Met Jan en alleman

Vandaag mag het met Jan en alleman. Het is namelijk internationale knuffeldag. Niets moet natuurlijk, want moeten… doen we dat niet al genoeg?  Maar toch, als ik mensen mag geloven die er meer van weten is het enige wat je vandaag het beste kan doen om je zweverige en gelukzalig te voelen … knuffelen en troetelen.

Dus, grabbel vandaag zo veel mogelijk mensen vast. Het maakt niet uit wie. Bekend of onbekend. Knijp ze fijn en stop er vooral niet mee. Doe het minstens eenentwintig dagen lang, gedurende tien minuten, liefst langer. Naar het schijnt word je dan pas oeverloos gelukkig. Dat wordt een uitdaging, zeker voor mezelf want ik word al ongemakkelijk wanneer vreemd volk mijn persoonlijk territorium betreedt. Maar alles voor de wetenschap. Knuffelen dus… met Jan en alleman. Dat wordt nog wat.

Knuffelen schijnt immers onmiskenbare voordelen te hebben.  Het lichaam zou in overvloed oxytocine aanmaken. In de volksmond beter gekend als het knuffelhormoon. Hoewel ik hormonen door de band genomen voor geen meter vertrouw, zou deze stof in tegenstelling tot hormonen die ik ken en die maandelijks onheil bij de vrouw veroorzaken, gevoelens van onzekerheid en angst verzachten. Het zou ook de cortisolspiegel in het bloed verlagen zodat stress en onrust verdwijnen als sneeuw voor de zon. Bovendien zou mijn bloeddruk na een paar dagen vel tegen vel gelegen te hebben al verlagen met een paar punten. Als ik de wetenschap mag geloven zal ik me ook minder eenzaam en gespannen voelen en word ik zelfs sociaal en zelfzeker.

Dus verschiet niet als ik je een van de komende dagen tegen mijn gilet trek en je in mijn persoonlijk grondgebied sleur. Het is voor de wetenschap en mijn gelukzaligheid. De toeken op mijn bakkes, de koorts- en keelpijn en de smaak- en geurverlies neem ik er graag bij …

Troostende Sushi

Haar mobiel piept twee keer. Om helemaal zeker te zijn gluurt ze snel nog even op het schermpje van haar gsm ook al weet ze met zekerheid dat het precies 19:00 uur is. In gure winterdagen als deze, is het buiten al stikdonker. Een vrouw in dure deux-piece, verlaat alleen en zonder haast haar kantoor. Ze zet als bescherming tegen de gure noordenwind de kraag van haar overjas recht en slentert naar haar BMW X5 die wat verder geparkeerd staat. Hij is de op twee na laatste auto die zich op dit uur nog op de parking bevindt. Onder haar linkerarm knelt ze drie kaften strak tegen haar middel. In haar rechterhand draagt ze een uitpuilende laptopzak.

Even later rijdt ze door de stad en zoekt zich in het niet meer zo drukke verkeer een weg naar huis. De stad, laten we die bijvoorbeeld Mechelen of Gent noemen, in elk geval, dat soort stad waarin donkere huizen in lintbebouwing naast elkaar staan en waar achter gevels met grote ramen, gezellig uitnodigend licht naar buiten schijnt. Als een voyeur gluurt ze binnen en ziet flarden van de privé van voor haar onbekende mensen. Ze is getuige van gezinnen met kinderen en van kinderloze koppels die aan tafel zitten of van mensen die nog in de keuken de laatste hand leggen aan het avondeten. De eenzaamheid voelt aan als knagende honger terwijl iedereen zich voorbereid of bezig is met eten en gezelligheid.

Net voor ze de oprijlaan van haar veel te grote villa oprijdt, appt ze met een enkel commando het licht aan dat haar huis onmiddellijk een bedrieglijke gezelligheid geeft. Achter de voordeur ontdekt ze exact dezelfde stilte die ze er vanochtend heeft achtergelaten. Zoals elke andere avond zit niemand haar op te wachten. Op de keukentafel vindt ze naast een halfvolle tas ijskoude koffie, een opengeslagen magazine dat ze vanochtend ongeïnteresseerd doorbladerd had. Haar man is er eerder dit jaar vandoor gegaan, waarschijnlijk omdat ze meer of te veel met haar werk getrouwd was dan met hem.

Buiten een paar dure flessen witte wijn is de koelkast zo goed als leeg. De tv staat aan en toont beelden die ze niet wil zien.  Het is kwart over acht.  Ze schenkt zichzelf een veel te groot glas witte wijn uit en knoopt het bovenste knoopje van haar blouse los. Ze schudt de haren los, tuit haar pas gestifte lippen en neemt een selfie die ze onmiddellijk op Instagram post en onderschrijft met de quote die alles bevat waar ze op dat moment van huivert. Yolo, eindelijk rust!

Haar keuken is gezellig verlicht met gedempt gelig letlicht. Hoewel het nog maar 17 januari is, besteld ze voor de vijfde keer deze maand troostende sushi bij haar favoriete afhaalboer. De Wasabi proeft te scherp. Ze post drie foto’s van haar copieus sushibootje op Instagram, haar enige gezel. #SushiZalig!  Buiten wordt het donkerder. Ze vraagt zich af of ze op dezelfde manier gezien wordt zoals zij een uur geleden vanuit haar auto al die mensen opmerkte. Ze twijfelt. Er bengelt een traan op haar kin die een tel later uiteenspat op het magazine dat nog even onaangeroerd op de keukentafel ligt als vanmorgen.

~~

Het is net zeven uur geweest want haar mobiel heeft twee keer gepiept. De vrouw in dure deux-piece verlaat haastig haar kantoor.  Nadat ze achter het stuur van haar splinternieuwe BMW X5 plaats genomen heeft, gooit ze de haren los, stift ze haar lippen uitdagend rood, knoopt ze, altijd voorbereid op het onverwachte, het bovenste knoopje van haar blouse los.  Even later gluurt ze langs de ring achteloos in de felverlichte huizen binnen en beschimpt ze de taferelen die op haar netvlies branden, en denkt minachtend… niet met mij, klootjesvolk.

Als ze de oprijlaan van haar villa oprijdt, appt ze met een enkel commando het licht aan dat haar huis een luxueuze uitstraling geeft. Ze glimlacht voldaan. Eens ze de voordeur achter zich dicht getrokken heeft zwiert ze de Louboutins achteloos in het schoenrek van de vestiaire waar nog minstens vijf paar van hetzelfde merk uitgestald staan. De Escada overjas hangt ze zorgvuldig op een kleerhanger die in haar dressingkast vergezeld wordt met Dolce and Gabbana en Gucci jassen. Haar huisje-tuintje-boompje-man heeft ze eerder dit jaar aan de deur gezet omdat hij te veel aandacht opeiste, althans meer aandacht dan zij hem wou geven. Sedertdien is ze vogelvrij, en dat mag gerust letterlijk genomen worden.  Buiten haar werk heeft ze geen verplichtingen meer. Ze hoeft niet langer te gruwelen van toekomstige kinderen die haar afgetrainde lijf zullen doen uitdeinen. Voor haar geen perma-vent of sleur-seks meer op momenten dat zij het niet wil. Al een tijdje beschikt ze over een personal trainer die haar een happy-end masseert, maar alleen wanneer zij dat wil. Op andere momenten is er nog altijd thee, yoga en een inspirerende podcast over vrijgevochten vrouwen die er heel hard naar uitkijken om te leven zonder compromis.

De keuken is gezellig verlicht met gedempt gelig letlicht. Ze bestelt sushi voor twee bij haar favoriete afhaalboer. Buiten wordt het donkerder. Ze staat voor het raam en vraagt zich af of ze op dezelfde manier gezien wordt zoals zij een uur geleden vanuit haar auto al die mensen opmerkte. Even twijfelt ze met iets dat naar zelfbeklag neigt maar duwt dat nare gevoel onmiddellijk weg. Na een snelle douche, duikt ze in een pikant Marie-Claire lingeriesetje dat niets aan de verbeelding overlaat en belt haar personal trainer.  Ze ademt diep de spannende avond in terwijl ze haar oppervlakkigheid wegspoelt met een veel te groot glas Chablis.

Misschien is deze vrouw een gerespecteerde manager van een vooraanstaand Telecombedrijf, misschien is ze een beloftevolle politica maar dat hoeft niet zo te zijn.  Maak er, gerust een ogenschijnlijk zichzelf respecterende man van, die iedereen succesvol acht, als je dat wil, want ik heb helemaal niet de intentie om met dit tekstje vrouwonvriendelijk te zijn. Wellicht zijn de verzonnen personages gewoon vereenzaamde alleenstaanden waar Vlaanderen er duizenden van kent. Eenzame zielen die erop hopen het ware geluk te vinden in status of standing en gedoemd zijn om met die illusie enorm hard ontgoocheld te worden of het misschien al geworden zijn.

Dag Blauwe Maandag

Vandaag is het Blue Monday, de dag waarvan wereldwijd aangenomen wordt dat hij de meest deprimerende dag van het jaar is, maar klopt dit wel?  Mag Blauwe Maandag, in de categorie somberheid, de competitie met alle andere dagen wel doorstaan? Laat er ons niet flauw over doen, het voorbije jaar was opnieuw een ‘boeren-jaar’ gevuld met ‘boeren-dagen’, om nooit of om voor altijd te vergeten. Als ik even stilsta bij de vraag hoe ik mijn Blauwe Maandag persoonlijk waardeer, geef ik hem op schaal van treurnis en neerslachtigheid dan ook maar een ondermaatse vier.

Het jaar werd op gang geblazen met vaccins, optimisme en uitzicht op Roaring Twenties. Daarna werd het met golven van Engelse, Zuid-Afrikaanse, Delta- en Omikron-mutanten, gewelddadige conflicten, overstromingen in Wallonië en andere gevolgen van de klimaatcrisis opnieuw een jaar waarin onze veerkracht helemaal op de proef werd gesteld. En dan zwijg ik nog over het feit dat Sien van Sesamstraat, Dixie Dansercoer, (poolreiziger en avonturier) en Paula Sémer, (tv-coryfee, taboedoorbreker en voorvechter van vrouwenrechten) hun pijp brak. 

Het afgelopen jaar ben ik niet met lopen begonnen, ben ik niet gestopt met roken en is aan wandelen een einde gekomen. Van al mijn vrienden en kennissen was die vriendelijke zwarte man van Post-Nl diegene mijn deur het vaakste plat liep. Om maar te zeggen, Blue Monday heeft geduchte kandidaten voor de polepositie van de meest weemoedige dag van het jaar.

Wat mij betreft mag Blue Monday volgend jaar dan ook gerust zonder concurrentie terug op één. Maar wat doen we dan me de overige 364 dagen? Kleuren we ze in een geel of in een roze kleurtje en is dat dan voldoende om ze niet deprimerend te maken? Is het zo eenvoudig, ik vraag het me zomaar af.

Is geluk dan niet een even raar en glibberig ding als ongelukkig zijn en betekent het niet voor iedereen iets anders?  Sommigen lijken voor geluk aanleg te hebben, anderen wat minder. Maar zelfs al behoor je vandaag tot de laatste groep bestaan er handige manieren om blijer of contenter door het leven te gaan. Het zijn open deuren, het enige wat je daarvoor hoeft te doen is er doorheen te lopen.

Door een beetje milder voor jezelf te zijn, door gezonder te eten, wat meer te bewegen en iets langer te slapen, door een werkleven te leiden waar je je enigszins nuttig voelt en dat je als uitdagend ervaart.  Van iets beter je best te doen met relaties worden de meeste mensen al redelijk gelukkig. Geluk is dus niet vanzelfsprekend en downs horen er onloskomenlijk bij.  Om maar te zeggen, geluk vergt net iets meer moeite dan je alleen maar te beklagen over Blue Monday. Het is maar een dag als een andere.

Vergeet je paraplu niet want morgen wordt het niet alleen een gelukkige dag het wordt ook misschien de winderigste en mogelijk ook de natste dag van het jaar.

De dag die ik het meeste vrees

Ooit komt die dag, omdat het leven ons die nu eenmaal opdringt. Een dag waarop jij jouw route zal kiezen en je eigen weg zult gaan. Ook al ligt hij nog ver voor ons, ik vrees dat ik hem nu al haat, die dag.  Wanneer die ochtend aanbreekt zal het er zeker geen zijn als een andere. Laat hem dan ook maar snel voorbijgaan. Mocht die dag zich proberen verbergen in een stralende zomerzon, zal hij toch een beetje koud aanvoelen. Je moeder zal me diep in de nacht achter zich aan naar huis moeten slepen. Ze zal me moeten ondersteunen. Ons vertrouwde huis zal donker, koud en eenzaam aanvoelen want jij zal er niet zijn.

Op die dag zal je de dingen die in mijn hart gebeuren niet opmerken want jouw ogen zullen de ganse dag stralen van blijdschap en geluk. Van mijn gezicht zal je een glimlach kunnen aflezen maar hij zal jou niet vertrouwd zijn. Ik denk dat je hem nog nooit zal gezien hebben. Hij zal lijken op een bewogen glimlach vol emoties, maar eigenlijk zal ik er gewoon een pijnlijke grimas mee proberen te verbergen.

Jouw hand vertrouwd rustend op mijn arm zal mijn stil verdriet verbergen. Mensen zullen mijn niet-gespeelde trots zien wanneer ik me door jouw vastberaden stappen naar voor laat leiden. Ik zal niet weten wat te denken of wat te zeggen. Met de romantische meditatie van een vredige kerk vol blije mensen als storend gezelschap zal ik mijn dapperste best doen om je af te geven aan de man van jouw keuze. Een man die jou van mijn naam zal beroven, om er je een andere te geven, een die ik nog niet ken.

Op die dag zal jij de leeftijd bereikt hebben dat alle deuren van je hart wagenwijd open zullen staan. Op die dag zal je ontdaan van alle ingebeelde kettingen de leeftijd bereikt hebben dat je in bloei zal staan zoals een roos in de sneeuw.  Vanaf dan zal elke ochtendzon jouw dageraad op een andere manier beschijnen.  Jouw moeder zal het vanaf dan, dag in dag uit, s’ zomers en s’ winters een heel klein beetje koud hebben. Net zoals ik.

Op die dag, die ik dus het meeste vrees, zal hij, die niets afweet van ons en niets gedaan heeft om jou al die jaren te zien groeien en rijpen, ons gemeenschappelijk verleden en ons gezamelijk geluk komen wegkapen, als dief van ons deel van het verleden en als zakkenroller van een belangrijk deel van ons bestaan. Ik kan niet anders dan hem nu al haten, deze naamloze, onbekende, gezichtsloze vreemdeling. En toch, mocht hij erin slagen om je gelukkig te maken zal ik niet langer hatelijke gedachten hebben. Neen, in mijn huis zal hij thuis mogen zijn. In jouw hand zal ik hem dan mijn schuchtere hart presenteren, goed wetende dat je van hem zal houden omdat ik zal weten dat jij dat ook zal doen, op die dag, wanneer hij ooit komt.  

Nieuwjaarsbrief

Omdat elke nieuwjaarsbrief moet geschreven worden, bevind ik me achter mijn computer, of wat had je gedacht. Door een paar keer op backspace te drukken wis ik ‘sfjlmie;kfoe’, letters die ik haastig maar foutief heb ingetikt omdat mijn handen zich bij het typen op de verkeerde rij van het klavier bevonden.  

Door de letterkeuze en de uitlijning te veranderen kan ik deze tekst zonder enige moeite een mooiere bladspiegel geven. Mocht het capslock ongewild vergrendeld zijn, waardoor dit tekstje onbedoeld in hoofdletters zou verschijnen, kan ik met één enkel commando datgene wat ik geschreven heb in kleine letters veranderen, zoals ik het bedoeld heb.

Met een spellingscontrole kan ik snel voor de hand liggende fouten verbeteren. Toegegeven, en tot ergernis van velen, een controle die ik dikwijls uit luiheid niet al te nauwgezet doe. Om maar te zeggen, blind typen is ongevaarlijk, tenzij deze tekst in handen zou vallen van taalpuriteinen. Zij vinden altijd wel een komma of een punt dat moet verplaatst worden, of een zin of een alinea die te lang of te kort is. Ze kunnen me wat.

Soms gebeurt het dat ik in een tekst woorden verplaats, dat ik synoniemen bedenk of dat ik zonder aanwijsbare reden tegenwoordige tijd verander in verleden tijd. Iedereen die ooit meer dan twee woorden na elkaar geschreven heeft, snapt wat ik bedoel. Wanneer je dan de zinnen herleest die net uit je pen gevloeid zijn kan het zijn dat al wat je geschreven hebt veranderd is in een onoplosbaar kruiswoordraadsel.

Op zulke momenten herinner ik me altijd die wonderbaarlijke knop die zich linksboven op de werkbalk van mijn computer bevindt. Door op die magische knop te klikken wordt alles weer normaal, zoals voorheen en precies zoals het was voor ik met mijn blunders begon. In mijn leven heb ik zulk een ongedaan-maak-functie heel dikwijls hard gemist.

“Undo” zou, wat dat betreft, een basiscommando in het leven moeten zijn. Dit jaar hadden we die ongedaan-maak-functie heel hard kunnen gebruiken.  Omdat ’21 zich als start van de ‘roaring twentie’s’ had aangekondigd, leek niets te vermoeden dat het afgelopen jaar evenveel of meer gelijkenissen zou vertonen met het voorgaande waardoor het leven opnieuw even chaotisch werd als dat aan wat eraan voorafging. Opnieuw gebeurde zoveel onbegrijpelijke of onvoorspelbare dingen die opnieuw zo hard tot reusachtige maatschappelijke ergernissen geleid hebben dat een undo-knop wel handig ware geweest. Ik ga de feiten, hoe ook jij ze aanvaardt, niet herhalen want ze komen me de strot uit. Voor sommige mensen heeft ongedaan maken van fouten nu al zijn limieten bereikt. Ze kunnen me wat.

Ik moet nu gaan want uit lompigheid stootte ik net mijn koffie om. Ik probeerde ‘undo’ maar die verwijderde alleen de laatste alinea die ik pas geschreven heb. Helaas, met de ongedaan-maak-knop van het leven kan ik dus ook niet helpen. Hij is namelijk nog niet uitgevonden en de vraag blijft of dat überhaupt ooit zal gebeuren. Zullen we de puinhoop van het leven dan niet gewoon zelf oplossen? Laat ons daar in ’22 mee beginnen. Met een klein beetje meer verdraagzaamheid, liefde en zorg voor elkaar zal het lukken. Denk je niet?

Hoopvolle eindes

Onlangs zei iemand, wiens naam ik maar niet kan onthouden, me dat ik best wat vrolijker zou schrijven. Hij vroeg me vrijpostig of ik datgene wat ik net geschreven had niet beter een hoopvol einde kon geven. Hij vroeg me met licht sarcasme of er dan nooit iets in mijn leven plaatsvindt waar ik een vrolijk verhaaltje over kan schrijven.

Ik wist niet goed wat ik daarvan moest vinden, ik heb namelijk al lang geleden het besluit genomen om dat niet meer te doen. Verhalen schrijven met hoopvolle eindes. Mijn vader kon dat vroeger met meer bravoure zeggen. Met vuur in zijn stem klonk het dan, ‘Optimisten, manneke, dat zijn dat soort mensen die het slechte nieuws nog niet gehoord hebben.’

Toen ik met hem, in een ver verleden tussen pot en pint, over ernstige zaken aan de praat was geraakt en ik hem abrupt mijn gebroken hart toonde, vertelde ik hem dat ik het me niet kon voorstellen of dat ooit wel goed zou komen, met dat gebroken hart.  Ik herinner me nog dat hij antwoordde, ‘Maar zoon, dat komt echt allemaal wel goed, met tijd en boterhammekes, dat doet het altijd en als het niet goed komt dan gaat het wel over.’  Of ik me met die in honing gedrenkte woorden dan getroost gevoeld heb, of ik dan iedereen in mijn omgeving deelgenoot gemaakt heb van mijn principiële, alles opslokkende ontroostbaarheid, dat weet ik niet meer. Mij kennende, vermoed ik dat laatste, al heb ik dat gebroken hart dat in gruizelementen uit elkaar lag wel zelf moeten lijmen.

Toen ik hem op een onbewaakt moment, aan het einde van zijn leven en wanneer hij niet in zijn hersenmist verdwaald was, vroeg wanneer iets goed komt en wanneer niet, antwoordde hij me verrassend, ‘Bijna nooit jongske. Dat doet het bijna nooit.  Als ge jong zijt, dan hoopt ge dat ge het ooit zult weten als ge wat ouder zijt, maar als ge oud zijt, hoopt ge dat ge terug jong kunt zijn zodat ge het nooit geweten zou hebben.’ ‘Het komt alleen goed als ge niet te veel zoekt naar ’t geen dat niet kan gevonden worden en als ge ’t leven met een dagske-sevvens neemt. Dan komt het goed, als ge den tijd zijn werk laat doen.’

Als er een persoonlijke ramp plaatsvindt en de hemel op je hoofd is neergekomen, valt het voor dat het niet meer goed komt of toch niet meer zo goed dan het ooit geweest is.  Dan is principiële, alles opslokkende ontroostbaarheid het enige wat overblijft.  En daar heeft niemand zaken mee, daar moeten mensen met hun bemoeizieke of met hun goedbedoelde troostende fikken van afblijven. Dan moet de tijd zijn werk doen. Op die momenten kan, van te veel goede raad een blaasontsteking oplopen, echt de allerlaatste druppel zijn om een koord rond je nek te draaien en alle moed op te geven.

Maar de moed opgeven. Een mens houdt dat niet vol.

Relatieonhandig

Waarom?  Om mezelf aan de waggel te houden? Om datgene te vergeten wat al zo ver achter me ligt maar waarvoor ik nog steeds schaamte voel?  Doe ik het om mezelf een ogenschijnlijk geldig excuus te geven zodat ik datgene wat nog komen zal en waarvoor ik bang ben handig kan uitstellen?  Wordt schrijven dan een schijterige poging om het leven dat lastig is te begrijpen of is schrijven net een streven om het helemaal te negeren, dat leven?

Uit het boek dat ik momenteel aan het schrijven ben, zitten negendertigduizendtweeënveertig woorden me niet voldaan aan te staren.  Hoewel ik al zeventienduizend zevenhonderdenvijf woorden schrapte, is wat ik lees niet naar mijn zin. Sommige zinnen roepen misnoegd, ‘kan je ons niet een beetje korter en concreter maken’. Andere vragen me teleurgesteld, ‘kan het alstublieft met een beetje meer detail, verdienen wij jouw veel te zuinige aandacht dan niet?’ Als ik ze allen, nogmaals en minstens voor de dertigste keer herlezen heb, vraag ik me af waarom ik me met dit werk, dat voor mezelf toch nooit een genoegzaam resultaat zal hebben, blijf teisteren.

In de taal die ik schrijf zoek ik, al te vaak zonder deugddoend resultaat naar woorden en zinnen die iets teweegbrengen. Ik hanteer dan het spel van herhaling, alliteratie, tegenstelling en woordklank in korte fijne zinnetjes en wissel ze af met uitgesponnen romantisch of scherpzinnig bedoelde abstracties. Soms lukt het me om in een handvol woorden iets te maken dat van alles kan doen voelen, maar al te vaak schrijf ik zonder tot ook maar één zinnenprikkelend beeld te komen waardoor jij als lezer iets zou moeten voelen. Zo gun ik me de illusie dat ik mezelf eventjes interessanter mag wanen dan ik eigenlijk maar ben.

Dat schrijven en schrappen, dat herformuleren, dat onophoudelijk herbeginnen is op de keper beschouwd dan ook niets meer of niets minder dan een schuchtere poging om me met mezelf te verzoenen. Misschien werd schrijven voor mij persoonlijk dan ook gewoon maar een onbereikbaar streven naar het vergeten van kemels en naar het leren samen te leven met mezelf.

Wat onduidelijk blijft, is of me dat ooit zal lukken. Want eerlijkheid gebied me toe te geven dat ik mezelf met die verwachting toch maar steeds opnieuw blijf teleurstellen. Met jouw goedvinden blijf ik dan gewoon nog maar eventjes voortschrijven.  En mag ik daar dan alstublieft net zolang mee blijven doorgaan, tot ik mezelf als betrouwbare partner in de relatie met mezelf mag beschouwen.

Is het inzicht dat deze zaterdagnacht me geboden heeft niet de sleutel tot het uitbouwen van elke stabiele relatie ook diegene die ik met mezelf aanga? Het hoeft niet perfect te zijn. Ik hoef niet perfect te zijn en ik geloof echt dat dit zo is, want mensen die kort bij me staan en het kunnen weten zeggen me dat bijvoorbeeld onhandigheid het hoofdkenmerk is van de meeste relaties die ik aanga, al gebruiken ze daar meestal meer tot de verbeeldingsprekende terminologie voor. Niet dat ik dat niet weet, relatieonhandigheid beheers ik namelijk als de beste, in alle aspecten, al drieënvijftig jaar lang, Misschien moet ik daar ook maar eens een boekje over schrijven.

Een niet al te grote schuimkraag

MECHELEN, woensdag 26 november 1941. Mejuffer Carola Van Assche, 44cm 3,45kg zag het levenslicht omstreeks 11:41 uur.

Deze woorden werden op de achtenveertigste woensdag van dat jaar, in sierlijke letters, in vulpen geschreven op de tweede regel van de laatste bladzijde van het trouwboekje van Alfons Van Assche en Florentine Piscaer.

De ietwat gelige vlekken, op de voorlaatste bladzijde van datzelfde boekje, die er door de tijd zijn gaan uitzien als een soort watermerk, doen vermoeden dat er mogelijks menige fles gekraakt werd. Al kan het evengoed zijn dat ze veroorzaakt werden door Alfons zelf in café de Xavrianen, door een nieuw vat bier voor deze heuglijke gebeurtenis te steken. 

Tachtig zou je vandaag worden ware het niet dat die vreselijke ziekte je vroegtijdig geveld heeft.

Op een dag als deze zou je zeker een, twee of meer uit een vers vat gestoken Stella’s gedronken hebben. De schuimkraag niet al te groot want aan grote schuimkragen had je een bloedhekel.

Als we nadien in een niet al te chique restaurant aan tafel zouden gaan, zou je het hoofdgerecht onaangeroerd laten, met als excuus dat je vlees niet goed kan bijten of dat de frieten te hard gebakken zijn en je verhemelte zullen kwetsen.  Wanneer echter, even later het dessert geserveerd wordt, kan je er geld op inzetten, dat je het taartje van ons vader zal afluizen, met als excuus dat dessertjes slecht zijn voor de cholesterol.

Rond de klok van achten zul je zeker met verheven stem zeggen, “kom Jef we geun nar hous.” Die woorden zul je dan zeker vier keer herhalen, met als excuus dat er minstens nog precies zoveel Stella’s, met een niet al te grote schuimkraag moeten gedronken worden.

Maar je bent er niet meer. Dertien jaar geleden ging je definitief “nar hous”, maar dat neemt niet weg dat ik vandaag aan je denk. Met veel weemoed maar met een even grote glimlacht blik ik terug, aan jouw verheven stem, aan de onaangeroerde hoofdschotel en aan Stella’s met een niet al te grote schuimkraag.

Mocht je vandaag daar boven een hemelse Stella bestellen, hoop ik oprecht, speciaal voor diegene die jou bedient, maar voor de algehele hemelrust in het bijzonder, het er een is met een niet al te grote schuimkraag.

Gelukkige verjaardag moeder.

Joekel

Een ochtend van dertien in een dozijn was het.  Ik had me voorgenomen om, purend uit mijn persoonlijke mentale prullenmand een erotisch verhaal te verzinnen, ware het niet dat ik snotverkouden ben, keelpijn heb en mijn hoofd op oorlog staat. Normaal ben ik inventief en hartstochtelijk genoeg om elke zeven seconde erotisch te denken en te schrijven maar nu kwam ik op de een of andere manier niet verder dan deze ijskoude zinnen.

… Met de sluier van de nacht spreekt een halfnaakt lijf een taal die hij niet begrijpt. Een woordeloze nachtelijke dialoog toont de schaduwzijde van twijfelende lichaamstaal dat een onheilspellend gerucht verspreidt dat hij niet gelooft. Gisteren nog was hij jong en hitsig maar sedert vannacht zijn de muren van het leven even glad geworden als het lijf dat op veilige afstand verstijfd naast hem ligt. Telkens wanneer hij er zich aan probeerde vast te klampen vond hij geen grip en gleed hij door in de diepte van kilte en onbegrip. Alsof hij aan de liefde zelf lijkt te sterven. “De wereld mag me vervloeken”, roept hij uit. Ik zondigde tegen lichaam en verstand maar vergeef me voor de zonden tegen mijn hart, want die heb ik nooit begaan…”

Verder dan dit gebrabbel kwam ik niet. De erotiek in dit verhaal, dat er trouwens nooit een geworden is, vertoont veel gelijkenis met de tas thee die ik mezelf zopas heb gezet. Want laat het er ons aub over eens zijn dat, naast water, thee de meest eentonige drank ter wereld is. Thee is, maar dat wisten jullie zelf al, drank die in hoofdzaak gedronken wordt door wandelaars, veganisten en libidoarme vrouwen wiens erotische fantasie er alleen nog uit bestaat om een zakje te laten trekken en zo vruchteloos te wachten tot er iets heets ontstaat. Ik hoef niet te zeggen dat ik er nauwelijks van gedronken heb.

Dat dit erotisch verhaal geen geil of romantisch vervolg krijgt, wijt ik in hoofdzaak aan thee en bijgevolg aan vrouwen die theedrinken maar ook aan de overvloed van snot en vocht dat zich langs alle openingen van mijn hoofd een weg naar buiten zoekt. Nu ik de rafels herlees van wat ik geschreven heb raak ik compleet verlamd door de overtuiging dat ik helemaal overbodig en irrelevant aan het worden ben, dat de wereld zoals ik hem graag heb precies niet meer bestaat. Dat alles uit elkaar lijkt te vallen in chaos en rommelige rotzooi.

Met een opener zoals deze zal ik als erotisch verhalenverteller geen punten scoren om niet te zeggen geen enkel, toch is het precies hoe ik me soms voel wanneer ik weer eens urenlang heb liggen zwoegen en volkomen betekenisloos heb zitten graven in de kantlijn van een wereld die in een ijzingwekkend tempo aan mij voorbijraast en waar ik precies niet meer in thuishoor.

Heb ik nu echt niets beter te doen dan me hier literair te masturberen en uren op taal te knabbelen tot er iets ontstaat dat half leesbaar is? Natuurlijk is dat zo. Natuurlijk is er heel veel te doen, alleen ik doe niets, noppes. Ik blijk naast laf, oninteressant, afwachtend, wraakzuchtig, (ziek maar dit terzijde) ook nog lui. En dan denk ik Pultau, loser, zou je jezelf net als deze tekst niet beter deleten?

Misschien ben ikzelf wel het grootste probleem van mezelf. Denkende dat ik een verschil kan maken terwijl dit klad in feite niets meer is dan ijdelheid die de kop opsteekt erop hopend dat mijn woorden gelezen worden terwijl de wereld daarbuiten helemaal niet wakker ligt van mijn gekakel. Terwijl ik deze laatste zin schrijf slaat de schrik me om het hart.  Je raadt het nooit maar geloof me op mijn woord dat, terwijl ik staar naar de bobbel in mijn broek er zich op dit eigenste moment, in mijn hoofd een joekel van een erotisch verhaal afspeelt.

SOS-CIS

Deze dag kondigde zich aan als een doordeweekse dag van dertien in een dozijn. Op doordeweekse dagen van dertien in een dozijn gebeuren doorgaans alleen maar doordeweekse dingen. Maar zo niet vandaag want na het verstrijken van deze doodgewone dag, was ik opgelucht om vast te stellen dat mijn seksuele identiteit nog altijd overeenstemt met het geslacht waarmee ik geboren ben. So what, zou u kunnen denken en gelijk heeft u want net zoals op andere doordeweekse dagen ben ik niet geneigd om aan deze vaststelling veel aandacht te besteden. Mijn ochtenderectie waarmee zo goed als elke doordeweekse dag begint, eist met dit dagelijks doordeweeks feit(je) namelijk al genoeg waardeloze aandacht op. Tot het mannelijk geslacht behoren is een toevallig levenslot waarmee ik geen heldendaad heb verricht of waaraan ik lauweren heb verdiend, toch beschouw ik het als vanzelfsprekend om er een voorbeeldige relatie mee te onderhouden. Ik ben het mijn knallende ochtenderectie verschuldigd, denk ik.  Mij verzetten tegen het geslacht dat me door de natuur werd toebedeeld en waarin mijn culturele genderidentiteit gebald zit, zou even onnozel zijn als ermee te stoefen. Natuurlijk heb ik dat andere mannen ooit wel zien doen, in kleedkamers van sporthallen, in dure boekjes of in internetfilmpjes waarin ze met hun gigantisch dooraderde piemel nog dommer werden voorgesteld dan ze in werkelijkheid al zijn. Draai het of keer het, een lul blijft per slot van rekening toch gewoon maar een lul. Wie ooit in gezelschap van een horde mannen een publieke doucheruimte deelde, weet waarover ik het heb, maar ik wijk af. Vrouwen die het tegenovergestelde zouden willen beweren, gelieve u even afzijdig te houden, want vooralsnog vervloek ik het geslacht waarin/waarmee ik geboren ben ook niet.  Ik ben er content mee want er zit geen spanning op de seksuele identiteit waarmee moeder natuur me op deze aardkluit heeft gegooid. Tot voor kort leek mij dit de normaalste zaak van de wereld. Sterker nog mocht mijn vader zaliger destijds zijn seksuele genderidentiteit en de knaldrang die daarmee gepaard ging, ontkend hebben was van deze tekst nooit sprake geweest.  Mijn vader was geen tafelspringer maar zou het absoluut niet kunnen appreciëren om met zijn mannelijke gewoonheid als trendsetter of als CIS-man avant la lettre bestempeld te worden. Hij vond van zichzelf dat hij maar een gewone, normale man was. Mogelijks stuit de term ‘gewone of normale man’ in deze context tegen een getransplanteerde borst van een X-gen-man die zichzelf niet als CIS-man beschouwt of van een man die voorkeur heeft aan de piemel van een andere man, dat kan, maar weet dat ik met dit tekstje geenszins die intentie heb. Gewoon is normaal maar niet gewoon is daarom nog niet abnormaal. Dat wil ik wel even beklemtonen. Er schuilt geen verborgen ‘masculinist’ in mij die zich geroepen voelt om een lans te breken voor de seksuele genderidentiteit waarmee een overgroot gedeelte van de mannen zich verwant voelt.   Deze tekst is niets meer en niets minder dan een pleitdooi voor de ‘gewone’ man. De man die vloekt en tiert en op zijn vingers fluit omdat hij naïef hoopt dat zijn fluitje als prelude kan dienen van een mogelijks paringsritueel. Dit is een verdedigingsrede voor de natuurlijke onhandigheid van de man die eens in gezelschap van soortgenoten een haan wordt omdat hij zijn schoonste veren wil tonen maar er niet voor achteruit deinst om een hanengevecht te starten. Dit is ook een pleitrede voor mannen die hun geaardheid niet te grabbel gooien maar ook voor mannen die met x, cis, ho, bi of met welke letter van het alfabet dan hun bestaansrecht willen onderstrepen of afdwingen. Volgens mij slaat de klepel van de diversiteits- en inclusieklok gewoon iets te ver door. Maar ik schreef dit stukje in hoofdzaak omdat ik als Cis-man die sympathiseert met het socialisme en zich bijgevolg in de nieuwe minderheid der SOSSEN bevindt straks niet door het leven wil gaan als SOSCIS.

Kleine Stem

De jonge vrouw, ik schat haar een jaar of veertig, was spichtig en zo mager en breekbaar als een riet. Met haar onverzorgd gebit en haar holle blik leek ze even puistig als een afgeknotte wilgentak in een treurig herfstlandschap. Hoewel ze zichtbaar moeite had gedaan om er toonbaar uit te zien, was ze met die poging nauwelijks succesvol geweest.  De hoge hakken die ze onder haar gerafelde jeans droeg, maakten haar iets groter dan ze in werkelijkheid was. Toen ze me zwijgzaam en geforceerd-hartelijk toegang verschafte tot haar appartement, wipten de hoge, houten zolen van haar iets te grote schoenen snel omhoog zodat die met een droog ritmisch geluid tegen de eeltige onderkant van haar voeten klapten. ‘Bedankt dat ge zo snel gekomen zijt, ik had eigenlijk gedacht dat ge niet zou opdagen. De meeste mensen lopen weg van mij, zelfs mijn eigen kinderen’, prevelde ze bijna onhoorbaar met een hees-doorzopen stemgeluid, terwijl ze een zelf-gerolde peuk opstak en haar iets inschonk dat op koffie trok. ‘Gij ziet er niet uit als een alcoholist’, zei ze met een onhandige brutaliteit zonder een antwoord te verwachten, op familiaire toon alsof we elkaar al jaren kenden. ‘Gij ook?’ en ze wees naar een tas die al een hele tijd niet meer met afwaswater in contact was geweest. Minstens vijf vliegen had ik al geteld. Ze vlogen af en aan van een gebarsten bord waar nog een rest pizza en wat korsten van gisteren op lagen. Voor de koffie bedankte ik maar was wel oprecht benieuwd naar haar verhaal. ‘Denk je dat ik een alcoholist ben?’ vroeg ze me vrank met een niet-gespeeld eerlijke nieuwsgierigheid. Door die directe vraag dwaalde ik in gedachten snel af naar mijn eigen verzopen verleden en begon onophoudelijk te vertellen… over mezelf, over mijn verhaal, zoals ik dat altijd doe in situaties als deze…

‘Ik ben zeker dat ik ook doodsbang was om te erkennen dat ik een alcoholprobleem had’, begon ik. ‘Het antwoord op die vraag had zich voortdurend onder de oppervlakte van mijn bewustzijn schuilgehouden. En soms kwam dat boven, eerst met stil gefluister, dan met duidelijke stem tot het uiteindelijk een schreeuw werd. Ik denk dat ik het allemaal veel te lang genegeerd heb alsof ik van mijn probleem een soort lichtere versie probeerde te maken. Met die onzin waande ik me slimmer dan mijn probleem maar dat was pure zelfoverschatting. Ik heb lang geprobeerd om aan mezelf en aan iedereen die toekeek te bewijzen dat ik een succesvol iemand kon zijn, dat ik niet echt een probleem had en dat ik wel kon stoppen wanneer ik dat wilde maar diep in mezelf wist ik dat dat een dikke leugen was. Als ik mezelf ‘s avonds in de spiegel bezag vond ik alleen maar doffe ellende in de ogen die nauwelijks terugkeken. Ik was zo angstig omdat ik overtuigd was dat ik de rest van mijn leven zou moeten blijven drinken om de dag door te komen of om de nacht te overleven. Ik had er een boeltje van gemaakt.  Met elke mislukte poging om te minderen voelde ik mezelf dieper in de stront zakken, zoals in drijfzand, denk ik.’ ‘Hoewel ik wist dat zuipen, zoals ik het deed, ongezond was en dat ik daar op een dag steendood van zou vallen, kon ik het fysiek en mentaal niet opbrengen om het niet te doen. Ik kon niet stoppen omdat ik er zoveel van hield. Ik was gek op de fysieke sensatie. Ik was begeesterd door de roes die ik via mijn keel in mijn bloed voelde stromen. Met ware doodsverachting zag ik uit naar het mentale spektakel. Naar hoe die slome roes de ruwe randen van het leven effende of de plezierige ervaringen euforisch maakte. En dat zal wel het grootste probleem geweest zijn. Mijn natuurlijke gave om plezier of verdriet of welke emotie dan ook oprecht te ervaren, had ik helemaal kapot gezopen. Drinken zoals normale mensen dat doen heb ik nooit gekund. Ik kon er eenvoudigweg niet mee ophouden eens ik een eerste slok had geproefd. Meestal begon het nog wel plezierig maar net zo goed liep het meestal fout af. Met alcohol ging ik op zoek ging naar iets wat niet bestaat, althans naar iets wat daarin niet te vinden is.’ ‘Mijn zieke geest had de bovenhand van mijn bewustzijn en van het onbewuste. Ik liet hem maar begaan want hij was de enige wie ik nog aandacht gaf. Hij was de enige naar wie ik nog luisterde, de enige in wie ik nog vertrouwen had’.

‘En om op je vraag te antwoorden, ik raakte pas min of meer opgelucht toen ik mezelf de vraag, of ik een probleem had of niet, of ik alcoholist was of niet, niet meer hoefde te stellen. Dat maakte dat ik niet meer moest gissen naar antwoorden en ik niet langer meer moest zoeken naar mazen om te ontsnappen aan het net van mezelf. In plaats van mezelf op te zadelen met excuses waarom ik moest drinken, begon ik stilaan te luisteren naar een andere, zachtere stem, die van de wijsheid maar die zich voorlopig nog schuchter schuilhield aan de binnenkant van mezelf. Ik kwam tot het besluit dat ik mezelf lang genoeg voorwendsels gegeven om het op een zuipen te zetten. Hier, ik zal je er een paar opsommen:

Ik haat mijn werk.

Mijn financiën zijn een puinhoop.

Al mijn relaties staan in ’t rood.

Iedereen die ik ken drinkt toch ook.

Vandaag drink ik want het is mijn verjaardag.

Morgen drink ik want dan is het jouw verjaardag.

Als ik niet drink zullen ‘ze’ vragen waarom ik niet drink… ik zal ‘er’ niet bij horen.

Ik ben toch op vakantie, en ik doe toch niemand kwaad met een wijntje?

Het leven is saai zonder drank

Het leven is moeilijk

Het leven is wreed.

Ik ben (on)gelukkig.

Het is toch al donderdag.

De kinderen zijn druk geweest, ik heb het verdiend.

Ik wil niet voelen dat ik ongelukkig ben.

Het is toch weekend.

De kinderen zijn er niet, ze zien het toch niet.

Oma is dood.

Het is toch al elf uur.

Ik heb toch al ontbeten.

Ik heb een rotdag, ik heb het verdiend.

Ik ben toch een loser.

Lien is zwanger.

Ik heb geen slechte dag.

Ik heb een platte band.

Het is nog maar tien uur maar het is zondag.

Ik heb gisteren niet gedronken, zie je dat ik geen probleem heb.

Ik schaam me omdat ik me weer misdragen heb, ik kan net zo goed drinken dan vergeet ik het.

Het is genetisch bepaald want ons ma dronk ook veel.

De zon schijnt.

Ik moet een nieuwe fles kopen want aan deze ben ik al begonnen. Ik vrees dat ik niet toekom.

Het dient niet om de vloer te schuren.

Ik had een ongelukkige jeugd.

Het regent.

Ik schaam me omdat ik in mijn zatte bui weer iedereen gebeld heb.

Gisteren dronk ik maar twee glazen, (terwijl het er vier waren.)

Nog eentje…

…eentje kan geen kwaad….

‘Zal ik je wat vertellen? Wanneer ik terugkijk op mijn alcoholcarrière is het voor mij zo klaar als pompwater. Hoewel ik dacht dat ik zuipkampioen was, kon ik helemaal niet drinken, want ik kon nooit stoppen omdat ik alcoholist was, ik alcoholist ben en altijd alcoholist zal blijven.’ ‘In het oog van een orkaan lijkt het windstil, maar als de wind gaat liggen, ligt alles plat. Het angstaanjagend van het zaakje is dat de stormen elkaar sneller zullen opvolgen en dat ze erger worden. Als je jezelf herkent in dit verhaal of in een excuus hoef je geen test af te leggen. Dan hoef je mij of jezelf die vraag niet meer stellen.’ ‘Er is geen juist moment om te beginnen met drinken net zoals er geen slecht moment bestaat om te stoppen met drinken maar wacht er niet mee tot het te laat is. Weet dat het met elke nieuw-verzopen dag moeilijker wordt. Je zal het harder te verduren krijgen omdat je met elk nieuw glas elke nieuwe kruimel eigenwaarde en zelfrespect doorspoelt.’ ‘Maar het goede nieuws is dat het kan. Het beste nieuws is dat het mogelijk is om te stoppen. Als ik het kon, kan jij het. Niet dat alles zonder drank perfect loopt of dat het leven gemakkelijk wordt maar het wordt wel rustig, op een rommelig-chaotische manier.’ ‘Als je het probeert en je geeft niet op, is het mogelijk, zolang je maar blijft luisteren naar die kleine stem die je elke dag iets belangrijks te vertellen heeft.’

‘Wat moet ik dan doen’, vroeg ze wanhopig terwijl er uit de diepte van haar holle blik dikke tranen rolden.

Tijdelijk herwonnen jeugd

Ik schrijf om niet vergeten te worden. Wie mijn lezer is, weet ik niet, en dat is niet belangrijk. Misschien wordt het dat pas wanneer dit verhaaltje wordt opgevist uit een gammele kist op een of andere zolder, ooit. Misschien krijgt het dan de betekenis die ik er nu wil aan geven, wanneer een lezer met zijn ogen door mijn gedachten bladert, en er dezelfde ondefinieerbare twijfel in voelt die nu door mijn ziel woedt. Ik ben Jan, zoon van Jef de gereedschapsdraaier en van Carola de ruziemaker. Dit is de ingekookte versie van een praatjesmaker van drieënvijftig die door het leven bedeeld werd met een onmetelijk ego, een vuil blad en met een uiterst breekbaar hart. Buiten ongepast zelfmedelijden en wat losse rafels heb ik niets aan het hoofd al lijkt het als je onder de oppervlakte kijkt dat ik mijn verstand en mijn hart verloren heb. Met aandoenlijk kinderlijke melancholie verberg ik de utopische euforie van mijn jeugd en die van vergeten figuranten die erin passeerden en die net als ik slachtoffer werden van domme onwetendheid of van nog dommere hoogmoed.  De tragedie van het leven is dat men niet oud wordt maar dat men zich jong blijft wanen. Toch verdwijnt iedereen net zoals ik op een dag naar de achtergrond, langzaam door de tijd vergeten. Ik ben Jan en koos mezelf als hoofdpersonage, omdat hij de enige is die overblijft wiens gedachten en emoties ik nog vertrouw. Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een roekeloos verleden. Een verleden dat met elke dag die voorbijgaat meer terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst. Wat hier neergeschreven is, is een levende getuigenis van een half leven dat even zinvol als zinloos voorbijvloog en waar niet veel meer van overblijft dan de tijd die erin verdwijnt. De herfst blaast mijn laatste zomerdag weg om nooit meer terug te komen. Met het vallen van het blad weet ik dat levenservaring een kam is die je van het leven cadeau krijgt op het moment dat je kaal begint te worden. Of drieënvijftig de juiste leeftijd is om tot die vaststelling te komen, weet ik niet. Mijn haargrens bevindt zich namelijk nog precies op dezelfde plaats waar ze zich dertig jaar geleden bevond, al wijt ik dat eerder aan de rimpels op mijn voorhoofd die mijn vel zwaarder doen wegen waardoor mijn haarlijn naar onderen getrokken wordt. Ik zeg maar wat, maar kaal, ben ik nog niet. Toch ben ik het vandaag aan mijn leeftijd verschuldigd om me tot de leeftijdsgroep van de ‘puberende vijftigers’ te rekenen. Gewoon maar vijftig worden is voor groentjes. Het is vanaf drieënvijftig dat men opnieuw recht van spreken krijgt in de grijzer wordende leeftijdscategorie waartoe ik behoor. Al doe ik dat spreken straks misschien best iets luider opdat ze me anders niet horen of verstaan. Officieel zal de stempel ‘vijftig+’ vanaf maandag meer inkt achterlaten wanneer ik de voorrangskaart voor een zitplaats van de trein laat afstempelen. Drieënvijftig dus, en officieel oud. Vanaf maandag zal ik me ten volle vijftiger voelen omdat mijn alsmaar stijver en dikker wordend lijf meer plaats zal innemen dan wanneer ik nog met een veertig+ karkas bedeeld was. Ik ben me ook meer en meer bewust van alle lichamelijke kwaaltjes en van alle andere ellende die met dit cijfer gepaard gaan. Maar niet alles is even kut als ik het hier laat uitschijnen. Ik begin namelijk de kunst te verstaan om mijn lichamelijke beperkingen en mijn mentale obstakels te herkennen en te aanvaarden. Dat mijn libido al eens vaker foert zegt hoeft niet echt een probleem te zijn want dat lijfelijk ongemak raakt met een pilletje in een wip opgelost. De tijd dat ik daar beschaamd over was ligt ver achter mij. Ik los dat wel op. En nu ik deze woorden neerschrijf onder een Noorse sterrenhemel bedenk ik me dat dit alles een uitspraak zou kunnen zijn van een huurmoordenaar die mijn toekomst vermoordt of van een loodgieter die me sust met de gedachte dat zolang de dichting van het kraantje het houdt, het wellicht niet zal lekken. Waar ik echter niet aan gewend raak, is dat ik irritant saai begin te worden en dat ik dat nieuwe gevoel nog als cadeau aanvaard ook. Wie had dat ooit kunnen denken? Hopelijk word ik met deze nutteloze levenswijsheid, net zoals dit tekstje niet vergeten, ik word namelijk niet elke dag drieënvijftig. Maar eerst ga ik met mijn tijdelijk herwonnen jeugd nog een paar Vikingen verslaan en wie weet springt er morgen toch nog een zalm in mijn net.

Bøker og Børst

De rusteloosheid die ik al jaren tegen mijn zin meezeul en die me alsmaar als een zwarte schaduw bleef achtervolgen heb ik op deze reis ergens onderweg achtergelaten. Het is rustgevend dat mijn kalmerende gedachten me hier niet tot belachelijke destructieve vechtpartijen kunnen dwingen waarbij in een liefdeloos en oneindig gevecht de ene vermoeiende gedachte het van de andere met de bovenhand moet halen. Het is om en bij half elf, vrijdagavond. De dag loopt op zijn einde en op geen enkel moment heb ik me vandaag door zaken van gretigheid of geestdrift gedwongen gevoeld, dat het bijna lachwekkend is om er iets over te schrijven. Lachwekkend zeg ik omdat ik geen enkel ander woord kan verzinnen dat mijn sereniteit beter kan omschrijven. Misschien ben ik zelf wel lachwekkend of belachelijk omdat ik de onuitputtelijke behoefte om uit te leggen wat er zich in mijn hoofd en hart afspeelt maar niet het zwijgen kan opleggen. Dat lukt me niet, zelfs vandaag niet nu er niets noemenswaardig gebeurd is. Hoewel, vanmorgen heb ik een plaatselijke barbier bezocht. De kapper van dienst, een Italiaans uitziende Viking heeft mijn weerspannig wordende haren in een strakke snit geknipt. Hij kamde en kneedde, millimeterde en kortwiekte haartje voor haartje om er mij minstens twee en maximum vier jaar jonger uit te laten zien. Om mijn zelfvertrouwen wat op te krikken had ik mijn vertrouwde jeans en mijn bijpassende gestreepte trui aangetrokken.

Ik geloof dat ik gerustgesteld door veilige kleren en getooid met een hip kapsel die vreemde, ongekende stad beter tot mij kon laten komen, of ik tot haar. Om er haar gezelligste plekjes in te ontdekken. Stravanger is in het hoogseizoen een drukbezochte havenstad.  Dagelijks varen dan twee tot vier cruiseschepen af en aan om er duizenden op sensatiebeluste toeristen over uit te spuwen. Het is nooit één schip. Het zijn er altijd minstens twee en nooit meer dan vier. Ik verzin het niet. Twee overjaarse hippies, een was een eeuwig studerende, schrijvende archeoloog, in het bezit van drie masters en minstens duizend getuigschriften, de andere was activist die al jaren opbokst tegen al dat ook maar ietwat naar liberalisme en kapitalisme neigt. Zij hebben me dat verteld. Zij dronken rode wijn en ik gutste de baristo-koffie, de ene na de andere binnen. De archeoloog die men ook niet van enige kruimel rechts gedachtengoed kon verdenken had een plan bedacht om de Noorse democratie te laten imploderen door vijftig komma een procent van de kiezers te overhalen om blanco te stemmen. Hij ging dat voor elkaar brengen met een sociale media bom of zo. Ik verstond zijn Noors-Engels niet altijd even goed. Ik vergeet nog te zeggen dat de bar “Bøker og Børst” heette wat zoveel betekent als “boeken en zuip”, een plekje naar mijn hart. Ik hoefde geen uitleg te verschaffen waarom ik geen wijn dronk. Mijn nieuwe Noorse vrienden hadden dat al door.

Elk avontuur begint met een blik in de verte.

Nu ik hier in het Noorden ben beland, stel ik me een lezer voor. Jij dus, die zichzelf inspecteert met wat ik heb geschreven. Wat ben ik ermee? Welk nut heeft het? Waarom zou ik überhaupt een poging wagen om te achterhalen wat jij denkt over wat ik denk, over wat ik zie of voel? De zin om me te wapenen en om te vechten tegen de weer- en zinloosheid waar ik op een dag zeker de strijd zal van verliezen ben ik aan het kwijtraken en dat voelt juist. Inzicht komt met de jaren zegt men en met de jaren komt ook het besef dat hoe beter ik de dingen begrijp hoe harder mijn verlangen groeit dat ik ze liever nooit had begrepen. Een geschikte gesprekspartner om over die dingen van gedachten te wisselen is hier niet. Daarom richt ik me tot jou, mijn zielsverwant want jij stelt me nooit teleur. Met woorden die recht uit mijn ziel stromen geef ik jou de volmacht om hem helemaal te inspecteren. Als je dat wil tenminste. Zo wordt schrijven diep graven in mijn ziel met jou als stille, aanwezige getuige. Meer hoeft het niet te zijn.

De tranen komen vanzelf, geen idee waar ze vandaan komen of waar ze me naartoe brengen. Het ene moment kijk ik om en luister en voel glimlachend naar de weg die ik al afgelegd heb. Een seconde later stroom ik helemaal over, compleet overweldigd met twijfelende emoties en onbegrijpelijke prikkels die ik niet onder controle krijg. In mijn hoofd worden kleine kabbelende beekjes snel stromende rivieren en kolkende watervallen. Ik beweeg niet. Ik kijk niet weg maar onderga de reflectie van mijn gedachten. Het enige wat ik kan doen, is ademen en voelen hoe de indrukken van mijn gedachten en emoties geabsorbeerd worden om ze helemaal gewaar te worden. De afgelopen dagen heeft mijn wereld uit niet veel meer bestaan dan uit verwondering voor schoonheid en emotie van puurheid. Met de rust die ik hier voel, lijkt het erop dat met de tranen die over mijn wangen rollen alle ruis van de wereld wordt weggespoeld. Ze doen me even terugblikken. Op deze plek vind ik woorden die zeggen wat ik elders niet uitgesproken krijg. “Als mijn scherpe woorden ooit jouw gedachten hebben beïnvloed, neem ik ze terug. Als mijn sombere blikken ooit jouw dag hebben verduisterd, neem ik ze terug. Als mijn zoute tranen ooit jouw vurigheid en geestdrift hebben getemperd, neem ik ze terug. Allemaal, ze behoorden alleen mij en passen niet bij jou.

Ik heb het leven te lang en te dikwjls genegeerd. Ik heb het ontkend en zelfs ontvlucht. Hier met mijn DNA als enige gezelschap merk ik dat stilaan alle weerstand wegvloeit. Het enige wat ik nog voel is sentimentaliteit zonder oorzaak. Een soort van onderliggende werkelijkheid die niet in relatie of in verhouding lijkt te staan met de dagelijkse realiteit waarop ze betrekking heeft. Ze braakt alleen als lava van vulkaan uit mijn lijf. Ik raak maar niet uitgevoeld. Het voelt alsof al mijn zintuigen wagenwijd openstaan en ik niet in staat ben om er langer weerstand tegen te bieden. Misschien gaan die tranen wel over iets anders, over een elastiek die me strak aan het leven bindt en helemaal wordt uitgerekt waardoor me niets anders rest dan te wachten tot hij knapt. Ik kan er niets meer over vertellen want meer valt er niet te zeggen. Ik ben blij dat ik alleen ben. Het zou ondraaglijk zijn om nu in iemands gezelschap te verkeren, welk gezmschap dan ook. Ik zou niet weten wat te zeggen. Soms en zeker nu denk ik dat mijn persoonlijk leven tegelijk van iets teveel en van iets te weinig bevat. Dan is het te vol, dan weer te leeg maar nooit op maat gedoseerd. Ik zeg dan wel dat ik het leven wil voelen om erin woorden in te verdrinken of om er woordeloos boven te zweven maar de twee werelden waarin ik leef zijn tegenstrijdig. De ene is gereguleerd en geprogrammeerd en dus duidelijk, saai en gedoemd tot regelmaat en sleur. De andere plek is vrij en helder, onbegrijpelijk turbulent en net zo peilloos diep als het ijskoude bergmeer vol onzichtbare onderstromen. Precies het meer waar ik nu mijn blik op richt. Hoe ik het leven aanvoel is hoe ik het wil leven, storend voor mezelf, emotioneel-chaotisch en sensueel onhandig voor jou, mijn lezer. Controle of grip zal ik er nooit op krijgen. Misschien wanneer ik straks wakker word en opnieuw helder ben zal ik tot besef komen dat dit misschien wel mijn allerbeste kwaliteiten zijn. Dus laat me hier in het Noorden nog maar even in deze gedachten spitten want elk avontuur begint met een blik in de verte.

Wanneer de tijd zijn werk heeft gedaan

Gemakshalve zou ik me ervan af kunnen maken door in fontsize 72 en in hoofdletters ‘geen commentaar’ op dit lege papier te schrijven maar die keuze maak ik niet. Ik ben kwaad geweest op de wereld, op mijn dorp en op de mensen die er wonen, op het werk en de mensen die er werken, op mijn huis en de mensen die erin wonen. Het zou best kunnen dat ik op iedereen kwaad ben geweest en niet in het minste op mijzelf en op mijn lijf dat me meer en meer in de steek begint te laten. Misschien ben ik het nog steeds en gaat die boosheid nooit meer helemaal weg. De oppervlakkigheid en gemakzucht waarvan ik iedereen verdenk, vechten een genadeloze strijd uit met diepgang, hartstocht en diepzinnigheid waarnaar ikzelf onophoudelijk op zoek ben ook al weet ik al een hele poos dat ik die dingen alleen maar in mezelf kan vinden. Het voelt aan alsof ik een levenszwaarte meezeul waarvan ik me nooit helemaal zal kunnen ontdoen. Ik draag een onzichtbaar zware rugzak die alleen lichter kan gemaakt worden door iemand die me van dichtbij vergezelt en die als het nodig is overtollig ballast wegneemt en er luchtigheid of oppervlakkigheid voor inruilt. Door die tweestrijd was ik mijn stem, mijn pen en mezelf even kwijt maar nu richt ik me opnieuw tot jou, mijn zielsambassadeur, want jij begrijpt precies wat er in me omgaat. Een andere keuze heb ik niet ook al lijkt het een beetje koud te zijn geworden tussen ons. Mocht ik een foto zijn, je zou een gevoelige ouder wordende man zien die buiten zelfmedelijden niets anders om het hoofd heeft dan zijn eigen gedachten. Onder de oppervlakte van dat wazige beeld zou je zien dat het lijkt alsof hij zijn verstand en zijn hart verloren heeft.  Misschien is hij zichzelf wel helemaal kwijtgeraakt.

De stilte en de afstand tussen ons deed me geen goed. Sinds onze laatste rendez-vous ben ik op zoek naar dat ene woord dat precies omschrijft hoe ik me voel. Ik vind het niet. Misschien is het nog niet uitgevonden en staat het in geen enkele woordenboek omdat tot nu toe te weinig mensen geleefd hebben die net zoals ik in hun eigen gedachtewereld geklemd zitten en willen beschrijven wat er zich afspeelt. Het zou zomaar kunnen. De betekenis van dat onbestaande woord zou je, mocht het bestaan, in een vertaalwoordenboek vinden tussen de woorden ‘eenzaam’ en ‘alleen’. Niet dat ik het als een straf beschouw om me een tijdje af te zonderen of dat ik me eenzaam voel wanneer ik alleen ben want dat is niet het geval. Mijn alleen zijn, is een keuze om er even niemand bij te willen, om even niemand te willen zien of niemand te willen horen. Daar is niets mis mee. Het is rust die als een geruisloze storm door mijn bos raast en alle dode takken afbreekt.  Maar eenzaamheid is het tegenovergestelde. Dat is een knagend rotgevoel dat schreeuwt om een ander soort aandacht. Wat ik voel zit daar ergens tussenin.

Met de pianoklanken van ‘Comptine d’un autre été’, de soundtrack van de film ‘le monde fabuleux d’ Amelie’ en met mijn DNA als enige ander gezelschap kijk en luister ik naar mijn monotone gedachten. Vaneigens word ik er niet wijzer van want alleen de schepper kan van niets iets maken en dan moet hij dat nog eerst laten ontploffen.  De stilte heeft ook zijn frequentie. Zij zorgt ervoor dat afwezigen beginnen te spreken. Niet dat ze me storen ook al is de eenzaamheid van daarnet met hen erbij opeens wel heel dichtbevolkt. Er was niets mis met dat stilzwijgen maar soms is het toch beter om dat tegen iemand te kunnen zeggen.

Echte eenzaamheid kom ik dagelijks tegen. Bij vriendelijke mensen die met of zonder woorden elkaar vragen hoe het gaat.  Om te doen alsof of om schijn hoog te houden. Het is een mooi plekje om te bezoeken maar een slechte plaats om in te blijven hangen. Misschien heb ik mijn verlangen naar deze luxueuze eenzaamheid hoogmoedig overschat en ben ik gewoon maar een ijdele egoïst die veel te hard in zichzelf is geïnteresseerd. Elke onnozelaar heeft toch gezelschap nodig. Een denker zoals ik die de eenzaamheid opzoekt en hem op één been doet staan en doet wankelen om niet om te vallen, is waarschijnlijk nog een grotere onnozelaar.

Pas wanneer ik al mijn losse eindjes aan elkaar geknoopt heb en ik mezelf en mijn gepeins niet langer meer alleen kan verdragen word ik opnieuw een sociaal wezen dat het evenwicht herstelt maar voorlopig laat ik die eindjes nog maar rafelen. Ik kom er wel uit, wanneer de tijd zijn werk heeft gedaan.