Relatieonhandig

Waarom?  Om mezelf aan de waggel te houden? Om datgene te vergeten wat al zo ver achter me ligt maar waarvoor ik nog steeds schaamte voel?  Doe ik het om mezelf een ogenschijnlijk geldig excuus te geven zodat ik datgene wat nog komen zal en waarvoor ik bang ben handig kan uitstellen?  Wordt schrijven dan een schijterige poging om het leven dat lastig is te begrijpen of is schrijven net een streven om het helemaal te negeren, dat leven?

Uit het boek dat ik momenteel aan het schrijven ben, zitten negendertigduizendtweeënveertig woorden me niet voldaan aan te staren.  Hoewel ik al zeventienduizend zevenhonderdenvijf woorden schrapte, is wat ik lees niet naar mijn zin. Sommige zinnen roepen misnoegd, ‘kan je ons niet een beetje korter en concreter maken’. Andere vragen me teleurgesteld, ‘kan het alstublieft met een beetje meer detail, verdienen wij jouw veel te zuinige aandacht dan niet?’ Als ik ze allen, nogmaals en minstens voor de dertigste keer herlezen heb, vraag ik me af waarom ik me met dit werk, dat voor mezelf toch nooit een genoegzaam resultaat zal hebben, blijf teisteren.

In de taal die ik schrijf zoek ik, al te vaak zonder deugddoend resultaat naar woorden en zinnen die iets teweegbrengen. Ik hanteer dan het spel van herhaling, alliteratie, tegenstelling en woordklank in korte fijne zinnetjes en wissel ze af met uitgesponnen romantisch of scherpzinnig bedoelde abstracties. Soms lukt het me om in een handvol woorden iets te maken dat van alles kan doen voelen, maar al te vaak schrijf ik zonder tot ook maar één zinnenprikkelend beeld te komen waardoor jij als lezer iets zou moeten voelen. Zo gun ik me de illusie dat ik mezelf eventjes interessanter mag wanen dan ik eigenlijk maar ben.

Dat schrijven en schrappen, dat herformuleren, dat onophoudelijk herbeginnen is op de keper beschouwd dan ook niets meer of niets minder dan een schuchtere poging om me met mezelf te verzoenen. Misschien werd schrijven voor mij persoonlijk dan ook gewoon maar een onbereikbaar streven naar het vergeten van kemels en naar het leren samen te leven met mezelf.

Wat onduidelijk blijft, is of me dat ooit zal lukken. Want eerlijkheid gebied me toe te geven dat ik mezelf met die verwachting toch maar steeds opnieuw blijf teleurstellen. Met jouw goedvinden blijf ik dan gewoon nog maar eventjes voortschrijven.  En mag ik daar dan alstublieft net zolang mee blijven doorgaan, tot ik mezelf als betrouwbare partner in de relatie met mezelf mag beschouwen.

Is het inzicht dat deze zaterdagnacht me geboden heeft niet de sleutel tot het uitbouwen van elke stabiele relatie ook diegene die ik met mezelf aanga? Het hoeft niet perfect te zijn. Ik hoef niet perfect te zijn en ik geloof echt dat dit zo is, want mensen die kort bij me staan en het kunnen weten zeggen me dat bijvoorbeeld onhandigheid het hoofdkenmerk is van de meeste relaties die ik aanga, al gebruiken ze daar meestal meer tot de verbeeldingsprekende terminologie voor. Niet dat ik dat niet weet, relatieonhandigheid beheers ik namelijk als de beste, in alle aspecten, al drieënvijftig jaar lang, Misschien moet ik daar ook maar eens een boekje over schrijven.

Een niet al te grote schuimkraag

MECHELEN, woensdag 26 november 1941. Mejuffer Carola Van Assche, 44cm 3,45kg zag het levenslicht omstreeks 11:41 uur.

Deze woorden werden op de achtenveertigste woensdag van dat jaar, in sierlijke letters, in vulpen geschreven op de tweede regel van de laatste bladzijde van het trouwboekje van Alfons Van Assche en Florentine Piscaer.

De ietwat gelige vlekken, op de voorlaatste bladzijde van datzelfde boekje, die er door de tijd zijn gaan uitzien als een soort watermerk, doen vermoeden dat er mogelijks menige fles gekraakt werd. Al kan het evengoed zijn dat ze veroorzaakt werden door Alfons zelf in café de Xavrianen, door een nieuw vat bier voor deze heuglijke gebeurtenis te steken. 

Tachtig zou je vandaag worden ware het niet dat die vreselijke ziekte je vroegtijdig geveld heeft.

Op een dag als deze zou je zeker een, twee of meer uit een vers vat gestoken Stella’s gedronken hebben. De schuimkraag niet al te groot want aan grote schuimkragen had je een bloedhekel.

Als we nadien in een niet al te chique restaurant aan tafel zouden gaan, zou je het hoofdgerecht onaangeroerd laten, met als excuus dat je vlees niet goed kan bijten of dat de frieten te hard gebakken zijn en je verhemelte zullen kwetsen.  Wanneer echter, even later het dessert geserveerd wordt, kan je er geld op inzetten, dat je het taartje van ons vader zal afluizen, met als excuus dat dessertjes slecht zijn voor de cholesterol.

Rond de klok van achten zul je zeker met verheven stem zeggen, “kom Jef we geun nar hous.” Die woorden zul je dan zeker vier keer herhalen, met als excuus dat er minstens nog precies zoveel Stella’s, met een niet al te grote schuimkraag moeten gedronken worden.

Maar je bent er niet meer. Dertien jaar geleden ging je definitief “nar hous”, maar dat neemt niet weg dat ik vandaag aan je denk. Met veel weemoed maar met een even grote glimlacht blik ik terug, aan jouw verheven stem, aan de onaangeroerde hoofdschotel en aan Stella’s met een niet al te grote schuimkraag.

Mocht je vandaag daar boven een hemelse Stella bestellen, hoop ik oprecht, speciaal voor diegene die jou bedient, maar voor de algehele hemelrust in het bijzonder, het er een is met een niet al te grote schuimkraag.

Gelukkige verjaardag moeder.

Joekel

Een ochtend van dertien in een dozijn was het.  Ik had me voorgenomen om, purend uit mijn persoonlijke mentale prullenmand een erotisch verhaal te verzinnen, ware het niet dat ik snotverkouden ben, keelpijn heb en mijn hoofd op oorlog staat. Normaal ben ik inventief en hartstochtelijk genoeg om elke zeven seconde erotisch te denken en te schrijven maar nu kwam ik op de een of andere manier niet verder dan deze ijskoude zinnen.

… Met de sluier van de nacht spreekt een halfnaakt lijf een taal die hij niet begrijpt. Een woordeloze nachtelijke dialoog toont de schaduwzijde van twijfelende lichaamstaal dat een onheilspellend gerucht verspreidt dat hij niet gelooft. Gisteren nog was hij jong en hitsig maar sedert vannacht zijn de muren van het leven even glad geworden als het lijf dat op veilige afstand verstijfd naast hem ligt. Telkens wanneer hij er zich aan probeerde vast te klampen vond hij geen grip en gleed hij door in de diepte van kilte en onbegrip. Alsof hij aan de liefde zelf lijkt te sterven. “De wereld mag me vervloeken”, roept hij uit. Ik zondigde tegen lichaam en verstand maar vergeef me voor de zonden tegen mijn hart, want die heb ik nooit begaan…”

Verder dan dit gebrabbel kwam ik niet. De erotiek in dit verhaal, dat er trouwens nooit een geworden is, vertoont veel gelijkenis met de tas thee die ik mezelf zopas heb gezet. Want laat het er ons aub over eens zijn dat, naast water, thee de meest eentonige drank ter wereld is. Thee is, maar dat wisten jullie zelf al, drank die in hoofdzaak gedronken wordt door wandelaars, veganisten en libidoarme vrouwen wiens erotische fantasie er alleen nog uit bestaat om een zakje te laten trekken en zo vruchteloos te wachten tot er iets heets ontstaat. Ik hoef niet te zeggen dat ik er nauwelijks van gedronken heb.

Dat dit erotisch verhaal geen geil of romantisch vervolg krijgt, wijt ik in hoofdzaak aan thee en bijgevolg aan vrouwen die theedrinken maar ook aan de overvloed van snot en vocht dat zich langs alle openingen van mijn hoofd een weg naar buiten zoekt. Nu ik de rafels herlees van wat ik geschreven heb raak ik compleet verlamd door de overtuiging dat ik helemaal overbodig en irrelevant aan het worden ben, dat de wereld zoals ik hem graag heb precies niet meer bestaat. Dat alles uit elkaar lijkt te vallen in chaos en rommelige rotzooi.

Met een opener zoals deze zal ik als erotisch verhalenverteller geen punten scoren om niet te zeggen geen enkel, toch is het precies hoe ik me soms voel wanneer ik weer eens urenlang heb liggen zwoegen en volkomen betekenisloos heb zitten graven in de kantlijn van een wereld die in een ijzingwekkend tempo aan mij voorbijraast en waar ik precies niet meer in thuishoor.

Heb ik nu echt niets beter te doen dan me hier literair te masturberen en uren op taal te knabbelen tot er iets ontstaat dat half leesbaar is? Natuurlijk is dat zo. Natuurlijk is er heel veel te doen, alleen ik doe niets, noppes. Ik blijk naast laf, oninteressant, afwachtend, wraakzuchtig, (ziek maar dit terzijde) ook nog lui. En dan denk ik Pultau, loser, zou je jezelf net als deze tekst niet beter deleten?

Misschien ben ikzelf wel het grootste probleem van mezelf. Denkende dat ik een verschil kan maken terwijl dit klad in feite niets meer is dan ijdelheid die de kop opsteekt erop hopend dat mijn woorden gelezen worden terwijl de wereld daarbuiten helemaal niet wakker ligt van mijn gekakel. Terwijl ik deze laatste zin schrijf slaat de schrik me om het hart.  Je raadt het nooit maar geloof me op mijn woord dat, terwijl ik staar naar de bobbel in mijn broek er zich op dit eigenste moment, in mijn hoofd een joekel van een erotisch verhaal afspeelt.

SOS-CIS

Deze dag kondigde zich aan als een doordeweekse dag van dertien in een dozijn. Op doordeweekse dagen van dertien in een dozijn gebeuren doorgaans alleen maar doordeweekse dingen. Maar zo niet vandaag want na het verstrijken van deze doodgewone dag, was ik opgelucht om vast te stellen dat mijn seksuele identiteit nog altijd overeenstemt met het geslacht waarmee ik geboren ben. So what, zou u kunnen denken en gelijk heeft u want net zoals op andere doordeweekse dagen ben ik niet geneigd om aan deze vaststelling veel aandacht te besteden. Mijn ochtenderectie waarmee zo goed als elke doordeweekse dag begint, eist met dit dagelijks doordeweeks feit(je) namelijk al genoeg waardeloze aandacht op. Tot het mannelijk geslacht behoren is een toevallig levenslot waarmee ik geen heldendaad heb verricht of waaraan ik lauweren heb verdiend, toch beschouw ik het als vanzelfsprekend om er een voorbeeldige relatie mee te onderhouden. Ik ben het mijn knallende ochtenderectie verschuldigd, denk ik.  Mij verzetten tegen het geslacht dat me door de natuur werd toebedeeld en waarin mijn culturele genderidentiteit gebald zit, zou even onnozel zijn als ermee te stoefen. Natuurlijk heb ik dat andere mannen ooit wel zien doen, in kleedkamers van sporthallen, in dure boekjes of in internetfilmpjes waarin ze met hun gigantisch dooraderde piemel nog dommer werden voorgesteld dan ze in werkelijkheid al zijn. Draai het of keer het, een lul blijft per slot van rekening toch gewoon maar een lul. Wie ooit in gezelschap van een horde mannen een publieke doucheruimte deelde, weet waarover ik het heb, maar ik wijk af. Vrouwen die het tegenovergestelde zouden willen beweren, gelieve u even afzijdig te houden, want vooralsnog vervloek ik het geslacht waarin/waarmee ik geboren ben ook niet.  Ik ben er content mee want er zit geen spanning op de seksuele identiteit waarmee moeder natuur me op deze aardkluit heeft gegooid. Tot voor kort leek mij dit de normaalste zaak van de wereld. Sterker nog mocht mijn vader zaliger destijds zijn seksuele genderidentiteit en de knaldrang die daarmee gepaard ging, ontkend hebben was van deze tekst nooit sprake geweest.  Mijn vader was geen tafelspringer maar zou het absoluut niet kunnen appreciëren om met zijn mannelijke gewoonheid als trendsetter of als CIS-man avant la lettre bestempeld te worden. Hij vond van zichzelf dat hij maar een gewone, normale man was. Mogelijks stuit de term ‘gewone of normale man’ in deze context tegen een getransplanteerde borst van een X-gen-man die zichzelf niet als CIS-man beschouwt of van een man die voorkeur heeft aan de piemel van een andere man, dat kan, maar weet dat ik met dit tekstje geenszins die intentie heb. Gewoon is normaal maar niet gewoon is daarom nog niet abnormaal. Dat wil ik wel even beklemtonen. Er schuilt geen verborgen ‘masculinist’ in mij die zich geroepen voelt om een lans te breken voor de seksuele genderidentiteit waarmee een overgroot gedeelte van de mannen zich verwant voelt.   Deze tekst is niets meer en niets minder dan een pleitdooi voor de ‘gewone’ man. De man die vloekt en tiert en op zijn vingers fluit omdat hij naïef hoopt dat zijn fluitje als prelude kan dienen van een mogelijks paringsritueel. Dit is een verdedigingsrede voor de natuurlijke onhandigheid van de man die eens in gezelschap van soortgenoten een haan wordt omdat hij zijn schoonste veren wil tonen maar er niet voor achteruit deinst om een hanengevecht te starten. Dit is ook een pleitrede voor mannen die hun geaardheid niet te grabbel gooien maar ook voor mannen die met x, cis, ho, bi of met welke letter van het alfabet dan hun bestaansrecht willen onderstrepen of afdwingen. Volgens mij slaat de klepel van de diversiteits- en inclusieklok gewoon iets te ver door. Maar ik schreef dit stukje in hoofdzaak omdat ik als Cis-man die sympathiseert met het socialisme en zich bijgevolg in de nieuwe minderheid der SOSSEN bevindt straks niet door het leven wil gaan als SOSCIS.

Kleine Stem

De jonge vrouw, ik schat haar een jaar of veertig, was spichtig en zo mager en breekbaar als een riet. Met haar onverzorgd gebit en haar holle blik leek ze even puistig als een afgeknotte wilgentak in een treurig herfstlandschap. Hoewel ze zichtbaar moeite had gedaan om er toonbaar uit te zien, was ze met die poging nauwelijks succesvol geweest.  De hoge hakken die ze onder haar gerafelde jeans droeg, maakten haar iets groter dan ze in werkelijkheid was. Toen ze me zwijgzaam en geforceerd-hartelijk toegang verschafte tot haar appartement, wipten de hoge, houten zolen van haar iets te grote schoenen snel omhoog zodat die met een droog ritmisch geluid tegen de eeltige onderkant van haar voeten klapten. ‘Bedankt dat ge zo snel gekomen zijt, ik had eigenlijk gedacht dat ge niet zou opdagen. De meeste mensen lopen weg van mij, zelfs mijn eigen kinderen’, prevelde ze bijna onhoorbaar met een hees-doorzopen stemgeluid, terwijl ze een zelf-gerolde peuk opstak en haar iets inschonk dat op koffie trok. ‘Gij ziet er niet uit als een alcoholist’, zei ze met een onhandige brutaliteit zonder een antwoord te verwachten, op familiaire toon alsof we elkaar al jaren kenden. ‘Gij ook?’ en ze wees naar een tas die al een hele tijd niet meer met afwaswater in contact was geweest. Minstens vijf vliegen had ik al geteld. Ze vlogen af en aan van een gebarsten bord waar nog een rest pizza en wat korsten van gisteren op lagen. Voor de koffie bedankte ik maar was wel oprecht benieuwd naar haar verhaal. ‘Denk je dat ik een alcoholist ben?’ vroeg ze me vrank met een niet-gespeeld eerlijke nieuwsgierigheid. Door die directe vraag dwaalde ik in gedachten snel af naar mijn eigen verzopen verleden en begon onophoudelijk te vertellen… over mezelf, over mijn verhaal, zoals ik dat altijd doe in situaties als deze…

‘Ik ben zeker dat ik ook doodsbang was om te erkennen dat ik een alcoholprobleem had’, begon ik. ‘Het antwoord op die vraag had zich voortdurend onder de oppervlakte van mijn bewustzijn schuilgehouden. En soms kwam dat boven, eerst met stil gefluister, dan met duidelijke stem tot het uiteindelijk een schreeuw werd. Ik denk dat ik het allemaal veel te lang genegeerd heb alsof ik van mijn probleem een soort lichtere versie probeerde te maken. Met die onzin waande ik me slimmer dan mijn probleem maar dat was pure zelfoverschatting. Ik heb lang geprobeerd om aan mezelf en aan iedereen die toekeek te bewijzen dat ik een succesvol iemand kon zijn, dat ik niet echt een probleem had en dat ik wel kon stoppen wanneer ik dat wilde maar diep in mezelf wist ik dat dat een dikke leugen was. Als ik mezelf ‘s avonds in de spiegel bezag vond ik alleen maar doffe ellende in de ogen die nauwelijks terugkeken. Ik was zo angstig omdat ik overtuigd was dat ik de rest van mijn leven zou moeten blijven drinken om de dag door te komen of om de nacht te overleven. Ik had er een boeltje van gemaakt.  Met elke mislukte poging om te minderen voelde ik mezelf dieper in de stront zakken, zoals in drijfzand, denk ik.’ ‘Hoewel ik wist dat zuipen, zoals ik het deed, ongezond was en dat ik daar op een dag steendood van zou vallen, kon ik het fysiek en mentaal niet opbrengen om het niet te doen. Ik kon niet stoppen omdat ik er zoveel van hield. Ik was gek op de fysieke sensatie. Ik was begeesterd door de roes die ik via mijn keel in mijn bloed voelde stromen. Met ware doodsverachting zag ik uit naar het mentale spektakel. Naar hoe die slome roes de ruwe randen van het leven effende of de plezierige ervaringen euforisch maakte. En dat zal wel het grootste probleem geweest zijn. Mijn natuurlijke gave om plezier of verdriet of welke emotie dan ook oprecht te ervaren, had ik helemaal kapot gezopen. Drinken zoals normale mensen dat doen heb ik nooit gekund. Ik kon er eenvoudigweg niet mee ophouden eens ik een eerste slok had geproefd. Meestal begon het nog wel plezierig maar net zo goed liep het meestal fout af. Met alcohol ging ik op zoek ging naar iets wat niet bestaat, althans naar iets wat daarin niet te vinden is.’ ‘Mijn zieke geest had de bovenhand van mijn bewustzijn en van het onbewuste. Ik liet hem maar begaan want hij was de enige wie ik nog aandacht gaf. Hij was de enige naar wie ik nog luisterde, de enige in wie ik nog vertrouwen had’.

‘En om op je vraag te antwoorden, ik raakte pas min of meer opgelucht toen ik mezelf de vraag, of ik een probleem had of niet, of ik alcoholist was of niet, niet meer hoefde te stellen. Dat maakte dat ik niet meer moest gissen naar antwoorden en ik niet langer meer moest zoeken naar mazen om te ontsnappen aan het net van mezelf. In plaats van mezelf op te zadelen met excuses waarom ik moest drinken, begon ik stilaan te luisteren naar een andere, zachtere stem, die van de wijsheid maar die zich voorlopig nog schuchter schuilhield aan de binnenkant van mezelf. Ik kwam tot het besluit dat ik mezelf lang genoeg voorwendsels gegeven om het op een zuipen te zetten. Hier, ik zal je er een paar opsommen:

Ik haat mijn werk.

Mijn financiën zijn een puinhoop.

Al mijn relaties staan in ’t rood.

Iedereen die ik ken drinkt toch ook.

Vandaag drink ik want het is mijn verjaardag.

Morgen drink ik want dan is het jouw verjaardag.

Als ik niet drink zullen ‘ze’ vragen waarom ik niet drink… ik zal ‘er’ niet bij horen.

Ik ben toch op vakantie, en ik doe toch niemand kwaad met een wijntje?

Het leven is saai zonder drank

Het leven is moeilijk

Het leven is wreed.

Ik ben (on)gelukkig.

Het is toch al donderdag.

De kinderen zijn druk geweest, ik heb het verdiend.

Ik wil niet voelen dat ik ongelukkig ben.

Het is toch weekend.

De kinderen zijn er niet, ze zien het toch niet.

Oma is dood.

Het is toch al elf uur.

Ik heb toch al ontbeten.

Ik heb een rotdag, ik heb het verdiend.

Ik ben toch een loser.

Lien is zwanger.

Ik heb geen slechte dag.

Ik heb een platte band.

Het is nog maar tien uur maar het is zondag.

Ik heb gisteren niet gedronken, zie je dat ik geen probleem heb.

Ik schaam me omdat ik me weer misdragen heb, ik kan net zo goed drinken dan vergeet ik het.

Het is genetisch bepaald want ons ma dronk ook veel.

De zon schijnt.

Ik moet een nieuwe fles kopen want aan deze ben ik al begonnen. Ik vrees dat ik niet toekom.

Het dient niet om de vloer te schuren.

Ik had een ongelukkige jeugd.

Het regent.

Ik schaam me omdat ik in mijn zatte bui weer iedereen gebeld heb.

Gisteren dronk ik maar twee glazen, (terwijl het er vier waren.)

Nog eentje…

…eentje kan geen kwaad….

‘Zal ik je wat vertellen? Wanneer ik terugkijk op mijn alcoholcarrière is het voor mij zo klaar als pompwater. Hoewel ik dacht dat ik zuipkampioen was, kon ik helemaal niet drinken, want ik kon nooit stoppen omdat ik alcoholist was, ik alcoholist ben en altijd alcoholist zal blijven.’ ‘In het oog van een orkaan lijkt het windstil, maar als de wind gaat liggen, ligt alles plat. Het angstaanjagend van het zaakje is dat de stormen elkaar sneller zullen opvolgen en dat ze erger worden. Als je jezelf herkent in dit verhaal of in een excuus hoef je geen test af te leggen. Dan hoef je mij of jezelf die vraag niet meer stellen.’ ‘Er is geen juist moment om te beginnen met drinken net zoals er geen slecht moment bestaat om te stoppen met drinken maar wacht er niet mee tot het te laat is. Weet dat het met elke nieuw-verzopen dag moeilijker wordt. Je zal het harder te verduren krijgen omdat je met elk nieuw glas elke nieuwe kruimel eigenwaarde en zelfrespect doorspoelt.’ ‘Maar het goede nieuws is dat het kan. Het beste nieuws is dat het mogelijk is om te stoppen. Als ik het kon, kan jij het. Niet dat alles zonder drank perfect loopt of dat het leven gemakkelijk wordt maar het wordt wel rustig, op een rommelig-chaotische manier.’ ‘Als je het probeert en je geeft niet op, is het mogelijk, zolang je maar blijft luisteren naar die kleine stem die je elke dag iets belangrijks te vertellen heeft.’

‘Wat moet ik dan doen’, vroeg ze wanhopig terwijl er uit de diepte van haar holle blik dikke tranen rolden.

Tijdelijk herwonnen jeugd

Ik schrijf om niet vergeten te worden. Wie mijn lezer is, weet ik niet, en dat is niet belangrijk. Misschien wordt het dat pas wanneer dit verhaaltje wordt opgevist uit een gammele kist op een of andere zolder, ooit. Misschien krijgt het dan de betekenis die ik er nu wil aan geven, wanneer een lezer met zijn ogen door mijn gedachten bladert, en er dezelfde ondefinieerbare twijfel in voelt die nu door mijn ziel woedt. Ik ben Jan, zoon van Jef de gereedschapsdraaier en van Carola de ruziemaker. Dit is de ingekookte versie van een praatjesmaker van drieënvijftig die door het leven bedeeld werd met een onmetelijk ego, een vuil blad en met een uiterst breekbaar hart. Buiten ongepast zelfmedelijden en wat losse rafels heb ik niets aan het hoofd al lijkt het als je onder de oppervlakte kijkt dat ik mijn verstand en mijn hart verloren heb. Met aandoenlijk kinderlijke melancholie verberg ik de utopische euforie van mijn jeugd en die van vergeten figuranten die erin passeerden en die net als ik slachtoffer werden van domme onwetendheid of van nog dommere hoogmoed.  De tragedie van het leven is dat men niet oud wordt maar dat men zich jong blijft wanen. Toch verdwijnt iedereen net zoals ik op een dag naar de achtergrond, langzaam door de tijd vergeten. Ik ben Jan en koos mezelf als hoofdpersonage, omdat hij de enige is die overblijft wiens gedachten en emoties ik nog vertrouw. Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een roekeloos verleden. Een verleden dat met elke dag die voorbijgaat meer terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst. Wat hier neergeschreven is, is een levende getuigenis van een half leven dat even zinvol als zinloos voorbijvloog en waar niet veel meer van overblijft dan de tijd die erin verdwijnt. De herfst blaast mijn laatste zomerdag weg om nooit meer terug te komen. Met het vallen van het blad weet ik dat levenservaring een kam is die je van het leven cadeau krijgt op het moment dat je kaal begint te worden. Of drieënvijftig de juiste leeftijd is om tot die vaststelling te komen, weet ik niet. Mijn haargrens bevindt zich namelijk nog precies op dezelfde plaats waar ze zich dertig jaar geleden bevond, al wijt ik dat eerder aan de rimpels op mijn voorhoofd die mijn vel zwaarder doen wegen waardoor mijn haarlijn naar onderen getrokken wordt. Ik zeg maar wat, maar kaal, ben ik nog niet. Toch ben ik het vandaag aan mijn leeftijd verschuldigd om me tot de leeftijdsgroep van de ‘puberende vijftigers’ te rekenen. Gewoon maar vijftig worden is voor groentjes. Het is vanaf drieënvijftig dat men opnieuw recht van spreken krijgt in de grijzer wordende leeftijdscategorie waartoe ik behoor. Al doe ik dat spreken straks misschien best iets luider opdat ze me anders niet horen of verstaan. Officieel zal de stempel ‘vijftig+’ vanaf maandag meer inkt achterlaten wanneer ik de voorrangskaart voor een zitplaats van de trein laat afstempelen. Drieënvijftig dus, en officieel oud. Vanaf maandag zal ik me ten volle vijftiger voelen omdat mijn alsmaar stijver en dikker wordend lijf meer plaats zal innemen dan wanneer ik nog met een veertig+ karkas bedeeld was. Ik ben me ook meer en meer bewust van alle lichamelijke kwaaltjes en van alle andere ellende die met dit cijfer gepaard gaan. Maar niet alles is even kut als ik het hier laat uitschijnen. Ik begin namelijk de kunst te verstaan om mijn lichamelijke beperkingen en mijn mentale obstakels te herkennen en te aanvaarden. Dat mijn libido al eens vaker foert zegt hoeft niet echt een probleem te zijn want dat lijfelijk ongemak raakt met een pilletje in een wip opgelost. De tijd dat ik daar beschaamd over was ligt ver achter mij. Ik los dat wel op. En nu ik deze woorden neerschrijf onder een Noorse sterrenhemel bedenk ik me dat dit alles een uitspraak zou kunnen zijn van een huurmoordenaar die mijn toekomst vermoordt of van een loodgieter die me sust met de gedachte dat zolang de dichting van het kraantje het houdt, het wellicht niet zal lekken. Waar ik echter niet aan gewend raak, is dat ik irritant saai begin te worden en dat ik dat nieuwe gevoel nog als cadeau aanvaard ook. Wie had dat ooit kunnen denken? Hopelijk word ik met deze nutteloze levenswijsheid, net zoals dit tekstje niet vergeten, ik word namelijk niet elke dag drieënvijftig. Maar eerst ga ik met mijn tijdelijk herwonnen jeugd nog een paar Vikingen verslaan en wie weet springt er morgen toch nog een zalm in mijn net.

Bøker og Børst

De rusteloosheid die ik al jaren tegen mijn zin meezeul en die me alsmaar als een zwarte schaduw bleef achtervolgen heb ik op deze reis ergens onderweg achtergelaten. Het is rustgevend dat mijn kalmerende gedachten me hier niet tot belachelijke destructieve vechtpartijen kunnen dwingen waarbij in een liefdeloos en oneindig gevecht de ene vermoeiende gedachte het van de andere met de bovenhand moet halen. Het is om en bij half elf, vrijdagavond. De dag loopt op zijn einde en op geen enkel moment heb ik me vandaag door zaken van gretigheid of geestdrift gedwongen gevoeld, dat het bijna lachwekkend is om er iets over te schrijven. Lachwekkend zeg ik omdat ik geen enkel ander woord kan verzinnen dat mijn sereniteit beter kan omschrijven. Misschien ben ik zelf wel lachwekkend of belachelijk omdat ik de onuitputtelijke behoefte om uit te leggen wat er zich in mijn hoofd en hart afspeelt maar niet het zwijgen kan opleggen. Dat lukt me niet, zelfs vandaag niet nu er niets noemenswaardig gebeurd is. Hoewel, vanmorgen heb ik een plaatselijke barbier bezocht. De kapper van dienst, een Italiaans uitziende Viking heeft mijn weerspannig wordende haren in een strakke snit geknipt. Hij kamde en kneedde, millimeterde en kortwiekte haartje voor haartje om er mij minstens twee en maximum vier jaar jonger uit te laten zien. Om mijn zelfvertrouwen wat op te krikken had ik mijn vertrouwde jeans en mijn bijpassende gestreepte trui aangetrokken.

Ik geloof dat ik gerustgesteld door veilige kleren en getooid met een hip kapsel die vreemde, ongekende stad beter tot mij kon laten komen, of ik tot haar. Om er haar gezelligste plekjes in te ontdekken. Stravanger is in het hoogseizoen een drukbezochte havenstad.  Dagelijks varen dan twee tot vier cruiseschepen af en aan om er duizenden op sensatiebeluste toeristen over uit te spuwen. Het is nooit één schip. Het zijn er altijd minstens twee en nooit meer dan vier. Ik verzin het niet. Twee overjaarse hippies, een was een eeuwig studerende, schrijvende archeoloog, in het bezit van drie masters en minstens duizend getuigschriften, de andere was activist die al jaren opbokst tegen al dat ook maar ietwat naar liberalisme en kapitalisme neigt. Zij hebben me dat verteld. Zij dronken rode wijn en ik gutste de baristo-koffie, de ene na de andere binnen. De archeoloog die men ook niet van enige kruimel rechts gedachtengoed kon verdenken had een plan bedacht om de Noorse democratie te laten imploderen door vijftig komma een procent van de kiezers te overhalen om blanco te stemmen. Hij ging dat voor elkaar brengen met een sociale media bom of zo. Ik verstond zijn Noors-Engels niet altijd even goed. Ik vergeet nog te zeggen dat de bar “Bøker og Børst” heette wat zoveel betekent als “boeken en zuip”, een plekje naar mijn hart. Ik hoefde geen uitleg te verschaffen waarom ik geen wijn dronk. Mijn nieuwe Noorse vrienden hadden dat al door.

Elk avontuur begint met een blik in de verte.

Nu ik hier in het Noorden ben beland, stel ik me een lezer voor. Jij dus, die zichzelf inspecteert met wat ik heb geschreven. Wat ben ik ermee? Welk nut heeft het? Waarom zou ik überhaupt een poging wagen om te achterhalen wat jij denkt over wat ik denk, over wat ik zie of voel? De zin om me te wapenen en om te vechten tegen de weer- en zinloosheid waar ik op een dag zeker de strijd zal van verliezen ben ik aan het kwijtraken en dat voelt juist. Inzicht komt met de jaren zegt men en met de jaren komt ook het besef dat hoe beter ik de dingen begrijp hoe harder mijn verlangen groeit dat ik ze liever nooit had begrepen. Een geschikte gesprekspartner om over die dingen van gedachten te wisselen is hier niet. Daarom richt ik me tot jou, mijn zielsverwant want jij stelt me nooit teleur. Met woorden die recht uit mijn ziel stromen geef ik jou de volmacht om hem helemaal te inspecteren. Als je dat wil tenminste. Zo wordt schrijven diep graven in mijn ziel met jou als stille, aanwezige getuige. Meer hoeft het niet te zijn.

De tranen komen vanzelf, geen idee waar ze vandaan komen of waar ze me naartoe brengen. Het ene moment kijk ik om en luister en voel glimlachend naar de weg die ik al afgelegd heb. Een seconde later stroom ik helemaal over, compleet overweldigd met twijfelende emoties en onbegrijpelijke prikkels die ik niet onder controle krijg. In mijn hoofd worden kleine kabbelende beekjes snel stromende rivieren en kolkende watervallen. Ik beweeg niet. Ik kijk niet weg maar onderga de reflectie van mijn gedachten. Het enige wat ik kan doen, is ademen en voelen hoe de indrukken van mijn gedachten en emoties geabsorbeerd worden om ze helemaal gewaar te worden. De afgelopen dagen heeft mijn wereld uit niet veel meer bestaan dan uit verwondering voor schoonheid en emotie van puurheid. Met de rust die ik hier voel, lijkt het erop dat met de tranen die over mijn wangen rollen alle ruis van de wereld wordt weggespoeld. Ze doen me even terugblikken. Op deze plek vind ik woorden die zeggen wat ik elders niet uitgesproken krijg. “Als mijn scherpe woorden ooit jouw gedachten hebben beïnvloed, neem ik ze terug. Als mijn sombere blikken ooit jouw dag hebben verduisterd, neem ik ze terug. Als mijn zoute tranen ooit jouw vurigheid en geestdrift hebben getemperd, neem ik ze terug. Allemaal, ze behoorden alleen mij en passen niet bij jou.

Ik heb het leven te lang en te dikwjls genegeerd. Ik heb het ontkend en zelfs ontvlucht. Hier met mijn DNA als enige gezelschap merk ik dat stilaan alle weerstand wegvloeit. Het enige wat ik nog voel is sentimentaliteit zonder oorzaak. Een soort van onderliggende werkelijkheid die niet in relatie of in verhouding lijkt te staan met de dagelijkse realiteit waarop ze betrekking heeft. Ze braakt alleen als lava van vulkaan uit mijn lijf. Ik raak maar niet uitgevoeld. Het voelt alsof al mijn zintuigen wagenwijd openstaan en ik niet in staat ben om er langer weerstand tegen te bieden. Misschien gaan die tranen wel over iets anders, over een elastiek die me strak aan het leven bindt en helemaal wordt uitgerekt waardoor me niets anders rest dan te wachten tot hij knapt. Ik kan er niets meer over vertellen want meer valt er niet te zeggen. Ik ben blij dat ik alleen ben. Het zou ondraaglijk zijn om nu in iemands gezelschap te verkeren, welk gezmschap dan ook. Ik zou niet weten wat te zeggen. Soms en zeker nu denk ik dat mijn persoonlijk leven tegelijk van iets teveel en van iets te weinig bevat. Dan is het te vol, dan weer te leeg maar nooit op maat gedoseerd. Ik zeg dan wel dat ik het leven wil voelen om erin woorden in te verdrinken of om er woordeloos boven te zweven maar de twee werelden waarin ik leef zijn tegenstrijdig. De ene is gereguleerd en geprogrammeerd en dus duidelijk, saai en gedoemd tot regelmaat en sleur. De andere plek is vrij en helder, onbegrijpelijk turbulent en net zo peilloos diep als het ijskoude bergmeer vol onzichtbare onderstromen. Precies het meer waar ik nu mijn blik op richt. Hoe ik het leven aanvoel is hoe ik het wil leven, storend voor mezelf, emotioneel-chaotisch en sensueel onhandig voor jou, mijn lezer. Controle of grip zal ik er nooit op krijgen. Misschien wanneer ik straks wakker word en opnieuw helder ben zal ik tot besef komen dat dit misschien wel mijn allerbeste kwaliteiten zijn. Dus laat me hier in het Noorden nog maar even in deze gedachten spitten want elk avontuur begint met een blik in de verte.

Wanneer de tijd zijn werk heeft gedaan

Gemakshalve zou ik me ervan af kunnen maken door in fontsize 72 en in hoofdletters ‘geen commentaar’ op dit lege papier te schrijven maar die keuze maak ik niet. Ik ben kwaad geweest op de wereld, op mijn dorp en op de mensen die er wonen, op het werk en de mensen die er werken, op mijn huis en de mensen die erin wonen. Het zou best kunnen dat ik op iedereen kwaad ben geweest en niet in het minste op mijzelf en op mijn lijf dat me meer en meer in de steek begint te laten. Misschien ben ik het nog steeds en gaat die boosheid nooit meer helemaal weg. De oppervlakkigheid en gemakzucht waarvan ik iedereen verdenk, vechten een genadeloze strijd uit met diepgang, hartstocht en diepzinnigheid waarnaar ikzelf onophoudelijk op zoek ben ook al weet ik al een hele poos dat ik die dingen alleen maar in mezelf kan vinden. Het voelt aan alsof ik een levenszwaarte meezeul waarvan ik me nooit helemaal zal kunnen ontdoen. Ik draag een onzichtbaar zware rugzak die alleen lichter kan gemaakt worden door iemand die me van dichtbij vergezelt en die als het nodig is overtollig ballast wegneemt en er luchtigheid of oppervlakkigheid voor inruilt. Door die tweestrijd was ik mijn stem, mijn pen en mezelf even kwijt maar nu richt ik me opnieuw tot jou, mijn zielsambassadeur, want jij begrijpt precies wat er in me omgaat. Een andere keuze heb ik niet ook al lijkt het een beetje koud te zijn geworden tussen ons. Mocht ik een foto zijn, je zou een gevoelige ouder wordende man zien die buiten zelfmedelijden niets anders om het hoofd heeft dan zijn eigen gedachten. Onder de oppervlakte van dat wazige beeld zou je zien dat het lijkt alsof hij zijn verstand en zijn hart verloren heeft.  Misschien is hij zichzelf wel helemaal kwijtgeraakt.

De stilte en de afstand tussen ons deed me geen goed. Sinds onze laatste rendez-vous ben ik op zoek naar dat ene woord dat precies omschrijft hoe ik me voel. Ik vind het niet. Misschien is het nog niet uitgevonden en staat het in geen enkele woordenboek omdat tot nu toe te weinig mensen geleefd hebben die net zoals ik in hun eigen gedachtewereld geklemd zitten en willen beschrijven wat er zich afspeelt. Het zou zomaar kunnen. De betekenis van dat onbestaande woord zou je, mocht het bestaan, in een vertaalwoordenboek vinden tussen de woorden ‘eenzaam’ en ‘alleen’. Niet dat ik het als een straf beschouw om me een tijdje af te zonderen of dat ik me eenzaam voel wanneer ik alleen ben want dat is niet het geval. Mijn alleen zijn, is een keuze om er even niemand bij te willen, om even niemand te willen zien of niemand te willen horen. Daar is niets mis mee. Het is rust die als een geruisloze storm door mijn bos raast en alle dode takken afbreekt.  Maar eenzaamheid is het tegenovergestelde. Dat is een knagend rotgevoel dat schreeuwt om een ander soort aandacht. Wat ik voel zit daar ergens tussenin.

Met de pianoklanken van ‘Comptine d’un autre été’, de soundtrack van de film ‘le monde fabuleux d’ Amelie’ en met mijn DNA als enige ander gezelschap kijk en luister ik naar mijn monotone gedachten. Vaneigens word ik er niet wijzer van want alleen de schepper kan van niets iets maken en dan moet hij dat nog eerst laten ontploffen.  De stilte heeft ook zijn frequentie. Zij zorgt ervoor dat afwezigen beginnen te spreken. Niet dat ze me storen ook al is de eenzaamheid van daarnet met hen erbij opeens wel heel dichtbevolkt. Er was niets mis met dat stilzwijgen maar soms is het toch beter om dat tegen iemand te kunnen zeggen.

Echte eenzaamheid kom ik dagelijks tegen. Bij vriendelijke mensen die met of zonder woorden elkaar vragen hoe het gaat.  Om te doen alsof of om schijn hoog te houden. Het is een mooi plekje om te bezoeken maar een slechte plaats om in te blijven hangen. Misschien heb ik mijn verlangen naar deze luxueuze eenzaamheid hoogmoedig overschat en ben ik gewoon maar een ijdele egoïst die veel te hard in zichzelf is geïnteresseerd. Elke onnozelaar heeft toch gezelschap nodig. Een denker zoals ik die de eenzaamheid opzoekt en hem op één been doet staan en doet wankelen om niet om te vallen, is waarschijnlijk nog een grotere onnozelaar.

Pas wanneer ik al mijn losse eindjes aan elkaar geknoopt heb en ik mezelf en mijn gepeins niet langer meer alleen kan verdragen word ik opnieuw een sociaal wezen dat het evenwicht herstelt maar voorlopig laat ik die eindjes nog maar rafelen. Ik kom er wel uit, wanneer de tijd zijn werk heeft gedaan.

Een keuze als een andere!

Deze morgen, het zal iets over zes geweest zijn. In de veel te warme bedstee was niets spannends te beleven.  Ik wijt dat gemakshalve aan de temperatuur maar ook aan de donsdeken dat voor ‘god weet welke reden’ tussen ons inlag als een barricade die de goeden van de slechten scheidt. Om me de ergernissen van het zwoele ochtendgloren niet op de hals te halen, nam ik het besluit om de nieuwe dag dan al een eerlijke kans te geven.

Een paar tellen later, ik staar door het open schuifraam naar buiten en probeer mijn slaperige indrukken te ordenen.  Ik roer doelloos het zoet door mijn iets te sterke koffie en met elke slok die ik neem doet de cafeïne zijn werk. In de verte krijst een mannetjespauw om de aandacht van een wijfje. Ik ben zeker dat zijn staart ook recht staat. De natuur zit simpel in elkaar want tussen de vogels in zit geen opgefrommeld donsdeken in de weg. Hoewel simpel?  De staart van de mannetjespauw waarin hij zijn ego verbergt zal ook weleens in de weg zitten wanneer het erop aan komt zeker?

“Mijn vader is een saucisse” kopt een katern in de weekendbijlage van de zaterdagkrant. Mijn oog valt op de titel van deze eerste Vlaamse post corona prent.  Hij zou op mij van toepassing kunnen zijn. Ik zeg dat omdat ik ook over dat naïeve feelgood-achtige iets beschik waardoor ik denk dat ik het leven in mijn broekzak kan steken. Aan overmoed en onschuldige onnozelheid geen gebrek, ik kan winkel houden in embryonale ideeën en kan grossieren in illusies. De wereld is er vooralsnog nog niet beter van geworden.

Waar wordt de wereld dan wel beter van? Tegen beterweten in zoek ik mijn heil in de rest van de gazet. Ik had het beter niet gedaan. “Racisme kent vele gezichten maar als het over één onnavolgbaar en hardnekkige eigenschap beschikt, is het zijn eigenzinnig vermogen om vergeten te worden.”  De krantenkop spreekt, zwart op wit. De vetgedrukte letters doen me aan mijn broer denken. Hij is naast gerenommeerd geschiedeniskenner ook een notoir nieuwe racist, één die zijn witte suprematie niet onder stoelen of banken steekt. Met de tijd is hij gaan behoren tot de nieuwe brigade ter bevordering van de onverdraagzaamheid en zurigheid en de voorkoming van samenhorigheid en de gezelligheid. Zo ergert hij zich bijvoorbeeld bleekblauw aan de sportieve knieval van verdraagzame voetballers die met hun symbolische actie respect en antidiscriminatie onder de aandacht willen brengen. “Politiek en sport hebben met elkaar geen uitstaan”, brult hij dan kwaad in whatsapp berichten waarmee hij mij bestookt. Als ik hem fijntjes zeg dat institutioneel racisme aan een exclusief witte onderhandelingstafel wordt besproken en dat de politieke arena er niet in geslaagd is de maatschappij verdraagzame vormen te geven, en dat dit symbool op de knie onschuldig is, voelt hij zich door zijn witte eer helemaal in het nauw gedreven.  Mijn broer is somber, angstig en azijnzuur geworden. Hij voelt zich in het nauw gedreven door een hoofddoek, door burgemeester Somers (die hij steevast Mohamed Somers noemt) door couscous en falafel en kikkererwten, door muntthee maar ook door een symbolische knieval. Zelf dweept hij met en heeft hij sympathie voor halve gekken in maatpak die met hun rechterarm omhoog de samenleving symbolisch naar de verdoemenis wensen. Mij niet gelaten, ik hoop oprecht dat hij er vrolijk van wordt.  

Om uit de impasse te komen waarin de krant me gebracht heeft, spreek ik symbolisch een fatwa uit over negatieve gedachten. Een laatste blik op de krant leert me dat de vaccinontkenners maar 1.6 % van de bevolking uitmaken en ik stel me de vraag waarover ik me de afgelopen maanden druk heb lopen maken?

De rode cijfers van de klok van de microgolfoven verraden dat het zes na zeven is. Ik neem het besluit dat ik de rest van de dag een saucisse zal zijn. Het is een keuze als een andere!

Krikkel.

“Af en toe is een relatie niet veel meer dan het delen van een slecht humeur tijdens de dag en slechte geuren tijdens de nacht”

Vier uur, ik ben klaarwakker. Niet dat het de bedoeling is, bijlange niet. Ze ligt naast mij op haar rug, het hoofd lichtjes naar mij gekeerd, waardoor ze ritmisch en zacht snurkend een zuur luchtje in mijn gezicht ademt. Naar links uitwijken is onmogelijk omdat langs die kant van het bed maar tien centimeter matras overblijft en zij in haar christushouding de overige een meter negentig in beslag genomen heeft. Uit de luisprekers van haar oortjes, die ergens op het dekbedovertrek liggen, klinkt stil maar net hoorbaar Indische zweefmuziek die ze een uur of vier geleden heeft uitgekozen omdat ze anders moeilijk inslaapt. Het zacht gerochel in haar keel doet me denken aan het geluid van een leeglopend bad en aan het laatste restje badwater dat door het putje van de afvoer gezogen wordt. Je zou dat gekwalster ook kunnen vergelijken met het zuigpijpje dat een tandarts in je mond hangt en reutelt en rochelt van zodra het je hele speekselvoorraad opgezogen heeft. Uit haar mondhoek die door de zwaartekracht een beetje naar links afhangt, sijpelt een streepje kwijl dat op haar wang verdampt zodat na een poos een fijn zoutkorstje achterblijft.

“Af en toe is een relatie niet veel meer dan het delen van een slecht humeur tijdens de dag en slechte geuren tijdens de nacht”, prevel ik in gedachten zonder verder aandacht te besteden aan deze fel overdreven conclusie.

Toegegeven, ik ben de laatste weken misschien “een beetje licht geïrriteerd” maar dat komt alleen maar omdat wanneer een van ons beiden krikkel of prikkelbaar is, het lijkt alsof de andere die gril zo snel als mogelijk moet overnemen. Dan ontstaat er zoiets dat op een rechtszaak trekt. Pleidooien voltrekken zich zonder schuldigen, slachtoffers of jury in een soort assisenzaak waarbij de ene partij zo straf als mogelijk datgene probeert te ontkrachten wat de andere wil bewijzen en vice versa, zonder dat er überhaupt ooit een zaak geweest is.

Ik besef het wel. Het ligt helemaal aan mij. De laatste weken leef ik een beetje onder donkere wolken. Ik ben licht geraakt, ongeduldig en overprikkeld. Om de korte lont in mijn dynamiet niet aan te steken, keer ik in mezelf en plooi ik terug in mijn eigen denkwereld. De kloterij is dat ik niet helemaal zeker weet of die onweersbuien het gevolg zijn van de coronashit of toe te schrijven zijn aan een ander soort ontevredenheid. Misschien ben ik, door corona gewoonweg een miscontente mens geworden? Maltevreden, over mijn werk, waar het altijd beter kan maar dat niet lijkt te worden, over die paar vierkante meters waar ik al anderhalf jaar mijn tijd in doorbreng, over het weer dat zacht maar te nat is voor de tijd van het jaar, over het gebrek aan vrijheid of over mijn vadsige luiheid die altijd maar in de weg blijft zitten. Ben ik besmet met het virus van de onverschilligheid of belast met het syndroom van kustmijnklotenmans? Ik weet het niet. Ik krijg die vaag, knagende triestigheid aan mezelf niet uitgelegd.

Morgen ben ik vierentwintig jaar lang vader en is het dat misschien?  Dat onderbewuste besef dat met tweeënvijftig jaar het meeste vet van de soep is? Of ligt er ergens misschien toch nog een droom te rotten maar ben ik vergeten waar ik hem verstopt heb?   Wie zal het zeggen?

Donderdag krijg ik mijn coronaprik.  Met één spuitje ben ik ervan af. In tegenstelling tot die Limburgse burgemeester schaam ik me een beetje voor die vroege spuit, omdat ik bij mijn weten geen onderliggende risico’s heb en ik volgens mij niet oud genoeg ben om nu al aan de beurt te zijn. En is het die gedachte die me onderbewust aan de waggel houdt? Ben ik onzeker omdat ik net gewend ben geraakt aan de zekerheid en aan de slome traagheid van dit rustig leventje en zal die straks opnieuw zal ingewisseld worden voor het spookbeeld van de jachtige drukte waar ik allergisch voor geworden ben of voor een nieuwe realiteit die ik nog niet ken?

Nog een paar dagen, dan zal ik je op die vraag antwoord kunnen geven, tot dan zal ik proberen me niet al te fel te ergeren aan mijn vrouw die zachtjes ligt te ronken.

Vlieg gewoon de wereld in.

Gesteld dat ik altijd en tijdig op elke moeilijke vraag het antwoord wist, zou het leven dan geen voorspelbaar en doodsaai boeltje worden? Stel dat je over die gave kon beschikken, je zou zo maar in staat zijn om tegenslagen te ontwijken. Je zou zelfs grote misstappen kunnen vermijden maar je zou wel de glimlach missen om na elke tegenvaller de ogenschijnlijke ernst van het leven te mogen weglachen. 

Op een dag zal je mij wel vergeven. Je zal het me niet kwalijk nemen dat ik je niet vroeger gezegd heb dat je het leven niet te serieus moet nemen. Maar dat mag je eerst allemaal zelf ontdekken want ik weet dat je altijd zal onthouden waar je vandaan komt. Onder een appelboom liggen namelijk geen peren. Ik herken in jou mijn streken en mijn overmoedig onhandige geworstel. Jouw ogen glinsteren namelijk op precies dezelfde stuntelige manier als de mijne. Lichtvoetig en onbezonnen zie ik je vervuld van twijfel in de wereld springen zoals ik dat nu ook soms nog doe, al zit er wel wat sleet op mijn speelse schelmerij. Als ik terugkijk weet ik niet precies meer wanneer ik mezelf aan mijn haren omhooggetrokken heb en tot de ontdekking kwam dat elke reiziger uiteindelijk op een bestemming aankomt. Maar ik weet wel dat de wildste vogel vroeg of laat de weg naar zijn nest vindt.

Wat ik eigenlijk onhandig probeer te zeggen is dat al datgene wat je nog zal doen niet allemaal perfect hoeft te zijn. Het leven is dat ook niet. Kijk gewoon vooruit en vertrouw op jezelf. Het mag best chaotisch en rommelig zijn want volmaaktheid is saai. Je mag best nerveus of bang worden van jezelf wanneer je niet goed weet wie of wat je nog op je pad zal tegenkomen. Het is helemaal ok om van je fouten te houden want zonder kemels te schieten raak je hier op deze aardkluit geen stap vooruit. Het is goed om grenzen op te zoeken maar het is even goed om af en toe alleen te zijn omdat je erop kan vertrouwen dat je nooit in de steek zal gelaten worden.  Ik heb er alle vertrouwen in dat jij wel zal spreken wanneer het jouw beurt is en dan zal je van je laten horen en ik ben zeker dat je daar niet al te veel woorden voor nodig zal hebben.

Wat ik eigenlijk onhandig probeer te zeggen is… Veel geluk wilde, zotte vogel, vlieg de wijde wereld maar in.  Je hebt eindelijk je eigen nest!

Geen scheet over de lippen gehad!

“Met de dag begin jij meer op je vader te lijken”: bitste ze me nogal kortaf toe nadat ze haastig de ontbijttafel verliet zonder dat daar in mijn ogen aanleiding voor was.  Mijn permanent aanwezige vrouwelijke huisgenoot die zichzelf voor onduidelijke redenen een hogere rang in de familiale hiërarchie heeft toegeëigend, was overduidelijk geërgerd. Ze blafte in een bitse uitval verder: “Hoe dikwijls nog? Niet met je mondvol!” Met die laatste snibbige schimp was, naast mijn allerlaatste broodkruimel ook mijn allerlaatste twijfel weggenomen. Het was glashelder dat het niet mijn vaders allerzachtaardige kant was die ze in gedachten had toen ik een paar tellen geleden de vergelijking met hem moest doorstaan. Geen idee welk beeld ze van mijn pa precies voor ogen had maar ik durf er gif op nemen dat het niet zijn voordeligste kant was.

Ik zou het licht van de zon ontkennen, mocht ik u proberen overtuigen dat ik met mijn vader geen enkele genetische overeenkomst heb.  Men zou terecht andere vragen kunnen stellen, moest dat niet het geval zijn. Die mens heeft me per slot van rekening verwekt. Neem nu bijvoorbeeld de omvang van onze hoofden. Dat is duidelijk een niet te verloochenen uiterlijk verschijnsel dat de Pultau-dynastie al eeuwenlang generatie op generatie doorgeeft. Mijn zonen zijn ook met datzelfde, in het oog springend genetisch kenmerk belast. En die last mag gezien de omvang ervan redelijk letterlijk genomen worden. Zou u ons niet kennen, geloof me dan maar op mijn woord dat wij, Pultau ’s dè “hoofdreden” zijn waarom het woord bol in Van Dale omschreven wordt als “rond lichaam dat begrensd wordt door een gebogen oppervlak waarvan alle uitstekende punten even ver verwijderd zijn van het middelpunt”. Zou u ons in levenden lijve zien, u zou vaststellen dat wij allemaal over datzelfde grote pompoenenhoofd beschikken als vader zaliger, in de veronderstelling dat u mijn vader zaliger in eigen persoon gekend heeft natuurlijk. Wat hij naast grote karakterkoppen nog ongewild aan ons heeft doorgegeven is zijn gulzige eetlust. Volgens hem was dat het gevolg van de oorlogsschaarste. “Als ge toen niet haastig waart en pakte wat ge kon krijgen, had ge niks!” Ik kan hem die zin met zijn tandeloze mondvol nog horen smakken. Ridderlijk toegegeven, kokette tafelmanieren, het zijn niet de sterkste punten van het geslacht Pultau. Niet dat wij als onbeschofte Neanderthalers werden opgevoed, zeker niet, want mijn ma, eveneens zaliger, kon een erwt nog in vieren snijden alvorens ze er zuinig en zonder gesmak een half uur op te kauwen.

Ik vertel u dit alles omdat de vrouw des huizes de kwaal waaraan zij leidt niet langer meer kan onderdrukken. De diagnose die ze nota bene zonder doktersbezoek bij zichzelf stelde, heet Misofonie. En dat beste mensen is een bijzondere aandoening. Terwijl ze eigenlijk gewoon onverdraagzaamheid bedoelen, is Misofonie de medische term die psychologen bezigen om overgevoeligheid voor specifieke geluiden te benoemen. Hoewel het een vrijwel onbekend verschijnsel is, zijn witjassen het er roerend over eens. Misofonie is een psychische afwijking die zich kenmerkt door een extreme afschuw van bepaalde geluiden.  Geluiden die Misofonie veroorzaken en zelfs tot woede-uitbarstingen of agressie kunnen leiden zijn bijvoorbeeld het voortdurend kuchen van iemand in de directe omgeving, het hoorbaar peuzelen aan een kippenbout of zelfs de ritmische ademhaling van een geliefde kan irriteren en stoppen doen doorslaan. Een te luide scheet of een verdwaalde boer kunnen voldoende aanleiding zijn voor een echtscheiding of voor intra-familiaal geweld.

Wanneer je me dus straks met een blauw oog of een gebroken arm ziet rondlopen, betekent dit waarschijnlijk dat ik te luid geslikt heb, dat ik te hoorbaar of te uitdrukkelijk ademde of dat ik een boer niet langer meer kon onderdrukken want geloof me wanneer ik u zeg dat ik een scheet in haar bijzijn, al maandenlang niet meer over de lippen heb gehad.

De Bijsluiter Van Een Alcoholist.

Josph. L Kellermann, een klinisch psycholoog die mensen met een onbeheersbare verslaving bijstaat, heeft talloze wijze boeken geschreven. In een van zijn belangrijkste boeken ‘A Guide for the Family of an Alcoholic ‘, legt Kellermann uit dat een doorwinterde alcoholist die gestopt is met drinken en opnieuw in de verleiding komt, onder bijna geen enkele voorwaarde die hij zelf onder controle heeft, kan stoppen met drinken.

Toen ik dat las was het alsof ik in een spiegel keek want ik ben, als ik me zo mag uitdrukken, nog steeds onderworpen aan de uitzichtloosheid van de ziekte die alcoholisme heet. Als ik zou overwegen om opnieuw te drinken, loop ik hetzelfde risico om te veranderen in dat ongeleide projectiel dat alles verwoest wat op mijn pad komt, net zoals dat vroeger het geval was.

Simplistisch voorstellen wat het betekent om alcoholverslaafd te zijn is eenvoudig, mijn rem kapot is. De gevolgen begrijpelijk voorstellen is moeilijker. Dat was bijna 10 jaar geleden zo en dat is, mocht jij er twijfels over hebben vandaag nog altijd het geval.

Aan het einde van mijn lijdensweg, nu 10 jaar geleden, was nagenoeg het enige wat ik nog voelde, de ijskoude muur waar ik met mijn rug tegenaan stond. Ik kon geen kant meer op. Alcohol had me zo hard in zijn omklemmende greep dat de enige emotie die ik nog gewaarwerd, de opluchting was als ik mezelf zekerheid kon geven dat ik voldoende flessen in voorraad had om er de dag mee door te komen.

Drank had controle en alcohol was de baas. Datgene wat een normaal leven zijn kleur en glans geeft, was betekenisloos, overbodig en vooral storend geworden. Door overmatig en oncontroleerbaar drankmisbruik was ik helemaal alleen op een eenzaam eiland geïsoleerd en was het bankroet van mijn menselijk bestaan helemaal compleet.

Wanneer ik op mijn misbruik terugblik, kom ik altijd bij jou uit.  Om je voor mij te waarschuwen, denk ik. Even hypothetisch nu, kan jij je proberen voorstellen dat ik zou uitschuiven en ik opnieuw helemaal machteloos naar jouw steun zou uitreiken? Mag ik je even meesleuren in die horror?

Mocht dat gebeuren, wil ik je vragen me niet te vertrouwen.  Weet dat jij niet de helpende hand kan zijn die ik nodig heb. Stel dat ik je nog dierbaar ben, weet dan dat jij mijn laatste reddingsboei absoluut niet mag proberen zijn.  Zou je het overwegen weet dan dat jij een groot risico loopt om mijn knecht en slaaf te worden van al datgene waartoe ik je door mijn verslaving zal dwingen.

Misschien maakt deze griezelige veronderstelling je angstig, en misschien nog meer bevreesd dan ikzelf, maar eerlijker dan hoe ik het zeg kan ik het niet uitleggen. Beloof me dus dat, mocht ik ooit naar de fles zou teruggrijpen, om alstublieft niet tegen mij te leunen. Als drinker ben ik een te zwakke muur, een krottige bouwval die je helemaal meesleurt in mijn puinhoop die ik word als ik helemaal in elkaar stort.

Misschien wil je me met mijn schuivers opnieuw ruw de les lezen zoals je vroeger deed wanneer je mij volledig verdoofd en los van de wereld aantrof. Je zou kunnen kiezen om het me diep in te wrijven wat voor een waardeloze klootzak ik ben. Je zou razend kwaad kunnen worden. Je zou me zelfs kunnen slaan.

Mag ik je de vraag stellen of je dat ook zou doen mocht ik kunnen uitleggen dat mijn gedrag het gevolg is van een hopeloze ziekte waaraan ik lijd. Een soort van psychische aandoening waardoor ik telkens opnieuw een op voorhand verloren gevecht aanga omdat elke vezel in mijn lijf me dat oplegt. Zou je me de rug wijzen als ik je zeg dat ik ziek?  Zou je die uitleg proberen te begrijpen?

Maak me dan geen bittere verwijten en kleineer me niet.  Noem me niet ‘waardeloze loser’ of ‘lafaard zonder karakter’ want net die woorden die je me naroept, treffen hard en bevestigen het weerzinnig lage beeld dat ik al van mezelf had.

Verstop mijn flessen niet en gooi mijn blikjes niet weg. Laat je door jouw liefde en jouw wanhopige bezorgdheid niet verleiden om voor mij dingen te doen die ik zelf moet doen.

Telkens jij verantwoordelijkheid opneemt voor de gevolgen van gebeurtenissen waaraan ik schuld heb, ontneem je me een kans om zelf verantwoording op te nemen.

Als je het wel doet zal ik mezelf nog kleiner maken en zal ik me mijn eigen schuldgevoel zo hard verwijten dat het de grootste trigger wordt voor een nieuwe fles.

Negeer mijn beloftes en sla ze in de wind want geen enkele ervan heeft enige waarde. Misschien lijken ze oprecht of eerlijk en ogen ze gemeend, hecht geen geloof aan al wat ik je zweer, want mijn eed is waardeloos.

Vertrouw mijn tranen niet. Het zijn krokodillentranen en stellen niets voor. Ze zijn bedoeld om je te misleiden en zijn een slinkse poging om de gevolgen van mijn daden te verdoezelen.

Hecht geen waarde aan wat ik je zeg want de kans is groot dat het een leugen is. Van drank word ik meester in het ontkennen van de waarheid en versta ik als geen ander de kunst om jou het gevoel te geven dat jij oorzaak bent van de uitzichtloze situatie waarin ik ben beland. 

Bovendien bezit ik talent om respect, of wat daar moet voor doorgaan, te verliezen voor mensen die het dichtst bij mij staan. Met een dik boek vol uitvluchten leid ik je gemakkelijk om de tuin.

Deze uiterst gemene achterkant tonen je mijn bezoedelde persoonlijkheid en geeft inkijk in de schabouwelijke symptomen van de ziekte waaraan ik leid. De symptomen en de bijwerkingen vind je allemaal in deze bijsluiter die mijn ziekte illustreert.

Sta niet toe dat ik misbruik van je maak of dat ik je op gelijk welke manier financieel uitbuit of emotioneel chanteer. Liefde of genegenheid mogen zulke onrechtvaardige voorwaarden niet toestaan, nooit! Je bent veel meer waard dan dat. Neem me dus niet in bescherming en vertel geen leugens om bestwil om voor anderen te verbergen wie ik geworden ben.

Laat mijn openstaande rekeningen onbetaald en neem mijn verplichtingen tegenover anderen en tegenover mezelf niet op jou. Doe je het toch, weet dat met elke crisissituatie die je probeert te vermijden, voor mij de ultieme kans was om in te zien wie ik daadwerkelijk ben.

Door steeds mijn vangnet te zijn en me een gemakkelijke uitweg te bieden, zal ik vastberaden doorgaan met het ontkennen van mijn drankprobleem.

Mijn eigenwaarde hangt niet af van het feit dat jij me accepteert maar je helpt me niet door me voor anderen te verstoppen. Keur mijn verslaving niet goed, ga er niet voor opzij en uit geen loze dreigementen die je nooit tot uitvoering brengt. Ze bevestigen alleen maar mijn overmoedig idee dat het allemaal zo erg niet is.

Maar: Informeer je over alcoholisme en verslavingen en hoe die in relatie staan met mij en met ons. Wees niet beschaamd om hulp te vragen wanneer je er zelf niet meer uitkomt. Kijk vriendelijk naar jezelf, wees mild en oordeel niet te fel over jezelf.  Jij bent het probleem niet. Jij bent ook een slachtoffer.

Wees moedig genoeg en leer je eigen grenzen te bepalen en bewaak ze alsof het je kinderen zijn. Jouw grenzen zijn noodzakelijk voor mij om te groeien en te veranderen.

Zorg goed voor jezelf en maak het je, wat mij betreft, zo gemakkelijk mogelijk. Ik ben jouw probleem niet. Hou van jezelf, maak keuzes en wijs me de weg zodat ik kan leren hoe ik met mezelf moet omgaan.

Als ik je nog lief ben, zoek dan mee naar hoe ik kan leren om mezelf liever te zien dan mijn verslaving.

Doe ik dat niet, loop dan keihard weg. Laat me in de steek en kijk nooit meer naar me om. Bekommer je niet langer meer om mij en vergeet me.  Ga ver weg en stop maar pas als je zeker bent dat ik helemaal en voor altijd uit je zicht verdwenen ben, want ik me na al datgene wat al gebeurd is opnieuw slimmer waan dan mijn probleem, heb jij geen enkel idee tot welk onheil ik nog in staat ben… als ik niet definitief stop met drinken!


Grens van de waanzin.

‘April lacht met de lente.’ Het zou zomaar de titel van een klimatologische essay van Greta Thunberg kunnen zijn waarin ze me in een lang betoog waarschuwt dat het klimaat ons voor de gek houdt. Vier seizoenen zoals we ze al lang kennen, werden in deze korte week met recordcijfers helemaal door elkaar gehaald. Zomerse zon, storm, sneeuw, hagel, onweer en vorst, het zat er allemaal in. Vroeger was dat niet zo. In mijn prilste herinnering was het altijd zonnig en warm met Pasen. Ik moest in de tuin dan ook dikwijls naar choco zoeken in plaats van naar paaseieren. Daarom lijkt het me, de winterse koude in gedachten dat Greta Thunberg minstens veertig jaar te laat komt met haar klimatologische essay over de opwarming van de Aarde. Die gesmolten paaseieren van het jaar negentien zesenzeventig zijn daar trouwens een mooi voorbeeld van. Buiten chocolade en uitzonderlijke weersomstandigheden, zou ik het ook over interessante dingen kunnen hebben.  Ik vrees alleen echter dat ik mezelf ondertussen dermate goed ken dat wanneer ik de onderwerpen waar ik verstand van zou kunnen hebben op dit blad papier zou neerschrijven, het helemaal leeg zou blijven.  De dagelijkse niet ter zake doende waarnemingen die door mijn pen in woorden veranderd worden, zijn daar het sprekende bewijs van. Ze zijn net zo overbodig en onbenullig als ikzelf.  Daarom voelt schrijven op een rare manier hetzelfde aan als praten tegen bomen. Twee dingen waar ik zeker van ben dat ik ze nooit onder de knie zal krijgen. Niet dat schrijven een onaangename bezigheid is, of dat praten tegen bomen een onprettige ervaring zou zijn, integendeel want van bomen weet ik zeker dat ongeacht wat ik tegen hen zeg, ze altijd even goed luisteren. Bomen zijn wat dat betreft gemakkelijker dan mensen. Ze luisteren altijd, althans ze geven toch die indruk. Mensen daarentegen, luisteren nooit. Meningen hebben ze wel. Die hebben ze zelfs los van het feit of ze überhaupt hoorden of begrepen wat je te vertellen hebt.

‘Er is een vis dood’, zei ik daarstraks tegen een steeneik in mijn tuintje. ‘Wellicht problemen met het metabolisme’, verzon ik omdat ik geen enkele andere reden kon bedenken voor het plotse heengaan van de vis in kwestie maar ook omdat ik hem gisteren droogvoer gegeven had en dat mogelijks te vroeg op het seizoen was. Weet ik veel. De steeneik vond er helemaal niks van. Hij wiegde zonder commentaar gewoon rustig verder mee met de wind. Even leek het wel alsof hij zijn takken op een andere manier had gevlochten dan toen ik hem vanmorgen vroeg, hoe de vier seizoenen van Vivaldi nu zouden klinken mocht de componist de onstuimigheid van de afgelopen week op dezelfde manier beleefd hebben zoals ik, maar dat kan ik me natuurlijk ingebeeld hebben. Ik ben namelijk niet zo goed in de non-verbale communicatie van een steeneik.

Het is niet zo, omdat ik van mezelf denk dat ik bomen- en mensenkennis heb, dat ik er ook in slaag om te leven alsof ik daadwerkelijk mensen- en bomen kennis bezit. Ik weet namelijk bijna niets, maar dat zei ik al. Zo weet ik bijvoorbeeld niet waarom ik hier in mijn tuin tegen bomen loop te praten. Misschien is het gewoon omdat zij me af en toewel indruk geven wel te luisteren. Al is het voor hetzelfde geld gewoon omdat, eens ik een lange tijd in eenzaamheid verhuld ben, ik het best kan demonstreren hoe dun de grens is die me van de waanzin scheidt.