Nieuw servies.

In bijna elk verhaal heeft ze een rol, soms als hoofdpersonage, soms als figurant, al kan ze ook verschijnen in een situatie, waarin we ons zomaar zouden kunnen bevinden mocht het gesternte daar ooit zo over beslist hebben. Zichzelf heeft ze er nog nooit in herkend, in die ogenschijnlijk verzonnen situaties omdat ze die haast nooit leest. En dan denk ik dat ze ergens diep in mij verborgen moet zitten, zoals een virus waarmee mijn afweersysteem geen raad weet, of misschien houdt ze zich schuil in een of andere lichaamscel die nog niet ontdekt is door de wetenschap. Hoewel de symptomen onduidelijk zijn en de gevolgen ervan op lange termijn onzeker zijn, is het ziektebeeld grillig en onvoorspelbaar. De enige heilzame behandeling bestaat eruit om aan de hand van gekrulde woorden de illusie te creëren alsof alles in de realiteit ooit echt is gebeurd, dat de verzonnen situaties zich echt hebben voorgedaan en dat de andere figuranten ook werkelijk hebben bestaan. Dat alle dimensies uit mijn dromen voorhanden zijn en dat die mij als uitverkorene van de hallucinatie een feitenrelaas laten schrijven, over situaties die alleen maar voor mij en haar kristalhelder zijn.

Over kristal gesproken trouwens. Waarom het eerste wat ik vanochtend deed een tandenstoker zoeken was, weet geen ziel en waarom ik net dat kristallen potje waarin ze zaten uit mijn handen liet vallen, weten nog minder mensen. Wat ik wel met zekerheid weet is dat het kristallen glaasje nog van mijn oma zaliger is geweest en dat ze dat onding ooit als trouwcadeau gekregen heeft van een of andere grootnonkel die ze van haar of pluim gekend heeft. Waarom ik dit vertel weet ook niemand en ik begin me stilaan af te vragen hoe dit verhaal is kunnen ontstaan omdat blijkbaar niemand van de echte feiten op de hoogte lijkt te zijn. Waarschijnlijk vat dit voorval gewoon goed samen hoe het met de dingen gesteld is deze dagen. Alles lijkt uit mijn handen te vallen.

De tandenstokers heb ik ondertussen in een nieuw glazen potje gestoken. Eentje dat me geen verhalen uit het verleden te vertellen heeft.  Het enige waartoe dat nieuwe aperitiefglaasje – waarin nu de tandenstokers zitten – ooit gediend heeft, was om er een fijngesneden zalmtartaar in te serveren op dat verrassingsfeest, wanneer ik de toen al respectabele leeftijd van veertig jaar bereikt had. Wat een feest was dat, ik kan me nog precies voor de geest halen dat …. *droomt weg*

Ik ga in mijn zetel hangen en kijk naar buiten, naar de zwemvijver waarin goudwindes naar vliegende mieren happen die bij dit weer massaal uit de lucht lijken te vallen, alsof na de sprinkhanenplaag de vliegende mierenplaag de nakende exodus lijkt aan te kondigen. Ik ga het zover niet laten komen. Ik ga een nieuw servies kopen, één met borden en glaasjes zonder verwrongen herinneringen.

Erotisch verhaal.

Vroeger had je alleen een dikke kop. Nu heb je ook nog een dikke pens – zeker wanneer ik naar je kijk, en je in je zwembroek voor mij in profiel staat. Je praat ook altijd met je mond vol en er groeit haar uit je neus, en ook uit je oren’, voegt ze er even later nog aan toe. ‘Hoe lang is het trouwens al geleden dat jij nog eens iets gedaan hebt. Jij doet nooit iets. Niks steek jij uit. Als ik niet alles zelf doe, gebeurt hier niks.’ En ik gebruik in deze zin met opzet het woord niks, omdat dat een iets assertieve nuance heeft dan het meer neutrale woord niets, maar deze bedenking doet niets ter zake in hetgeen ik wil vertellen.

Natuurlijk leef ik al lang genoeg met mezelf, om te weten dat ik niet echt een werkmier ben.  Maar ‘nooit iets’, dat steekt toch een beetje. Ik heb namelijk – om maar ‘iets’, wat me onmiddellijk te binnenschiet te noemen – daarnet nog twee kippen gebraden en aardappelen gebakken met sla, komkommer en tomaten. Voor alle duidelijkheid de tomaten, sla en komkommer heb ik niet mee gebakken want daar zou ze dan met recht en rede over kunnen zeuren. Neen, tussen de sla heb ik gewoon een busseltje fijngesneden tuinkruiden gemengd.  Dus, ‘ik nooit iets en zij alles’, is niet de eerste bewuste leugen van de dag waaraan zij zich schuldig maakte. Weet zij trouwens veel dat ik al de hele dag al mijn zintuigen loop te pijnigen en dus in gedachten veel hogere bergen werk heb verzet dan zij.  Alleen, zij wordt daar niet moe van. Daarbij, daar hebben die drie extra Corona-kilo’s – die zij, geheel ten onrechte trouwens, als een dikke pens ziet – niets mee te maken, want toen ik mezelf daarnet in de spiegel bekeek, merkte ik nauwelijks een verschil met het beeld dat ik gewoon ben. Oké ik ben drie kilogram bijgekomen, een beetje corona-vet, so what? Ik zal op deze aardkluit niet de enige zijn.

Dat van die dikke kop, dat is niet gelogen. En nu ze dat gevoelige onderwerp aangesneden heeft, probeer ik me de mensen voor de geest te halen die me dat ooit nog gezegd hebben. ‘Varkenskop’ en ‘dikkop’ zijn woorden die me vaak naar mijn grote kop geslingerd werden, al moet ik bekennen dat sommige uitlatingen toch met iets meer subtiliteit geuit werden. Ze vroegen me dan langs hun neus weg, ‘fluit jij in de sauna?’ of ze benoemden mijn voorgevel – met iets vriendelijkere bewoordingen –  als ‘karakterkop’. Ik zeg dat nu zomaar en helemaal zonder posttraumatische gevoelens, en alleen maar omdat mijn smikkel er – op een paar rimpels na –  nog altijd min of meer hetzelfde uitziet.

Zou het dan kunnen dat zij zichzelf – nu ze zelf in de schemerzone van haar leven is aanbeland – een nieuwe rol wil toe-eigenen?  En dat ze – nu de dagen zich even onvoorspelbaar gedragen als vrouwen die zich in de schemerzone van hun leven bevinden – nachtmerries krijgt van de “realiteit”, waarin ze mij voor het eerst met mijn groot hoofd op een bezem – pratend met mijn mond vol – elke nacht voorbij ziet vliegen? Het zou begot zomaar kunnen!

Deze woorden zijn misschien geen literaire hoogstand of mijn allerbeste schrijfsel, maar het is alleszins een aanvaardbare poging tot iets waar een echte schrijver en lezer iets mee kan aanvangen. En het gaat zeker niet over zoiets waar een volwassen man beschaamd over moet zijn of waar hij zou van moeten beginnen blijten, tenzij het hem als schrijver zelf overkomt natuurlijk.

Misschien moet ik me toch maar eens wagen aan een erotisch verhaal en het zou zomaar als volgt kunnen beginnen… Weet je, vroeger had je ook al een dikke kop, maar toen was je ook nog onweerstaanbaar sexy, sportief en had je het uithoudingsvermogen van een bronstige dekhengst. Nu heb je alleen nog een dikke pens – zeker wanneer ik naar je kijk, en je in je zwembroek voor mij in profiel staat. Wist je trouwens dat ik me mateloos erger me aan het feit dat je altijd met je mond vol praat en dat er haren uit je neus, en uit je oren groeien, maar toch zou ik willen dat je me nog eens alle kanten van het bed laat zien.  Zoals vroeger en ik zal dan fantaseren dat je even wild, onweerstaanbaar sexy en sportief bent zoals toen en dat je nog altijd over dat uithoudingsvermogen van een bronstige dekhengst beschikt waarmee je mij toen kletsnat…

Zever.

Half elf zal het geweest zijn, of misschien iets vroeger of later, dat weet ik niet precies meer, want de letters van mijn digitale wekker waren verdwenen, omdat de batterijen plat waren. Drie uur eerder was dat nog niet het geval. Toen had ik nog gedacht, ‘een half uurtje nog, hoogstens.’ Het zijn er dus drie geworden. Niet dat ik gisteren de intentie had gehad om vandaag een gat in de dag te slapen, maar mijn lijf en de batterijen van mijn wekker hebben daar anders over beslist. Mocht ik nu met mijn lichaam in discussie kunnen gaan, gesteld dat ik dat überhaupt zou kunnen, ik zou één zekerheid hebben. Ik zou mijn pleitdooi verliezen, want de afgelopen weken, maanden zelfs, zijn hectisch geweest. Er is heel veel, en tegelijk niks gebeurd. Er is rondom mij zoveel gebeurd waar ik niks van verstaan heb. Ik heb er zo weinig van onthouden en zo weinig van begrepen, dat ik er onmogelijk een zinnig woord over op papier kan zetten. Mogelijks omdat ik te veel met mezelf ben bezig geweest, of met de besognes van anderen, dat kan ook, want dat overkomt me de laatste jaren ook wel meer, maar ik dwaal af. Ik wou zeggen dat ik een beetje vermoeid ben, want van ingehouden verhalen en opgekropte vertelsels wordt een man moe, tenminste als je de tegenslag hebt om met een geest als de mijne door het leven te moeten gaan. Wanneer verhalen door een samenloop van omstandigheden – laat me het zo zeggen – in de gevangenis van mijn brein blijven vastzitten zoals stoofvlees dat veel te lang drooggesudderd is, dat van de saus en van het draadjesvlees niets meer overblijft dan een bruine wansmakelijke aan de pan vastgekoekte smurrie.

De afgelopen dagen schrijf ik op Telenet aan artikels die geen kat leest. Maar voor het eerste keer in mijn schrijversloopbaan doe ik dat in opdracht van iemand die de onderwerpen belangrijk genoeg vindt om er anderen mee lastig te vallen, en dat heeft voordelen. Voor het eerst schrijf ik tegen de klok. Daardoor kan ik niet wegdromen op facebook of laterfanten op messenger. Ik kan me niet permitteren om uit te stellen tot morgen wat vandaag moet gepubliceerd worden, en dat maakt me productief. Productief met onzin en zever, maar wel productief. En dan vraag ik me af, nu ik deze woorden tik, of het me zou helpen, indien ik in mijn volgende boek dezelfde zever zou verkopen, tegen dezelfde strakke deadline. Zou dat laatste manuscript dan ook eindelijk ook nog eens een boek kunnen worden? Ik vraag het me af. Maar er is de laatste tijd door corona en, door de politiek – om over thuis maar te zwijgen – zoveel gebeurd dat ik de dingen die ik wel begreep en vermeldenswaardig genoeg vond om er een verhaaltje aan te wijden, vergeten ben. De ideeën die eens fris waren, zijn nu zo uitgerafeld als het kapot, te dikwijls en te heet gewassen stofje dat je niet meer kan zien dat het ooit een fraaie blouse geweest is.

Maar wat als ik me morgen nu eens zou afzonderen, en hetzelfde ritme zou kunnen hanteren, als de zever die ik op Telenet verkoop, zou het dan zomaar kunnen dat deze gestarte tekst binnen twee drie weken een boek zou kunnen worden? En zou het dan wèl gelezen worden? En waarom zou die snel ineen geflanste zever dan opeens meer gelezen worden dan de kul die ik al jarenlang schrijf, en die geen sterveling leest, maar waarop ik soms dagen of weken heb lopen kauwen?

Waarschijnlijk omdat het wellicht even grote zever zal zijn als deze die ik gewoonlijk uit mijn pen wring.

Verwacht me niet!

Ik moet er dringend uit. Ik moet ontsnappen, even wegglippen uit de race. Noem het gerust een retraite of een ongedwongen isolement. Sinds vorige jaar – en ik moest daarvoor eerst mijn vijfde kaap nemen – probeer ik af en toe dat ik-momentje in te lassen. Het gedurende maanden opgesloten zitten in mijn corona-gevangenis, heeft die drang naar escapisme alleen maar aangewakkerd en versterkt. Ik wil niet suggereren dat ik diep-ongelukkig loop, dat ik de weg kwijt ben of dat ik geen deel meer uit wil maken van mijn eigen omgeving, zeker niet. Het enige doel dat ik ermee voor ogen heb, is om me eventjes te ontdoen van alle kettingen die ik het hele jaar meegesleurd heb.  Die ‘big escape’ heeft als gevolg dat ik me even in een andere werkelijkheid kan onderdompelen en mag wegduiken in mijn eigen fantasiewereld zonder er anderen mee op de zenuwen te werken. Op weg gaan, met mezelf als enige compagnie kan soms best lastig zijn omdat het alleen mijn eigen stem zal zijn die terugroept als ik iets in mijn reflectiekamer gooi. Het voordeel is wel dat ik nadien de echte realiteit weer beter kan appreciëren. Als je hard met een hamer op je duim slaat gaat de vanzelf pijn over wanneer je ermee stopt! De enige ambitie waarmee ik op pad ga, bestaat eruit om mijn eigen ritme te vinden en om daar gedurende een paar dagen onvoorwaardelijk trouw aan te zijn. Om er één mee te worden, zeg maar. Zonder van iemand afhankelijk te zijn, zal ik eten wanneer ik honger heb, drinken wanneer ik dorst heb en rusten wanneer ik moe word, al weet ik begot niet of dat straks op een mat, in een bed of op een luchtmatras onder de blote hemel zal zijn.  Mijn enige hoop is gesteld op een weids meer, een lange rivier of een niet al te hoge berg. Op zich maakt het niet zoveel uit, zolang ik er maar voldoende ruimte vind om er mijn hoofd mee op te vullen. Ik zal geen reisplan volgen en geen drukke autosnelwegen. Ik zal me niet haasten en ik wil geen gedoe met deadlines. Ik zal dan ook steevast elke obligate toeristische attractie mijden als de pest of als Covid19. Gelukkig heb ik daarin de laatste maanden al een beetje ervaring opgebouwd. De kans is trouwens niet onbestaande dat de enige opwinding waar ik mezelf aan zal blootstellen, de aanbeet van een vis zal zijn en het vuur waarop ik hem zal roosteren.  De enige reisgezel die welkom is en die me mag vervoegen is mijn persoonlijke schoot-Taiwanees, want hij is een echte ‘Dell’. Ik beschouw het als een voorrecht dat hij meegaat omdat ik aan hem alles kwijt kan. Hij sputtert nooit tegen. Integendeel hij geeft me steeds gepast advies wanneer ik hem iets toevertrouw. De enige ergernis die hij bij me veroorzaakt, ervaar ik wanneer hij een fijn gekarteld blauw lijntje trekt onder een pas gesponnen zin, om me aan te geven dat ik het weer allemaal veel te moeilijk aan het maken ben en ik te veel woorden gebruik om het nog een zin te noemen. Of wanneer hij zich in het rood ergert omdat ik weer een nieuw woord heb uitgevonden of wanneer ik nog maar eens de conventionele spellingsregels nog aan mijn laars heb gelapt. En op die momenten zal hij zo hard op mijn lief lijken dat ik zal snakken naar de thuisdrukte en naar de vraag waarom mijn onderbroek niet in de wasmand ligt of naar het verwijt waarom de vaatwasmachine nog vol zit.

Maar veel eerder hoef je me niet terug thuis verwachten!

Emotioneel failliet.

‘Maar, jij hebt wel de moed gehad om je te bevrijden en een streep onder jouw verleden te trekken en het kost je ogenschijnlijk geen enkele moeite om daarover te spreken.’ Meer dan eens worden er bloemen in mijn gat gestoken wanneer een gesprek op mijn terrein gevoerd wordt, over taboeonderwerpen die de meeste mensen liever uit de weg gaan. Het is niet omdat ik me ervaringsdeskundig mag noemen inzake depressie, identiteitscrisis, of verslavingsafhankelijkheid, dat ik me ervoor hoef te schamen of dat ik dat stinkende potje gesloten moet houden. Ik denk eerder dat het tegenovergestelde waar is en dat het kwijtraken van mijn obscure, gespeelde elegantie een essentiële voorwaarde was om te stoppen en om stappen naar geluk te kunnen zetten. Iemand heeft me dat zelfs ooit – zonder een blad voor de mond te nemen – in mijn gezicht gesmeten. ‘Door alleen maar vriendelijk te lachen, je charmant op te stellen en over de lieve vrede te waken, zonder aan jezelf te werken en je eigen lastigheid in de ogen te kijken, zal je er niet komen.’ Ik herinner me nog dat ik toen met een gespeeld groot ‘bakkes’, antwoordde dat ik het wel op mijn manier zou doen en dat mijn ‘er’ niet noodzakelijk de hare moest zijn. Nu weet ik zeker dat die weerspannige repliek alleen maar diende als een brutaal afweermechanisme om mezelf niet bloot te hoeven geven of om niet aan mezelf te moeten schaven. Splinters in de ogen van anderen vallen nu eenmaal altijd harder op dan de houtspaanders in je eigen ogen.

Mijn ego was een lange tijd veel te groot om goede raad ter harte te nemen. Ik wist beter. Ik zag de chizzle van anderen duidelijk, maar praten over mijn persoonlijke demonen, tekortkomingen en gebreken zag ik als een teken van zwakte, als een soort van falen. Ik had mezelf dan wel ‘droog’ gedronken waardoor het af en toe goed ging maar veel vaker was het vechten en doorduwen op karakter waardoor ik me soms nog mistroostiger voelde dan vroeger en weerspanniger werd dan ooit tevoren. Bijna dagelijks stond ik me in de spiegel te inspecteren en me af te vragen wat ik toch verkeerd deed en wanneer mijn leven eindelijk zou gaan veranderen.  Pas toen ik een beetje inzicht kreeg hoe ik zelf in elkaar zat en het besluit kon nemen dat het niet goed was voor mijn mentale gezondheid om meer tijd te spenderen aan de problemen van anderen dan aan die van mezelf, kreeg ik de kar gekeerd. Op het moment dat ik bijna emotioneel failliet was heb ik de denkbeeldige v.z.w. ‘Jan op de eerste plaats’ opgericht, niet uit egoïsme maar uit pure noodzaak.  Door niet te blijven navelstaren naar de problemen van anderen heb ik het gat in mijn eigen buik ontdekt.

Ik ben op mijn hoede om te zeggen wat je moet doen, want we moeten al genoeg maar ik nodig iedereen uit en raad iedereen aan om een stapje verder te gaan in jezelf. Waarschijnlijk zal je onderweg kampen met twijfel, met een persoonlijke crash of met woede-uitbarstingen maar weet dat die noodzakelijk zijn en een bevrijdende werking hebben om die stap verder te kunnen zetten. Een mentale crash is nu eenmaal een psychische reboot die soms nodig is om dat andere pad te ontdekken! Trek de stekker er maar uit!

Zacht vallen.

Toen ik sprong, wist ik niet waarin. Geen flauw benul had ik. Bang was ik wel want ik wist niet wat me te wachten stond. Triestig was ik ook, maar misschien was het beschamende gevoel gefaald te hebben en niet weten hoe de kar te keren, om weer een spoor te vinden, wel het pijnlijkste. Mijn leven, als je dat toen zo nog kon noemen, was één grote rotzooi. Nergens nog vond ik moed, hoop of kracht om het anders te doen, niet bij mijn lief, niet bij mijn kinderen en ook niet bij familie of vrienden waarvan ik er een hoop had. Die ‘berg’ vrienden was minstens even hoog of zelfs hoger dan de puinhoop die ik van mijn leven had gemaakt, maar hij was niet hoog genoeg om me niet in de verdommenis te zwelgen. Ik loog, ik bedroog en de woorden die ik brabbelde waren nog zoveel waard als de pinten waarmee ik ze doorspoelde. Al kon dat even goed wijn of iets sterkers uit de keukenkast zijn, wanneer al de andere flessen leeggezopen waren. Alles was prima zolang de flessen of kartons maar voorzien waren van een °-teken en dat er voldoende voorraad van was zodat ik me geen zorgen hoefde te maken of ik er genoeg van had om de dag mee rond te komen. Om maar te illustreren dat toen ik sprong, ik niet wist waarin.

Toen ik het besluit nam – of beter gezegd – toen ik onder lichte dwang het besluit genomen had, om het voortaan zonder te proberen voelde het aan alsof ik mijn beste vriend moest begraven, een die er altijd geweest was en die er altijd zou zijn. Wat zou mijn leven nog voorstellen of waard zijn als ik zelfs geen pintje meer mocht drinken?

Toen ik pas gestopt was, en zelfs vele maanden zoniet jaren later, keek ik nog steeds naar alcohol op dezelfde manier zoals ik het geleerd had, hoe mijn ouders het gedaan hadden en hoe de maatschappij of het overgrote deel ervan het deed. Alcohol hoorde bij het leven zoals sterven dat ook doet. Alcohol hoorde eigenlijk overal bij. Bij een geboorte, bij een overlijden en bij elke gebeurtenis die zich daartussen bevond. Elke grote of kleine situatie die zich voordeed, diende overgoten worden met alcohol of diende in- of uitgewijd te worden met voldoende ‘geestrijke drank’. (nu zeg ik liever ’geestarme drank’ omdat ik aan de lijve ondervond tot wat alcohol in staat is.) Bij elke geluk en bij elk verdriet paste een andere fles en bij elke fles hoorde een gepaste gebeurtenis. Tot er om te drinken geen gebeurtenis meer nodig was en tot ‘s morgens de ogen openen al de juiste gelegenheid was.

Nu de ‘alcholmist’ – die mijn denken, mijn voelen en mijn bewustzijn jarenlang vertroebelde en in het gareel hield – is opgetrokken, zie ik pas met welke donkere alcoholbril ik naar het leven keek. Nu pas kan ik op een heel andere manier naar het leven kijken om vast te stellen dat alcohol en de kunstmatige gezelligheid waarvoor hij zogenaamd verantwoordelijk geacht wordt, één grote illusie is, maar dat merkte ik pas toen ik gesprongen had en ik ben blij dat ik gesprongen heb want ik viel zachter dan ik dacht!

Ramen, ruiten en vensters!

Haar ranke silhouet weerspiegelt op de natte straatstenen van een steeg waarin zij al minstens honderdduizend stappen heeft gezet. Ze kent de straat als haar broekzak, toch lijkt ze helemaal verloren te lopen in haar gedachten. Ze heeft geen enkele aandacht voor de scenario’s die zich in de steeg, op dit late uur afspelen, want ze voert hevig strijd met haar eigen demonen. Het miezert hele fijne motregen die het asfalt doet blinken en waarvan je in een mum van tijd doorweekt raakt, als een dweil die niet uitgewrongen is. De vrouw die door de avond dwaalt is vooraan in de veertig of achteraan in de dertig. Ze slentert langzaam voorbij een raam van een rijhuis waarachter zich huiselijke taferelen afspelen. Onopvallend en niet met de bedoeling te gluren, kijkt zij binnen en de weerglans in de ruit verraadt de spiegel van haar gezicht. Ze is vermagerd, ‘zeker tien kilogram’, weet ze. Hoewel ze vroeger de vrolijkheid zelf was, valt het haar nu op dat haar mondhoeken helemaal naar beneden hangen en dat de rimpels op haar voorhoofd en de wallen onder haar ogen diep en donker lijken, zoals loopgraven en slijksporen van een verlaten slagveld. De rode lippen en de overdadige mascara kunnen de sporen van ingehouden verdriet amper verdoezelen. Ingebeeld ballast, maar ook echte zorgen doen haar schouders diep afhangen waardoor ze me doet denken aan Atlas die de wereld op zijn schouders torst, een beetje zoals hij geportretteerd werd op dat oud briefje van duizend frank. Gedachten, hypothesen, hersenspinsels, waardeloze theorieën en onbeantwoorde levensvragen op wie geen sterveling ooit een antwoord vond, houden haar bezig. Ze lijken zwaarder te wegen dan die wereldbol die zij ook op haar bult lijkt mee te zeulen. Het avondtafereel en de troosteloze aanblik zou Van Gogh ongetwijfeld geïnspireerd hebben tot een meesterwerk mocht hij er deelgenoot van zijn geweest. De gevolgen van het oppervlakkig leven dat zij leeft, dat helemaal ten dienste van de anderen staat en waarvoor ze altijd op de vlucht slaagt, hebben haar helemaal gesloopt, waardoor zij zelf langzaam in kleine stukjes uit elkaar is gevallen. Onwetendheid fluisteren haar angst en onzekerheid in waardoor ze er niet in slaagt haar eigen levenspuzzel te leggen. Er ontbreken veel te veel stukjes of ze heeft ze ergens in een doosje weggelegd om ze in mekaar te passen, wanneer het haar beter uitkomt, later. Het karakter van haar moeder was rechtlijnig en autoritair, zodanig dat haar eigen gedachten en emoties erdoor bepaald werden en er gekwetst en misvormd door raakten. Ze overschaduwden haar jeugd en spoken nog steeds rond bij elke keuze die ze moet maken, alsof ze nog steeds bevestiging zoekt en goedkeuring wil voor de wegen die ze inslaat. In boekjes en in romantische verhalen speurt ze naar kwetsbare personages met eenzelfde dramatische levenswandel, om die van haar er minder rampzalig te laten uitzien. In de miezerige stilte schreeuwt ze om gezien en gehoord te worden door iemand die haar struggle begrijpt maar niemand ziet of hoort haar. Plots krijg ik zin om haar mijn paraplu te geven en haar te zeggen ‘He daar, kijk eens vooruit! Kijk eens naar de horizon voor je in plaats naar de afgrond achter je. Loop eens fier en met een rechte rug. Kom eens los van die dwingende gedachten en trek je eens los uit je verleden. Steek desnoods een sigaret op, straks onder je dampkap want je moeder is er niet meer.’ Maar ik doe het niet. Langzaam slentert ze verder naar een volgende gevel en naar een volgende raam, in de hoop om daar een beeld te vinden waar ze een beetje vrolijker van wordt en waar ze hoop van krijgt.

Daarom moeten negers weg!

Mocht de mogelijkheid bestaan dat één ‘neger’ door één standbeeld te slopen ooit een ‘blanke’ zou kunnen worden, ik ben zeker dat Michael Jackson, Mount Rushmore al lang met de grond had laten gelijk maken.

Vooraleer controverse ontstaat over de woorden ‘neger’ en ‘blanke’, Halt!

Alvorens sommige fanatieke witten (de blanken) hun persoonlijke ‘Vlaamse culturele vrijheid van meningsuiting’ veilig willen beginnen stellen door moord en brand te schreeuwen omdat hun cultuur bedreigd wordt omdat het n-woord uit het taaleigen zou kunnen geschrapt worden. Specifiek voor hen wil benadrukken dat met het ‘n-woord’, een persoon bedoeld wordt die van nature een donkere huidskleur heeft en Afrikaans van oorsprong is en dat de betekenis niet moet worden gevonden in het n-woord dat dikwijls in Amerikaanse B-films denigrerend gebruikt wordt. Voor de volledigheid en voor de andere doelgroep wil ik verduidelijken dat met het ‘b-woord’ een persoon bedoeld wordt die van nature een bleke of pigmentarme huidskleur heeft en zichtbaar Europees van oorsprong is, al zou ik hem voor hetzelfde geld ook als ‘kleurloos’ of als ‘verbleekt’ kunnen omschrijven. Het is maar dat we mekaar goed begrijpen wanneer we zouden besluiten om elkaar voortaan verder als ‘neger’ of als ‘witte’ te blijven aanspreken, afhankelijk of je als ‘blanke’ dan wel als ‘zwarte’ geboren bent, in Afrika dan wel in Europa. Of is het allemaal niet zo eenvoudig?

Niet dus, want de definities van ‘zwart’ en ‘wit’ rammelen op zich al zo hard als lege blikken op een zinken dak tijdens een storm , want ervan uitgaan dat ‘blanken’ Europees zijn en ‘zwarten’ Afrikaans is door de realiteit achterhaald door pakweg Romelu Lukaku, Harry Belafonte of Michael Jackson en Beyoncé en bij uitbreiding door alle andere wit-Europese-Amerikanen wiens voorvaderen het land waarop zij leven van de Indianen stalen. Over de kleuren van de rassen kan echter niet gediscussieerd worden, hoewel sommige blanken uit het Noorden er soms iets roziger uitzien dan hun donkerdere soortgenoten uit het Middellands zeegebied, om de vergelijking in Europa te houden. En dan heb ik het nog niet gehad over de gekleurde mensen die qua tint toch ook niet allemaal eender zijn. Zij komen namelijk ook voor in alle schakering variërend tussen donker- en lichtzwart.

Mijn leeftijdsgenoten en ikzelf zijn van een generatie die het over ‘negers’ had wanneer de zwarte medemens, in welke kleurschakering dan ook, bedoeld werd. Mijn hele jeugd kreeg ik het flink ingepeperd dat ik mijn bord moest leegeten omdat de ‘negertjes in Afrika (er werd dan nog -tjes aan toegevoegd) geen eten hadden. In het college moest ik zilverpapier sparen voor de missieposten van ‘pater masturbi’ en ‘zuster menstrua’ die zichzelf, in naam van Jezus, als doel hadden gesteld om de ‘zwartjes’ met onze godsdienst lastig te vallen. ‘Negers’ dus en ik moet grif toegeven dat mijn kinderen, wat dat onderwerp betreft, sneller fijnbesnaard werden dan ikzelf. Om niet te zeggen dat ze zich heel lang gestoord hebben aan mijn oubollig woordgebruik. Meermaals zei mijn jongste zoon, ‘Papa, ‘neger’ (niet dat hij mij toen met ‘neger’ aansprak), ‘neger’ dat is racistisch taalgebruik.’ Omdat ik de naam van racistisch vader niet achter mij aan wou slepen, begon ik erop te letten om vanaf dan het woord ‘zwarte’ te gebruiken. Vanaf dat moment was het ‘zwarte’, terwijl mijn brein ‘neger’ bleef roepen omdat ikzelf ‘zwarte’ als meer discriminerend percipieerde dan ‘neger’. Het benoemen van de kleur van een mens was in mijn ogen net meer beledigend en nog meer een illustratie van misplaatse superioriteit en discriminatie. Ik zeg toch ook niet ‘gele’ tegen een Aziaat of ‘bruine’ tegen een Indiër ook al kunnen die soms behoorlijk zwart zijn. Moet om een volk te benoemen, kleur dan per se als primaire menselijke eigenschap benadrukt worden als je daar zelf niets kan aan doen of kan aan veranderen? Net zoals je als man of vrouw geboren wordt al kan je tegenwoordig al gemakkelijker van gender-jas veranderen als de juiste dingen afgeknipt en omgezoomd worden.

Enige tijd geleden gooide ik mijn zwart-wit-dilemma voor de voeten van een Vlaamse donker-gepigmenteerde medemens die hier geboren en getogen is en wiens dialect liet uitschijnen dat ze uit een achtergesteld gedeelte van Vlaanderen afkomstig is. Wie het was, doet niet ter zake maar het kostte haar niet veel moeite om mij als overtuigde ‘negermisbruiker’ in het zwart-witdebat tot een andere inzichten te brengen. Met een paar simpele voorbeelden deed ze dat. Nadat ze naar mijn ‘negerverhaal’ geluisterd had zei ze, Jan stel je eens voor dat er niets aan je verleden verandert. Je jeugd, je studies, het gezin waarin je opgegroeid bent, je lief en je kinderen alles blijft hetzelfde. Alleen vanaf nu moet je als zwarte door het leven. Maar geen paniek. Ook aan het leven dat je nu leidt verandert niets. Vrouw, kinderen, je werk en hobby’s, alles blijft zoals het nu is. Je blijft exact dezelfde persoon als wie je daarvoor was. Met dien verstande dan, dat als je toevallig een verkeerde Suske en Wiske-album vastneemt, het je zal opvallen dat de jouwen, steeds stereotiep blootsvoets, met Zoeloe lippen en in een strooien rokje worden voorgesteld. In de geschiedenisboeken zal je merken dat je voorouders op de wereldtentoonstelling van ‘58 als bezienswaardigheid of curiositeit werden voorgesteld, soms nog in een kooi. En aan je voelsprieten zal je merken dat mensen je subtiel minder aux-serieux nemen omdat jij toevallig een tintje donkerder kleurt dan diegene die als blanke het woord tot je richt. En als je dan niet als zwarte piet wordt afgeschilderd word je wel benaderd als iemand om medelijden mee te hebben of word je subtiel vermeden of gehaat omdat je in de zwarte kleurenminderheid zit, langs de verkeerde kant van wat als juist, als goed of als niet gevaarlijk wordt aanzien.

Wanneer ik dan in een meme op internet geconfronteerd wordt met zwarten die op dezelfde manier weggezet worden als bavianen die in het Krugerpark in Zuid-Afrika een wagen plunderen, alleen met de bedoeling om dat beeld als universeel gedrag van alle zwarten te extrapoleren, denk ik dat het is hoogtijd dat ‘negers’ in die betekenis van dat woord er uitgaan. Of althans dat aan de grondslag van dit potentieel ‘subtiel’ racisme paal en perk gesteld wordt. Of daarbij het standbeeld van die scheve monarch moet sneuvelen is een beslissing die ik met plezier overlaat aan die mensen die we al honderden jaren den duvel aandoen.

Terminus

De allerlaatste plaats waar ik zelf wilde aanspoelen was bij AA. Aanvankelijk zag ik Anonieme Alcoholisten dan ook als een terminus waarin al het bezinksel van de maatschappij verenigd was.  In mijn ogen was AA een eindpunt waar het leven gestopt was en waar in een groezelig zaaltje, wekelijks gefrustreerde kettingrokers verzamelden om elkaar rond druppende koffiethermossen te beklagen en waar de leden met zielige heimwee smachtten naar de goede oude tijd toen ze nog èchte dingen mochten drinken. Het feit dat ikzelf de ene peuk met de andere aanstak en sloten koffie uitbaggerde, ontsnapte helemaal aan mijn aandacht omdat ik mezelf zoveel hipper en beter waande dan hen. Op een laatdunkende wijze en door een bril van misprijzen taxeerde ik het tafelgarnituur als zwakkeling of als radeloze mensen die zich elke week opnieuw in een rokerige, deprimerende kamer opsloten omdat ze de saaiheid of de moeilijkheid van het leven niet langer konden verdragen en zich daarom tot elkaar hadden gewend en tot de God van de tafel. Hoe pathetisch!

Na mijn eerste kennismaking stond ik dan ook sceptisch en verdroeg ik de vergaderingen waartoe ik met tegenzin en weerstand was aangetrokken misschien nog wel als een hulpmiddel voor mensen met een echt verslavingsprobleem, (zij dus) maar toch niet voor deftige mensen (ik dus) die gewoon een beetje te graag pintjes dronk, en wijntjes, en aperitiefjes misschien ook.

Toen ik echter klaar zicht kreeg op mijn eigen destructieve relatie met alcohol en langzaam inzag dat ik zelf al jarenlang, zonder enig resultaat, traag legale euthanasie aan het plegen was, raakte ik van mijn misprijzen verlost. De mensen die ik eerst zowat haatte, maar waar ik zeker op neerkeek, bleken de eerste zielen te zijn waarmee ik sinds jaren een echt gesprek kon voeren, tenzij je het toog-gelal om vier uur ’s ochtends met een stel collega-alco-hoofden ook als een gesprek wil beschouwen. Ongeacht, leeftijd, geslacht, diploma, job of sociale achtergrond toonden de lotgenoten problemen me waarmee ik zelf kampte maar die ik nog nooit bij mezelf ontdekt had. Ze toonden me de spiegel en deelden oplossingen. Ze zeiden me dat herstel vandaag begint en dat het enige wat ik daarvoor moest doen was, het eerste glas te laten staan. Ze gaven toe waarom ze dronken en waarom ze het bleven doen, telkens opnieuw en zelfs op momenten dat ze wanhopig wilden stoppen. Ze spraken over hun manier van denken, over hun emoties en hoe ze zich voelden als grootste rotzooi van het universum, hoe ze nooit aan zichzelf dachten en ze iedereen de schuld gaven van al hun problemen. Ik absorbeerde hun verhalen, inzichten en oplossingen op dezelfde manier zoals mijn lever het al die jaren had gedaan met alcohol.

Opeens zat ik in groepstherapie en deelde er het beste en het slechtste van mijzelf en voelde me week na week lichter worden. Ik zat goed in mijn vel en voelde me beter dan dat ik me in al die decennia ervoor gevoeld had. Het komt me helder voor de geest dat ik op vrijdag op dezelfde manier begon uit te kijken naar dinsdagavond zoals ik vroeger uitkeek naar het weekend. Ik snakte naar de wijze en logische verklaringen die mijn kromme gedachten ordenden en mijn demonen deed vervagen. De vergaderingen waren leuker en zinvoller dan de vroegere tooggesprekken waarvan ik dacht nooit zonder te kunnen. Op dinsdagavond kwam ik tot rust. Die twee uren zorgden ervoor dat ik de overige honderdzesenzestig uren van die week kon volmaken. Ik was er op mijn gemak en voelde me nergens beter begrepen dan daar. Gedurende de vergaderingen bleef ik deelgenoot van onthullende getuigenissen, over hoe wrok, jaloezie en zelfbeklag hetzelfde effect op de ziel heeft als vergif drinken.

Langzaamaan begon mijn leven een andere wending aan te nemen en de AA die ik zo verafschuwde werd deel van mijn wekelijks dieet. Het werd een energiebron die noodzakelijk is om te blijven leven. Met voortschrijdend inzicht begon ik in te zien dat ik intrinsiek was voorbestemd om het AA-programma leuk te vinden want ik ben al mijn hele leven een pleaser geweest. Ik heb het al mijn hele leven leuk gevonden om met mensen te spreken. Maar ik kwam erachter dat ik mijn gedachten en emoties nog beter kon verwerken door ze op te schrijven. Als ik kan achterhalen hoe ik me voel, wat me bezighoudt en dit kan delen met iemand waarmee ik me kan identificeren gaat mijn hemel helemaal open. Als ik kan schrijven over inzicht of over vriendschap die voortkomt door me te omringen met zielsverwanten met een gemeenschappelijk doel valt al het overtollig ballast uit mijn denkbeeldige luchtballon waarop ik nu al bijna negen jaar rondzweef.

Mocht AA werken zoals routeplanners of zoals wiskunde en fysica was ik hopeloos gekloot geweest want zo gezegde rationele oplossingen hebben nooit een millimeter bijgedragen aan mijn herstel. Wanneer iemand me vroeger zei hoe ik het moest doen deed ik net het tegenovergestelde. Toch had ik nu ook een paar regels nodig al waren ze een pak eenvoudiger dan integralen en vergelijkingen die ik in mijn humaniora moest blokken om een jaar verder te mogen. Het enige wat ik moest doen was geloven, ik moest geloven. Geloven! Niet in God of in Jezus van ’t kruis maar ik moest geloven en hoopvol worden dat ik de kracht in mezelf kon ontdekken om mijn leven anders te organiseren. Zonder spiritueel of religieus te worden moest ik geloven dat ik, net als al de andere die het gelukt was om gelukkig nuchter te worden, ook kon stoppen met drinken. Hoe meer ik kon leunen op mezelf, vooruitgang maakte en stilaan hoop kreeg dat het me ging lukken, hoe meer ik tot besef kwam dat alcohol gans mijn leven had geregeerd. Ik kwam tot de bevinding dat ik minder en minder interesse kreeg om te drinken. Jarenlang had ik geprobeerd om te stoppen en te minderen. Ik had op de brug gestaan met donkere gedachten. Ik ben ooit weken gestopt maar het was me nooit gelukt om de fles af te zweren. Mocht nuchterheid gaan over sterk zijn en wilskracht tonen, was ik ook gekloot geweest want ik ben van nature een lamzak. Ik kan niet uitleggen of begrijpen wat er is gebeurd maar dankzij AA ben ik nu bijna negen jaar nuchter en heb ik geen bewijs meer nodig dat AA voor mij werkt.

Dit is geen wetenschappelijke studie. Dit is geen axioma en geen bewijs. Wat ik wel zeker weet is dat AA, werkt en levens redt en zelf ben ik daar het mooiste bewijs van. Ik wil geen zielen winnen voor AA en heb geen enkele bedoeling om mensen aan te zetten tot het afzweren van hun vertrouwde glas wijn of glas whisky.

Maar omdat AA mensen uitnodigt om op een andere manier naar het leven te kijken begrijp ik heel goed dat zij die het AA-programma ooit probeerden en niet lukten, AA op dezelfde manier haten of wantrouwen zoals ik dat deed aan het begin van mijn herstel. Maar wat ik niet begrijp is dat mensen zonder enige eerste hand ervaring schimpen en neerkijken omdat het henzelf aan moed ontbreekt of te laf zijn om de controverse van het leven, van zichzelf of van de maatschappij onder ogen te zien.

Mezelf elke dag opnieuw mogen ontdekken… dat is veel om dankbaar voor te zijn!

Brood en Spelen.

Panem et cricenses’ of te ‘Brood en spelen’. Deze legendarische woorden zijn geschiedkundig erfgoed of zouden dat moeten zijn. Ze komen uit de mond van de Romeinse criticus Juvenalis. Meer dan 2000 jaar geleden hekelde hij met deze sarcastische uitspraak het verval van het Romeinse Rijk. Door ‘brood en spelen’ te roepen, schimpte hij op de elite en probeerde hij het plebs diets te maken dat het oogkleppen ophad, stekeblind was, zich liet onderdrukken en niet verder keek dan de neus lang was.

Lang voor Juuzekes tijd en toen God nog niet geboren was, was kwaliteitsvol levensonderhoud in Rome veel te duur en lag het bestuur op apengapen. Hierdoor trokken onze ‘Omeinense kameraden krom van honger en dorst en heerste er in het hele Rijk wrevel en onvrede. Om het volk te sussen organiseerde Juul-Cezaar, paarden- en wagenrennen en bloederige gevechten tussen dieren en mensen. Op deze Romeinse Happy-Hours kreeg het plebs gratis brood en wijn toegestopt zodat ze zich niet te fel zouden roeren over maatschappelijke problemen. Ik hoef dat allemaal niet uit te leggen want deze praktijken zijn cultureel en geschiedkundig erfgoed, toch?

Tot spijt van wie het benijdt, zijn de Romeinse Keizers allemaal ‘ad patres’. Toch drukt een deel van onze politieke elite zich vandaag nog heel graag uit in de taal van de Keizer die net zo dood is als de Keizer zelf. Mocht echter door de huidige politieke elite enkel de Latijnse taal gerecycleerd worden, ik zou dat nog kunnen kwalificeren als een eerbetoon aan cultureel, geschiedkundig en politiek erfgoed, maar bon ze hebben besloten om een stapje verder te gaan. ‘Abusus non tollit usum.’

Aangzien Juvenalis net zo dood is als Juul Cezaar, zal ik het maar roepen.

‘In vino veritas’. In wijn zit waarheid’, wellicht opent, daarom de Horeca morgen haar deuren. Hopelijk zal het staminee dan inspiratiebron zijn voor meer maar vooral voor beter inzicht. Begrijp me absoluut niet verkeerd. Ook ik snak naar koffie en gezelschap op een gezellig terras want net als het Romeinse Rijk toen ligt de Horeca nu op apengapen en kan deze best wat steunmaatregelen gebruiken. Maar als de economische relance in het algemeen en de opwaardering van de zorgmaatschappij in het bijzonder, alleen moet komen van een BTW-verlaging en van wat drinkgeld voor het plebs neigt deze maatregel naar ‘Brood en Spelen.’

‘Ad Fundum’ of ‘Ad Libitum’ maar doe zoals Juvenalis en kijk verder dan je neus lang is!

Tuig met een das

Beste teerbeminde Vlaming, wie ik een warm hart toedraag,

Mag ik me even tot U wenden met dit kort briefje. Ik ken U niet persoonlijk maar hoop stellig dat U het goed maakt en dat U en uw naasten gespaard zijn gebleven van groot Corona-onheil. Mocht dat niet zo zijn, spijt me dat. Toch ben ik overtuigd dat U hoop, moed en kracht zal vinden en dat U goed omringd bent om de last te dragen en uit het dal te klauteren. Want, wij Vlamingen kunnen dat. Wij zijn veerkrachtig en kunnen wel wat tegenslagen aan. Wij zijn niet de eerste de besten. Caesar zei dat al. “Die Galliërs” want zo noemden hij ons toen, “dat is een taai volkje.”

Taai zijn we maar boos kunnen we ook zijn.

Ik ben het alleszins. Sterker nog, ik kook want als ik zie hoe de regering bij monde en gratie van het N-va, “het nieuwe normaal” tracht vorm te geven, wint bij mij boosheid het van vrolijkheid.

Nochtans, toen ik vanmorgen mijn ogen open sperde had ik niet de intentie me op enige gramschap te laten betrappen. De negatieve krantenberichten zouden niet de kans krijgen om mijn humeur te besmeuren omdat ik vast besloten had ze niet te lezen.

Tot daarnet. Meer uit verveling dan uit interesse (mijn gramschap weet je wel), heb ik in een onbewaakt moment toch de dagelijkse tijding opengeslagen. Na twee krantenkoppen had ik al meer zin om er mijn barbecue mee aan te steken dan om me er als plichtbewuste burger verder mee te informeren. Uiteraard moet het vandaag gaan over relance-maatregelen om ons dagelijkse leven min of meer terug te winnen en te bekostigen. U en ik hebben namelijk al lang genoeg in ons kot op elkaars lip gezeten.

Maar de krant dus. Toen ik ze openvouwde en van mijn koffie slurpte las ik bij monde van Jan Jambon volgende uitspraak in vette rode letters: “Alleen bedrijven die voor de Corona-crisis gezond waren, moeten we er met steunmaatregelen door trekken.” Ik kon een frons nog net onderdrukken want ik ben van mening dat bedrijven in moeilijkheden ook nog bijdragen aan de economie van dit Vlaamse land maar soit, ik ben geen minister-president en kan me zulke uitspraken niet permitteren. Maar mijn mond viel helemaal wagenwijd open toen ik de uitspraak van Ben Weyts, nota bene minister van onderwijs onder de ogen kreeg. “Voorrangsregels voor Vlaamse kinderen in de rand.  Geen tijd en energie verspillen aan inefficiëntie”.  

Nu kan je als overtuigd Flamingant fel gekant zijn tegen transfers naar Wallonië. Je mag voor mijn part Walen als luie profiteurs aanzien die liever staken dan werken maar als je maatregelen begint te faciliteren om onderscheid in kinderen in stand te houden, alleen maar omdat ze niet de taal spreken die jij graag hoort, ben je tuig met een das, niet waardig om een politiek ambt uit te oefenen en zeker niet dat van minister van onderwijs. Weyts ga je mond spoelen met bruine zeep en laat je hersenen in een keer mee spoelen.

U, beste Vlaming, U weet wel beter. U beseft wellicht ook dat de slinger een beetje naar de verkeerde kant is doorgeslagen. U neemt uw wensen niet voor waarheden en U beseft ook wel dat relance niet alleen zal komen van economische groei die onzeker is. U beseft ook wel dat we misschien best wat aandacht en centen besteden aan zorg en klimaat en dat voor wat het economische groei betreft, de sky de limit niet meer hoeft te zijn. U beseft ook dat kansarme kinderen geen voorrangsregels vragen maar gewoon dezelfde behandeling als Vlaamse kinderen in de Brusselse rand zodat zij ook op een laptop aanspraak kunnen maken al ben ik nog niet zeker of er centen genoeg zullen overschieten om de internetverbinding te kunnen bekostigen.

Fontein van de jeugd

Er bestaan mensen die elke regel van fatsoen negeren om hun leeftijd te verdoezelen, om er jonger uit te zien of aantrekkelijker. Mannen worden niet gespaard. Gilles Van Bouwel schreef er zelfs een boek over.

Persoonlijk maak ik niet zo een probleem van de voordeur die aan mijn gevel hangt, al moet ik ridderlijk toegeven dat ik geen feest geef wanneer mijn lijf of een belangrijk onderdeel ervan, het op een ongepast moment laat afweten. Natuurlijk merk ik dat mijn dagelijkse handelingen wat trager worden en dat ik psychisch een beetje minder aankan dan toen er minder haren uit mijn oren groeiden. Maar zit ik ermee?  Ik geloof van niet. Misschien, omdat ik de leeftijd der ‘patriarchen’ nog niet bereikt heb, al klinkt dat een beetje verwaand om dat zo te zeggen.

Het denken aan oude mensen doet mij afvragen: hoe oud is oud?  Ben ik echt zo oud als ik me voel of zo gammel als ik er uitzie en hoe kan ik de legendarische fontein van de jeugd haar geheim ontfutselen, gesteld dat ik dat zou willen? Met het boek van Gilles? Of bestaat er toch een andere handleiding die moet ik volgen wanneer ik de ambitie krijg om honderd jaar te worden?

Allereerst zou ik de genetische neiging moeten hebben om afkomstig te zijn uit een stam voorvaderen die dezelfde genetische neiging had om een lang leven te leiden. Verder zou ik al die dingen moeten doen waarover iedereen het al eens is dat ze gezond zijn, met inbegrip van al die saaie activiteiten zoals vet-, calorie- suikerarm diëten en het doen van gevreesde lichaamsbewegingen. Immers elke dag sporten, in welke vorm dan ook zou het leven met maar liefst vijf jaar verhogen want bijna elke bejaarde honderdjarige fietst nog op zijn hometrainer of duwt een rollator voort. Althans zo liet ik me wijsmaken. Een andere belangrijke suggestie voor een lange levensduur is het vermijden van nicotine en alcohol te vervangen door groene thee omdat daarvan wordt verondersteld dat de antioxidanten erin het levenseinde zou kunnen uitstellen. Toch blaas ik straks liever mijn honderdste kaars uit met de rook van de pijp waaraan ik op dat moment de hele dag loop te lurken, denk ik.  In de veronderstelling dat uitzonderingen de regel bevestigen, al reken ik niet al te fel op die regel.

Oude mensen en honderdjarigen in het bijzonder lijken een groep mensen te zijn die actief hebben geleefd, niet stopten met ademen en erin geslaagd zijn om de kanker, diabetes, hart- en vaatziekten en ongevallen te vermijden zodat hun pijp niet op jongere leeftijd gebroken is.

Met de vooruitgang die geneeskunde en gezondheid elke dag boeken en als er morgen geen nieuwe pandemie uit de hemel valt, is het niet ondenkbaar dat we binnenkort met zijn allen honderd of honderdvijftig worden. Indien straks zou blijken dat het toch allemaal wat tegenvalt met die leukigheid van het pensioen, mag ik me zeker het genoegen niet laten ontnemen om vandaag content te zijn, want honderd worden lijkt me een hele klus!

Misschien koop ik om mijn oud wordend mannenlijf een beetje te verzorgen het boek ‘Man-Ual’ van Gilles Van Bouwel wel, maar dan nog ben ik niet helemaal zeker of mijn ochtenderectie fors genoeg zal zijn en lang genoeg zal duren om er mijn ballen in te scheren! Ik laat het je nog weten.

Op mijn gemak!

Hypochondrie is een ernstige psychische aandoening waaraan ik zeker sterf! Als het vandaag niet gebeurt dan zeker morgen, ten laatste overmorgen. De gedachte aan mijn nakende einde, maakt me plotseling ‘kortademig’ en ‘draaierig’. Uiteraard weet ik dat ‘kortademigheid’ en ‘misselijkheid’ belangrijke symptomen zijn. Ze mogen absoluut niet genegeerd mogen. Ik weet dat want ik volg sinds het begin van de epidemie de gezondheidsrichtlijnen die Marc Van Ranst en Steven Van Gucht me op het hart drukken nauwgezet op. Met die plichtbewuste burgerzin redde ik trouwens al vele levens want wekenlang al doe ik minstens vier keer per uur ook de ‘check, check, check’ die Siska Schoeters en Ann Lemmens er zorgvuldig elke dag inpeperen. Ik waste het vel van mijn handen, verschool me achter maskers en gedroeg me zo ‘sociaal distant’ dat zelfs mijn eigen schaduw me tegenwoordig ontwijkt uit vrees dat ik hem zal besmetten.

Ondanks deze rigoureuze voorzorgsmaatregelen, lijk ik mijn eigen leven niet te kunnen redden. Haastig en min of meer in paniek ga ik op zoek naar iemand die me kan helpen. Niemand kruist mijn blikveld en even lijkt het alsof de hele menselijke soort is uitgestorven. Ben ik de laatste dino op deze planeet? Mijn ongecontroleerd in- en uit te ademen wordt met elke seconde die verstrijkt zo hevig en zo onbeheersbaar dat de vruchteloze poging om er opnieuw grip op te krijgen een beklemmende druk op mijn borstkas veroorzaakt. Mijn hart lijkt uit mijn borstkas te willen springen.

‘Het is van dattum, ik heb het ook vlaggen. The End is Nigh’. Door de ‘hyperventilatie’ en de ‘kortademigheid’ waartegen ik me fel verzet maar nu ook door de druk op mijn borst, word ik nog ‘kortademiger’ en nog ‘hypersensitiever’.  Mijn keel wordt dicht gesnoerd en koud of warm zweet loopt over mijn ruggengraat. Ik voel plots een priemende steek boven mijn slapen die me nog meer doet duizelen. Als ik niet dringend zuurstof krijg toegediend zal ik zeker bewusteloos vallen en met een kwalijke val aan mijn einde komen.  Mijn leven flitst aan mij voorbij en een paar ogenblikken later sterf ik door ademnood op de intensive-care-afdeling van ziekenhuis rivierenland een afschuwelijke dood.

Niet dus… ik moest me gewoon snel reppen omdat ik heel dringend ‘moest’ en er niet onmiddellijk een ‘passend huisje’ beschikbaar was maar geloof me dat die symptomen enorm veel gelijkenissen vertonen met covid19.

Gelukkig gaat het weer beter. Ik zit op mijn gemak en kan weer ademen!

Geduld voor een habbekrats!

Wat is het lastig en bijna ondoenlijk om te fantaseren over dingen die ik nog wil doen na de lockdown omdat ik me niet kan voorstellen wat nog zal kunnen of nog zal mogen. Als ik dat dan toch doe, (ik ben voor alle duidelijkheid nog nooit gestopt met dromen) plooi ik steeds naar het vertrouwde, gewone leven dat ik ken van voor de miserie. Natuurlijk is het onnozel om een scenario te regisseren als het script nog niet eens bestaat. Dat is altijd al zo geweest, maar nu precies nog meer dan vroeger.

Ik heb niks geleerd van de grillen en de onvoorspelbaarheid van het leven, Soms wil ik het zo, dan weer anders. In tegenstelling tot vroeger verplicht de tijd me nu echter om het restje te aanvaarden dat nog overblijft, maar ik heb het er verduveld moeilijk mee.

En opeens dacht ik aan een tafelvriend met wie ik elke week koffie drink en ooit op een van onze dinsdagavondbijeenkomsten de gevleugelde woorden sprak, “Het leven gaat over kijken naar wat er nu is, niet over wat ooit geweest is en al zeker niet over wat het ooit moet worden.”

En ik kwam weer tot mezelf en besefte dat de vraag “Wat gaan we vandaag doen?” absoluut geen onbenullige vraag zou zijn, mocht ze op dit moment aan mij gesteld worden. Het zou klinken als een soort van liefdesverklaring met een handleiding naar geluk. Maar vandaag gaat het niet of mag het niet dus wordt ze niet gesteld. Met tegenzin scheur ik een van de verpakkingen stuk van de voorraad geduld ik ooit voor een habbekrats heb aangesschaft en die ik in de kelder op een groot rek gestapeld heb. … straks wordt alles beter.

Nooit altijd!

Klinische psychologen zijn het er roerend over eens, koppels die nooit ruzie maken eindigen niet samen. “Nooit, jamais de la vie”, voegen ze daar allemaal nog vastbesloten in koor aan toe als ze Franstalig zijn. Ze beweren dat relaties die gedoemd zijn om in een doodlopende straat te eindigen, relaties zijn waarvan de waakvlam in alle rust en kalmte, helemaal in is uitgedoofd. Paren die zich hullen in stilzwijgen hebben geen schijn van kans, daarover zijn ze het unaniem eens, zelfs niet als de vonk ooit zo groot geweest is om er een uitslaande brand mee te veroorzaken.  Eens het liefdesvuur geblust is en er enkel nog prikkende rook overblijft die op de adem pakt en ogen doet tranen, is er geen lievemoederen meer aan. Dan is het boeken dicht, end of story, over en uit! Tenminste als ik op de woorden van klinische zielenknijpers mag afgaan.

Onverschilligheid, angst of geen goesting om in discussie te gaan, prijken als boosdoener op nummer één, twee en drie en hebben het grootste aandeel wanneer het erop aan komt om liefdesvuur te doven. Stom lopen, je kwaad maken of op de tong bijten, brengt dus geen zoden aan de relatiedijk. Scherpe verwijten helpen evenmin. Die belemmeren even hard als met deuren slaan of met serviezen gooien. Dat soort actie past eerder in een slecht annexatieplan waarin de tactiek van de verschroeide Aarde wordt toegepast, tenminste wanneer het er niet op aankomt om de andere de mond te snoeren maar om zinvol ambras maken.

Met weten hoe het niet hoort, ben ik geen fluit. Daarvoor hoef ik geen analyses of essays van klinische psychologen te bestuderen. IJsberen en stom lopen, kan ik al als de beste, been there, done that, meermaals en altijd met als direct gevolg dat ik een paar deksels tegen mij neus kreeg of dat ik moest wegduiken om een slecht gemikte deegrol te ontwijken omdat ik nog maar eens in die hoogoplopende altijd-nooit-discussie was verzeild geraakt en ik uiteindelijk met verbaal vuil de bovenhand dacht te nemen.

Natuurlijk ben ik nieuwsgierig om te weten waarom ik steeds opnieuw in diezelfde Ruziemakersstraat terecht kom. Het lijkt dan wel een script dat zich telkens opnieuw herhaalt en dat alles weg heeft van een steeds terugkerende droom waarvan ik nadat hij uit gedroomd is even aan de rand van het bed moet gaan zitten. Om te bekomen en om na een paar minuten tot besef te komen dat het weer maar eens diezelfde stomme repetitieve nachtmerrie was.

Natuurlijk wil ik discussiëren. Niet om gelijk te halen of om mij de betere te voelen maar om te begrijpen en te vermijden en om te achterhalen waarom ik telkens opnieuw over diezelfde struikelblok val.  Maar ik besef natuurlijk ook dat je met twee moet zijn om met gevoel en passie een sensuele tango te dansen. Ik zou ondertussen beter moeten weten, dat ik best niet in de boksring stap wanneer de kampioen op voorhand gekend is, nog voor er een mep gevallen is. Want wat haat ik toch dat gevoel dat ik in ronde één al, in mijn emotionele buien en in mijn gevoelig gejammer knock-out geslagen wordt door rationele analyses en beredeneerde argumenten waar geen speld is tussen te krijgen. En het is telkens in ronde twee dat ik machteloos en stil wordt dat mijn bloed ervan gaat koken dat ik die verbale uppercut geef die aankomt ook al weet ik dat die uithaal het slechtst mogelijke wapen is in een strijd die ik niet eens wou voeren. Schaakmat dan maar of handdoek in de ring? Ook al beweren klinisch psychologen dat koppels die nooit ruzie maken nooit samen eindigen?