Zomer in de winter.

Acht heb ik er en nadat ik al diegene die niet automatisch terug gedraaid worden, een uur heb afgenomen, laat ik één uurrwerk op zomeruur staan zodat die flikkerende lichtjes me er tot na de winter aan zullen blijven herinneren dat ik vandaag een uur meer heb gekregen om te doen waar ik zin in heb zonder me te moeten haasten. Vandaag en al de andere dagen die volgen in deze nieuwe tijdelijke tijdzone mag ik een uur langer moe zijn dan gisteren en mijn ochtenderectie mag een uur vroeger en een uur langer de knopjes van mijn boxershort losduwen want ik ben toch de enige zot die vandaag op dit onchristelijke uur de dingen al begroet. Voor het ingebeelde hoogtepunt dat me daarnet plotseling uit mijn natte droom haalde, krijg ik als cadeau een uur extra om het in het echt te proberen. De wijzers van de klok zullen me de hele wintertijd zeggen, ‘doe maar op het gemak, je hebt nog een uur’, en de ochtend zal me met haar donkere schemer de hele winter wat innerlijke rust gunnen zodat ik me niet gelijk een haastig stresskonijn zal moeten beginnen afjagen.

Opnieuw zal ik zoals elk jaar trouwens, vergeten om mijn autoklokje te resetten waardoor ik me minstens elke dag van de volgende week om zeven uur ’s morgens zal afvragen of het zes, zeven of acht uur is? Nadat het uur van mijn gsm me verklapt zal hebben dat het nog maar zes uur is, zal er spontaan een glimlach op mijn gezicht verschijnen omdat ik de file heb vermeden, een uur eerder kan stoppen met werken en zo een uur vroeger in mijn zetel kan ploffen. Ik word nu al instant gelukkig.

Naar mate de week vordert, zal ik er meer en meer van overtuigd raken dat de zomertijd een complot was om me te verwarren en om me te doen geloven dat ik energie bespaard heb, Welke energie? Van de wintertijd, ja daar krijg ik een overschot energie van, om er op een comfortabel manier de dag mee rond te komen. In deze nieuwe uurregeling laat mijn biologische klok me immers elke dag opnieuw soezen gelijk muizen tussen het meel en ik word blij met dat uurtje extra dat ik meer gekregen heb dan tijdens de zomertijd die me dat binnen een paar maanden opnieuw zal afnemen.

Doe mij maar alle dagen winter, ook in de zomer!

Vlag van de overwinning.

Vanmorgen stond ik traag op, zo langzaam dat zelfs dat veel tijd in beslag nam om tot het besef te komen dat ik er nog ben, dat ik nog besta, misschien zelfs nog voor iemand anders dan voor mezelf. Nu niet dat ik vind dat ik een grote rol van betekenis heb in dit grenzeloze universum van onbegrijpelijke chemische verbindingen en fysische toevalligheden. Neen dat is het zeker niet want toen ik daarstraks de slapers uit mijn ogen wreef heb ik een absurde maar vrij geweldige sensatie meegemaakt. In een intieme bliksemflits realiseerde ik me plotseling dat ik niemand ben, niemand, absoluut niemand. Hoe ouder ik word hoe onbenulliger en nutteloos ik me soms voel. Je zou deze zelfanalyse ten onrechte als plat zelfbeklag kunnen bestempelen maar deze gedachte zou afbreuk doen aan mijn puurste intieme reflectie van totale overbodigheid. Wanneer verveling me verdooft en ik het leven in zijn groots- en kleinheid probeer te begrijpen, begeef ik me met mijn gedachten soms op een gevaarlijk pad. Op zulke momenten denk ik dat de kwelling van het relatieve me misschien beter zou kunnen maken maar meestal kom ik bedrogen uit omdat ik veel liever wat anders zou doen.

Meditatie of zelfreflectie mag dan misschien wel een godsgeschenk zijn voor ongekende huis-tuin en –keukenfilosofen of voor koeien in de wei, voor mij begint het denken pas wanneer ik kan tateren of schrijven om op die manier de erbarmelijkheden uit het donkere hoekje van mijn eigen ik te halen. Schrijven is dan de aangenaamste of gemakkelijkste manier om het leven te relativeren of om het te negeren. Hier mag ik ongestoord krabben aan littekens van oude en nieuwe wonden die ontstonden in gevechten die ik tot nu toe uit de weg ben gegaan. Met schrijven mag ik aan mezelf ontsnappen en kan ik me verbergen achter mijn geweten en mijn ziel die zich verstopt achter onbenulligheden of achter dingen die het daglicht niet mogen zien. Ik hoop maar dat mijn ziel of de realiteit van het leven me nooit zullen vinden en dat ik vandaag gewoon mag onthouden wat ik gisteren genegeerd heb zodat ik morgen mag worden wie ik vorige week verloren ben. Dan pas kan ik die al opgelopen nederlagen vieren met een vlag van de overwinning en zal ik eindelijk misschien iemand worden. Op een dag, wanneer de zomer en ’t schoon weer samenvallen.

Kwijtgespeeld.

Nu ik mijn vijfde decennium ben ingestapt lijkt het wel alsof ik een onschatbaar goed ben kwijtgespeeld. Wanneer het gebeurde weet ik niet, misschien overkwam het me wel op het moment dat mijn uitgerekte jeugd overging in iets wat op volwassenheid begon te lijken. Ervoor was mijn leven te vol, te chaotisch en te onvoorspelbaar geweest zodat ik geen tijd had om verlangend of weemoedig aan eerste liefdes terug te denken of om er nieuwe te verzinnen. Nadien gebeurde dat soms wel, of wanneer een tweede of derde grote liefde waarvoor ik mijn leven geriskeerd had, dreigde vast te lopen in het slop, zoals houten wielen in een slijkerig karrespoor. Wat ik ervoor niet beleefd had, kreeg dan plots een enorme aantrekkingskracht alsof ik me net over die drempel van de vijftig, plots bevond aan het begin van een lange gang vol deuren die pas kunnen geopend worden wanneer ik die confronterende vraag juist beantwoord kreeg. Ligt mijn toekomst nu vast met de levensloop van het verleden of zal er nog iets spectaculair in veranderen? Ik probeer naief de rare gedachten weg te lachen maar ben er weinig sucessvol in. Nu ik mijn vijfde decennium ben ingestapt lijkt het wel alsof ik een onschatbaar goed ben kwijtgespeeld, mijn nonchalance. Tot dan moet ik gedacht hebben dat ik onsterfelijk was of zo maar nu zelfs merk ik dat soms zelfs mijn eigen lijf begint op te spelen en niet meer luistert, alsof het er wetten op nahoudt in regels die ik niet geschreven heb. Bijna alle bekoringen van de eerste keer zijn ingewisseld voor flauwe afkooksels ervan en dat geldt zelfs voor verliefdheid, verbazing en verdriet. Nu zelfs begint het me op te vallen dat ook taal me niet te hulp komt wanneer ik de vervoering van het leven of het langzaam verval ervan tracht uit te drukken waardoor elke zin en elk woord dat ik schrijf ook blijft vaststeken in een kleurloze alledaagsheid die vervelend, bespottelijk en pathetisch wordt. Toch had ik daarstraks toen ik mijn pen in de inktpot dopte, heel even een overschat romantisch idee dat ondanks dat alles, het misschien wel een goed idee was om een verhaal te schrijven dat begint met, ‘Nu ik mijn vijfde decennium ben in gestapt lijkt het alsof ik een onschatbaar goed ben kwijtgespeeld…. ‘

De voorlaatste

In zijn hoofd had hij de voorlaatste dag van een ingebeelde kalender doorstreept. Dat was vannacht gebeurd. Gedurende de nachten die voorafgegaan waren aan deze, had hij in zijn terugkerende zinsbegoocheling, al de voorafgaande dagen ook al doorgehaald met een dikke rode streep. Deze ochtend was net zo begonnen zoals elke andere morgen, met snelle koffie en nog rappere verslavende nicotine. Ochtenden als deze vatten het laatste jaar steeds op dezelfde manier aan als die van de dag tevoren, bedacht hij zich snel zonder enige aanleiding. Misschien gebeurde dat wel gewoon omdat hij zo veel nadacht, ongezond veel, over onbenulligheden. Zijn hoofd zat er overvol van. Zo dacht hij een paar tellen geleden nog aan het vriespunt van water en aan waarom warm water sneller bevriest dan koud water. Hij wist dat dat te maken heeft met gassen die meer aanwezig zijn in koud dan in warm water, waardoor een natuurlijke isolatielaag gelegd wordt tussen de watermoleculen zodat koud water minder snel bevriest dan warm. Hij wist dat. Zijn overvol brein dat onophoudelijk gedachten maalt, zit zo vol nutteloze weetjes alsof het soms lijkt dat hij slimmer is dan anderen terwijl dat in werkelijkheid helemaal niet zo is.  Niemand, zeker geen verstandig persoon zou anders op een dag als deze zijn gedachten laten afdwalen naar de vriestemperatuur van water, en al helemaal niet op dit moment, omdat hij als enige zeker wist dat morgen de wereld zou vergaan.

‘Veel dingen weten waar je niets mee bent is nutteloos, zoveel is zeker maar vergeefs wachten op iets dat komt of niet komt is nog stommer’, zei hij tegen het espressomachine dat tergend traag een nieuwe dosis cafeïne uitbraakte. Dit alles speelde zich af om 6:52 van de laatste zaterdag van de laatste maand van het laatste jaar, terwijl hij zich, wachtend op koffie inbeeldde, hoe dat einde van de wereld zich morgen precies zou voltrekken. In een verse vlaag van zinloosheid werd hij er zich opeens heel erg bewust van dat hij in zijn eigen leven heel veel tijd had verscheten. Zo ook, de voorbije week nog, waar hij wachtend in de file, tergend traag naar plaatsen was gevoerd waar hij eigenlijk liever niet had willen zijn. Of in de wachtkamer van de dokterspraktijk waar hij op een voorschrift cholesterolmedicatie had gewacht en op de diagnose van een kwaal die al een tijdje aan het opspelen is. In zijn leven had hij al veel geduld geoefend en had hij al veel gewacht, alleen of in lange rijen en files. Een paar nachten geleden had hij aan de hand van zorgvuldig berekende statistieken uitgeteld dat een gemiddelde mens vijf tot zeven jaar verspeelt door te wachten al lopen er zeker mensen rond die hun hele leven in een of andere wachtkamer doorbrengen en er vol onbereikbare verwachtingen hun leven vertreuzelen.

In zijn hoofd is het vandaag de voorlaatste dag en die is met voorsprong veel moeilijker dan de laatste, van dat feit was hij zich ten volle bewust. De voorlaatste is veel lastiger dan de laatste dag omdat die al ver van tevoren is vol gepland met een overvolle bucketlist. De ultieme bungeejump, het laatste glas dure champagne en laatste keer vrijen maar dat kan morgen allemaal nog worden geregeld. Maar wat doet hij dan vandaag? En wat als zijn berekeningen niet kloppen, wat als de waarheid van mijn vriend niet de waarheid is en morgen niet bestaat? Zal hij het dan allemaal vandaag nog kunnen doen of had hij het gisteren moeten doen en wat dan als gisteren dan ook niet meer bestaat?

Ik zwijg in alle talen.

Ik ben het verleerd of ik ben het kwijtgespeeld. Ergens onderweg moet het gebeurd zijn, net zoals met die wollen handschoenen die ik nooit droeg maar die voor een onverklaarbare reden steeds in de zakken van mijn winterjas staken. Vroeger deed ik het wel en veel, de hele tijd eigenlijk. Dan kon ik me beklagen over alles en iedereen omdat ik dacht dat ik altijd en overal een mening moest over hebben, dat ik altijd ergens ‘iets van moest vinden.’ Het was een tweede natuur geworden want overal waar ik kwam, had ik kritiek en vond ik overal, ergens wel wat van. Ik verstond als geen ander de kunst van het beter weten. Als ik later aan de hemelpoort zal aankloppen, zal Sint-Pieter me zeker vragen waar ik het grootste gedeelte van mijn leven mee heb doorgebracht. Ik zal dan antwoorden, ‘Pieter jong, ik heb veel tijd verscheten met beter weten en ergens iets van te vinden en het heeft me geen kloten opgebracht.’ Nog niet zo lang, eigenlijk de laatste paar jaren pas en telkens er een nieuw seizoen aanbreekt krijg ik het ervan op de heupen, van dat snel en gemakkelijk pessimisme en van dat betweteren. Niets is namelijk zo vernietigend dan in twee seconden, met een straf oordeel brandhout te maken over iets waar iemand een heel leven heeft aan gesleuteld bijvoorbeeld aan, zichzelf. ‘Doe jij het anders ook maar eens, probeer anders ook eens op te komen waar jij echt voor staat in plaats van af te kraken waar iemand anders in gelooft of na te apen wat iemand anders je voorkauwde.’

Als tegenwoordig iemand mijn eigenheid aanvalt gaan mijn stekels recht staan, worden mijn ogen vuurspleten en wordt mijn tong scherp als een speer. Het is zelfs zo dat wanneer ik tegenwoordig verslechtering bij anderen signaleer ik zelfs wat milder voor mezelf word omdat ik weet dat kritiek zoveel meer zegt over mezelf dan over de gebeurtenis, de persoon of het gedrag dat ik bekritiseer. In het echt verdraag ik ze amper nog, de mensen die met het vingertje omhoog zeggen hoe ik het zou moeten doen. Ik geef veel meer voorkeur aan intelligente, stijlvolle of nederige mensen die een tikje geestig zijn en de kunst verstaan om met fijngevoeligheid te bemiddelen tussen pientere kennis en bescheiden nieuwsgierigheid. De te kritische beterweters die geen ruimte laten voor anderen of andere gedachten, mijd ik als hondendrollen op het trottoir.

Ik huil niet meer mee met wolven in het bos. Laat mij mijn eigen gang maar gaan en jullie? Als het me zou gevraagd worden zou ik zeggen dat jullie misschien beter ook een beetje meer koppige zalm of eigenzinnige paling zouden kunnen worden, om compromisloos stroomop -of stroomafwaarts naar de juiste bestemming te zwemmen, om er te paren en te sterven in de plaats van als een sprot in de ogenschijnlijk veilige school te blijven zwemmen om gevangen en gerookt te worden, maar het wordt me niet gevraagd dus zwijg ik, in alle talen.

Sprei van verwachtingen

Als ik, al dan niet noodgedwongen, met mezelf als grootste knuffelbeer een beetje rust gevonden lijk te hebben, is er in mijn hoofd toch altijd iemand aanwezig die vastberaden het woord neemt. Iemand die zich met zijn aanwezigheid in het episch centrum van mijn denkbeeldig universum waant. Daar zit hij gewrongen tussen een andere iemand die zich op zijn beurt probeert te verzoenen met nog een ander iemand die er met iets meer bescheidenheid woont. Op het grijze voetpad van mijn hoofdstraat lopen mannen in strakke maatpakken en vrouwen op hoge hakken. Zonder ze een blik te gunnen passeren ze clochards die er zich op hun stuk karton een plaats hebben toegeëigend om van daar naar de wereld te kijken of hem beter proberen te begrijpen. Maar de figuranten zitten niet in mijn hoofd want als ik eruit ontsnap merk ik dat het leven dat ik leef ook bestaat uit mensen die machtsbalansen creëren of ze proberen in stand te houden. Ze balanceren op de weegschaal tussen diegenen die de dingen zeker denken te weten en tussen diegenen die er nog niet over nagedacht hebben, of wie het niets meer kan schelen.

Met mijn gebrek aan kennis dat zichzelf niet langer meer in vraag stelt, knuffel ik mijn persoonlijke naïviteit en bevattingsvermogen maar maak me tegelijk hoofdverdachte want ik pleit even schuldig door de verwijten die ik anderen maak of over oordelen die ik erover vel. Ik moet er mee ophouden want ik heb ze nodig, de andere mensen. Al was het maar om mijn eigen onwetendheid af te toetsen of om me te leren hoe ik op een andere manier kan kijken en voelen en scherper perspectief te krijgen. Op de keper beschouwd ben ik dan toch een mensen-mens die zich wederzijds afhankelijk maakt van anderen, anders had ik nooit kunnen leren kussen want in mijn eentje was dat tot dan toe nog nooit gelukt al had ik dat ooit weleens geprobeerd, ’s avonds in mijn bed met een dik kussen onder een sprei van verwachtingen.

Kamer 4.

Er is een nijpend tekort aan donoren, aan bloeddonoren, aan orgaandonoren maar ook aan spermadonoren. In het steriele ziekenhuis flikkeren neonlampen zo snel dat niemand het nog opmerkt omdat die ondingen voor de meeste mensen gewoon maar ongezellig licht geven. Voor een kleine minderheid echter zijn het marteltuigen, vermoeiende energiezuigers door het snelle flitsende bliksemlicht. Mensen lopen af en aan, om andere mensen te bezoeken of om duidelijkheid te krijgen over de kwaal waarmee ze zijn opgezadeld. De vrouw achter de balie aan de ingang heeft een grote bruine moedervlek aan de linkerkant van haar mondhoek. Daar woekert een dik zwart haar dat met de minuut langer wordt net zolang tot het zo hard stoort dat ze het met een pincet in een ruk uittrekt. ‘Hebbes’, zegt ze met zoveel triomfantelijkheid alsof ze een belangrijke overwinning geboekt heeft. Zonder dat hij de kans kreeg zich voor te stellen en waarom hij er was, vroeg ze kordaat zijn naam, voornaam en geboortedatum, precies in die volgorde en drukt hem, vriendelijker dan verwacht op het hart dat het zou even kunnen duren. Alsof ze zijn gedachten kon lezen, waarschuwt ze hem dat het drankautomaat naast de balie kapot is maar als hij achter de hoek kijkt, zich er daar nog een bevindt, of op de tweede verdieping dat kon ook. ‘Wachtzaal twee’, zegt ze terwijl ze hem een uitdraai stickers overhandigt die de reden van zijn bezoek aan zijn identiteit koppelen. ‘Het wachtnummer verschijnt op het scherm, alsook de kamer waar je mag binnengaan, maar ik zeg het je, je zal even geduld moeten hebben.” Omdat alle stoelen in de wachtzaal benomen zijn leunt hij nonchalant tegen de muur naast het kapotte drankautomaat. Op een tafel liggen allerlei tijdschriften rommelig door elkaar. Hij leest de kop van het beste roddelblad dat bovenaan de stapel ligt, ‘Paola, de vrouw die geen bastaardkind wil’, en glimlacht met de gedachte aan Albert als vlijtige spermadonor. Exact tegenover hem aan de andere kant van de wachtzaal zit een koppel. Hij een gezapige vijftiger met grijzig wordende haren, zij een energieke veertiger met rode schoenen. Zij maakt zich niet drukt dat iedereen hun bekvechten kan horen.

‘…En jij bent een saaie kloot geworden, bijt ze hem zonder enige gêne, verwijtend toe, zonder zich er in minste over te bekommeren dat de hele wachtzaal getuige is van haar verbale doodsteek.

De man, die aan de overkant nog steeds tegen de muur leunt en de verwijtende tirade gehoord had, voelt geen leedvermaak omdat hij opmerkte dat de arme man merkbaar aangeslagen is. Hij was geen saaie piet maar hij leeft gewoon een ander ritme dan zijn jongere partner, misschien uit noodzaak of zelfbehoud of zo.  Dat maakt hij op aan haar rode schoenen en aan zijn grijze haren en aan de manier hoe zij raast en hij incasseert. …Saaie kloot, twee woorden waar achter een wereld van frustraties en onuitgesproken emoties schuilgaan, verbeten en verzwegen onthoudingen die zich lange tijd onder de oppervlakte verborgen hadden gehouden maar nu als lava door een alles verwoestende vulkaan uitgebraakt werden. De leunende man hoopt dat het koppel op bezoek is voor een donorhart dat haar iets minder hard zou maken zodat ze elkaar opnieuw kunnen verdragen of terugvinden. In het andere geval moeten ze langs de fietswinkel, zij voor een gewone fiets en hij voor een elektrische zodat ze beiden op hun eigen tempo op de bestemming kunnen raken.

Nummer 23 kamer 4 verschijnt op een scherm. ‘Wenst u onbekend te blijven voor uw donatie’, vraagt een jonge verpleegster die hem een stapel pornoboekjes overhandigt waarvan de bladzijden aan elkaar kleven.

Papierprop.

In mijn hoofd leef ik, al is het maar tijdelijk, precies het bestaan van iemand anders. In afwachting van hun thuiskomst, lijkt het alsof ik in mijn hoofd kampeer in het onderkomen van iemand die tijdelijk op een andere plaats zijn tent heeft opgeslagen. Het is alsof ik hier al een eeuwigheid verblijf, zo vertrouwd lijkt alles al. Op de tafel naast de zetel liggen boeken die ik half gelezen heb en daar niet verder mee ben gegaan omdat ze me te dicht of te ver van mezelf brengen. Aan de waslijn waar normaal bh’s, slipjes, sokken en topjes hangen, drogen nu vijf mannen onderbroeken, zes T-shirts en twee korte broeken. De ijskast is leger dan normaal op een vrijdag en de vaatwasmachine is ook niet zo vol dan op andere dezelfde of op normale vrijdagen. Op twaalf dagen maakte ik één bord, één koffietas en één vork, mes en lepel vuil. In de broodtrommel ligt brood van vorige week zodat het verdachte groene vlekken vertoont. Alleen de koffiezet heeft de voorbije dagen onophoudelijk bonen gemaald en zwarte troost gebraakt. Van de zes barkrukken die normaal wanordelijk rond de keukentafel gedraaid zijn, zijn er vijf onaangeroerd. Slechts één ervan is achteruitgeschoven en eronder bespeur ik kruimels van boterhammen van toen die nog eetbaar waren. In de slaapkamer zien het bed, de kussens en de overtrek er even rommelig uit als toen ik vijftien was, alleen de krokante zakdoeken ontbreken in het tafereel. Op het terras is de parasol dicht geplooid en de witte stoelen staan onaangeroerd met hun rugleuning tegen de tafel geschoven, alsof er nog nooit iemand heeft opgezeten. Als ik over het leven niet te diep moet nadenken, zal het wel een waardevol leven zijn zeker, zoals het niet of nauwelijks de moeite loont om mezelf te verliezen in gedachten aan een leven dat ik niet leid. Tot ik hier in mijn nieuwe ingebeelde tent een andere stoel gevonden had, was ik nog niet al te dikwijls in deze mijmering verzeild geraakt. Nu verafschuw ik de gedachte iets te hebben mislopen. Iets dat nog niet is maar had moeten zijn, zoals de niet uitgelezen boeken op de tafel naast de sofa, de onderbroeken aan de waslijn of de kruimels onder mijn stoel of deze plotse zware ontroering. Ben ik dan schuldig en ondankbaar of onfair ten opzichte van mijn echte leven? Een leven dat niet precies past zoals het zou moeten passen, dat soms te groot is en soms te klein of te warm of te koud? En is dat ander beeld dan vals of verdorven en pleit ik met die gedachten dan schuldig en ondankbaar omdat ik het daarmee bijna als een verfrommelde papierprop in de vuilbak smijt?

Het laatste velletje.

Een dikke traan, rolde over haar wang en een andere had de weg gevonden naar de onderkant van haar brilmontuur om een seconde later samen uiteen te spatten op een witte tegel van de drop-off zone van de vertrekhal van de luchthaven. Genegenheid tussen mensen hoeft niet altijd gemeten te worden met het aantal woorden die uitgewisseld worden, soms wordt niets gezegd en dat zegt ook iets. Mijn gemakkelijke woorden moesten namelijk niet dienen om haar moeilijke emoties te verbergen dus had ik me voorgenomen het afscheid kort te houden want in situaties als deze krijgen mijn woorden weleens scherpe tanden die de stem van de andere in tweeën kunnen bijten, daarom zweeg ik maar.  We nemen afscheid en glimlachen naar elkaar ook al is mijn glimlach eerder een gewrongen grimas die mijn gezicht in een vreemde plooi legt. Drie uur geleden had ik haar in vader-wijsheden op het hart gedrukt dat ze in de maand die gaat komen, dingen voor de eerste keer zal zien en misschien wel voor de laatste keer en dat ze die wondermooie beelden moet absorberen om ze nooit meer te vergeten zodat ze een heel leven kunnen meegaan. Nog anderhalf uur en ze vliegt naar andere tijdzones waar een groot gedeelte van onze gemeenschappelijke dag zal gewisseld wordt voor een andere nacht. Die twee tranen zetten er andere in gang en heel even staan we met zijn drieën in een soort ongemakkelijke groepsknuffel die als afscheid moet doorgaan. ‘Van mijn erf nu’, zeg ik stoer, in een poging om het pijnlijke moment niet langer te laten duren dan stikt noodzakelijk want ik weet dat afscheid nemen moeilijker wordt naarmate je dat moment uitstelt. We zwaaien nog even en ik klim in mijn auto, baan me een weg door het veel te drukke verkeer en denk hoe ik dat in hemelsnaam alleen ga redden de komende maand maar vanbinnen lach ik een beetje want ik herinner me alle keren dat ik me zo voelde al vraag ik me wel af wie straks die nieuwe rol toiletpapier zal brengen als het laatste velletje is opgebruikt.

Gelukzalige baby.

Vroeger toen ik nog zoop, een activiteit die veel tijd in beslag nam, was dat zwelgen noodzakelijk om een minder dramatisch zicht te krijgen op mezelf, ongeacht wat de feiten waren, ofwel heel erg onderschat ofwel fel overdreven afhankelijk hoe ik er het beste uitkwam. Ik dreef aan de oppervlakte van begrijpelijke leugens met daaronder onbegrijpelijke verborgen waarheden. Ik voelde me dan geen hypocriet of veinzer met één gezicht en vele maskers, neen ik had gewoon zoveel gezichten afhankelijk van de situatie, omdat ik niet wist wie ik was of wilde zijn. Stoppen met drinken of ouder worden heeft daar niet veel aan veranderd. Ik denk dat ik wat dat betreft leeftijdsloos en hardleers ben. Of wat had je verwacht van mijn leermeesters die koppigheid en minachting heetten. Voor mijn drooglegging vulde ik jullie oren en monden met waarheidsgetrouwe leugens en veel betekende beloften om ze wat later in jullie gezicht weer uit te kotsten. Dat kotsen is gestopt maar tegen beter weten in blijf ik streven naar het onbereikbare. Ik blijf er dan zolang langs alle kanten met open mond naar gapen, tot ik helemaal ondersteboven hang zodat mijn hart uit mijn mond valt. In mijn hoofd blijf ik maar foto’s maken van dingen die ik nooit zal zien en als ik dan al eens een wijs inzicht heb, wat doorgaans niet heel dikwijls voorvalt, leef ik niet naar de principes die ik verkondig als een overtuigde boeddhist. Dat doe ik als ik het weer eens denk het allemaal te weten.  Voor de rest van de tijd blijf ik mijn hoofd rondjes te draaien, zit ik op mijn gat of probeer ik een puinhoop te imiteren, wat dan meestal wel van de eerste keer lukt. Van al dat gepieker ben ik zeker al een paar keer gestorven, gisteren nog denk ik. En zo lig ik in polepositie om een oude bejaarde knor te worden, vol van mezelf zonder ooit echt geleefd te hebben maar nog steeds met de overtuigde illusie dat ik daarvoor nog genoeg tijd heb terwijl ik die aan het verschijten ben met me druk te maken in vrouwen, in mannen, in exen, in anderen, in politiek, in de kleur van het behang en in het geslacht van de engelen.

Naast koffie maken is bezwijken aan suïcidaal nihilisme dus het enige wat ik tegenwoordig doe. Maar jullie hoeven zich geen zorgen te maken want ik moet eerst nog veel schrijven, koffiedrinken en peuken paffen, dan volgt de rest vanzelf wel. Zo ben ik vastberaden om weg te rotten in boeken die volgeschreven zijn met nietszeggende zinnen en nutteloze wijsheid, maar daarin zal ik herboren worden, ooit, als een gelukzalige baby die al de bagger in zijn volgescheten pamper heeft achtergelaten.

Een kreeft die niet kan vliegen.

Als verveling me verdooft, droom en fantaseer ik, dat is dan wat ik doe. Dan ijl ik, over alles en over niets. Contemplatie en meditatie mogen dan voor onbekende filosofen en voor koeien die naar een trein kijken een geschenk uit de hemel zijn, ik slaag er niet in om mijn hersenfabriek volledig lam te leggen en zo rust te vinden in het niets of iets wat daar heeft naast gelegen. Mijn radarwerk blijft als maar doordraaien, klokvast, als dat van een Zwitsers horloge en dat doet het net zolang tot de slingers ervan stilvallen om haar te bevrijden van het storende ritmische getik.  Stupide gedachten kunnen me zolang gijzelen tot ik er in uitgesponnen zinnen kan over beginnen filibusteren. Dan pas vluchten ze weg, die gedachtenschimmen, als ze me ingefluisterd hebben dat schrijven voor mij de meest efficiënte manier is om het leven dat me aan het kapot maken is, een beetje te begrijpen of om het te negeren, al draag ik daardoor wel de storende littekens mee van al die heldhaftige gevechten die ik daarmee uit de weg ging.  Toen ik vannacht knobbelde in een van die absurde ingebeelde fantasieën, realiseerde ik me plotseling, als in een intieme lichtflits, dat ik eigenlijk een niemendal ben, dat ik dat altijd al geweest ben en dat ik dat altijd zal blijven, dat ik daardoor niet veel meer voorstel dan een kreeft die niet kan vliegen. Ik realiseerde me ook dat ik nooit veel meer zal voorstellen dan een niet-vliegende kreeft omdat elk soort van ambitie me vreemd is. Vanmorgen nam opstaan, net zoals elke ochtend van elke andere dag van de week tijd in beslag omdat ik nooit echt helemaal klaar lijk te zijn voor de realiteit van het leven, ook al heeft die me daarstraks wel gevonden toen ze me duidelijk maakte dat kreeften niet kunnen vliegen en dat wellicht nooit zullen kunnen omdat hun pantser daarvoor te zwaar is. Zoals zo vaak kom ik er met koffie en een peuk achter dat ik eigenlijk van niets weet en dat ik van niets zeker kan zijn. Als de cafeïne en de nicotine dan eindelijk in mijn bloedbaan geraakt zijn en daar een paar zenuwen een trap onder hun kont gegeven hebben, vraag ik me af of ik datgene wat ik nu voel wel moet voelen en of hetgeen ik nu denk wel moet denken. En dan lijkt het telkens opnieuw dat ik in die onwetendheid plezier lijk te scheppen terwijl ik veel liever iets anders zou willen doen. Kreeften laten vliegen bijvoorbeeld maar dat zal me wellicht nooit lukken en die nederlaag vier ik met de vlag van de overwinning en met een boterham met krab sla.

Cynisch toneelstuk.

… Hun eens zo diepgaande gedachtenwissels die ze vanouds met elkaar deelden waren monotone babbels geworden, zo vlak en grijs als het trottoir in de straat waarover de gedachten van doorsnee mensen kuieren, getooid in alledaagse kleren, helemaal niet meer in staat om enige emotie op te wekken, geen lach, geen traan, geen verwachting of geen illusie. Hun harten verzonken in een leegheid waardoor de dagen aanvoelden als een langgerekte grauwe reeks frustraties en onuitgesproken aspiraties die telkens opnieuw uiteenspatten als zeepbellen in de zon. Na de vele vruchteloze pogingen om opnieuw vuur in elkaars harten te blazen zonder dat er ook maar één vonk oversprong moesten ze droevig toezien dat van hun hartstocht die hen lang aan elkaar had doen plakken, niet veel bijzonders meer was overgebleven. Au tour de parcours, in de drukte van bezigheden en in de drukke dagelijkse beslommeringen waren ze elkaar kwijtgeraakt en waren tederheden een kleurloze regelmaat gaan vertonen waarin omhelzingen en aanrakingen dezelfde gewoonten waren geworden als het dessertje dat van tevoren vastligt ter afsluiting van een ééntonige maaltijd. Het zicht op een uitweg werd belemmerd door doemscenario’s die ze zelf schreven, waarin ze verstrikt raakten en waardoor de toekomst aanvoelde als een lange pikdonkere weg die uitgeeft op een hermetisch afgesloten deur waarop geen slot te bespeuren was. Wanneer liefde cynisch of vanzelfsprekend wordt is er iets vreselijks mis mee en met die gedachte vroegen ze zich af of de liefde die zij kennen en waartegen ze telkens opnieuw aanbotsen geen cynisch toneelspel was geworden waarin in een vicieuze cirkel van begeren, beminnen, kwijtraken, en missen, geen toertjes gedraaid werden waardoor zij vol weemoed en nostalgie steeds opnieuw wilden terugkeren naar wat zij onderweg ergens waren kwijtgeraakt en niet meer terugvonden. Wanneer halfvolle glazen niet meer bijgevuld geraken, valt het gordijn als een sluier voor hun blikken en wordt de aftiteling van de film, met rondvliegend stof in een witte lichtbundel op het grote canvas afgerold. The end…

Voornemen…

… De nacht was net zolang bloedheet geweest tot de koelte van verse regen de zwoele hitte had weggespoeld. De kerkklok van het nabijgelegen klooster had net een vijfde keer slag geslagen en dat gedempt geklingel had me bruusk uit mijn broeierige nachtmerrie bevrijd. Nog enigszins slaapdronken tuurde ik vanuit het open raam over het zwarte zadeldak dat met veertien zonnepanelen bekleed was. In de weerglans daarvan koepelde helder en weids de hemel waartegen de blauwe maan, die omgeven was met helder sterrenstof, een plaats had gezocht. De straten waren nog kletsnat en ik sperde mijn neusgaten ver open om de natte geuren van de malse regenbui op te snuiven. Aan de horizon in het Oosten werd het duister van de nacht stilaan opgeslokt door de opkomende zon en op de takken van de half-kale appelboom die onder het gewicht van tientallen halfrijpe appelen gebukt ging, speelden een paar luidruchtige kauwen of zaten zich roerloos met hun opgezette dons in de koele ochtendbries te warmen aan de eerste schuchtere zonnestralen. In het overgrote gedeelte van de slapeloze nacht had ik zolang mijn recente leven overpeinsd tot dat gepeins overging in een donkere droom waarin de gedachten even hobbelig waren als de kasseien van de oprit naar mijn ingebeeld luchtkasteel. Ze waren even koud en kil als een winterzolder met een raam op het Noorden van waar ik nu naar de uitdovende sterren tuurde en in de donkere hoeken van mijn denkwereld weefde de spin van valse vooroordelen onhoorbaar vastberaden haar web …

In de nevel van mijn droom stelde ik me de vraag hoe ik onvrede, die soms even veranderlijk kan zijn als de wolken in de lucht en die even wervelend kan zijn als een zomeronweer na een slapeloze nacht, een plaats kon geven? Het enige wat ik met mijn nachtgepieker bereikt had was dat de dreigende doemscenario’s zo fijn ontrafeld werden dat ze vanuit de hemel op mijn kop dreigden te vallen. In die nutteloze nachtelijke queeste had ik gezocht naar oorzaken van verloren idealen en verbannen doelen die ik door omstandigheden ver buiten mezelf een wachtplaats hadden gegeven. Ik stelde vast dat ik met mijn gedub geen centimeter in de richting van een minnelijke regeling was opgeschoven en ik besefte opeens dat zolang ik hoog boven de wolken, in het duister van de nacht of in het verleden en in de toekomst naar oplossingen zocht ik geen voldoening of rust zou kunnen vinden, alsof dat inzicht met die laatste regenbui door het open dakraam was binnen gesijpeld. Opeens wist ik dat zolang ik buiten mezelf bleef zoeken ik geen gepaste repliek zou kunnen vinden om mezelf in eer te herstellen.

Toen bij het krieken van de dag alle donkere gedachten waren ingeruild voor opgewekter ochtendgloren, nam ik mezelf voor om niet langer uit te reiken naar bevestiging of erkenning van anderen maar dat ik wat meer energie zou steken in het slopen van mijn eigen hindernissen die ik zelf op mijn pad had opgezet. Ik hoop nu maar dat het vannacht niet regent zodat dat voornemen ook niet wordt weggespoeld.

Dierbaar België, den ezel kan niet kakken.

Of België binnen, goed tien jaar zijn tweehonderdste verjaardag zal vieren is nog maar de vraag. Zelf heb ik daar nog geen uur nachtrust voor gelaten maar ik vraag me wel af wanneer er nog eens vuurwerk zal mogen afgeschoten worden. Ontegensprekelijk zijn er vandaag toch wel wat mensen mee bezig, niet met dat vuurwerk maar met dat Belg zijn. Vele mensen uit het Noorden lijken, met iets dat weg heeft van een superioriteitsgevoel met iedere nieuwe verkiezing meer en meer op zelfbeschikking aan te sturen terwijl zij uit het Zuiden voor goede of verkeerde redenen, als met colle-tout, aan Vlaanderen willen blijven plakken. Soms lijkt het wel alsof België alleen nog maar bestaansrecht heeft bij de gratie van sportprestaties, wanneer geïmporteerde en genaturaliseerde atleten wereldprestaties leveren of wanneer Rode Duivels op een Ek of Wk een begenadigd voetbaldagje kennen. Vooralsnog en zolang er nog een paar zotte socialisten in Vlaanderen rondlopen om de splitsing van het land tegen te gaan, is het signaal van Botrange met zijn 694 meter het hoogstgelegen punt van onze natie. Op de vraag of Het Stroevenbos in de gemeente Voeren met zijn hoogte van 287,5 meter ooit het hoogste punt van Vlaanderen wordt, hangt wellicht af van waar op dat moment de ‘confederalistische’ grens zal getrokken worden en of de burgervader van dat gehucht in kwestie daartegen al Vlaams spreekt want indien dat niet het geval zou zijn, zullen fanatieke wandelaars hem naar alle waarschijnlijkheid met zijn klikken en klakken terug over de natiegrens zwieren, naar Luik waar hij vandaan komt.

Of België nu uit één, uit twee of uit drie stukken zal bestaan, of dat nieuw stuk grond nu Vlaanderen of Dietsland genoemd zal worden, eerlijk, dat zal me een dikke rotzorg wezen, maar waar ik wel redelijk benauwd van wordt en waar ik wel al eens een uur of twee nachtrust voor laat, is naar welk soort samenleving we aan het evolueren zijn.  Zeker wanneer ik gisteren hoorde dat muco patiënten hun levensnoodzakelijke medicatie zelf moeten bekostigen en dat er geen of nauwelijks tussenkomst van overheidswege op zit. Tot op vandaag maakten we in ons oude België nochtans allemaal deel uit van een sociale verzorgingsstaat, waar de hele samenleving verantwoordelijkheid draagt voor het welzijn, voor de gezondheidszorg en het onderwijs, voor werkgelegenheid en voor een werkende sociale zekerheid. Meer en meer en als ik de rechterkant van onze politieke elite (de splitsers en de vrouwen met goesting) beluister, evolueren we meer en meer naar een soort van participatiestaat waar de overheid in een nieuw België en al dan niet onder druk van besparingen of onder het mom van vermeende parasieten vanonder die verantwoordelijkheid wil weg muizen om zo de verantwoordelijkheid van zorg en zekerheid helemaal in de schoot van de nieuwe participatieve samenleving te leggen. In de schoot van een in tweeën gesplitste samenleving waar burgers geacht worden VOOR ELKAAR verantwoordelijkheid op te nemen.

De contradictie is sprekend, België valt als los zand uit elkaar en we zouden voor elkaar verantwoordelijkheid moeten op nemen.  De muco patiënten die gisteren het nieuws haalden zijn vet met deze participatieve neoliberale kul want zij zullen voortaan hun peperdure levensnoodzakelijke medicatie zelf moeten ‘ophoesten’. In elk geval hebben zij vandaag op de hoogdag van België geen boodschap aan een participatieve staat want zij zijn niet of nauwelijks in staat om te participeren want ze kunnen vandaag in het oude België al nauwelijks overleven.

O dierbaar België den ezel kan niet kakken.

Traag en saai.

… Neem nu mijn ouderlijk huis, een luxueuze villa was dat niet, verre van zelfs. In de keuken kon je amper je gat keren wanneer je er met meer dan drie tegelijk in aanwezig was. ’s morgens moest ik voor alles geduldig mijn beurt afwachten. Ik moest in de rij aanschuiven, om mijn gevoeg te doen, om tanden te poetsen en ik moest wachten op koffie. Koffie die doorliep in een thermos waarvan de onderste dichting niet helemaal aansloot zodat er wat donkere smurrie uit sijpelde. Soms leek het wel dat in dat kleine kruip-in teveel mensen woonden en dat ik als jongste altijd als laatste aan de beurt kwam. Alles ging trager dan in andere huizen.

Omdat vader de bonen zelf maalde in een aftandse Moulinex koffiemolen en omdat de moor eerst moest fluiten was zelfs de koffie traag. Alles nam tijd, tijd tot het water kookte en de filter kon opgegoten worden. Elke morgen was het wachten tot die helemaal doorgelopen was en we eindelijk aan onze tas zwart geluk geraakten. Onze pa deed dat elke dag en wij waren geduldig. We mopperden niet…

Toen was traag niet saai, wist ik veel.

Nu denk ik dat langzaam betekent dat ik bedachtzaam bezig ben met de dingen die ik doe of soms helemaal niet doe zodat smaak, geur, kleur en gevoel intenser binnen komen en ik gemakkelijker kan absorberen. Het is alsof ik de koffie opnieuw traag als een baxter in een infuus zie doorsijpelen. Dan ruik ik opnieuw hoe ons keukentje van toen opnieuw vervult raakt met aroma’s van pas gemalen koffie. Als ik zo naar de dingen kijk, voel ik dat mijn traag leven niet saai is al wordt mijn zweverigheid niet altijd even hard geapprecieerd. Voor sommigen is het leven pas interessant wanneer het druk en doelbewust geleefd wordt. Mag ik mijn joker inzetten?

Misschien ben ik gewoon rebelser tegen de prestatiemaatschappij dan ik het besef. Ik ben vastbesloten om geen slaaf te worden van mijn tijd omdat dat volgens mij een onvermijdelijke bijwerking is die op de bijsluiter van het leven staat, ‘slaaf van je tijd’. Niet dat ik tegen groei, vooruitgang, efficiëntie, productiviteit of tegen wat dan ook ben hoor maar het is niet mijn levensdoel. Ik heb niet de ambitie om zo veel mogelijk werk in zo weinig mogelijk tijd te verzetten, ik heb geen zin om altijd druk bezig te zijn, ik doe het liever wat trager op mijn tempo.

Waarden, als ik die zo mag noemen zoals succes, materiële weelde, status of carrière zeggen me niets omdat ze me geen voldoening schenken. Ik zoek andere dingen. Menselijke interactie, verbinding, connectie, hechting vinden aan andere mensen en koffie zijn zaken die meer in mijn aard verankerd zitten en me meer voeldoening verschaffen dan de ratrace. Een nutteloze wedstrijd waarin ik toch als laatste eindig omdat ik koers zonder versnellingen.

Voor mezelf hoeven niet alle grenzen verlegd. Grenzeloosheid beoefenen om erachter te komen dat ik beperkt ben en om te zien dat aan elke grens nog een andere limiet zit, om die ook na te jagen omdat anderen het doen. Aaarrrrggg….

Mag het nu wat trager alstublieft? Met een slakkengang kom je ook wel aan de eindstreep hoor!