Isoleercel

Nu aangezet worden tot nog meer alcohol te drinken omdat de sociale controle wegvalt is of net nu, eerder minderen door te controledrinken omdat de groepsdruk er niet meer is? Wat doe jij? Misschien is het waardevol om nu voor jezelf eens na te gaan welk soort drinker jij bent? Vele mensen vragen mij of ik het nog allemaal onder controle houd. Met dat niet drinken lukt het nog wel maar mijn gedachten ontsporen nog zeker even hard als toen ik nog zoop al hoef ik er niet meer van weg te vluchten. Ik zou ook niet weten waar naartoe…. naar mijn isoleercel misschien?

Nuchter ben ik nog meer dan toen ik nog dronk, een groot vat vol tegenstrijdigheden geworden. Ik verkeer, zo zou een psycholoog me zeggen in continue tweedracht met mezelf. Doorgaans ervaar ik geen fantastisch grote levenslust maar evenmin ontbreekt het me totaal aan een verlangende drang naar het einde. Nu ik opgesloten ben in mijn isoleercel en ik groot mag dromen, flirt ik met de waangedachte ooit een gerespecteerd auteur te worden.  Het valt me op dat ik in alle omstandigheden de aandachtshoer blijf die gezien en gehoord wil worden, bewonderd, gewaardeerd en gerespecteerd, het liefst door iedereen. Zo lang ik het me kan herinneren ben ik namelijk al op zoek naar bevestiging van iemand die mijn worstelingen en roerselen begrijpt, ze sust en ze weg kust.  Maar tegelijkertijd ben ik ook een einzelgänger die leeft als een eenzaat of als kluizenaar en tussen die twee ego’s in balanceer ik op een slappe koord. Soms meng ik me in de drukte, dan weer verberg ik in mijn eigen cocon om mezelf te temmen, om er tot rust te komen maar zeker ook om er mijn gedachten te inspecteren of ze waardevol zijn dan wel belemmerend. Daar en nergens anders heb ik geleerd om alleen op ontdekking te gaan, alleen op pad om nieuwsgierig om te achterhalen wat er zich achter de horizon nog bevindt, naar wat ik nog niet ontdekte en waar ik misschien nog hevig naar verlang zonder dat ik me daar bewust van ben. Achteromzien naar de afgrond waar ik uitgekropen ben, doe ik nog maar zelden, omdat ik daar niets meer kan veranderen maar ook omdat het me niets goeds bijbrengt.

Als het leven doorweegt en pijn doet of wanneer het lastig wordt, zoals vandaag recht ik mijn rug en probeer ik van al dat onheil afstand te nemen. Letterlijk, ik sluit me dan op en vermijd alle contact of ik ga in mijn eentje naar buiten om het denken te stoppen. Op die manier kom ik een beetje los van mezelf en van die dwingende gedachten en oncontroleerbare scenario’s die me onrustig maken.

Ik aanvaard dan wat ik niet kan veranderen en verander ik wat ik kan veranderen al ontgaat me vandaag de wijsheid om tussen deze twee het onderscheid te maken. Morgen is er gelukkig weer een dag dan lukt het me misschien wel, zo niet schrijf ik het nog maar eens op, met andere woorden of met andere gedachten.

Tunnelvisie

Ik beeld me weleens een wereld in zonder mensen en hoe hij er dan zou uitzien? Rustiger zal het zeker zijn daar twijfel ik niet aan.  Dat merkte ik de afgelopen dagen aan straten en pleinen en aan bossen en velden omdat die er door de obligate ophokplicht desolaat en verlaten bijlagen. Nog niet zo heel lang geleden, al lijkt het wel alsof zich dat toen in een ander leven afspeelde, heb ik me dat weleens afgevraagd. Niet dat mijn gedachten op dat eigenste ogenblik aanschouwelijk of concreet waren maar toch liet ik mijn fantasie de vrije loop en vroeg ik me af of het voor de wereld of voor de soorten die er vandaag op leven, dramatisch zou zijn mocht de mens er met één uppercut van moeder natuur vanaf gemept zou worden. Vandaag kan ik me, terwijl ik in mijn gouden kooi opgesloten zit en de vogels me vanuit de tuin toe fluiten, in dezelfde filosofische gedachte opnieuw de vraag stellen of ik van dat idee dan wel bang of eerder kalm en opgelucht moet worden?

Want laat ons wel wezen, van alles wat de aarde te bieden heeft, hebben wij ons tijdens de laatste millennia op recht- of onrechtmatige manier, barbaars eigenaar gemaakt. Bos, dier, plant, vis, lucht, zee en medemens, niets hebben we in onze tirannieke rooftocht ontzien en ongemoeid gelaten. Door onaantastbare verheven activiteiten hebben we ons opgeblazen gelijk een puit en hebben ons onrechtmatig tot Keizer verheven van een rijk dat ons niet toebehoord. Steeds weer zijn we met ogenschijnlijk waterdichte economische wetmatigheden en met verwerpelijke politieke hoogstandjes machtsstrijd aangegaan met de natuur en met elkaar. We hebben ons zo de arrogantie aangemeten en de illusie verschaft architect en bouwheer te mogen zijn van de wereldbol en van alles wat erop leeft.  Als ik dan vandaag, min of meer noodgedwongen, onze nietigheid relativeer stel ik vast dat de mens het enige wezen is dat voortdurend inhaalbewegingen moet doen op de puinhopen die hij achterlaat en dat we daar jaar na jaar met minder succes in slagen. Vermeende leiders die wij ons mandaat verschaffen, denken en handelen nog steeds hoofdzakelijk in macht en in economische belangen. Ze verwaarlozen maatschappelijke samenhang en dragen alleen maar water voor diegenen die ze op hun post en in hun zetel houden. De anderen minachten ze en verwerpen ze als paria’s.

De Trump’s, de Putins en de Johnson’s (om er maar een paar te noemen) van deze wereld blijven wederrechtelijk en op de kap van anderen hopen dat ze door intrest te betalen op het verleden en voorschotten te nemen op de toekomst deze planeet nog groter kunnen maken dan ze al is.

Vandaag geeft Covid-19 ons een les in nederigheid en in karma of in hoe je het ook wil noemen.  Met amper een diameter van een paar nanometer leert het virus ons dat met de natuur niet te sollen valt zelfs niet door verwaande, omhooggevallen gekken die nog steeds overtuigd zijn dat alles op deze kluit te koop of te huur is. 

Laat ons de hoop maar koesteren dat aan deze tunnelvisie die eindigt op een punt straks een einde komt en dat echte trekkers het voortouw nemen om met lessen die we nog moeten nemen en met meer respectvol sociaal globaal beleid de wereld er straks iets anders uit zal zien al ben ik zeker dat we het dan ook weer allemaal samen zullen moeten doen!

Monotoon cirkelgedrag

De ambitie om er te komen ben ik onderweg ergens kwijtgespeeld.  Ik heb mezelf nooit wereldburger gevoeld die de hele wereld nodig heeft om er zijn eigen speeltuin van te maken. Een selfie vlak voor La Sagrada Familia, of vanop de Chinese Muur en een kiekje naast de Taj Mahal hoeven voor mij niet per se om te voelen dat ik leef, al heb ik het natuurlijk ook weleens gedaan. Met mijn eigen kerktoren, met wat er zich er rond afspeelt en met de mensen die er in zijn schaduw rond kuieren heb ik meestal meer dan voldoende leute.  Van het koffieke op het terras van mijn favoriete staminee en van de gasten waarmee ik hem drink word ik door de band genomen al vrolijk genoeg. Al is dat hoogstwaarschijnlijk zo omdat Klaas, die ontegensprekelijk de beste cafébaas van Klein Brabant is, er telkens opnieuw ongevraagd een passend chocolaatje bij serveert. Sociaal connecteren benoemen psychologen dat soort gedrag tegenwoordig met een duur woord al omschrijf ik mijn trage levensstijl liever als zinvol lanterfanten. Om maar te zeggen dat ik simpel leef omdat ik de laatste jaren uiterst simpel in mekaar gepuzzeld ben. Niet dat jullie het zo moeten doen maar mij past dat trage leven net zo gegoten als ingelopen schoenen.

In ons drukke landje werken de meeste Westermensen zich echter dag in dag uit half lam.

Niet precies wetend waarom, draven wij elke dag opnieuw door als trekpaarden met oogkleppen op.  Met een versmald blikveld keren we dan elke dag grond en aarde om in de vore van de akker die we ploegen. Wij worden echter niet langer gemend door boeren die het goed met ons voor hebben of met hun veld. Neen wij worden gestuurd en gedreven door scheve politieke figuren die als vazal en waterdrager fungeren van de beurs en van de koers in een ontspoord en doorgeslagen globaal economisch, financieel systeem. Als we in die mallemolen van de waanzin dan eindelijk een schaars, vrij moment hebben gevonden, trekken we met zijn allen de wijde wereldkloot in. We rijden of vliegen dan naar alle uithoeken van de wereld om in een waardeloze poging daar een beetje dichter bij onszelf te komen. We doen dit vermoedelijk met zijn allen omdat het in ons dagelijks territorium een beetje te hectisch geworden is en omdat we er ons door dat dagelijks monotoon cirkelgang helemaal in hebben weg geprogrammeerd. Door veel te snel door het leven te surfen raken belangrijke en overbodige dingen helemaal door elkaar en worden ze even onvindbaar als twee dezelfde sokken in een overvolle wasmand. Stiekem droomden we jarenlang van minder e-mails, van minder professionele onderdompeling, van minder verplaatsingen, van meer zinvolle tijdsbestedingen van meer rust. Om voor de hand liggende redenen, omdat we dachten dat het zo hoorde, maar vooral omdat er maatschappelijke waarde en belang aan gemeten wordt, lieten we ons met de blik op oneindig en het verstand op nul diep onderdompelen in saaie statistieken, in overbodige rapporten en in nutteloze repetitieve handelingen om op die manier de allesverzengende productiviteit ten dienste te zijn van een economisch model waar een kat haar jongen niet meer in vindt.

Nu en door die afschuwelijke pandemie die als een kapitalistische boemerang in ons gezicht vliegt en waar we middenin zitten en een spoor van onrust, ziekte en chaos over de wereld trekt krijgen we de tijd er gratis bij.  Of, we kunnen ons beklagen en onze kasten opfretten omdat we anderhalve meter uit elkaars buurt moeten blijven en dat nog wel een tijdje zo zal zijn of we kunnen dromen over zaken die waardevol en essentieel zijn of zullen worden. Want de vrijheid om groot te dromen mogen we ons niet laten afnemen. Die ongebondenheid mogen we nooit loslaten en in tussentijd moeten we hopen dat dat dit alles snel voorbij is zodat de deuren weer open kunnen en grenzen kunnen overschrijden om mensen bij elkaar te brengen. Desnoods rond de kerktoren met een koffieke op een terras al mag het dan misschien wel iets uitbundiger.

De wereld draait door.

De laatste paar dagen plaatste ik dat medium hier vol onzin en onnozelheden. Ik deed dit niet om mezelf interessant te maken, om het virus te minachten, het te minimaliseren of om te lollen met risicogroepen of hulpverleners. Neen, ik deed het alleen maar in een luchtige poging om even een geforceerde glimlach op je lippen te brengen of om je hem te laten onderdrukken omdat het grapje “wat op het randje” was zodat je je even aan iets anders kon ergeren dan aan het Coronavirus. Maar ik deed het ook omdat ik weet wat het betekent om een tijdje van de wereld geïsoleerd te zijn of om 24/24 op elkaars lip te zitten. Vrolijk word je daar niet van. Helemaal alleen zijn of beperkt zijn in je persoonlijke bewegingsvrijheid … Dat doet iets met de mens. Sommige tenen worden dan snel te lang voor de schoenen waar ze in moeten. Andere mensen raken gedeprimeerd of worden opstandig als de lont kort te wordt, andere dan weer reageren angstig of overdreven emotioneel. Persoonlijk heb ik last van al die dingen. dus puur uit zelfbescherming heb ik mezelf gisteren uitgeschreven uit de meeste Whatsapp- en Messengergroepen en probeer ik overvloedige nieuws te vermijden. Ik deed dat niet omdat ik de mensen die erin zitten niet graag zie maar wel omdat berichten die ze erin dropten met het uur onheilspellender en dramatischer werden en ik er impulsief of emotioneel begon te op te reageren. Velen onder ons hebben de neiging om dingen die we weten, vermoeden of uit tweede of derde hand vernomen hebben op te blazen of er een eigen draai aan te geven en ze er erger willen doen laten uitzien waardoor straks de hemel zeker op onze kop valt. Ook ben ik er me heel bewust van dat ik, buiten binnen blijven, mensen vermijden en handen te wassen NIETS kan doen om het virus weg te jagen. Gisteren stelde ik mezelf de vraag of ik er beter van word te weten dat er in Italië -tig nieuwe besmettingen en -tig verse doden zijn te betreuren en dat Nieuw-Zeeland slechts één patiënt telt. Ik stelde me in dezelfde reflex de vraag of die overvloed aan (des)informatie een helende of belemmerende invloed had. Ik kwam erachter dat ik er niks mee kon aanvangen behalve te vervallen in doemscenario’s die te erg of niet erg genoeg zijn. Als ik zo verder zou doen zou ik mezelf gek maken waardoor het risico reëel wordt dat de symptomen van die onrust door over-informatie en stemmingmakerij nog erger worden dan die van virus waartegen we ons trachten te beschermen.

GDus a.u.b. verpreid geen onzin. Maak elkaar niet gek… laat mij dat maar proberen met mijn stomme lolletjes…..

En verder blijf binnen, was je handen, vermijd mensen, laat nog iets in de rekken liggen voor diegenen die na jou komen winkelen en … a.u.b. doe normaal…..De wereld draait al zot genoeg!

Kleine flieter.

Bescheidenheid siert de man.’ ….. Deze boutade, uitgesproken door een man, mezelf in dit geval, onderstreept het gegeven dat wij venten van deze eigenschap maar weinig kaas hebben gegeten, laat staan dat wij ootmoedigheid of pieterigheid met enige geloofwaardigheid zouden kunnen overbrengen mochten we er dan al bezit van hebben. Wie anders dan een vals-bescheiden man, mezelf dus, zou anders mogen beweren dat nederigheid en bescheidenheid een man mooier maakt? Ik, een oude, ingezakte, papperige, bescheiden vent misschien? Bescheidenheid, al dan niet valse, is dan ook ontegensprekenlijk het nieuwe macho want geloof me, als ik U zeg dat wanneer venten zich tegenover vrouwen onderdanig, inschikkelijk, meegaand of ogenschijnlijk onbelangrijk opstellen… vrouw houdt U vast aan de takken van de bomen en ‘boerin, let op uw kiekes’. Vele breedgeschouderde of felbehaarde lotgenoten zullen me dit boetesacrament en deze publiekelijke schuldbelijdenis niet in dank afnemen, integendeel, ze zullen me scheldwoorden zoals stielbederever, sukkel of zacht eitje naar het hoofd slingeren. Dat deert niet omdat ik me dan op mijn beurt met deze publiekelijke scheldtirades sympathiek maak bij het doelpubliek dat ik vandaag met deze pennentrek voor ogen heb, namelijk jij rondborstige schoonheid. Bescheiden als ik ben, hoop ik dan ook dat dit stukje proza net zo viraal zal gaan als COVID 19 en dat dezelfde draconische maatregelen zullen getroffen worden om te voorkomen dat dit irritante schriftelijke virus zich over landsgrenzen zal verspreiden om daar niet-besmette mannen met een te kleine flieter te infecteren. Dat dit tekstje zich net op internationale vrouwendag ontvouwde is geheel toevallig maar doet geen afbreuk aan het feit dat jullie, vrouwelijke nazaten van Eva, eigenlijk elke dag oprechte aandacht-zonder-bijbedoelingen zouden moeten verdienen, zeker ook van baardapen en brulsnottebellen die zich voor god weet welke reden denken beter te mogen voelen dan jullie of pretenderen dat ze het meer voor het zeggen mogen hebben dan jullie. En dan heb ik het nog niet eens over de maatpaksnullen die zich het op-niets-beruste-recht toe-eigenden om te denken dat ze meer centen voor hetzelfde werk mogen verdienen dan jullie. Maar dat zal nooit of te nimmer gebeuren omdat mannen met een veel te kleine flieter dan eindelijk moeten durven inzien en toegeven dat ze getroffen zijn door het vals-bescheidenheids-virus maar voor die consessie zijn hun ballen vooralsnog veel te klein en hun ego’s veel te groot.

Dode letters, springlevend.

Koortsachtig leest hij bladzijden die op het ogenblik dat ze geschreven werden niet voor zijn ogen bestemd konden zijn. Nu hij zelf de leeftijd bereikt heeft en de woorden die twintig jaar geleden getrouw en gewetensvol werden neer-gekribbeld beter kan plaatsen, leest hij ze ongedurig maar zorgvuldig. De feiten die beschreven zijn, herkent hij omdat hij er zelf leidend voorwerp van is. De letters schuiven als een sneltrein voorbij en tonen beelden die hij lang uit zijn herinnering geband heeft. Hij alleen kent de echte reden waarom hij heil zoekt in krabbels die destijds zo zorgvuldig werden opgetekend door een pen die hij maar al te goed kent. De zinnen die hij nu leest zijn ooit geschreven met een griffel die diepe krassen kon zetten en onthullen eindelijk hun geheimen die gekwelde herinneringen bevestigen. Maanden geleden had hij alle hoop opgegeven om dit boekje ooit terug te vinden omdat het niet in de doos van de andere dagboeken was weggeborgen, wellicht omdat de schrijver ervan er zelf af en toe nog eens herinneringen in ophaalde.  Vandaag heeft hij het in handen. Het manuscript ziet er nog identiek uit als toen het destijds dagelijks op de keukentafel rondslingerde en wachtte tot hersensroerselen erin vereeuwigd werden. Het ietwat kinderlijke handschrift met grote krullen laat geen groots literair talent vermoeden maar de geschreven beelden doen dat eens te meer en ontsluieren hun herinneringen die op dezelfde manier zijn neergeschreven als dat ze in zijn gedachten ronddwalen. Dezelfde emotie, identiek verdriet en gelijkaardige machteloosheid lijken gekopieerd, alsof lezer en schrijver één-en dezelfde persoon zijn, maar dat is niet het geval. De schrijver ervan was mijn vader en de lezer ben ik en het verhaal is geschiedenis…

Welbespraakte Adonis

Drieste koleire, dramatische tragedie, troosteloos falen, uitzichtloze chaos… Met een bijpassend adjectief worden woorden opeens pure emotie. Vanuit de krant of vanop een scherm krijgen we dagelijks negatief geladen woorden, zonder waarschuwing zomaar recht in het gezicht gebraakt als een bombardement van negativiteit of slechte karma. Negatieve woorden maken ons negatief! En we worden de woorden die we gebruiken! Persoonlijk hou ik van woorden, van lange woorden en van de korte. Ik heb de fatsoenlijke bewoordingen graag maar ook de schelmachtige. Ik gebruik ze dagelijks allemaal, hongerig, plat of fijngevoelig in een poging om een beetje nuance te brengen in hetgeen ik wil zeggen. Woorden met een beladen negatieve bijklank, houd ik zo veel mogelijk achter de hand of laat ze achteloos rondsluipen als nachtdieven. Ik probeer ze echt te vermijden en de ene keer slaag ik daar beter in dan de andere. Ik leef en adem woorden, zowel de geschreven als gesproken al ben ik me daar nog niet zo heel lang van bewust. Ik bewonder pakkende koppen, uitgesponnen dialogen, verrassende cliffhangers en uitdagende clickbaits. Ik frons bij geladen woorden en raak ontroerd door de pakkende die diep treffen. Een juist gekozen woord kan iemand ophemelen of slachtofferen. Sommige fout-beslagen redenaars kunnen je met scherpe klinkers en botte medeklinkers vastspijkeren en het treurige is dat die negatieve woorden nog werken ook. Ze zijn de aandachtsvangers die ons doen luisteren en verder lezen omdat ze in de kantlijn in onzichtbaar rood geschreven zijn. Gisteren las ik wat facebookcommentaren op ogenschijnlijk onschuldige berichten en hier is een exclusieve selectie van de woorden die mijn aandacht trokken: “mossel, moord, woede, lul, loser, woede, nachtmerrie, bagger, teloorgang, shock, azijnpisser, dief”, en het lijstje is nog langer. Als ik jullie toevertrouw dat deze woorden gespuid werden als commentaar op een voetbalverslag moest ik even de wenkbrouwen fronsen. Natuurlijk weet ik wel dat woorden als “witte woede” straffer klinken als “niet helemaal mee eens” en dat “kut en tetten” beter bekken dan “vagina en borsten”. “In shock” klinkt beter dan weer straffer dan “verrast”. De vastelling van toenemend ongepast, gebald taalgebruik is nog geen persoonlijke nachtmerrie geworden, al heb ik er vannacht wel een uur slaap voor opgeofferd zoniet stond hier geen letter geschreven. Elke dag gebeurt het, in de (sociale) media, op tv en in onze dagelijkse contacten. Iedereen draagt in min of meerder mate bij aan het creëren van een negatieve taalcultuur die met een onzichtbare infuus rechtstreeks onze hersenen en harten infecteert. Hoe vaak heb je de laatste tijd niet vol van dat verraderlijke gevoel van irritatie voor je scherm gezeten, vervult met onbehagen omdat de negatieviteit je raakte of je je eraan ergerde? Slecht nieuws is goed nieuws voor wie alleen wat gratuite aandacht zoekt en wij worden door de noodzakelijke klik gegijzeld en worden meesleurd in de negatieve woordenstorm. Net zoals een slecht humeur het steeds wint van een goed humeur winnen negatieve, haatdragende woorden het telkens opnieuw van de positieve. Daarom wil ik positieve woorden vanaf nu koesteren en cultiveren, want ik word de woorden die ik gebruik. Misschien moeten we daarom in een soort van music for life van de taal of tournée minérale van het woord, onze vocabulaire ook onderwerpen aan een jaarlijks opruimbeurt om ons zo iets meer te verbinden tot beschaafd schrijven en spreken zonder al die overdreven nutteloze bijklanken die irriteren. Zal ik dan naiëf het voorbeeld geven door het hier eens op een andere manier of met andere woorden te zeggen, misschien word ik dan ooit wie ik denk die ik echt ben… een welbespraakte Adonis.

Kak, kut en klote

Alleen al de suggestie dat ik me enkel maar op één bepaalde dag van het jaar, namelijk vandaag, slecht zou mogen voelen, is een farce en een mythe. Misschien is het meer sociaal aanvaard om het vandaag meer te zijn dan op andere dagen aangezien ik me op deze derde maandag van januari achter een collectieve dagdepressie mag verschuilen. De beperking tot vandaag beschouw ik echter als een ernstige beperking van mijn persoonlijke vrijheid. Op andere dagen van het jaar kan het blauwe maandag-monster immers even hard of nijdiger uit de kast springen om me te achtervolgen, om controle te nemen over mijn humeur en om mijn dag helemaal naar de kloten te helpen, daarvoor is soms minder nodig dan het winterdipje van vandaag. Een dinsdag in mei of een vrijdag in oktober kan dan zomaar, zonder aanwijsbare reden veranderen in een blijf-uit-mijn-buurtdag of in een ik-blijf-in-mijn-bed-liggendag. Indien je op die dagen mijn denkbeeldige schutkring betreedt en je je in mijn persoonlijk territorium waagt, heb je van Jan. Natuurlijk zijn medische experts het er roerende over eens, dat de winterblues te wijten is aan een gebrek aan zonlicht, een combinatie van de post-kerstblues, koude donkere nachten en een overvloed aan nog te betalen creditcardfacturen en dat deze rotperiode zich vandaag het hardst manifesteert. Ik ben zeker niet geneigd om hun klinische expertise niet in twijfel trekken en wil al dat gedoe nog wel aanvaarden maar dat geeft hen nog niet het recht om me alleen vandaag humeurig, ongelukkig, kak of klote te mogen voelen. Ik geef ze, de medische en psychische bollebozen, alle vrijheid zodat ze vandaag wreed hun best kunnen doen om me op andere gedachten te brengen maar ze zullen me, begot mijn vrijheid niet ontnemen om me op andere dagen van het jaar even kut te voelen als vandaag… en dan moet het nog valentijn worden.

Kleine filantroop die brood in stront verandert

Meestal gaapt er een grote leemte tussen mijn initiëele ambitie en wat ik er uiteindelijk van terecht breng. Steeds weer opnieuw zit er te veel afstand tussen het plan en het uiteindelijke resultaat. Hoe hard ik er ook naar tracht, op de ene of andere manier lijk ik de denkbeeldige kloof tussen de twee niet te kunnen dichten, haast alsof ik door iets dat buiten mezelf ligt wordt afgeremd of tegengehouden. Bullshit natuurlijk, want in het ene geval is het gewoon angst voor het onbekende en in het andere geval is het niets minder dan schrik om verantwoordelijkheid te dragen die me doen verstarren en inhouden. En het zijn net die twee spelbrekers die me steeds opnieuw tegenhouden of doen uitstellen om te doen wat ik hoor te doen of al moest gedaan hebben, al zal het ook vaak gewoon luiheid zijn. En dan bedoel ik niet alleen dat ik me verantwoordelijk voel voor vrouw en kinderen maar ook voor woonst en geld of carrière of aanzien ofzo en dan bekruipt me een soort van faalangst om er niet te komen of om niet iets te worden. Alleen een zot denkt dat hij de slimste is van de bende terwijl iedereen weet dat hij eigenlijk te stom is om brood in stront te veranderen. Zo voel ik me dan dikwijls, niet als de rest van de bende maar als zot.

Ik heb me nooit wereldverbeteraar of weldoener gevoeld omdat ik daar het juiste type niet voor ben, mogelijks omdat ik te veel Bohemer ben of te veel te hartstochtelijk in bepaalde dingen. Mijn smoelwerk, mijn lijf en mijn verstand hebben me ook nooit veel vertrouwen ingeboezemd. Ik geloof dus niet dat er een beter recept bestaat om een nog grotere snul te worden en de geschiedenis heeft me daarin niet tegengesproken. In relaties, op het werk, als vader of als sportman, overal kwam ik in een probeerselwereld terecht, een doe-alsof-wereld waarin ik velen onder jullie tegenkwam. Vandaag doe ik er alsof ik schrijver ben die doet alsof hij iets te vertellen heeft. Eerlijkheid gebied me te zeggen dat het behoorlijk eenzaam is in mijn alsof-wereldje hoewel het er bijzonder druk kan zijn met mensen die even hard proberen ook iets van betekenis te zijn door dingen te doen waarvan zij denken dat ze er het beste in te zijn. Het zit er vol doe-alsof-mensen zoals politici, trainers, ceo’s, managers, twittertoeters, facebookterroristen en andere heel belangrijke zielen die in hun eigen doe-alsof-jargon vruchteloos anderen trachten te imponneren en zo door vuur gebrand zijn dat ze overal een ongenuanceerde mening denken over te moeten hebben. Maar let op want in alsof-wereldjes kunt ge u behoorlijk vereenzaamd voelen als ge tracht die illusie hoog te houden. Toen ik laatst een voordracht gaf in de bibliotheek, de avond was speciaal voor mij georganiseerd, voelde ik me tussen mensen die ik bijna allemaal kende, ongepast populair omdat ik met veel bravoure mocht spreken over dingen waar ik iets vanaf meende te weten. Een handvol toeschouwers had misschien wat minder kennis van zake en al zeker niet de behoefte om er op een podium mee uit te pakken. Toen ik mezelf op dat podium gehesen had voelde ik me er behoorlijk hautain, belerend en eenzaam. Het vissen naar egards, luister en schouderklopjes had als enige reusltaat dat ik weer in de diepte stond te staren die gaapt tussen verwachtingen en resultaat. Ik kan dan ook niet anders dan mijn alsof-wereldje wat vaker achter mij te laten want ik ben er ondertussen achter gekomen dat ik nergens nog naar toe moet, dat ik niemand iets hoef te bewijzen en dat niemand op mijn ongevraagd advies zit te wachten. Mijn mensenvrees is dan een mooi excuus om me achter bescheidenheid en zelfkennis te verbergen. Ze hangen als een luifel over mijn bestaan en ze zullen daar tot het einde van mijn dagen blijven hangen. Zo kan ik me er als kleine filantroop in hun beschermde schaduw koesteren zodat ik met beide voeten op de grond blijf. Op dat plekje word ik dan misschien niet langer uitgelachen als zot die brood in stront kon veranderen en er een luchtbel kon van maken.

Suf gerukt.

Hoe zal ik dan de verpletterende alledaagsheid op een afstand houden wanneer ik straks meer dan honderd jaar zal worden en gespaard zal blijven van depressies, ziektes of fysieke ongemakken? Welk soort mens zal ik dan worden? Wat voor iemand zal ik zijn indien ik helemaal gespaard zal blijven van leed, kommer, verlies of ontij en op welke manier zal ik dan naar de dingen kijken, wetende dat ik het nu soms al lastig heb met de ondraagelijke lichtheid van dit bestaan. Nu ik hier in de diepte van mijn alledaagsheid staar vraag ik me af of het net niet de fysieke en mentale ongemakken geweest zijn die mijn biografie een beetje de moeite waard gemaakt hebben? En dan bedoel ik natuurlijk niet die dodelijke kanker of die die andere levensbedreigende aftakelingsziekte maar de gewone alledaagse tegenslagen of verdriet. Waren zij niet verantwoordelijk om anders te kijken en hebben zij net wel de inzichten verschaft om dingen in vraag te stellen en het leven anders aan te pakken? Vormden die ongemakken mijn menselijke geest niet meer of beter dan gezondheid en blijheid? Ik vraag me dat af. Is lijden aan persoonlijke fysieke of mentale begrenzingen niet een soort lijden dat de ziel scherpt en waar je beter van wordt? Als aftakeling geen glijbaan naar het einde meer is en we straks moeiteloos honderdvijftig of honderdtachtig jaar kunnen worden, wat zullen we elkaar dan nog te vertellen hebben en hoe zal schoonheid er dan uitzien uitzien als alles zomaar kan uitgesteld worden naar morgen, naar volgend jaar of naar nog later? Zal ik dan niet nog meer reiken naar de toekomst en nog vaker weemoedig terugblikken op gisteren om te vergeten dan vandaag de enige dag is die bestaat?

Misschien denk ik te veel aan de eindigheid omdat mijn persoonlijke lichaams- en geesteserosie niet te stoppen is, maar ik vecht niet meer met het idee dat mijn toekomst met elke nieuwe dag korter wordt dan mijn verleden. Ik ga dus niet wachten tot het zomer is en het veertig graden is en mijn persoonlijke levensruimte weggesmolten is. Neen, ik ga mezelf die décadente coupe brésilienne nu gunnen, met drie bolletjes vanille, drie bolletjes mokka en chocolade en gebrande nootjes en zoute caramel. Volgende week trek ik naar het zuiden om te lezen en te schrijven, om saboteurs een hak te zetten en om me intellectueel zo hard te masturberen tot ik helemaal suf gerukt ben. En ik ga verder met sloten koffie te zuipen en peuken te paffen tot alles zo dicht dichtgeslibt is als de Antwerpse ring in de avondspits want honderddertig of honderdvijftig jaar worden lijkt me de hel op aarde.

Schaamrood

De ingebeelde schijngevechten tegen schaamte die ik al mijn hele leven voer, kennen duizend gezichten. Ze ontwrichten al zo lang ik het me kan herinneren mijn innerlijke zijn, ziel en … Lees verder Schaamrood

Vel…

Het was laat op de morgen dus zat ik daar zoals dat de laatste tijd wel vaker gebeurt, verborgen achter een leesbril, een krant en een kop koffie, de dag in gedachten weg te dromen en mijn rug te warmen aan een terrasvuurtje. De krantenkoppen die me voor de ogen schoven konden mijn aandacht niet vangen. Misschien omdat die dingen me steeds opnieuw opstandig maken of omdat het nieuws dat ik onder ogen krijg bijna nooit met mijn humeur overeenstemt. Dat blad was dan ook niets meer of minder dan een handige dekmantel om ongestoord en onopvallend naar mijn kleine wereldje te kijken. Waarom het gebeurde weet ik niet meer precies maar opeens vielen mijn handen me op. Ze lagen beiden met de palmen naar beneden op de tafel en verhinderden de gazet om weg te vliegen. Mijn handen vertoonden kleine rimpels en groeven alsof de poriën met de tijd groter en dieper geworden waren. Aan handen zie ik eerst dat mensen ouder worden, dan pas aan denkrimpels of kraaiepootjes. Mijn handen waren even snel oud geworden of waren aan hetzelfde tempo verschrompeld als de rest van mijn lijf. Dat is nu eenmaal zo, bij mij is het niet anders, ik kon daar niks aan veranderen dus berustte ik erin terwijl ik de vuurkegel van mijn sigaret even gloeiend heet trok als de vuurtjes die mijn rug verwarmden. Mijn lijf, kennelijk moest ik er een lange tijd in doorbrengen als personages waar ik niet op leek alvorens ik kon zijn wie ik echt ben. Soms denk ik dat ik ze allemaal te lang ben geweest, de vreemde heerschappen waar ik me van moest ontdoen en me helemaal moest van bevrijden, alvorens ik toegang kreeg tot mezelf, een beetje zoals een slang zich elk seizoen ontdoet van haar dode huid. De ergste bijwerking van ongelukkig zijn is niet zozeer het ongelukkig zijn op zich maar wel het gevoel dat mijn zorgeloosheid langzaam verdween zodat ik geen slappe lach meer kon krijgen en ik me niet meer kon verliezen in lachbuien die me deden hijgen en waarvan ik buikkrampen kreeg. Ongelukkig zijn is echt oeverloos serieus maar ik bleef het niet! Telkens opnieuw en tot mijn verbazing merkte ik ook dat eens ik me in een nieuwe huid kon wurmen, ik naast de gave van tristesse ook een ongekend gezond talent bezit om gelukkig en vrolijk te zijn en terwijl ik naar mijn handen stond te gapen kreeg ik opeens de onverwachte neiging om te lachen en lichtzinnig te zijn. Het vel dat ik nu draag vertoont diepe rimpels en jeukende littekens die ik nooit meer kwijt raak maar ondertussen is het ongemerkt 2020 geworden en hoef ik mijn twijfels niet meer zo ernstig te nemen, gelukkig! Zit ik dan eindelijk toch in het juiste vel of zal ik het opnieuw ruilen voor een ander?

Sociale introvert.

In de vroegte van de achtend slokte de schuchtere herfstzon de ijzige nachtnevel op en deed de bevroren neerslachtigheid die zich de laatste dagen van mij had meester gemaakt ontdooien. Dunne laagjes ijs die zich op de schaarse plassen van de veldweg hadden gevormd kraakten bij elke stap onder mijn voeten en deden de natuur opschrikken. Bij elke pas die ik zette raakte ik meer ontroerd door iets wat ik niet onmiddellijk onder woorden kon brengen. Heel even flitste de gedachte binnen dat het mijn door de ouderdom aangetaste brein was waardoor ik mijn grenzeloze nostalgische heimwee waar ik steeds in wegzink plots aanzag voor iets verheven, als een hoger goed of zo. Hoewel ik nooit echt alleen ben geweest voel ik me wel eens eenzaam. Eenzaamheid als een uniform of overjas die me altijd al had beschermd tegen angst of pijn van het onbekende of tegen de bedreigende conclusie dat ik in mijn leven nog niet veel van waarde had gerealiseerd dat mijn levensaanwezigheid kon rechtvaardigen. Misschien vertoonde mijn overjas in het grootste deel van mijn bestaan ook wel te veel schutkleuren die altijd al dienst had gedaan als camouflage en waarmee ik me als een kameleon kon verbergen zodat ik geruisloos, ongezien en onopvallend door het leven kon kruipen. Zo ver ik kan terugdenken heb ik altijd dromen van anderen willen waarmaken en hield ik er te weinig voor mezelf over. Ik leverde gratis, in ruil voor companie tegen de eenzaamheid van mijn ingedeukte zelfvertrouwen. Om mezelf dan staande te kunnen houden moest ik eerst de regels overtreden en de normen negeren en zocht ik heil in de roes die als wegwijzer diende op de weg van maatschappelijke aanvaarding. Op de een of andere manier wou ik uit de boot vallen om gered te worden of was ik koortsachtig op zoek naar bevestiging van anderen of naar vriedschap van een vrouw of van een bende onbelangrijke lotgenoten. Nu word ik nog soms nog wel eens angstig of eenzaam van mensen die nog steeds zonder resultaat op zoek zijn naar de zin van het leven dat ik al losgelaten heb. Op zulke momenten ben ik het liefst alleen, op een afstand omgeven door eenzame mensen, als een sociale introvert. In de verte springt een ree in het dichte struikgewas, alsof het mijn gedachten kon lezen. Ben ik hier dan toch niet alleen?

Lijstjes en nummertjes.

Een er ietwat slobberig uitziende vrouw, ik schat haar vijfenveertig, is diep in gedachten verzonken en zit warm ingeduffeld op een bank in het park voor zich uit te staren. Ze maakt ingebeelde lijstjes over de dingen die haar bezighouden, die ze zeker nog moet doen en die ze zeker niet mag vergeten. Niet dat de nummercombinatie van haar fietsslot of de code van haar bankkaart zich op een van die lijstjes bevindt of dat erop geschreven staat dat ze de soep voor straks nog moet ontdooien, neen dat is het niet. Die cijfertjes zijn zo belangrijk dat ze die nog uit het hoofd kent en ze niet op een lijstje hoeft te schrijven. Op haar eigen manier bepaalt zij met een ingebeelde cataloog de volgorde van zaken die echt belangrijk zijn, en niet uitsluitend van belang voor vandaag of voor morgen of voor zichzelf maar ze maakt een ingebeelde opsomming van dingen die heel belangrijk zijn voor de het dorp, voor de stad, voor het land of op het minst voor de hele wereld. Ze kan daar nu tijd voor maken want ze was toch aan het dromen en de wolken beginnen al op te trekken. Lijstjes maken is heel belangrijk in de kringen waarin ze elke dag vertoeft. Niet dat de mensen waarmee ze dagelijks omringd is, zich bekommeren over lijstjes die zij schrijft want de meesten onder hen zijn te druk in de weer met hun persoonlijke lijstjes. Als bejaardenhulp in het rusthuis krijgt ze namelijk alle dagen van de week te maken met dementerende oudjes die, om niet te vergeten lijstjes maken van dingen die voor hen belangrijk zijn. Die kattenbelletjes slingeren dan her en der rond of verzamelen zich in een schoendoos op de vensterbank zodat de volgeschreven papiertjes hen er steeds aan herinneren dat ze niet vergeten wat ze die dag niet mogen vergeten. Op al de lijstjes van alle dementerende oudjes van alle kamers van het rusthuis vind je naast een vergeelde foto van hun geliefde partner, de geheime code van de bankkaart die ze al lang niet meer bezitten omdat de kinderen al die belangrijke dingen zelf op hun eigen lijstje hebben gezet.

Ik betrap me er zelf op dat ik ook lijstjes bijhoud en dat zelfs die indexen al ziekelijke vormen beginnen aan te nemen.  Zo leg ik al een tijdje lijstjes aan van dingen die ik niet mag vergeten te zeggen of van woorden die ik kan gebruiken voor mijn schrijfsels. Ik bewaar ze in een brillendoos die ik overal naartoe zeul omdat mijn leesbril daar ook in zit en ik anders de lijstjes niet kan lezen die ik erin bewaard heb. Als ik vlug ben, tel ik vijftien kleine papiertjes en als ik eerlijk ben, zijn het er twintig. Thuis bewaar ik napoleonsnoepjes, pepernoten, chocolade en koekjes, ook allemaal in hun eigen doos maar dat is iets anders en heeft dat eerder te maken met mijn compulsief-neurotisch karaktertrekje. De brillendoos, dat is wat anders, daar leef ik naarstig in en ik word er actief van of helemaal passief. Ik zal de briefjes die ik erin bewaar nooit vroegtijdig weggooien omdat ze tot me spreken en ze me toe roepen: ‘niet vergeten, niet vergeten… let op dat je het niet vergeet.’ Niet dat ik van die vergeet-mij-nietjes in paniek raak hoor want ze geven me houvast maar als ik dan toch eens begin te twijfelen keer ik terug naar mijn versterkt kasteel, naar mijn vertrouwde brillendoos.

De oudjes in het rusthuis worden net zoals mijn vader zaliger ook elke dag door lijstjes en briefjes toegeschreeuwd, en worden net op dezelfde manier elke dag toegeroepen door wegglijdende gedachten op papier.  Op die briefjes houden ze voor zichzelf bij op welke knop zij moeten drukken en op welke knop zij absoluut niet mogen drukken, door wie ze worden opgehaald en door wie ze worden vergeten, en dat ze best gaan zitten als ze moeten pissen. In de liefdesbrief die mijn vader elke dag schreef, stond telkens geschreven dat hij het haar morgen niet mocht vergeten te vragen.  Elke dag opnieuw schreef hij in hanenpoten de pincode van zijn bankkaart op een briefje dat hij in de schoendoos op de vensterbank stopte tussen minstens dertig briefjes waarop dezelfde nummertjes geschreven stonden.  Nummertjes die ooit zo veel belangrijker waren dan het grootse wereldprobleem maar die nu enkel nog maar vier nietszeggende getalletjes meer zijn.

Kunst met grote C, Cultuur met grote K!

Aan het drukke kruispunt van de Stationsstraat staat een schalkse, oude grijsaard al minstens vijf minuten krom gebukt over zijn rollator geduldig te wachten tot hij de straat kan oversteken. Auto’s en fietsers rijden druk af en aan, voetgangers passeren maar gunnen de oude snaak geen blik.  Aan zijn looprek op wielen bengelen zeker twintig sleutelhangers, minstens evenveel beertjes en drie ballonnen, een gele, een rode en een zwarte. Met het rode verkeersbord, maximum 30 dat aan zijn rollator is vastgemaakt, steekt hij subtiel zijn middelvinger op naar de haastige mensenstoet die ongedurig voorbijraast.

‘Zal ik even helpen’, vraag ik enigszins bemoeiziek aan de verhakkelde rollatorvriend.

‘Met wat? Gaat ge me mijn jonge benen teruggeven, of gaat ge mijn geld afpakken misschien’, antwoordt hij niet-gespeeld brutaal. Ik neem de koddige oude snuiter onder de ene arm, steek mijn andere in de lucht om de aanrijdende auto even te stoppen en help hem rustig naar de overkant van de straat.

‘Waar heb ik dees aan verdiend’, zei hij hijgend, met trillende stem en met een tongval die me deed vermoeden dat hij uit de streek afkomstig is. Met zijn glazige ogen die dankbaarder keken dan de dienst die ik hem maar bewees, grijnst hij een glimlach zo breed dat de twee nog resterende tanden van zijn eetkamer zichtbaar worden.

‘Teneuste maand word ik 93 en dees heb ik nog nooit van mijn leven meegemaakt en ik heb zelfs nog in den oorlog gediend.  Zal ik U om U erkentelijk te zijn, in de rapte een boerreke betalen, hier op den hoek, als ge er den tijd voor hebt tenminste’, en hij wees naar een café dat minstens even oud was als hijzelf en dat misschien ook nog dienst had gedaan in dezelfde oorlog als waar hij kwam uitgewandeld. Witte Cyriel, want zo bleek hij te heten, deed zolang over zijn geribbeld glas bier dat het schuim van zijn kraag al lang verdwenen was om er nog met enige smaak van te kunnen van genieten. Zijn oude ratel stond geen twee seconden stil en hij vertelde onophoudelijk over de oorlog, over de zwarte hand en over het verzet waar hij naar eigen zeggen deel, had van uitgemaakt.  Als hij van zijn pintje nipte leek het alsof hij alleen maar zijn lippen bevochtigde om zich zo telkens opnieuw met heimwee een zoete hopkus te gunnen.

De toevallige verhalen van Witte Cyriel waren even warrig en gammel als actueel maar ik hoorde en zag gelijkenissen met wat zich deze week onder onze neus voltrok. Haast machteloos en met lede ogen kijk ik toe hoe een nieuwe autoritaire orde zich opnieuw installeert. Een nieuwe autoritaire orde die met strikte regels zoals kleur, afkomst en gedacht en met verwerpelijke termen zoals IS-kinderen, vreemdelingen of illegalen, kunstenaars of echte Vlamingen beslist wie tot te hunnen mag gerekend worden en wie niet. Wie niet voor is, is tegen en wordt beschouwd als verrader van de goede zaak en zal het zwijgen worden opgelegd. In die nieuwe orde en met een passende Culturele Canon zal voortaan bepaald worden wie de rechtmatige verdediger mag zijn van de juiste Vlaamse Belangen en van de utopische waanideeën voor een zuivere Vlaamse Natie. Dat de kracht van culturele diversiteit verreikend is en dat die een ruime maatschappijvisie kan versterken, en bovendien winstgevend is, is een realiteit die miskend wordt en als bedreigend wordt aanschouwd. Censuur is geen censuur, maar met stemmingmakerij en afkalving kunnen tegenstanders van de unitaire natie ook gemuilkorfd worden en kunnen ze via de sociale media propaganda ook subtiel geportretteerd worden als subsidie-slurpende geldverspillers of als een niet legitieme elite die de nieuwe autoritaire orde bedreigen als ze niet vernietigd worden. De pleitbezorgers van die nieuwe orde eigenen zich dan nog het recht toe, al dan niet legitiem verworven in naam te mogen spreken van een volledig machteloos en bedreigd volk.

Maar in alles zitten scheuren, scheuren die af en toe een beetje licht binnenlaten zodat we nog zien wat we zeggen zodat we eindelijk inzien dat de realiteit een mogelijkheid is die we ons niet kunnen permitteren om ze te negeren. Als miserie en rottigheid helemaal gegist is ontstaat er misschien een schok die zich verderzet en zich vernieuwt zodat de retoriek van de politieke vijandigheid eindelijk kan plaats maken voor een beetje culturele vriendelijkheid. En anders worden we met zijn allen maar schizofreen in een onbekende dictatuur die de openbare stem helemaal verbiedt en ze het zwijgen oplegt maar dan zal ze ondergronds als een furie spreken tegen oren die wel zullen luisteren.

Kunst en cultuur zijn het bewijs van leven… als je dat doodt dan dood je het!