Zever.

Half elf zal het geweest zijn, of misschien iets vroeger of later, dat weet ik niet precies meer, want de letters van mijn digitale wekker waren verdwenen, omdat de batterijen plat waren. Drie uur eerder was dat nog niet het geval. Toen had ik nog gedacht, ‘een half uurtje nog, hoogstens.’ Het zijn er dus drie geworden. Niet dat ik gisteren de intentie had gehad om vandaag een gat in de dag te slapen, maar mijn lijf en de batterijen van mijn wekker hebben daar anders over beslist. Mocht ik nu met mijn lichaam in discussie kunnen gaan, gesteld dat ik dat überhaupt zou kunnen, ik zou één zekerheid hebben. Ik zou mijn pleitdooi verliezen, want de afgelopen weken, maanden zelfs, zijn hectisch geweest. Er is heel veel, en tegelijk niks gebeurd. Er is rondom mij zoveel gebeurd waar ik niks van verstaan heb. Ik heb er zo weinig van onthouden en zo weinig van begrepen, dat ik er onmogelijk een zinnig woord over op papier kan zetten. Mogelijks omdat ik te veel met mezelf ben bezig geweest, of met de besognes van anderen, dat kan ook, want dat overkomt me de laatste jaren ook wel meer, maar ik dwaal af. Ik wou zeggen dat ik een beetje vermoeid ben, want van ingehouden verhalen en opgekropte vertelsels wordt een man moe, tenminste als je de tegenslag hebt om met een geest als de mijne door het leven te moeten gaan. Wanneer verhalen door een samenloop van omstandigheden – laat me het zo zeggen – in de gevangenis van mijn brein blijven vastzitten zoals stoofvlees dat veel te lang drooggesudderd is, dat van de saus en van het draadjesvlees niets meer overblijft dan een bruine wansmakelijke aan de pan vastgekoekte smurrie.

De afgelopen dagen schrijf ik op Telenet aan artikels die geen kat leest. Maar voor het eerste keer in mijn schrijversloopbaan doe ik dat in opdracht van iemand die de onderwerpen belangrijk genoeg vindt om er anderen mee lastig te vallen, en dat heeft voordelen. Voor het eerst schrijf ik tegen de klok. Daardoor kan ik niet wegdromen op facebook of laterfanten op messenger. Ik kan me niet permitteren om uit te stellen tot morgen wat vandaag moet gepubliceerd worden, en dat maakt me productief. Productief met onzin en zever, maar wel productief. En dan vraag ik me af, nu ik deze woorden tik, of het me zou helpen, indien ik in mijn volgende boek dezelfde zever zou verkopen, tegen dezelfde strakke deadline. Zou dat laatste manuscript dan ook eindelijk ook nog eens een boek kunnen worden? Ik vraag het me af. Maar er is de laatste tijd door corona en, door de politiek – om over thuis maar te zwijgen – zoveel gebeurd dat ik de dingen die ik wel begreep en vermeldenswaardig genoeg vond om er een verhaaltje aan te wijden, vergeten ben. De ideeën die eens fris waren, zijn nu zo uitgerafeld als het kapot, te dikwijls en te heet gewassen stofje dat je niet meer kan zien dat het ooit een fraaie blouse geweest is.

Maar wat als ik me morgen nu eens zou afzonderen, en hetzelfde ritme zou kunnen hanteren, als de zever die ik op Telenet verkoop, zou het dan zomaar kunnen dat deze gestarte tekst binnen twee drie weken een boek zou kunnen worden? En zou het dan wèl gelezen worden? En waarom zou die snel ineen geflanste zever dan opeens meer gelezen worden dan de kul die ik al jarenlang schrijf, en die geen sterveling leest, maar waarop ik soms dagen of weken heb lopen kauwen?

Waarschijnlijk omdat het wellicht even grote zever zal zijn als deze die ik gewoonlijk uit mijn pen wring.

%d bloggers liken dit: