Whatever… Fomo-foemp!

Ik sta opnieuw op een kruispunt in mijn leven. Ik ben 53.  Uitgaan, nieuwe mensen ontmoeten, gedoe, het interesseert me niet zoveel meer. Ik heb genoeg ‘vrienden’ op facebook. Anders dan die kwebbels die mijn vrouw afgelopen maandag had uitgenodigd om te wijnen, kan ik hen muten wanneer ik dat wil. Handig toch? Maar serieus, ik heb het gevoel dat ik in mijn leven opnieuw op een splitsing sta. Het ergste stuk van de midlifecrisis ligt achter mij, althans dat denk en hoop ik.  Ik ben erachter gekomen dat het allemaal niet beter meer wordt.  Grootvader zie ik me de eerste paar jaar niet onmiddellijk worden en mijn professionele leven kabbelt verder gelijk een beekje dat het hard te verduren heeft gehad met de opwarming van de Aarde.

Wat blijft er dan over om mijn tijd te doden?

Juist, met mijn geliefkoosde hobby, mensen beoordelen.  Laat facebook daar nu het ideale medium voor zijn. Gisteren was ik door de profielen van mijn allernaaste familie aan t scrollen. Gewoon om me ervan te verzekeren dat ze nog steeds marginaal en racistisch zijn. Grapje, daarvoor heb ik facebook niet nodig. Dat staat ook op Instagram, Whatsapp en tinder en als ik ze tegen ’t lijf loop hoeven ze hun mond niet open te doen om me daarvan te overtuigen.

Al scrollend door de wondere wereld van facebook botste ik op een van mijn ‘vrienden’.  Niet dat ik hem de afgelopen tien jaar in ’t echt ontmoet heb, laat staan dat ik er IRL ooit een woord mee gewisseld heb. Nieuwe virtuele vrienden heb je nooit genoeg toch?  In zijn laatste bericht las ik dat hij een pauze neemt van Social media. Heb je mensen dat ooit zien doen? Dat gebeurt altijd met een plechtige aankondiging: “Ik heb er even genoeg van, ik neem een digitale detox, #moedig, #getttingalife, #lifesbetter@dentoog.”  Met deze moedige post wanen ze zich de nieuw held van het internet.

Wat ze niet weten is dat, voor ze dit bericht plaatsten, het niemand al een bal kon schelen. Ze whatever-en door het leven en verwachten dat we hun ge-whatever onthalen met bloemen en lofzang, duimpjes, likes, shares en retweets. Als ze er niet genoeg krijgen geven ze er met een virtuele pruillip de brui aan. Zo kwam ik er bijvoorbeeld gisteren achter dat hij, mijn virtuele beste vriend’, een maand lang het gras niet had afgereden, #maaimeiniet, #zetjelevenopgroen, #blijvoordebij en dat hij vier weken geleden voor de tweede keer in die week sushi besteld had, #teriyakistraffewasabilol, #sushiloversarebetterloversyolo.

Waarom schrijft iemand überhaupt een bericht om aan te kondigen dat hij vanaf morgen een facebookbreak neemt? Ik vraag het me af. Dat is toch min of meer hetzelfde als nu het glas heffen en je ladderzat drinken op het feit dat je morgen stopt met drinken om dan rond het middaguur een aperitief te ‘nuttigen’ omdat je de track niet onder controle krijgt? #slechtefbdetoxstart, #facebookbreakfail, #zoujeniebeternekeerietsnuttigsdoenfomofoemp

Achttien en verse lakens

De meeste facebookberichten, om elke misverstand hierover uit de wereld te helpen, ik ben er geen voorstander van.  Om niet gezegd te hebben dat ik ertegen ben en ze eigenlijk verafschuw.  Dat jij over bepaalde gebeurtenissen die zich ver weg of dicht bij jouw leefwereld afspelen een mening wil hebben, mij goed en tot daaraantoe. Ik heb ze soms ook, maar om mensen daarmee constant lastig te vallen? Echt, moet dat zo nodig? En dan altijd zo negatief. Denk je echt dat ik wakker lig van al datgene waarvan jij vermoedt dat ik net zoals jij ook wakker lig? Nope! Doen we niet!

Toegegeven, ik aanschouw wel eens een diepere gedachten en voel af en toe behoefte om ze te beschrijven in gekrulde zinnen en uitgesponnen teksten, maar de aandrang om aan de wereld mijn mening op te dringen?  Daarvoor ontbreekt het me aan moed, kennis, durf, intelligentie maar vooral aan arrogantie. Maar somtijds dwingt nood wet want als ik nog aan iets een grotere hekel heb dan aan meningen in facebookberichten dan is het aan het gezwam over het verschil tussen de geslachten. Mocht mijn leespubliek nu uit gen-Z bestaan, ik zou niet nalaten het woord geslacht nader te verklaren met man en vrouw.

De bladvulling en flauwekul die hierover de laatste tijd bij elkaar gezwamd is! Laten we aub de Heer dankbaar zijn dat hij bij de schepping maar twee geslachten in gedachten had, zo niet was het onheil helemaal niet te overzien geweest. Ten tijde van Felix Timmermans’ boerenpsalm was het allemaal veel eenvoudiger:

“Ik voel me lijk een boom die ’t sap van den grond opzuigt. Maar ons Fien roept en dan gaan we slapen, in versche lakens. ’t Was of we nog maar achttien jaar waren en ik in acht maanden niet meer thuis geweest was!”

Als je in die tijd trouwde en je een paar nakomelingen uit je werkmansbroek had geschud, mocht je jezelf al content prijzen dat je elkaar niet elke dag met de riek achterna zat. Als je daarin lukte was het leven al een succes. Nu moeten we naast minstens tien uur werken ook nog met elkaar gelukkig worden. We eisen daarbij elkaars volle aandacht om samen aan de relatie te wèrken. Ik krijg vaak en word al moe als ik eraan begin te denken. Als liefde een werkwoord moet zijn wanneer gaan we dan in verse lakens slapen om te doen alsof we nog maar achttien zijn en we acht maanden niet meer thuis zijn geweest?

“De vrijgevochten vrouw werkt te hard en is niet heet genoeg. De nieuwe man is te lief en niet spannend genoeg.”

Zou onze Lieve Heer dit in gedachten gehad hebben toen hij in ’t de tuin van Eden, Eva in een Granny Smith liet happen? Nope, en ik denk van niet maar als God wil straffen, aanhoort hij je gebeden. Ook wanneer het mannen en vrouwen aangaat. Vooral wanneer het mannen en vrouwen aangaat. Want vrouw, wou jij niet dat je man een beetje zachtaardiger werd en man, wou jij niet dat je vrouw een paar centen bij verdiende? God zalft en slaat maar straft onmiddellijk.

Het is hoogtijd dat we mannen en vrouwen met rust laten, en dat ze zijn wie ze willen zijn. Mannen desnoods in een rok of vrouwen in maatpak, op voorwaarde natuurlijk dat ze elkaar gerust laten en dat ze af en toe nog eens doen alsof ze achttien zijn tussen verse lakens.

Om elk misverstand te vermijden.  Ik ben geen voorstander van facebookberichten, om niet gezegd te hebben dat ik ze verafschuw maar misschien heb ik gewoon een gebrek aan verse lakens of aan de verbeelding om opnieuw achttien te zijn.

Vaya con dios

Het is toch geen misdrijf als je de keuze maakt om niet meer te willen leven? Uit het leven stappen zegt niets over de persoon die jij ooit bent geweest. Het zegt niets over al de dingen die je goed of fout hebt gedaan. Zelfdoding maakt van jou geen beter of slechter mens.

Het zegt alleen iets over het feit dat je op deze plaats niet meer wil zijn. Je nam voor de meest intieme en voor de meest persoonlijke redenen de beslissing om van het leven geen deel meer te willen uitmaken, omdat het te moeilijk was, omdat het te zwaar was of omdat je geen enkele andere ontsnappingsroute meer zag. Die keuze mag niet goed- of afgekeurd worden ze kan alleen maar geaccepteerd worden.

Suïcide is geen misdaad als je de keuze maakt om niet meer te willen leven.  Je kan er niet voor gestraft worden en je hoeft er bij niemand meer verantwoording voor af te leggen. Het is geen crimineel misdrijf ook al laat je vele mensen achter met ‘levenslang’.  Geen levenslange straf maar levenslang gemis, met onbeantwoorde vragen en levenslange schuldgevoelens.  Met rauw verdriet en levenslange vertwijfeling en wanhoop, met levenslange emoties die geen plaats of troost meer kunnen vinden. Met onophoudelijke analyses en met “what if’s” die geen steekhouden maar die voor altijd zullen blijven ronddolen in de hoofden en in de harten van al diegenen die zo dicht bij je stonden maar niet meer tot jou konden doordringen.

Maar moord was het niet… het was geen misdadige actie. Je wou alleen weg. Weg uit de donkerste steeg waarin je was aanbeland en waarin voor jou geen enkel licht meer leek te schijnen. Ook al is ze keihard en is het onmogelijk te zeggen of het ooit helemaal zal lukken maar de keuze die je gemaakt hebt moeten we je gunnen, anders was je onze vriendschap niet waard geweest.

Maar zelfmoord?  Wat een afschuwelijk woord.  Het heeft de nuance van iemand die je ziel vermoordt en dat is niet het geval. Hij zal voor altijd blijven ronddolen in gedachten en in herinneringen. Dat zal nooit veranderen.

Vaya con dios maat, met de wind vanachteren. Je zal er een beter plekje vinden dan hier.

De grootste, de dikste en de langste

Mensen die in het leven staan met de illusie “het” gemaakt te hebben of “het” aan ’t maken zijn omdat ze toevallig een paar centen in hun zakken hebben, zijn sneller kwaad dan mensen die afhankelijk zijn van hulp die door anderen verstrekt wordt.  Dat feit op zich is een bijzonder vreemde vaststelling omdat ons zelfbeeld er net op gemaakt is om geen hulp nodig te hebben of te aanvaarden. Je zou dan toch verwachten dat net dat begoede deel van de samenleving iets gelukkiger door het leven stapt, niet dus.

Aan jezelf toegeven dat je hulp van doen hebt maakt je niet trots. Echt, je wordt daar niet blij van. Je zou dan toch verwachten dat net deze mensen sneller kwaad worden. Niet dus, het tegendeel is waar.

Het zijn net mensen, met de centen in hun zakken en geen hulp van doen hebben die minder dankbaar zijn, cynischer door het leven stappen en sneller boos worden. Straffer nog, in de meeste gevallen worden ze boos op de groep stakkers die met hun pree niet rondkomt.  Ze kijken erop neer, maken hen het verwijt lui te zijn, te profiteren, dat ze hier niet thuishoren of gewoon, dat ze harder moeten werken, harder moeten proberen etc. Kortom ze gaan er verkeerdelijk van uit dat het met wilskracht allemaal opgelost kan worden.  In hun ogen is groei en vooruitgang een keuze die alleen met inzet en doorzettingsvermogen kan bereikt worden. Contradictorisch is dat ze er tevredenheid en geluk niet voor in de plaats lijken te krijgen.

Toch worden ambitie en groei van jong af gepromoot en gestimuleerd. Haak je daarvoor af word je als buitenbeentje van de roedel beschouwd. Wie niet wil groeien of gewoon tevreden is met de lengte, de dikte, het loon of het leven wordt als raar of ongewoon bestempeld? Van kindsbeen af wordt het ons ingepeperd: “Ga ervoor, word slim, verbeter, verander, verdien geld en goud, koop, reis … The sky is the limit en the world is your oyster.

Voldoe je niet aan die maatschappelijk opgelegde verwachtingen hoor je er niet bij en ga je ten onder aan twijfel, onzekerheid en in ’t slechtste geval jaloezie en nog meer opgelegde verwachtingen die nog meer twijfels in de hand werken.

Deze vicieuze cirkel heb ik doorbroken. Ik gun mezelf al een tijdje het voordeel van de twijfel. Twijfel heeft een eerbiedwaardige plaats gekregen in mijn manier van zijn omdat ik geloof dat twijfel me verder brengt dan zekerheid.

Als ik schrijf, doe ik het zonder einddoel. Als ik leef doe ik het eveneens zonder einddoel en als mijn dag begint ben ik benieuwd naar wat hij me te bieden heeft, zonder al te grote verwachtingen. Dat maakt dat ik nieuwsgierig blijf rondkijken naar wat ik nog niet weet, nog niet ken of nog niet voel. Groeien doe ik er niet van, integendeel het maakt me nederig, dankbaar en klein, ver uit het zicht van onbereikbaar opgelegde ambities, kortom ver weg van de ratrace. Ik geloof zelfs dat ik door dat nieuwe inzicht al een beetje gekrompen ben. Ideaal want ik wil al een tijdje niet meer de grootste zijn.

Het blijft in de familie

Vader zijn, ik wil daar niet flauw over doen, het laat me niet onberoerd. Ze zeggen wel eens: “de beste vaders herken je aan hun kinderen”.  Ik ben niet geheel zeker of die gedachte me geruststelt of ze me eerder angst inboezemt. In elk geval, het idee op zich streelt mijn ego wel met een zachte plumeau.  Misschien is die uitspraak wel het beste geschenk dat je als vader kan krijgen, ik weet het niet. Wat er ook van aan is, vaderschap, het blijft in de familie en dat is een geruststelling.

Als vader ben je, ofwel trots op de dingen die jouw spruiten realiseren alsof je er zelf aandeel in had, ofwel ontgoocheld wanneer dingen net niet lukten en je hen de ontgoocheling wou besparen.

Vaderschap maakt je betrokken vanop de eerste rij maar vader zijn verplicht je ook los te laten op momenten dat je daar niet klaar voor bent.  Een tegenstrijdigheid die soms lastig is te dragen. Ik weet daar veel over, maar wil die lastigheid besparen. Ze zullen dat ten gepaste tijden zelf wel aan den lijve ondervinden. Ik hoef hen daar nu niet mee te bezwaren. Dat pakt toch geen verf.

25 jaar geleden wist ik niet of ik voor deze levensbelangrijke verantwoordelijkheid uit het juiste hout gesneden was. Ik had geen idee of ik klaar was voor deze levenslange dwangarbeid. Vandaag durf ik nog niet zeggen dat ik het altijd met zekerheid weet. Ik rommel maar wat aan.

Vaderschap is geen schoolvak. Je krijgt daar geen diploma voor. Je hoeft er geen examen voor af te leggen. Het is niet voor punten.  De enige evaluatie die je krijgt is een glimlach, een traan, een onverwachte knuffel of een boze blik die je te beurt vallen wanneer je je vaderrol weer maar eens naar best vermogen, onzeker-verantwoordelijk of stuntelig-onhandig opneemt.

Soms gun ik me de illusie de touwtjes van het vaderschap stevig in handen te hebben. Deze gedachte is echter puur zelfoverschatting die gebaseerd is op slecht geacteerde autoriteit want mijn zonen en dochter weten me altijd wel op een schalkse manier rond hun pink te winden, zonder dat ik dat in de gaten heb. Ik laat dat graag gebeuren, want ik hoef in mijn vaderrol niks te winnen.

Zoals je kan vaststellen: vaderschap is een hondenstiel, schijnbaar onderschat in wat je er moet voor doen, ogenschijnlijk overschat in wat je ervoor terugkrijgt, tenminste als dat verwachtingen waren waarmee je aan deze levenswerkstukken begonnen bent.

Vaderschap is ook in de spiegel kijken en geconfronteerd worden hoe DNA dat aan de oorzaak ligt van persoonlijke levensblunders ongevraagd doorgegeven worden aan de next-gen. De natuur is wat dat betreft niet zelfregulerend maar onverantwoord meedogenloos.

Vaderschap blijft toch vooral als grootste supporter, vol vertrouwen toekijken hoe, met vallen en opstaan kuikens hun ei breken en hun weg proberen zoeken in de grote boze wereld vol wolfijzers en schietgeweren. Na 25 jaar ben ik daarin iets rustiger geworden, want het is fijn om te constateren dat alles altijd goed komt. Waarschijnlijk is dat het geval omdat vaderschap in de familie blijft.

En dat is weeral heel veel om op deze dag dankbaar voor te zijn.

Niemand leest nog en ik? Ik lijk er vreugde in te scheppen om onnozele zinnetjes te bedenken.

We zaten in een kroeg. Ik met koffie, zoals gewoonlijk, zij aan de rode wijn, ook zoals gewoonlijk. Hoewel we het meeste van de tijd alleen maar een soort van online vriendschap onderhouden, zien we elkaar toch af en toe in real life. Als dat gebeurt, praten we over gesprekken die we ooit schriftelijk gestart zijn maar nooit hebben beëindigd. Je kan dat raar vinden. Wij verstaan ons daarin.

We raakten het er samen lang geleden over eens dat we wellicht slimmer zijn met een pen of met een klavier dan in een echt gesprek. Net daarom dat onze babbels zo chaotisch zijn. Ze gaan over alles en niets. Meestal eindigt een gesprek met de ondraaglijke lichtheid en de zin of onzin van de dingen die we doen en vaker over dingen die we niet doen. We borduren verder op elkaars woorden zonder dat die per se moeten uitgesproken worden. Onze gedachten schieten alle kanten op. De ene keer vliegt ze me rond de nek en bedankt ze me voor mijn luisterend oor, mijn dikke huid of mijn inzichten, de andere keer bedenkt ze tijdens het gesprek een plan om me zo snel als mogelijk onder de eerste de beste voorbijrijdende bus te gooien.

“Lieg jij in de dingen die je schrijft?”: vraagt ze opeens onaangekondigd.  “Ik bedoel, vind jij dat een schrijver mag liegen?

 “Waarom schrijf jij eigenlijk überhaupt, en waarom heb jij dat rare kantje om al de problemen die je in het leven ervaart in het openbaar te bespreken? Soms heb ik de indruk”: ging ze door, dat je niets liever doet dan het hele universum te betrekken bij de misverstanden die je hebt met al die mensen om je heen.” Niemand leest het en jij blijft er vreugde in scheppen om onnozele zinnetjes te produceren, wie ben jij toch?”

“In dromen of in gedachten veranderen dingen die ik beleef zonder enige logica. Ik doe dan niet eens moeite om ze te veranderen. Ik accepteer die veranderingen hulpeloos en doe wat me in de droom wordt opgedragen. Als ik al die onlogische gebeurtenissen opschrijf in de context van een verzonnen realiteit, is dat dan liegen?” “Ik weet het niet, en ik weet al evenmin waarom ik het doe.”

Hoewel dit gesprek lang geleden plaatsvond, ben ik er niet mee gestopt om me over die vraag het hoofd te breken: Waarom schrijf ik eigenlijk, en waarom zet ik al maar weer het spotlicht op kantjes van mezelf die andere mensen het liefst verborgen houden? En dan nog, ben ik ijdel genoeg om te denken dat mensen daarin geïnteresseerd zijn, in de wetenschap dat niemand nog leest.

Schrijven is een heel handig hulpmiddel om connectie te zoeken tussen mezelf en de wereld, zeker wanneer het in IRL-relaties soms stroever loopt.

Hoewel verveling me meestal niet afschrikt knaagt ze soms wel. Dan verdrink ik in gedachten, in een soort van solitair psychoanalytisch getob zonder wel omschreven doel of eindpunt.  Gedachten die in cirkels als windmolens ronddraaien worden mijn remedie als afweermechanisme tegen verveling of tegen de lastigheid van het leven. Schrijven wordt dan een open camera op de wereld die ik probeer te begrijpen. Hij registreert in woorden de gedachten die in mijn hoofd rondvliegen. En ja, er zal bij al dat geschrijf wel eens een leugen tussen glippen omdat ik in dromen de romantische realiteit ervaar zoals ik ze het liefst in het echt zou beleven. Gelieve me voor deze naïviteit te willen excuseren.

Killerbody van de kinderboerderij

Omdat ik, zoals jullie onderhand al weten, een bijzonder complexe relatie met mijn gedachten te onderhouden heb, luister ik af en toe naar podcasts van life-coaches, psychologen, of andere zielenknijpers. Ook verslind ik gulzig essays en artikels over geestelijke gezondheid en mentale kwesties. Nu ik erover nadenk, een bezigheid waar ik bedacht moet op zijn het niet te veel of te diep te doen, vermoed ik dat ik mijn respectabele leeftijd alleen maar heb kunnen bereiken door af en toe mijn verstand te gebruiken en mijn gedachten te pijnigen.

Het idee dat mijn verstand zomaar iets is wat ik bezit, wat ik cadeau gekregen heb, vind ik zelfs een beetje beangstigend.  Ik maak me wijs dat denkvermogen, al dan niet kritisch, iets is waar ik aan kan sleutelen, iets waar ik in moet investeren om het gezond te houden. Als ik eerlijk met mezelf ben, denk ik ook zo over mijn kathedraal, mijn lijf zij het iets minder fanatiek.

Mooie lijven worden geprezen en worden nagekeken. Dat geldt zeker voor vrouwen van vijfentwintig, toch koester ik de hoop dat dit ook opgaat voor mannen van mijn leeftijd, al heb ik wat dat laatste betreft minder ambitieuze verwachtingen. Mogelijks zullen vrouwen van vijfentwintig mijn uit de band springende gedachten nog wel sexy vinden, de kans dat ze die mening ook zijn toegedaan over mijn uitzakkende lijf, schat ik iets kleiner. Het zij zo maar dat neemt niet weg dat mooie lijven in balans geen drama’s meemaken in paskamers, een gebeurtenis waar ik zelf onlangs deelgenoot van was toen ik een nieuwe broek paste in een hippe kledingboetiek die eigenlijk niet bij mijn leeftijd past.

Neemt niet weg dat een strakke body, waarover ik tussen haakjes (nog) niet beschik, doorgaans aantrekkelijk bevonden wordt omdat dat discipline, zelfzekerheid, en doorzettingsvermogen uitstraalt.  Een strak lijf in balans zorgt voor zelfvertrouwen, enfin, dat laat ik me toch graag wijsmaken door de zielenknijpers die ik beluister.

Ik ben, laat daar vooral geen twijfel over bestaan, als het op lichaamsbeweging en diëten aankomt een nationale ramp, ik eet gewoon te graag en bewegen, ja daar heb ik helemaal een broertje aan dood.  Toch heb ik mezelf, nadat ik eerst de psychologische grens van 110 kg moest overschrijden, ertoe kunnen aanzetten mijn voedingsgewoonten eens onder een vergrootglas te nemen.

De eerste dagen van mijn spartaans dieet voelden wat vreemd aan, als een soort wrange nostalgie alsof ik dit allemaal al eens doorstaan heb.

Vermageren is mijn ding niet maar wie lijdt, zal herrijzen! Ik mag en zal niet genieten, want daar gaat het niet over. Ik moet afzien om straks blij te worden van het resultaat dat deze hongersnood me zal opleveren. Lees: een gezonde geest in een strak lijf.  Het voelt aan alsof de heiland in hoogsteigen persoon in mij is neergedaald. Alleen, ik zal niet leiden voor de andere, ik moet lijden voor mezelf, met de ogen strak gericht op wat ik eet, wat ik niet eet en vooral op de weegschaal.  Het ultieme doel voor ogen houdend, een killerbody.

Na veertien dagen, sla met lange tanden te eten, op muesli te knabbelen alsof het kaviaar is en mezelf vol water te gieten, ik lijk wel een aquarium die elke dag moet gevuld worden, begin ik het stilaan op de zenuwen te krijgen. Ik verloor snel vier kilogram maar kwam nog sneller anderhalve bij omdat elke tomaat van vijftig gram die ik eet, de dag nadien anderhalve kilo lijkt te wegen wanneer ik mijn goddelijk wordend lijf op de weegschaal hijs.  Ik begin mijn boxershort te wegen en hoop erop dat als ik ze uitspeel en dan in mijn adamskostuum op de bascule sta, ze plotseling twee kilo zou wegen.

Van dat verdomde dieet begin ik stilaan te duizelen en verlang heimelijk naar een biechtstoel om mijn verstand te laten spreken. Ben ik niet te oud voor een killerlijf, in de wetenschap dat vijfentwintigjarige dames toch alleen maar voor mijn verstand in zwijm vallen?  Ik luister naar de gedachten die ik vertrouw en me influisteren dat ik gewoon op zoek ben naar het genot van een halve liter crème-glace. Waar vind ik die? “De kinderboerderij”, antwoordt mijn verstand me enthousiast nog voor ik me de vraag gesteld heb.

Wat hou ik van mijn verstand, mijn lijf kan mijn kloten kussen, de zielenknijpers die me deze onzin ingefluisterd hebben trouwens ook!

Vier van twaalf

Mocht ik Piet Huysentruyt in de zomer van 2013 om hulp gesmeekt hebben, hij zou me na een week of vier gevraagd hebben: “Janneke, wat hebben we tot nu toe geleerd?” Ten eerste: “Ik heb een serieus probleem, dat verslaving heet en dat maakt me machteloos”. Ten tweede: “Ik krijg dat probleem niet in mijn eentje opgelost. Ik heb er hulp bij nodig”. En ten derde: “Ik kan maar beter doen wat lotgenoten in herstel me aanraden, want als ik doe wat ikzelf denk te moeten doen, wordt het een puinhoop”.

Is het zo simpel? Ja, zo simpel is het. Zelf heb ik vooral met de derde stap geworsteld en gevochten, eerlijk is eerlijk. Ik hoef daar niet gladjes over te doen. Had ik mijn koppigheid en eigenwijsheid niet opzijgezet en was blijven luisteren naar wat mijn ‘zieke’ (verslaafde) geest me bleef influisteren, ik had geen enkele kans gehad. Ik mag dat getuigen want aandacht geven aan wat mijn eigen koppig willetje mij souffleerde, heeft me de beste jaren van mijn leven gekost…

Nadat ik voorzichtig mijn eerste drie stapjes had gezet en ik min of meer doorhad dat ik de eigenaar geworden was van een torenhoog probleem, dat ik hulp nodig had en ik dat inzicht maar beter kon omhelzen, was ik helemaal klaar voor het grote werk. Ik moest en wou achterhalen wie ik geweest was en wou ontdekken wie ik aan het worden was. De voorwaarde om hieraan te beginnen was dat ik de achterkamer van mijn ziel moest uitmesten. Ik mocht de ‘erbarmerlijkheden’ niet in die donkere hoek van mezelf laten liggen. In het kort gezegd is dat mijn vierde stap, en die voelde aan als een operatie op, mezelf.

Bij mijn vierde stap pasten woorden waar ik bang van werd. ‘Grondig’, ‘onbevreesd’, ‘eerlijk’, ‘diepgaand’, ‘moedig’…  Ja zeg, dat waren stuk voor stuk karaktereigenschappen die ik niet bij mezelf terugvond. Toch had ik al geleerd dat als ik mezelf een kans wou gunnen om tot zelfinzicht, tot eigenwaarde en tot zelfacceptatie te komen, ik me al die nieuwe woorden eigen moest maken. Ze moesten van mij worden.

“Niet meer luisteren naar wat mijn zieke geest me influistert!”

De nieuwe woorden moesten vanzelfsprekender worden dan de vlucht die ik gewoon was. Alleen zo zou ik mijn drank- en vluchtmechanisme leren kennen. Alleen wanneer ik aan dat onprettig werkje zou beginnen, had ik een waterkans om vrede te krijgen met mezelf.  Enkel en alleen dan zou ik mijn verslaving onder controle kunnen krijgen.

Mijn vierde stap ging gepaard met een hoop schrijfwerk, driehonderd negentienduizend zevenhonderd vierendertig woorden of achthonderd vijfentwintig A-viertjes om volledig te zijn. Eens ik mezelf had voorgenomen om helemaal eerlijk en nederig met mezelf te worden leverde me dat meer confronterende conclusies op dan ik initieel in gedachten had. Ze van mij afschrijven was noodzakelijk om stappen vooruit te kunnen zetten.

Het alcoholparcours dat ik in het kladschrift van mijn geweten opschreef, had veel diepere slijksporen door mijn leven getrokken dan ik vroeger ooit aan mezelf had durven toegeven.

Onder ogen komen en toegeven dat mijn zelfbeeld mijn hele leven lang in niets overeenstemde met het beeld dat ik aan de buitenkant toonde, was als een operatie op mezelf, zonder anesthesie. Naar mate ik langer en dieper in mezelf roerde kon ik niet anders dan toegeven dat ik al zo lang ik het me kan herinneren kampte met mateloosheid. Sport, seks, werk, eten, drinken, feesten, rouwen … alles. Mijn switch heeft wat al die dingen betreft maar twee standen, op en af.  Middelmaat ken ik niet.

Dat waren maar een paar conclusies die ik over mezelf kon nemen. Er zouden er nog vele volgen en er zullen er nog vele volgen want mijn vierde stap, hij dient zich aan op de meest onverwachte momenten. Ik ben er nooit helemaal klaar mee. Op die manier maak ik door te schrijven en door eerlijk te spreken een genadeloze inventaris op van mezelf. Enkel zo leer ik mezelf eindelijk een beetje beter kennen, om vast te stellen dat het nu beter met mij gaat. Niet gemakkelijker, maar beter. Rustiger ook en dat is veel om dankbaar voor te zijn.

Liefde is stopverf

Liefde is een illusie, een spelletje, maar wel één dat best met zorg en aandacht gespeeld wordt, anders is er niks aan. Door ouder te worden heb ik mezelf veroordeeld tot een subtiele maar een daarom niet minder cynische vorm van eenzame liefde. Misschien deed ik het onbewust omdat ik door de jaren heen de illusie van de liefde doorprikte of misschien is het een gevolg van het feit dat ik de spelregels niet helemaal volgde? Wie zal het zeggen?


Liefde en ouder worden, niet dat ik iemand wil schofferen, en mezelf al zeker niet, maar ik stel me openlijk de vraag of er geen sleet zit op de formule? Ik stel me ook de vraag of niet iedereen het spelletje moet blijven meespelen om het voor alle deelnemers een beetje plezant te houden?
Een illusie dus, of iets voor de jonge generatie die er nog naïef op vertrouwd dat verliefdheid en liefde hetzelfde betekent, en dat het voor altijd blijft duren. Als je een bepaalde leeftijd bereikt, zoals ik dus, en sensuele geilheid inruilde voor sleur of verplichting, is het in stand houden van die illusie meer dan ooit een levensnoodzakelijke opdracht. Verlies je dat droombeeld uit het oog, en geloof me, daar is met de snelheid van het leven niet veel voor nodig, rest je niets anders dan met constant gepieker al je angsten en twijfels in je eentje te doorstaan.
De hele dag lopen vloeken en tieren, ik zou dat kunnen doen maar doe het niet omdat het net die illusie is die mij recht houdt.


Liefde is een illusie. Wat we ervan gemaakt hebben, heeft niets te maken met de romantische voorstelling die we er vroeger aan gaven, toen we jong en onnozel waren. Dat beeld vervaagde met de tijd. Behendigheid, gemakzucht en voortplanting, al dan niet bezegeld in een wettelijk geregistreerd partnership onder een luifel van wederzijdse verantwoordelijkheid, zijn we liefde gaan noemen. Eeuwigdurende liefde bestaat niet, voortplanting bestaat, reproductie. Voortplanting, gemakzucht en aanpassing, veilig beschut onder het dak van gewenning en gewoonte. Al de rest passen we aan op een manier die ons het beste uitkomt. Wat dat betreft zijn liefdesverwachtingen even kneedbaar als stopverf. We bewerken ze met klei die nooit hard wordt. Als doorwinterde darwinisten geven we er telkens opnieuw een nieuwe schwung aan zodat van het oorspronkelijke plan niets overblijft. Op die manier wordt liefde een levenswerk van bijstellen, nuanceren, herformuleren, aanpassen en finetunen. We doen het net zolang tot het helemaal vervormd is en we vergeten zijn welk kunstwerk het oorspronkelijke ooit geweest is.
We doen nog wel dingen samen hoor, af en toe zelfs nog met elkaar al moet ze me daar wel op voorhand voor waarschuwen. Soms denk ik dat zij gewoon mijn wandelstok is. Mocht ze er niet meer zijn, ik zou nog somberder door het leven stappen omdat ik de korter wordende afstand tot het einde alleen zou moeten afleggen, zonder wandelstok.


Wat blijft er dan over? Als je ouder wordt, blijft alleen de veranderlijkheid en de schoonheid van de liefde over. Toegegeven, dat is veel.


Darwin had gelijk:

“…De zwakken moeten ervantussen als ze niet in staat zijn zich aan te passen…”

Beslagen raspaard

Over welke eigenschappen moet een politieker heden ten dage beschikken om dat beroep met verve uit te oefenen? Ik was daar gisteren in de late uurtjes mee bezig. Niet dat ik zelf ambitie in die richting koester maar ik vroeg me dat gewoon af.  Zoals je weet vraag ik me wel meer onbenullige dingen af wanneer de dag voor de nacht wordt ingeruild.

De eerste belangrijke eigenschap waarover een politicus volgens mij moet beschikken is overtuigingskracht. Van die leest moet een politieker geschoeid zijn, beslagen als een raspaard. Het maakt niets uit of hij hele leugens of halve waarheden verkondigt. Doet hij het met overtuigingskracht, de kans is groot dat hij een aanhang aanspreekt en die de leugen als nieuwe waarheid overneemt.

Naast overtuigingskracht moet de doorwinterde volksmenner beschikken over de gave van het woord. Niet zozeer om vragen pertinent te beantwoorden maar om dat ongemerkt en met veel bravoure naast de kwestie te doen. Luisteren moet hij ook kunnen, of althans hij moet indruk wekken dat te kunnen. Hoe verklaar je anders dat geen enkele politieker in staat is zijn opponent te laten uitspreken, nimmer of te nooit! Naast deze gaven moet hij kunnen slijmen, budgetteren, paaien, overleggen, besturen, moed hebben, kritisch zijn, oplossingsgericht handelen. Kortom hij is of halfzot of geniaal.

Halfgek zeg ik want, gesteld dat iemand over al deze eigenschappen beschikt en zo begaafd is, ga je dan in de politiek? Ik stel me die vraag luidop. Als je al deze waardevolle en nobele kwaliteiten in eigen beheer hebt en je kan ze allemaal botvieren op een zwijgende massa die jou op je woord gelooft, dan word je toch gewoon schrijver, of ondernemer? In elk geval ga je dan toch iets anders trachten te doen, iets waarmee je een verschil kan maken?

Omdat ik te lui ben om cijfers uit te pluizen, doe ik een wilde slag in het water. Luister een minuut. Om en bij de negentig procent van waar de staat haar inkomsten haalt, wordt betaald door tien procent van de belastingbetaler. En laat het nu twintig procent zijn, dan hanteer ik dezelfde tachtig-twintig regel waarmee zij zo graag beslissingen verantwoorden. De overige negentig (of tachtig) procent van de modale belastingbetaler (u en ik dus) zorgen voor tien (of twintig) procent van de staatsinkomsten. Wij doen er dus niet toe. Wij maken geen verschil.

Aangezien politici verkozen worden door mensen die er niet toe doen (u en ik dus, wie ligt nu wakker van tien procent), doen politici er ook niet toe, logische conclusie toch?

Zal ik wat verklappen? Al de nobele eigenschappen die ik hierboven aan politici toedichtte, in de veronderstelling dat ze die hebben, ze bezitten ze niet. Ze zijn er gewoon beter en leper in om hun zeven hoofdzonden te camoufleren. Hoewel ik sommigen ervan verdenk zelfs dat niet meer te doen. Ze, liegen, bedriegen, verhullen, verdraaien, verbrodden, verbrassen met veel of weinig hypocrisie, soms zelfs met een klein beetje corruptie en misleiding. En neen ik ga er geen voorbeelden bij geven, denk er voor een minuut zelf maar eens over na.

Daarom zijn politici niet te vertrouwen, en hun partijprogramma’s al evenmin. Zeg nu zelf en ik ben opnieuw lui. Ik ga dus alle speerpunten van de partijen niet opsommen want ze doen er niet toe omdat er nooit één staande blijft. Er komt gewoonweg niets van terecht. Helemaal niets, nul, nada, niente.

Naast overtuigingskracht is de enige eigenschap die overblijft en waarover elke politicus beschikt, machtslust. Je kan jezelf de vraag stellen of dit een eigenschap is die noodzakelijk is om invloed te hebben, maar je kan je even goed de vraag stellen of dit een “schone” menselijk eigenschap is. Ik weet althans zeker dat ik me niet graag met machtsgeile mensen inlaat. Eigenlijk heb ik er een bloedhekel aan. Even geven ze indruk de dingen te doen om een hoger doel te dienen. Ze ogen dan, en vooral in verkiezingstijd, wel vriendelijk, vredelievend of zo, maar ze doen dit enkel met jouw stem als buit in het achterhoofd, om er zelf beter van te worden. In werkelijkheid zijn ze daardoor verraderlijk, gemeen en vooral onbetrouwbaar.

Net daarom dat ik gestopt ben hen serieus te nemen. Ze hebben zich door ons laten verkiezen. Ze hebben beleidsverantwoordelijkheden gekregen of ze zetelen in de oppositie om vandaar het politieke vuur met nog vettere leugens en bedrog helemaal op te poken. Wat is de conclusie? Wat krijgen wij ervoor in de plaats? Vul zelf maar in, wetende dat er al niet veel vet meer op het loon-vlees zit en dat er elke maand dan nog om en bij de vijftig procent van wordt afgesneden.  What’s in it for us?

Ze zullen zich verdedigen door te zeggen dat het crisis is. Mja, maar is het dat niet altijd? Oliecrisis, Dioxinecrisis, Dutroux-crisis, politiecrisis, Coronacrisis, vluchtelingencrisis, klimaatcrisis, bankencrisis, Oekraïnecrisis. Mijn pa zei altijd, als het gemakkelijk is, doe ik het wel zelf. We zitten niet te wachten op politici die gemakkelijke beslissingen nemen omdat er geen ‘onverwachte crisissituatie’ is. We hebben beleidsmensen nodig die de juiste dingen doen wanneer het wel crisis is, om de allerzwaksten te beschermen en de rijksten aan te sporen om het met iets minder te doen. We zitten helemaal niet te wachten op politici die in een konijnenpak kruipen om er hun vermeend zangtalent in te etaleren, hopende op een paar nieuwe likes en een handvol nieuwe volgers.  

Mijn stelling is dan ook: “Politici, ze doen er niet toe en mogen dus omwille van hun verborgen agenda’s in dezelfde mate beschimpt, verguisd en af geserveerd worden als waarmee zij de maatschappij door hun besluiteloosheid, zelfbediening en onwil beduvelen en kwaad doen.

Politiek voeren met de juiste moraal, zit helemaal verborgen in de heilige graal die beheerd wordt door een stel opportunisten die pretenderen te luisteren, te budgetteren, te paaien, te besturen, moed te hebben, kritisch te zijn, oplossingsgericht te handelen, terwijl ze het potje alleen maar beheren om er zelf gemakkelijk aan te kunnen blijven likken.

Politici, jongens en meisjes, van eenzelfde allooi die naast een voetbalveld in Brussel spelregels veranderen om de uitslag te bepalen.  Ze slaan je figuurlijk verrot of steken een volgende vuurpijl af.

We do what we want. No one likes us and we don’t care!

Vaginale rukwind

Er was geen samenloop van omstandigheden. Sterker nog, toen ik gisterenmorgen mijn ogen opentrok, had ik onmogelijk kunnen voorspellen dat ik een paar uur later in een kappersstoel zou zitten. Dat gaat zo bij mij. Een bezoek aan de coiffeur overvalt me altijd onverwachts, zoals een acute drang die opkomt, een beetje vergelijkbaar met grote kak.

Ik heb er al vele versleten maar tegenwoordig ga ik om me te laten kortwieken terug naar ‘De Platte’. Waarom de kapper in kwestie door het leven gaat als “De Platte”, ik heb er het raden naar. Ofwel kreeg hij die bijnaam omdat hij niet echt een breed gezicht heeft. Als je goed kijkt lijkt het alsof hij ooit niet snel genoeg uit een lift is gestapt waardoor hij met zijn smikkel tussen de liftdeuren is beland, ofwel kreeg hij die naam omdat na je bezoek je portefeuille plat is. Beiden zouden kunnen. Maar het moet gezegd, haren in de juiste snit op lengte knippen, dat kunnen ze bij “De Platte”.

Zoals steeds viel ik dus geheel onverwacht binnen. “Iemand van de dames tijd om mijn haren een beetje langer te knippen?” Onnozele mopjes doen het niet altijd wanneer je van iemand iets nodig hebt, maar kappers en obers zijn een uitzondering op die regel. “De Platte” reageerde niet verrast. “Ik zal eens kijken of we je er in de rapte tien jaar jonger kunnen laten uitzien, een momentje he manneke”, zei hij tegelijk gesticulerend naar een van zijn snoeipoezen, om haar in een voor een leek niet verstaanbare gebaren te vragen of ze tijd had om mij te knippen. Dat had ze.

Natali uit Albanië, ging me onder handen nemen. Gouden handen zo bleek toen ze even later aan de wastafel mijn schedel boetseerde. Was het de hoofdmassage, was het haar Slavische uiterlijk of haar tongval die me zonder voorafgaande verwittiging deed denken aan Oekraïense vrouwen die vorige week in Parijs met blote borstenprotest kenbaar maakte wat ze van Putin dachten? Of was het mijn jongensachtig machobrein dat me die ongepaste vergelijking deed maken? Het weer dan maar?

“Niets te warm he voor de tijd van ’t jaar?”

Bij de kapper is het weer altijd een veilig maar fantastisch en dankbaar gespreksonderwerp. Om groter onheil te voorkomen zouden alle conversaties met jonge Slavische schone coiffeuses zich tot dat terrein moeten beperken. Het weer is volgens mij het laatste resterende onderwerp waarover veilig kan gesproken worden. Regent het, zal niemand dat feit betwisten, schijnt de zon, zal men dat licht ook niet ontkennen. Veilig terrein dus.

Hoewel het weer geen nadere kennis vereist dwingt het nagenoeg iedereen in een rol van klimaatrecensent die met nauwkeurige precisie kan beoordelen dat die Noordewind inderdaad wel fris aanvoelt en dat het niets te warm is voor de tijd van het jaar.

In tegenstelling tot vele andere dingen is het weer dan ook zowat het enige waar we nooit echt greep op krijgen. Het zijn onbeheersbare krachten die ons ergeren of verbinden. Ze nemen de gedaante aan van koudefronten, hogedrukgebieden, beaufortwindstoten, storingen en sferische schommelingen. Al die dingen overkomen ons, als onverwachte beloningen of als (on)verdiende straf. Om niet onbeslagen op het ijs te komen kan je een bezoek aan de kapper dan ook best laten voorafgaan met het van buiten leren van de verwachtingen op de website van het Kmi. Dat zal de conversatie met de coiffeuse ten goede komen en je zal het risico vermijden dat je gedachten afdwalen naar Oekraïense vrouwen met blote borsten.

Naast de hoofdmassage is het weer dan ook de hoofdreden waarom ik veel liever naar de kapper ga dan naar de tandarts. Ook al omdat het rochelende geluid van een speekselzuiger niet echt bevorderlijk is om een goed gesprek over het weer te kunnen voeren, natuurlijk. En ik kan me voorstellen dat een bezoekje aan de gynaecoloog voor de meeste vrouwen ook niet bepaalt het hoogtepunt van het jaar is om over rukwinden te keuvelen.  Voor hetzelfde geld heb je bij het verwijderen van het speculum namelijk net een vaginale wind gelaten.

De zon van daarnet is verdwenen en het begint keihard te hagelen. “God straft onmiddellijk!” bedenk ik me, de ingebeelde blote borsten en die vaginale wind indachtig.

Romantische verzetsdaad

Veel moedige verzetsdaden heb ik in mijn leven niet gesteld. Meestal verkies ik het veilige pad. Aangeleerd gedrag, vermoed ik.

Gisteren parkeerde ik mijn auto net buiten de stad, in een ondergrondse VINCI-parking.  Op het eerste gezicht zou je dit bezwaarlijk een verzetsdaad noemen.  Toch nam ik dit moedige besluit omdat een parkeerplaats me voor de vierde keer ontglipte.  Telkens werd ze voor mijn neus ingenomen door één of andere onbeschofte verkeersagressor. Ik weet dat verzetsdaden zich dikwijls voltrekken tegen de agressor, behalve gisteren. In plaats van mij verbaal af te reageren op deze zich herhalende boertigheid, besloot ik mijn autootje uit protest niet in de binnenstad te parkeren. Ik verkoos een ruime ondergrondse betaalparking waarin beschaafdere verkeersregels gelden. Bekijk het maar, bende onbeschofteriken!

Toen ik me even later in de Merodestraat bevond, besefte ik maar pas dat ik het zelf allemaal moest bekijken. Ineens was ik een wandelaar geworden in de stad waar ik van hou. Een oude stad die ik hoofdzakelijk als autorijder ken en die tot voor kort zo hard door autorijders werd gedefinieerd dat zelfs het gps-netwerk er overbelast van raakt.

Eerst beschouwde ik deze verplichte wandeling als zinloze arbeid maar algauw begon ik te genieten van mijn zelf opgelegd martelaarschap. De onverwachte vertraging zorgde niet alleen voor rust, het maakte ook dat ik nieuwe dingen zag maar ook dat ik bekende dingen op een andere manier zag. Ik fantaseerde de zesendertig cafés erbij die ooit deel uitmaakten van het straatbeeld in de tijd toen de kazerne nog bemand werd door drieduizend dienstplichtigen die er in de cafés hun soldij kwamen verbrassen.

De wandeling van vierduizend negenhonderd éénentwintig stappen in een van de oudste straten van Mechelen werd een herinnering van samengeperste tijdlagen. Zo zag ik ineens cinéma Lumière, een geklasseerd gebouw dat ooit dienstgedaan had als Karmelietenklooster, meisjesschool en nadien als stadsfeestzaal. Jaren geleden was het de uitvalsbasis bij uitstek geweest voor jonge bakvissen zoals ik die er op romantische wijze invulling probeerden te geven aan hun anders zo zinloos studentenleven.  Twintig was ik, het was nog ver vóór de tijd van Google Maps en Streetview, toen ik aan de overkant van de straat, tegen de muur van het sint-janskerkhof de sterren uit de hemel kuste met een medestudentin aan wie ik mijn hart verloren was geraakt. Toen was ik welbewust naar deze plaats afgezakt. Nu was ik toevallig gepasseerd om erachter te komen dat de straat en de wandelaar buiten herinneringen niets meer met elkaar gemeen hebben.

Melancholie overvalt me. Dat overkomt me wel meer. Ik heb het altijd een beetje bizar gevonden, hoe plaatsen blijven bestaan terwijl de tijd er dwars doorheen raast. Dat ik op dit kruispunt kan staan en me kan herinneren hoe ik daar, jaren geleden iemand kuste in het holst van de nacht. De gebeurtenis is helemaal verdwenen terwijl het een betoverende gedachte is te denken dat die romantische avond helemaal met die plek verweven is geraakt. Dat is natuurlijk niet zo. De muur van het sint-janskerkhof heeft er niets mee te maken, die is wat hij is: gewoon een muur. De herinnering, is enkel voorbehouden aan de muur, aan mezelf, en aan diegene met wie ik de sterren deelde.

Het leven heeft soms een rare manier om gebeurtenissen met elkaar te rijmen.

Als deze quote niet de juiste manier is om het leven samen te vatten, is deze romantische verzetsdaad in een oude stad misschien wel de drijfveer om auto’s er voorgoed uit te verbannen.

Vergeet onze ADHD’ers niet

Meester in het geven van advies, dat ben ik, ten voeten uit, maar nog een groter expert om die raad aan mijn laars te lappen. Mijn eigen emoties en gedachten zijn een puinhoop maar in die chaos zitten geniale ideeën. Doe ik er iets mee? Ba neejet. Een briljant idee leidt meestal tot niets omdat ik het geduld mis om er iets zinnigs mee te doen.

Als ik het lastig heb, word ik extreem extravert. Ik doe dat om de persoonlijke ruimte die ik op dat moment zo hard nodig heb te ontlopen en op te vullen.

Ik hou ervan om uit de band te springen en tegelijk haat ik het om niet begrepen te worden. In alles ben ik geïnteresseerd maar blijf haast nooit langer dan een paar tellen geboeid. Tenzij echt iets al mijn aandacht opeist. Dan bestaat alleen nog dat.

Gedachten en emoties van anderen voel ik heel goed aan en begrijp ze perfect. Ik projecteer ze dan ook dikwijls op mezelf.

Verrassend meelevend dat ben ik zeker, al kom ik soms erg koud, koel of boos over.

Het lijkt misschien leuk, maar dat is het niet!

Een penisplaatje in haar profiel

Tijdens een gesprek met vrienden, in de bruinste kroeg van Bornem, noemt ze mij opeens papa. Zo maar, out of the blue, zonder voorafgaandelijke waarschuwing en vooral zonder aanleiding. Heb ik dat nu goed gehoord? Was dat tegen mij?  Noemt ze mij nu al papa? Zijn we echt al in die fase aanbeland of is haar vader hier plots opgedoken. Op dit uur? Dat lijkt me onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk. Op dit eigenste ogenblik bevindt hij zich namelijk in een andere tijdzone, aan de andere kant van de wereld. Meer bepaald, in Dubai, in het bijzijn van mama, enfin van schoonmama, om daar op de vierhonderdste etage van de Burj Khalifa hun verrimpeld huwelijk nieuw leven in te blazen.

“Papa?”: Ik moet het me ingebeeld hebben. Mijn grootmoe noemde bompa indertijd ook papa. Dat zonder twijfel goed bedoelde koosnaampje waarmee bobonne mijn bompa berispte wanneer hij met zijn galoches de keuken betrad zonder eerst zijn voeten af te vegen, zorgde in die tijd bij mij al voor de nodige verwarring. Wat is het nu papa, bompa of lompe ezel, nog zo’n koosnaampje dat wel eens uit de mond van mijn bobonne rolde.

Het gesprek kabbelt rustig verder, soms ernstig, meestal eerder amusant en luchtig. Het onderwerp van de caféklap doet nu even niet ter zake, maar het gaat, als u het per se wil weten, zoals vaak in deze compagnie trouwens, over seks en relaties. Verbaast je dat misschien? Mij al lang niet meer hoor, “Het zijn zij die er het minst over spreken, die er het meest van weten.”

Ik zwijg, luister, leer bij en fantaseer inmiddels verder over het seksleven van bobonne en bompa op de vierhonderd vijfenzestigste verdieping van de Burj Khalifa. Of is het mama en papa? Ik kom er niet uit.

Mijn gedachten zitten nog bij de galoches van bompa, dus hoor ik alleen het laatste gedeelte van een vraag die voor mij bestemd was, “jij vindt dat toch ook he papa?”

Bovenaan begint het te knetteren alsof alle verbindingen in mijn bovenkamer even zonder stroom komen te zitten. “Papa”, voor de tweede keer, deze avond en dat niet eens in een ‘spank-me-papa-kinda-way.’

Ik excuseer me beleefd, zoals het een papa betaamd die zich in het bijzijn van zijn kinderen bevindt, om te zeggen dat hij even naar het toilet moet. Hoogdringend, het kan niet wachten.

Om van het ‘ge-papa’ van ‘mama’ verlost te raken sluit ik me een paar tellen later op in het kleinste kamertje. Ik ben radeloos en zie geen enkele andere mogelijkheid om haar aan het verstand te brengen dat ik haar papa niet ben. Dus neem ik een dickpic en duw mijn niet al te scherp penisplaatje droog en zonder voorspel in haar whatsapp-profiel.

Opeens krijg ik begrip voor Marc Overmars.

Zomeruur

Ik was al geen fan van maandagen. Nooit geweest, maar nu kijk ik er echt tegenop. Wat haat ik het om het met een uur minder te moeten doen. Een uur vroeger dag dan ik het gewend geworden ben, en dan nog op maandag. De wijzers van de klok zullen me verplichten om me vanaf zondag een uur sneller moe te voelen dan ik het in feite ben. Tot overmaat van ramp zal het irritante alarm van mijn klokwekker me ook nog een uur eerder uit mijn natte droom halen.  Wie heeft dit ooit bedacht?

In het zomeruur leven betekent dat van zaterdag op zondag, precies om twee uur ’s nachts alle klokken een uur doorgedraaid worden. Op de vraag waarom dat stipt om twee uur moet gebeuren, weet alleen Frank Deboosere het antwoord. Doe ik het echter niet, zal ik maandagmorgen in een koud huis ontwaken en zal ik genoodzaakt zijn ijskoffie te drinken omdat de timer van mijn koffiezetapparaat niet langer gesynchroniseerd zal zijn met het nieuwe opstaan-uur. 

Weet er trouwens iemand raad met de reset van mijn biologische klok? Ik vraag dit om te vermijden dat net zoals vorig jaar mijn ochtenderectie zich opnieuw in uitgesteld relais zal aandienen op een gênant moment, hetzij in de auto, in de lift of erger tijdens de eerste vergadering. U begrijpt dat ik dit koste wat het kost wil vermijden.

Ik ben zeker dat ik, opnieuw zoals elk jaar, zal vergeten om mijn autoklok te verzetten waardoor ik me om zeven uur ’s morgens zal afvragen of het nu zes of acht uur is. Ik zal me andermaal doodergeren dat ik dat klokje niet al rijdend kan doordraaien waardoor ik me minstens tot woensdag in dezelfde situatie zal bevinden. Ik durf er gif op nemen.

Halverwege de week, en nadat ik uit pure wanhoop de helft van de klokken minstens drie keer vooruit en vier keer achteruit gedraaid heb omdat ik niet meer weet hoe laat het precies is, zal ik erachter komen dat ik minstens in de helft van de gevallen op tijd op mijn afspraak kwam. Bij de andere keren zal ik recht in de schoenen staan om het zomeruur als schuldige aan te duiden.

Computers stellen zich gelukkig automatisch op het nieuwe zomeruur in, maar dat vergeet ik elk jaar opnieuw. Hierdoor zal het maandagvoormiddag tien uur lijken, maar het zal elf uur zijn en toch aanvoelen alsof het 12 uur is.

De zomertijd is net zoals covid en de invasie in Ukraine, een complot van het universum. Het dient om me te verwarren en om me te doen geloven dat ik er energie mee bespaar. Welke energie trouwens? Ik heb er nu al geen overschot van, althans niet genoeg om er de dag mee rond te maken. De klok terugdraaien naar het winteruur. Ja dat versta ik. Daar ben ik een voorstander van, omdat mijn biologische klok me dan een uur langer zoals muizen tussen ’t meel laat soezen, en ik een uur meer krijg dan tijdens die stomme zomertijd die me dat gewonnen uur elk jaar opnieuw afneemt.

Zal ik u iets vertellen? De zomertijd is een dikke smeerlap. Zeg maar dat ik dat gezegd heb.