Het meisje met de parel

Ik wacht geduldig op de stilte van de nacht en observeer mezelf hoe ik naar de dingen kijk. Ik ben te beschaamd om op te schrijven wat ik zie. Niemand zou me geloven. Stapelzot zou men mij verklaren. Veel aandacht kan ik aan mijn nachtelijke beschouwingen niet besteden, want naast mij ligt iemand die op het punt staat om mijn gedachten met een stil gesproken betoog te onderbreken. Nu ja stil, het is maar wat je stil noemt. Ondersteund door ongeveer vijf kussens waarvan er zich minstens twee tussen haar benen bevinden, is de betere wederhelft van mezelf zonet luidop aan een onverstaanbaar gesprek begonnen. Op ongeveer dertig centimeter verwijderd van mijn rechteroor prevelt ze wartaal die alleen door uit haar mond kan uitgesproken worden. Ik versta er dan ook geen woord van.

Het zal vast wel een ontspannende gedachte zijn te dromen dat je altijd gelijk hebt.  Niet dat ze zich daarvoor per se in dromenland moet bevinden om dat te denken, maar dat terzijde. Ik geloof dat ze droomt over een reclamespot van vanillepudding waarin ze de hoofdrol heeft. In vanillepuddingreclamespots zijn vrouwen namelijk altijd goed gezind en geduldig. Neem bijvoorbeeld die reclame van La laitière. Kan je haar voor de geest halen?  Dat door Vermeer geschilderde melkmeisje wie in een middeleeuws tafereel, roerend in een kom van volle melk luchtige vanille feuilleté maakt. Volgens gaat haar droom daarover, en anders poseert voor Vanmeer als meisje met de parel, dat kan ook. Met die ongedwongen glimlach, lijkt ze vrolijker en praat ze minder dwingend dan wanneer ze zich ten volle bewust is van de woorden die ze spreekt. Niet dat wij ruzie maken hoor, ver van en misschien is dat feit op zich nog angstaanjagender. Waarom zou je ruzie maken met iemand die je even koud laat als stijf geworden vanillepudding als je in plaats daarvan voor onverschilligheid kan kiezen?

Ik laat mijn gedachten verdampen in de nacht en besluit ze uit te stellen naar later. Misschien verdwijnen ze vanzelf of worden ze alsnog overvleugeld door vrolijkere waanzin. Eenzaamheid in je hoofd is op zich best wel een fijne gewaarwording tenminste als je het niet te dikwijls moet voelen. Overdag versta ik als geen ander de kunst van ongebalanceerd nietsdoen maar eens het licht opgeslokt werd door het duister kwel ik mezelf met de gedachte dat ik liever uit een raam zou springen. Voor alle duidelijkheid, uit een raam dat zich op het gelijkvloers bevindt. Ik ben namelijk geen held, of wat dacht je? Ik verklaarde die laatste verzonnen intentie, niet omdat ik eraan twijfel dat de mensen mij niet begrijpen maar gewoon omdat ik niet met zekerheid kan zeggen dat ik dat zelf doe.

Toen ik vanmorgen wakker schoot en ik het slib uit mijn ogen gewreven had, bekeek ik haar met de ogen van een vreemde vis die ikzelf niet graag zou vangen. Heb ik gesnurkt vroeg ik? Neen antwoordde ze, je hebt gedroomd. Een nachtmerrie denk ik. Iets over Vermeer en vanillepudding?  

Hoe?

Als het leven van mij verwacht dat ik me er constant aan aanpas en ik bijgevolg vandaag niet meer ben wie ik gisteren was, hoe kan men dan verwachten dat ik het morgen doe, zoals ik het eergisteren beloofd heb?

Er is ruimte voor zon!

Ik drink al 9 jaar niet meer. Nu breng ik mezelf niet langer meer in de war met de toon waarop ik dat tegen mezelf zeg. Nooit meer drinken, dat was in het begin helemaal niet mijn bedoeling geweest, zelfs niet toen de dokter, vrienden, collega’s of mijn vrouw me zeiden dat ik bezig was met mezelf kapot te zuipen. “Ze moeten die dingen niet overdrijven, ik drink alleen af en toe wat te veel”. Ik ervoer hun oordeel als pure jaloezie, als een snood complot omdat zij allemaal in een veel te drukke schema zaten en dus nooit de tijd vonden om evenveel en zo dikwijls te kunnen drinken als ik. “Doe ze nog eens vol.” Maar dat was toen…

Ik zie ze dikwijls, mensen die het professionele drinken al een tijdje afgezworen hebben. Lotgenoten, die nadat ze eventjes droog staan met de gedachte rondlopen dat ze hiermee een onmenselijk zwaar offer brengen. Na verloop van tijd willen ze daarvoor dan hun beloning opeisen. Ze prenten zich in dat ze geleerd hebben uit het verleden en dat het hen niet meer zal overkomen. Ze menen het oprecht wanneer ze zeggen dat ze niet meer terug willen naar dat vroegere leven, maar ze willen ook opnieuw leren drinken als normale mensen die nog nooit voet gezet hebben in het duistere rijk der demonen. Wat ze het liefste zouden willen is, boven blijven drijven, aan de oppervlakte, in het licht van de zon. Ze willen niet wegzinken in het moeras en soms lukt dat, eventjes. Maar op die tijdelijke overwinning willen ze telkens opnieuw kunnen klinken met een wijntje, met een cava of met een pint. Ze zijn onwetend of kunnen het eenvoudigweg niet opbrengen om gewoontes te doorbreken en kunnen er niet voor kiezen om het geheugen van het lichaam te wissen. Het enige wat ze echt willen en waar ze krampachtig naar streven zijn duidelijke, haalbare, vast gelegde termijnen en onderhandelbare grenzen om te kunnen blijven drinken. Ze willen wel een tijdje stoppen of minderen. Een maand, twee maanden of een half jaar maar dan willen ze opnieuw de onbereikbare controle van een of twee glazen per dag. Een glas witte wijn in het weekend of dan juist niet omdat net dan iemand toekijkt aan wie ze beloofd hebben dat het onder controle is. Alleen tussen acht en tien uur ’s avonds of niet voor negen uur. Een glas dure rode wijn bij de juiste maaltijd of twee of drie pinten in het juiste gezelschap. Zo drinken ze dan een tijdje doordacht omdat diegenen waarmee ze het doen toezien en kunnen ingrijpen. Het liefst van al zouden ze een lijst opmaken met alarmbellen die allemaal afgaan wanneer het de verkeerde kant dreigt uit te gaan. Liever nog zouden ze willen dat ze die alarmbellen niet steevast negeren. Ze willen drinken en niet drinken. Ze willen het doen met een constante proefperiode van onbepaalde duur en met tussentijdse evaluaties waarin ze op elk ogenblik zelf kunnen ingrijpen om de drankvoorwaarden te veranderen. Hoewel ze er diep vanbinnen misschien hevig naar verlangen, is volledig stoppen ondenkbaar. Het zorgt voor verwarring, angst of ze zien het als verraad van hun heilige gevecht tegen de onzinnigheid van het bestaan of tegen het leven waarin ze zijn gestrand. Soms zelfs zien ze definitief stoppen als een inbreuk of een ontkenning van hun identiteit want de vaders van hun vader en de moeders van hun moeder hebben het hen voorgedaan. Ze willen wel proberen om limieten te stellen en afspraken te maken maar het lukt hen eenvoudigweg niet. Ze blijven de grenzen van zichzelf op zoeken om ze vervolgens uit te rekken tot een nieuwe grens. Ze zien stoppen met drinken alleen als een moeilijke strijd, als een zware prestatie maar nooit als een overwinning. Wanneer je jezelf inprent dat je nooit meer mag drinken, betekent dat namelijk nog steeds dat je met een torenhoog alcoholprobleem worstelt en die bekentenis willen ze niet afleggen, zelfs niet tegen zichzelf. De enige overwinning die voor hen proeft als een echte zege is opnieuw te leren drinken op een gematigde en gecontroleerde manier zonder een diep slijkspoor van problemen achter zich te slepen. Die koppige gedachte zet hen schaakmat. Ze kunnen of willen zich geen leven zonder drank voorstellen maar een compromis is er niet. Wie met een drankprobleem kampt maar ervoor kiest om eerlijk met zichzelf te zijn kan geen kant meer uit. Dan rest er niets anders meer dan definitieve overgave.  Dan dient elke strijd gestaakt en wordt elke strategie om dat te ontkennen een tijdbom op die intentie.

Wanneer ik het over “ze” heb in deze tekst heb ik het natuurlijk over mezelf.  Weten dat ik een levenslang probleem heb, stemt me niet langer angstig, opstandig of verdrietig. Ik voel me er ook niet meer schuldig voor.  Het weegt niet meer door. Mijn probleem dat ik mezelf had ingeprent of de gedachte dat ik dat probleem in eerste instantie zelf had uitgevonden draag ik niet langer meer alleen. Het voelt telkens als een opluchting wanneer ik er eerlijk kan over zijn. Als je het wil kan je het lezen. Als je het liever nog niet wil is dat ook helemaal ok. Je mag naar me kijken maar je hoeft me niet te feliciteren. Misschien ben ik door te stoppen met drinken wat kleiner en kwetsbaarder voor mezelf geworden, toch voelt het aan alsof ik meer ruimte inneem dan ooit tevoren. Soms is het nog lastig om niet te drinken en dat is goed. Het mag een beetje moeite blijven kosten anders wordt het vanzelfsprekend en dat ben ik niet meer. Vandaag gaat het goed en morgen, tja morgen, die dag bestaat nog niet.

De weersverwachtingen voor vandaag blijven onveranderd. Deze namiddag is vooral in de oostelijke helft van het land de kans op buien groot. In de Ardennen is er kans op onweer. Vanaf het westen komt er meer ruimte voor de zon. De wind komt uit het westen tot noordwesten en is matig tot vrij krachtig.

Er is ruimte voor zon. Dat is al wat ik onthoud. Met het vooruitzicht van zon kan ik altijd uit mijn eigen schaduw stappen. En dat is opnieuw veel om dankbaar voor te zijn.

Het individu begrensd!

Er moet me iets van het hart.  Het zal me opluchten. Het was schokkend om het te zeggen. Ik wist op voorhand dat het schokkend was om het hier te schrijven maar iedereen heeft het volste recht om geschokt zijn. Niemand mag het voorrecht ontnomen worden om niet eens door woorden beledigd te worden. Niemand hoeft dit tekstje te lezen. Je hoeft het niet leuk of goed te vinden. En als je het leest en je vindt het rotslecht, hoef je er niet over te zwijgen. Je mag het me aanwrijven en je mag je erover beklagen. Je mag me er zelfs voor verwensen. Al die dingen mag je doen.  Tot daar mag je gaan en dan moet je stoppen en dan moet je zwijgen.

‘…Elke socialist is met zekerheid een luierik en waarschijnlijk een Moslim-neuker’.  ‘Het leidt geen twijfel dat elke Vlaams-Belang-er racist en wellicht een fascist is.’ ‘Het is toch de waarheid dat alle journalisten linkse ratten zijn.’ ‘Meghan Markle is zonder enige twijfel een opportunistische poen-scheppende derderangs actrice en het is aannemelijk dat Prins Harry een sloef zonder ballen is.’ ‘Laat er geen twijfel over bestaan dat Filip Joos en Frank Raes vooringenomen klootzakken zijn die het beste voor eeuwig en een dag van het scherm verdwijnen, en Mark Van Ranst en Erika Vlieghe zouden dringend langs vanachter moeten genomen door dertien met Covid19 besmette bronstige Watoetsis…’

Indien je het wenst ga ik nog even door want “Ik” heb het recht om die dingen te zeggen en te schrijven. Vrije meningsuiting is mijn grondrecht. Dat “anderen” uitlatingen zoals deze als schokkend, verontrustend of kwetsend ervaren, doet niets ter zake.  Wil de “Westerse Beschaving” en de vrijheid nog iets betekenen, betekent het zeker dat men het recht moet behouden om dingen te zeggen die niemand wil horen, die kwetsen.  Wordt me die vrijheid ontnomen, kan ik net zo goed dom en stil zijn, zoals vee naar de slachtbank geleid wordt. Persvrijheid zonder voorwaarden of schrijven zonder de beperking in toon of nuance, houdt echter ook in dat ik dit met dezelfde ongeschreven regel doe als met de afspraak dat de afstand tussen twee woorden door een spatie gescheiden moet worden. Maar taal past zich klaarblijkelijk niet automatisch aan. Taal hoeft niet aan normen of aan de waarden te voldoen van een beschaving die we ondertussen zouden moeten geworden zijn. Alles mag en alles moet kunnen, dus wees een beerput als je wil maar schrik niet dat wanneer je het deksel ervan optilt, je de rottende stront ruikt van de maatschappij die we aan het worden zijn, één die zo langzaam gist tot we niet meer kunnen ademen. 

Het is niet omdat het jouw stinkende waarheid is, dat het “de waarheid” is…

Fantasie is verwant aan waanzin.

Het gebeurt me soms dat ik voor het ochtendgloren als een wild veulen uit bed spring, met de astrante gedachte dat ik aan mijn tweede jeugd begonnen ben. Wanneer ik mezelf, dan even later met mijn overmoedige spiegelbeeld confronteer, en vaststel dat er meer grijze haren uit mijn neus en oren groeien dan dat er nieuwe op mijn hoofd bijkomen, maak ik van de waarheid niet langer een vijand.  Ik moet dan gewoon toegeven dat ik aan mijn eerste ouderdom begonnen ben. De terminus komt in zicht.  Had ik me in mijn leven wat sneller met een kritisch oog bekeken, zou ik datgene gezien hebben wat tot nu aan mijn blik onttrokken werd. Het verval zou niet onopgemerkt gebleven zijn. Had ik maar sneller goed gekeken, ik zou nooit zulk een scheef en overmoedig oordeel over mezelf geveld hebben. Rimpels liegen namelijk nooit.

Oud worden gaat niet in grote sprongen. Dat gebeurt dag na dag. Ik weet nu dat met elke hartslag die door het leven wordt bijgeteld, de jaren tergend traag voorbijrazen. Aan grootspraak hoef ik me niet meer zo nodig te wagen. Aan mezelf en aan mijn kleine kanten heb ik meer dan genoeg. Ik begin zelfs al aan mezelf gewend te raken en dat feit op zich is niet nadelig. De keerzijde van die medaille is wel dat wanneer ik in mijmeringen als deze wegzink, ik bij mezelf ontdek dat ik mijn gedachten al kan lezen alvorens ik ze kon bedenken. Voorspelbaar oud worden met verhalen die alleen mij toebehoren is dan ook het eenzame lot dat me rest.

“Fantasie is verwant aan waanzin en zelfreflectie is de kortste weg naar het gekkenhuis”: fluistert mijn evenbeeld met een opgetrokken wenkbrauw terwijl hij me van kop tot teen met een blik vol minachting bespat. “Woorden in nutteloze teksten gieten die nergens over gaan, kan jij als de beste maar denk je echt dat ook maar iemand geïnteresseerd is in jouw pathetisch gemijmer?”: snauwt hij niet zonder misprijzen verder.  “Al die mooie woorden die jij telkens opnieuw bedenkt, waggelen maar rond gelijk een vette gans die van het leven niets meer te verwachten heeft buiten doelloos rond te waggelen op een erf.” Hij heeft gelijk.  Er zit niets in mijn kast en er gebeurt niets rondom mij dat ook maar enigszins de moeite waard is om er mijn pen voor uit de schuif te halen. Buiten mijn eigen hobbelige gedachten die rondspringen alsof ik aan mijn tweede jeugd begonnen ben, gebeurt er in mijn leven niets. Althans toch niet iets dat niet even traag waggelend voort strompelt als die oude kwetterende gans die geestdriftig met de vleugels slaat om een beetje indruk te maken.Waggelen is ook een woord dat gebruikt wordt indien grote zaken, die op een breed grondvlak staan dreigen om te vallen. Hopelijk blijf ik nog even overeind.

Zal ik het anders eens niet over mezelf hebben? Ik heb mezelf namelijk de laatste jaren al zo dikwijls binnenstebuiten gedraaid dat wanneer ik mijn ogen naar binnen keer, ik de aambeien in mijn aars kan bewonderen. De kans dat ik je met al die nutteloze introspectieve heb kunnen boeien, acht ik even groot als de illustere ambitie die ik koesterde om ooit een gerenommeerde schrijver met een lezerspubliek te worden. Om van mezelf en van die ijdele hoop los te komen schrijf ik best niet al te veel meer over mezelf.  Ik ben namelijk niet het begin- en eindpunt van alles. Meer dan een voetnoot in mijn eigen biografie zal ik nooit worden.

Brakke travestiet.

Ik ben een slechte travestiet.  Ik ben zonder twijfel de slechtste travestiet die ooit zal hebben bestaan. Niet dat ik dit feit als een grote ontgoocheling beschouw, neen maar eerlijkheid heeft zijn recht en die gebiedt te zeggen dat het me nog nooit gelukt is om travestiet te zijn, en als homo of transgender deug ik evenmin.  Bijgevolg behoor ik gewoon maar tot het voorspelbaar, duffe gedeelte van het mannelijke geslacht dat door hormonen gedreven, met vastberaden tred hunner piet achterna host.  Aan dit eerder toevallige levenslot heb ik geen enkele persoonlijke bijdrage noch enige verdienste. Men kan mij er dan ook niet van beschuldigen.

Toen God, in de tuin van Eden tot Adam (het tot dan toe enige wezen dat voorzien was van een piet) de gevleugelde, niet mis te verstane woorden sprak, “Gaat heen en vermenigvuldigt u”, kan men Adam bezwaarlijk van dovemansoren verdacht hebben. Nu zijn nageslacht stilaan een kleine acht miljard eenheden telt, blijkt het met dat verplicht gaan en vermenigvuldigen, van begin af aan wel snor zat. De mannelijke nazaten van Adam zijn door de eeuwen heen namelijk steevast hun beste been blijven voorzetten, en de meeste van Eva’s nakomelingen bleven, op één luttele uitzondering niet te na gesproken, allemaal gul en royaal bevlekt ontvangen, al heeft zij zonder dat daar twijfel mag over bestaan, meer verdienste aan dan Adam.  Zij had met die grijplustige handjes van haar maar van die jonagold moeten afblijven, een onbegrijpelijke dwaling waarvan de verstrekkende gevolgen ondertussen genoegzaam bekend zijn. We blijven vogelen om te bestaan en we blijven bestaan om te vogelen. Het leven zit wat dat betreft dus redelijk simpel in elkaar. Laten we het dan ook eenvoudig houden. Travestieten en homo’s hebben hun afspraak met Gods eenvoudige wiskunde dan wel gemist. Mogelijks opteerden zij door de jaren heen voor een iets modernere wiskunde, ik weet dat niet en mij niet gelaten. We zijn per slot van rekening stilaan toch al met genoeg.

In boeken staat dat het verleden haar ware gelaat pas toont als de geschiedenis helemaal geschreven is, wanneer de hoofdstukken genummerd zijn, wanneer alle voetnoten vermeld zijn en als het doek definitief gevallen is. Het enige voordeel van postuum beroemd worden, is dat je geen dikke nek meer kunt krijgen. Het grote nadeel ervan is wel dat je even dood als een pier moet zijn als Jezus Christus, zelfs al beschikte die over het eeuwige leven. Hoe ironisch toch. Het feit dat ik zelfs nog maar durf denken om even postuum beroemd te worden, maakt -buiten dat ik mezelf grenzeloos en schaamteloos overschat- dat ik me ook gewoon maar een ordinaire, respectloze dikke nek mag noemen. Een die zelf soms denkt dat hij God de vader is, terwijl ik gewoon al blij zou moeten zijn dat er zich af en toe nog eens iemand aandient die zich over mijn kruis wil ontfermen. Maar wat wil je? Ik ben dan ook maar een uiterst brakke travestiet en als homo of transgender deug ik ook al niet.

Te weinig niets.

Wanneer je af en toe tijd neemt om de woorden te lezen die ik in zinnen aan elkaar rijg, kan je jezelf de vraag stellen waarom ik dat doe. In alle eerlijkheid, ik doe dat ook weleens.  Vanmorgen nog, toen ik me, zonder voorafgaandelijke aankondiging, in een intieme bliksemflits, met een absurde maar vrij intense sensatie realiseerde dat ik eigenlijk helemaal niets voorstel en misschien nog tot minder in staat ben. Dat gevoel was naast oprecht eerlijk en pijnlijk ook hoopgevend en geruststellend. Ik zeg: “geruststellend” omdat geen enkele andere ambitie dan nutteloosheid me vandaag tot een andere verwachting had kunnen verleiden. Ik gunde me vandaag het decadente genoegen om totaal overbodig te zijn.  Nu, dertien uur later en in tegenstelling met hoe ik me vanmorgen voelde, wil ik je laten weten dat het precies zo aanvoelt alsof ik aan de prettige bijwerkingen van een aangename aandoening lijd.  Nu kan ik zelfvoldaan naar mijn scherm glimlachen, omdat ik er toch maar weer in geslaagd ben om de leegte van de dag helemaal dicht te timmeren. “Als je ‘hofke’ klein is moet je het proper houden en onkruid uittrekken”, zou mijn grootmoeder gezegd hebben. Niet dat ze zich geen groter ‘hofke’ kon permitteren, neen ze deed gewoon net zoals ik liever andere dingen dan een grote te onderhouden.

Zonder er in de voorgaande paragraaf tweehonderd zestien woorden aan te moeten verspillen, had ik net zo goed kunnen schrijven dat ik langzaamaan meer de gewoonte heb gekweekt om mijn persoonlijk energieverbruik doelgericht laag te houden maar dan had ik mezelf het genoegen ontnomen om er lyrisch over te worden. In de zinnen die ik net neerschreef doe ik een poging om zonder blozen samen te vatten dat al wat ik in mijn gênante eerlijkheid aan jou toevertrouw maar puberaal gestotter is dat door deze tweeënvijftigjarige wordt opgeschreven omdat hij kampt met een schrijnend gebrek aan ambitie en daardoor de indruk wil nalaten, gekweld te zijn met een uniek leven. Ik had net zo makkelijk alles kunnen verzwijgen maar dan had ik er nooit achter kunnen komen dat deze banale verzuchtingen mijn oude puberziel zou ontluchten. Nu niet dat ik mijn bestaan in ballingschap leef, maar ergens knaagt aan mijn ziel toch een verlangen naar een onbereikbare verte die in mijn fantasie grenzeloos lijkt. Uitreiken naar die onbestaande verte heeft hoegenaamd niets met de werkelijkheid te maken, integendeel, het zijn maar ongevaarlijke bedenksels die me niet zullen doen wegvluchten van de realiteit, ook al is die dikwijls minder spannend dan de gedachten en de dromen waarmee ik in schijngevechten de diepere zin van mijn bestaan bekamp. Het opschrijven van elke spontane hartenkreet, wordt dan gewoon een romantische, veilige tussenoplossing waarmee ik de volheid van het leven helemaal kan omarmen en er tegelijkertijd de passie naar al wat groot, ongeremd is en diepgang heeft mee kan ontvluchten. Al is dat niet altijd zo geweest. Met het streven naar onbestaande erkenning en de vlucht om die in mijn leven toe te laten, heb ik lang een onbetaalbare hypotheek gelegd op innerlijke voldoening en grenzeloos geluk dat voor het grijpen lag. Misschien was er gewoon te weinig niets om het iets te kunnen naar waarde te kunnen schatten. Mogelijks schrijf ik daar morgen over, zo niet droom ik gewoon verder!

Olifanten en Konijnen

De laatste tijd heb ik de gewoonte om net vooraleer mijn dag begint een piepklein lijstje te maken van dingen die ik zeker wil doen. Wanneer ik in de loop van de dag dan bijvoorbeeld ‘aardappelen schillen’ of ‘twintig minuten wandelen’ van mijn lijstje kan schrappen, gun ik mezelf het genoegen dat mijn dag al zinvol geweest is. Platte rust zal in mijn dagelijkse agenda nooit ontbreken, of wat had je gedacht. Omdat ik halsstarrig blijf weigeren een leven te leiden dat een optelsom is van dingen die andere mensen belangrijk vinden, is de kans niet klein dat mocht je beslag kunnen leggen op mijn bucket-lijstje, je dat vodje papier gigantisch belachelijk zou vinden. Veel meer dan een handvol ogenschijnlijk onbenullige krabbels staat er namelijk niet op. Toch geeft het telkens afvinken of doorstrepen van een kattebelletje mij het gevoel dat ik in beweging blijf, dat ik een kleine vooruitgang boek, maar vooral dat ik niet in mijn zetel of op mijn bureaustoel vastgeroest raak.

Het overaanbod nutteloze prikkels waaraan ik me ‘in het normale leven’ altijd heb blootgesteld lijken helemaal verdwenen. Het ingebeelde bezwaarschrift dat ik aan mezelf schreef om de rondspringende konijnen weg te jagen werd eindelijk gehoord en is ontvankelijk verklaard. Overbodige activiteiten zoals eindeloos, zinloos scrollen in mijn sociale mediafeed en commentaar geven op elk laatste trending bericht, waren rondspringende konijnen die dringend geslacht moesten worden. De dagelijkse ratrace van en naar het werk was nog zo’n Vlaamse reus die wat te veel plaats in het konijnenkot had ingenomen.

Nu het ‘vroegere normaal’ plaats gemaakt heeft voor een nieuwe realiteit lijken er opeens belangrijke dingen onder mijn neus te gebeuren die vroeger helemaal aan mij voorbijgingen. Dat is zonder twijfel het gevolg van het trage leven dat ik leid. Door bewust niet met ogenschijnlijk belangrijke dingen bezig te zijn, krijg ik ruimte voor de essentiële. Die dagelijks ingeplande me-time wil ik voor geen goud ter wereld meer missen.

Op mijn lijstjes lopen olifanten en konijnen mij niet langer voor de voeten. Hierdoor raken mijn gedachten geordend waardoor ik ze niet langer meer door anderen in vakjes hoef te laten duwen. Want hokjes dienen om borstels, dweilen en kuisgerief in op te bergen niet om gedachten en plannen in weg te stoppen. Ik ben zeker dat door overzicht te bewaken mijn ideeën vrijer geworden zijn. Ik durf dan ook te roepen: ‘Weg met opgedrongen verwachtingen’. Het zijn dieven in je huis. Ze stelen al de zaken die je waardevol en belangrijk vindt, ze verschuiven je meubels, beduimelen je ramen en trekken een modderspoor door de hal wanneer ze met hun vuile voeten je veilige huis betreden. Weg ermee!

Leven met mezelf!

Misschien betekent vooruitgaan en stappen zetten in het leven soms noodgedwongen achteruitblikken en terugkijken naar het verleden. Mensen, waarmee ik aan het begin van mijn alcoholstruggle van gedachten wisselde, probeerden me uit te leggen dat het heden gemaakt wordt in het verleden. Heel lang begreep ik niks van wat ze daarmee bedoelden. Leven uit het verleden leek me eerder een bijzonder onaangename bezigheid. Tot dan toe had ik nèt geprobeerd om dat verleden uit te wissen alsof het nooit had bestaan. Terugblikken naar wat ooit een beschamende realiteit was, deed me huiveren en mijn lichaam verstijven als dat verleden te dichtbij kwam. Beklemende schaamte, je kent het wel!

Het was alsof ik me in twee tegenovergestelde werelden bevond, een nieuwe, onbekende waarvoor ik gekozen had en een andere die vertrouwd was maar waarin ik niets terugvond om fier over te zijn maar die er zich telkens en zonder toestemming te vragen steeds opnieuw probeerde tussen te wringen.

Toen ik, nog niet zo heel lang geleden, diep in het verleden peuterde en te lang naar de flashbacks van mijn eerste wereld keek, namen woede, schaamte, verdriet en andere negatieve gevoelens steeds opnieuw de bovenhand. De angst om met die gedachten in een donker zwart gat mee gesleurd te worden, trok als een wild-stromende rivier door mijn ogenschijnlijk rustigere leven. Soms droomde ik ervan en dan botsten die twee werelden die ik van elkaar gescheiden wou houden op elkaar, zoals water op een rots in de kolkende stroom waarin ik me probeerde drijvende te houden.

Zolang ik mijn verleden buitensloot, gaf ik bitterheid, angst, twijfel en ontgoocheling alle kansen om me te blijven achtervolgen en me te blijven opjagen. De obsessieve gedachten aan mijn zat verleden, aan de gemiste kansen en aan gekwetste mensen, namen zoveel plaats in dat er geen ruimte over was om de zin en het geluk van mijn nieuwe, sobere bestaan te (her)ontdekken.

Door de dingen van me af te schrijven en door erover te vertellen, merkte ik plots dat de mogelijkheid bestond om me te ontdoen van de naargeestige gedachten die ik tot dan toe had meegezeuld als een rugzak vol met stenen. Met het verstrijken van de tijd, en met elke nieuwe sobere dag kon ik mijn brein opnieuw programmeren zodat oude gewoonten vervaagden en plaats konden maken voor nieuwe.

Ik kwam eindelijk tot inzicht dat ik niet de hele tijd gevochten had tegen de dingen die waren gebeurd. Neen, ik had de hele tijd gebokst tegen zaken die niet waren gebeurd maar hadden moeten gebeuren.

Lange tijd heb ik de fles keuzes laten nemen zodat ik ze zelf niet hoefde te nemen. Door dat vluchtgedrag heb ik mezelf enorme kansen ontzegd. Ik kan me daarover zolang beklagen tot ik een punthoofd heb maar het heeft geen enkele zin om bij die enge gedachte te blijven stilstaan of om er verbitterd over te blijven. Helpt het me of belemmerd het me? Het zijn twee belangrijke vragen die ik me nu af en toe durf te stellen.

Drank had me zonder moeite alles kunnen ontnemen maar dat is niet gebeurd. Over één ding ben ik uiteindelijk de baas gebleven en ik ben fier en prijs me gelukkig dat hij me dat laatste restje menselijke vrijheid niet heeft kunnen ontnemen. Het was de keuze om vrij te zijn, de keuze om te kiezen, en die keuze heeft mijn leven bepaald.

Dit inzicht is alleen maar kunnen ontstaan door nuchter te praten met mensen die een gelijkaardige weg hebben afgelegd. Om ervan te leren en om er moed uit te putten. Het helpt me nog steeds enorm vooruit om over mijn angsten en twijfels te getuigen zodat ik er doorheen kon stappen.  Gesprekken geven me inspiratie en nieuw besef zodat ik er verhalen kan over blijven vertellen. Expressie lijkt dan toch het tegenovergestelde van depressie, of hoe zeg je dat?  

Met het inzicht verworven dat ik niet alleen sta met mijn probleem, kan ik de slachtofferrol van me afgooien. Ik zie nu in dat lijden in al zijn aspecten bij het leven hoort zoals ademen, eten en slapen.  Ik kom er elke dag achter dat het slachtofferschap ook een keuze kan zijn. Voor mij is het een ongewenste optie die niet meer bij mijn leven hoort. Ik probeer er ver van weg te blijven. Ik weet dat de volgende gedachte alles behalve nederig klinkt, misschien zelfs een beetje hoogdravend maar ik ben zeker dat ik de enige persoon op deze kluit ben die in staat is om van mezelf een slachtoffer te maken. Zelfbeklag is namelijk een passieve emotie die ik heel goed ken.  Die negatieve emotie heeft me veel te lang helemaal doen terugplooien op mijn eigen ellende. Ik legde de oorzaak uit gemakzucht bij externe factoren of bij andere mensen zodat ik zelf geen verantwoordelijkheid moest opnemen. Op een helder moment en na en inspirerende babbel met de juiste persoon, kwam ik erachter dat ik onmogelijk in de schaduw van mijn verleden kon blijven staan om me daar vervolgens te beklagen dat ik de zon niet meer kon zien. Ik gaf mezelf toestemming om me te ontdoen van mijn twijfels, van mijn negatieve zelfbeeld, van opgedrongen verwachtingen en van de last van mijn verleden.  

Voortaan mag ik helemaal mezelf zijn en dat feit is op zich een verrassing, omdat ik dagelijks mag ervaren dat met die gedachte best te leven valt. Dat is opnieuw heel veel om nederig en dankbaar voor te zijn!

Vanaf morgen zal ik schitteren.

Vandaag was het Blauwe Maandag, de dag waarvan we allemaal aannemen dat hij de meest deprimerende van het jaar is. Ik ben niet helemaal zeker of dit jaar, blauwe maandag die competitie met de andere dagen mag doorstaan want laat er ons niet flauw over doen, er zijn er wel wat geweest, sombere dagen. Als ik mezelf in de spiegel inspecteer en stil sta bij de vraag, hoe ik die blauwe dag van dit jaar waardeer, geef ik hem op de schaal van de treurnis een ondermaatse vier. Want geef toe de wereld stond niet stil.  Blue Monday had voor wat de poleposition betreft geduchte kandidaten. Mijn bankrekening mag er dan niet op achteruit gegaan zijn, voor al de rest was het een boerenjaar om nooit, of om voor altijd te vergeten. Denk maar eens aan die sinistere avondklok, daar wordt een mens toch niet vrolijk van? Ik heb het dan nog niet eens over die onheilspellende Engelse en Zuid Afrikaanse mutanten die ons laf besluipen of over het feit dat zowel Maradona als Kobe Bryant hun pijp brak.

Het afgelopen jaar ben ik niet met lopen begonnen en aan wandelen is een einde gekomen. Ik wijt dat hoofdzakelijk aan mijn oude, versleten botten, want er was werkelijk niemand waarbij ik terecht kom om samen met mij uit te zoeken hoe ik aan nieuwe degelijke wandelschoenen kon raken.  Van al mijn vrienden en kennissen is die vriendelijke zwarte man van Post-Nl diegene die mijn deur het meeste plat liep. In het laatste pakje dat hij afleverde, zaten 5 splinternieuwe powerlines. Eindelijk kan ik beschikken over vliegensvlug internet op ‘t wc, in de badkamer, op de zolder, en zelfs in de patattenkelder zodat ik overal in huis mijn allergrootste ergernis van de Lockdown kan onderdrukken, namelijk die dekselse buffering op pornhub.

Wat mij betreft mag volgend jaar Blue Monday terug op één want dit jaar ga ik echt opnieuw gekke dingen doen. Ik ga zeker poedelnaakt zwemmen in een zoute zee in het noorden. Ik zal meer dan eens de karamel van een potje crème brûlée breken in een veel te duur restaurant.  In het bijzijn van al mijn vrienden zal ik een scheet laten die langer dan vier seconden duurt en ik wil een pasgeboren kalfje nog eens aan mijn vingers laten likken. Kortom, vanaf straks zal ik terug schitteren…ook al is het maar in mijn dromen.

Arrogante desillusie…

Zo een stoere rebel ben ik, dat het enige Witte Huis dat ik deze week bestormde, een bouwvallig luchtkasteel bleek te zijn dat ik in mijn hoofd had opgetrokken. In tegenstelling tot de gewelddadige Amerikaanse beeldenstorm bestond mijn ingebeelde reis van deze week alleen maar uit ongevaarlijke gedachtensprongetjes in min of meer aangenaam gezelschap.  Nu mijn trektocht achter de rug is realiseer ik me weer dat mijn tijd kort wordt en ik me beter een beetje zou haasten om ervoor te zorgen dat ik ooit bereik waarvoor ik hier ben. Hoewel die druk soms dwingend kan zijn, laat ik me door niemand opjagen. Ik ben mijn eigen baas. Hij, en hij alleen zal me ten gepasten tijde laten weten wanneer ik eraan moet beginnen en in het slechtste geval kom ik er wel achter wanneer de omstandigheden me ertoe dwingen.

Ik blijf geduldig want mijn leven is toch maar een eindeloze speurtocht met als speelveld een ongekend terrein waarop ik probeer te achterhalen hoeveel ik ertoe doe, en hoeveel niet. De enige hulp die ik daarbij heb, is een onleesbare kaart waarop wegen en kruispunten kriskras door elkaar lopen. Om de juiste bestemming te zoeken of om de afmetingen en de grenzen van mezelf te vinden, kan ik me enkel baseren op een onbegrijpelijke legende die me tegenstrijdige instructies toont. Hoe langer mijn ontdekkingsreis duurt, hoe vaker ik tot de vaststelling kom dat mijn queeste misschien alleen maar als doel heeft, dingen te vinden die ik niet bezit maar waarvan ik wenste dat ik ze had, en dingen kwijt wil waarvan ik eigenaar ben maar wenste dat ik ze niet had. Maar dingen zijn onbelangrijk, schoonheid daarentegen… Piekeren over streven naar het onbereikbare doet me er met open mond naar gapen, tot ik helemaal ondersteboven hang en tot mijn hart op dit papier uit mijn mond valt. Inzicht in mezelf en kennis van hoe ik in elkaar zit en is één ding maar wanneer je er teveel van hebt wordt het soms iets om bang van te zijn.

Nu ik herlees wat ik hier neergeschreven heb, kom ik tot de conclusie dat ik veel goed klinkende woorden bezit maar over veel te weinig daadkrachtige acties beschik die ermee overeenstemmen. Misschien is mijn leven gewoon maar wat prutserij dat ontstaat uit woorden die mijn bestaan interessanter proberen voor te stellen dan het in werkelijkheid is en wordt de zinloosheid ervan maar gemeten aan het aantal tegenstrijdige woorden dat ik erover op papier kan zetten. Laat dat nu zijn wat ik tegenwoordig nog doe, ik pieker, maak koffie en bezwijk aan suïcidaal nihilisme dat ik neerschrijf.

Mogelijks wil ik gewoon dat iedereen mij leuk vindt en zelfs dat idee op zich is een arrogante gedachte. Met die aanmatigende desillusie ben ik ooit al eens bijna aan mijn einde gekomen, vorige week nog, toen ik aan deze zoektocht begon.

Niet veel meer dan…

Geestdriftig ontkomen aan geraas.
Graag zien gelijk een dwaas
Met aandrang,
tot ik vang.
Zoals een slak vooruitkomen.
Oneindig zotte dromen,
die ik  opschrijf,
en ik blijf.

Tabula rasa met een ontsmette ziel.

Mijn computer doet het niet. Althans, hij doet de dingen die ik hem vraag wèl, maar véél trager dan ik het van hem gewend ben. De cursor in het midden van mijn beeldscherm draait onophoudelijk cirkeltjes alsof het mij wil laten weten, niet te kunnen beslissen om ergens mee te starten of om ergens mee te willen stoppen.  Dit fenomeen is, door de crisistijd waarin we ons bevinden, mij niet geheel vreemd.  Omdat de beperkingen van de dag me niet kunnen blijven achtervolgen, mag ik zonder me te schamen vervallen in uitstelgedrag over dingen die ik nog zou moeten doen. Soms heeft dat als gevolg dat ik net zo vast kom te zitten als de computer die zucht, kreunt en toertjes draait over wat ik van hem verwacht.

‘Herstart eens’: dicteert ze me onachtzaam, zonder oogcontact te verliezen met het scherm van het mobieltje waarmee ze belangrijke dingen lijkt te doen.  Aangezien ik evenveel kennis over computers bezit als over Taxidermie, doe ik zonder nadenken wat ze mij opdraagt.  Zonder nadenken doen wat mijn vrouw me oplegt, stuit normaliter bij mij op meer weerstand, maar gezien de situatie maak ik met minder zeiken dan gewoonlijk een uitzondering. Zij werkt per slot van rekening toch al een eeuwigheid op de ICT-afdeling van een gerenommeerd communicatiebedrijf. Ik ben het zeker dat haar bazen enorm tevreden zijn over het werk dat ze dagelijks levert, ook al bestaat haar persoonlijke bijdrage aan het oplossen van problemen er soms alleen maar uit om die ene magische vraag te stellen, ‘Heb je al eens geprobeerd om terug op te starten?’ Om het in mijn hoofd en naar mijn aanvoelen allemaal nog een beetje erger te maken, beveelt ze kortaf, bovenop de goedbedoelde hulplijn die ze mij al toesmeet nog: ‘Control, Alt, Delete!’. Vreemd om vast te stellen dat drie woorden die met de beste wil van de wereld uitgesproken worden, nu als brandversneller dienen op een vuurtje dat ik per se klein wilde houden.  Gelukkig zit haar blik nog steeds vastgekluisterd aan het scherm van haar telefoon, zodat ze onmogelijk kan merken dat ik ongepast geïrriteerd met mijn ogen rol.  Met een diepe zucht vind ik een dankbare schuldige voor mijn tactloze onverdraagzaamheid. Ik acht de traagheid der dingen en de gevolgen van de Coronacrisis er persoonlijk verantwoordelijk voor dat we elkaars persoonlijk territorium al tien maanden lang onbedoeld blijven overtreden omdat er gewoonweg geen andere uitweg is.

Hoewel de dag zich veelbelovend aandiende, is dit alles op een woensdag begonnen. Misschien ontging het u maar dit onheilsjaar begon op een woensdag, met een valse start en met tv-beelden vanuit China die het virus virtueel in ons gezicht uitbraakte om er ons de rest van het jaar sociaal mee te verlammen.  Hoe dichter het einde van dit kut-jaar nadert, hoe meer het zich op dezelfde manier tot 2019 verhoudt, zoals masturberen zich verhoudt tot stomende seks. Je bent dan wel even tot een geforceerde climax gekomen, je blijft wel helemaal op jezelf en op je inbeeldingsvermogen aangewezen om het een beetje spannend te houden, al dan niet met de bijdehandse hulp van een ‘fake vriend’ die je in het nachtkastje van je slaapkamer verborgen houdt.

Is het omdat de pandemie het afgelopen jaar zo hevig woedde dat we ‘echte vrienden’ voor het alziend oog van de buren en voor rondvliegende Drones, in onze tuin moesten verstoppen? Of is het omdat verifieerbare feiten en wetenschap ondergeschikt werden aan complottheorieën en misplaatste ingebeelde samenzweringen, dat 2020 nu precies aanvoelt alsof het een einde neemt zonder dat het ooit een echt begin heeft gehad?  Is het hierdoor dat we belangrijke dingen waarvan we leerden om er blind op te vertrouwen naar de achtergrond duwden, om plaats te maken voor twijfel, angst, ontevredenheid en agitatie? En is dit dan een jaar om snel of om nooit meer te vergeten? Zelf heb ik geen antwoord op die vraag maar als ik straks dit jaar eindelijk definitief mag weg zuchten zal ik zeker weten dat tegendraads zijn mijn gemoedsrust niet kan bevorderen, integendeel. Dat heb ik zelf tot scha en schande mogen ondervinden.

Maar als we nu nog even volhouden, zullen we straks eindelijk woorden als superverspreider, balkonsolidariteit, huidhonger, versoepelaar en knuffelcontact definitief naar onze collectieve vergetelheid kunnen verbannen en zullen we tabula rasa, met vuile handen en met ontsmette zielen samen in ‘roaring twenties’ een nieuwe start kunnen nemen.

Ondertussen is mijn computer aan het opstarten. Ctrl-Alt-Del en die herstart was echt zo moeilijk niet en mocht dat niet lukken kan je altijd nog de stekker uittrekken.

Simpel leven.

Buiten is het ijzig stil en hoewel er aan de bomen geen enkel blad ritselt, draaien de windmolens in mijn hoofd onophoudelijk. Ze molenwieken geruisloos tegenwijzerzin en malen de gedachten fijn tot er alleen nog idealistische waanideeën of onpraktische heldendaden overblijven. De duisternis buiten en het rode klokje van de microgolfoven zeggen me dat het zeven uur, drieëntwintig minuten en zeventien seconden geleden is dat de dag door de nacht werd opgeslokt, hét uitgelezen moment voor deze dolende ridder om een verroest harnas aan te trekken, een papieren helm op te zetten, en om met een botte griffel, idealistisch en overmoedig ten strijde te trekken tegen de kwelgesels van de illusie en de spoken van de realiteit, voorwaar soms een gevaarlijke bezigheid, zelfs voor een gammel wordende edelman.

Terugblikken is heilig en helend. Maar het is ook hels en duivels. Als ik niet oplet wordt mijn geheugen een Fata Morgana in een woestijn waar angst, schaamte en schuld als uitgehongerde aasgieren rondcirkelen boven rottende kadavers. Dat gebeurt steevast wanneer ik terug ga naar die onheilsplaats om er naar antwoorden te zoeken op vragen die overblijven maar waarop ik maar geen sluitende antwoorden weet te verzinnen.

Net op het moment dat ik dit onheilspellend denkspoor verlaat, stelt iemand, en voor hetzelfde geld is het mijn ingebeelde zelf, me zo maar uit het niets de vraag wat ik nog met de rest van mijn leven wil aanvangen. Ik bedien de stem in mijn hoofd van een repliek door te zeggen dat, ‘halfwassen oud worden een gave is dat enig talent vereist en dat ik daar, zonder dat er twijfel mag over bestaan, beter in ben dan eender wie’. Ik verzwijg voor de stem in mijn hoofd dat ik me daarin gerust nog jarenlang tot expert wil bekwamen. Ik zeg ook niet dat de jaren die nog in het verschiet liggen, mij bijwijlen nog met ambitieuze verwachtingen liggen te begluren, met vooruitzichten waarvan ik op grond van huidige feiten of omstandigheden durf te betwijfelen of ze ooit aan daadkracht zullen winnen.  De vraag of ik het mijn leeftijd niet verschuldigd ben om meer te doen dan te grossieren in kosmische avonturen duw ik naar de grens van mijn gedachten.  Waar bemoeien die zich mee zeg?

Op dit moment, over acht dagen zal het grootste gedeelte van mijn congé payé achter de rug zijn. Als ik daartegen nog niet tot de conclusie gekomen ben dat de thuiswerkende mens de nieuwe heilige is, zal ik buiten het bedenken van nieuwe kosmische avonturen niets aan het doen zijn. Mezelf kennende is de kans namelijk zo veel malen groter dat ik me tegen dan al helemaal heb gespecialiseerd in het nemen van vakantie. Want laat, naast halfwassen oud worden, vakantie nemen de tweede belangrijkste gave zijn, die ik bezit en waarvoor een even groot uitzonderlijk talent noodzakelijk is als voor jong van geest oud worden.

Deze verplichte staycation, wat haat ik dat kutwoord, schrikt me niet af, want nu het licht halfuit is en de stad met zijn drukke mensen is omgevormd tot ghosttown kom ik tot de conclusie dat ik er helemaal niets in verloren ben. Net zoals ik niets van waarde verloren ben in onheilspellende flashbacks of in sinistere toekomstscenario’s. Voorlopig heb ik nog meer dan genoeg aan vandaag, aan mezelf en aan een verroest harnas, een papieren helm en een botte griffel. Het leven kan simpel zijn, zelfs voor een puberende ridder van tweeënvijftig bent die ronddoolt in zijn gedachten.

Schuiver…

Vastberaden, dat is het woord dat helemaal omschrijft hoe ik het aangepakt heb, kordaat en gedecideerd, sinds de eerste dag dat ik voor mezelf beslist had om definitief te stoppen met alcohol te drinken. Zeven jaar lang heb ik het zo goed gedaan om gestopt te blijven. In die tijd heb ik alles terugverdiend wat ik de twintig jaren voordien was kwijtgespeeld. In die zeven jaren is het me gelukt om de drankduivel een stapje voor te blijven waardoor het leven voorzichtig en met mondjesmaat teruggekeerde. Liefde, plezier, voldoening, inzicht, eigenwaarde, zelfrespect en rust waren gevoelens die ik in mezelf en samen met anderen opnieuw ontdekt had. Zonder me ongepast op de borst te kloppen, durf ik zelfs zeggen dat het me de laatste jaren niet eens grote moeite heeft gekost om gestopt te blijven. Het ging bijna als vanzelf. Tot gisterenavond. Er stond een pas geopende fles Chablis in de koelkast. Vraag me niet wat me bezielde. Vraag me niet waarom ik die aangeleerde trucs om de verleiding te weerstaan negeerde. Vraag me niet naar het waarom, want ik heb geen antwoorden.

“Een glas”, dat kan geen kwaad”, en dat was meteen het allerlaatste wat ik me van gisterenavond nog kon herinneren, toen ik vanmorgen in het ziekenhuis wakker werd van het gepiep van een hartmonitor. Ik werd beademd en in mijn rechterarm zat een infuus die leidde naar een baxter en een andere flacon, waarvan ik de inhoud niet kon aflezen. Hoe ik hier aanbeland ben en wat ik heb uitgespookt, is een vraag waarop ik het antwoord beter schuldig blijf. Ik ben hervallen en het enige wat ik zeker weet, is dat de 3,2 alcoholpromile in mijn bloed voor vele mensen fataal zou kunnen zijn. Dat heeft een dokter me zonet kordaat ingepeperd. Na al die jaren, is deze terugval de meest frustrerende en de meest vernederende ervaring die ik ooit meemaakte. De nederlaag voelt zo zwaar, en zo alles-vernietigend aan dat schuld en schaamte de enige gevoelens zijn die nog resten. Al het andere kan ik alleen maar omschrijven als zwarte doffe ellende. Ik durf niemand onder ogen komen en de verleiding om de handdoek definitief in de ring te gooien, en om mijn verslaving heel kort en hevig uit te leven, is vele malen groter dan de moed om de draad weer op te nemen. Ik wil nu dood en die beslissing is sneller, en met meer vastberadenheid genomen dan de overweging van enig ander alternatief…

Ondanks het feit dat het dakraam op een spleet staat, en het in de kamer behoorlijk koel is, schiet ik koortsachtig, badend in het zweet wakker. Mijn mond is kurkdroog en mijn slapen kloppen als boorhamers. Ik duizel en mijn hart gaat wild te keer alsof een kater in alle hevigheid woedt. In de verte vraagt iemand of ik ok ben. De stem klinkt vertrouwd, en als het licht van de nachtlamp het duister verjaagt, merk ik dat ik helemaal verward, rechtop in mijn bed zit. “Een nachtmerrie”, prevel ik angstig, nog steeds beschaamd, omdat ik niet helemaal zeker weet of datgene wat ik zonet beleefde een kwade droom of realiteit was. Bij het leeggoed dat in de bergruimte naast de blauwe pmd-zak staat, zitten geen lege flessen Chablis en vind enkel drie lege flesjes ice-tea-zero en daarmee de bevestiging die ik nodig had.

Deze schuiver, is mij niet overkomen. Ik heb hem alleen heel erg hevig in een droom beleefd. En ook al voelde het aan als het einde van de wereld, prijs ik me nu gelukkig en ben ik dankbaar dat ik in staat ben om alles opnieuw langs de positieve kant te bekijken. Want door deze ingebeelde relaps weet ik weer heel zeker waarom ik, met de eindejaarsdagen in het verschiet, dat eerste glas maar beter kan laten staan.