Om van te houden!

Ik kan geen kant meer uit. De krant, het scherm, een boek, een serie, sociale media…alles maar dan ook alles, (een mens mag al eens overdrijven) draait tegenwoordig rond gender, geaardheid, sekse en verdraagzaamheid. Serieus, ik ben het debat en de discussie over vrouwen, mannen en x-en, kots- maar dan ook kotsbeu. Zolang er genoeg staanplaatsen zijn op deze aardkluit mag van mij iedereen erbij. Hoe meer zielen, hoe meer leute. Voor mijn part kan het allemaal. Het maakt mij helemaal niets uit. Vrouwen, mannen, neutralen, trans- x, wat mij betreft, … alles moet kunnen.  De wetenschap is zo ver geraakt dat met hormonen en operatieve ingrepen lichamelijke kenmerken in overeenstemming kunnen gebracht worden met het psychologisch geslacht. Top, maar kunnen we er nu stilaan over zwijgen? De meeste mensen liggen daar niet wakker van. Echt niet. De hysterische drang naar inclusie, diversiteit en gelijkheid wordt kunstmatig zo groot gemaakt dat het me de strot uit komt.

Moet dan echt alles gewikt en gewogen worden op de schaal van verdraagzaamheid? Het leven is zonder dit ontploft debat al eierenlopen, toch? Mag er nog eens gelachen worden, alstublieft? Met een foute mop of met een uitvergroot cliché? Kunnen we het niet gewoon allemaal een beetje zijn gang laten gaan, met de juiste nuance en met fijngevoelige gelaagdheid? Alstublieft?

Ik wil zonder schaamte en met lichte zin voor ‘onderschatting’ verkondigen dat alle mannen om de zeven seconden aan seks denken. Ik wil me beklagen dat alle mannen muteren in onuitstaanbare boeren eens er pinten in gegoten worden. Ik wil ook zeggen dat vrouwen voor een pittig stukje worst niet het hele varken hoeven te nemen. Maar ik wil ook kunnen zeggen, zonder het risico te lopen overgoten te worden met pek en veren dat ik me blijf verbazen hoe vrouwen nadat ze honderd jaar geleden stemrecht verwierven, nog steeds het verschil niet kennen tussen links en rechts. Dat ze niet te genieten zijn wanneer ze hun regels hebben en dat schmink dient om er niet belabberd uit te zien maar dat het resultaat dat dikwijls wel is.

Moeten onderlinge relaties dan alleen maar afgewogen worden op een schaal die te fijn geijkt is op verdraagzaamheid en zedige correctheid?  

Ik snap dat de jongere generatie de drang voelt om zich af te zetten tegen de geschiedenis waar zij geen inspraak in hadden. Maar is het echte probleem niet dat het glazen plafond nog steeds doorschijnend is? Dat de loonkloof tussen man en vrouw nog steeds om en bij de 9% bedraagt en is dat niet het sprekend bewijs dat de strijd tegen ongelijkheid tussen mannen en vrouwen nog niet gestreden is? Verliezen we met tegeltjeswijsheden, slogans en scheefgetrokken genderdiscussies die de maatschappij verdeelt in mannen, vrouwen en x-en niet uit het oog dat we het toch samen zullen moeten doen?

Vrouwen, mannen en x-en ze dienen toch om van te houden, toch niet om ze te begrijpen?

Vuisten tot witte knuisten geklemd

Neem hem nu, een grijzig, ambtenaar-achtig figuur die eruitziet alsof alle menselijke gevoelens in hem al jaren geleden verdampt zijn tot grauwe sleur.  Of zijn vrouw, met haar vormloze gestalte, flutjeshaar en verfrommeld uiterlijk waardoor hij nauwelijks nog uitgenodigd wordt om naar haar te kijken.  Het omgekeerde gebeurt trouwens al jarenlang niet meer. Hoewel het nooit een bewuste keuze geweest is, zijn ze de interesse in elkaar al jaren kwijt.  Hun dag speelt zich grotendeels af in hun eigen kleurloze bubbel waarin ze zich terugtrekken om er hun verwrongen emoties en gedachten te cultiveren tot geriefelijk ingetogen geduvel waarmee ze elkaars leven belemmeren.

Ik zie ze wegkwijnen, zij met opgetrokken knokige knieën, terwijl ze machteloos haar vuisten tot spierwitte knuisten klemt. Hij zwijgend, gevoelloos en cynisch voor al hetgeen wat rondom hem gebeurt. Beiden eraan gewend geraakt dat ze in een dip zitten die nog een leven lang moet duren. Zonder woorden, zonder emotie of zonder grote verwijten sussen ze elkaar met de idee dat je van de vloer af niet dieper kan vallen als je al in de kelder ligt.

Wat de grijsaard uitstraalt is niet wat hij voelt. Het liefst van al zou hij haar stilletjes toefluisteren, “…zelfs met krulspelden in je flutjeshaar en met jouw kousen half afgezakt tot op je enkels en met die oude badjas rond je uitgezakte lijf, ben je nog steeds mooi om naar te kijken.” Maar hij zwijgt, uit gewoonte, uit angst voor, … hij weet niet wat.

Ook zij wil het liefst van al ontdooien maar in haar gewoontegedachten raakt ze niet verder dan een “… zelfs in het bijzijn van mijn vrienden of van jouw kinderen ben je een ramp.  Dan maak je wel venijnig lawaai en spreek je me wel tegen.  Met het overschot van de tijd loop je maar te zwijgen en rond te dolen in je eigen beknotte wereldje. Eigenlijk ben je niets minder dan een bullenbak en een tiran. Op die momenten twijfel ik zelfs of je een ziel hebt…”

Hoewel ze het heel graag willen, ontdooien ze niet… Hoe hebben ze het ooit klaargespeeld om elkaar een enkel plezier te doen? Of om elkaar graag te zien. Je kan je dat afvragen. Of hoe ze elkaar ooit het hof gemaakt hebben en hoe ze zo van elkaars leven vervreemd raakten. Misschien omdat zij op haar moeder lijkt, of hij op zijn vader? Die hadden ook niets meer om liefde mee te inspireren.

En toch denken zij ook wel eens. “Ondanks alles ben je mijn man, niettegenstaande ben je mijn vrouw.”  Mocht hij een poging doen om een beetje gewicht te verliezen, een ietsepietsje aan sport te doen en zich iets minder in zijn eigen spookwereld terug te trekken. Mocht zij proberen iets vriendelijker te zijn. Af en toe een glimlach op haar gezicht, een onhandige knuffel… misschien, dan? Zouden ze dan elkaars hart opnieuw kunnen dragen zodat het wulpse meisje terugkeert en die onhandige jongeman opnieuw verschijnt die elkaar zoveel geluk gaven wanneer ze altijd elkaars hand vasthielden?

Gelukkige koppels zien er allemaal eender uit. Ongelukkige mensen denken dat ze helemaal alleen staan. Mensen, ze zijn er in alle soorten. Sommige staan alleen maar goed met zichzelf. Andere zoeken hun heil in het geluk van anderen. Er zijn er die naar binnenkijken en er zijn er die naar buitenkijken.  Ze komen in allerlei soorten en maten. Maar zonder een beetje liefde, een ietsepietsje begrip en warmte, stellen ze niets voor. Gerald Walschap schreef het veel beter dan ik het ooit zou kunnen bedenken, “Niemand is iedereen en iedereen is niemand, de mens ge kunt daar niet aan uit, en aan een koppel al zeker niet.”

Ikzelf en mijn mensen? …  Ik weet het allemaal niet zo goed en dat ‘niet weten’ zou nog boeken kunnen vullen, maar ik ben Walschap niet.

Tegen beter weten in.

Iets heel kleins kan een leven veranderen. In een oogwenk kan er iets onverwachts gebeuren. Iets wat je totaal niet had verwacht waardoor je van de weg afraakt en opeens een andere richting inslaat. Een richting van een toekomst waar je nooit aan had gedacht. Waar zal je terechtkomen? Dat is het onvoorspelbare pad van het leven. Een zoektocht naar licht en soms moet je om het licht te vinden eerst door het donker gaan. In elk geval, ik denk dat het bij mij het geval is…

De nachten zijn het ergste. Dat vind ik toch. Dan is mijn ziel het onrustigste, of hoe zeg je dat? Het is donker. Ik blader door mijn gedachten. Op nachten als deze is de kans niet klein dat ik blijf bladeren. Tot ik helemaal uit gebladerd ben. Meestal stopt het pas wanneer de zon opkomt en ik geen vragen meer vind om aan mezelf te stellen. Hoe lang kennen wij elkaar? Twintig jaar? Tweeëntwintig jaar? Vijfentwintig jaar?

Welk soort vragen stel je dan nog aan elkaar? Wat ga je doen? Wat heb je gedaan? Hoe is het? Hoe was het? Had ik ooit maar rechten gestudeerd. Dan zou ik geleerd hebben om die ene belangrijke vraag op zoveel manieren te stellen. Ik zou die vraag dan net zolang stellen tot ik een antwoord krijg waarmee ik verder kan. Maar ik ben geen advocaat en ik heb geen rechten gestudeerd. Ik blijf dus steeds de verkeerde vraag stellen. Ook aan mezelf.
Hoe is het? “Goed”, antwoord ik, tegen beter weten in.

Interview met een alcoholist

Waarom denk jij dat er nog steeds zo clichématig over alcoholisme wordt gedacht en dat er zulk vooroordeel op rust?

Om die vraag correct te beantwoorden en om er misverstanden over te vermijden, denk ik dat het best is om het voorafgaand eens te raken over een aantal begrippen. De eerste vraag die je jezelf dan kan stellen is, wat is een alcoholist? Volgens mij is een alcoholist iemand die dikwijls en dwangmatig te veel drinkt waardoor de gezondheid en datgene wat als normaal sociaal functioneren beschouwd kan worden, helemaal verstoord raakt. Volgens dezelfde definitie is een alcoholist iemand die geestelijk, lichamelijk en emotioneel afhankelijk is van alcohol en niet in staat is de hoeveelheid alcohol die hij/zij gebruikt te controleren, zelfs niet indien dit voor relaties, thuisomgeving, werk, gezondheid en zichzelf destructieve gevolgen heeft. Misschien stuit ik met deze bewering op onbegrip maar ik geloof echt dat alcoholisme een chronische en dodelijke ziekte is waarop een eenzelfde taboe rust als op kanker. Mensen spreken daar ook niet graag over. Misschien heeft dat te maken met het feit dat ‘normale’ mensen (als die al bestaan), mijn ziekte niet kunnen begrijpen. Of misschien is het omdat alcoholisten in hun diepste crisis destructief en narcistisch handelen en steeds opnieuw een diep slijkspoor achter zich trekken en een oorlogsgebied achterlaten, dat zo neerbuigend over alcoholisten gedacht wordt. Ik kan getuigen dat mensen die dicht bij me stonden ook zo over mij dachten. Achteraf beschouwd verdiende ik al die vreselijke dingen wel, omdat ze helemaal waar zijn. Zo dat hebben we gehad.

Maar alcohol zit toch in onze cultuur ingebakken. Je maakt je toch niet populair of sympathiek met de stelling dat iemand die niet kan stoppen na een paar glazen je hem of haar onmiddellijk als alcoholist kan beschouwen. Daarmee maak je het probleem wel heel erg groot, toch?

Ik zal dat niet tegenspreken, maar het is niet omdat de conclusie niet populair is dat de analyse verkeerd is. Naar schatting, en ik zeg dat niet zelf hoor, het is de Wereldgezondheidsorganisatie die deze cijfers onlangs publiceerde, kampen op wereldschaal ongeveer honderdvijftig miljoen mensen met een uit de hand gelopen alcoholgebruik.

Wist je trouwens dat alcohol wereldwijd jaarlijks ongeveer twee miljoen mensen doodt, waaronder driehonderdduizend jongeren? De meeste doden vallen natuurlijk te betreuren bij ongevallen waarbij alcohol in het spel is, maar ook kanker, levercirrose of hart- en vaatziekten eisen hun tol. En dan heb ik het niet eens over al die mensen die door langdurig alcoholmisbruik slachtoffer werden van het syndroom van Korsakov.  Dit is een aandoening waarbij een gedeelte van de hersenen (het autobiografisch en het semantisch geheugen) door langdurig alcoholmisbruik onherstelbaar beschadigd raakt. Daardoor hebben deze mensen moeite met het opslaan, vasthouden en terughalen van informatie en raken zo helemaal verstrikt in hun tijdszones. En dan heb ik het niet eens over beschadigde relaties, over familiaal geweld of over fout gewoontegedrag dat geprojecteerd wordt op kinderen waardoor ze drinken als normaal gaan beschouwen. “Jupiler, mannen weten waarom.” Je weet wel…

Voor wat Vlaanderen betreft schat men dat ongeveer dertig procent van de mensen op een bepaald moment in hun leven te maken kreeg met overmatig alcoholgebruik. Dus ja, die cijfers zijn best wel beangstigend. Maar om op je vraag te antwoorden, ja ik weet dat ik me niet populair maak door te stellen dat overmatig alcoholgebruik een sluipmoordenaar is. Ik hoop dat je me die stelling niet kwalijk neemt.

Neen hoor, want dan hadden we dit gesprek niet. Wanneer wist je eigenlijk zelf dat je een alcoholist was? Sta je daar dan op een dag mee op, of zo? Hoe gaat dat dan precies?

Dat is een lastige maar interessante vraag, de vraag van duizend punten, zeg maar. Natuurlijk weet je zelf best wel dat er iets niet klopt wanneer je jezelf nog maar eens betrapt op het feit dat je niet overweg kan met een vol of met een leeg glas. Diep van binnen weet je dat wel. Dat toegeven is nog iets anders natuurlijk. Maar alcoholist worden is geen big-bang, daarom dat ik je daarstraks zei, hij is een sluipmoordenaar met veel tijd en veel geduld, in de veronderstelling dat hij mannelijk is, natuurlijk. Wat hij niet is, trouwens. Hij neemt gewoon de vorm en het geslacht aan dat hem/haar past en kiest het moment waarmee hij/zij raak kan treffen. Hij/zij mist zelden. Wanneer iemand het breekpunt bereikt heeft waardoor de keuze niet meer kan gemaakt worden tussen drinken of stoppen zonder dat externe factoren hem daartoe dwingen, is dat signaal aannemelijk dat je te maken hebt met een alcoholist. Ik denk dat ik al heel lang wilde stoppen. De verbroken beloftes aan mezelf, “morgen stop ik” en “nu nooit meer” zijn ontelbaar. Diep van binnen wilde ik ervan af, en toch, ondanks alles wat ik probeerde lukte het me niet. Puur op eigen wilskracht ging het niet. Ik wist niet dat ik een alcoholist was en die onwetendheid heeft mij jaren van mijn leven gekost, wellicht de beste. Nu weet ik dat die machteloze ontkenning een van de gemeenste symptomen van mijn ziekte is en ja, alcoholisme is een ziekte, en wellicht de enige die je er voortdurend van probeert te overtuigen dat je het niet bent.

Dat is een hele boterham. Zou het je lukken om alcoholisme in één woord te omschrijven?

Oei, die vraag heb ik nu nog nooit gehad. Misschien, schaamte, of afhankelijkheid? Neen, doe maar machteloosheid.

Je hebt nu zelf bijna negen jaar geen alcohol meer gedronken, maar heb je enig idee wanneer de machteloosheid waar we het daarnet over hadden, voelbaar werd? Ik bedoel, kan je uitleggen wat er precies aan de oorzaak lag van het feit dat “veel drinken” omsloeg naar, en hoe zei je dat ook alweer, in “dwangmatig drinken”? Wanneer ben je dan juist de controle over jezelf verloren?

Ik zei je al dat alcoholisme geen big bang is en dat afhankelijkheid iets is dat zich traag opbouwt. Dus precies aanwijzen wat aan de oorzaak ligt, of waar ik de controle verloren ben… ik denk niet dat ik daar een pasklaar antwoord op ken. Ik ben ook niet zeker of het antwoord op die vraag zo belangrijk is. Wat ik wel weet, is dat ik op een bepaald moment een lange tijd thuis zat omwille van een ongeval. In die periode ben ik wel heel erg veel beginnen drinken. Luister, ik heb al heel veel alcoholisten gesproken en in hun verhaal zit een rode draad. Op een bepaald moment hebben ze allemaal door langdurig en overmatig drinken een onzichtbare grens overgestoken waardoor het natuurlijk beloningssysteem onherstelbare schade opgelopen heeft. Psychiaters en dokters kunnen dat allemaal veel beter uitleggen dan ik, maar wat ik ervan begrepen heb, en ik moet nu heel erg diep nadenken vooraleer ik onzin uitkraam, komt het erop neer dat de huishouding van onze neurotransmitters  (dopamine, endorfine, serotonine en oxytocine, gelukhormonen zeg maar) die verantwoordelijk zijn voor ons immuunsysteem en ons natuurlijk gevoel van euforie en welbehagen, (zie het als ons natuurlijk beloningssysteem maar ook als sociaal interactiesysteem) door overmatig alcoholgebruik onherstelbaar verstoord raakte. Hierdoor ontstaat onweerstaanbare afhankelijkheid. Het gevolg daarvan is dat verslaafden constant op zoek zijn naar een kunstmatige roes die als vervanging dient van dat natuurlijk beloningseffect. Dat is ook de hoofdreden waarom ik alcoholisme als een ziekte bestempel.

Bon, maar om het dus in mensentaal te vertellen, allen overschreden ze een onzichtbare grens waardoor ze niet meer konden stoppen met drinken, ondanks het feit dat ze niets liever zouden willen. De rem is kapot en de bodem is bereikt. Iedereen heeft een andere bodem. Ik denk dat ik de mijne heb bereikt in de periode na mijn ongeval.

Dat van die bodem dat versta ik, denk ik niet zo goed… kan je dat op een andere manier uitleggen?

Snap je nu dat aan een niet-alcoholist uitleggen wat het betekent om alcoholist te zijn, verdomd moeilijk zo niet onmogelijk is en waarom er zoveel vooroordelen en taboes rond bestaan? Maar ik zal proberen iets duidelijker te zijn. Voor mij was het een niet langer uit te houden waanzin om te ontdekken dat drinken belangrijker geworden was dan al de mensen die om mij gaven en mij ooit graag gezien hadden. Dat ik hen door mijn zuipen, steeds maar weer opnieuw, heel veel leed en pijn bleef doen ook al wou ik dat niet. Alle alarmbellen gingen af toen ik op het punt stond om al datgene waar ik om gaf (of beter gezegd al datgene waar ik vroeger om gegeven had) definitief dreigde kwijt te spelen, partner, kinderen, werk, eigenwaarde, zelfrespect, levenslust enzoverder. Dat ik in mijn eigen schaduw bleef zitten om me daar te beklagen dat ik de zon niet meer kon zien.  Maar het was wel een goede vraag. Ik weet niet of je het helemaal kan begrijpen maar laat het me zo proberen zeggen, wat precies de bodem is, is moeilijk te bepalen, en ik denk dat elke alcoholverslaafde ooit op een punt komt dat hij zijn eigen bodem kiest, maar geloof me maar, dat je heel goed weet wanneer je hem bereikt hebt.  Dan heb je geen bewijzen meer nodig. Dan is de peer rijp en is ze klaar om van de boom te vallen.

Je noemt jezelf alcoholist. Ik ken veel mensen die die bekentenis niet aandurven. Daar is wel wat moed voor nodig.  Vind je het dan geen beschamend etiket om jezelf als alcoholist te bestempelen?

Neen, integendeel dat zet mijn nuchterheid net in een heel ander perspectief. Toen ik een dronkaard en een zuiplap was, had ik alcohol nodig om te vluchten van wie ik geworden was. Sinds ik mezelf alcoholist noem, heb ik geen druppel meer gedronken en sta ik iets stabieler.  Pas op, mijn leven is nog steeds chaotisch maar door te stoppen is de chaos in mijn hoofd overzichtelijker geworden. Kijk, veel mensen hebben een misvatting over alcoholisme en weten niet dat het wel degelijk een ziekte is, waarmee uiterst goed te leven valt, zolang je dat eerste glas maar niet neemt. Zij zien alcoholisten als zwakke mensen zonder wilskracht. Ze hebben geen idee dat het een ziekte is en zijn ervan overtuigd dat het een morele keuze is. Dat is net de reden waarom ik er hier met jou over praat, maar ik ben ook geen masochist die tegen iedereen die hij ontmoet zegt, “he miszie je niets aan mij, ik ben een alcoholist.” Ik probeer nederig te zijn en het niet van de daken te schreeuwen, hoewel ik dat in mijn euforie soms wel gedaan heb, en soms nog doe. Maar schaamte? Neen, die voel ik niet meer. Vroeger had ik een huizenhoog probleem maar daar heb ik iets aan gedaan en het heeft me gevormd tot wie ik vandaag ben. Het enige wat ik echt kan doen om mensen die met zichzelf en met alcohol in de knoop liggen (dat gaat vaak samen) is nuchter te blijven. Dag per dag. Om te proberen het leven zo goed mogelijk te leven op de manier die ik door te stoppen met drinken geleerd heb en zo te inspireren om het ook te proberen. Dat werkt het beste voor mij.

Ik word er een beetje stil van…  Hoe moeilijk is het om nooit meer te kunnen drinken? Het idee alleen al lijkt me afschuwelijk. Wordt het niet allemaal een beetje saai?

Nu ik erover nadenk, nooit meer is wel erg lang, he. James Bond zei het al, never say never again. Ik ben niet slimmer of leper dan James Bond dus ik zal nooit beloven om nooit meer te drinken. Dat zou trouwens pure zelfoverschatting zijn. Wat ik wel weet is dat ik nooit meer naar dat vroegere leven terug wil. Maar dat is geen antwoord op je vraag. Ik denk dat ik als volgt probeer te leven: gisteren is definitief voorbij en morgen bestaat nog niet, waarom me dan vandaag (de enige dag waar ik zeker van ben) al zorgen maken? Zolang ik dagelijks de dingen doe waar ik me comfortabel bij voel en niet al te veel op de zaken vooruitloop, te veel hooi op mijn vork neem of alleen maar tijd in mijn eigen hoofd doorbreng, lukt dat relatief gemakkelijk. Ik probeer met te omringen met mensen die bij me passen en tracht het me zo gemakkelijk mogelijk te maken.  Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat stoppen met drinken altijd zo simpel is geweest dan ik het nu in een paar zinnen voorstel. Stoppen met drinken heeft lang niet al mijn problemen opgelost. Het leven overvalt me nog dagelijks, maar zolang ik nuchter blijf, is de kans dat ik een goede dag kan hebben, ongeacht wat er gebeurt, zoveel keer groter dan wanneer ik nog zou drinken. Dan heb ik zelfs die kans niet.  Niet meer drinken is een heel bewuste dagelijkse keuze geworden. Door opnieuw te drinken zou ik me die keuze ontnemen, dan zou alcohol mijn leven weer opnieuw helemaal overnemen. Ik weet dan ondertussen al hoe mijn dag zou verlopen mocht ik terug beginnen drinken. Dat is me al te vaak bewezen. Ik heb de belofte nooit kunnen waarmaken om maar één glas te drinken. Daar is door te stoppen met drinken niets aan veranderd en dat maakt die keuze dan weer iets gemakkelijker. Dezelfde dingen doen in de hoop dat ze een ander resultaat krijgen is wat ik vroeger deed. Dat was niet het beste plan. Heeft James Bond dat trouwens ook niet gezegd? Hij drinkt wel af en toe wel een Martini-Wodka met een olijf, shaken not stirred. Als alcoholist, heb ik die optie niet. Eén zou nooit genoeg zijn. Al te dikwijls heb ik gezien hoe alcoholisten die dit geprobeerd hebben, horen vertellen hoe snel hun leven terug uit elkaar viel en hoe snel ze weer in oude drinkgewoonten hervielen. Meestal erger dan het ooit geweest is omdat ze de drang voelden om “de verloren tijd” in te halen. Ik wil me nooit meer zo voelen. Dus één drankje is voor mij uit den boze. En ja, ik kan er niet omheen, nooit meer, maar dat duurt maar één dag hoor.

Maar toch een beetje saai?

Dat scheelt eraan hoe je saai en oppervlakkig of spannend en betekenisvol definieert. Saai is een te groot woord. Mijn leven is zeker veel rustiger, maar dan rustig op een rommelig-chaotische manier.’ Het moet allemaal niet meer. Ik heb niet langer het gevoel dat ik iets mis. Ik hoef niet meer zo nodig in een hokje te passen.  De pieken en de dalen zijn een beetje afgetopt. Daardoor kost het me minder energie om de dag door te komen. Ik hoef me niet meer te verdoven om de volheid van het leven te ervaren.

Maar ik zie het ook niet als een opdracht om de wereld te redden van de pint.  Niet iedereen die drinkt, of veel drinkt, is een alcoholist. Ik kan alleen spreken over wat mijn ervaring is, en voor mij is die pint mijn grootste allergie. Giet alcohol in het lichaam van een niet-alcoholist en kijk wat er gebeurt. De kans is groot dat er helemaal niets gebeurt. Wanneer je echter alcohol in mijn systeem giet zal je getuige zijn dat een complete ramp zich voor je ogen ontvouwt. Dan kies ik liever bewust voor dat rustig rommelig-chaotische misschien een beetje saaie leven.

Gevoelens ervaren zonder de effecten van alcohol was nieuw, zeker in het begin. Ik heb veel mensen gehoord die het daar moeilijk mee hadden. Maar zelf heb ik dat niet zo ervaren. Ik vond het allemaal spannend om mezelf te herontdekken en weer te leren voelen. Al ben ik me ervan bewust dat dit niet voor iedereen geldt. Ik heb geluk gehad, denk ik.  En dat geluk om aan het eind van de dag terug te kijken en te kunnen zeggen: Het was een goede dag. Niet geweldig. Niet spectaculair. Niet slecht. Gewoon oké.

Daar zit heel veel in om dankbaar voor te zijn.

Pseudo-intellectuele masturbatie, binnenstebuiten gekeerd snobisme of onnozele pleziertjes?

Onnozele pleziertjes zijn niet iets om je voor te schamen, maar ook niet iets om mee te stoefen. Een avondje vermakelijke vlakheid kan deugd doen. Ik pleit ook schuldig of wat had je gedacht?  Na een dag van ‘pseudo-intellectuele masturbatie’ en ‘binnenstebuiten gekeerd snobisme’, dingen waaraan ik een bloedhekel heb, maar waaraan ik tegen mijn zin blootgesteld word, verval ik graag in zinloos nihilisme. Ik hou er nu eenmaal van om me te onderwerpen aan de uitersten van mezelf. Dan kan ik echt ironisch-tegenstrijdig worden alsof een duister gat moet gevuld worden. Met zinloos vermaak gun ik me dan een gevoel van vrijheid zonder inkijk van anderen. Aan anderen heb ik op dat moment geen behoefte, en al zeker niet aan bemoeienissen. Niets- of veelzeggende zinnen neerschrijven, is gewoon mijn onnozel pleziertje. Ik schaam me er niet voor en probeer er niet mee uit te pakken. Dat lukt niet altijd.

De vrees van jouw oordeel is namelijk dezelfde angst die me ervan weerhoudt om intenser te leven of om vrijuit te schrijven. De vraag die dan beantwoord moet worden is aan wie ik verantwoording of loyaliteit verschuldigd ben? Aan mezelf of aan anderen?  Het liefst van al zou ik jou vertellen over die ene dag die belangrijk geweest is, die een stempel gedrukt heeft. Een die een litteken bezorgd heeft dat heel mijn leven zichtbaar zal blijven. Voor mij toch. Iedereen heeft wel zo’n dag. Meestal is dat de dag waarop je begrijpt wie je echt bent en wat het geluid van je ware stem is. Maar durf ik dat? Riskeer ik het al om mijn woorden niet langer te verbergen in een fantasiewereld die ver van mij afligt? En is dat gebrek aan lef niet het excuus om intenser te leven of om vrijuit te schrijven? Het mag gerust allemaal wat simpeler of eerlijker, geloof ik. Misschien kom ik er, als ik dat doe, achter welk verhaal ik echt wil vertellen en vind ik met juiste woorden wapens om er de grenzen van mijn schuchterheid mee aan te vallen.

Maar tot vandaag hang ik nog vast in binnenstebuiten gedraaid snobisme waarvan ik niet weet welke kant ik ermee uit wil. Ik herken het goed want ik etaleer het hier wekelijks. Dan speel ik met tegenstrijdigheid en ironie en met datgene wat ik echt wil vertellen. Zoals een kat met een muis. Ik verpak dan wat ik echt wil zeggen in een onbegrijpelijke fantasiewereld die ver van me af ligt. Voorlopig blijft schrijven dus gewoon maar een simpel onschuldig pleziertje. Ik geloof dat ik me er niet voor hoef te schamen, tenzij ik jou ermee wil imponeren.

Zullen we praten?

“He jij daar stilte, zouden wij niet eens praten?” Niet zo lang geleden heb ik stilzwijgen een naam gegeven. Het werd een persoon, een man of een vrouw, dat weet ik niet precies. Mij kennende zal het wel een vrouw zijn. Misschien helpt zij wel om dit “gesprek” een beetje op gang te trekken? Ik vraag het me af. Ik zie wel.

De lentezon komt op. Ze oogt nog een beetje verlegen.  De schuchtere zonnestralen geven de wereld een iets andere kleur dan vorige week. Blauwer misschien, of roder?  In elk geval minder grijs. Omdat ik geen schilder ben, en niet zo met kleuren bezig ben, geef ik verder geen aandacht aan deze kleurrijke gedachte. Ik ben gewoon al blij dat ze niet zwart-wit is, of grijs.   

Stilte en ik zijn het zonder woorden eens dat we van deze dag iets gaan maken. Ik begin aan mijn eerste kop koffie en aan mijn eerste sigaret van de dag. Het zullen voorzeker niet de laatste zijn. Wanneer de week te druk geweest is, en ik een trage dag wil, met stilte als gezelschap, zoek ik steevast beschutting op mijn veilige plaats. Dan zoek ik dekking in mijn vertrouwde prikkelarme bubbel. In mijn stinkende gelukzalige bubbel.  Stilte vindt het daar ook fijn denk ik.

Mijn grijze loungezetel met zes zitplaatsen is ruim voldoende groot voor stilte, voor mijn lijf, voor mijn ego en mijn gedachten. Aan hen en aan dit papier vertrouw ik altijd mijn diepste en intiemste gedachten toe.  De zetel, de kussens en stilte worden dan de enige getuigen van wat er zich tussen mijn oren afspeelt. Hen maak ik niets wijs. Bij hen zijn mijn denkbeelden veilig. Zij achtervolgen de schaduwen niet die ikzelf achterna hol.

Als de wereld straks opnieuw rumoerig wordt zal je me misschien vragen of ik stilte goed gekend heb.  Ik zal dan glimlachen en zeggen dat hij een oude vriend van mij was.  Dat hij lang in mijn bubbel heeft rondgezweefd maar dat ik hem al een tijdje niet meer gezien of gehoord heb. De droefheid en kommer zal dan uit mijn ogen verdwenen zijn.

Door te lang alleen met stilte op te trekken en er verstrikt in te raken, kom ik vast te zitten in de fantasie van mezelf. Dan loop ik risico dat de onrust die ik denk te voelen geen juiste plaats meer krijgt. Dat ik gistend onheil begin te verwarren met belangrijkheid, en dat is het niet.

“Zeg, stilte, zullen we dan toch niet eens praten? Een beetje lawaai maken misschien?”

Losgeslagen fantasie

Mensen zeggen altijd dat ik een overactieve fantasie heb, te donker of te romantisch. Dat ik te veel koffiedrink en nog vaker dat ik te veel sigaretten rook. Dat ik meer moet bewegen. Dat ik het verleden niet loslaat en de toekomst, ja daar zeggen ze niets over. Dat ik plannen maak die nergens toe leiden en ze dan afzeg.  Ze verwijten me dat ik te weinig doe en afspraken niet nakom. Ze vragen me waarom ik altijd een korte broek draag en me dan beklaag dat ik het te koud heb. Dat ik te veel woorden gebruik die niemand begrijpt. Dat zeggen ze niet expliciet. Maar het is niet omdat ze het niet in mijn gezicht zeggen dat ze het niet denken. Ze hebben gelijk. Ik ben een dromerige, romantische praatjesmaker. En dat is precies de reden waarom ik veel te vermoeiend ben en dat uiteindelijk iedereen afhaakt en van me wegloopt.

Door mijn overactieve fantasie ben ik onbetrouwbaar en vertel ik onzin, ja zelfs leugens. Tegen mensen zeg ik dan. ‘Maak je geen zorgen, wees niet bang, loop weg van je demonen en doe alsof ze er niet zijn, negeer ze. Alles komt altijd goed.’ Waarom zeg ik gewoon de waarheid niet? Er zijn demonen waar je bang moet van zijn en waar je niet kan van weglopen. Punt. Ze zitten niet onder je bed maar ze zijn er wel.  Ze wonen in je hoofd en zeggen je dat je een overactieve fantasie hebt. Waarom zeg ik dàt niet gewoon? Op een bepaald moment moet je namelijk wel verder, met of zonder. Ik weet wel dat het moet maar ik weet alleen niet hoe. Iemand kussen zou helpen denk ik, maar mensen van over de vijftig kussen niet meer. Waarom vergeet ik dat steeds? Misschien omdat ik al over de vijftig ben.

Als ik dan neerslachtig ben zeggen ze. Jij bent te leuk en te grappig om lang verdrietig of depressief te zijn. Jij lijkt zo in evenwicht zeggen ze dan. Ik wil dat allemaal wel graag geloven maar ik ken de waarheid. En die waarheid die maakt dat ik die leugens moeilijk kan geloven. Misschien liegen zij wel even hard tegen mij dan ik tegen hen over die demonen. Ik vraag hen hoe er een toekomst kan zijn als het verleden in de weg zit? Dat gaat niet, zeggen ze. Dan zit je met het heden vast in het verleden.

Wanneer diezelfde mensen me dan laten weten dat ze zich zorgen maken, zeg ik dat het niet nodig is in de hoop dat ze ermee stoppen. Ze doen dat niet. De zorgen verschuilen zich in mijn poriën of erger in mijn bloed. Ik denk dat ik met alles wil stoppen. Met werken, met schrijven met een afwezige vader te zijn, met een waardeloze partner. Met een dromerige praatjesmaker.  Ik weet dat het moet. Ik weet alleen niet hoe. Ik weet dat ik van jullie hou maar vrees dat ik de waanzin van mezelf haat. De waanzin waarvan ik de reden ben die rusteloosheid veroorzaakt zonder te weten waarom.

Vroeger dacht ik dat ik talent had. Getalenteerd met kwaliteiten waar niemand iets om geeft. Toen ik mijn eerste kladboekje klaar had was ik nog trots. Het tweede heeft die illusie kapotgesmeten.  Beneden in het bureau liggen nog tweehonderd zesenvijftig stuks te wachten op een lezer. Slijt eerst die rommel voor je aan andere begint, zegt een demon.’ En gelijk heeft hij.

Ik word te oud voor deze shit. Ik begin zelfs wartaal uit te kramen over demonen in mijn hoofd.

Misschien kamp ik dan toch met een overactieve losgeslagen fantasie? Als die me kan redden word ik onsterfelijk. Waarom vergeet ik dat toch steeds.

Goed slecht nieuws

Neem gerust een stoel, ga zitten en luister even. Stel je deze situatie eventjes voor, hypothetisch. Vandaag krijg je slecht nieuws. Je hebt geen idee waarover dat zal gaan of hoe hard het zal inslaan maar een ding is zeker. Het is rotslecht nieuws. Zit je neer? En zit je een beetje comfortabel op je stoel? Ik vraag dit niet zomaar. Ik doe dit omdat het een feit is dat slecht nieuws krijgen wanneer je neerzit het voordeel heeft dat je niet kan omvallen. Van slecht nieuws krijgen is bewezen dat je dat bij voorkeur krijgt in de beste omstandigheden.

Wanneer deze boodschap je grijze massa bereikt, zal je merken dat een ondraaglijke onrust zich van je meester maakt. Mogelijks ga je sneller ademen, begin je te zweten of krijg je een droge mond en word je angstig of paniekerig. Stel je hier geen vragen over want zulke nevenverschijnselen zijn perfect normaal in situaties als deze.  Omgaan met een tragedie die alleen in je verbeelding leeft is namelijk vele malen moeilijker dan omgaan met een realiteit die je al kent. Hoe hard, ingrijpend of onheilspellend die realiteit dan ook moge zijn. Het liefst van al wil je haar met open vizier onder ogen komen. Zonder franjes en zonder omwegen.

Mocht het krijgen van slecht nieuws zich volgens dit scenario voltrekken, stelt zich de vraag, hoe krijg ik dan het liefste dat slechte nieuws? “Liefste” is in deze omstandigheden natuurlijk een uiterst ongepast woord want wie houdt er nu van om slecht nieuws te krijgen, het liefste dan nog?

Zeker is echter dat de kans uitermate klein, zo niet onbestaande is, dat de slechtnieuwsbrenger bij jou een graag geziene gast wordt en je haar/hem met open armen zal ontvangen. In vroegere tijden kon hem/haar dat zelfs de kop kosten, letterlijk. Toch zal je hem/haar nu beleefd ontvangen, omdat hij/zij de enige is die je van deze ondraaglijke onzekerheid kan verlossen.

Slecht nieuws brengen heeft zijn eigen wetten en heeft iets van kosmologie. Het is soms heel lang onderweg ook al reist het met lichtsnelheid maar het slaat in als een komeet en zorgt voor onoverzichtelijke chaos.

Er bestaan zeker dingen die ons allemaal al eens overkomen zijn ook al zijn ze nog nooit gebeurd. Denk maar eens aan een belastingbrief of een overlijdensbrief krijgen waarin goed nieuws staat, ik zeg maar iets. Als je door je lief gedumpt wordt wil je niet horen dat het niet aan jou ligt want dat doet het natuurlijk wel. Wanneer je door je baas ontslagen wordt is het laatste wat je wil horen dat het niet zijn keuze is en dat het van hogerhand beslist is, want dat is het natuurlijk wel.

Maar hoe breng je dan wel goed, slecht nieuws? Bestaat er dan niet zoiets als een soort protocol, een richtlijn, zeg maar iets, zodat een slechtnieuwsgesprek niet telkens opnieuw moet uitgevonden worden? Er bestaat geen goed moment om slecht nieuws te brengen, wacht dus niet op dat moment want dat zal er nooit zijn.  Met de deur in huis vallen betekent niet dat je de deur moet inbeuken. Slecht nieuws hoeft geen thriller te worden maar verval ook niet in small-talk en luchtige praatjes. Weet dat als je de pil verguld en uitgebreid ingaat op het feit dat de nieuwe situatie ook voor jou vervelend is, dit echt de beste manier is om het helemaal te verknoeien. Jouw gesprekspartner zit echt niet te wachten op jouw emoties want hij heeft de handen vol aan die van zichzelf. Humor is nu even niet aan de orde. Hou het bij feiten. Informatie achterhouden, verantwoordelijkheid ontlopen of de dingen verbloemen zal het slechte nieuws niet beter maken, integendeel. Verberg niets, wees volledig maar doe het respectvol. Slecht nieuws gaat altijd gepaard met emotie.  Geef er ruimte aan en acht ze gerechtvaardigd. Ze zijn er niet voor niets. Kalmeren, luisteren, troosten tijd maken en vragen waar de andere nood aan heeft zijn essentieel als je net slecht nieuws gebracht hebt.

“Slecht nieuws zonder helpende hand of begrip wordt pas echt rotslecht nieuws”

Als je er de tijd voor neemt zal het iets minder moeilijk gaan maar gemakkelijk zal het nooit worden. Hopelijk is deze situatie helemaal uit de lucht gegrepen en hoef je vandaag geen slecht nieuws te geven. Al hoop ik echt nog veel harder dat je van slecht nieuws (dat je nu nog niet kent) gespaard blijft. En anders kan je er misschien een verhaaltje over schrijven. Dat lucht op.

Niets is definitief

Succes is niet definitief. Mislukking is niet definitief, het engie wat telt is moed om door te gaan.W. Churchill.

3850 dagen geleden heb ik alcohol afgezworen. Geen groot nieuws, zou je zeggen, en je hebt gelijk.  Ik heb gewoon de keuze gemaakt om niet meer te drinken. Er bestaat niet langer verwarring over hoe ik dit aan mezelf moet uitleggen. Vandaag kan ik met ingetogen trots en zonder ongepaste arrogantie zeggen: ‘Ik drink niet meer, en wat jij daarvan vindt, och dat doet er niet zoveel toe.’


Ik spreek hen dikwijls, mensen die het ‘professionele drinken’ hebben afgezworen, althans voor een tijdje. Het zijn vroegere lotgenoten zeg maar. Nadat ze een tijdje droogstaan, beginnen ze aan de worsteling met zichzelf. Dikwijls ervaren ze niet drinken als een onmenselijk zwaar offer. Voor die prestatie willen ze na verloop van tijd een beloning opeisen. Ze maken zich sterk geleerd te hebben uit het verleden en dat ze voortaan het alcoholspook meester kunnen blijven. Meestal menen ze het oprecht wanneer ze uitspreken niet meer terug willen naar dat vroegere leven. Langs de andere kant verlangen ze er ook erg naar om opnieuw te kunnen drinken zoals normale mensen, zoals de ‘gelukzakken’ die nooit voet gezet hebben in duistere rijk der dronken demonen.

Wat ik echt verlangde? Ik wou boven water blijven en aan de oppervlakte blijven drijven, badend in de zon. Ik wou niet opnieuw wegzinken in het moeras. Dat lukte soms, heel even, af en toe een paar weken. Maar met die kortstondige triomf wou ik telkens opnieuw toosten met een wijntje, een cava of een pint. Ik was onwetend of had de moed niet om gewoontes echt te doorbreken. Ik kon mijn verslaafde lichaamsgeheugen niet wissen.  Het enige wat ik wenste en wanhopig nastreefde, waren duidelijk afgebakende termijnen en onderhandelbare grenzen om te kunnen drinken. Natuurlijk lukte dat niet.

Ik wou wel een tijdje stoppen of minderen, een maand, twee maanden, of misschien een half jaar, met die bekende “tournee minerale” maar levenslang niet meer drinken, dat zag ik mezelf niet doen.

Wat volgde laat zich voorspellen. Ik streefde opnieuw naar die ongrijpbare controle van één of twee glazen per dag, naar dat glas witte wijn in het weekend, of net dan niet, omdat er iemand toekeek aan wie ik beloofd heb dat mijn drankgebruik deze keer onder controle was. Ik dronk dan een tijdje alleen tussen acht en tien uur ’s avonds, een glas dure rode wijn bij de juiste maaltijd, of twee of drie pinten in het juiste gezelschap.

Zo dronk ik krampachtig verder omdat diegenen waarmee ik het deed konden toezien en ingrijpen. In het andere geval deed ik het stiekem. Het liefst van al wou ik een lijst opmaken van alarmbellen die allemaal tegelijk zouden afgaan wanneer het de verkeerde kant dreigde uit te gaan. Liever nog wou ik dat ik die alarmbellen niet steevast negeerde. Ik wou drinken en niet drinken waarbij stoppen een constante proefperiode van bepaalde duur werd, met tussentijdse evaluaties, zodat ik te allen tijde kon ingrijpen om de drank- en stopvoorwaarden te veranderen.

Volledig stoppen met drinken bleek onmogelijk en ondenkbaar. Het zorgde voor verwarring en angst of ik zag het als verraad van mijn heilige gevecht tegen de absurditeit van het bestaan, tegen het geïsoleerde leven waarin ik was gestrand. Soms zelfs beschouwde ik definitief stoppen als een inbreuk of een ontkenning van mijn identiteit. Ik had nooit anders gezien en had nooit anders gekend.

Ik wou wel proberen om limieten te stellen en afspraken te maken, alleen dat lukt eenvoudigweg niet. Telkens opnieuw bleef ik de grenzen van mezelf en van de fles opzoeken om ze vervolgens uit te rekken tot een nieuwe grens.

Wanneer ik mezelf zou opleggen nooit meer te drinken, betekende immers dat ik nog steeds worstelde met een aanzienlijk alcoholprobleem en die bekentenis wou ik niet afleggen, zelfs niet tegen mezelf. De enige overwinning die voor mij als een echte zege zou kunnen voelen, was opnieuw te kunnen drinken op een gematigde en gecontroleerde manier, zonder een spoor van problemen achter me te slepen.

Deze koppige cirkelgedachte zet me klem want voor mensen zoals ik is een compromis met alcohol onmogelijk. Wie met een drankprobleem worstelt en verslaafd is en ervoor kiest om eerlijk met zichzelf te zijn, heeft geen uitweg meer. Dan rest er niets anders dan totale overgave. Elke strijd wordt dan gestaakt, en elke strategie om te ontkennen wordt een tijdbom op het leven.

Het besef dat ik een levenslang probleem heb, maakt me niet langer angstig, opstandig of verdrietig. Schuld of schaamte zijn niet meer zo aanwezig. Het drukt niet langer op me.

Het voelt telkens als een opluchting wanneer ik eerlijk kan getuigen. Als je wil, kan je verder lezen. Als je dat (nog) niet wilt, is dat helemaal oké. Je mag naar me kijken, maar je hoeft me niet te feliciteren want ik doe maar normaal.

Misschien ben ik door te stoppen met drinken kleiner en kwetsbaarder voor mezelf geworden, en toch voelt het alsof ik nu meer ruimte inneem dan ooit tevoren.

Zelfs na 3850 dagen is het soms nog lastig om niet te drinken, en dat is goed. Om het zo maar anders te zeggen, elke pint staat nog steeds even ver van mij verwijderd als van jou, een armlengte. Het leven mag een beetje moeite kosten, anders wordt het vanzelfsprekend, en dat ben ik niet meer.

Vooruitgaan en stappen zetten, jezelf leren kennen en aanvaarden, betekent ook af en toe achterom kijken en terugkijken naar hoe het ooit was. En dat is niet altijd even fijn. Heel lang was leren uit het verleden zelfs bijzonder onaangenaam, omdat ik het probeerde het uit te wissen alsof het nooit had bestaan. Terugblikken op die beschamende realiteit, die soms opnieuw dichtbij kwam, was soms beangstigend.

Eigenlijk bevond ik me tussen twee werelden, de nieuwe waarvoor ik gekozen had en de oude die niets had om trots op te zijn en die er zich zonder toestemming steeds probeerde tussen te wringen. Zolang ik mijn oude wereld buitensloot, gaf ik bitterheid, angst, twijfel, zelfbeklag en ontgoocheling alle kansen om me te blijven achtervolgen en me te blijven opjagen. Mijn verleden van dronkenschap, gemiste kansen en gekwetste mensen nam zoveel ruimte in, dat er geen plek overbleef om dat nieuwe leven echt te leren ontdekken.

Door vast beraden nuchter te blijven en door te leren om vandaag te leven, gaf ik mezelf stilaan toestemming om me te ontdoen van de twijfels en van de last van mijn verleden. Vanaf dat moment, ik weet niet meer precies wanneer, mocht ik eindelijk mezelf zijn. Ik begon erin te slagen om oude dingen achter me te laten en veel of onrealistisch toekomstverwachtingen te hebben. Het enige wat ik daarvoor hoefde te doen, was de komende vierentwintig uur niet te drinken.

Met elke nieuwe sobere dag kwam ik erachter dat het redelijk schizofreen was om in de donkere schaduw van mijn verleden te blijven staan om me er daar over te beklagen dat ik de zon niet kon zien.

De voorbije 3850 dagen stellen niets voor. Dat is geschiedenis. Het enige wat ik het best kan doen is van de komende vierentwintig uren het beste te maken. Als ik daarin slaag heb ik goed voor mezelf gezorgd. En als ik goed voor mezelf zorg, is de kans groot dat ik geen slecht persoon ben voor anderen.

Die vaststelling op zich is zelfs na 3850 dagen nog steeds een verrassing. Ik ben nederig en dankbaar dat ik dat nog elke dag opnieuw mag ervaren.

En vandaag? Ja, vandaag drink ik niet. Of wat had je gedacht?

Met Jan en alleman

Vandaag mag het met Jan en alleman. Het is namelijk internationale knuffeldag. Niets moet natuurlijk, want moeten… doen we dat niet al genoeg?  Maar toch, als ik mensen mag geloven die er meer van weten is het enige wat je vandaag het beste kan doen om je zweverige en gelukzalig te voelen … knuffelen en troetelen.

Dus, grabbel vandaag zo veel mogelijk mensen vast. Het maakt niet uit wie. Bekend of onbekend. Knijp ze fijn en stop er vooral niet mee. Doe het minstens eenentwintig dagen lang, gedurende tien minuten, liefst langer. Naar het schijnt word je dan pas oeverloos gelukkig. Dat wordt een uitdaging, zeker voor mezelf want ik word al ongemakkelijk wanneer vreemd volk mijn persoonlijk territorium betreedt. Maar alles voor de wetenschap. Knuffelen dus… met Jan en alleman. Dat wordt nog wat.

Knuffelen schijnt immers onmiskenbare voordelen te hebben.  Het lichaam zou in overvloed oxytocine aanmaken. In de volksmond beter gekend als het knuffelhormoon. Hoewel ik hormonen door de band genomen voor geen meter vertrouw, zou deze stof in tegenstelling tot hormonen die ik ken en die maandelijks onheil bij de vrouw veroorzaken, gevoelens van onzekerheid en angst verzachten. Het zou ook de cortisolspiegel in het bloed verlagen zodat stress en onrust verdwijnen als sneeuw voor de zon. Bovendien zou mijn bloeddruk na een paar dagen vel tegen vel gelegen te hebben al verlagen met een paar punten. Als ik de wetenschap mag geloven zal ik me ook minder eenzaam en gespannen voelen en word ik zelfs sociaal en zelfzeker.

Dus verschiet niet als ik je een van de komende dagen tegen mijn gilet trek en je in mijn persoonlijk grondgebied sleur. Het is voor de wetenschap en mijn gelukzaligheid. De toeken op mijn bakkes, de koorts- en keelpijn en de smaak- en geurverlies neem ik er graag bij …

Troostende Sushi

Haar mobiel piept twee keer. Om helemaal zeker te zijn gluurt ze snel nog even op het schermpje van haar gsm ook al weet ze met zekerheid dat het precies 19:00 uur is. In gure winterdagen als deze, is het buiten al stikdonker. Een vrouw in dure deux-piece, verlaat alleen en zonder haast haar kantoor. Ze zet als bescherming tegen de gure noordenwind de kraag van haar overjas recht en slentert naar haar BMW X5 die wat verder geparkeerd staat. Hij is de op twee na laatste auto die zich op dit uur nog op de parking bevindt. Onder haar linkerarm knelt ze drie kaften strak tegen haar middel. In haar rechterhand draagt ze een uitpuilende laptopzak.

Even later rijdt ze door de stad en zoekt zich in het niet meer zo drukke verkeer een weg naar huis. De stad, laten we die bijvoorbeeld Mechelen of Gent noemen, in elk geval, dat soort stad waarin donkere huizen in lintbebouwing naast elkaar staan en waar achter gevels met grote ramen, gezellig uitnodigend licht naar buiten schijnt. Als een voyeur gluurt ze binnen en ziet flarden van de privé van voor haar onbekende mensen. Ze is getuige van gezinnen met kinderen en van kinderloze koppels die aan tafel zitten of van mensen die nog in de keuken de laatste hand leggen aan het avondeten. De eenzaamheid voelt aan als knagende honger terwijl iedereen zich voorbereid of bezig is met eten en gezelligheid.

Net voor ze de oprijlaan van haar veel te grote villa oprijdt, appt ze met een enkel commando het licht aan dat haar huis onmiddellijk een bedrieglijke gezelligheid geeft. Achter de voordeur ontdekt ze exact dezelfde stilte die ze er vanochtend heeft achtergelaten. Zoals elke andere avond zit niemand haar op te wachten. Op de keukentafel vindt ze naast een halfvolle tas ijskoude koffie, een opengeslagen magazine dat ze vanochtend ongeïnteresseerd doorbladerd had. Haar man is er eerder dit jaar vandoor gegaan, waarschijnlijk omdat ze meer of te veel met haar werk getrouwd was dan met hem.

Buiten een paar dure flessen witte wijn is de koelkast zo goed als leeg. De tv staat aan en toont beelden die ze niet wil zien.  Het is kwart over acht.  Ze schenkt zichzelf een veel te groot glas witte wijn uit en knoopt het bovenste knoopje van haar blouse los. Ze schudt de haren los, tuit haar pas gestifte lippen en neemt een selfie die ze onmiddellijk op Instagram post en onderschrijft met de quote die alles bevat waar ze op dat moment van huivert. Yolo, eindelijk rust!

Haar keuken is gezellig verlicht met gedempt gelig letlicht. Hoewel het nog maar 17 januari is, besteld ze voor de vijfde keer deze maand troostende sushi bij haar favoriete afhaalboer. De Wasabi proeft te scherp. Ze post drie foto’s van haar copieus sushibootje op Instagram, haar enige gezel. #SushiZalig!  Buiten wordt het donkerder. Ze vraagt zich af of ze op dezelfde manier gezien wordt zoals zij een uur geleden vanuit haar auto al die mensen opmerkte. Ze twijfelt. Er bengelt een traan op haar kin die een tel later uiteenspat op het magazine dat nog even onaangeroerd op de keukentafel ligt als vanmorgen.

~~

Het is net zeven uur geweest want haar mobiel heeft twee keer gepiept. De vrouw in dure deux-piece verlaat haastig haar kantoor.  Nadat ze achter het stuur van haar splinternieuwe BMW X5 plaats genomen heeft, gooit ze de haren los, stift ze haar lippen uitdagend rood, knoopt ze, altijd voorbereid op het onverwachte, het bovenste knoopje van haar blouse los.  Even later gluurt ze langs de ring achteloos in de felverlichte huizen binnen en beschimpt ze de taferelen die op haar netvlies branden, en denkt minachtend… niet met mij, klootjesvolk.

Als ze de oprijlaan van haar villa oprijdt, appt ze met een enkel commando het licht aan dat haar huis een luxueuze uitstraling geeft. Ze glimlacht voldaan. Eens ze de voordeur achter zich dicht getrokken heeft zwiert ze de Louboutins achteloos in het schoenrek van de vestiaire waar nog minstens vijf paar van hetzelfde merk uitgestald staan. De Escada overjas hangt ze zorgvuldig op een kleerhanger die in haar dressingkast vergezeld wordt met Dolce and Gabbana en Gucci jassen. Haar huisje-tuintje-boompje-man heeft ze eerder dit jaar aan de deur gezet omdat hij te veel aandacht opeiste, althans meer aandacht dan zij hem wou geven. Sedertdien is ze vogelvrij, en dat mag gerust letterlijk genomen worden.  Buiten haar werk heeft ze geen verplichtingen meer. Ze hoeft niet langer te gruwelen van toekomstige kinderen die haar afgetrainde lijf zullen doen uitdeinen. Voor haar geen perma-vent of sleur-seks meer op momenten dat zij het niet wil. Al een tijdje beschikt ze over een personal trainer die haar een happy-end masseert, maar alleen wanneer zij dat wil. Op andere momenten is er nog altijd thee, yoga en een inspirerende podcast over vrijgevochten vrouwen die er heel hard naar uitkijken om te leven zonder compromis.

De keuken is gezellig verlicht met gedempt gelig letlicht. Ze bestelt sushi voor twee bij haar favoriete afhaalboer. Buiten wordt het donkerder. Ze staat voor het raam en vraagt zich af of ze op dezelfde manier gezien wordt zoals zij een uur geleden vanuit haar auto al die mensen opmerkte. Even twijfelt ze met iets dat naar zelfbeklag neigt maar duwt dat nare gevoel onmiddellijk weg. Na een snelle douche, duikt ze in een pikant Marie-Claire lingeriesetje dat niets aan de verbeelding overlaat en belt haar personal trainer.  Ze ademt diep de spannende avond in terwijl ze haar oppervlakkigheid wegspoelt met een veel te groot glas Chablis.

Misschien is deze vrouw een gerespecteerde manager van een vooraanstaand Telecombedrijf, misschien is ze een beloftevolle politica maar dat hoeft niet zo te zijn.  Maak er, gerust een ogenschijnlijk zichzelf respecterende man van, die iedereen succesvol acht, als je dat wil, want ik heb helemaal niet de intentie om met dit tekstje vrouwonvriendelijk te zijn. Wellicht zijn de verzonnen personages gewoon vereenzaamde alleenstaanden waar Vlaanderen er duizenden van kent. Eenzame zielen die erop hopen het ware geluk te vinden in status of standing en gedoemd zijn om met die illusie enorm hard ontgoocheld te worden of het misschien al geworden zijn.

Dag Blauwe Maandag

Vandaag is het Blue Monday, de dag waarvan wereldwijd aangenomen wordt dat hij de meest deprimerende dag van het jaar is, maar klopt dit wel?  Mag Blauwe Maandag, in de categorie somberheid, de competitie met alle andere dagen wel doorstaan? Laat er ons niet flauw over doen, het voorbije jaar was opnieuw een ‘boeren-jaar’ gevuld met ‘boeren-dagen’, om nooit of om voor altijd te vergeten. Als ik even stilsta bij de vraag hoe ik mijn Blauwe Maandag persoonlijk waardeer, geef ik hem op schaal van treurnis en neerslachtigheid dan ook maar een ondermaatse vier.

Het jaar werd op gang geblazen met vaccins, optimisme en uitzicht op Roaring Twenties. Daarna werd het met golven van Engelse, Zuid-Afrikaanse, Delta- en Omikron-mutanten, gewelddadige conflicten, overstromingen in Wallonië en andere gevolgen van de klimaatcrisis opnieuw een jaar waarin onze veerkracht helemaal op de proef werd gesteld. En dan zwijg ik nog over het feit dat Sien van Sesamstraat, Dixie Dansercoer, (poolreiziger en avonturier) en Paula Sémer, (tv-coryfee, taboedoorbreker en voorvechter van vrouwenrechten) hun pijp brak. 

Het afgelopen jaar ben ik niet met lopen begonnen, ben ik niet gestopt met roken en is aan wandelen een einde gekomen. Van al mijn vrienden en kennissen was die vriendelijke zwarte man van Post-Nl diegene mijn deur het vaakste plat liep. Om maar te zeggen, Blue Monday heeft geduchte kandidaten voor de polepositie van de meest weemoedige dag van het jaar.

Wat mij betreft mag Blue Monday volgend jaar dan ook gerust zonder concurrentie terug op één. Maar wat doen we dan me de overige 364 dagen? Kleuren we ze in een geel of in een roze kleurtje en is dat dan voldoende om ze niet deprimerend te maken? Is het zo eenvoudig, ik vraag het me zomaar af.

Is geluk dan niet een even raar en glibberig ding als ongelukkig zijn en betekent het niet voor iedereen iets anders?  Sommigen lijken voor geluk aanleg te hebben, anderen wat minder. Maar zelfs al behoor je vandaag tot de laatste groep bestaan er handige manieren om blijer of contenter door het leven te gaan. Het zijn open deuren, het enige wat je daarvoor hoeft te doen is er doorheen te lopen.

Door een beetje milder voor jezelf te zijn, door gezonder te eten, wat meer te bewegen en iets langer te slapen, door een werkleven te leiden waar je je enigszins nuttig voelt en dat je als uitdagend ervaart.  Van iets beter je best te doen met relaties worden de meeste mensen al redelijk gelukkig. Geluk is dus niet vanzelfsprekend en downs horen er onloskomenlijk bij.  Om maar te zeggen, geluk vergt net iets meer moeite dan je alleen maar te beklagen over Blue Monday. Het is maar een dag als een andere.

Vergeet je paraplu niet want morgen wordt het niet alleen een gelukkige dag het wordt ook misschien de winderigste en mogelijk ook de natste dag van het jaar.

De dag die ik het meeste vrees

Ooit komt die dag, omdat het leven ons die nu eenmaal opdringt. Een dag waarop jij jouw route zal kiezen en je eigen weg zult gaan. Ook al ligt hij nog ver voor ons, ik vrees dat ik hem nu al haat, die dag.  Wanneer die ochtend aanbreekt zal het er zeker geen zijn als een andere. Laat hem dan ook maar snel voorbijgaan. Mocht die dag zich proberen verbergen in een stralende zomerzon, zal hij toch een beetje koud aanvoelen. Je moeder zal me diep in de nacht achter zich aan naar huis moeten slepen. Ze zal me moeten ondersteunen. Ons vertrouwde huis zal donker, koud en eenzaam aanvoelen want jij zal er niet zijn.

Op die dag zal je de dingen die in mijn hart gebeuren niet opmerken want jouw ogen zullen de ganse dag stralen van blijdschap en geluk. Van mijn gezicht zal je een glimlach kunnen aflezen maar hij zal jou niet vertrouwd zijn. Ik denk dat je hem nog nooit zal gezien hebben. Hij zal lijken op een bewogen glimlach vol emoties, maar eigenlijk zal ik er gewoon een pijnlijke grimas mee proberen te verbergen.

Jouw hand vertrouwd rustend op mijn arm zal mijn stil verdriet verbergen. Mensen zullen mijn niet-gespeelde trots zien wanneer ik me door jouw vastberaden stappen naar voor laat leiden. Ik zal niet weten wat te denken of wat te zeggen. Met de romantische meditatie van een vredige kerk vol blije mensen als storend gezelschap zal ik mijn dapperste best doen om je af te geven aan de man van jouw keuze. Een man die jou van mijn naam zal beroven, om er je een andere te geven, een die ik nog niet ken.

Op die dag zal jij de leeftijd bereikt hebben dat alle deuren van je hart wagenwijd open zullen staan. Op die dag zal je ontdaan van alle ingebeelde kettingen de leeftijd bereikt hebben dat je in bloei zal staan zoals een roos in de sneeuw.  Vanaf dan zal elke ochtendzon jouw dageraad op een andere manier beschijnen.  Jouw moeder zal het vanaf dan, dag in dag uit, s’ zomers en s’ winters een heel klein beetje koud hebben. Net zoals ik.

Op die dag, die ik dus het meeste vrees, zal hij, die niets afweet van ons en niets gedaan heeft om jou al die jaren te zien groeien en rijpen, ons gemeenschappelijk verleden en ons gezamelijk geluk komen wegkapen, als dief van ons deel van het verleden en als zakkenroller van een belangrijk deel van ons bestaan. Ik kan niet anders dan hem nu al haten, deze naamloze, onbekende, gezichtsloze vreemdeling. En toch, mocht hij erin slagen om je gelukkig te maken zal ik niet langer hatelijke gedachten hebben. Neen, in mijn huis zal hij thuis mogen zijn. In jouw hand zal ik hem dan mijn schuchtere hart presenteren, goed wetende dat je van hem zal houden omdat ik zal weten dat jij dat ook zal doen, op die dag, wanneer hij ooit komt.  

Nieuwjaarsbrief

Omdat elke nieuwjaarsbrief moet geschreven worden, bevind ik me achter mijn computer, of wat had je gedacht. Door een paar keer op backspace te drukken wis ik ‘sfjlmie;kfoe’, letters die ik haastig maar foutief heb ingetikt omdat mijn handen zich bij het typen op de verkeerde rij van het klavier bevonden.  

Door de letterkeuze en de uitlijning te veranderen kan ik deze tekst zonder enige moeite een mooiere bladspiegel geven. Mocht het capslock ongewild vergrendeld zijn, waardoor dit tekstje onbedoeld in hoofdletters zou verschijnen, kan ik met één enkel commando datgene wat ik geschreven heb in kleine letters veranderen, zoals ik het bedoeld heb.

Met een spellingscontrole kan ik snel voor de hand liggende fouten verbeteren. Toegegeven, en tot ergernis van velen, een controle die ik dikwijls uit luiheid niet al te nauwgezet doe. Om maar te zeggen, blind typen is ongevaarlijk, tenzij deze tekst in handen zou vallen van taalpuriteinen. Zij vinden altijd wel een komma of een punt dat moet verplaatst worden, of een zin of een alinea die te lang of te kort is. Ze kunnen me wat.

Soms gebeurt het dat ik in een tekst woorden verplaats, dat ik synoniemen bedenk of dat ik zonder aanwijsbare reden tegenwoordige tijd verander in verleden tijd. Iedereen die ooit meer dan twee woorden na elkaar geschreven heeft, snapt wat ik bedoel. Wanneer je dan de zinnen herleest die net uit je pen gevloeid zijn kan het zijn dat al wat je geschreven hebt veranderd is in een onoplosbaar kruiswoordraadsel.

Op zulke momenten herinner ik me altijd die wonderbaarlijke knop die zich linksboven op de werkbalk van mijn computer bevindt. Door op die magische knop te klikken wordt alles weer normaal, zoals voorheen en precies zoals het was voor ik met mijn blunders begon. In mijn leven heb ik zulk een ongedaan-maak-functie heel dikwijls hard gemist.

“Undo” zou, wat dat betreft, een basiscommando in het leven moeten zijn. Dit jaar hadden we die ongedaan-maak-functie heel hard kunnen gebruiken.  Omdat ’21 zich als start van de ‘roaring twentie’s’ had aangekondigd, leek niets te vermoeden dat het afgelopen jaar evenveel of meer gelijkenissen zou vertonen met het voorgaande waardoor het leven opnieuw even chaotisch werd als dat aan wat eraan voorafging. Opnieuw gebeurde zoveel onbegrijpelijke of onvoorspelbare dingen die opnieuw zo hard tot reusachtige maatschappelijke ergernissen geleid hebben dat een undo-knop wel handig ware geweest. Ik ga de feiten, hoe ook jij ze aanvaardt, niet herhalen want ze komen me de strot uit. Voor sommige mensen heeft ongedaan maken van fouten nu al zijn limieten bereikt. Ze kunnen me wat.

Ik moet nu gaan want uit lompigheid stootte ik net mijn koffie om. Ik probeerde ‘undo’ maar die verwijderde alleen de laatste alinea die ik pas geschreven heb. Helaas, met de ongedaan-maak-knop van het leven kan ik dus ook niet helpen. Hij is namelijk nog niet uitgevonden en de vraag blijft of dat überhaupt ooit zal gebeuren. Zullen we de puinhoop van het leven dan niet gewoon zelf oplossen? Laat ons daar in ’22 mee beginnen. Met een klein beetje meer verdraagzaamheid, liefde en zorg voor elkaar zal het lukken. Denk je niet?

Hoopvolle eindes

Onlangs zei iemand, wiens naam ik maar niet kan onthouden, me dat ik best wat vrolijker zou schrijven. Hij vroeg me vrijpostig of ik datgene wat ik net geschreven had niet beter een hoopvol einde kon geven. Hij vroeg me met licht sarcasme of er dan nooit iets in mijn leven plaatsvindt waar ik een vrolijk verhaaltje over kan schrijven.

Ik wist niet goed wat ik daarvan moest vinden, ik heb namelijk al lang geleden het besluit genomen om dat niet meer te doen. Verhalen schrijven met hoopvolle eindes. Mijn vader kon dat vroeger met meer bravoure zeggen. Met vuur in zijn stem klonk het dan, ‘Optimisten, manneke, dat zijn dat soort mensen die het slechte nieuws nog niet gehoord hebben.’

Toen ik met hem, in een ver verleden tussen pot en pint, over ernstige zaken aan de praat was geraakt en ik hem abrupt mijn gebroken hart toonde, vertelde ik hem dat ik het me niet kon voorstellen of dat ooit wel goed zou komen, met dat gebroken hart.  Ik herinner me nog dat hij antwoordde, ‘Maar zoon, dat komt echt allemaal wel goed, met tijd en boterhammekes, dat doet het altijd en als het niet goed komt dan gaat het wel over.’  Of ik me met die in honing gedrenkte woorden dan getroost gevoeld heb, of ik dan iedereen in mijn omgeving deelgenoot gemaakt heb van mijn principiële, alles opslokkende ontroostbaarheid, dat weet ik niet meer. Mij kennende, vermoed ik dat laatste, al heb ik dat gebroken hart dat in gruizelementen uit elkaar lag wel zelf moeten lijmen.

Toen ik hem op een onbewaakt moment, aan het einde van zijn leven en wanneer hij niet in zijn hersenmist verdwaald was, vroeg wanneer iets goed komt en wanneer niet, antwoordde hij me verrassend, ‘Bijna nooit jongske. Dat doet het bijna nooit.  Als ge jong zijt, dan hoopt ge dat ge het ooit zult weten als ge wat ouder zijt, maar als ge oud zijt, hoopt ge dat ge terug jong kunt zijn zodat ge het nooit geweten zou hebben.’ ‘Het komt alleen goed als ge niet te veel zoekt naar ’t geen dat niet kan gevonden worden en als ge ’t leven met een dagske-sevvens neemt. Dan komt het goed, als ge den tijd zijn werk laat doen.’

Als er een persoonlijke ramp plaatsvindt en de hemel op je hoofd is neergekomen, valt het voor dat het niet meer goed komt of toch niet meer zo goed dan het ooit geweest is.  Dan is principiële, alles opslokkende ontroostbaarheid het enige wat overblijft.  En daar heeft niemand zaken mee, daar moeten mensen met hun bemoeizieke of met hun goedbedoelde troostende fikken van afblijven. Dan moet de tijd zijn werk doen. Op die momenten kan, van te veel goede raad een blaasontsteking oplopen, echt de allerlaatste druppel zijn om een koord rond je nek te draaien en alle moed op te geven.

Maar de moed opgeven. Een mens houdt dat niet vol.