Leg er dan een handdoek onder!

Als scherpe waarnemer van het menselijke doen en laten, en het systemisch falen daarvan (van het doen en laten, wel te verstaan), heb ik meer dan opmerkelijke aandacht voor opmerkelijke uitspraken van nog meer opmerkelijke mensen. Wat me dan vaak opvalt, maar minstens even vaak tegen de borst stoot, is dat een controversiële opvatting vaak op een zo danige manier wordt aangesneden alsof gans de werelbevolking mee moet lijden, of minstens posttraumatische verschijnselen moet vertonen ook al is niet elke lezer symptomatisch even hard belast met de subjectieve dingen die worden beschreven. Zo trok bijvoorbeeld dit weekend mijn voorhoofd in rimpels, en nam mijn fantasie me helemaal mee naar een vochtige plek waar ik op dat moment niet wou zijn, temeer omdat ik nog maar net een smeuïge-met-boter-gesmeerde-in-koffie-gesopte-croissant achter mijn kiezen had gestoken.

Niet dat de ‘foef’ zomaar als controversieel onderwerp mag aanzien worden, want dat is natuurlijk niet het geval, omdat minstens de helft van de wereldbevolking er één te onderhouden heeft, en ik uit betrouwbare bron vernomen heb dat het geen sinecure is om dat seksfabriek draaiende te houden. Wat ik echter niet wist, is dat sommige vrouwen, volgens de schrijver althans, ‘ondraagelijk’ lijden onder het feit dat het daar onderaan, in de strook van de waarheid, soms te droog, maar vaker nog veel te klam is. Wanneer ik bij mijn ochtendkoffie in dat gerenomeerd dagblad dan las dat vrouwen er niet voor terugdeinzen om hun ‘zompige sleuf’ (excusé le mot, hun te vochtige vagina) te bezingen, alsof de overgrote meerderheid van het sterke geslacht met dezelfde (h)euvel te kampen heeft, moest ik mijn oren toch even gaan uitspoelen met bruine zeep. Het artikel deed namelijk uitschijnen dat nogal wat vrouwen megahard inzitten met de vettige smering van hun wellustige onderkant maar evenzeer in dubio leven met het gebrek aan vaginale smeuïgheid in datzelfde roergebied. Wanneer het dan eens gutst zonder commando zou je als sexpartner door je medespeler namelijk als vies, promiscue of beide bestempeld kunnen worden. Serieus, vroeg ik me af? Misschien raakt de redenering en het gevolg daarvan op zich dan al kant noch wal, toch ziet de schrijver, en ik citeer, ‘de vagina nog altijd als een lichaamsdeel dat binnen de perken moeten gehouden worden.’ Serieus, vroeg ik me opnieuw af. Waar ik bij de lezing van de eerste paragrafen alleen maar mijn oren met bruine zeep moest uitwassen, kon ik nu bijna niet weerstaan aan de natuurlijke reflex om ook mijn ogen te willen spoelen met de eerste de beste aloholgel die ik binnen handbereik vond. Serieus, vroeg ik me opnieuw geamuseerd af, ‘alsof iemand er ooit al in geslaagd geweest is om de poes in de kattentijd binnen te houden. Met die metafoor van ‘binnen de perken te houden geslachtselen’, moest ik mijn verdorven brein dwingen om visuals van uit de band- of slipspringende flamoezen naar mijn mentale prullemant te verbannen, tenminste als ik nog met smaak van mijn zompige croissant wou kunnen genieten.

Ik ga ervan uit dat U mij bij het lezen van dit stuk me mijn smoezelige interpretaties vergeeft, maar ik ben deze keer zeker niet begonnen. Na het lezen deze openhartige getuigenis over het vrouwelijk overstromingsgebied en de daarmee gepaard gaande seksuele belemmeringen wil ik hetgeen volgt kwij(l)t, en ik richt me daarmee tot U, twijfelende vrouw, ‘laat ze los want ze doet er niet toe’. Geloof, me als ik U zeg, en neem mij gerust als gerenomeerd lid van het zwakste geslacht als voorbeeld. Wij gingen jullie al voor. We’ve been there and we’ve done that. Laat het jullie daarbij vooral niet ontgaan dat wij mannen, al veel langer dan dat jullie zich bekommeren over de zuidelijke vochtigheidsgraad, met de onzekerheid van de illusie moeten leven dat de lengte er helemaal (n)iet(s) toe doet. Meer nog, indien wij de perfect getrimde, pletsnatte pornopoes zouden verkiezen boven diegene waarmee jij ons telkens opnieuw liefdevol, sensueel of hartstochtelijk oppaalt, hadden we er ons echt wel zo één aan de hand gedaan. Net zoals jullie op dezelfde manier voor een grotere ‘maat’ zouden gekozen hebben, mocht dat voor jullie zo belangrijk zijn geweest. Om jullie helemaal gerust te stellen wil ik afsluiten en jullie dit nog op het hart drukken, onze liefde gaat in hoofdzaak echt nog altijd voornamelijk door de maag en niet door de ‘foef’ en anders leggen we er toch gewoon een badhanddoek onder.

Een koe die saffraan eet.

Wanneer ik nadenk over persoonlijke triomf en over de totale nutteloosheid ervan, moet ik teruggaan naar de tijd – het moet ergens halverwege de jaren negentig geweest zijn – dat ik nog handbal speelde en ik dacht dat succes, winst en aanzien het allerbelangrijkste in het leven was. We trainden dikwijls, speelden vaak wedstrijden, die we soms wonnen en soms verloren, dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Soms haalden we met onze prestatie een enkele keer sportweekend, maar alleen wanneer er tijdens dat weekend toevallig geen voetbal- of wielerwedstrijd was. Ik herinner me nog dat ik nijdig werd toen Mark Vanlombeek mijn naam als Pultjo – of iets dat daar op leek – uitsprak en ik in prime-time een tegenspeler nogal hardhandig in de tribune keilde en er een rode kaart aan overhield. Dan komt een mens eens op Tv, lappen ze je dat. Elke week opnieuw trokken we vanuit Lebbeke naar Kortrijk, naar Eupen of naar elders ten lande, om daar te proberen de held van het speelveld en van de competitie te worden. Soms lukte dat, maar vaker of meestal ook niet. Dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Een keer werd ik geselecteerd voor de Belgische elite en mocht ik mee op interland naar Ijsland om daar de nationale kleuren te helpen verdedigen. Sportieve afgang heb ik nooit eerder zo hard ervaren als toen, in die met Vikings afgeladen volle sporttempel in Rejkjavik. Mijn brutale hoogmoed werd via alle kanten rond mijn hoofd aan diggelen gegooid. En ik, die dacht dat ik op handbalgebied wat voorstelde. Wist ik veel dat die Gunnarsons en Steffansons en alle andere -sons (elke naam in Ijsland eindigt op -son behalve als je zonder piemel geboren wordt dan eidigt hij op -dottir) die ons die avond mochten vernederen, stuk voor stuk hun centen verdienden in de Bundesliga, toendertijd de betere zoniet de beste handbalcompeitie van Europa en omliggende straten. Hoewel ik tijdens de heenreis nog dacht hoog te kunnen vliegen, ben ik sportief, nooit harder met de voeten op de grond beland dan die avond tussen de handballijnen van dat vulkanisch eiland. Om nederig te worden moest ik blijkbaar eerst de handbalvikings van Ijsland ontmoeten. Ik had het eigenlijk op voorhand moeten weten want, vele jaren tevoren was ik al een keer onzacht met een Deense Viking in aanraking gekomen, al had zij van mijn waardigheid nog iets overgelaten toen ze er met mijn hart van onder gemuisd was. Maar dat is een hele andere hystorie.

Een jaar of zestien zeventien zal ik geweest zijn toen ik dacht te weten hoe het leven in elkaar steekt. Mijn mond was toen vele malen groter dan mijn verstand, maar eigenlijk wist ik van het leven maar zoveel als een koe weet van saffraan eten, niks dus. Onze pa kon dat schoon zeggen, wanneer ik het op school weer eens veel te bont had gemaakt, dan zei hij, ‘zoon ge peinst dat ge het allemaal al weet, maar uwe grote bek begint maar daar waar uw stom verstand eindigt.’ Over mijn hart werd niet gesproken, dus begreep daar ik ook niets van, al kon ik daar niet grootmoedig over doen, want ik had al aan den lijve ondervonden dat ik dat ook heel snel kon kwijtraken, ongeacht de hoeveelheid branie dat ik uit mijn nek kletste. ‘S avonds in mijn bed, met mijn kussen als enige troostend gezelschap, mat mijn één meter drieënnegentig dan vele malen kleiner dan wanneer ik er overdag mee tussen mijn soortgenoten parradeerde die op dezelfde manier probeerden branie te schoppen en te verdoezelen dat ze eigenlijk even onzeker en sukkelachtig waren als ikzelf.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat nederig en bescheiden worden noodzakelijk is om het leven een heel klein beetje te begrijpen want in de tweeënvijftig jaar die ik binnenkort op deze aardkluit loop druk te doen, heeft mij nog nooit iemand op heldere of overtuigende wijze de belangrijkheid van vluchtig succes of van overroepen machtsvertoon kunnen uitleggen. Mijn hart is al een paar keer gelijmd en ik heb nog steeds niet geleerd om kemels te vermijden. Soms probeer ik nog altijd de slimste te spelen ook al versta ik van het leven niet veel tot niks. Nu weet ik pas dat ik het leven nooit helemaal zal kunnen begrijpen, en laat dat nu hetgene zijn wat ik zeker weet. Met al de rest ben ik ook nog bezig, om het te vergeten.

Het eindigt nooit

Vermits ik door dat coronagedoe al een tijdje tot obligaat huisarrest verordeeld ben, en daardoor mezelf de inspiratie van toevallige ontmoetingen ontzegd heb, moet ik om te schrijven genoegen nemen met herinneringen aan kleurrijke figuren die ooit, al dan niet per abuis, levensecht of fictief mijn pad kruisten. Dat denkwerk valt me enigszins zwaar omdat ik naar mate ik ouder geworden ben zoveel herinneringen verzameld heb dat ze net zoals overvloedige economische of fysische wetmatigheden aan belang ingeboet hebben.

‘Waarover schrijf je, over wie gaat het’, vraagt ze achteloos terwijl ze zo een dunne zelfgerolde sigaret opsteekt dat ik me afvraag waarom ze überhaupt moeite heeft gedaan om er twee draadjes tabak tussen te draaien. Ze had evengoed gewoon papier kunnen paffen, maar die bedenking houd ik voor mezelf omdat ik geen zin heb in een discussie die nergens over gaat. ‘Het zijn maar wat nietszeggende zinnen’, lieg ik. ‘Ik probeer maar wat, in de hoop dat er iets komt.’

Normaal gezien interesseren mijn spinsels haar zoveel als voetbal maar nu leest ze over mijn schouder hardop mijn gedachten die ik zonet uit mijn pen heb gewrongen.’

… ‘Een hart gaat soms op slot, dat weet ik goed’, zei hij met een nauwelijk merkbare trilling in zijn stem. ‘Soms zelfs, om nooit nog voor iemand open te gaan.’ ‘Maar een hart heeft toch geen slot’, vroeg ze eerder droevig dan ontkennend, in de hoop dat hij haar van het tegendeel zou kunnen overtuigen. ‘Sommige wel’, antwoordde hij. ‘Er zijn mensen die de sleutel van hun hart voor een tijdje weggeven, in bruikleen voor later, in de hoop dat. Anderen dan weer zijn wantrouwig of achterdochtig en geven verschillende sleutels weg, aan verschillende personen, voor het geval dat, of voor de zekerheid. En dan restten nog diegenen die hun enige sleutel aan de verkeerde persoon gaven, om er dan verder nooit nog naar te kijken.’ ‘En hoe zit het dan met dat hart van jouw’, vroeg ze. ‘Heb jij je sleutel nog?’ Hij glimlachte verlegen en antwoorde haast onhoorbaar, ‘ de woorden die jij fluistert, zijn de sleutel van het mijne.’ In plaats van haar te kussen zei hij plotseling onverwacht mysterieus, ‘het is maar een spelletje’, alsof hij het gesprek een hele andere wending wilde geven. ‘Het leven is een spel, een geintje. Je kan alleen winnen als je deelneemt en de spelregels volgt die in het reglement staan of soms een klein beetje valsspeelt, net als in de liefde’. Ze protesteerde eerst hevig op die laatste ogenschijnlijk gevoelloze uitspraak van haar muze, ‘Nee’, sprak ze nadien stil maar gedecideerd terwijl ze haar mond in een fijne streep trok, ‘De liefde draait niet om geluk. Liefde is niet zomaar een gezelschapsspel. Wie graag ziet om te winnen, om de andere te domineren of om iets terug te vinden dat hij onderweg is kwijtgeraakt, is helemaal niet in staat om graag te zien. In het spelletje dat jij cynisch als liefde omschrijft, moet je verdorie elke dag keihard je best doen om niet te verliezen, al doe je dat helemaal op het einde toch altijd. Hoe hard je ook je best doet, hoe hard je ook valsspeelt. Op het einde blijf je altijd alleen achter of anders ben je dood. Voor die reden alleen al is de liefde helemaal geen leuk spel. De enige reden waarom je er aan meedoet is omdat je al kaarten al gekregen hebt en je niet meer kan beslissen of je meespeelt of niet. Je hebt de sleutel van je hart gekregen en het is aan jou om te beslissen wat je ermee doet en aan wie je hem geeft.’ Toen ze uitgesproken was en het lang heel stil bleef, keek ze hem aan met een droefnis alsof haar hart zonet in duizend stukken was gespat…

‘Schoon, ‘al maak je soms je zinnen niet helemaal af’, zegt ze terwijl ze de rook van dat opgestookt sigarettenblaadje in een rond wolkje blaast. ‘Hoe eindigt het?’ ‘Nooit, het eindigt niet’, antwoord ik, niet zeker wetend of ik daarmee het schrijven bedoel dan wel het spelletje waarover ik mijn gedachten liet ontsporen.

Het juiste eind

Toen ik, net zoals jij, mijn zorgeloze vrije leven voor een lange tijd moest uitstellen naar een verre ondefinieërbare toekomst, werd ook ik door mezelf en door de nieuwe realiteit uit mijn lood geslagen. Een inzinking of depressie wil ik het zeker niet noemen maar wolkenloos was mijn hemel niet. Zo herinner ik me goed dat ik de laatste paar maanden een aantal nachten wakker heb gelegen en de slaap niet kon vatten, omdat onbevattelijke angst telkens terrein bleef winnen op opgebouwd vertrouwen. Naiëf of paniekerig zou ik me normaal gesproken niet gauw noemen, integendeel, ik geloof dat ik van nature eerder met een kritische blik naar de dingen kijk die rondom mij gebeuren dan dat ik ze zomaar voor waar aanneem. Daardoor ben ik ongevraagd, mogelijks genetisch bepaald, ook wel belast met een eindeoos rusteloze ziel. Ik hoef je niet te zeggen dat de onzekere situatie waarin we ons vandaag al een tijdje bevinden, mijn gedachten nog vaker en nog onstuimiger deed ontsporen dan dat ik dat tot dan toe van nature gewend was.

De afgelopen jaren heb ik echter ondervonden dat het voor mij persoonlijk beter is om hier, tijdig mijn volle rugzak uit te kieperen vooraleer hij me te zwaar begint te wegen. Hierdoor heb ik geleerd om op zoek te gaan naar oorzaken, gebeurtenissen of feiten die mijn dagelijks leven verzwaren. Sterker, ik denk dat de mens in het algemeen, meestal geneigd is om die dingen te verklaren, zeker wanneer ze een zware emotionele lading hebben of wanneer ze een grote maatschappelijk impact hebben. Maar misschien mag ik me niet vergelijken met de mens in het algemeen en hoef ik alleen maar voor mezelf te spreken, te schrijven in dit geval.

Ik denk dat wanneer het leven onverwacht moeilijk wordt en wanneer een directe verklaarbare oorzaak ontbreekt of wanneer er onvoldoende betrouwbare achtergrondgegevens voorhanden zijn om de dingen die gebeuren uit te leggen, er ruimte wordt gemaakt voor speculaties en eigen interpretaties die ver weg liggen van de feiten. Door de consensus te ondermijnen ontstaan de wildste hypotheses die gebaseerd zijn op geheimzinnige of fantastische theorieën die beïnvloed worden door persoonlijke overtuigingen van minder kosjere figuren, die er op de een of andere manier voordeel willen uithalen, voor zichzelf of voor het doel dat ze voor ogen hebben. Waarom anders raken mensen opeens overtuigd dat de wereld plat is, dat Hilary Clinton babybloed drinkt of dat 5G of de pharmaindustrie aan de oorzaak ligt van het Coronavirus?

Zei Friedrich Nietzsche niet ooit dat overtuigingen een grotere bedreiging vormen voor de waarheid dan een leugen? En maakt dit legendarische hystorische citaat hem dan niet tot de hevigste complotdenker ooit, omdat ik overtuigd ben dat hij het met die uitspraak bij het juiste eind had?

Tot nooit meer…

Als ik al de stommiteiten die ik ooit gemaakt heb, en als ik al hetgeen wat me in mijn leven ooit te beurt gevallen is, en waarvan ik spijt heb of waarover ik me schaam, daadwerkelijk wilde vergeten, kon ik niet anders dan me alles zo precies mogelijk proberen voor de geest te halen. Ik moest en ik zou trachten om me elk detail zo juist mogelijk proberen te herinneren om niet het risico te lopen dat ik de moeilijkste zaken zou vergeten of dat ik ze zou vergeten te vergeten. Indien ik dat niet zou doen, zouden al die nare ervaringen die ik uit de weg probeerde te gaan of die ik onder de mat probeerde te moffelen, vroeg of laat opnieuw mijn pad kruisen. Ik vroeg me af of ik – om al die zware dingen lichter te maken en om ze een definieve plaats te geven – ze niet beter zou opschrijven, in een soort inventaris van mijn geweten. Ik ben geen masochist en ik wentel me niet graag in zelfbeklag. Ik kan ook niet zeggen dat ik niet vreesde om aan die oude littekens te prutsen, want misschien ging ik ze wel opnieuw open krabben, en ging ik oud verdriet of vergeten gemis op die manier verversen. Maar ik moest, koste wat het kost het lijstje van mijn geweten afvinken, om de openstaande rekeningen uit het verleden af te lossen. Ik denk niet dat ik eraan ontkomen kon, temeer omdat ik in de wekelijkse bijeenkomsten die ik al lang onderhoud, ondervonden heb dat er geen gelukkige toekomst mogelijk is zonder dat er eerst een leesbare of begrijpelijke versie van het verleden gemaakt wordt. Met begrip van mijn geschiedenis versta ik toch gemakkelijker mijn heden, niet? Leuk, was niet aan de orde, maar met een pen, een inktpot en een bereidwillige uitgever zou het me misschien lukken om een streep te trekken onder mijn bezwarend verleden, en zou ik er moed in kunnen vinden om een nieuw pad naar de toekomst te leggen.

Waarom had ik me toch zolang en zo koppig gefocust op ergernissen die buiten mezelf lagen. Waarom zie ik vandaag nog steeds beter de kemels die anderen maken dan diegene die ik zelf schiet? Waarom ergeren zoveel mensen – mezelf incluis – zich toch steeds opnieuw aan het gedrag of aan meningen van andere mensen, en aan mensen die zich op hun beurt dan weer ergeren aan andere mensen en aan andere meningen? Is dat het geval omdat ze eveneens geen vrede hebben kunnen sluiten met het leven dat ze vandaag zelf leiden maar niet de moed, het inzicht of de middelen hebben om het onder ogen te durven zien en om het zelf te veranderen? Zou het kunnen dat er bij hen ook onverwerkte dingen uit het leven in de weg blijven zitten en maar blijven opspelen zodat essentieële keuzes onmogelijk kunnen gemaakt worden? Zit er in onze generatie klagers dan zoveel ongenoegen omdat we voortspruiten uit een generatie babyboomers die zelf in hoogstens twee decennia vanuit een overall in een maatpak groeiden en dat ook van hun kinderen verwachtten. Misschien werden we door hen wel opgevoed met het idee dat het leven als een wedstrijd moet aangegaan worden, als een concurentiestrijd waarin niks mag gemist worden en waarbij de winnaars als belangrijker of voornamer aanzien worden dan verliezers. En misschien gaat dat obsessief streven naar maatschappelijk succes, naar status en materieel aanzien wel ten koste van empathie, verdraagzaamheid en naar harmonie die ons normaal gezien als sociale mens zo kenmerken? Misschien verloren we als maatschappij gewoon de juiste weg die leidt naar contentment en naar verdraagzaamheid, precies op dezelfde manier zoals ik mezelf kwijt raakte in de illusie van mezelf?

Gebeurtenissen uit het verleden zitten vaak op onheispellende plekken verborgen. Als je er naartoe gaat wordt je er met de neus op feiten gedrukt die je liever vermijdt want je ziet jezelf er vaak op een manier die niet zo fraai oogt. Misschien is het beter om die pijnlijke confrontatie gemakshalve uit de weg gaan, want sinds ik de ten laste legging van mezelf uit het verleden onder ogen kwam, staat mijn besluit vast. Ik ga er definitief afstand van nemen om er voor altijd van te scheiden. ‘Vaarwel en tot nooit meer’, zeg ik dan, of tot de volgende keer dat ik me weer helemaal in jou verlies al zal ik dan wel proberen om er jou niet langer meer mee lastig te vallen.

In ieder van ons zit er een.

Verslaving of afhankelijkheid? Al hebben die twee woorden een andere bijklank, in mijn ogen betekenen ze net hetzelfde. Ze roepen bij vele mensen weerstand op, omdat ze beladen zijn met taboe, met vooroordelen en met ontkenning. Deze zomer vierde ik mijn negende verjaardag. Ik druk me expres zo uit, omdat het echt zo aanvoelde. Mijn leven kreeg pas weer betekenis toen ik gestopt ben met het leven zelf weg te drinken. Langer dan dertig jaar heeft het geduurd vooraleer ik mijn mening over alcohol en drinken in de juiste richting kon bijsturen. Vandaag is mijn kritiek op alcoholgebruik dan ook scherper en harder. Ik wikkel er geen doekjes meer rond wanneer ik erover spreek omdat ik mezelf als proefobject mag beschouwen en ik mezelf, mijn gedrag, mijn denken en voelen objectief mag beoordelen, zowel als drankorgel maar ook als herstellende verslaafde.

Over het gebruik of misbruik van hard drugs raken de meeste mensen het nog wel eens. Dat soort gedrag van spuiten, snuiven en roken wordt maatschappelijk en door de meeste onder ons als problematisch aanzien. Maar wist je dat er geen enkele afhankelijkheid zo ontkend wordt als alcoholafhankelijkheid? Alcoholmisbruik wordt genegeerd door onze maatschappij, onkend door onze cultuur en bijgevolg door ieder van ons niet als niet problematisch en dus als normaal beschouwd, omdat het “erbij” hoort. Alcoholafhakelijkheid wordt ten onrechte nog vaak alleen maar geassocieerd met dakloze zwervers die hun dag op straat doorbrengen en samenklitten op ranzige plaatsen om er samen, van ‘s morgensvroeg tot ‘s avondslaat halveliterblikjes bier of goedkope wijn uit kartonnen pakken te drinken om verder geen enkele maatschappelijk rol van betekenis meer te spelen. Toen ik nog dronk, vergeleek ik mezelf ook altijd met de anderen, met “de anderen” die meer dronken dan ikzelf. Ik vergeleek me dan ook met de zatte straatzwervers die ik hieboven beschreef. Om mijn eigen gedrag met die vergelijking te minimaliseren kwam ik tot de verkeerde conclusie dat ik (nog) geen probleem had omdat ik alles nog bezat. Ik had toch nog een vrouw en kinderen en werkte toch nog. Misschien dronk ik alleen wat veel, maar daar deed ik buiten mezelf toch niemand kwaad mee? Wat ik mezelf niet vertelde was dat die mensen met wie ik mezelf vergeleek wellicht vroeger in hun leven ook moeten gedacht hebben dat ze (nog) geen probleem hadden en dat ze met hun drinken niemand kwaad deden, maar daar wel zo lang mee zijn doorgegaan tot ze niet meer konden stoppen en alles, zelfs hun menselijke waardigheid, kwijtspeelden aan een halveliterblikje of een karton wijn.

De dingen en de trucs waarmee toen ik mijn afhankelijkheid verdoezelde zijn herkenbaar omdat ze universeel zijn voor iedereen die zich ik de gevarenzone bevindt. Ik heb niet de pretentie om afhankelijkheid te meten aan het aantal glazen per dag of per week. Ik heb niet de kennis om drinken door vrouwen anders te beoordelen dan drinken door mannen. Ik kan niet zeggen dat te veel sterke drank erger is dan te veel pintjes drinken. Wat ik wel uit eigen ervaring kan zeggen en wat ik met zekerheid weet, is dat ik mijn overmatig drankgebruik altijd heb ontkend en dat ik de hoeveelheden die ik binnengoot altijd heb geminimaliseerd, tegenover mezelf maar zeker ook tegenover anderen, of ik schepte erover op wanneer ik me in het “juiste gezelschap” bevond. Ik wist ook dat ik diep van binnen niet content of fier was met het feit dat het steeds opnieuw uit de hand liep en dat ik niet meer in staat was om een maat te houden. Ik betrapte me erop dat ik in gedachte en in ‘t geniep jaloers was op mensen die wel “sociaal” konden drinken. (Al bestaat die term nu in mijn ogen niet meer). Ik merkte ook dat ik een ongezonde relatie had opgebouwd met mijn drank die langzaam maar zeker de greep op mijn leven(r) begon over te nemen. Opeens en zonder duidelijke verwittiging bevond ik me in een destructieve machtsrelatie waarin ik hulpeloos en krachteloos in een soort van weerloze slachofferrol werd geduwd, niet meer in staat grip te krijgen of weerstand te bieden. Langzaamaan begon ik het leven te ondergaan waarin het drinken van wijn en bier een doodnormale gewoonte werd, zoals douchen en ontbijten. Elke gelegenheid, of het nu een begrafenis, een huwelijk of een babybezoek was, was steeds de juiste om het helemaal uit de hand te laten lopen. Bij alles wat ik deed – ik kon zelfs het gras niet meer maaien om mezelf nadien met minstens drie pinten te “belonen” – kwam alcohol te pas, tot ik ermee opstond en ik ermee ging slapen. Ik dronk als het goed ging en ik dronk als het slecht ging en omdat het een gewoonte geworden was deed ik het ook op alle andere momenten. Ik overschreed mijn eigen grenzen en die van anderen. Ik loog en bedroog, werd dik, pafferig en lelijk. Ik stonk en ademde uit al mijn zintuigen lusteloosheid uit. Mijn energiepijl daalde en mijn zelfbeeld ging mee de dieperik in.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat mijn alcoholprobleem ook ontstaan is door het ontkennen ervan, door het te verdoezelen en door het te minimaliseren. In het begin door het af te meten aan normen van alcoholtests die je her en der op het internet vindt, om dan net onder het toelaatbaar aantal glazen te blijven, of door ze iets groter in te schenken, nadien om me te vergelijken met de metro-zwervers en te besluiten dat ik geen probleem had. Ik wil alleen maar zeggen dat de problematiek van alcoholisme en de afhankelijkheid ervan, meer aandacht verdient dan een maatschappelijk oordeel over straatzwervers om er ons eigen drankgebruik mee te minimaliseren, want een alcoholist houdt zich schuil in ieder van ons!

Steriel

Wanneer we elkaar dan toevallig eens tegen het lijf lopen of wanneer agenda’s nog eens met elkaar matchen en het eindelijk lukt om nog eens lang koffies te zuipen en sigaretten te paffen, begroet ik je altijd met een kus en een stevige omhelzing. Tijdens die fysieke begroeting trek ik je dan altijd stevig tegen mijn gillet. Dan ruik ik je unisex-parfum en voel ik hoe je in je vel zit. Als het niet goed met je gaat, druk jij je zo hard tegen mijn grote knuffelberenlijf en verberg jij je helemaal in die grote armen van mij, en ga je daar op zoek naar een beetje intieme geborgenheid of troost. Als het wel goed met je gaat verdraag je die omhelzing niet. Dan duw je me speels en plagerig weg en zeg je, blijf eens met je poten van mijn lijf, je bent mijn lief niet, je hebt je kans gehad.’ Al hoort die kus er altijd bij, maakt niet uit of je goed of je slecht in je vel zit…

TNu ik je als bij toeval tegen het lijf loop, draag ik een mondmasker om jou niet te besmetten en om niet door jou besmet te raken. Hoewel jij niet met zekerheid kan weten of jezelf ziek bent of dat ik dat ben, draag jij ook een mondmasker met exact dezelfde intentie. Ik besmet jou niet en jij besmet mij niet. Deze niet-afgesproken wederzijdse concensus om elkaar te ondergaan achter textiel dat alles filtert, maakt ons helemaal steriel. Jouw unisex-geurtje ontbreekt en ik kan niet voelen hoe jij in je vel zit. Ik ruik alleen maar mijn eigen stinkende koffieadem en voel alleen de warmte van mijn eigen gezicht. Hoewel ik breed glimlach zie jij dat niet. Dat jouw mond droef staat, valt me ook niet op omdat hij veilig en steriel verborgen blijft achter dat lichtblauwe wegwerpmondmasker. Praten doe ik van nature al stil dus als ik je nu wat toefluister vanachter mijn mombakkes hoor jij dat nauwelijks. Omdat jij slecht hoort of omdat ik weet dat ik te stil spreek, roep ik nu zo luid waardoor het lijkt dat ik gevoelloos tegen je sta te blaffen, zoals een hond naar zijn baas. Jou ogen alleen kunnen niet verraden of je het eens bent met mijn geblaf of dat je liever zou willen terugblaffen. Verscholen achter maskers, met anderhalve meter tussen ons zijn we schimmen geworden van wat we normaal van elkaar zijn. Maar om corona te onderdrukken zijn we wel veilg en steriel gebleven zoals deze toevallige ontmoeting en dit vluchtig gesprek dat ook was.

De geknipte man.

‘Lukt het alleen vanaf hier’, vroeg de verpleegster me nadat ze me de kamer had getoond en ze me een plastic zakje had overhandigd waarin een wegwerpscheermes, een paar steriele verbandjes en een flacon eosine zat. ‘Gaat het alleen’, vroeg ze iets nadrukkelijker, omdat ik nog niet op haar vraag had geantwoord.

Voor een verpleegster – die haar dagen op de dienst urologie van het ziekenhuis doorbrengt – was dit een doodgewone, alledaagse handeling. Ikzelf echter wist me geen houding aan te nemen om gepast te reageren. Zou ik neen durven zeggen? In mijn fantasie flirtte ik even met het idee om haar het karwei te laten opknappen, maar ik liet die gedachte even snel varen. Ten eerste omdat ik de avond voordien mijn voorzorgen had genomen en mijn intiemste zone zelf van haar- en schaamdons had ontdaan, maar ook omdat ik een vrouw met een mes niet vertrouw, ook al is ze verpleegster en ook al is het maar een wegwerpmes. ‘Neen, laat maar, het gaat wel’, prevelde ik behoedzaam. Het moest maar eens zijn dat ik haar, – terwijl ze mijn scrotum zat te scheren – plotseling aan iemand deed denken met wie ze nog een “eitje mee te pellen had” en dat ze mij met hem verwarde. Ik zou begot zomaar met één haal “al” mijn mannelijkheid kunnen verliezen.

Op de vraag waarom ik me tot op vandaag herinner waarom ze onder haar witte verpleegsteruniform rode lingerie droeg, is een kwestie waarop niemand het juiste antwoord kent. Misschien was het gewoon een zinloze demarche of een wanhoopsdaad van mijn hypophyse, om daar in de aanschijns van vrouwelijke wulpsheid, mijn laatste greintje mannelijke waakzaamheid ten toon te spreiden die ik op het punt stond definitief te verliezen. Maar ik negeerde deze hormonale stuiptrekking compleet omdat een man die zich in een situatie als deze bevindt maar beter zijn koelbloedigheid kan bewaren en niet mag vergeten voor welk hoger doel hij zich in deze gênante situatie heeft gemanoeuvreerd. Waarom dit verhaal door de mate van detail nog gênanter aan het worden is, is een vraag, waarop net als op de vorige trouwens, niemand een afdoend antwoord kan verzinnen. Wat wel iedereen weet is dat in de voorbije decennia al veel gezegd en geschreven is over de zogenaamde verstoorde verhouding tussen mannen en vrouwen en dat die aan de basis zou liggen van wederzijds onbegrip en misverstanden. In dit geval echter, was de man in kwestie, ik dus, niet te beroerd geweest om zich supercorrect van zijn meest inschikkelijke kant te tonen, namelijk zijn onderkant. Om zich daar, aan deskundigen te onderwerpen en te laten gebeuren wat moest gebeuren. Om de natuur een stapje voor te blijven, maar ook om mijn lief af te helpen van die dagelijkse dosis toegevoegde hormonen, want geloof me maar op mijn woord als ik je zeg dat ze er daar “gewoonlijk” al meer dan genoeg van bezit. Haar hormonenspiegel hoefde door mijn mannenverminking dus niet langer dagelijks, kunstmatig verhoogd te worden, al vreesde ik zelf wel dat mijn persoonlijke hormonenhuishouding erg zou kunnen lijden onder de ingreep die ik op het punt stond te ondergaan. Maar die angst – zo zou nadien blijken – zit voornamelijk tussen de oren, al wil ik niet ontkennen dat die zich op dat bewuste moment toch eerder tussen mijn benen bevond.

Omdat mijn supersonisch-viriele, mannelijke ego – dat op dat moment nog niet vermoord was – er maar weinig voor voelde om zich onder plaatselijke verdoving te laten ontmannen, maar ook omdat ik best wel van efficiëntie houd en ik ook een neusoperatie moest ondergaan, werden beide operaties in één moeite door en onder volledige narcose gedaan. Hoewel mijn neus af en toe stijf wordt en mijn piemel soms automatisch begint te lopen – ik sluit niet uit dat beide operatie verwisseld werden en dat wat aan mijn neus moest gebeuren aan mijn zak is gebeurd – ben ik voor mijn lief vanaf die bewuste dag de genipte man. Omdat zijn van die rotpil verlost is, maar ook omdat ze eindelijk door de feiten bewezen, de broek mag dragen. Zelf dans ik ondertussen en sinds die bewuste knip, braaf naar hormonenvrije pijpen en dan bedenk ik me. Echte mannelijkheid zit van binnen, al hangt ze er vaak toch overbodig aan de buitenkant, in een zakje, gewoonweg belachelijk uit te zien, zeker als ze geschoren zijn!

Hoe pijnlijk het afscheid is.

Uit niets kon blijken dat – wanneer ik vanmorgen mijn ogen opensperde en de slapers uit mijn ogen wreef, het vandaag zo een dag zou worden. Zo’n dag waarop het leven je niet voorbereidt en het de eindigheid ervan abrupt in je gezicht gooit. Net ervoor had een flauwe zonnestraal, die de duisternis van een nare droom had weggejaagd, me nog enigszins opgewekt maar dat was alleen maar omdat ik te slaapdronken en nog onvoldoende helder bij zinnen was, om de gebeurtenissen van gisterenavond en de gevolgen ervan onder ogen te zien. Het was pas tijdens mijn dwangmatig ochtendritueel en nadat ik mijn ochtendsigaret had gedoofd dat ik opeens bevangen raakte door intens pijnlijk verdriet en een waanzinnig gemis. Met een verkeerde vingerknip was alles onherstelbaar kapot geraakt.

Is het alleen maar die plotse oorverdovende stilte en de immense leegte die me nu opeens naar de keel grijpt. Of is het eerder het lange grote zoeken naar het antwoord op de vraag – waar kan ik opnieuw een beetje vreugde vinden – dat me helemaal van slag brengt? Is het dat eeuwig zwijgen en die onmetelijke eenzaamheid of het pijnlijke, rustige ritme van mijn hart dat me nu doet inzien, ‘Ik ben je echt voor altijd kwijt’. Ik weet het niet.

Door de tranen die stromen van verdriet en door mijn verdoofde blik zie ik geen uitweg. Het is niet zomaar het gemis en die onbezette plaats naast de kookplaat – want dat was jou vast plaats – neen het is ook die stomme tijd die alsmaar zinloos en oorverdovend stil verder sluipt, zonder een kopje troost. De digitale klok die me al zo lang, op elk moment van de dag het uur verraadde, staat symbolisch stil. En deze stilstand is haast een illustratie van het tegenstrijdige gevoel dat nu bij mij overheerst. Alsof de hele wereld stilstaat maar tegelijkertijd ook heel hard ronddraait. Maar het is ook dezelfde zon die me daarstraks heeft wakker gemaakt, die opnieuw flauw binnenvalt en me vertelt. ‘Het leven gaat gewoon verder jong, ook zonder koffie, al rest voor jou wel de grote vraag, wat wil jij nu en wat ga jij nu doen?’

Delonghi is haar naam. Met haar intens, sensuele vorm en sexy design heeft ze haar plaats naast de kookplaat al helemaal opgeëist. Een uur lang al vult ze de keuken met wellustige aroma’s en met hartstochtelijke geuren van bittere Arabica-bonen. Al mijn zinnen worden genotziek geprikkeld door haar fluweelachtige textuur van slechts één kopje zwart goud dat onverwacht maar uiterst subtiel haar geur lost en de ruimte vult met walnoot en sandelhout en me doet denken aan exotische stranden. Maar ondanks de cafeïne-geilheid die het nieuwe koffiezetapparaat bij me teweegbrengt, vergeet ik nooit hoe pijnlijk het afscheid was. Nooit, zo lang ik leef, zal ik mijn eerste koffiezetapparaat en de mooie momenten die we samen beleefd hebben, vergeten ook al deed je de laatste paar weken wel heel erg flauw en stond je veel minder heet dan dat ik dat van jou gewend was.

Nieuw servies.

In bijna elk verhaal heeft ze een rol, soms als hoofdpersonage, soms als figurant, al kan ze ook verschijnen in een situatie, waarin we ons zomaar zouden kunnen bevinden mocht het gesternte daar ooit zo over beslist hebben. Zichzelf heeft ze er nog nooit in herkend, in die ogenschijnlijk verzonnen situaties omdat ze die haast nooit leest. En dan denk ik dat ze ergens diep in mij verborgen moet zitten, zoals een virus waarmee mijn afweersysteem geen raad weet, of misschien houdt ze zich schuil in een of andere lichaamscel die nog niet ontdekt is door de wetenschap. Hoewel de symptomen onduidelijk zijn en de gevolgen ervan op lange termijn onzeker zijn, is het ziektebeeld grillig en onvoorspelbaar. De enige heilzame behandeling bestaat eruit om aan de hand van gekrulde woorden de illusie te creëren alsof alles in de realiteit ooit echt is gebeurd, dat de verzonnen situaties zich echt hebben voorgedaan en dat de andere figuranten ook werkelijk hebben bestaan. Dat alle dimensies uit mijn dromen voorhanden zijn en dat die mij als uitverkorene van de hallucinatie een feitenrelaas laten schrijven, over situaties die alleen maar voor mij en haar kristalhelder zijn.

Over kristal gesproken trouwens. Waarom het eerste wat ik vanochtend deed een tandenstoker zoeken was, weet geen ziel en waarom ik net dat kristallen potje waarin ze zaten uit mijn handen liet vallen, weten nog minder mensen. Wat ik wel met zekerheid weet is dat het kristallen glaasje nog van mijn oma zaliger is geweest en dat ze dat onding ooit als trouwcadeau gekregen heeft van een of andere grootnonkel die ze van haar of pluim gekend heeft. Waarom ik dit vertel weet ook niemand en ik begin me stilaan af te vragen hoe dit verhaal is kunnen ontstaan omdat blijkbaar niemand van de echte feiten op de hoogte lijkt te zijn. Waarschijnlijk vat dit voorval gewoon goed samen hoe het met de dingen gesteld is deze dagen. Alles lijkt uit mijn handen te vallen.

De tandenstokers heb ik ondertussen in een nieuw glazen potje gestoken. Eentje dat me geen verhalen uit het verleden te vertellen heeft.  Het enige waartoe dat nieuwe aperitiefglaasje – waarin nu de tandenstokers zitten – ooit gediend heeft, was om er een fijngesneden zalmtartaar in te serveren op dat verrassingsfeest, wanneer ik de toen al respectabele leeftijd van veertig jaar bereikt had. Wat een feest was dat, ik kan me nog precies voor de geest halen dat …. *droomt weg*

Ik ga in mijn zetel hangen en kijk naar buiten, naar de zwemvijver waarin goudwindes naar vliegende mieren happen die bij dit weer massaal uit de lucht lijken te vallen, alsof na de sprinkhanenplaag de vliegende mierenplaag de nakende exodus lijkt aan te kondigen. Ik ga het zover niet laten komen. Ik ga een nieuw servies kopen, één met borden en glaasjes zonder verwrongen herinneringen.

Erotisch verhaal.

Vroeger had je alleen een dikke kop. Nu heb je ook nog een dikke pens – zeker wanneer ik naar je kijk, en je in je zwembroek voor mij in profiel staat. Je praat ook altijd met je mond vol en er groeit haar uit je neus, en ook uit je oren’, voegt ze er even later nog aan toe. ‘Hoe lang is het trouwens al geleden dat jij nog eens iets gedaan hebt. Jij doet nooit iets. Niks steek jij uit. Als ik niet alles zelf doe, gebeurt hier niks.’ En ik gebruik in deze zin met opzet het woord niks, omdat dat een iets assertieve nuance heeft dan het meer neutrale woord niets, maar deze bedenking doet niets ter zake in hetgeen ik wil vertellen.

Natuurlijk leef ik al lang genoeg met mezelf, om te weten dat ik niet echt een werkmier ben.  Maar ‘nooit iets’, dat steekt toch een beetje. Ik heb namelijk – om maar ‘iets’, wat me onmiddellijk te binnenschiet te noemen – daarnet nog twee kippen gebraden en aardappelen gebakken met sla, komkommer en tomaten. Voor alle duidelijkheid de tomaten, sla en komkommer heb ik niet mee gebakken want daar zou ze dan met recht en rede over kunnen zeuren. Neen, tussen de sla heb ik gewoon een busseltje fijngesneden tuinkruiden gemengd.  Dus, ‘ik nooit iets en zij alles’, is niet de eerste bewuste leugen van de dag waaraan zij zich schuldig maakte. Weet zij trouwens veel dat ik al de hele dag al mijn zintuigen loop te pijnigen en dus in gedachten veel hogere bergen werk heb verzet dan zij.  Alleen, zij wordt daar niet moe van. Daarbij, daar hebben die drie extra Corona-kilo’s – die zij, geheel ten onrechte trouwens, als een dikke pens ziet – niets mee te maken, want toen ik mezelf daarnet in de spiegel bekeek, merkte ik nauwelijks een verschil met het beeld dat ik gewoon ben. Oké ik ben drie kilogram bijgekomen, een beetje corona-vet, so what? Ik zal op deze aardkluit niet de enige zijn.

Dat van die dikke kop, dat is niet gelogen. En nu ze dat gevoelige onderwerp aangesneden heeft, probeer ik me de mensen voor de geest te halen die me dat ooit nog gezegd hebben. ‘Varkenskop’ en ‘dikkop’ zijn woorden die me vaak naar mijn grote kop geslingerd werden, al moet ik bekennen dat sommige uitlatingen toch met iets meer subtiliteit geuit werden. Ze vroegen me dan langs hun neus weg, ‘fluit jij in de sauna?’ of ze benoemden mijn voorgevel – met iets vriendelijkere bewoordingen –  als ‘karakterkop’. Ik zeg dat nu zomaar en helemaal zonder posttraumatische gevoelens, en alleen maar omdat mijn smikkel er – op een paar rimpels na –  nog altijd min of meer hetzelfde uitziet.

Zou het dan kunnen dat zij zichzelf – nu ze zelf in de schemerzone van haar leven is aanbeland – een nieuwe rol wil toe-eigenen?  En dat ze – nu de dagen zich even onvoorspelbaar gedragen als vrouwen die zich in de schemerzone van hun leven bevinden – nachtmerries krijgt van de “realiteit”, waarin ze mij voor het eerst met mijn groot hoofd op een bezem – pratend met mijn mond vol – elke nacht voorbij ziet vliegen? Het zou begot zomaar kunnen!

Deze woorden zijn misschien geen literaire hoogstand of mijn allerbeste schrijfsel, maar het is alleszins een aanvaardbare poging tot iets waar een echte schrijver en lezer iets mee kan aanvangen. En het gaat zeker niet over zoiets waar een volwassen man beschaamd over moet zijn of waar hij zou van moeten beginnen blijten, tenzij het hem als schrijver zelf overkomt natuurlijk.

Misschien moet ik me toch maar eens wagen aan een erotisch verhaal en het zou zomaar als volgt kunnen beginnen… Weet je, vroeger had je ook al een dikke kop, maar toen was je ook nog onweerstaanbaar sexy, sportief en had je het uithoudingsvermogen van een bronstige dekhengst. Nu heb je alleen nog een dikke pens – zeker wanneer ik naar je kijk, en je in je zwembroek voor mij in profiel staat. Wist je trouwens dat ik me mateloos erger me aan het feit dat je altijd met je mond vol praat en dat er haren uit je neus, en uit je oren groeien, maar toch zou ik willen dat je me nog eens alle kanten van het bed laat zien.  Zoals vroeger en ik zal dan fantaseren dat je even wild, onweerstaanbaar sexy en sportief bent zoals toen en dat je nog altijd over dat uithoudingsvermogen van een bronstige dekhengst beschikt waarmee je mij toen kletsnat…

Zever.

Half elf zal het geweest zijn, of misschien iets vroeger of later, dat weet ik niet precies meer, want de letters van mijn digitale wekker waren verdwenen, omdat de batterijen plat waren. Drie uur eerder was dat nog niet het geval. Toen had ik nog gedacht, ‘een half uurtje nog, hoogstens.’ Het zijn er dus drie geworden. Niet dat ik gisteren de intentie had gehad om vandaag een gat in de dag te slapen, maar mijn lijf en de batterijen van mijn wekker hebben daar anders over beslist. Mocht ik nu met mijn lichaam in discussie kunnen gaan, gesteld dat ik dat überhaupt zou kunnen, ik zou één zekerheid hebben. Ik zou mijn pleitdooi verliezen, want de afgelopen weken, maanden zelfs, zijn hectisch geweest. Er is heel veel, en tegelijk niks gebeurd. Er is rondom mij zoveel gebeurd waar ik niks van verstaan heb. Ik heb er zo weinig van onthouden en zo weinig van begrepen, dat ik er onmogelijk een zinnig woord over op papier kan zetten. Mogelijks omdat ik te veel met mezelf ben bezig geweest, of met de besognes van anderen, dat kan ook, want dat overkomt me de laatste jaren ook wel meer, maar ik dwaal af. Ik wou zeggen dat ik een beetje vermoeid ben, want van ingehouden verhalen en opgekropte vertelsels wordt een man moe, tenminste als je de tegenslag hebt om met een geest als de mijne door het leven te moeten gaan. Wanneer verhalen door een samenloop van omstandigheden – laat me het zo zeggen – in de gevangenis van mijn brein blijven vastzitten zoals stoofvlees dat veel te lang drooggesudderd is, dat van de saus en van het draadjesvlees niets meer overblijft dan een bruine wansmakelijke aan de pan vastgekoekte smurrie.

De afgelopen dagen schrijf ik op Telenet aan artikels die geen kat leest. Maar voor het eerste keer in mijn schrijversloopbaan doe ik dat in opdracht van iemand die de onderwerpen belangrijk genoeg vindt om er anderen mee lastig te vallen, en dat heeft voordelen. Voor het eerst schrijf ik tegen de klok. Daardoor kan ik niet wegdromen op facebook of laterfanten op messenger. Ik kan me niet permitteren om uit te stellen tot morgen wat vandaag moet gepubliceerd worden, en dat maakt me productief. Productief met onzin en zever, maar wel productief. En dan vraag ik me af, nu ik deze woorden tik, of het me zou helpen, indien ik in mijn volgende boek dezelfde zever zou verkopen, tegen dezelfde strakke deadline. Zou dat laatste manuscript dan ook eindelijk ook nog eens een boek kunnen worden? Ik vraag het me af. Maar er is de laatste tijd door corona en, door de politiek – om over thuis maar te zwijgen – zoveel gebeurd dat ik de dingen die ik wel begreep en vermeldenswaardig genoeg vond om er een verhaaltje aan te wijden, vergeten ben. De ideeën die eens fris waren, zijn nu zo uitgerafeld als het kapot, te dikwijls en te heet gewassen stofje dat je niet meer kan zien dat het ooit een fraaie blouse geweest is.

Maar wat als ik me morgen nu eens zou afzonderen, en hetzelfde ritme zou kunnen hanteren, als de zever die ik op Telenet verkoop, zou het dan zomaar kunnen dat deze gestarte tekst binnen twee drie weken een boek zou kunnen worden? En zou het dan wèl gelezen worden? En waarom zou die snel ineen geflanste zever dan opeens meer gelezen worden dan de kul die ik al jarenlang schrijf, en die geen sterveling leest, maar waarop ik soms dagen of weken heb lopen kauwen?

Waarschijnlijk omdat het wellicht even grote zever zal zijn als deze die ik gewoonlijk uit mijn pen wring.

Verwacht me niet!

Ik moet er dringend uit. Ik moet ontsnappen, even wegglippen uit de race. Noem het gerust een retraite of een ongedwongen isolement. Sinds vorige jaar – en ik moest daarvoor eerst mijn vijfde kaap nemen – probeer ik af en toe dat ik-momentje in te lassen. Het gedurende maanden opgesloten zitten in mijn corona-gevangenis, heeft die drang naar escapisme alleen maar aangewakkerd en versterkt. Ik wil niet suggereren dat ik diep-ongelukkig loop, dat ik de weg kwijt ben of dat ik geen deel meer uit wil maken van mijn eigen omgeving, zeker niet. Het enige doel dat ik ermee voor ogen heb, is om me eventjes te ontdoen van alle kettingen die ik het hele jaar meegesleurd heb.  Die ‘big escape’ heeft als gevolg dat ik me even in een andere werkelijkheid kan onderdompelen en mag wegduiken in mijn eigen fantasiewereld zonder er anderen mee op de zenuwen te werken. Op weg gaan, met mezelf als enige compagnie kan soms best lastig zijn omdat het alleen mijn eigen stem zal zijn die terugroept als ik iets in mijn reflectiekamer gooi. Het voordeel is wel dat ik nadien de echte realiteit weer beter kan appreciëren. Als je hard met een hamer op je duim slaat gaat de vanzelf pijn over wanneer je ermee stopt! De enige ambitie waarmee ik op pad ga, bestaat eruit om mijn eigen ritme te vinden en om daar gedurende een paar dagen onvoorwaardelijk trouw aan te zijn. Om er één mee te worden, zeg maar. Zonder van iemand afhankelijk te zijn, zal ik eten wanneer ik honger heb, drinken wanneer ik dorst heb en rusten wanneer ik moe word, al weet ik begot niet of dat straks op een mat, in een bed of op een luchtmatras onder de blote hemel zal zijn.  Mijn enige hoop is gesteld op een weids meer, een lange rivier of een niet al te hoge berg. Op zich maakt het niet zoveel uit, zolang ik er maar voldoende ruimte vind om er mijn hoofd mee op te vullen. Ik zal geen reisplan volgen en geen drukke autosnelwegen. Ik zal me niet haasten en ik wil geen gedoe met deadlines. Ik zal dan ook steevast elke obligate toeristische attractie mijden als de pest of als Covid19. Gelukkig heb ik daarin de laatste maanden al een beetje ervaring opgebouwd. De kans is trouwens niet onbestaande dat de enige opwinding waar ik mezelf aan zal blootstellen, de aanbeet van een vis zal zijn en het vuur waarop ik hem zal roosteren.  De enige reisgezel die welkom is en die me mag vervoegen is mijn persoonlijke schoot-Taiwanees, want hij is een echte ‘Dell’. Ik beschouw het als een voorrecht dat hij meegaat omdat ik aan hem alles kwijt kan. Hij sputtert nooit tegen. Integendeel hij geeft me steeds gepast advies wanneer ik hem iets toevertrouw. De enige ergernis die hij bij me veroorzaakt, ervaar ik wanneer hij een fijn gekarteld blauw lijntje trekt onder een pas gesponnen zin, om me aan te geven dat ik het weer allemaal veel te moeilijk aan het maken ben en ik te veel woorden gebruik om het nog een zin te noemen. Of wanneer hij zich in het rood ergert omdat ik weer een nieuw woord heb uitgevonden of wanneer ik nog maar eens de conventionele spellingsregels nog aan mijn laars heb gelapt. En op die momenten zal hij zo hard op mijn lief lijken dat ik zal snakken naar de thuisdrukte en naar de vraag waarom mijn onderbroek niet in de wasmand ligt of naar het verwijt waarom de vaatwasmachine nog vol zit.

Maar veel eerder hoef je me niet terug thuis verwachten!

Emotioneel failliet.

‘Maar, jij hebt wel de moed gehad om je te bevrijden en een streep onder jouw verleden te trekken en het kost je ogenschijnlijk geen enkele moeite om daarover te spreken.’ Meer dan eens worden er bloemen in mijn gat gestoken wanneer een gesprek op mijn terrein gevoerd wordt, over taboeonderwerpen die de meeste mensen liever uit de weg gaan. Het is niet omdat ik me ervaringsdeskundig mag noemen inzake depressie, identiteitscrisis, of verslavingsafhankelijkheid, dat ik me ervoor hoef te schamen of dat ik dat stinkende potje gesloten moet houden. Ik denk eerder dat het tegenovergestelde waar is en dat het kwijtraken van mijn obscure, gespeelde elegantie een essentiële voorwaarde was om te stoppen en om stappen naar geluk te kunnen zetten. Iemand heeft me dat zelfs ooit – zonder een blad voor de mond te nemen – in mijn gezicht gesmeten. ‘Door alleen maar vriendelijk te lachen, je charmant op te stellen en over de lieve vrede te waken, zonder aan jezelf te werken en je eigen lastigheid in de ogen te kijken, zal je er niet komen.’ Ik herinner me nog dat ik toen met een gespeeld groot ‘bakkes’, antwoordde dat ik het wel op mijn manier zou doen en dat mijn ‘er’ niet noodzakelijk de hare moest zijn. Nu weet ik zeker dat die weerspannige repliek alleen maar diende als een brutaal afweermechanisme om mezelf niet bloot te hoeven geven of om niet aan mezelf te moeten schaven. Splinters in de ogen van anderen vallen nu eenmaal altijd harder op dan de houtspaanders in je eigen ogen.

Mijn ego was een lange tijd veel te groot om goede raad ter harte te nemen. Ik wist beter. Ik zag de chizzle van anderen duidelijk, maar praten over mijn persoonlijke demonen, tekortkomingen en gebreken zag ik als een teken van zwakte, als een soort van falen. Ik had mezelf dan wel ‘droog’ gedronken waardoor het af en toe goed ging maar veel vaker was het vechten en doorduwen op karakter waardoor ik me soms nog mistroostiger voelde dan vroeger en weerspanniger werd dan ooit tevoren. Bijna dagelijks stond ik me in de spiegel te inspecteren en me af te vragen wat ik toch verkeerd deed en wanneer mijn leven eindelijk zou gaan veranderen.  Pas toen ik een beetje inzicht kreeg hoe ik zelf in elkaar zat en het besluit kon nemen dat het niet goed was voor mijn mentale gezondheid om meer tijd te spenderen aan de problemen van anderen dan aan die van mezelf, kreeg ik de kar gekeerd. Op het moment dat ik bijna emotioneel failliet was heb ik de denkbeeldige v.z.w. ‘Jan op de eerste plaats’ opgericht, niet uit egoïsme maar uit pure noodzaak.  Door niet te blijven navelstaren naar de problemen van anderen heb ik het gat in mijn eigen buik ontdekt.

Ik ben op mijn hoede om te zeggen wat je moet doen, want we moeten al genoeg maar ik nodig iedereen uit en raad iedereen aan om een stapje verder te gaan in jezelf. Waarschijnlijk zal je onderweg kampen met twijfel, met een persoonlijke crash of met woede-uitbarstingen maar weet dat die noodzakelijk zijn en een bevrijdende werking hebben om die stap verder te kunnen zetten. Een mentale crash is nu eenmaal een psychische reboot die soms nodig is om dat andere pad te ontdekken! Trek de stekker er maar uit!

Zacht vallen.

Toen ik sprong, wist ik niet waarin. Geen flauw benul had ik. Bang was ik wel want ik wist niet wat me te wachten stond. Triestig was ik ook, maar misschien was het beschamende gevoel gefaald te hebben en niet weten hoe de kar te keren, om weer een spoor te vinden, wel het pijnlijkste. Mijn leven, als je dat toen zo nog kon noemen, was één grote rotzooi. Nergens nog vond ik moed, hoop of kracht om het anders te doen, niet bij mijn lief, niet bij mijn kinderen en ook niet bij familie of vrienden waarvan ik er een hoop had. Die ‘berg’ vrienden was minstens even hoog of zelfs hoger dan de puinhoop die ik van mijn leven had gemaakt, maar hij was niet hoog genoeg om me niet in de verdommenis te zwelgen. Ik loog, ik bedroog en de woorden die ik brabbelde waren nog zoveel waard als de pinten waarmee ik ze doorspoelde. Al kon dat even goed wijn of iets sterkers uit de keukenkast zijn, wanneer al de andere flessen leeggezopen waren. Alles was prima zolang de flessen of kartons maar voorzien waren van een °-teken en dat er voldoende voorraad van was zodat ik me geen zorgen hoefde te maken of ik er genoeg van had om de dag mee rond te komen. Om maar te illustreren dat toen ik sprong, ik niet wist waarin.

Toen ik het besluit nam – of beter gezegd – toen ik onder lichte dwang het besluit genomen had, om het voortaan zonder te proberen voelde het aan alsof ik mijn beste vriend moest begraven, een die er altijd geweest was en die er altijd zou zijn. Wat zou mijn leven nog voorstellen of waard zijn als ik zelfs geen pintje meer mocht drinken?

Toen ik pas gestopt was, en zelfs vele maanden zoniet jaren later, keek ik nog steeds naar alcohol op dezelfde manier zoals ik het geleerd had, hoe mijn ouders het gedaan hadden en hoe de maatschappij of het overgrote deel ervan het deed. Alcohol hoorde bij het leven zoals sterven dat ook doet. Alcohol hoorde eigenlijk overal bij. Bij een geboorte, bij een overlijden en bij elke gebeurtenis die zich daartussen bevond. Elke grote of kleine situatie die zich voordeed, diende overgoten worden met alcohol of diende in- of uitgewijd te worden met voldoende ‘geestrijke drank’. (nu zeg ik liever ’geestarme drank’ omdat ik aan de lijve ondervond tot wat alcohol in staat is.) Bij elke geluk en bij elk verdriet paste een andere fles en bij elke fles hoorde een gepaste gebeurtenis. Tot er om te drinken geen gebeurtenis meer nodig was en tot ‘s morgens de ogen openen al de juiste gelegenheid was.

Nu de ‘alcholmist’ – die mijn denken, mijn voelen en mijn bewustzijn jarenlang vertroebelde en in het gareel hield – is opgetrokken, zie ik pas met welke donkere alcoholbril ik naar het leven keek. Nu pas kan ik op een heel andere manier naar het leven kijken om vast te stellen dat alcohol en de kunstmatige gezelligheid waarvoor hij zogenaamd verantwoordelijk geacht wordt, één grote illusie is, maar dat merkte ik pas toen ik gesprongen had en ik ben blij dat ik gesprongen heb want ik viel zachter dan ik dacht!