  Ze (m/v) zijn zo vol van zichzelf dat ze zich minstens tien keer per dag moeten opblazen als een pad omdat ze anders ontploffen. Meestal kwaken ze dan hels lawaai omdat het hen aan de woorden ontbreekt die voor nuance kunnen zorgen. Sommigen wanen zich God de vader of zijn van mening dat zij het minstens even goed zullen doen als Jezus, Geest of opperwezen. Daarom gedragen ze zich in de meeste gevallen als expert van de zaak, eigenaar van de waarheid of erger, als extremistische fundamentalist van de tent.  Luisteren doen ze nooit of met een half oor. Of, omdat ze het echt niet kunnen of, omdat ze het verleerd zijn toen ze van hun eigen brutaal geblaf zelf potdoof werden. Maar geen nood!  Hoe groter het lawaai des te onschuldiger ze (mv/v) door de band genomen, zijn. Het overbluffende, luide getoeter waarmee ze de ether verstoren, staat meestal omgekeerd evenredig aan de vastberadenheid en de intelligentie waarmee ze het brullen. De waarheid is dat ze met getier hun persoonlijke onzekerheid en onwetendheid willen verdoezelen. Dat is hun enige drijfveer. Daarom, wees niet boos maar omarm deze eigenzinnige lastposten en koester hen als onaangepaste onruststokers. Het zijn maar angstige hazen zijn die wild in het rond springen omdat het gras te hard aan hun poten kietelt of omdat ze bang zijn van de wolf die hen zou kunnen oppeuzelen. Hoewel ze vaak het tegenovergestelde bereiken van hetgeen ze beogen hebben ze soms toch ongewild een positieve invloed wanneer ze door hun asociaal gedrag en geschreeuw de sociale harmonie en verouderde conventies verstoren. En dat is wel waardevol ook al hebben ze er een niet gewild aandeel in.

Als je je dus afvraagt hoe je straks een doorwinterde en luidruchtige roeptoeter of bullebak (m/v) wordt, hier zijn een paar tips:  

  • Maak je absoluut geen zorgen over je reputatie en focus vooral niet op het probleem maar wel op jezelf en het gelijk dat je meent te hebben. Dat is het enige wat je wil bekomen!
  • Doe het tegenovergestelde van wat je morele kompas je ingeeft. Vraag je absoluut niet af of datgene wat je zegt slim of het beste is want nadenken zal je blikveld verbreden. Dit wil je niet!
  • Gebruik nooit de zin: ‘ik weet het niet of ik heb geen idee, jij hebt altijd een idee’. Lieg en overdrijf zo hard je kan, maar doe het luid zo vermijd je kwetsbaarheid en ontloop je de illusie menselijk te zijn.
  • Gedraag je als een kind. Wees een losgeslagen projectiel of nukkige etter die door zijn constant gemekker het liefst achter het behang geplakt wordt. Hoe meer lawaai, hoe meer ergernis en chaos en dat is je ultieme doel!
  • Vermijd ruimere context en denk klein. Mocht je in de verleiding komen om groot te denken zal men je terecht verdenken van constructiviteit. Hierdoor verlies je de pole-positie van de ergernis.
  • Blijf halsstarrig trouw aan je eigen ideeën en stommiteiten. Modder aan met wat je bezig bent en waarmee je al duizend keer het deksel op de neus kreeg.  Deze activiteit zal je geloofwaardig bullebak-gehalte alleen maar ten goede komen.

Wees dus niet bevreesd voor rare kronkels en gestoorde invalshoeken van je kritische medemens. Hij zal je verdraagzaamheid er alleen maar mee aanscherpen. Hij zal je creativiteit prikkelen om selectief doof te worden en hij zal je huid dikker en veerkrachtiger maken. Na verloop van tijd zal je merken dat je rug en schouders breder geworden zijn. En mocht je het geluk hebben dat er toch geen brulaap in je buurt verscholen zit, geniet dan van de rust vooraleer hij (m/v) ze weer komt verstoren, maar vooral wordt er nooit zelf een want het is een bijzonder lelijk ding!

Held

Net zoals gisteren, eergisteren en de dag voordien kruipt de dag tergend traag voorbij. Door het verplichte kluizenaarschap en sinds ik mezelf tot enige gezelschap veroordeeld heb, lijkt het leven een inhoudsloze bezigheidstherapie waarin onophoudelijk scrollen, slapen, chocolade eten, gapen en peinzen elkaar betekenisloos afwisselen. Al het andere vloeit van mijn lijf zoals water van een vettige pan. Oprechte belangstelling tonen begint zwaar te vallen. Een boek lezen lukt amper nog en met de schermen waar ik er zoveel van heb, worden de uren weggezapt. Ik weet niets meer en ik voel niets meer. Hoe langer ik mijmer, des te harder ik me realiseer hoe beperkt en oppervlakkig mijn leven is wanneer andere mensen er geen rol in hebben. Nu de connectie met hen grotendeels is weggevallen, voelt mijn leven aan als een eentonige monoloog zonder verhaal, zonder diepgang en zonder publiek. Wat loop ik hier te doen?

Hoofdzakelijk uit verveling en tegen beter weten in, kroop ik de afgelopen weken in de huid van superheld van de onnozelheid want dat leek me nog de enige dienstige manier om mijn nutteloosheid te hanteren. Met jolijt en stompzinnigheid probeerde ik tegengas te geven om mijn eigen zwaarmoedigheid en die van anderen een beetje te kalmeren. Maar op dag drieëndertig lijkt die jubel en leute ook stilaan terrein te verliezen op het alomtegenwoordige niets van de leegte. Nu pas valt het me op dat wanneer ik maatschappelijk geen sporen kan achterlaten nog meer dan gewoonlijk vreemde en krankzinnige gedachten opborrelen. Nu ik de tijd heb en de nutteloosheid van mijn 51 jaren optel bij de wispelturigheid van mijn aard en vermenigvuldig met mijn opstandig zelfbeklag en deel door de verwaande pogingen om verschil te maken, ben ik even zinloos als het nietige leven dat ik vandaag onderga. Het oordeel van mijn rekensom wordt negatiever en pathetischer naarmate ik de uitkomst meer aandacht geef.

Ik sus me maar dan maar met de gedachte dat een antiheld soms ook heldhaftig kan zijn al weet ik niet voor wie ik nog held zou moeten spelen en welke opofferingen ik daarvoor nog moet doen nu ik hier in het ijle van mijn scherm staar. Misschien moet ik gewoon genoegen nemen met wat nog overblijft en verder gaan met nietsdoen zo word ik straks misschien toch nog die echte held die ik al gans mijn leven probeer te zijn.

Welterusten, meneer de minister.

Geachte acht ministers van volksgezondheid en welzijn,

Ik denk wel dat jullie het al weten maar ik wil het nog even gezegd hebben zodat jullie er straks in jullie bed nog even kunnen over nadenken.  De afgelopen dagen zijn er 619 bejaarde mensen overleden in de woon- en zorgcentra.  Niet dat jullie al die slachtoffers persoonlijk zullen gekend hebben want dat kan natuurlijk niet maar mocht dat wel het geval zijn, jullie zouden hen wellicht allemaal geapprecieerd hebben. Jullie zouden ze een voor een tot ‘de jouwen’ gerekend hebben omdat het dat soort mensen waren die politici nog blindelings op hun woord geloofden. Dat gaat zo bij die generatie. Tegen jullie moet ik dat niet uitleggen want jullie weten als geen andere hoe dat gaat wanneer jullie hen in het rusthuis in verkiezingstijd de hand gaat schudden. Ik ben zeker dat jullie het gros van de oudjes die de afgelopen dagen moederziel alleen zijn doodgegaan zeker zouden waarderen. Niet alleen omdat ze ouder, grootouder, partner of vriend van iemand waren maar ook omdat ze gans hun leven hun botten afgedraaid hebben en ik maak me sterk dat jullie die babyboomers eindeloos dankbaar zouden zijn voor de belastingen die ze hun hele leven ‘afgedragen’ hebben. Want die generatie zegt dat nog zo, ‘wij hebben toch ook heel ons leven afgedragen om nog een beetje van onze oude dag te kunnen genieten’. Misschien is het veel te cynisch om te stellen dat ouderen wel goed genoeg zijn om tot 67 te werken maar te duur zijn om ze van de juiste zorgen te voorzien wanneer ze het nodig hebben. Maar eerlijk, is het dat niet wat er vandaag gebeurt? Ben ik te bitter of stel ik het te sarcastisch voor wanneer ik zeg dat de ‘gouden generatie’, zoals jullie hen zo vaak bestempelen door jarenlang falend beleid en platte besparingen in de steek gelaten werd? Ben ik te zuur wanneer ik zeg dat het spreadsheetbeleid waarvoor jullie met zijn allen verantwoordelijk zijn niet kon verhinderen dat die sukkelaars bang, alleen en zonder afscheid van hun naasten te kunnen nemen, naar de overkant moesten en dat ze op hun allerlaatste reis mochten vertrekken zonder de budgettaire cijfers al te hard verstoord te hebben?  Diegenen die het land gemaakt hebben tot wat het vandaag is hebben jullie zonder hulpmiddelen en zonder eerlijke kans opgesloten achter het glas van hun rusthuiskamer. Jullie hebben ze gemakkelijks halve en zonder richtlijnen in handen gegeven van een handvol radeloos geworden zorgverleners die niet eens voorzien waren van gepast beschermings- en testmateriaal om hun zorg veilig op te kunnen nemen. Ik ben echt benieuwd in welke bochten jullie zich straks gaan wringen om dit uitgelegd te krijgen. Alvast over de euthanasiekwestie hoeven jullie zich straks als deze crisis bezworen is geen zorgen meer te maken aangezien jullie het grootste gedeelte van die doelgroep al hebben laten stikken, letterlijk en figuurlijk.

Morele blinde vlek

Prediken dat er veel knappe mensen rondlopen die een betere levenswandel hebben dan de mijne, is een open deur intrappen.  Van nature ben ik namelijk liever lui dan moe. Ik mag dus nu niet in de verleiding komen om te verkondigen wie er in deze woelige tijden heilig mag verklaard worden en wie niet. Ik ben het zeker niet want een heilige ben ik nooit geweest en geen kans dat ik het ooit word, daarvoor ben ik veel te tam, te stram en veel te laf. Meestal kom ik niet verder dan een zijlijn om er veilig langs te supporteren of sta ik als kapitein zonder schip, langs de kade ‘awoert’ te brullen wanneer het mis gaat. Toch wringt er vandaag iets in de ziel van deze kakkerlak waardoor hij goesting heeft om heel luid te roepen en heel kwaad te tieren. Natuurlijk weet ik best dat niemand zit te wachten op mijn tirade en hoe ik naar de wereld snurk maar mag ik me vandaag alstublieft eventjes heel hard verbazen? Is het toegestaan om me in de kaak te knijpen zodat ik me met klaarheid van geest kan afvragen hoe verstand precies gemeten wordt en hoeveel je er van nodig hebt om in het bestuur van een land een rol van betekenis te mogen spelen.

Want… Nog vooraleer doden en slachtoffers geteld zijn en alvorens er een inschatting kan gemaakt worden hoe groot de impact van de Corona-crisis precies zal zijn, lanceert Zuhal Demir als minister van overbodigheden of als overbodige minister het idee om burgers met een tweede verblijf aan de kust, van koopbonnen te voorzien.  Om de economie een boost te geven!  Ik heb absoluut niets tegen mensen met twee of drie eigendommen en zeker niet tegen hardwerkende middenstanders maar nog vooraleer de lijken koud zijn, en terwijl de ziekenhuizen nog uitpuilen, acht zij het noodzakelijk om als een soort van Mata Hari van de macht ook eens iets te moeten zeggen.  Ze is per slot van rekening minister, toch?

De leden van haar club die zich ondertussen knus in de Nieuwe Vlaamse Autoriteit, (regering zeg maar) ingenesteld hebben vonden een half jaar geleden nog dat aan de tepels van de vette zeug die zorgsector heet, nog te veel profiteurs konden zogen en dat daarom nog wat vet van het spek kon weggesneden worden. Door echter kapot te besparen op onder andere de zorgsector zitten mensen die er vandaag hun nikkel in afdraaien in een houdgreep waardoor volksgezondheid bijna een schaars goed is geworden. Als ik de opsomming zou maken van mensen die vandaag verschil maken in dit land is mijn lijstje te kort. Zij vragen geen bonussen, zij vragen geen voorkeursbehandelingen of eisen geen privileges. Het enige waar ze zich vandaag zorgen over maken is over het feit of er morgen nog voldoende beschermingsmateriaal voorhanden is om veilig hun werk te kunnen doen. De winkeljuffen, brandweerlui, bejaardenverzorgers, ambulanciers, verplegers, chauffeurs, slagers, bakkers …krijgen van de politiek geen koopbonnen als pasmunt voor een toekomstige stem. Van de burgers in dit land krijgen ze gelukkig wel genoeg witte vlaggen en applaus als waardering omdat zij plichtsbewustheid, solidariteit, verantwoordelijkheid, fierheid en burgerzin wel heel erg waarderen en appreciëren dat zij met een enorm groot hart doen wat een maatschappij hoort te doen, namelijk zorg dragen voor elkaar.

Dus ik stel me opnieuw de vraag. Hoe meet je verstand en is die kennis dan doorslaggevend om er in dit land leiderschap mee te mogen opnemen?

Als ik bovenop de huidige omstandigheden dan ook nog met termen als ‘gezondheidseconmie’ en ‘optimalisatie van gezondheidszorg’ rond de oren geslagen wordt, komt het haar op mijn armen omhoog en kan ik alleen maar vaststellen dat onze ‘economie’ vandaag vol morele blinde vlekken zit, dat ze ethisch bijziend is en verreziend blind wordt.

Quarantaine.

Aan diegene in quarantaine die tijdelijk gebruik maakt van deze kamer,

Weet dat ik erg uitkeek naar je bezoek en dat ik alles in het werk wil stellen om jou tijdelijk, verplicht verblijf hier zo aangenaam mogelijk te maken. Er zijn een paar dingen die je over deze geïmproviseerde spoeddienst dient te weten alvorens je hier je intrek neemt. Ik zou het erg op prijs stellen mocht je deze richtlijnen lezen en zich aan onderstaande afspraken te willen houden.

De grote tv die aan de muur hangt werkt niet.  Jammer genoeg kan je daarom de heruitzending van de Ronde van Vlaanderen van 2015 die zondag wordt uitgezonden dan ook niet live bekijken.  De computer op het bureau echter vervangt de flat screen en doet dienst als tv. Als je deze opstart mag je de boodschap ‘login to pornhub’ negeren. Deze website wordt alleen nog sporadisch door de jongste zoon gebruikt voor zijn artistieke en culturele interesses. Mocht er bij de opstart toch voor onduidelijke redenen een creditcardnummer gevraagd wordt mag je deze boodschap eveneens naast je neerleggen.

Wanneer het in dit huisgezin te druk wordt, trekt de vader van de familie zich ook soms terug in deze kamer. Dan leest hij er de tijdschriften die zich in de onderste lade van het bureau bevinden. Voel je vrij om hetzelfde te doen, tenminste als de bladzijden van de boekjes niet te hard aan elkaar kleven.

Oorspronkelijk behoorde deze de kamer aan de zonen van de familie. Dit merk je aan de goudvis en het konijn. De goudvis is doorgaans vrij rustig tenzij je hem voedert uit het kleine plastiek pakje, groene geperste droogvoer dat zich achteraan in de schuif bevindt. Doe dit niet want dan wordt de vis helemaal onvoorspelbaar. De ene keer gaat hij ervan op zijn rug zwemmen dan weer gaat hij tekeer als onvervalste Michael Phelps en zwemt hij zo snel rondjes dat hij er scheel van gaat kijken en twee dagen slaap nodig heeft om te bekomen.  Het konijn maakt op zich geen lawaai en wordt het liefst gerust gelaten tenzij je ‘s nachts tijd wil doden door in de tijdschriften te lezen. Dan wordt het onrustig en durft het je bemoeiziek aankijken alsof je op dat moment de grootste doodzonde begaat. Je kan dit gedrag negeren of je kan een deken over het hok gooien zodat je niet langer gestoord wordt en je je verder kan concentreren op je lectuur.

De reddingsboei in de vorm van een vrouw die zich in de grote kast bevindt, wordt in de zomer door de dochter gebruikt als speeltje in het zwembad.  Omdat ze de levensgrote vrouwelijke redder steeds zelf opblaast, zal je merken dat er nog een beetje condenswater in het hoofd zit. Gelieve daarom de lucht uit deze redding band niet af te laten, anders zal het plastic verduren waardoor ze volgende zomer niet meer bruikbaar is. Uiteraard staat het je vrij om ter afwisseling van het bed deze boei gebruiken als luchtmatras te gebruiken.

De hond die zich doorgaans onder het bed bevindt zal je niet vaak zien. Hij is van de moeder en is zoals de moeder zelf een beetje neurotisch en onberekenbaar. Soms snuffelt hij aan je kruis.  Als je hem dan negeert of niet genoeg aandacht schenkt, kan het gebeuren dat hij een ongelukje heeft. Gelieve dit op te kuisen met de rol keukenrol en de plastic zakjes die zich in de tweede lade van het bureau bevindt.  

Mochten er zich nog schoenen, kousen, onderbroeken of zakdoeken onder het bed bevinden mag je deze in een grote vuilzak aan de andere kant van de deur plaatsen.

In deze revalidatieruimte worden voorlopig geen lockdown-feestjes gehouden en bezoek is niet toegestaan.  

Wanneer na een tiental dagen de ergste symptomen en de koorts verdwenen zijn en het opnieuw toegestaan is om deze quarantaine te verlaten mag een uitstap naar de badkamer of een trip naar de tuin zeker niet op je planning ontbreken. Daar kan je bijvoorbeeld genieten van het postmodernistisch kunstwerk oorlogsgebied in een tuinkot.  

Spoedig herstel en geniet van uw verblijf.

Het Goede Doel!

“Ik heb getwijfeld over België maar ik nam geen enkel risico. Ik heb getwijfeld over België…”  

De muziek in mijn hoofdtelefoon doet trommelvliezen trillen bij de woorden van deze Nederlandse muziekgroep uit de jaren ’80.  Ze echoën haast profetisch… “Waar kan ik heen? Ik kan niet naar Duitsland. Ik wil niet naar Duitsland daar zijn ze zo streng”.  In zeven strofen bezong Het Goede Doel in 1982 haast voorspellend dat de wereld naar de kloten was. Met een handvol akkoorden zongen ze in uitvergrote clichés over landen van de wereld en over de stereotype kantjes van de mensen die erin wonen.  “In Duitsland zijn ze zo streng, in Cuba te eng.”

Vandaag draait de wereld vierkant en het is opmerkelijk dat elke natie vlucht en zich verschuilt achter eigen opgetrokken grenzen. Elk land plooit terug en dijkt zich in met de clichés en stigma’s die ze al vanouds kenmerken. “Ik kan niet naar China. Ik wil niet naar China, dat is me te druk en wat America betreft, dat land bestaat niet echt.”

Toen al waren er twijfels over België. Mogelijks was de in dubio van Het Goede Doel al even profetisch als terecht want geef toe, België vandaag… is dat niet de wereld in het klein? Of is België dan toch even niet meer het identitaire lappendeken van ogenschijnlijke tegenstellingen dat in stand gehouden wordt door diegenen die er belang bij hebben en garen op spinnen? Is België dan niet langer dat soort mini-Europa waarin elke samenhorigheidsgevoel gefnuikt wordt door politieke constructies waarvan niemand, tenzij een handvol doorwinterde specialisten nog weet hoe het tot stand kwam en welke doelen het heiligt?  Misschien is er een sprankeltje hoop en kan de constructiefout die België is, een labo of proeftuin van Europa worden waarin publieke en sociale belangen opnieuw gewogen worden in minder nationalistische contexten.

Want op het moment dat de wereld die door een virus in scherven uiteen dreigt te vallen, lijkt het te plotseling wel te lukken. Opeens blijkt het niet zo belangrijk dat, omdat het Noorden anders stemt dan het Zuiden, omdat er boven de taalgrens anders gewerkt wordt dan eronder en er een andere taal gesproken wordt, dat er anders gegeten en gevogeld wordt, er zich plots wel een solidaire gemeenschap lijkt te vormen. Is het omdat we vandaag allemaal hetzelfde beest bekampen, we hetzelfde onheilspellende nieuws en lezen we naar dezelfde debatten luisteren? Ik laat het in het midden maar langzaam maar zeker lijken we door samenhorigheid op onze zakdoek terreinwinst te boeken tegenover een gedeelde vijand. Noem me naïef of goedgelovig maar misschien is dat inzicht en die verbroedering in het mini-Europa wel een hoopgevende sprankel die de wereld nodig heeft. Al zal straks, als de crisis helemaal bezworen is, nog moeten blijken of er in België, in Europa en bij uitbreiding in de wereld een nieuwe generatie politici uit het puin zal opduiken die ons kan doen inzien en ons zal zeggen …

De USSSR.  Dat gaat me net te ver… Ik wil niet naar China, dat is me te druk … en wat Amerika betreft, dat land bestaat niet echt!”