Belachelijk vrolijke dag

Het is weer een dag geweest waarop ik mijn belachelijke vrolijkheid, euforisch in woorden op facebook, of in beelden op instagram zou kunnen afreageren. Omdat ik mezelf door de jaren heen, een beetje beter heb leren kennen, weet ik dat dit een bijzonder lijp voornemen kan zijn. Ik zie van deze nutteloze tijdsverpilling dan ook net op tijd af. Ik ga me dat morgen niet beklagen, ook al flirt ik nog even met het idee om mijn niet gespeeld jolijt met een nieuwe minimalistische, Ik blij-en-jij? statusupdate in de verf te zetten, maar laat dit voornemen eveneens achterwege gezien de penibele mentale tweestrijd waarin sommigen onder jullie zich vandaag zouden kunnen bevinden. In lastige tijden is zelfgenoegzaamheid of verwaandheid de laatste ambitie waaraan ik je de toelating zou verschaffen om me daarvan te verdenken. Dat ik me met dit plotse zelfbesef jouw jaloerse ergernissen niet op de hals hoef te halen, en er bijgevolg geen wroeging kan over hebben, is een vermakelijk nevenverschijnsel dat ik er met plezier bijneem. Indien morgen zou blijken dat facebook-minnend Vlaanderen dit niet-gepost bericht massaal met likes, hartjes en smileys heeft onthaald, ik zou er zomaar mijn verloren gewaande vertrouwen in de mensheid, mee kunnen herwinnen. Met alle andere voorgaande statusupdates mag je me wel van voorbedachtheid verdenken, zeker wanneer ik me met schamteloze zelfpromotie interessant of onalledaags probeer voor te stellen, althans interessanter of onalledaagser dan ik in werkelijkheid ben. Wat ik stuntelig probeer te zeggen, is dat het vandaag gewoon een dag geweest is, waarop ik mijn belachelijke vrolijkheid, euforischer zou kunnen voorstellen dan dat hij geweest is. Misschien net daarom dat ik er geen facebookstatus aan gewijd heb of er een instagrambeeld aan verspild heb. Het zou de fijne herinnering eraan, zo maar kunnen vertroebelen omdat ik er veel te weinig likes en hartjes op krijg, althans veel te weinig dan waarop ik gehoopt had. Geloof me dus gewoon maar op mijn woord wanneer ik je zeg dat vandaag een belachelijk vrolijke dag was.

Grijze zetel.

De zetel waarin ik lig is grijs en bijna even kleurloos en stoffig als ikzelf aan het worden ben. Op de plek waar hij staat lijkt de wereld stil te staan. De trage onbezorgdheid waarin tijd zou kunnen opgeslokt worden, bevrijdt me en doen mijn dagelijkse belemmeringen en bezorgdheden langzaam van mij afglijden. Nu ik hier zit, lijkt het wel alsof ik net zo stil sta als de grijze zetel waarin ik me bevind en waarin ik elke avond, net voor het slapengaan mijn geestesgesteldheid in overpeins. Omdat het stil en donker is, voel ik me op deze plek de koning te rijk. De weelde van deze dagelijkse productieve retraite zal ik blijven opzoeken zolang ik kan, om op mijn dag terug te blikken of om mijn dwalende gedachten te inspecteren op mankementen. Alice Nahon zei het met minder woorden maar wellicht was ze ook gezeten in een grijze zetel, die avond in het jaar 1921, toen ze deze woorden, ‘op zachte vooizekens’ uit haar ziel toverde.

T is goed in ’t eigen hert te kijken zoëven vóór het slapen gaan of ik van dageraad tot avond geen enkel hert heb zeer gedaan.

Niet dat mijn impulsieve zielenroerselen de zielenstrijd met haar schone woorden mogen aangaan, absoluut niet, daarvoor zijn mijn woorden te stomp, mijn zinnen te lang en de schrijffouten te abondant. Toch hebben vanop deze plek al menig ronddolende gedachten de weg naar moeizame woorden gevonden. Soms denk ik dat dit plekje op de wereld helemaal voor mij alleen gereserveerd werd om mijn impulsieve opwellingen en verbeeldingen te distilleren tot iets wat als leesbaar geacht kan worden. Onvoorspelbaarheid, nieuwsgierigheid of verandering zijn daarbij uit den boze en zelfs nefast voor de brainwave van het idee dat dat ik wil aanboren, omdat dit de broze woordentrance fnuikt waarin ik me tracht te begeven.

Daarom zit ik graag in deze grijze zetel, om even in eigen hert te kijken en om na te gaan, of ik vandaag, van dageraad tot avond geen enkel ander hert heb zeer gedaan.

Darkness my old friend.

Mensen komen toevallig langs. Ze passeren. Het gros daarvan kan ik tollereren, omdat ik mijn afkeur aan sommigen van hen met de jaren heb leren temperen. Maar net zo goed overkomt het me dat, voor god weet welke reden dan ook, mensen in mijn leven binnenvallen die ik wil bijhouden, om ervan te leren, omdat ik er me door aangetrokken voel, of net omdat er zo’n grote leegte gaapt tussen hun interessante bezigheden en mijn smalle wereldje dat ik dikwijls als nogal oppervlakkig ervaar. Ik leef voornamelijk in gedachten om daar al die passanten opnieuw tot leven te wekken. Wanneer ik dan toch mensen in mijn hart of in mijn gedachten toelaat, zijn dat dikwijls figuren die net zoals ik in zware of melancholische denkpatronen verstrikt zitten. Wanneer ze me toevallig, of net niet toevallig tegen het lijf botsen, en ik er bij een koffie het leven mee kan ontrafelen of er zware en melancholische gesprekken kan mee voeren, wil ik ze bijhouden in manuscripten of in schrijfrafels zoals deze.

Mocht de ideale partner bestaan, ik zou er voor een vrijgevochten, sterke, zelfstandige vrouw één kunnen zijn, omdat ik er bijna nooit ben, althans toch meestal niet helemaal. Het voordeel voor haar zou eruit bestaat dat zij al haar energie zou kunnen blijven steken in wat voor haar belangrijk is, namelijk vrijgevochten zijn. Ik zou als compensatie van dat voordeel gewoon verder kunnen blijven rondwalen in mijn dromen zodat ik haar niet voor de voeten zou lopen.

Ik lig op mijn rug, staar naar het plafond en overdenk wat ik aan het schrijven ben. In mijn oren klinkt ‘The sound of silence’ net zo luid dat de tekst van dat liedje mijn gedachten wil overstemmen. Dat lukt niet helemaal omdat ‘darkness my old friend’ precies diegene is waarover ik nu mijn gedachten laat ontsporen. Garfunkel en Simon zeggen me dat ze met mij komen praten. Ik heb er geen zin in. Ik wil gewoon hun stilte voor zich laten spreken. Vanavond wil ik het geluk van de eenzaamheid helemaal alleen ervaren. Ik voel namelijk helemaal geen behoefte om mezelf vrijwillig bloot te stellen aan emoties waartegen ik geen weerstand kan bieden. Misschien dat ik daarom al langer hoe minder zin heb in mensen te zien om ze toegang te verschaffen tot mijn persoonlijk territorium. Ik plooi liever terug op mijn veilige gedachten, zodat ik jullie er voor een onbestaande reden deelgenoot van kan maken. De voorspelbaarheid van deze uren chaotische rust gunnen me dan de kalmte waarnaar ik op zoek was. Misschien is dit soort schrijven wel het liefste wat in mijn vrije tijd ook nog zou willen doen, al zou het begrip vrije tijd hierdoor wel een vreemde, dubbele betekenis krijgen omdat het dat door het gepeins niet meer zou zijn. Nu ik dit neergepend heb weet ik dat ik het voor mezelf weer oeverloos moeilijk aan het maken ben en laat dat nu zijn wat ik altijd doe. Het voor mezelf moeilijk maken.

Zou ik om fris oud te kunnen worden niet beter mijn ervaring vergeten, dan zou dit verhaal met zekerheid minder zwaar of melancholisch zijn. Misschien begin ik er straks al aan, in gedachten.

Gun me de illusie!

Gun me alstublieft de illusie dat ik iets dat enigzins waardevol is, kan toevoegen aan de banaliteit van dit bestaan. Een bestaan dat zich met echte of valse gevoeligheden hoofdzakelijk in mijn hoofd of in mijn hart afspeelt. Daar ben ik niet uit. Ik weet dat niet geheel met zekerheid omdat mijn romantische hartsgevoeligheid dikwijls verdrongen wordt door mijn emotieverdringende verstand, maar even vaak gebeurt net het tegenovergestelde. De ontgoocheling of de ontnuchtering wordt dan groter naarmate de gedachten en emoties oplossen in de allesverzengende droogte van de werkelijkheid die ik alsmaar weer over- of onderschat afhankelijk van, met welk gelaat zij zich aandient. Ik heb een rusteloze ziel. Dat is het. End of story. Veel meer woorden hoeven daar niet aan versleten worden, en hoewel deze gemoedstoestand voor mij persoonlijk ongemeen en heel uniek aanvoelt, weet ik heel zeker dat ik niet de enige in mijn soort ben die met dit soort verwarrende woeligheid kampt of die er zich een levensechte voorstelling van kan maken. Misschien net daarom dat ik steeds maar opnieuw probeer om dat gevoel in zinnen neer te zetten, al ben ik niet zeker of me dat ooit zal lukken. Die rusteloze ziel speelt me parten en zet me vaak aan de deur, en dat mag je gerust letterlijk opvatten. In dit geval heeft hij me twee komma zes kilometer van mijn veilige thuis gebracht. Om helemaal precies te zijn – ik houd er niet van wanneer details die niet kloppen – bevind ik me op stek tweeënveertig van een vijver, die het Mannenwiel als eigennaam gekregen heeft. Waarom dit zo is, is niet meer te achterhalen maar misschien is dit voor het verdere verloop van dit verhaal niet eens zo belangrijk. In afwachting en in tegenstelling tot de rust die ik er hoop te vinden, contrasteert deze natuurlijke harmonie heel erg met de chaotisch gedachten die in mijn hoofd ronddwalen als rusteloze geesten die zich op de modder van dit stuk pachtgrond van de werkelijkheid naar buiten willen storten. Mocht ik nu uitglijden op het nevelijs dat zich op het gammele hout van deze visplaats heeft vastgevroren, en ik zou kwalijk vallen en verzuipen, ik zou erin kunnen berusten. Immers, wanneer het verleden langer of grootser geworden is dan dat de korter wordende toekomst ooit nog zal kunnen zijn, hoef ik van dat leven niet veel goeds meer te verwachten. Mocht je nu in mijn hoofd kunnen kijken om mij als advokaat van mijn gedachten bij te staan, zou je jezelf de indruk kunnen ontnemen dat ik schuldig pleit of dat mij enige blaam treft. Het zijn immers maar ronddwalende gedachten.

Voorlopig blijf ik dus nog, zelfs wanneer jij me niet de illusie gunt dat ik nog iets dat enigszins waardevol is, kan toevoegen aan de banaliteit van dit bestaan. Ik zou dat gezien de zinloosheid ervan geheel begrijpen, echter in dat geval zie ik mezelf genoodzaakt om me die onfortuinlijke eer te gunnen, al is dat eenvoudigweg dezelfde overmoed die spreekt, waarmee ik me tot nu toe door het leven heb gewoeld.

Legaal-digitale maffia.

Terwijl polen smelten, bossen verschrompelen en lucht met de dag smeriger wordt, zitten supergeeks, die geilen op The Internet of Things, zich intellectueel te masturberen op nieuwe apps en toepassingen. In de cloud rukken deze nerds zich wild af op nieuwe, nutteloze, big-money gimmicks waarop niemand zit te wachten. Zo bedenken en ontwikkelen ze subtiel-onzichtbare, digitale enkelbanden die onze privacy te grabbel gooien voor moderne legale maffiosi die er gratis misbruik van kunnen maken. Terwijl wetgevers en psychologen digitale detox prediken en wetten proberen te bedenken om ons van een beetje privacy en life-balans te verzekeren, freewheelen zij zich suf over virtuele, intelligente systemen die automatisch communiceren met nog intelligentere digitale netwerken, zodat iedereen dom en verweesd achterblijft met een bewegingsvrijheid die zo beperkt is tot het pad dat door algoritmes voor ons werd uitgestippeld. Iedereen vreet naarstig mee uit de facebook- instagram- en twittertrog zoals varkens dat doen uit de voerbak van waaruit ze vetgemest worden. We denken er zelfs geen seconde meer over na en schoffelen ons gulzig vol met het voorgekauwde pulp dat voor ons selectief werd uitgezocht, en doen dat net zolang tot we ons zelfvoldaan met likes en hartjes geprezen, de mooiste van het land wanen.

Verstand en intelligentie. Ik ben er te matig mee bedeeld. “De slechtste van de klas” werd wel eens gezegd. Het zal wel. Maar de bollebozen van toen denken er niets van. Zij lachen me opnieuw uit, nu als doemdenkende filosoof die zich als een Neanderthaler terugtrekt in zijn persoonlijke grot van Altamira. Voor hen ben ik een fossiel die de moderne wereld niet begrijpt en niet kan bevatten. Volgens hen snap ik niets van de nieuwe, snelle wereld niet waarin het privéleven zich afspeelt op het internet, op de snelweg van het leven waar privacy en persoonlijke keuzes “veilig” bewaard worden in de cloud.

In deze horrorwereld zullen vroegere onschuldig en onschadelijk ogende apparaten zoals tandenborstels, tv’s, thermostaten, koelkasten, matrassen, vibrators, diepvriezers, wc-papierhouders die overal in ons huis aanwezig zijn, ons beloeren en ons bespioneren. Ze zullen er voor zorgen dat onze persoonlijkste en intiemste gegevens naar de cloud zullen worden getransfereerd, naar het veilige internet van de dingen of naar Evelien van de pornoclub. Wanneer ik in die virtuele wereld van morgen dan een koortsthermometer onder mijn oksel steek of hem rectaal inbreng bij mijn 3 maand oude jammerende baby, of wanneer ik mijn tanden een wittere tint geef met mijn elektronische tandenborstel, zal ik via usb-poorten van de lichaamsopeningen informatie doorgeven naar mijn veilige cloud, zodat wanneer ik me aanmeld bij mijn volgende internetsessie het digitale winkelmandje al op voorhand gevuld zal zijn met glutenvrije koekjes, luierzalf, driedubbel-lagig toiletpapier en zeep voor de intiemste hygiëne. Mijn tandarts zal me automatisch whatsappen om me te laten weten dat ik bij mijn volgende virtuele controle de volle pot zal moeten betalen, omdat ik het afgelopen jaar, gemiddeld genomen mijn tanden maar 2 keer gepoetst heb in plaats van 3 keer zoals mijn tandverzekeringspolis het me het had voorgeschreven. Via mijn sociale mediafeeds en de algoritmes die er achter draaien zal ik enkel nog die informatie aangeboden krijgen waarvan ik blij word omdat ik van de booschappen waarvan ik kwaad werd of waar ik het oneens mee was, de vorige keer was weggezapt. Door dat mechanisme krijg ik los van kunstmatige zelfbevestiging enkel nog toegang tot nieuws dat op mijn maat gefilterd werd en dat overeenstemt met mijn overtuiging en interesses, waardoor, ik onmogelijk kan begrijpen dat jij door diezelfde algoritmes bevestigd en met evenveel hartjes en likes geprezen, ook als mooiste van het land werd uitgezocht.

Gelukkig ben ik maar een cynische doemdenker en heb ik geen rectale koortsthermometer. Ik lach met mezelf, zet mijn newsfeed op stil, sla een bladzijde om van een boekje dat vanmorgen in de brievenbus viel en ik lees de kop van het eerste artikel. There is no bigger high than discovery… Het zal wel.

Covid19 en alcohol? Help!

Verslaafd aan alcohol, daar ben je toch helemaal zelfverantwoordelijk voor? Verslaafden zijn daar echt wel zelf de oorzaak van? Uitspraken als deze hoor ik ook, maar zelf ben ik daar helemaal niet zeker zo van. Toen ik een aantal jaren geleden ’s morgens een halve fles wijn nodig had om de lichamelijke bijwerkingen van mijn dagelijkse kater te onderdrukken en om mentale afhankelijkheid te bedwingen, voelde dat niet aan als vrije wil maar eerder als een pure noodzaak om de dag te kunnen beginnen. Als ik nu op die donkere periode terugblik, weet ik een ding wel heel zeker. Ik was niet zo trots op mezelf en dan druk ik me nog heel voorzichtig uit. Mijn dagelijkse realiteit was dat onweerstaanbaar hard drinken heel erg in de weg stond van elk redelijk gedrag en van normale emoties. Ik spoelde op voorhand alle ratio en gevoelens weg tot alleen zuipen nog van belang was en er niets anders meer overbleef om nog verder voor te leven. Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat verslaafd zijn voor mij geen bewust weloverwogen keuze was. In mijn beleving is alcoholisme een ziekte die het vermogen tot zelfsturing verstoort en die mijn ingebouwd natuurlijk beloningsmechanisme helemaal tilt deed slaan, waardoor ik gedwongen op zoek moest naar artificiële mentale beloningen. Tegen deze levensbedreigende ziekte bestaat in mijn geval maar één doeltreffende remedie, ik moet het eerste glas laten staan en die keuze moet ik elke dag opnieuw maken, wil ik mezelf niet opnieuw in de vernieling drinken. Die keuze valt me niet langer zwaar omdat ik mijn leven terug gekregen heb, en ik onder geen enkele voorwaarde naar dat oude terug wil. Ik prijs me gelukkig en ik ben zo dankbaar dat ik me wekelijks met lotgenoten kan omringen en kan luisteren naar worstelingen die mij helpen om vol te houden of kan vertellen over mijn zielenroerselen die een inspiratiebron kan zijn voor anderen. Enkel door die wekelijkse bijeenkomsten blijf ik scherp op mijn onderhuids sluimerende symptomen en kan ik ze de baas blijven. Dat is levensnoodzakelijk want een alcoholist ben ik voor het leven!  Met mijn hand op het hart durf ik te zweren dat in onze wekelijkse sessies levens gered worden. Ikzelf ben daar het levende bewijs van.

Alcoholisme en verslavingen zijn thema’s die maar weinig mensen onberoerd laten, zeker nu door de covid-crisis alle sociale controle is weggevallen. Iedereen kent van ver of van dichtbij, vanuit zijn of haar eigen leefwereld wel iemand die veel te veel drinkt en die de controle kwijt is. Misschien heb je zelfs je eigen alcoholgebruik in vraag gesteld, en deed je al een zelftest om te toetsen of jouw drinken nog binnen aanvaardbare normen valt. Vele mensen slagen erin om het drinken van alcohol binnen de perken te houden, doen het niet of houden het op een paar glazen op de juiste gelegenheid. Niks mis mee, maar verschillende media schrijven de laatste dagen nogal wat bladzijden vol over stille verslaafden, over mensen die van thuis werken, een gezin hebben maar die door het wegvallen van sociale controle achter de voordeur kampen met een torenhogen, verborgen verslaving. Door de isolatie wordt gekozen voor de verkeerde vluchtroute waardoor mensen verstrikt dreigen te raken in alcohol of in andere roesmiddelen en zo over het randje van de gevarenzone vallen.

Corona is een laffe spelbreker, ook voor alcoholisten die in pril herstel zitten en die in wekelijkse meetings een laatste reddingsboei gevonden hebben. Wanneer deze uitwisseling en deze hulp door de lockdown helemaal wegvalt, is het risico niet onbestaande dat deze zieke mensen straks op dezelfde manier naar adem zullen happen als patiënten die op een covid-afdeling van hun zuurstoftoevoer losgekoppeld worden. Om de maatschappelijke nevenschade van covid te beperken, wil ik hard pleiten om zelfhulpgroepen in een heel beperkte setting en met oog voor de grootste veiligheidsvoorschriften toch te laten plaatsvinden, om die levenslijn open te laten. Bij zelfhulpgroepen zitten gezonde, bereidwillige anciens die beschikbaar zijn om in kleine groepjes van twee of drie, nieuwelingen in veilige omstandigheden te begeleiden in hun herstel en te waken dat ze niet definief over de rand vallen. Vandaag is dit echter door de strikte veiligheidsvoorschriften niet mogelijk.

Liefdesverklaring aan mezelf.

Dit heeft in de verste verte niets van een boek. Persoonlijk zou ik de zinnen die hier spontaan ontstaan, eerder omschrijven als een mislukte liefdesverklaring aan mezelf.

Ongeveer tien minuten geleden heb ik in de lade van mijn schrijftafel naar de eerste de beste pen gegrepen die zich binnen handbereik bevond zodat ik u deelgenoot kan maken van het particuliere plezier dat mijn rondspringende gedachten mij bezorgen, omdat ik u met woorden bij de neus mag nemen. Behoort u tot de mensen die mijn ronddolende gedachten maar niets vinden mag u dit werkje gerust, zorgvuldig in uw digitale vuilbak deponeren, maar bent u het samen met mij eens dat wat u leest niet perse ergens over hoeft te gaan, mag u gerust blijven hangen. Waaraan zou je in deze omstandigheden anders je tijd verschijten? Hopelijk kan ik u een paar luttele tellen amuzeren, ook al zal het geluk dat u mij daarmee verschaft niet van essentiëel noch van levensbelang zijn. De hanepoten die ik hier uit mijn vulpen wring, is dan ook maar een onleesbare nietszeggende liefdesverklaring, die ik mezelf gun, in een poging om de hongerige nar die onderhuids in mij verborgen zit, te behagen.

Op papier, ook al staat er nog geen letter op, oogt het plan geweldig, en lijkt het even waterdicht als mijn visserslaarzen. Temeer omdat ik nu tijd te over heb om me met datgene bezig te houden waarvan ik al jarenlang verkondig dat het me zoveel voldoening verschaft. Zelfs al is schrijven de laatste tijd meer een marteling dan een deugd, toch kom ik er niet omheen omdat leven vandaag haast nog een slechter alternatief is. Mijn knusse, normale wereldje, vol met dagelijkse escapades en met zijn occazionele, overzeese ontsnappingsroutes werd door die laffe pandemie namelijk glorieus naar de kloten gedraaid. Het behoeft geen verdere uitleg dan dat de kritische kijk waarmee ik datgene wat er zich normaal gesproken rondom mijn afspeelt, beoordeel daardoor een ietwat verengde en verwrongen aanblik krijgt. Je zal me dat hopelijk niet kwalijk nemen?

Toegegeven – al blijft het natuurlijk een kwestie van appreciatie, wat hier op papier geschapen werd, zijn wellicht niet die gebeurtenissen die gewoonlijk een oog troebel maken of die een lachende trek op je gelaat toveren, maar wanneer er niks te beleven valt, is er niets te vertellen en valt er nog minder te schrijven. Je zal dan ook niet verbaasd zijn als ik je dit toevertrouw. Al wat hier geschreven staat heeft in de verste verte niets weg van een boek, maar zeg niet dat ik je daarvoor niet verwittigd had.

Ellebooggroeten

Superverspreider, balkonsolidariteit, huidhonger, versoepelaar en knuffelpersoon, het zijn maar een paar nieuwkomers die standhielden op de shortlist van mijn woord van het jaar verkiezing. Het woord ‘Boomer’- uitgesproken met een lang-uitgerekte-Engelse-oe-klank – doorstond mijn selectie niet.

Natuurlijk heeft mijn woordembargo alles te maken met de aanslepende brexit-saga en met de anti-Europa-houding van Trump-Copycat, Johnson. U zult het me niet kwalijk nemen dat, terwijl ik deze zin een literair verantwoorde vorm probeer te geven, ik terzelfder tijd, enigszins geïrriteerd tegen mijn scherm sta te roepen dat, ‘Als de Britten er niet meer bij willen horen, ze hun woorden ook niet langer aan Europa moeten proberen te slijten, zonder er invoerrechten te betalen. Dat ze consequent moeten zijn met hun keuze en dat ze zelf maar voor hun ‘Boomers-met-lang-uitgerekte-oe’ moeten zorgen.’ En bijna had ik aan die woordtirade nog ‘LOSERS in hoofdletters’ toegevoegd, maar deed dat om overduidelijke redenen niet. We zijn ten andere, als natie – of wat daar nog van overblijft – namelijk nog maar pas met 2-1 ten onder gegaan tegen ‘The Three Lions’ in een voetbalwedstrijd die er eigenlijk nooit echt een geweest is. Het zou ronduit belachelijk zijn om in die omstandigheden, wanneer je zelf in de loserzone zit, de winnende tegenpartij als loser te bestempelen, maar u leidt me af met uw voetbalgedachten. Waarom wilt u het trouwens altijd over voetbal hebben, zelfs wanneer ik net een schuchtere poging probeer te ondernemen om een literair verantwoorde column te schrijven over mijn woord van het jaar? Loser, ga weg!

Hoewel mijn woord van het jaar zeker een coronakleurtje krijgt, zullen woorden zoals kot, bierkaartjesviroloog, zestigpluslockdown, afhaalfile, betaalhygiëne of anderhalvemetersamenleving – om er maar een paar te noemen – niet door mijn persoonlijke taaljury weerhouden worden, omdat ze een te grote politieke bijklank hebben, en omdat onze terughoudend wordende afstandsmaatschappij het al niet aan droefheid ontbreekt.

Knuffelpersoon dan maar. Dat is nog eens een woord dat mijn gedachten laat galopperen als een bronstige hengst. Maar hoe moet dat knuffelbeest er uitzien? Aan welke eisen laat ik haar voldoen om mijn steeds maar enger wordende Suske-en-Wiske-wereld wat kleur te geven, in de veronderstelling natuurlijk, dat ik haar borsten en een foef geef in plaats van een piemel, natuurlijk? Aangezien ik maar een knuffelpersoon in mijn bubbel mag toelaten, kan ik me niet veroorloven om een verkeerde keuze te maken. Zal ik haar dan eerst in een soort van Tinderapp, coraonproof boetseren tot er een match is en ik haar naar rechts kan swipen, of zoek ik verder naar die ene contacttracingapp die mijn smartphone groen laat oplichten wanneer mijn uitverkoren knuffelpersoon op anderhalve meter genaderd is?

Misschien is het verstandiger om die veilige anderhalve meter afstand te bewaren en me helemaal terug te trekken in mijn bubbel van nul, om me daar achter mijn mondmasker te verschuilen zodat jullie mijn onzin niet meer verstaan en ik jullie alleen maar wat veilige ellebooggroeten kan toewerpen.

Je staat op mute!

De zoveelste skypemeeting van de week sleepte zich naar zijn einde. Om bij de andere aanwezigheden een geïnteresseerde indruk na te laten, deed ik nog een hopeloze poging om een gevatte tussenkomst te doen. Ik ging helemaal de mist in want ik merkte bij mezelf op dat ik mijn woorden kwijt was. Misschien wou ik, zoals men dat van mij gewend is, nog wel een punt maken, maar toen ik dat probeerde, merkte ik dat de zin die ik aanvatte geen begin en geen einde ging krijgen. Vruchteloos had ik geprobeerd om tijdens die anderhalf uur durende online vergadering bij de les te blijven, maar het slidepack dat op mijn scherm gesmeten werd en maar geen einde leek te hebben, had zo lang geduurd en had me zo afgemat, dat het me helemaal aan energie ontbrak om überhaupt nog iets te zeggen.

Ik brabbelde maar wat los. Die laatste slideshow was er teveel aan geweest, want net zoals een koe naar een trein gaapt, staar ikzelf al maandenlang naar grafieken en presentaties. In skype- zoom & teamsessies, luister ik naar mensen die daar ook maar proberen te verdoezelen dat ze eigenlijk hetzelfde doen als ik. Misschien kost dat krasselen op zich al zoveel moeite dat ik het spreken daardoor een beetje verleerd was. Ik zeg maar wat.

“Iemand nog vragen?” Ik zette mijn camera uit en switchte mijn micro op stil. “Jan, we horen je niet, je staat op mute, denk ik”, waren de laatste woorden die ik vastbesloten negeerde, alvorens mijn computer definitief het zwijgen op te leggen.

Nu zit ik op mijn gat, ik kijk naar buiten en doe niets. Alle aandachtstrekkers en stoorzenders heb ik gisterenavond uitgezet. Wekkers, collega’s, nieuws, sociale gazetten, presentaties en slideshows komen er vandaag niet in. Hoe langer ik nadenk over hoe ik de laatste maanden mijn dagen slijt, des te meer ik overtuigd raak dat al die online snoevers en digitale betweters toch maar één doel voor ogen hebben. Stuk voor stuk willen ze dat ik al mijn beperkte aandacht pomp in hun enge onheilspellende virtuele wereld die niet de mijne is. Met aanlokkelijke schermen, met uitdagende slogans of met ellelange presentaties, wordt mijn kritisch denkvermogen gekaapt en worden meningen, onzin en feiten in encyclopedietempo zonder weerstand, subtiel bij mij binnen geduwd. En nu ik het op deze manier voorstel voelt het bijna alsof ik telkens opnieuw digitaal verkracht werd. Had ik eerder, luider en vaker neen moeten roepen? Ik denk het wel.

Vandaag heb ik niets omhanden en heb ik maar één voornemen. Ik blijf ver weg van de energieopslorpende werktunnel, ik stap niet in die wespennest van meningen en blijf ver weg van de broedkamer van wereldproblemen. Die zullen zonder mij en zonder mijn nutteloze inbreng ook wel opgelost raken.

Mijn camera is uit en mijn micro staat op mute.

Pauw met mooie pluimen!

Meningen, zijn de laagste vorm van menselijke intelligentie. Een opinie vereist namelijk geen enkele verantwoording, geen enkel begrip, want een straffe uitspraak doen behoeft geen enkel inlevingsvermogen.

Net zoals die van een andere, is mijn mening dus niets meer dan een persoonlijke waardebepaling van hoe ikzelf naar een bepaalde situatie kijk, hoe ik die ervaar en hoe ik die met een begrensde context verkondig. Mijn subjectieve beoordeling van een gebeurtenis heeft met deskundigheid, met verstand of met inzicht niets te maken. Het heeft er geen uitstaan mee, in de verste verte niet. Wanneer ik in mooi verpakte woorden standpunt inneem, is gehoord worden vaak het enige doel dat ik voor ogen heb. Door mijn stem openlijk te verheffen of door straffe woorden op papier te zetten, probeer ik onhandig te verdoezelen dat ik maar een verschrikkelijk onzekere prutser ben die van het leven helemaal niets begrepen heeft, laat staan dat ik oplossingen in pacht heb. Negeer ze dus voortaan, want met mijn branie, met mijn kwinkslag of met dat ogenschijnlijk, onderbouwd betoog probeer ik in de wereld van uiteenlopende meningen gewoon maar een beetje meer ruimte in te nemen dan mijn gesprekspartners of toehoorders die net als ik hetzelfde doel voor ogen hebben. Ik pleit dus even schuldig dan hen, want in de oorlog van de meningen voer ook ik strategische achterhoedegevechten of ga ik helemaal in het offensief om een beetje ingebeeld territorium te verwerven over conflicten of gebeurtenissen waarvan ik me expert waan. Wanneer het pleit dan uiteindelijk beslecht is, en ik mijn vlag in het slagveld van de meningen heb neer gepland, is mijn nutteloze strijd gestreden, want er blijft niemand meer over om het woordenduel mee aan te gaan. Met mijn mening, waar niemand zit op te wachten, waan ik me net als jij een pauw die met zijn staart pronkt maar die het gewicht ervan de hele dag achter zich aan loopt te zeulen. Meningen dus, zijn naar mijn bescheiden mening de laagste vorm van menselijke kennis en geloof me maar wanneer ik je zeg dat ik het kan weten.

De hoogste vorm van menselijke kennis en intelligentie is volgens mij empathie. Niet dat ik U mijn mening wil opdringen, maar ik zeg dit omdat inlevingsvermogen van mezelf vergt dat ik mijn ego kan opschorten en dat ik me in andermans wereld kan inleven. Het vereist een diepgaander doel dat de context en het begrip van mezelf en mijn eigen belang ver overstijgt. Alleen wanneer ik mezelf kan verplaatsen in de gedachtewereld van anderen kan ik misschien bijdragen tot het begrip van de emoties of drijfveren van diegene waartegen ik praat of van diegenen waarmee ik van mening verschil. Als we dat niet doen, zullen we naast elkaar blijven praten en creëren we samen een sappige voedingsbodem voor meningsverschillen, polarisatie, oorlogen en ontij.

Als dit berichtje op weerstand stuit, mag je deze ochtendlijke zaterdagmorgenoverpeinzing van mezelf gerust klasseren als een zoveelste mening waar niemand zat op te wachten. Hopelijk heeft het geen pijn gedaan.

Slijmspoor!

Al datgene wat in het verleden gebeurd is, is noodzakelijk geweest om mezelf opnieuw uit te kunnen vinden. Door mezelf te nemen zoals ik ben, door mezelf mijn mislukkingen te pardonneren en door te hopen dat ik ze voortaan zal vermijden, gun ik me de vrijheid of de illusie van de vrijheid om te denken dat mijn leven nog maakbaar is. Ik boetseer mijn heden met mijn verleden en tracht er de toekomst vorm mee te geven. Zoekend naar het onvindbare, krijgt mijn leven op die manier iets blijvend-voorlopig of iets tijdelijk-permanent en blijft het op een vreemde, chaotische manier overzichtelijke spannend of interessant saai.

Ik weet niet hoe het anders te verwoorden. Aangezien ik het niet kan uitleggen schrijf ik het maar op, niet goed wetend of ik jou er mee lastig val of niet. Met rafels van gedachten en met geabsorbeerde indrukken die ik altijd en overal opdoe, ontstaan uit het niets echte of fictieve fabeltjes waar ik de personages nog niet van ken en waar het einde nog niet van verzonnen is. In elke zin die ik neerschrijf is elk woord ervan maar een zucht die net zo goed de laatste kan zijn.  Hopelijk is dat nog niet voor onmiddellijk en kan ik nog even wachten om mijn laatste woord uit te zuchten. Lig er niet wakker van, ik doe het ook niet.

Toen ik vanmorgen wakker werd, dacht ik, mocht ik op dit ogenblik op de scene staan en het rode doek zou openschuiven, zou ik roepen, ‘laat de opera maar beginnen’. Maar ik sta niet in het La Scala van Milaan. Ik ben maar een simpele toeschouwer, een omstander van mensen die ik hoogstens een beetje langs de buitenkant ken. Hun binnenkant en hoe ik graag zou willen dat die is, moet ik erbij fantaseren. Telkens opnieuw moet ik mijn gedachten bevolken met gefingeerde mensen en ze tot leven brengen met gefantaseerde verlangens en emoties, met mezelf als hoofdvertolker van het nutteloze.

Nu ik mijn gedachten probeer te ordenen, weet ik het zeker. Wij zijn tegenpolen.  Ik bekijk de dingen tegenovergesteld of omgekeerd dan hoe jij het doet.  Ik ‘beschouw’ met een ontspoorde fantasie en jij ‘analyseert’ met nuchter realisme. Zo leven we naast elkaar in verzonnen werelden, elk als figurant van onze eigen biografie. We dromen het leven, jij als realist en ik als romantische fantast die in sprookjes gelooft, elk met onze eigen illusie als achtergrond. De mijne ontneem ik mezelf wanneer ik tot besef kom dat ik helemaal niet nodig ben om de dingen te laten bestaan. Als ik weg zou zijn blijft alles net eender, en dat is gezien met wat ik allemaal op mijn kerfstok heb maar goed ook.

Laat me dus maar dromen, laat mij me mijn eigen gang maar gaan, ook al is het met een slakkengang, want een slak is nog nooit uit de bocht gevlogen. Hopelijk val jij niet over mijn slijmspoor!

Misschien kom ik je tegen.

Toen ik de boekenhandel binnenstapte en ik al die titels en auteurs in de rekken zag pronken, vroeg ik me af waarom ik de innerlijke drang maar niet kon weerstaan om me met hen te meten. Alles is toch al gezegd en alles is al eens geschreven, in mooiere zinnen die ik ooit zou kunnen bedenken. Wat doet mijn interpretatie van de feiten, die dat vaak niet eens zijn, er dan toe?

Misschien is schrijven voor mij alleen maar een aangename manier om het leven maximaal te negeren, want geef toe, een doorsnee mensenleven is toch te kort om er een blijvende rol van betekenis in te spelen. Waarom zou ik mijn tijd dan nog verschijten met niemendallen op te schrijven in woord-geknutsel waar niemand wakker van ligt? Als er niks waardevols te vertellen is, moet ik toch niet proberen de woorden die ik gevonden heb, in graniet te beitelen? Dat heeft toch geen zin? Dat is toch een bezigheid die uitsluitend voor echte woordacrobaten is weggelegd, voor koorddansers die erin slagen om in woord en beeld het vergankelijke onvergankelijk te maken.

Waarom ik die laatste gedachte om elf uur s ’ochtends, tussen de boeken aanboorde, weet niemand. Waarschijnlijk omdat ik een eeuwige twijfelaar ben die naar een strohalm reikte om aan zichzelf zijn onbenullige gedachten uit te leggen. En met die laatste reflectie voelde ik me zelfs te klein om in het café, dat zich naast de boekshop bevond, koffie te drinken. Niet dat dat ik geen zin had in koffie, want ik heb altijd zin in koffie. Ik had alleen geen zin in mensen en in hun verhalen. Ik was bang dat ik er niet lang door geboeid zou blijven.

Tien minuten later sijpelde het zwart sap, dat aan een handvol betere koffiebonen onttrokken was, langzaam uit mijn super-de-luxe DeLonghi Dinamica, en toverde een crèmige, beige kraag in mijn tas. De cafeïne die door mijn aderen stroomde deed mijn dwingende traagheid vervagen, zodat ik voor een tweede keer, tijdens die jonge dag, verstrikt raakte in onafwendbare barrières die mijn gedachten hadden opgeworpen.

Zijn mensen dan niet altijd op zoek naar verhalen, vroeg ik me af? Zou het leven niet helemaal zinloos worden zonder? Neem nu een relatie, en ik bedoel dan een liefdesverhaal. Dat gaat toch over oorzaken die langzaam gevolgen worden in een aaneenschakeling van toevalligheden. Een romance, of ze nu lang duurt of kortstondig is, gaat toch altijd over een samenloop van omstandigheden die leiden tot nieuwe gebeurtenissen, die aan elkaar geregen worden met stomende seks en met vlammende ambras? Sommige koppels hebben geen verhalen meer en zijn helemaal uitverteld, waardoor van stomende seks niets meer in huis komt en er enkel nog vlammende ambras overblijft, of oorverdovende stilte. Dat is even goed mogelijk.

De enige bedenking die ik maak waardoor het allemaal wat moeilijker ligt, is dat het leven niet altijd een spannende verhaallijn heeft, laat staan een interessant plot op de allerlaatste bladzijde. De enige zekerheid die het leven biedt, is dat het ooit een einde neemt. Het maakt niets uit of dat leven nu spannend of kleurloos is geweest. En dat op zich is een hele geruststelling want dat inzicht maakt dat ik me alleen over vandaag hoef te bekommeren en niet op zoek moet naar spannende zaken. Ik neem dan ook vastberaden en weloverwogen het besluit om vandaag niets te doen en laat dat nu net zijn wat ik het liefste doe. Nietsdoen en rondlummelen in de onbekende straten van mijn gedachten, waarin de stappen die ik zet, alle richting en vaart mogen missen zodat mijn zintuigen de details kunnen absorberen die normaal aan mij voorbijgaan. Snelheid is in mijn nieuwe leven eerder uitzondering dan regel geworden. Op stap gaan, met een lege portefeuille vol herinneringen en het leven mogen torsen in al zijn lichtheid, weegt al meer dan zwaar genoeg zonder dat haastig gedoe. Met vijf euro, een half pakje peuken, een zak vol nieuwsgierigheid en een vulpen, zodat ik het leven nog lang op een aangename manier kan blijven negeren. Misschien kom ik jou er wel in tegen.

Jeugdige Onschuld.

Ik schrijf dit omdat ik niet vergeten wil worden. Wie dit zal lezen, weet ik niet, maar dat is niet belangrijk. Misschien wordt het dat maar pas wanneer dit manuscript ooit opgevist wordt uit een gammele kist op zolder, of uit een oude kast van een muffe kelder. Misschien krijgt, dat wat hier geschreven staat, dan pas de betekenis die ik eraan heb willen geven. Misschien krijgt het dan pas enige waarde, wanneer jij met je ogen door mijn gedachten bladert, en er dezelfde ondefinieerbare twijfel in voelt die nog alle dagen door mijn ziel woedt. Ik ben Jan, zoon van Jef de gereedschapsdraaier en van Carola de ruziemaker. Dit is de ingekookte versie van het verhaal van een praatjesmaker van tweeënvijftig die door het leven bedeeld werd met een onverwoestbaar ego, een vuil blad en met een uiterst breekbaar hart. Het gaat over het vergeten verleden van duizenden figuranten die erin passeerden en die net zoals ik slachtoffer werden van domme onwetendheid of van nog dommere hoogmoed en misschien net daardoor goed terecht kwamen. Toch raken ze net zoals ikzelf stilaan op de achtergrond en door de tijd vergeten. Ik ben Jan en koos mezelf als hoofdpersonage, omdat hij de enige is die overblijft wiens gedachten en emoties ik nog een beetje vertrouw. Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een argeloos verleden, dat met elke dag die voorbijgaat terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst. Wat hier neergeschreven is, is een levende getuigenis van een half leven dat even zinvol als zinloos voorbijvloog en waar niet veel meer van overblijft dan de tijd die verdwenen is.

…”Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een argeloos verleden, dat met elke dag die voorbijgaat terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst.”…

In de zomer van negentienzesentachtig baadde dit vlakke land zoals elke zomer van de jaren tachtig in een koel waterzonnetje. Het grootste gedeelte van dat jaar heb ik me beziggehouden met zeventien te zijn, een activiteit die niet veel meer om het lijf had, dan puisten uitknijpen en stumperige pogingen ondernemen om me interessanter voor te doen dan ik was. Met de overschot van de dag deed ik vruchteloos pogingen om mijn veel te slungelige lijf op te vullen met een ego dat ik nog niet bezat, om het dan wat later op mijn kamer opnieuw leeg te snokken bij een poster van Samantha Fox. Omdat de zomer van zesentachtig typisch Belgisch was, had ik mezelf de vrijheid toegeëigend om de zuiderse zon op te zoeken, al laat ik die beslissing rebelser klinken dan dat de realiteit verbergt, temeer omdat Jef Carola dagenlang heeft moeten overtuigen om mij überhaupt mee op kamp te laten gaan. Voor mij voelde dat zomerkamp aan als de annexatie van pas ontdekte vrijheid aan mijn zinloze bestaan, al wist ik helemaal niet wat ik ermee aan te vangen, met dat stukje veroverde soevereiniteit. Het grootste gedeelte van dat jaar was ik immers maar een puberende bakvis geweest wiens wereld bestond uit mensen van wie ik me de namen vandaag niet precies meer kan herinneren. Hoewel ik nog drie jaar geduld moest oefenen om officieel volwassen genoemd te mogen worden, heb ik, met de dag van vandaag meegerekend, nog steeds niet het gevoel dat ik dat ereteken al verdiend heb. Achttien worden in de jaren tachtig was voor mij persoonlijk een grotere mijlpaal dan eenentwintig worden, omdat ik vanaf die leeftijd met een auto mocht rijden, ik formeel geslachtsrijp was en omdat mijn hart voor de eerste keer helemaal aan diggelen lag. Hoewel ze het er destijds in België politiek gezien niet eens over konden worden, of ik op achttien, wettelijk meerder- dan wel minderjarig genoemd mocht worden, veranderde er niets. Met mijn meerjaren ving ik nog minder aan dan toen ik als minderjarige in het leven stond en ik nog over een beetje ambitie beschikte om mijn actieradius te vergroten. Ik heb minderjarig en meerderjarig trouwens altijd vreselijke woorden gevonden. Enerzijds omdat ik me altijd meerderjarig gevoeld heb ten opzichte van gasten die een jaar jonger waren dan ikzelf maar anderzijds omdat ik me ongelooflijk onhandig-minderjarig kon voelen wanneer een vrouw me aansprak die maar een paar maanden ouder was dan ikzelf en ik elke keer tot achter mijn oren rood aanliep. Mijn ruziemakende moeder buiten beschouwing gelaten, waren vrouwen destijds trouwens gewoon rare mensen met staartjes. Ik vond het maar mysterieuze wezens die gekleed waren in grijze plooirokjes, donkerblauwe truien en witte sokken en die in meisjesscholen geleerd werd om voor het andere geslacht onbereikbaar te blijven. Wat ik toen niet wist is dat de vrouwen die ik hierboven beschrijf op dezelfde manier over jongens dachten, al hoefden die er toen al lang niet meer uit te zien als seksloze nonnen of als vrome, seksueel gefrustreerde pastoors. Al bij al was negentienzesentachtig een goed jaar maar dat wist ik op dat moment niet. Nu de herfst mijn persoonlijke zomer snel wegblaast, kan ik alleen maar vaststellen dat levenservaring maar een kam is, die je van het leven cadeau krijgt op het moment dat je kaal begint te worden. Of tweeënvijftig de juiste leeftijd is om tot die vaststelling te komen, weet ik niet zeker. Mijn haargrens bevindt zich namelijk nog precies op dezelfde plaats waar die zich dertig jaar geleden bevond, al wijt ik dat eerder aan de rimpels op mijn voorhoofd die mijn vel zwaarder doet wegen waardoor mijn haarlijn naar onderen getrokken wordt. Ik zeg maar wat, maar kaal, dat ben ik nog niet. Toch ben ik het vandaag aan mijn leeftijd verschuldigd om me tot de leeftijdsgroep van de ‘puberende vijftigers’ te rekenen. Gewoon maar vijftig worden is voor groentjes. Het is maar vanaf tweeënvijftig dat ik opnieuw een beetje recht van spreken krijg in deze grijzer wordende leeftijdscategorie, al doe ik misschien dat best iets luider omdat het risico niet onbestaande is dat ze me anders niet meer horen of verstaan. Officieel zal de stempel ‘vijftig+’ dus vanaf vandaag meer inkt achterlaten wanneer ik mijn voorrangskaart voor een zitplaats in de trein laat afstempelen. Tweeënvijftig dus, en officieel oud. Vanaf vandaag voel ik me echt ten volle vijftiger omdat mijn gammele lijf plots meer plaats inneemt dan toen ik nog over een 40+ karkas beschikte. Ik ben me ook meer bewust van alle lichamelijke kwaaltjes en van alle andere ellende die met dit cijfer gepaard gaat. Maar alles is niet even kut dan ik het hier laat uitschijnen. Ik begin namelijk de kunst te verstaan om mijn lichamelijke beperkingen en mijn mentale obstakels te kennen en te aanvaarden. Dat mijn libido al eens vaker foert zegt hoeft geen probleem meer te zijn want dat lijfelijk ongemak raakt met een pilletje in een wip opgelost. Ik los dat wel even op. En nu ik die woorden neerschrijf bedenk ik me dat dit zomaar een uitspraak had kunnen zijn van een huurmoordenaar of van een loodgieter die me sust met de gedachte dat zolang de dichting van mijn kraantje het houdt en niet gaat lekken ik nog niet moet klagen. Waar ik echter niet aan gewend raak, is dat ik irritant saai begin te worden en dat ik die irritante saaiheid nog als een cadeau begin te aanvaarden ook. Wie had dat gedacht.

Misschien word ik dan met deze levenswijsheid van de dag vandaag echt niet vergeten. Het heeft er alleszins alle schijn van.

Pussy-wagons in Antwerpen

Of Antwerpen dan wel Rotterdam zich tot grootste Europese zeehaven van Europa mag kronen is een manier om dit opiniestuk te beginnen maar heeft in al wat hierna volgt evenveel belang, als het feit of Kevin De Bruyne nu straks, wel of niet meespeelt in de Nationsleague-wedstrijd, Denemarken – België. Dat de Antwerpenaren de haven van Rotterdam wellicht als ‘De Parking van de Zeehavens’ beschouwen, doet dus nu even niet ter zake. Laat ons het er gewoon over eens zijn dat de Antwerpse haven met zijn overslagcapaciteit van ruim 200 miljoen ton tot één van de grootste van Europa behoort. Dat via die havenpoort op Europa af en toe een pakje wiet wordt binnengesmokkeld zal dus niemand verbazen.

Hoewel t’ Stad, zich een tijdje in een lockdown bevond, was de drugsmaffia dat allerminst. Zo werd in de eerste helft van het jaar maar liefst 28 ton cocaïne onderschept, aldus Kristian Vanderwaeren, administrateur-generaal van de Douane en Accijnzen. Dat de het witte poeder van de drugsmaffia in de binnenstad opduikt om daar een afzetmarkt te zoeken is logisch want in het bruisend uitgangsleven is een feest nu eenmaal geen feest meer zonder een sneeuwstorm in de neus.

Van film ken ik niets, maar wat ik wel weet is dat filmscenaristen zich dikwijls beroepen op bestaande feiten om hun prent inhoud of geloofwaardigheid te geven. Maar zo niet in Antwerpen, want daar lijkt het tegenovergestelde aan de gang. Dat blijkt uit de berichtgeving van VRT NWS waar gemeld wordt dat verschillende drugsbendes met man en macht op zoek zijn naar een drugscrimineel, die grote partijen cocaïne zou zijn kwijtgespeeld. Dat geweld in die speurtocht niet geschuwd wordt, bewijzen de kogels en de granaten die de afgelopen dagen in de koekenstad rond de oren vlogen. Je zou bijna vermoeden dat de film, Patser van Adil en Billal in het echt wordt opgevoerd, al mis ik in deze versie de frivole Badia wel, maar misschien wordt Jinnih Beels als fout-getypecaste-flik nog wel opgevoerd. Anyway om in drugs te doen, om het in je neus te blazen of om erover te schrijven moet je een beetje ‘zot in uwe kop’ zijn.

Waar je echter niet ‘zot in uwe kop’ voor moet zijn, is om vast te stellen dat de frontlinie in deze war on drugs een paar kilometer verkeerd staat. Wanneer oorlog gevoerd worden zou je er toch mogen vanuit gaan dat een historicus als Bart De Wever bij de les is. Van zijn vrienden zou hij toch al moeten vernomen hebben dat de geallieerden niet in Calais zijn geland maar wel in Normandië, maar misschien is deze vergelijking wel een ‘pantsertank op een varken’. Of toch niet? Met zekerheid weet ik dat natuurlijk niet, maar ik vermoed dat Bart De Wever liefst niet in de achtertuin van de Fernand Huts gaat rommelen om daar een beetje orde op zaken te stellen. Bon, wat ik wel weer weet is, dat er vorig jaar al, volgens Kristian Vanderwaeren (dezelfde Administrateur van Douane en Accijnzen als die van daarstraks) plannen bestonden om elke container die ‘den Blauwe Steen’ passeert, op drugs te laten besnuffelen. Alleen, is er één probleem, de investering van die ‘snuffelaar’ is een redelijk dure affaire. Die investering zou naar verluidt vele miljoenen kosten en met een federale regering in lopende zaken is het er nog niet van gekomen en in de Vlaamse regering? Ja, daar zijn ze het vergeten. Nu blijkt dat er eerst een financieringsmodel moet opgezet worden om die noodzakelijke drugssnuffelaar te betalen. Men moet het alleen nog eens worden of dat ding door Europa, Federaal, lokaal, privaat of een combinatie van dit alles moet afgedokt worden. Als de haven niet uitgemest wordt blijft het in het centrum dweilen met open kranen. Om dan maar wat sneller bliksems en granaten af te leiden, besliste De Wever om een paar Bearcats aan te schaffen. Die logge ‘patsertuigen’ hebben erg veel weg van bulldozers en zullen in de binnenstad ingezet worden tegen drugskoeriers die zich (houdt u vast) verplaatsen met snelle brommertjes. Als je het mij vraagt, had hij die brute oorlogstuigen beter ingezet, als ‘GRAAF-Machien’ om de wegeniswerken aan de Kennedytunnel wat vooruit te laten gaan.

In elk geval, nu Bart De Wever zichzelf opwerpt als de nieuwe Eliott Ness van Antwerpen, lijkt hij een nieuw aanknopingspunt te hebben gevonden met de geschiedenis al heeft hij met zijn ‘Kill Bill, pimped-up Chromed-out Pussywagons’ ook wel heel erg veel weg van Astrid Bryan.

Enigma

Het liefst schep ik een kleine wereld rondom mij waarin niemand om mijn aandacht schreeuwt, zo een klein mini-universum waar ik niet per force een achtergestelde beschaving moet redden. Aan mezelf heb ik namelijk nog werk genoeg om het kunstwerk dat ik aan het worden ben, met oog voor detail af te werken.

Vroeger was het anders, dan sloeg ik voor problemen op de vlucht. Wist ik veel dat ik uitsluitend door mijn eigen problemen op te lossen slimmer en rustiger kon worden. Zo was de vlucht vooruit die ik steeds nam niets meer dan een ogenschijnlijk dappere poging om de moeizame weg ter verbetering van mezelf uit de weg te gaan. Nu ik wat meer jaarringen op mijn bast heb, ben ik me er bewust van dat vluchten dikwijls moeilijker is dan de uitdagingen onder ogen te zien en zelf in te grijpen.  Temeer, omdat bij elke ontsnappingsroute die ik voor mezelf uitstippelde toch steeds nieuwe obstakels opdoken die de weg bleven belemmeren. Van moeilijke situaties weglopen bleek gewoon maar een handige toverformule te zijn die de zin van het leven omzette in compleet waardeloze hebbedingetjes die door mijn brein ingefluisterd werden.

Maar soms, op een onbewaakt moment wanneer er zich onverwachte gebeurtenissen of problemen voordoen, val ik nog weleens ten prooi aan rare, onverklaarbare psychologische kettingreacties die zich onder mijn dakpan afspelen. Ik weet dat omdat ik dat bij mezelf al meermaals heb vastgesteld. Dat gebeurt dan meestal wanneer ik teleurgesteld ben in anderen of wanneer mijn strakke verwachtingen niet ingelost worden. Dan begin ik me, zoals een dat varken in de modder rolt, te wentelen in zelfbeklag, om dan even later overmand te worden door een gevoel van desillusie, schuld of machteloosheid. Dit sentiment wordt in mijn hoofd, dan door een mysterieus ingebouwd enigma vertaald en omgezet in woede, paniek of agressie die ik gemakshalve op anderen projecteer, het liefst op diegenen die het dichtste bij mij staan. Ik kan er gif op innemen dat ik, in situaties als deze, eerst boos word op mezelf, omdat de dingen niet lopen hoe ik ze had gepland of omdat het resultaat me niet aanstaat, om me nadien furieus te wenden tot de eerste de beste die mijn gezichtsveld verstoort of tot diegene het waagt om in mijn persoonlijk territorium te komen rommelen. In die dynamiek activeer ik dan een destructief zelfverdedigingsmechanisme waar ik, vanuit mijn gegraven éénmansgat kogels afvuur en bommetjes gooi om te treffen of om schade aan te richten. Door op deze manier met een onverwachte situatie om te gaan, gun ik me zelf de illusie dat ik gemakkelijker afstand kan nemen van de tijdelijke identiteit die ik mezelf gegeven heb.  Ik reageer me dan hard en onfair af op diegenen waarvan ik vermoed dat zij het zijn die me in die nieuwe of ongewenste situatie gebracht hebben. Hoewel ik persoonlijk, in situaties als deze liefst een beetje mystieker, onvoorspelbaarder of een beetje meer empathisch zou willen zijn, blijf ik mezelf erop betrappen dat ik toch steeds maar weer ageer als een eikel die net van de boom is gevallen, ook al bezorgt die tactiek mezelf en anderen collaterale schade die ik liever vermeden had.

De enige manier om de nare gevolgen van dit nutteloos cirkelgedrag te voorkomen, is dat ik mijn verwachtingen in andere mensen bijstel, en dat ik me niet langer blijf focussen op wat anderen zouden moeten doen om mij tevreden te stellen of om me mijn comfortabele controle en zelfbeheersing te laten bewaren.  Alleen, wanneer ik het heft in eigen handen neem, me niet afhankelijk van anderen opstel en wanneer ik tracht om doemscenario’s tot een strikt minimum te beperken, maak ik ruimte vrij in mijn hoofd. En die noodzakelijke bewegingsvrijheid is noodzakelijk om me met essentiële zaken bezig te kunnen houden, met waardevolle dingen die ikzelf bepaal, waar ik impact op heb en waar ik beter van word.

Aangezien ik daar gisteren mee begonnen ben, krijgt mijn leven vanaf vandaag de glans waarmee ik in de toekomst op een zinvol verleden kan terugkijken.