Een keuze als een andere!

Deze morgen, het zal iets over zes geweest zijn. In de veel te warme bedstee was niets spannends te beleven.  Ik wijt dat gemakshalve aan de temperatuur maar ook aan de donsdeken dat voor ‘god weet welke reden’ tussen ons inlag als een barricade die de goeden van de slechten scheidt. Om me de ergernissen van het zwoele ochtendgloren niet op de hals te halen, nam ik het besluit om de nieuwe dag dan al een eerlijke kans te geven.

Een paar tellen later, ik staar door het open schuifraam naar buiten en probeer mijn slaperige indrukken te ordenen.  Ik roer doelloos het zoet door mijn iets te sterke koffie en met elke slok die ik neem doet de cafeïne zijn werk. In de verte krijst een mannetjespauw om de aandacht van een wijfje. Ik ben zeker dat zijn staart ook recht staat. De natuur zit simpel in elkaar want tussen de vogels in zit geen opgefrommeld donsdeken in de weg. Hoewel simpel?  De staart van de mannetjespauw waarin hij zijn ego verbergt zal ook weleens in de weg zitten wanneer het erop aan komt zeker?

“Mijn vader is een saucisse” kopt een katern in de weekendbijlage van de zaterdagkrant. Mijn oog valt op de titel van deze eerste Vlaamse post corona prent.  Hij zou op mij van toepassing kunnen zijn. Ik zeg dat omdat ik ook over dat naïeve feelgood-achtige iets beschik waardoor ik denk dat ik het leven in mijn broekzak kan steken. Aan overmoed en onschuldige onnozelheid geen gebrek, ik kan winkel houden in embryonale ideeën en kan grossieren in illusies. De wereld is er vooralsnog nog niet beter van geworden.

Waar wordt de wereld dan wel beter van? Tegen beterweten in zoek ik mijn heil in de rest van de gazet. Ik had het beter niet gedaan. “Racisme kent vele gezichten maar als het over één onnavolgbaar en hardnekkige eigenschap beschikt, is het zijn eigenzinnig vermogen om vergeten te worden.”  De krantenkop spreekt, zwart op wit. De vetgedrukte letters doen me aan mijn broer denken. Hij is naast gerenommeerd geschiedeniskenner ook een notoir nieuwe racist, één die zijn witte suprematie niet onder stoelen of banken steekt. Met de tijd is hij gaan behoren tot de nieuwe brigade ter bevordering van de onverdraagzaamheid en zurigheid en de voorkoming van samenhorigheid en de gezelligheid. Zo ergert hij zich bijvoorbeeld bleekblauw aan de sportieve knieval van verdraagzame voetballers die met hun symbolische actie respect en antidiscriminatie onder de aandacht willen brengen. “Politiek en sport hebben met elkaar geen uitstaan”, brult hij dan kwaad in whatsapp berichten waarmee hij mij bestookt. Als ik hem fijntjes zeg dat institutioneel racisme aan een exclusief witte onderhandelingstafel wordt besproken en dat de politieke arena er niet in geslaagd is de maatschappij verdraagzame vormen te geven, en dat dit symbool op de knie onschuldig is, voelt hij zich door zijn witte eer helemaal in het nauw gedreven.  Mijn broer is somber, angstig en azijnzuur geworden. Hij voelt zich in het nauw gedreven door een hoofddoek, door burgemeester Somers (die hij steevast Mohamed Somers noemt) door couscous en falafel en kikkererwten, door muntthee maar ook door een symbolische knieval. Zelf dweept hij met en heeft hij sympathie voor halve gekken in maatpak die met hun rechterarm omhoog de samenleving symbolisch naar de verdoemenis wensen. Mij niet gelaten, ik hoop oprecht dat hij er vrolijk van wordt.  

Om uit de impasse te komen waarin de krant me gebracht heeft, spreek ik symbolisch een fatwa uit over negatieve gedachten. Een laatste blik op de krant leert me dat de vaccinontkenners maar 1.6 % van de bevolking uitmaken en ik stel me de vraag waarover ik me de afgelopen maanden druk heb lopen maken?

De rode cijfers van de klok van de microgolfoven verraden dat het zes na zeven is. Ik neem het besluit dat ik de rest van de dag een saucisse zal zijn. Het is een keuze als een andere!

Krikkel.

“Af en toe is een relatie niet veel meer dan het delen van een slecht humeur tijdens de dag en slechte geuren tijdens de nacht”

Vier uur, ik ben klaarwakker. Niet dat het de bedoeling is, bijlange niet. Ze ligt naast mij op haar rug, het hoofd lichtjes naar mij gekeerd, waardoor ze ritmisch en zacht snurkend een zuur luchtje in mijn gezicht ademt. Naar links uitwijken is onmogelijk omdat langs die kant van het bed maar tien centimeter matras overblijft en zij in haar christushouding de overige een meter negentig in beslag genomen heeft. Uit de luisprekers van haar oortjes, die ergens op het dekbedovertrek liggen, klinkt stil maar net hoorbaar Indische zweefmuziek die ze een uur of vier geleden heeft uitgekozen omdat ze anders moeilijk inslaapt. Het zacht gerochel in haar keel doet me denken aan het geluid van een leeglopend bad en aan het laatste restje badwater dat door het putje van de afvoer gezogen wordt. Je zou dat gekwalster ook kunnen vergelijken met het zuigpijpje dat een tandarts in je mond hangt en reutelt en rochelt van zodra het je hele speekselvoorraad opgezogen heeft. Uit haar mondhoek die door de zwaartekracht een beetje naar links afhangt, sijpelt een streepje kwijl dat op haar wang verdampt zodat na een poos een fijn zoutkorstje achterblijft.

“Af en toe is een relatie niet veel meer dan het delen van een slecht humeur tijdens de dag en slechte geuren tijdens de nacht”, prevel ik in gedachten zonder verder aandacht te besteden aan deze fel overdreven conclusie.

Toegegeven, ik ben de laatste weken misschien “een beetje licht geïrriteerd” maar dat komt alleen maar omdat wanneer een van ons beiden krikkel of prikkelbaar is, het lijkt alsof de andere die gril zo snel als mogelijk moet overnemen. Dan ontstaat er zoiets dat op een rechtszaak trekt. Pleidooien voltrekken zich zonder schuldigen, slachtoffers of jury in een soort assisenzaak waarbij de ene partij zo straf als mogelijk datgene probeert te ontkrachten wat de andere wil bewijzen en vice versa, zonder dat er überhaupt ooit een zaak geweest is.

Ik besef het wel. Het ligt helemaal aan mij. De laatste weken leef ik een beetje onder donkere wolken. Ik ben licht geraakt, ongeduldig en overprikkeld. Om de korte lont in mijn dynamiet niet aan te steken, keer ik in mezelf en plooi ik terug in mijn eigen denkwereld. De kloterij is dat ik niet helemaal zeker weet of die onweersbuien het gevolg zijn van de coronashit of toe te schrijven zijn aan een ander soort ontevredenheid. Misschien ben ik, door corona gewoonweg een miscontente mens geworden? Maltevreden, over mijn werk, waar het altijd beter kan maar dat niet lijkt te worden, over die paar vierkante meters waar ik al anderhalf jaar mijn tijd in doorbreng, over het weer dat zacht maar te nat is voor de tijd van het jaar, over het gebrek aan vrijheid of over mijn vadsige luiheid die altijd maar in de weg blijft zitten. Ben ik besmet met het virus van de onverschilligheid of belast met het syndroom van kustmijnklotenmans? Ik weet het niet. Ik krijg die vaag, knagende triestigheid aan mezelf niet uitgelegd.

Morgen ben ik vierentwintig jaar lang vader en is het dat misschien?  Dat onderbewuste besef dat met tweeënvijftig jaar het meeste vet van de soep is? Of ligt er ergens misschien toch nog een droom te rotten maar ben ik vergeten waar ik hem verstopt heb?   Wie zal het zeggen?

Donderdag krijg ik mijn coronaprik.  Met één spuitje ben ik ervan af. In tegenstelling tot die Limburgse burgemeester schaam ik me een beetje voor die vroege spuit, omdat ik bij mijn weten geen onderliggende risico’s heb en ik volgens mij niet oud genoeg ben om nu al aan de beurt te zijn. En is het die gedachte die me onderbewust aan de waggel houdt? Ben ik onzeker omdat ik net gewend ben geraakt aan de zekerheid en aan de slome traagheid van dit rustig leventje en zal die straks opnieuw zal ingewisseld worden voor het spookbeeld van de jachtige drukte waar ik allergisch voor geworden ben of voor een nieuwe realiteit die ik nog niet ken?

Nog een paar dagen, dan zal ik je op die vraag antwoord kunnen geven, tot dan zal ik proberen me niet al te fel te ergeren aan mijn vrouw die zachtjes ligt te ronken.

Vlieg gewoon de wereld in.

Gesteld dat ik altijd en tijdig op elke moeilijke vraag het antwoord wist, zou het leven dan geen voorspelbaar en doodsaai boeltje worden? Stel dat je over die gave kon beschikken, je zou zo maar in staat zijn om tegenslagen te ontwijken. Je zou zelfs grote misstappen kunnen vermijden maar je zou wel de glimlach missen om na elke tegenvaller de ogenschijnlijke ernst van het leven te mogen weglachen. 

Op een dag zal je mij wel vergeven. Je zal het me niet kwalijk nemen dat ik je niet vroeger gezegd heb dat je het leven niet te serieus moet nemen. Maar dat mag je eerst allemaal zelf ontdekken want ik weet dat je altijd zal onthouden waar je vandaan komt. Onder een appelboom liggen namelijk geen peren. Ik herken in jou mijn streken en mijn overmoedig onhandige geworstel. Jouw ogen glinsteren namelijk op precies dezelfde stuntelige manier als de mijne. Lichtvoetig en onbezonnen zie ik je vervuld van twijfel in de wereld springen zoals ik dat nu ook soms nog doe, al zit er wel wat sleet op mijn speelse schelmerij. Als ik terugkijk weet ik niet precies meer wanneer ik mezelf aan mijn haren omhooggetrokken heb en tot de ontdekking kwam dat elke reiziger uiteindelijk op een bestemming aankomt. Maar ik weet wel dat de wildste vogel vroeg of laat de weg naar zijn nest vindt.

Wat ik eigenlijk onhandig probeer te zeggen is dat al datgene wat je nog zal doen niet allemaal perfect hoeft te zijn. Het leven is dat ook niet. Kijk gewoon vooruit en vertrouw op jezelf. Het mag best chaotisch en rommelig zijn want volmaaktheid is saai. Je mag best nerveus of bang worden van jezelf wanneer je niet goed weet wie of wat je nog op je pad zal tegenkomen. Het is helemaal ok om van je fouten te houden want zonder kemels te schieten raak je hier op deze aardkluit geen stap vooruit. Het is goed om grenzen op te zoeken maar het is even goed om af en toe alleen te zijn omdat je erop kan vertrouwen dat je nooit in de steek zal gelaten worden.  Ik heb er alle vertrouwen in dat jij wel zal spreken wanneer het jouw beurt is en dan zal je van je laten horen en ik ben zeker dat je daar niet al te veel woorden voor nodig zal hebben.

Wat ik eigenlijk onhandig probeer te zeggen is… Veel geluk wilde, zotte vogel, vlieg de wijde wereld maar in.  Je hebt eindelijk je eigen nest!

Geen scheet over de lippen gehad!

“Met de dag begin jij meer op je vader te lijken”: bitste ze me nogal kortaf toe nadat ze haastig de ontbijttafel verliet zonder dat daar in mijn ogen aanleiding voor was.  Mijn permanent aanwezige vrouwelijke huisgenoot die zichzelf voor onduidelijke redenen een hogere rang in de familiale hiërarchie heeft toegeëigend, was overduidelijk geërgerd. Ze blafte in een bitse uitval verder: “Hoe dikwijls nog? Niet met je mondvol!” Met die laatste snibbige schimp was, naast mijn allerlaatste broodkruimel ook mijn allerlaatste twijfel weggenomen. Het was glashelder dat het niet mijn vaders allerzachtaardige kant was die ze in gedachten had toen ik een paar tellen geleden de vergelijking met hem moest doorstaan. Geen idee welk beeld ze van mijn pa precies voor ogen had maar ik durf er gif op nemen dat het niet zijn voordeligste kant was.

Ik zou het licht van de zon ontkennen, mocht ik u proberen overtuigen dat ik met mijn vader geen enkele genetische overeenkomst heb.  Men zou terecht andere vragen kunnen stellen, moest dat niet het geval zijn. Die mens heeft me per slot van rekening verwekt. Neem nu bijvoorbeeld de omvang van onze hoofden. Dat is duidelijk een niet te verloochenen uiterlijk verschijnsel dat de Pultau-dynastie al eeuwenlang generatie op generatie doorgeeft. Mijn zonen zijn ook met datzelfde, in het oog springend genetisch kenmerk belast. En die last mag gezien de omvang ervan redelijk letterlijk genomen worden. Zou u ons niet kennen, geloof me dan maar op mijn woord dat wij, Pultau ’s dè “hoofdreden” zijn waarom het woord bol in Van Dale omschreven wordt als “rond lichaam dat begrensd wordt door een gebogen oppervlak waarvan alle uitstekende punten even ver verwijderd zijn van het middelpunt”. Zou u ons in levenden lijve zien, u zou vaststellen dat wij allemaal over datzelfde grote pompoenenhoofd beschikken als vader zaliger, in de veronderstelling dat u mijn vader zaliger in eigen persoon gekend heeft natuurlijk. Wat hij naast grote karakterkoppen nog ongewild aan ons heeft doorgegeven is zijn gulzige eetlust. Volgens hem was dat het gevolg van de oorlogsschaarste. “Als ge toen niet haastig waart en pakte wat ge kon krijgen, had ge niks!” Ik kan hem die zin met zijn tandeloze mondvol nog horen smakken. Ridderlijk toegegeven, kokette tafelmanieren, het zijn niet de sterkste punten van het geslacht Pultau. Niet dat wij als onbeschofte Neanderthalers werden opgevoed, zeker niet, want mijn ma, eveneens zaliger, kon een erwt nog in vieren snijden alvorens ze er zuinig en zonder gesmak een half uur op te kauwen.

Ik vertel u dit alles omdat de vrouw des huizes de kwaal waaraan zij leidt niet langer meer kan onderdrukken. De diagnose die ze nota bene zonder doktersbezoek bij zichzelf stelde, heet Misofonie. En dat beste mensen is een bijzondere aandoening. Terwijl ze eigenlijk gewoon onverdraagzaamheid bedoelen, is Misofonie de medische term die psychologen bezigen om overgevoeligheid voor specifieke geluiden te benoemen. Hoewel het een vrijwel onbekend verschijnsel is, zijn witjassen het er roerend over eens. Misofonie is een psychische afwijking die zich kenmerkt door een extreme afschuw van bepaalde geluiden.  Geluiden die Misofonie veroorzaken en zelfs tot woede-uitbarstingen of agressie kunnen leiden zijn bijvoorbeeld het voortdurend kuchen van iemand in de directe omgeving, het hoorbaar peuzelen aan een kippenbout of zelfs de ritmische ademhaling van een geliefde kan irriteren en stoppen doen doorslaan. Een te luide scheet of een verdwaalde boer kunnen voldoende aanleiding zijn voor een echtscheiding of voor intra-familiaal geweld.

Wanneer je me dus straks met een blauw oog of een gebroken arm ziet rondlopen, betekent dit waarschijnlijk dat ik te luid geslikt heb, dat ik te hoorbaar of te uitdrukkelijk ademde of dat ik een boer niet langer meer kon onderdrukken want geloof me wanneer ik u zeg dat ik een scheet in haar bijzijn, al maandenlang niet meer over de lippen heb gehad.

De Bijsluiter Van Een Alcoholist.

Josph. L Kellermann, een klinisch psycholoog die mensen met een onbeheersbare verslaving bijstaat, heeft talloze wijze boeken geschreven. In een van zijn belangrijkste boeken ‘A Guide for the Family of an Alcoholic ‘, legt Kellermann uit dat een doorwinterde alcoholist die gestopt is met drinken en opnieuw in de verleiding komt, onder bijna geen enkele voorwaarde die hij zelf onder controle heeft, kan stoppen met drinken.

Toen ik dat las was het alsof ik in een spiegel keek want ik ben, als ik me zo mag uitdrukken, nog steeds onderworpen aan de uitzichtloosheid van de ziekte die alcoholisme heet. Als ik zou overwegen om opnieuw te drinken, loop ik hetzelfde risico om te veranderen in dat ongeleide projectiel dat alles verwoest wat op mijn pad komt, net zoals dat vroeger het geval was.

Simplistisch voorstellen wat het betekent om alcoholverslaafd te zijn is eenvoudig, mijn rem kapot is. De gevolgen begrijpelijk voorstellen is moeilijker. Dat was bijna 10 jaar geleden zo en dat is, mocht jij er twijfels over hebben vandaag nog altijd het geval.

Aan het einde van mijn lijdensweg, nu 10 jaar geleden, was nagenoeg het enige wat ik nog voelde, de ijskoude muur waar ik met mijn rug tegenaan stond. Ik kon geen kant meer op. Alcohol had me zo hard in zijn omklemmende greep dat de enige emotie die ik nog gewaarwerd, de opluchting was als ik mezelf zekerheid kon geven dat ik voldoende flessen in voorraad had om er de dag mee door te komen.

Drank had controle en alcohol was de baas. Datgene wat een normaal leven zijn kleur en glans geeft, was betekenisloos, overbodig en vooral storend geworden. Door overmatig en oncontroleerbaar drankmisbruik was ik helemaal alleen op een eenzaam eiland geïsoleerd en was het bankroet van mijn menselijk bestaan helemaal compleet.

Wanneer ik op mijn misbruik terugblik, kom ik altijd bij jou uit.  Om je voor mij te waarschuwen, denk ik. Even hypothetisch nu, kan jij je proberen voorstellen dat ik zou uitschuiven en ik opnieuw helemaal machteloos naar jouw steun zou uitreiken? Mag ik je even meesleuren in die horror?

Mocht dat gebeuren, wil ik je vragen me niet te vertrouwen.  Weet dat jij niet de helpende hand kan zijn die ik nodig heb. Stel dat ik je nog dierbaar ben, weet dan dat jij mijn laatste reddingsboei absoluut niet mag proberen zijn.  Zou je het overwegen weet dan dat jij een groot risico loopt om mijn knecht en slaaf te worden van al datgene waartoe ik je door mijn verslaving zal dwingen.

Misschien maakt deze griezelige veronderstelling je angstig, en misschien nog meer bevreesd dan ikzelf, maar eerlijker dan hoe ik het zeg kan ik het niet uitleggen. Beloof me dus dat, mocht ik ooit naar de fles zou teruggrijpen, om alstublieft niet tegen mij te leunen. Als drinker ben ik een te zwakke muur, een krottige bouwval die je helemaal meesleurt in mijn puinhoop die ik word als ik helemaal in elkaar stort.

Misschien wil je me met mijn schuivers opnieuw ruw de les lezen zoals je vroeger deed wanneer je mij volledig verdoofd en los van de wereld aantrof. Je zou kunnen kiezen om het me diep in te wrijven wat voor een waardeloze klootzak ik ben. Je zou razend kwaad kunnen worden. Je zou me zelfs kunnen slaan.

Mag ik je de vraag stellen of je dat ook zou doen mocht ik kunnen uitleggen dat mijn gedrag het gevolg is van een hopeloze ziekte waaraan ik lijd. Een soort van psychische aandoening waardoor ik telkens opnieuw een op voorhand verloren gevecht aanga omdat elke vezel in mijn lijf me dat oplegt. Zou je me de rug wijzen als ik je zeg dat ik ziek?  Zou je die uitleg proberen te begrijpen?

Maak me dan geen bittere verwijten en kleineer me niet.  Noem me niet ‘waardeloze loser’ of ‘lafaard zonder karakter’ want net die woorden die je me naroept, treffen hard en bevestigen het weerzinnig lage beeld dat ik al van mezelf had.

Verstop mijn flessen niet en gooi mijn blikjes niet weg. Laat je door jouw liefde en jouw wanhopige bezorgdheid niet verleiden om voor mij dingen te doen die ik zelf moet doen.

Telkens jij verantwoordelijkheid opneemt voor de gevolgen van gebeurtenissen waaraan ik schuld heb, ontneem je me een kans om zelf verantwoording op te nemen.

Als je het wel doet zal ik mezelf nog kleiner maken en zal ik me mijn eigen schuldgevoel zo hard verwijten dat het de grootste trigger wordt voor een nieuwe fles.

Negeer mijn beloftes en sla ze in de wind want geen enkele ervan heeft enige waarde. Misschien lijken ze oprecht of eerlijk en ogen ze gemeend, hecht geen geloof aan al wat ik je zweer, want mijn eed is waardeloos.

Vertrouw mijn tranen niet. Het zijn krokodillentranen en stellen niets voor. Ze zijn bedoeld om je te misleiden en zijn een slinkse poging om de gevolgen van mijn daden te verdoezelen.

Hecht geen waarde aan wat ik je zeg want de kans is groot dat het een leugen is. Van drank word ik meester in het ontkennen van de waarheid en versta ik als geen ander de kunst om jou het gevoel te geven dat jij oorzaak bent van de uitzichtloze situatie waarin ik ben beland. 

Bovendien bezit ik talent om respect, of wat daar moet voor doorgaan, te verliezen voor mensen die het dichtst bij mij staan. Met een dik boek vol uitvluchten leid ik je gemakkelijk om de tuin.

Deze uiterst gemene achterkant tonen je mijn bezoedelde persoonlijkheid en geeft inkijk in de schabouwelijke symptomen van de ziekte waaraan ik leid. De symptomen en de bijwerkingen vind je allemaal in deze bijsluiter die mijn ziekte illustreert.

Sta niet toe dat ik misbruik van je maak of dat ik je op gelijk welke manier financieel uitbuit of emotioneel chanteer. Liefde of genegenheid mogen zulke onrechtvaardige voorwaarden niet toestaan, nooit! Je bent veel meer waard dan dat. Neem me dus niet in bescherming en vertel geen leugens om bestwil om voor anderen te verbergen wie ik geworden ben.

Laat mijn openstaande rekeningen onbetaald en neem mijn verplichtingen tegenover anderen en tegenover mezelf niet op jou. Doe je het toch, weet dat met elke crisissituatie die je probeert te vermijden, voor mij de ultieme kans was om in te zien wie ik daadwerkelijk ben.

Door steeds mijn vangnet te zijn en me een gemakkelijke uitweg te bieden, zal ik vastberaden doorgaan met het ontkennen van mijn drankprobleem.

Mijn eigenwaarde hangt niet af van het feit dat jij me accepteert maar je helpt me niet door me voor anderen te verstoppen. Keur mijn verslaving niet goed, ga er niet voor opzij en uit geen loze dreigementen die je nooit tot uitvoering brengt. Ze bevestigen alleen maar mijn overmoedig idee dat het allemaal zo erg niet is.

Maar: Informeer je over alcoholisme en verslavingen en hoe die in relatie staan met mij en met ons. Wees niet beschaamd om hulp te vragen wanneer je er zelf niet meer uitkomt. Kijk vriendelijk naar jezelf, wees mild en oordeel niet te fel over jezelf.  Jij bent het probleem niet. Jij bent ook een slachtoffer.

Wees moedig genoeg en leer je eigen grenzen te bepalen en bewaak ze alsof het je kinderen zijn. Jouw grenzen zijn noodzakelijk voor mij om te groeien en te veranderen.

Zorg goed voor jezelf en maak het je, wat mij betreft, zo gemakkelijk mogelijk. Ik ben jouw probleem niet. Hou van jezelf, maak keuzes en wijs me de weg zodat ik kan leren hoe ik met mezelf moet omgaan.

Als ik je nog lief ben, zoek dan mee naar hoe ik kan leren om mezelf liever te zien dan mijn verslaving.

Doe ik dat niet, loop dan keihard weg. Laat me in de steek en kijk nooit meer naar me om. Bekommer je niet langer meer om mij en vergeet me.  Ga ver weg en stop maar pas als je zeker bent dat ik helemaal en voor altijd uit je zicht verdwenen ben, want ik me na al datgene wat al gebeurd is opnieuw slimmer waan dan mijn probleem, heb jij geen enkel idee tot welk onheil ik nog in staat ben… als ik niet definitief stop met drinken!


Grens van de waanzin.

‘April lacht met de lente.’ Het zou zomaar de titel van een klimatologische essay van Greta Thunberg kunnen zijn waarin ze me in een lang betoog waarschuwt dat het klimaat ons voor de gek houdt. Vier seizoenen zoals we ze al lang kennen, werden in deze korte week met recordcijfers helemaal door elkaar gehaald. Zomerse zon, storm, sneeuw, hagel, onweer en vorst, het zat er allemaal in. Vroeger was dat niet zo. In mijn prilste herinnering was het altijd zonnig en warm met Pasen. Ik moest in de tuin dan ook dikwijls naar choco zoeken in plaats van naar paaseieren. Daarom lijkt het me, de winterse koude in gedachten dat Greta Thunberg minstens veertig jaar te laat komt met haar klimatologische essay over de opwarming van de Aarde. Die gesmolten paaseieren van het jaar negentien zesenzeventig zijn daar trouwens een mooi voorbeeld van. Buiten chocolade en uitzonderlijke weersomstandigheden, zou ik het ook over interessante dingen kunnen hebben.  Ik vrees alleen echter dat ik mezelf ondertussen dermate goed ken dat wanneer ik de onderwerpen waar ik verstand van zou kunnen hebben op dit blad papier zou neerschrijven, het helemaal leeg zou blijven.  De dagelijkse niet ter zake doende waarnemingen die door mijn pen in woorden veranderd worden, zijn daar het sprekende bewijs van. Ze zijn net zo overbodig en onbenullig als ikzelf.  Daarom voelt schrijven op een rare manier hetzelfde aan als praten tegen bomen. Twee dingen waar ik zeker van ben dat ik ze nooit onder de knie zal krijgen. Niet dat schrijven een onaangename bezigheid is, of dat praten tegen bomen een onprettige ervaring zou zijn, integendeel want van bomen weet ik zeker dat ongeacht wat ik tegen hen zeg, ze altijd even goed luisteren. Bomen zijn wat dat betreft gemakkelijker dan mensen. Ze luisteren altijd, althans ze geven toch die indruk. Mensen daarentegen, luisteren nooit. Meningen hebben ze wel. Die hebben ze zelfs los van het feit of ze überhaupt hoorden of begrepen wat je te vertellen hebt.

‘Er is een vis dood’, zei ik daarstraks tegen een steeneik in mijn tuintje. ‘Wellicht problemen met het metabolisme’, verzon ik omdat ik geen enkele andere reden kon bedenken voor het plotse heengaan van de vis in kwestie maar ook omdat ik hem gisteren droogvoer gegeven had en dat mogelijks te vroeg op het seizoen was. Weet ik veel. De steeneik vond er helemaal niks van. Hij wiegde zonder commentaar gewoon rustig verder mee met de wind. Even leek het wel alsof hij zijn takken op een andere manier had gevlochten dan toen ik hem vanmorgen vroeg, hoe de vier seizoenen van Vivaldi nu zouden klinken mocht de componist de onstuimigheid van de afgelopen week op dezelfde manier beleefd hebben zoals ik, maar dat kan ik me natuurlijk ingebeeld hebben. Ik ben namelijk niet zo goed in de non-verbale communicatie van een steeneik.

Het is niet zo, omdat ik van mezelf denk dat ik bomen- en mensenkennis heb, dat ik er ook in slaag om te leven alsof ik daadwerkelijk mensen- en bomen kennis bezit. Ik weet namelijk bijna niets, maar dat zei ik al. Zo weet ik bijvoorbeeld niet waarom ik hier in mijn tuin tegen bomen loop te praten. Misschien is het gewoon omdat zij me af en toewel indruk geven wel te luisteren. Al is het voor hetzelfde geld gewoon omdat, eens ik een lange tijd in eenzaamheid verhuld ben, ik het best kan demonstreren hoe dun de grens is die me van de waanzin scheidt.

Het meisje met de parel

Ik wacht geduldig op de stilte van de nacht en observeer mezelf hoe ik naar de dingen kijk. Ik ben te beschaamd om op te schrijven wat ik zie. Niemand zou me geloven. Stapelzot zou men mij verklaren. Veel aandacht kan ik aan mijn nachtelijke beschouwingen niet besteden, want naast mij ligt iemand die op het punt staat om mijn gedachten met een stil gesproken betoog te onderbreken. Nu ja stil, het is maar wat je stil noemt. Ondersteund door ongeveer vijf kussens waarvan er zich minstens twee tussen haar benen bevinden, is de betere wederhelft van mezelf zonet luidop aan een onverstaanbaar gesprek begonnen. Op ongeveer dertig centimeter verwijderd van mijn rechteroor prevelt ze wartaal die alleen door uit haar mond kan uitgesproken worden. Ik versta er dan ook geen woord van.

Het zal vast wel een ontspannende gedachte zijn te dromen dat je altijd gelijk hebt.  Niet dat ze zich daarvoor per se in dromenland moet bevinden om dat te denken, maar dat terzijde. Ik geloof dat ze droomt over een reclamespot van vanillepudding waarin ze de hoofdrol heeft. In vanillepuddingreclamespots zijn vrouwen namelijk altijd goed gezind en geduldig. Neem bijvoorbeeld die reclame van La laitière. Kan je haar voor de geest halen?  Dat door Vermeer geschilderde melkmeisje wie in een middeleeuws tafereel, roerend in een kom van volle melk luchtige vanille feuilleté maakt. Volgens gaat haar droom daarover, en anders poseert voor Vanmeer als meisje met de parel, dat kan ook. Met die ongedwongen glimlach, lijkt ze vrolijker en praat ze minder dwingend dan wanneer ze zich ten volle bewust is van de woorden die ze spreekt. Niet dat wij ruzie maken hoor, ver van en misschien is dat feit op zich nog angstaanjagender. Waarom zou je ruzie maken met iemand die je even koud laat als stijf geworden vanillepudding als je in plaats daarvan voor onverschilligheid kan kiezen?

Ik laat mijn gedachten verdampen in de nacht en besluit ze uit te stellen naar later. Misschien verdwijnen ze vanzelf of worden ze alsnog overvleugeld door vrolijkere waanzin. Eenzaamheid in je hoofd is op zich best wel een fijne gewaarwording tenminste als je het niet te dikwijls moet voelen. Overdag versta ik als geen ander de kunst van ongebalanceerd nietsdoen maar eens het licht opgeslokt werd door het duister kwel ik mezelf met de gedachte dat ik liever uit een raam zou springen. Voor alle duidelijkheid, uit een raam dat zich op het gelijkvloers bevindt. Ik ben namelijk geen held, of wat dacht je? Ik verklaarde die laatste verzonnen intentie, niet omdat ik eraan twijfel dat de mensen mij niet begrijpen maar gewoon omdat ik niet met zekerheid kan zeggen dat ik dat zelf doe.

Toen ik vanmorgen wakker schoot en ik het slib uit mijn ogen gewreven had, bekeek ik haar met de ogen van een vreemde vis die ikzelf niet graag zou vangen. Heb ik gesnurkt vroeg ik? Neen antwoordde ze, je hebt gedroomd. Een nachtmerrie denk ik. Iets over Vermeer en vanillepudding?  

Hoe?

Als het leven van mij verwacht dat ik me er constant aan aanpas en ik bijgevolg vandaag niet meer ben wie ik gisteren was, hoe kan men dan verwachten dat ik het morgen doe, zoals ik het eergisteren beloofd heb?

Er is ruimte voor zon!

Ik drink al 9 jaar niet meer. Nu breng ik mezelf niet langer meer in de war met de toon waarop ik dat tegen mezelf zeg. Nooit meer drinken, dat was in het begin helemaal niet mijn bedoeling geweest, zelfs niet toen de dokter, vrienden, collega’s of mijn vrouw me zeiden dat ik bezig was met mezelf kapot te zuipen. “Ze moeten die dingen niet overdrijven, ik drink alleen af en toe wat te veel”. Ik ervoer hun oordeel als pure jaloezie, als een snood complot omdat zij allemaal in een veel te drukke schema zaten en dus nooit de tijd vonden om evenveel en zo dikwijls te kunnen drinken als ik. “Doe ze nog eens vol.” Maar dat was toen…

Ik zie ze dikwijls, mensen die het professionele drinken al een tijdje afgezworen hebben. Lotgenoten, die nadat ze eventjes droog staan met de gedachte rondlopen dat ze hiermee een onmenselijk zwaar offer brengen. Na verloop van tijd willen ze daarvoor dan hun beloning opeisen. Ze prenten zich in dat ze geleerd hebben uit het verleden en dat het hen niet meer zal overkomen. Ze menen het oprecht wanneer ze zeggen dat ze niet meer terug willen naar dat vroegere leven, maar ze willen ook opnieuw leren drinken als normale mensen die nog nooit voet gezet hebben in het duistere rijk der demonen. Wat ze het liefste zouden willen is, boven blijven drijven, aan de oppervlakte, in het licht van de zon. Ze willen niet wegzinken in het moeras en soms lukt dat, eventjes. Maar op die tijdelijke overwinning willen ze telkens opnieuw kunnen klinken met een wijntje, met een cava of met een pint. Ze zijn onwetend of kunnen het eenvoudigweg niet opbrengen om gewoontes te doorbreken en kunnen er niet voor kiezen om het geheugen van het lichaam te wissen. Het enige wat ze echt willen en waar ze krampachtig naar streven zijn duidelijke, haalbare, vast gelegde termijnen en onderhandelbare grenzen om te kunnen blijven drinken. Ze willen wel een tijdje stoppen of minderen. Een maand, twee maanden of een half jaar maar dan willen ze opnieuw de onbereikbare controle van een of twee glazen per dag. Een glas witte wijn in het weekend of dan juist niet omdat net dan iemand toekijkt aan wie ze beloofd hebben dat het onder controle is. Alleen tussen acht en tien uur ’s avonds of niet voor negen uur. Een glas dure rode wijn bij de juiste maaltijd of twee of drie pinten in het juiste gezelschap. Zo drinken ze dan een tijdje doordacht omdat diegenen waarmee ze het doen toezien en kunnen ingrijpen. Het liefst van al zouden ze een lijst opmaken met alarmbellen die allemaal afgaan wanneer het de verkeerde kant dreigt uit te gaan. Liever nog zouden ze willen dat ze die alarmbellen niet steevast negeren. Ze willen drinken en niet drinken. Ze willen het doen met een constante proefperiode van onbepaalde duur en met tussentijdse evaluaties waarin ze op elk ogenblik zelf kunnen ingrijpen om de drankvoorwaarden te veranderen. Hoewel ze er diep vanbinnen misschien hevig naar verlangen, is volledig stoppen ondenkbaar. Het zorgt voor verwarring, angst of ze zien het als verraad van hun heilige gevecht tegen de onzinnigheid van het bestaan of tegen het leven waarin ze zijn gestrand. Soms zelfs zien ze definitief stoppen als een inbreuk of een ontkenning van hun identiteit want de vaders van hun vader en de moeders van hun moeder hebben het hen voorgedaan. Ze willen wel proberen om limieten te stellen en afspraken te maken maar het lukt hen eenvoudigweg niet. Ze blijven de grenzen van zichzelf op zoeken om ze vervolgens uit te rekken tot een nieuwe grens. Ze zien stoppen met drinken alleen als een moeilijke strijd, als een zware prestatie maar nooit als een overwinning. Wanneer je jezelf inprent dat je nooit meer mag drinken, betekent dat namelijk nog steeds dat je met een torenhoog alcoholprobleem worstelt en die bekentenis willen ze niet afleggen, zelfs niet tegen zichzelf. De enige overwinning die voor hen proeft als een echte zege is opnieuw te leren drinken op een gematigde en gecontroleerde manier zonder een diep slijkspoor van problemen achter zich te slepen. Die koppige gedachte zet hen schaakmat. Ze kunnen of willen zich geen leven zonder drank voorstellen maar een compromis is er niet. Wie met een drankprobleem kampt maar ervoor kiest om eerlijk met zichzelf te zijn kan geen kant meer uit. Dan rest er niets anders meer dan definitieve overgave.  Dan dient elke strijd gestaakt en wordt elke strategie om dat te ontkennen een tijdbom op die intentie.

Wanneer ik het over “ze” heb in deze tekst heb ik het natuurlijk over mezelf.  Weten dat ik een levenslang probleem heb, stemt me niet langer angstig, opstandig of verdrietig. Ik voel me er ook niet meer schuldig voor.  Het weegt niet meer door. Mijn probleem dat ik mezelf had ingeprent of de gedachte dat ik dat probleem in eerste instantie zelf had uitgevonden draag ik niet langer meer alleen. Het voelt telkens als een opluchting wanneer ik er eerlijk kan over zijn. Als je het wil kan je het lezen. Als je het liever nog niet wil is dat ook helemaal ok. Je mag naar me kijken maar je hoeft me niet te feliciteren. Misschien ben ik door te stoppen met drinken wat kleiner en kwetsbaarder voor mezelf geworden, toch voelt het aan alsof ik meer ruimte inneem dan ooit tevoren. Soms is het nog lastig om niet te drinken en dat is goed. Het mag een beetje moeite blijven kosten anders wordt het vanzelfsprekend en dat ben ik niet meer. Vandaag gaat het goed en morgen, tja morgen, die dag bestaat nog niet.

De weersverwachtingen voor vandaag blijven onveranderd. Deze namiddag is vooral in de oostelijke helft van het land de kans op buien groot. In de Ardennen is er kans op onweer. Vanaf het westen komt er meer ruimte voor de zon. De wind komt uit het westen tot noordwesten en is matig tot vrij krachtig.

Er is ruimte voor zon. Dat is al wat ik onthoud. Met het vooruitzicht van zon kan ik altijd uit mijn eigen schaduw stappen. En dat is opnieuw veel om dankbaar voor te zijn.

Het individu begrensd!

Er moet me iets van het hart.  Het zal me opluchten. Het was schokkend om het te zeggen. Ik wist op voorhand dat het schokkend was om het hier te schrijven maar iedereen heeft het volste recht om geschokt zijn. Niemand mag het voorrecht ontnomen worden om niet eens door woorden beledigd te worden. Niemand hoeft dit tekstje te lezen. Je hoeft het niet leuk of goed te vinden. En als je het leest en je vindt het rotslecht, hoef je er niet over te zwijgen. Je mag het me aanwrijven en je mag je erover beklagen. Je mag me er zelfs voor verwensen. Al die dingen mag je doen.  Tot daar mag je gaan en dan moet je stoppen en dan moet je zwijgen.

‘…Elke socialist is met zekerheid een luierik en waarschijnlijk een Moslim-neuker’.  ‘Het leidt geen twijfel dat elke Vlaams-Belang-er racist en wellicht een fascist is.’ ‘Het is toch de waarheid dat alle journalisten linkse ratten zijn.’ ‘Meghan Markle is zonder enige twijfel een opportunistische poen-scheppende derderangs actrice en het is aannemelijk dat Prins Harry een sloef zonder ballen is.’ ‘Laat er geen twijfel over bestaan dat Filip Joos en Frank Raes vooringenomen klootzakken zijn die het beste voor eeuwig en een dag van het scherm verdwijnen, en Mark Van Ranst en Erika Vlieghe zouden dringend langs vanachter moeten genomen door dertien met Covid19 besmette bronstige Watoetsis…’

Indien je het wenst ga ik nog even door want “Ik” heb het recht om die dingen te zeggen en te schrijven. Vrije meningsuiting is mijn grondrecht. Dat “anderen” uitlatingen zoals deze als schokkend, verontrustend of kwetsend ervaren, doet niets ter zake.  Wil de “Westerse Beschaving” en de vrijheid nog iets betekenen, betekent het zeker dat men het recht moet behouden om dingen te zeggen die niemand wil horen, die kwetsen.  Wordt me die vrijheid ontnomen, kan ik net zo goed dom en stil zijn, zoals vee naar de slachtbank geleid wordt. Persvrijheid zonder voorwaarden of schrijven zonder de beperking in toon of nuance, houdt echter ook in dat ik dit met dezelfde ongeschreven regel doe als met de afspraak dat de afstand tussen twee woorden door een spatie gescheiden moet worden. Maar taal past zich klaarblijkelijk niet automatisch aan. Taal hoeft niet aan normen of aan de waarden te voldoen van een beschaving die we ondertussen zouden moeten geworden zijn. Alles mag en alles moet kunnen, dus wees een beerput als je wil maar schrik niet dat wanneer je het deksel ervan optilt, je de rottende stront ruikt van de maatschappij die we aan het worden zijn, één die zo langzaam gist tot we niet meer kunnen ademen. 

Het is niet omdat het jouw stinkende waarheid is, dat het “de waarheid” is…

Fantasie is verwant aan waanzin.

Het gebeurt me soms dat ik voor het ochtendgloren als een wild veulen uit bed spring, met de astrante gedachte dat ik aan mijn tweede jeugd begonnen ben. Wanneer ik mezelf, dan even later met mijn overmoedige spiegelbeeld confronteer, en vaststel dat er meer grijze haren uit mijn neus en oren groeien dan dat er nieuwe op mijn hoofd bijkomen, maak ik van de waarheid niet langer een vijand.  Ik moet dan gewoon toegeven dat ik aan mijn eerste ouderdom begonnen ben. De terminus komt in zicht.  Had ik me in mijn leven wat sneller met een kritisch oog bekeken, zou ik datgene gezien hebben wat tot nu aan mijn blik onttrokken werd. Het verval zou niet onopgemerkt gebleven zijn. Had ik maar sneller goed gekeken, ik zou nooit zulk een scheef en overmoedig oordeel over mezelf geveld hebben. Rimpels liegen namelijk nooit.

Oud worden gaat niet in grote sprongen. Dat gebeurt dag na dag. Ik weet nu dat met elke hartslag die door het leven wordt bijgeteld, de jaren tergend traag voorbijrazen. Aan grootspraak hoef ik me niet meer zo nodig te wagen. Aan mezelf en aan mijn kleine kanten heb ik meer dan genoeg. Ik begin zelfs al aan mezelf gewend te raken en dat feit op zich is niet nadelig. De keerzijde van die medaille is wel dat wanneer ik in mijmeringen als deze wegzink, ik bij mezelf ontdek dat ik mijn gedachten al kan lezen alvorens ik ze kon bedenken. Voorspelbaar oud worden met verhalen die alleen mij toebehoren is dan ook het eenzame lot dat me rest.

“Fantasie is verwant aan waanzin en zelfreflectie is de kortste weg naar het gekkenhuis”: fluistert mijn evenbeeld met een opgetrokken wenkbrauw terwijl hij me van kop tot teen met een blik vol minachting bespat. “Woorden in nutteloze teksten gieten die nergens over gaan, kan jij als de beste maar denk je echt dat ook maar iemand geïnteresseerd is in jouw pathetisch gemijmer?”: snauwt hij niet zonder misprijzen verder.  “Al die mooie woorden die jij telkens opnieuw bedenkt, waggelen maar rond gelijk een vette gans die van het leven niets meer te verwachten heeft buiten doelloos rond te waggelen op een erf.” Hij heeft gelijk.  Er zit niets in mijn kast en er gebeurt niets rondom mij dat ook maar enigszins de moeite waard is om er mijn pen voor uit de schuif te halen. Buiten mijn eigen hobbelige gedachten die rondspringen alsof ik aan mijn tweede jeugd begonnen ben, gebeurt er in mijn leven niets. Althans toch niet iets dat niet even traag waggelend voort strompelt als die oude kwetterende gans die geestdriftig met de vleugels slaat om een beetje indruk te maken.Waggelen is ook een woord dat gebruikt wordt indien grote zaken, die op een breed grondvlak staan dreigen om te vallen. Hopelijk blijf ik nog even overeind.

Zal ik het anders eens niet over mezelf hebben? Ik heb mezelf namelijk de laatste jaren al zo dikwijls binnenstebuiten gedraaid dat wanneer ik mijn ogen naar binnen keer, ik de aambeien in mijn aars kan bewonderen. De kans dat ik je met al die nutteloze introspectieve heb kunnen boeien, acht ik even groot als de illustere ambitie die ik koesterde om ooit een gerenommeerde schrijver met een lezerspubliek te worden. Om van mezelf en van die ijdele hoop los te komen schrijf ik best niet al te veel meer over mezelf.  Ik ben namelijk niet het begin- en eindpunt van alles. Meer dan een voetnoot in mijn eigen biografie zal ik nooit worden.

Brakke travestiet.

Ik ben een slechte travestiet.  Ik ben zonder twijfel de slechtste travestiet die ooit zal hebben bestaan. Niet dat ik dit feit als een grote ontgoocheling beschouw, neen maar eerlijkheid heeft zijn recht en die gebiedt te zeggen dat het me nog nooit gelukt is om travestiet te zijn, en als homo of transgender deug ik evenmin.  Bijgevolg behoor ik gewoon maar tot het voorspelbaar, duffe gedeelte van het mannelijke geslacht dat door hormonen gedreven, met vastberaden tred hunner piet achterna host.  Aan dit eerder toevallige levenslot heb ik geen enkele persoonlijke bijdrage noch enige verdienste. Men kan mij er dan ook niet van beschuldigen.

Toen God, in de tuin van Eden tot Adam (het tot dan toe enige wezen dat voorzien was van een piet) de gevleugelde, niet mis te verstane woorden sprak, “Gaat heen en vermenigvuldigt u”, kan men Adam bezwaarlijk van dovemansoren verdacht hebben. Nu zijn nageslacht stilaan een kleine acht miljard eenheden telt, blijkt het met dat verplicht gaan en vermenigvuldigen, van begin af aan wel snor zat. De mannelijke nazaten van Adam zijn door de eeuwen heen namelijk steevast hun beste been blijven voorzetten, en de meeste van Eva’s nakomelingen bleven, op één luttele uitzondering niet te na gesproken, allemaal gul en royaal bevlekt ontvangen, al heeft zij zonder dat daar twijfel mag over bestaan, meer verdienste aan dan Adam.  Zij had met die grijplustige handjes van haar maar van die jonagold moeten afblijven, een onbegrijpelijke dwaling waarvan de verstrekkende gevolgen ondertussen genoegzaam bekend zijn. We blijven vogelen om te bestaan en we blijven bestaan om te vogelen. Het leven zit wat dat betreft dus redelijk simpel in elkaar. Laten we het dan ook eenvoudig houden. Travestieten en homo’s hebben hun afspraak met Gods eenvoudige wiskunde dan wel gemist. Mogelijks opteerden zij door de jaren heen voor een iets modernere wiskunde, ik weet dat niet en mij niet gelaten. We zijn per slot van rekening stilaan toch al met genoeg.

In boeken staat dat het verleden haar ware gelaat pas toont als de geschiedenis helemaal geschreven is, wanneer de hoofdstukken genummerd zijn, wanneer alle voetnoten vermeld zijn en als het doek definitief gevallen is. Het enige voordeel van postuum beroemd worden, is dat je geen dikke nek meer kunt krijgen. Het grote nadeel ervan is wel dat je even dood als een pier moet zijn als Jezus Christus, zelfs al beschikte die over het eeuwige leven. Hoe ironisch toch. Het feit dat ik zelfs nog maar durf denken om even postuum beroemd te worden, maakt -buiten dat ik mezelf grenzeloos en schaamteloos overschat- dat ik me ook gewoon maar een ordinaire, respectloze dikke nek mag noemen. Een die zelf soms denkt dat hij God de vader is, terwijl ik gewoon al blij zou moeten zijn dat er zich af en toe nog eens iemand aandient die zich over mijn kruis wil ontfermen. Maar wat wil je? Ik ben dan ook maar een uiterst brakke travestiet en als homo of transgender deug ik ook al niet.

Te weinig niets.

Wanneer je af en toe tijd neemt om de woorden te lezen die ik in zinnen aan elkaar rijg, kan je jezelf de vraag stellen waarom ik dat doe. In alle eerlijkheid, ik doe dat ook weleens.  Vanmorgen nog, toen ik me, zonder voorafgaandelijke aankondiging, in een intieme bliksemflits, met een absurde maar vrij intense sensatie realiseerde dat ik eigenlijk helemaal niets voorstel en misschien nog tot minder in staat ben. Dat gevoel was naast oprecht eerlijk en pijnlijk ook hoopgevend en geruststellend. Ik zeg: “geruststellend” omdat geen enkele andere ambitie dan nutteloosheid me vandaag tot een andere verwachting had kunnen verleiden. Ik gunde me vandaag het decadente genoegen om totaal overbodig te zijn.  Nu, dertien uur later en in tegenstelling met hoe ik me vanmorgen voelde, wil ik je laten weten dat het precies zo aanvoelt alsof ik aan de prettige bijwerkingen van een aangename aandoening lijd.  Nu kan ik zelfvoldaan naar mijn scherm glimlachen, omdat ik er toch maar weer in geslaagd ben om de leegte van de dag helemaal dicht te timmeren. “Als je ‘hofke’ klein is moet je het proper houden en onkruid uittrekken”, zou mijn grootmoeder gezegd hebben. Niet dat ze zich geen groter ‘hofke’ kon permitteren, neen ze deed gewoon net zoals ik liever andere dingen dan een grote te onderhouden.

Zonder er in de voorgaande paragraaf tweehonderd zestien woorden aan te moeten verspillen, had ik net zo goed kunnen schrijven dat ik langzaamaan meer de gewoonte heb gekweekt om mijn persoonlijk energieverbruik doelgericht laag te houden maar dan had ik mezelf het genoegen ontnomen om er lyrisch over te worden. In de zinnen die ik net neerschreef doe ik een poging om zonder blozen samen te vatten dat al wat ik in mijn gênante eerlijkheid aan jou toevertrouw maar puberaal gestotter is dat door deze tweeënvijftigjarige wordt opgeschreven omdat hij kampt met een schrijnend gebrek aan ambitie en daardoor de indruk wil nalaten, gekweld te zijn met een uniek leven. Ik had net zo makkelijk alles kunnen verzwijgen maar dan had ik er nooit achter kunnen komen dat deze banale verzuchtingen mijn oude puberziel zou ontluchten. Nu niet dat ik mijn bestaan in ballingschap leef, maar ergens knaagt aan mijn ziel toch een verlangen naar een onbereikbare verte die in mijn fantasie grenzeloos lijkt. Uitreiken naar die onbestaande verte heeft hoegenaamd niets met de werkelijkheid te maken, integendeel, het zijn maar ongevaarlijke bedenksels die me niet zullen doen wegvluchten van de realiteit, ook al is die dikwijls minder spannend dan de gedachten en de dromen waarmee ik in schijngevechten de diepere zin van mijn bestaan bekamp. Het opschrijven van elke spontane hartenkreet, wordt dan gewoon een romantische, veilige tussenoplossing waarmee ik de volheid van het leven helemaal kan omarmen en er tegelijkertijd de passie naar al wat groot, ongeremd is en diepgang heeft mee kan ontvluchten. Al is dat niet altijd zo geweest. Met het streven naar onbestaande erkenning en de vlucht om die in mijn leven toe te laten, heb ik lang een onbetaalbare hypotheek gelegd op innerlijke voldoening en grenzeloos geluk dat voor het grijpen lag. Misschien was er gewoon te weinig niets om het iets te kunnen naar waarde te kunnen schatten. Mogelijks schrijf ik daar morgen over, zo niet droom ik gewoon verder!

Olifanten en Konijnen

De laatste tijd heb ik de gewoonte om net vooraleer mijn dag begint een piepklein lijstje te maken van dingen die ik zeker wil doen. Wanneer ik in de loop van de dag dan bijvoorbeeld ‘aardappelen schillen’ of ‘twintig minuten wandelen’ van mijn lijstje kan schrappen, gun ik mezelf het genoegen dat mijn dag al zinvol geweest is. Platte rust zal in mijn dagelijkse agenda nooit ontbreken, of wat had je gedacht. Omdat ik halsstarrig blijf weigeren een leven te leiden dat een optelsom is van dingen die andere mensen belangrijk vinden, is de kans niet klein dat mocht je beslag kunnen leggen op mijn bucket-lijstje, je dat vodje papier gigantisch belachelijk zou vinden. Veel meer dan een handvol ogenschijnlijk onbenullige krabbels staat er namelijk niet op. Toch geeft het telkens afvinken of doorstrepen van een kattebelletje mij het gevoel dat ik in beweging blijf, dat ik een kleine vooruitgang boek, maar vooral dat ik niet in mijn zetel of op mijn bureaustoel vastgeroest raak.

Het overaanbod nutteloze prikkels waaraan ik me ‘in het normale leven’ altijd heb blootgesteld lijken helemaal verdwenen. Het ingebeelde bezwaarschrift dat ik aan mezelf schreef om de rondspringende konijnen weg te jagen werd eindelijk gehoord en is ontvankelijk verklaard. Overbodige activiteiten zoals eindeloos, zinloos scrollen in mijn sociale mediafeed en commentaar geven op elk laatste trending bericht, waren rondspringende konijnen die dringend geslacht moesten worden. De dagelijkse ratrace van en naar het werk was nog zo’n Vlaamse reus die wat te veel plaats in het konijnenkot had ingenomen.

Nu het ‘vroegere normaal’ plaats gemaakt heeft voor een nieuwe realiteit lijken er opeens belangrijke dingen onder mijn neus te gebeuren die vroeger helemaal aan mij voorbijgingen. Dat is zonder twijfel het gevolg van het trage leven dat ik leid. Door bewust niet met ogenschijnlijk belangrijke dingen bezig te zijn, krijg ik ruimte voor de essentiële. Die dagelijks ingeplande me-time wil ik voor geen goud ter wereld meer missen.

Op mijn lijstjes lopen olifanten en konijnen mij niet langer voor de voeten. Hierdoor raken mijn gedachten geordend waardoor ik ze niet langer meer door anderen in vakjes hoef te laten duwen. Want hokjes dienen om borstels, dweilen en kuisgerief in op te bergen niet om gedachten en plannen in weg te stoppen. Ik ben zeker dat door overzicht te bewaken mijn ideeën vrijer geworden zijn. Ik durf dan ook te roepen: ‘Weg met opgedrongen verwachtingen’. Het zijn dieven in je huis. Ze stelen al de zaken die je waardevol en belangrijk vindt, ze verschuiven je meubels, beduimelen je ramen en trekken een modderspoor door de hal wanneer ze met hun vuile voeten je veilige huis betreden. Weg ermee!

Leven met mezelf!

Misschien betekent vooruitgaan en stappen zetten in het leven soms noodgedwongen achteruitblikken en terugkijken naar het verleden. Mensen, waarmee ik aan het begin van mijn alcoholstruggle van gedachten wisselde, probeerden me uit te leggen dat het heden gemaakt wordt in het verleden. Heel lang begreep ik niks van wat ze daarmee bedoelden. Leven uit het verleden leek me eerder een bijzonder onaangename bezigheid. Tot dan toe had ik nèt geprobeerd om dat verleden uit te wissen alsof het nooit had bestaan. Terugblikken naar wat ooit een beschamende realiteit was, deed me huiveren en mijn lichaam verstijven als dat verleden te dichtbij kwam. Beklemende schaamte, je kent het wel!

Het was alsof ik me in twee tegenovergestelde werelden bevond, een nieuwe, onbekende waarvoor ik gekozen had en een andere die vertrouwd was maar waarin ik niets terugvond om fier over te zijn maar die er zich telkens en zonder toestemming te vragen steeds opnieuw probeerde tussen te wringen.

Toen ik, nog niet zo heel lang geleden, diep in het verleden peuterde en te lang naar de flashbacks van mijn eerste wereld keek, namen woede, schaamte, verdriet en andere negatieve gevoelens steeds opnieuw de bovenhand. De angst om met die gedachten in een donker zwart gat mee gesleurd te worden, trok als een wild-stromende rivier door mijn ogenschijnlijk rustigere leven. Soms droomde ik ervan en dan botsten die twee werelden die ik van elkaar gescheiden wou houden op elkaar, zoals water op een rots in de kolkende stroom waarin ik me probeerde drijvende te houden.

Zolang ik mijn verleden buitensloot, gaf ik bitterheid, angst, twijfel en ontgoocheling alle kansen om me te blijven achtervolgen en me te blijven opjagen. De obsessieve gedachten aan mijn zat verleden, aan de gemiste kansen en aan gekwetste mensen, namen zoveel plaats in dat er geen ruimte over was om de zin en het geluk van mijn nieuwe, sobere bestaan te (her)ontdekken.

Door de dingen van me af te schrijven en door erover te vertellen, merkte ik plots dat de mogelijkheid bestond om me te ontdoen van de naargeestige gedachten die ik tot dan toe had meegezeuld als een rugzak vol met stenen. Met het verstrijken van de tijd, en met elke nieuwe sobere dag kon ik mijn brein opnieuw programmeren zodat oude gewoonten vervaagden en plaats konden maken voor nieuwe.

Ik kwam eindelijk tot inzicht dat ik niet de hele tijd gevochten had tegen de dingen die waren gebeurd. Neen, ik had de hele tijd gebokst tegen zaken die niet waren gebeurd maar hadden moeten gebeuren.

Lange tijd heb ik de fles keuzes laten nemen zodat ik ze zelf niet hoefde te nemen. Door dat vluchtgedrag heb ik mezelf enorme kansen ontzegd. Ik kan me daarover zolang beklagen tot ik een punthoofd heb maar het heeft geen enkele zin om bij die enge gedachte te blijven stilstaan of om er verbitterd over te blijven. Helpt het me of belemmerd het me? Het zijn twee belangrijke vragen die ik me nu af en toe durf te stellen.

Drank had me zonder moeite alles kunnen ontnemen maar dat is niet gebeurd. Over één ding ben ik uiteindelijk de baas gebleven en ik ben fier en prijs me gelukkig dat hij me dat laatste restje menselijke vrijheid niet heeft kunnen ontnemen. Het was de keuze om vrij te zijn, de keuze om te kiezen, en die keuze heeft mijn leven bepaald.

Dit inzicht is alleen maar kunnen ontstaan door nuchter te praten met mensen die een gelijkaardige weg hebben afgelegd. Om ervan te leren en om er moed uit te putten. Het helpt me nog steeds enorm vooruit om over mijn angsten en twijfels te getuigen zodat ik er doorheen kon stappen.  Gesprekken geven me inspiratie en nieuw besef zodat ik er verhalen kan over blijven vertellen. Expressie lijkt dan toch het tegenovergestelde van depressie, of hoe zeg je dat?  

Met het inzicht verworven dat ik niet alleen sta met mijn probleem, kan ik de slachtofferrol van me afgooien. Ik zie nu in dat lijden in al zijn aspecten bij het leven hoort zoals ademen, eten en slapen.  Ik kom er elke dag achter dat het slachtofferschap ook een keuze kan zijn. Voor mij is het een ongewenste optie die niet meer bij mijn leven hoort. Ik probeer er ver van weg te blijven. Ik weet dat de volgende gedachte alles behalve nederig klinkt, misschien zelfs een beetje hoogdravend maar ik ben zeker dat ik de enige persoon op deze kluit ben die in staat is om van mezelf een slachtoffer te maken. Zelfbeklag is namelijk een passieve emotie die ik heel goed ken.  Die negatieve emotie heeft me veel te lang helemaal doen terugplooien op mijn eigen ellende. Ik legde de oorzaak uit gemakzucht bij externe factoren of bij andere mensen zodat ik zelf geen verantwoordelijkheid moest opnemen. Op een helder moment en na en inspirerende babbel met de juiste persoon, kwam ik erachter dat ik onmogelijk in de schaduw van mijn verleden kon blijven staan om me daar vervolgens te beklagen dat ik de zon niet meer kon zien. Ik gaf mezelf toestemming om me te ontdoen van mijn twijfels, van mijn negatieve zelfbeeld, van opgedrongen verwachtingen en van de last van mijn verleden.  

Voortaan mag ik helemaal mezelf zijn en dat feit is op zich een verrassing, omdat ik dagelijks mag ervaren dat met die gedachte best te leven valt. Dat is opnieuw heel veel om nederig en dankbaar voor te zijn!