Suf gerukt.

Hoe zal ik dan de verpletterende alledaagsheid op een afstand houden wanneer ik straks meer dan honderd jaar zal worden en gespaard zal blijven van depressies, ziektes of fysieke ongemakken? Welk soort mens zal ik dan worden? Wat voor iemand zal ik zijn indien ik helemaal gespaard zal blijven van leed, kommer, verlies of ontij en op welke manier zal ik dan naar de dingen kijken, wetende dat ik het nu soms al lastig heb met de ondraagelijke lichtheid van dit bestaan. Nu ik hier in de diepte van mijn alledaagsheid staar vraag ik me af of het net niet de fysieke en mentale ongemakken geweest zijn die mijn biografie een beetje de moeite waard gemaakt hebben? En dan bedoel ik natuurlijk niet die dodelijke kanker of die die andere levensbedreigende aftakelingsziekte maar de gewone alledaagse tegenslagen of verdriet. Waren zij niet verantwoordelijk om anders te kijken en hebben zij net wel de inzichten verschaft om dingen in vraag te stellen en het leven anders aan te pakken? Vormden die ongemakken mijn menselijke geest niet meer of beter dan gezondheid en blijheid? Ik vraag me dat af. Is lijden aan persoonlijke fysieke of mentale begrenzingen niet een soort lijden dat de ziel scherpt en waar je beter van wordt? Als aftakeling geen glijbaan naar het einde meer is en we straks moeiteloos honderdvijftig of honderdtachtig jaar kunnen worden, wat zullen we elkaar dan nog te vertellen hebben en hoe zal schoonheid er dan uitzien uitzien als alles zomaar kan uitgesteld worden naar morgen, naar volgend jaar of naar nog later? Zal ik dan niet nog meer reiken naar de toekomst en nog vaker weemoedig terugblikken op gisteren om te vergeten dan vandaag de enige dag is die bestaat?

Misschien denk ik te veel aan de eindigheid omdat mijn persoonlijke lichaams- en geesteserosie niet te stoppen is, maar ik vecht niet meer met het idee dat mijn toekomst met elke nieuwe dag korter wordt dan mijn verleden. Ik ga dus niet wachten tot het zomer is en het veertig graden is en mijn persoonlijke levensruimte weggesmolten is. Neen, ik ga mezelf die décadente coupe brésilienne nu gunnen, met drie bolletjes vanille, drie bolletjes mokka en chocolade en gebrande nootjes en zoute caramel. Volgende week trek ik naar het zuiden om te lezen en te schrijven, om saboteurs een hak te zetten en om me intellectueel zo hard te masturberen tot ik helemaal suf gerukt ben. En ik ga verder met sloten koffie te zuipen en peuken te paffen tot alles zo dicht dichtgeslibt is als de Antwerpse ring in de avondspits want honderddertig of honderdvijftig jaar worden lijkt me de hel op aarde.

    • De vraag stellen is ze beantwoorden al moet ik ruiterlijk bekennen dat het hier dan ook stilletjes blijft.

      Like

%d bloggers liken dit: