Te weinig niets.

Wanneer je af en toe tijd neemt om de woorden te lezen die ik in zinnen aan elkaar rijg, kan je jezelf de vraag stellen waarom ik dat doe. In alle eerlijkheid, ik doe dat ook weleens.  Vanmorgen nog, toen ik me, zonder voorafgaandelijke aankondiging, in een intieme bliksemflits, met een absurde maar vrij intense sensatie realiseerde dat ik eigenlijk helemaal niets voorstel en misschien nog tot minder in staat ben. Dat gevoel was naast oprecht eerlijk en pijnlijk ook hoopgevend en geruststellend. Ik zeg: “geruststellend” omdat geen enkele andere ambitie dan nutteloosheid me vandaag tot een andere verwachting had kunnen verleiden. Ik gunde me vandaag het decadente genoegen om totaal overbodig te zijn.  Nu, dertien uur later en in tegenstelling met hoe ik me vanmorgen voelde, wil ik je laten weten dat het precies zo aanvoelt alsof ik aan de prettige bijwerkingen van een aangename aandoening lijd.  Nu kan ik zelfvoldaan naar mijn scherm glimlachen, omdat ik er toch maar weer in geslaagd ben om de leegte van de dag helemaal dicht te timmeren. “Als je ‘hofke’ klein is moet je het proper houden en onkruid uittrekken”, zou mijn grootmoeder gezegd hebben. Niet dat ze zich geen groter ‘hofke’ kon permitteren, neen ze deed gewoon net zoals ik liever andere dingen dan een grote te onderhouden.

Zonder er in de voorgaande paragraaf tweehonderd zestien woorden aan te moeten verspillen, had ik net zo goed kunnen schrijven dat ik langzaamaan meer de gewoonte heb gekweekt om mijn persoonlijk energieverbruik doelgericht laag te houden maar dan had ik mezelf het genoegen ontnomen om er lyrisch over te worden. In de zinnen die ik net neerschreef doe ik een poging om zonder blozen samen te vatten dat al wat ik in mijn gênante eerlijkheid aan jou toevertrouw maar puberaal gestotter is dat door deze tweeënvijftigjarige wordt opgeschreven omdat hij kampt met een schrijnend gebrek aan ambitie en daardoor de indruk wil nalaten, gekweld te zijn met een uniek leven. Ik had net zo makkelijk alles kunnen verzwijgen maar dan had ik er nooit achter kunnen komen dat deze banale verzuchtingen mijn oude puberziel zou ontluchten. Nu niet dat ik mijn bestaan in ballingschap leef, maar ergens knaagt aan mijn ziel toch een verlangen naar een onbereikbare verte die in mijn fantasie grenzeloos lijkt. Uitreiken naar die onbestaande verte heeft hoegenaamd niets met de werkelijkheid te maken, integendeel, het zijn maar ongevaarlijke bedenksels die me niet zullen doen wegvluchten van de realiteit, ook al is die dikwijls minder spannend dan de gedachten en de dromen waarmee ik in schijngevechten de diepere zin van mijn bestaan bekamp. Het opschrijven van elke spontane hartenkreet, wordt dan gewoon een romantische, veilige tussenoplossing waarmee ik de volheid van het leven helemaal kan omarmen en er tegelijkertijd de passie naar al wat groot, ongeremd is en diepgang heeft mee kan ontvluchten. Al is dat niet altijd zo geweest. Met het streven naar onbestaande erkenning en de vlucht om die in mijn leven toe te laten, heb ik lang een onbetaalbare hypotheek gelegd op innerlijke voldoening en grenzeloos geluk dat voor het grijpen lag. Misschien was er gewoon te weinig niets om het iets te kunnen naar waarde te kunnen schatten. Mogelijks schrijf ik daar morgen over, zo niet droom ik gewoon verder!

Eén reactie

  1. ‘Ik ben in mijn diepste wezen een bange boekhouder die opschrijft wat hij ziet. Het verkennen van het verbodene kan een heel opwindende ervaring zijn. Alles wat ik niet durf, probeer ik te verkennen op papier. Dan heb ik een sleutel tot elke deur, tot elke slaap­kamer. Voor je het weet lig ik tussen de lakens.’ ­Nadrukkelijk pauzerend. ‘Op papier, he …’

    Adriaan van Dis in DSL

    Geliked door 1 persoon

%d bloggers liken dit: