De Oezbeek!

Ik heb een hoop vrienden. Een ervan kent iemand. Hij is vluchteling en is afkomstig uit Oezbekistan. Hij leert Nederlands. Het is niet mijn vriend die Nederlands leert. Neen, hij is oerdegelijk Vlaams. Hij praat zelfs een beetje zoals Geert Bourgeois. Stijf en statig en met een veel te harde “G”. Wellicht is het nog een onbewaakte gewoonte die hij aanleerde tijdens zijn studietijd. Om er zijn West-Vlaamse accent mee te verdoezelen. Omdat hij er mee werd uitgelachen. Ik vermoed het want ik heb hem nooit gevraagd waarom hij zo hard op die “G” rochelt.

‘Vriend’ is een groot woord. Ik zie hem soms en dan praten wij tegen elkaar. Gewoon maar praten, omdat mensen die elkaar kennen dat doen. Uit gewoonte, niet per force omdat we elkaar zo tof vinden of zo. We praten en produceren woorden en zinnen. Soms, zelfs wisselen we gedachten uit. Over gemeentelijke opcentiemen of over het orgasme van een varken. Wist je trouwens dat het orgasme van een zeug ongeveer dertig minuten duurt en dat er dan meer dan een halve liter varkenssperma ‘gedoneerd’ wordt? Daar kan je lang over praten, over het orgasme van een varken. Minstens een half uur. Daar ben ik zeker van. We praten dus. Over alles en over niets. Verder hebben we niet zo veel met elkaar gemeen. Misschien zal ik hem daarom en om misverstanden te vermijden maar gewoon, ‘kennis’ noemen in plaats van ‘vriend’.

Die Oezbeek ken ik trouwens ook niet. Die heb ik zelfs nog nooit gezien of ontmoet en dat hoeft voor mijn part ook niet. Ik praat namelijk geen Oezbeeks en hij niet voldoende Nederlands. Zeker te weinig om het er überhaupt over iets mee te kunnen hebben. Over het orgasme van een olifant bijvoorbeeld. Dat zal vast ook wel lang duren en er zal meer dan een halve liter olifantensperma aan te pas komen, denk ik. Maar ik zal het niet te weten komen. Niet vandaag en niet uit een gesprek met een onbekende Oezbeek.

In een van onze onbenullige gesprekken, zei mijn ‘kennis’ dat de Oezbeek, die klaarblijkelijk wel Nederlands begrijpt, zich stoorde aan hoe dikwijls wij Vlamingen het woord ‘zitten’ gebruiken. En hoe hij daar kop nog staart aan krijgt Hij heeft dat vast op een andere manier gezegd want ik kan me niet voorstellen dat een Oezbeek die Nederlands leert al zulke tekenende spreekwoorden gebruikt. Ik moest daar trouwens tijdens ons gesprek al eens even over nadenken. Over het woord ‘zitten’. Hij heeft een punt. Hoewel hij maar een paar woorden Nederlands spreekt, heeft die Oezbeek overschot van gelijk. Het woord ‘zitten’ zit zot ineen.

Nu ik thuis ‘zit’, (het gesprek met mijn ‘kennis’ ging trouwens over een niets zeggend onderwerp) ‘zit’ ik er al een uur mijn kast over op te fretten. Terwijl ik het denk, weet ik dat ik dat ook zo maar zou kunnen vertellen zonder dat ik daadwerkelijk ‘zit’ zeg. De waarheid is zelfs dat ik helemaal niet zit want ik lig in mijn sofa. Ik zou ‘zit’ dus ook kunnen zeggen terwijl ik rondloop of de afwas aan het doen ben of zo. Echt ‘zitten’ heeft daar van ver of van dichtbij iets mee te maken.

Terwijl ik door boom over het woord ‘zitten’, ‘zit’ de poes te krabben aan de lederen zetel waar ik in ben neer gevleid. “Daar mag je niet ‘aanzitten’“: roep ik op autoritaire toon, en ik gooi mijn pantoffel naar het ongedierte.

Gesteld dat mijn ‘kennis’ en de Oezbeek getuigen waren van dit tafereel en eveneens aangenomen de Oezbeek het woord ‘aanzitten’ in deze context zou hebben aangeleerd, zou een restaurantbezoek bron van smakelijke misverstanden zijn. Ik zie het zo voor me. De Oezbeek en mijn ‘kennis’ stappen binnen in een sjiek spel en de gastvrouw gebiedt hen beleefd aan de keurig gedekte ronde tafel ‘aan te zitten’. Welke gedachten zouden er op dat ogenblik door het hoofd van de Oezbeek dwalen? Mag hij zitten? Of mag hij het niet en zou hij met zijn pantoffel gooien? Want een duur sterrenrestaurant heeft iets sjieks. Daar komen geen ongehoorzame poezen aan te pas en aan de tafels wordt zonder berisping ‘aangezeten’. In de veronderstelling ten minste, dat er geen kauwgom aan mijn broek ‘zit’ doordat ik een stoel uitkoos waar een kauwgom op ‘zat’.

In duidelijke omstandigheden en in de oorspronkelijke betekenis van het woord heeft ‘zitten’ alles te doen met, ‘rustig gezeten zijn’, op je kont, op een stoel, in een zetel, of ‘op mijn vrouw’ maar dan niet in de betekenis die ik er hier wou aan geven. In die betekenis had ik wellicht net ervoor gezegd, dat het rode kleedje haar als gegoten ‘zit’. Geen Oezbeek ter wereld die eraan zou denken dat dat kleedje op die stoel zou ‘zitten’ of ik op mijn vrouw.

Het houdt me bezig. Waarom is ‘zitten’ zo ingeburgerd? Zegt het iets over mijn ‘zittend’ bestaan? Wanneer ik in mijn zetel ‘zit’, of wanneer ik ‘zittend’ op mijn krent deze onzin schrijf? ‘Zit’ ik er dan aan vast? En hoe komt die Oezbeek er trouwens op? Omdat hij al jaren op de vlucht is en daarom struikelt? Omdat hij nooit eens vijf minuten rust vond en daarom valt over ‘zitten’? Misschien moet ik het hem maar eens vragen. Misschien moet ik hem eens uitnodigen bij mij thuis zodat we het kunnen hebben over het orgasme van de olifant of over de gemeentelijke opcentiemen.

Op de achtergrond brult de televisie. Holland scoort 1 – 1.

Hij ‘zit’!

  1. Hihi, nu je het zegt. Ik hoorde eens van iemand met autisme dat die een punthoofd krijgt van alle beeldtaal, spreekwoorden, gezegden etc die door taalgebruikers zo noestig worden gebezigd. Pas dan besef je dat er in zowat elke zin wel een dubbelzinnigheid… zit

    Like

%d bloggers liken dit: