Jeugdige Onschuld.

Ik schrijf dit omdat ik niet vergeten wil worden. Wie dit zal lezen, weet ik niet, maar dat is niet belangrijk. Misschien wordt het dat maar pas wanneer dit manuscript ooit opgevist wordt uit een gammele kist op zolder, of uit een oude kast van een muffe kelder. Misschien krijgt, dat wat hier geschreven staat, dan pas de betekenis die ik eraan heb willen geven. Misschien krijgt het dan pas enige waarde, wanneer jij met je ogen door mijn gedachten bladert, en er dezelfde ondefinieerbare twijfel in voelt die nog alle dagen door mijn ziel woedt. Ik ben Jan, zoon van Jef de gereedschapsdraaier en van Carola de ruziemaker. Dit is de ingekookte versie van het verhaal van een praatjesmaker van tweeënvijftig die door het leven bedeeld werd met een onverwoestbaar ego, een vuil blad en met een uiterst breekbaar hart. Het gaat over het vergeten verleden van duizenden figuranten die erin passeerden en die net zoals ik slachtoffer werden van domme onwetendheid of van nog dommere hoogmoed en misschien net daardoor goed terecht kwamen. Toch raken ze net zoals ikzelf stilaan op de achtergrond en door de tijd vergeten. Ik ben Jan en koos mezelf als hoofdpersonage, omdat hij de enige is die overblijft wiens gedachten en emoties ik nog een beetje vertrouw. Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een argeloos verleden, dat met elke dag die voorbijgaat terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst. Wat hier neergeschreven is, is een levende getuigenis van een half leven dat even zinvol als zinloos voorbijvloog en waar niet veel meer van overblijft dan de tijd die verdwenen is.

…”Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een argeloos verleden, dat met elke dag die voorbijgaat terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst.”…

In de zomer van negentienzesentachtig baadde dit vlakke land zoals elke zomer van de jaren tachtig in een koel waterzonnetje. Het grootste gedeelte van dat jaar heb ik me beziggehouden met zeventien te zijn, een activiteit die niet veel meer om het lijf had, dan puisten uitknijpen en stumperige pogingen ondernemen om me interessanter voor te doen dan ik was. Met de overschot van de dag deed ik vruchteloos pogingen om mijn veel te slungelige lijf op te vullen met een ego dat ik nog niet bezat, om het dan wat later op mijn kamer opnieuw leeg te snokken bij een poster van Samantha Fox. Omdat de zomer van zesentachtig typisch Belgisch was, had ik mezelf de vrijheid toegeëigend om de zuiderse zon op te zoeken, al laat ik die beslissing rebelser klinken dan dat de realiteit verbergt, temeer omdat Jef Carola dagenlang heeft moeten overtuigen om mij überhaupt mee op kamp te laten gaan. Voor mij voelde dat zomerkamp aan als de annexatie van pas ontdekte vrijheid aan mijn zinloze bestaan, al wist ik helemaal niet wat ik ermee aan te vangen, met dat stukje veroverde soevereiniteit. Het grootste gedeelte van dat jaar was ik immers maar een puberende bakvis geweest wiens wereld bestond uit mensen van wie ik me de namen vandaag niet precies meer kan herinneren. Hoewel ik nog drie jaar geduld moest oefenen om officieel volwassen genoemd te mogen worden, heb ik, met de dag van vandaag meegerekend, nog steeds niet het gevoel dat ik dat ereteken al verdiend heb. Achttien worden in de jaren tachtig was voor mij persoonlijk een grotere mijlpaal dan eenentwintig worden, omdat ik vanaf die leeftijd met een auto mocht rijden, ik formeel geslachtsrijp was en omdat mijn hart voor de eerste keer helemaal aan diggelen lag. Hoewel ze het er destijds in België politiek gezien niet eens over konden worden, of ik op achttien, wettelijk meerder- dan wel minderjarig genoemd mocht worden, veranderde er niets. Met mijn meerjaren ving ik nog minder aan dan toen ik als minderjarige in het leven stond en ik nog over een beetje ambitie beschikte om mijn actieradius te vergroten. Ik heb minderjarig en meerderjarig trouwens altijd vreselijke woorden gevonden. Enerzijds omdat ik me altijd meerderjarig gevoeld heb ten opzichte van gasten die een jaar jonger waren dan ikzelf maar anderzijds omdat ik me ongelooflijk onhandig-minderjarig kon voelen wanneer een vrouw me aansprak die maar een paar maanden ouder was dan ikzelf en ik elke keer tot achter mijn oren rood aanliep. Mijn ruziemakende moeder buiten beschouwing gelaten, waren vrouwen destijds trouwens gewoon rare mensen met staartjes. Ik vond het maar mysterieuze wezens die gekleed waren in grijze plooirokjes, donkerblauwe truien en witte sokken en die in meisjesscholen geleerd werd om voor het andere geslacht onbereikbaar te blijven. Wat ik toen niet wist is dat de vrouwen die ik hierboven beschrijf op dezelfde manier over jongens dachten, al hoefden die er toen al lang niet meer uit te zien als seksloze nonnen of als vrome, seksueel gefrustreerde pastoors. Al bij al was negentienzesentachtig een goed jaar maar dat wist ik op dat moment niet. Nu de herfst mijn persoonlijke zomer snel wegblaast, kan ik alleen maar vaststellen dat levenservaring maar een kam is, die je van het leven cadeau krijgt op het moment dat je kaal begint te worden. Of tweeënvijftig de juiste leeftijd is om tot die vaststelling te komen, weet ik niet zeker. Mijn haargrens bevindt zich namelijk nog precies op dezelfde plaats waar die zich dertig jaar geleden bevond, al wijt ik dat eerder aan de rimpels op mijn voorhoofd die mijn vel zwaarder doet wegen waardoor mijn haarlijn naar onderen getrokken wordt. Ik zeg maar wat, maar kaal, dat ben ik nog niet. Toch ben ik het vandaag aan mijn leeftijd verschuldigd om me tot de leeftijdsgroep van de ‘puberende vijftigers’ te rekenen. Gewoon maar vijftig worden is voor groentjes. Het is maar vanaf tweeënvijftig dat ik opnieuw een beetje recht van spreken krijg in deze grijzer wordende leeftijdscategorie, al doe ik misschien dat best iets luider omdat het risico niet onbestaande is dat ze me anders niet meer horen of verstaan. Officieel zal de stempel ‘vijftig+’ dus vanaf vandaag meer inkt achterlaten wanneer ik mijn voorrangskaart voor een zitplaats in de trein laat afstempelen. Tweeënvijftig dus, en officieel oud. Vanaf vandaag voel ik me echt ten volle vijftiger omdat mijn gammele lijf plots meer plaats inneemt dan toen ik nog over een 40+ karkas beschikte. Ik ben me ook meer bewust van alle lichamelijke kwaaltjes en van alle andere ellende die met dit cijfer gepaard gaat. Maar alles is niet even kut dan ik het hier laat uitschijnen. Ik begin namelijk de kunst te verstaan om mijn lichamelijke beperkingen en mijn mentale obstakels te kennen en te aanvaarden. Dat mijn libido al eens vaker foert zegt hoeft geen probleem meer te zijn want dat lijfelijk ongemak raakt met een pilletje in een wip opgelost. Ik los dat wel even op. En nu ik die woorden neerschrijf bedenk ik me dat dit zomaar een uitspraak had kunnen zijn van een huurmoordenaar of van een loodgieter die me sust met de gedachte dat zolang de dichting van mijn kraantje het houdt en niet gaat lekken ik nog niet moet klagen. Waar ik echter niet aan gewend raak, is dat ik irritant saai begin te worden en dat ik die irritante saaiheid nog als een cadeau begin te aanvaarden ook. Wie had dat gedacht.

Misschien word ik dan met deze levenswijsheid van de dag vandaag echt niet vergeten. Het heeft er alleszins alle schijn van.

%d bloggers liken dit: