Welbespraakte Adonis

Drieste koleire, dramatische tragedie, troosteloos falen, uitzichtloze chaos… Met een bijpassend adjectief worden woorden opeens pure emotie. Vanuit de krant of vanop een scherm krijgen we dagelijks negatief geladen woorden, zonder waarschuwing zomaar recht in het gezicht gebraakt als een bombardement van negativiteit of slechte karma. Negatieve woorden maken ons negatief! En we worden de woorden die we gebruiken! Persoonlijk hou ik van woorden, van lange woorden en van de korte. Ik heb de fatsoenlijke bewoordingen graag maar ook de schelmachtige. Ik gebruik ze dagelijks allemaal, hongerig, plat of fijngevoelig in een poging om een beetje nuance te brengen in hetgeen ik wil zeggen. Woorden met een beladen negatieve bijklank, houd ik zo veel mogelijk achter de hand of laat ze achteloos rondsluipen als nachtdieven. Ik probeer ze echt te vermijden en de ene keer slaag ik daar beter in dan de andere. Ik leef en adem woorden, zowel de geschreven als gesproken al ben ik me daar nog niet zo heel lang van bewust. Ik bewonder pakkende koppen, uitgesponnen dialogen, verrassende cliffhangers en uitdagende clickbaits. Ik frons bij geladen woorden en raak ontroerd door de pakkende die diep treffen. Een juist gekozen woord kan iemand ophemelen of slachtofferen. Sommige fout-beslagen redenaars kunnen je met scherpe klinkers en botte medeklinkers vastspijkeren en het treurige is dat die negatieve woorden nog werken ook. Ze zijn de aandachtsvangers die ons doen luisteren en verder lezen omdat ze in de kantlijn in onzichtbaar rood geschreven zijn. Gisteren las ik wat facebookcommentaren op ogenschijnlijk onschuldige berichten en hier is een exclusieve selectie van de woorden die mijn aandacht trokken: “mossel, moord, woede, lul, loser, woede, nachtmerrie, bagger, teloorgang, shock, azijnpisser, dief”, en het lijstje is nog langer. Als ik jullie toevertrouw dat deze woorden gespuid werden als commentaar op een voetbalverslag moest ik even de wenkbrouwen fronsen. Natuurlijk weet ik wel dat woorden als “witte woede” straffer klinken als “niet helemaal mee eens” en dat “kut en tetten” beter bekken dan “vagina en borsten”. “In shock” klinkt beter dan weer straffer dan “verrast”. De vastelling van toenemend ongepast, gebald taalgebruik is nog geen persoonlijke nachtmerrie geworden, al heb ik er vannacht wel een uur slaap voor opgeofferd zoniet stond hier geen letter geschreven. Elke dag gebeurt het, in de (sociale) media, op tv en in onze dagelijkse contacten. Iedereen draagt in min of meerder mate bij aan het creëren van een negatieve taalcultuur die met een onzichtbare infuus rechtstreeks onze hersenen en harten infecteert. Hoe vaak heb je de laatste tijd niet vol van dat verraderlijke gevoel van irritatie voor je scherm gezeten, vervult met onbehagen omdat de negatieviteit je raakte of je je eraan ergerde? Slecht nieuws is goed nieuws voor wie alleen wat gratuite aandacht zoekt en wij worden door de noodzakelijke klik gegijzeld en worden meesleurd in de negatieve woordenstorm. Net zoals een slecht humeur het steeds wint van een goed humeur winnen negatieve, haatdragende woorden het telkens opnieuw van de positieve. Daarom wil ik positieve woorden vanaf nu koesteren en cultiveren, want ik word de woorden die ik gebruik. Misschien moeten we daarom in een soort van music for life van de taal of tournée minérale van het woord, onze vocabulaire ook onderwerpen aan een jaarlijks opruimbeurt om ons zo iets meer te verbinden tot beschaafd schrijven en spreken zonder al die overdreven nutteloze bijklanken die irriteren. Zal ik dan naiëf het voorbeeld geven door het hier eens op een andere manier of met andere woorden te zeggen, misschien word ik dan ooit wie ik denk die ik echt ben… een welbespraakte Adonis.

Kak, kut en klote

Alleen al de suggestie dat ik me enkel maar op één bepaalde dag van het jaar, namelijk vandaag, slecht zou mogen voelen, is een farce en een mythe. Misschien is het meer sociaal aanvaard om het vandaag meer te zijn dan op andere dagen aangezien ik me op deze derde maandag van januari achter een collectieve dagdepressie mag verschuilen. De beperking tot vandaag beschouw ik echter als een ernstige beperking van mijn persoonlijke vrijheid. Op andere dagen van het jaar kan het blauwe maandag-monster immers even hard of nijdiger uit de kast springen om me te achtervolgen, om controle te nemen over mijn humeur en om mijn dag helemaal naar de kloten te helpen, daarvoor is soms minder nodig dan het winterdipje van vandaag. Een dinsdag in mei of een vrijdag in oktober kan dan zomaar, zonder aanwijsbare reden veranderen in een blijf-uit-mijn-buurtdag of in een ik-blijf-in-mijn-bed-liggendag. Indien je op die dagen mijn denkbeeldige schutkring betreedt en je je in mijn persoonlijk territorium waagt, heb je van Jan. Natuurlijk zijn medische experts het er roerende over eens, dat de winterblues te wijten is aan een gebrek aan zonlicht, een combinatie van de post-kerstblues, koude donkere nachten en een overvloed aan nog te betalen creditcardfacturen en dat deze rotperiode zich vandaag het hardst manifesteert. Ik ben zeker niet geneigd om hun klinische expertise niet in twijfel trekken en wil al dat gedoe nog wel aanvaarden maar dat geeft hen nog niet het recht om me alleen vandaag humeurig, ongelukkig, kak of klote te mogen voelen. Ik geef ze, de medische en psychische bollebozen, alle vrijheid zodat ze vandaag wreed hun best kunnen doen om me op andere gedachten te brengen maar ze zullen me, begot mijn vrijheid niet ontnemen om me op andere dagen van het jaar even kut te voelen als vandaag… en dan moet het nog valentijn worden.

Kleine filantroop die brood in stront verandert

Meestal gaapt er een grote leemte tussen mijn initiëele ambitie en wat ik er uiteindelijk van terecht breng. Steeds weer opnieuw zit er te veel afstand tussen het plan en het uiteindelijke resultaat. Hoe hard ik er ook naar tracht, op de ene of andere manier lijk ik de denkbeeldige kloof tussen de twee niet te kunnen dichten, haast alsof ik door iets dat buiten mezelf ligt wordt afgeremd of tegengehouden. Bullshit natuurlijk, want in het ene geval is het gewoon angst voor het onbekende en in het andere geval is het niets minder dan schrik om verantwoordelijkheid te dragen die me doen verstarren en inhouden. En het zijn net die twee spelbrekers die me steeds opnieuw tegenhouden of doen uitstellen om te doen wat ik hoor te doen of al moest gedaan hebben, al zal het ook vaak gewoon luiheid zijn. En dan bedoel ik niet alleen dat ik me verantwoordelijk voel voor vrouw en kinderen maar ook voor woonst en geld of carrière of aanzien ofzo en dan bekruipt me een soort van faalangst om er niet te komen of om niet iets te worden. Alleen een zot denkt dat hij de slimste is van de bende terwijl iedereen weet dat hij eigenlijk te stom is om brood in stront te veranderen. Zo voel ik me dan dikwijls, niet als de rest van de bende maar als zot.

Ik heb me nooit wereldverbeteraar of weldoener gevoeld omdat ik daar het juiste type niet voor ben, mogelijks omdat ik te veel Bohemer ben of te veel te hartstochtelijk in bepaalde dingen. Mijn smoelwerk, mijn lijf en mijn verstand hebben me ook nooit veel vertrouwen ingeboezemd. Ik geloof dus niet dat er een beter recept bestaat om een nog grotere snul te worden en de geschiedenis heeft me daarin niet tegengesproken. In relaties, op het werk, als vader of als sportman, overal kwam ik in een probeerselwereld terecht, een doe-alsof-wereld waarin ik velen onder jullie tegenkwam. Vandaag doe ik er alsof ik schrijver ben die doet alsof hij iets te vertellen heeft. Eerlijkheid gebied me te zeggen dat het behoorlijk eenzaam is in mijn alsof-wereldje hoewel het er bijzonder druk kan zijn met mensen die even hard proberen ook iets van betekenis te zijn door dingen te doen waarvan zij denken dat ze er het beste in te zijn. Het zit er vol doe-alsof-mensen zoals politici, trainers, ceo’s, managers, twittertoeters, facebookterroristen en andere heel belangrijke zielen die in hun eigen doe-alsof-jargon vruchteloos anderen trachten te imponneren en zo door vuur gebrand zijn dat ze overal een ongenuanceerde mening denken over te moeten hebben. Maar let op want in alsof-wereldjes kunt ge u behoorlijk vereenzaamd voelen als ge tracht die illusie hoog te houden. Toen ik laatst een voordracht gaf in de bibliotheek, de avond was speciaal voor mij georganiseerd, voelde ik me tussen mensen die ik bijna allemaal kende, ongepast populair omdat ik met veel bravoure mocht spreken over dingen waar ik iets vanaf meende te weten. Een handvol toeschouwers had misschien wat minder kennis van zake en al zeker niet de behoefte om er op een podium mee uit te pakken. Toen ik mezelf op dat podium gehesen had voelde ik me er behoorlijk hautain, belerend en eenzaam. Het vissen naar egards, luister en schouderklopjes had als enige reusltaat dat ik weer in de diepte stond te staren die gaapt tussen verwachtingen en resultaat. Ik kan dan ook niet anders dan mijn alsof-wereldje wat vaker achter mij te laten want ik ben er ondertussen achter gekomen dat ik nergens nog naar toe moet, dat ik niemand iets hoef te bewijzen en dat niemand op mijn ongevraagd advies zit te wachten. Mijn mensenvrees is dan een mooi excuus om me achter bescheidenheid en zelfkennis te verbergen. Ze hangen als een luifel over mijn bestaan en ze zullen daar tot het einde van mijn dagen blijven hangen. Zo kan ik me er als kleine filantroop in hun beschermde schaduw koesteren zodat ik met beide voeten op de grond blijf. Op dat plekje word ik dan misschien niet langer uitgelachen als zot die brood in stront kon veranderen en er een luchtbel kon van maken.

Suf gerukt.

Hoe zal ik dan de verpletterende alledaagsheid op een afstand houden wanneer ik straks meer dan honderd jaar zal worden en gespaard zal blijven van depressies, ziektes of fysieke ongemakken? Welk soort mens zal ik dan worden? Wat voor iemand zal ik zijn indien ik helemaal gespaard zal blijven van leed, kommer, verlies of ontij en op welke manier zal ik dan naar de dingen kijken, wetende dat ik het nu soms al lastig heb met de ondraagelijke lichtheid van dit bestaan. Nu ik hier in de diepte van mijn alledaagsheid staar vraag ik me af of het net niet de fysieke en mentale ongemakken geweest zijn die mijn biografie een beetje de moeite waard gemaakt hebben? En dan bedoel ik natuurlijk niet die dodelijke kanker of die die andere levensbedreigende aftakelingsziekte maar de gewone alledaagse tegenslagen of verdriet. Waren zij niet verantwoordelijk om anders te kijken en hebben zij net wel de inzichten verschaft om dingen in vraag te stellen en het leven anders aan te pakken? Vormden die ongemakken mijn menselijke geest niet meer of beter dan gezondheid en blijheid? Ik vraag me dat af. Is lijden aan persoonlijke fysieke of mentale begrenzingen niet een soort lijden dat de ziel scherpt en waar je beter van wordt? Als aftakeling geen glijbaan naar het einde meer is en we straks moeiteloos honderdvijftig of honderdtachtig jaar kunnen worden, wat zullen we elkaar dan nog te vertellen hebben en hoe zal schoonheid er dan uitzien uitzien als alles zomaar kan uitgesteld worden naar morgen, naar volgend jaar of naar nog later? Zal ik dan niet nog meer reiken naar de toekomst en nog vaker weemoedig terugblikken op gisteren om te vergeten dan vandaag de enige dag is die bestaat?

Misschien denk ik te veel aan de eindigheid omdat mijn persoonlijke lichaams- en geesteserosie niet te stoppen is, maar ik vecht niet meer met het idee dat mijn toekomst met elke nieuwe dag korter wordt dan mijn verleden. Ik ga dus niet wachten tot het zomer is en het veertig graden is en mijn persoonlijke levensruimte weggesmolten is. Neen, ik ga mezelf die décadente coupe brésilienne nu gunnen, met drie bolletjes vanille, drie bolletjes mokka en chocolade en gebrande nootjes en zoute caramel. Volgende week trek ik naar het zuiden om te lezen en te schrijven, om saboteurs een hak te zetten en om me intellectueel zo hard te masturberen tot ik helemaal suf gerukt ben. En ik ga verder met sloten koffie te zuipen en peuken te paffen tot alles zo dicht dichtgeslibt is als de Antwerpse ring in de avondspits want honderddertig of honderdvijftig jaar worden lijkt me de hel op aarde.

Schaamrood

De ingebeelde schijngevechten tegen schaamte die ik al mijn hele leven voer, kennen duizend gezichten. Ze ontwrichten al zo lang ik het me kan herinneren mijn innerlijke zijn, ziel en … Lees verder Schaamrood

Vel…

Het was laat op de morgen dus zat ik daar zoals dat de laatste tijd wel vaker gebeurt, verborgen achter een leesbril, een krant en een kop koffie, de dag in gedachten weg te dromen en mijn rug te warmen aan een terrasvuurtje. De krantenkoppen die me voor de ogen schoven konden mijn aandacht niet vangen. Misschien omdat die dingen me steeds opnieuw opstandig maken of omdat het nieuws dat ik onder ogen krijg bijna nooit met mijn humeur overeenstemt. Dat blad was dan ook niets meer of minder dan een handige dekmantel om ongestoord en onopvallend naar mijn kleine wereldje te kijken. Waarom het gebeurde weet ik niet meer precies maar opeens vielen mijn handen me op. Ze lagen beiden met de palmen naar beneden op de tafel en verhinderden de gazet om weg te vliegen. Mijn handen vertoonden kleine rimpels en groeven alsof de poriën met de tijd groter en dieper geworden waren. Aan handen zie ik eerst dat mensen ouder worden, dan pas aan denkrimpels of kraaiepootjes. Mijn handen waren even snel oud geworden of waren aan hetzelfde tempo verschrompeld als de rest van mijn lijf. Dat is nu eenmaal zo, bij mij is het niet anders, ik kon daar niks aan veranderen dus berustte ik erin terwijl ik de vuurkegel van mijn sigaret even gloeiend heet trok als de vuurtjes die mijn rug verwarmden. Mijn lijf, kennelijk moest ik er een lange tijd in doorbrengen als personages waar ik niet op leek alvorens ik kon zijn wie ik echt ben. Soms denk ik dat ik ze allemaal te lang ben geweest, de vreemde heerschappen waar ik me van moest ontdoen en me helemaal moest van bevrijden, alvorens ik toegang kreeg tot mezelf, een beetje zoals een slang zich elk seizoen ontdoet van haar dode huid. De ergste bijwerking van ongelukkig zijn is niet zozeer het ongelukkig zijn op zich maar wel het gevoel dat mijn zorgeloosheid langzaam verdween zodat ik geen slappe lach meer kon krijgen en ik me niet meer kon verliezen in lachbuien die me deden hijgen en waarvan ik buikkrampen kreeg. Ongelukkig zijn is echt oeverloos serieus maar ik bleef het niet! Telkens opnieuw en tot mijn verbazing merkte ik ook dat eens ik me in een nieuwe huid kon wurmen, ik naast de gave van tristesse ook een ongekend gezond talent bezit om gelukkig en vrolijk te zijn en terwijl ik naar mijn handen stond te gapen kreeg ik opeens de onverwachte neiging om te lachen en lichtzinnig te zijn. Het vel dat ik nu draag vertoont diepe rimpels en jeukende littekens die ik nooit meer kwijt raak maar ondertussen is het ongemerkt 2020 geworden en hoef ik mijn twijfels niet meer zo ernstig te nemen, gelukkig! Zit ik dan eindelijk toch in het juiste vel of zal ik het opnieuw ruilen voor een ander?

Sociale introvert.

In de vroegte van de achtend slokte de schuchtere herfstzon de ijzige nachtnevel op en deed de bevroren neerslachtigheid die zich de laatste dagen van mij had meester gemaakt ontdooien. Dunne laagjes ijs die zich op de schaarse plassen van de veldweg hadden gevormd kraakten bij elke stap onder mijn voeten en deden de natuur opschrikken. Bij elke pas die ik zette raakte ik meer ontroerd door iets wat ik niet onmiddellijk onder woorden kon brengen. Heel even flitste de gedachte binnen dat het mijn door de ouderdom aangetaste brein was waardoor ik mijn grenzeloze nostalgische heimwee waar ik steeds in wegzink plots aanzag voor iets verheven, als een hoger goed of zo. Hoewel ik nooit echt alleen ben geweest voel ik me wel eens eenzaam. Eenzaamheid als een uniform of overjas die me altijd al had beschermd tegen angst of pijn van het onbekende of tegen de bedreigende conclusie dat ik in mijn leven nog niet veel van waarde had gerealiseerd dat mijn levensaanwezigheid kon rechtvaardigen. Misschien vertoonde mijn overjas in het grootste deel van mijn bestaan ook wel te veel schutkleuren die altijd al dienst had gedaan als camouflage en waarmee ik me als een kameleon kon verbergen zodat ik geruisloos, ongezien en onopvallend door het leven kon kruipen. Zo ver ik kan terugdenken heb ik altijd dromen van anderen willen waarmaken en hield ik er te weinig voor mezelf over. Ik leverde gratis, in ruil voor companie tegen de eenzaamheid van mijn ingedeukte zelfvertrouwen. Om mezelf dan staande te kunnen houden moest ik eerst de regels overtreden en de normen negeren en zocht ik heil in de roes die als wegwijzer diende op de weg van maatschappelijke aanvaarding. Op de een of andere manier wou ik uit de boot vallen om gered te worden of was ik koortsachtig op zoek naar bevestiging van anderen of naar vriedschap van een vrouw of van een bende onbelangrijke lotgenoten. Nu word ik nog soms nog wel eens angstig of eenzaam van mensen die nog steeds zonder resultaat op zoek zijn naar de zin van het leven dat ik al losgelaten heb. Op zulke momenten ben ik het liefst alleen, op een afstand omgeven door eenzame mensen, als een sociale introvert. In de verte springt een ree in het dichte struikgewas, alsof het mijn gedachten kon lezen. Ben ik hier dan toch niet alleen?

Lijstjes en nummertjes.

Een er ietwat slobberig uitziende vrouw, ik schat haar vijfenveertig, is diep in gedachten verzonken en zit warm ingeduffeld op een bank in het park voor zich uit te staren. Ze maakt ingebeelde lijstjes over de dingen die haar bezighouden, die ze zeker nog moet doen en die ze zeker niet mag vergeten. Niet dat de nummercombinatie van haar fietsslot of de code van haar bankkaart zich op een van die lijstjes bevindt of dat erop geschreven staat dat ze de soep voor straks nog moet ontdooien, neen dat is het niet. Die cijfertjes zijn zo belangrijk dat ze die nog uit het hoofd kent en ze niet op een lijstje hoeft te schrijven. Op haar eigen manier bepaalt zij met een ingebeelde cataloog de volgorde van zaken die echt belangrijk zijn, en niet uitsluitend van belang voor vandaag of voor morgen of voor zichzelf maar ze maakt een ingebeelde opsomming van dingen die heel belangrijk zijn voor de het dorp, voor de stad, voor het land of op het minst voor de hele wereld. Ze kan daar nu tijd voor maken want ze was toch aan het dromen en de wolken beginnen al op te trekken. Lijstjes maken is heel belangrijk in de kringen waarin ze elke dag vertoeft. Niet dat de mensen waarmee ze dagelijks omringd is, zich bekommeren over lijstjes die zij schrijft want de meesten onder hen zijn te druk in de weer met hun persoonlijke lijstjes. Als bejaardenhulp in het rusthuis krijgt ze namelijk alle dagen van de week te maken met dementerende oudjes die, om niet te vergeten lijstjes maken van dingen die voor hen belangrijk zijn. Die kattenbelletjes slingeren dan her en der rond of verzamelen zich in een schoendoos op de vensterbank zodat de volgeschreven papiertjes hen er steeds aan herinneren dat ze niet vergeten wat ze die dag niet mogen vergeten. Op al de lijstjes van alle dementerende oudjes van alle kamers van het rusthuis vind je naast een vergeelde foto van hun geliefde partner, de geheime code van de bankkaart die ze al lang niet meer bezitten omdat de kinderen al die belangrijke dingen zelf op hun eigen lijstje hebben gezet.

Ik betrap me er zelf op dat ik ook lijstjes bijhoud en dat zelfs die indexen al ziekelijke vormen beginnen aan te nemen.  Zo leg ik al een tijdje lijstjes aan van dingen die ik niet mag vergeten te zeggen of van woorden die ik kan gebruiken voor mijn schrijfsels. Ik bewaar ze in een brillendoos die ik overal naartoe zeul omdat mijn leesbril daar ook in zit en ik anders de lijstjes niet kan lezen die ik erin bewaard heb. Als ik vlug ben, tel ik vijftien kleine papiertjes en als ik eerlijk ben, zijn het er twintig. Thuis bewaar ik napoleonsnoepjes, pepernoten, chocolade en koekjes, ook allemaal in hun eigen doos maar dat is iets anders en heeft dat eerder te maken met mijn compulsief-neurotisch karaktertrekje. De brillendoos, dat is wat anders, daar leef ik naarstig in en ik word er actief van of helemaal passief. Ik zal de briefjes die ik erin bewaar nooit vroegtijdig weggooien omdat ze tot me spreken en ze me toe roepen: ‘niet vergeten, niet vergeten… let op dat je het niet vergeet.’ Niet dat ik van die vergeet-mij-nietjes in paniek raak hoor want ze geven me houvast maar als ik dan toch eens begin te twijfelen keer ik terug naar mijn versterkt kasteel, naar mijn vertrouwde brillendoos.

De oudjes in het rusthuis worden net zoals mijn vader zaliger ook elke dag door lijstjes en briefjes toegeschreeuwd, en worden net op dezelfde manier elke dag toegeroepen door wegglijdende gedachten op papier.  Op die briefjes houden ze voor zichzelf bij op welke knop zij moeten drukken en op welke knop zij absoluut niet mogen drukken, door wie ze worden opgehaald en door wie ze worden vergeten, en dat ze best gaan zitten als ze moeten pissen. In de liefdesbrief die mijn vader elke dag schreef, stond telkens geschreven dat hij het haar morgen niet mocht vergeten te vragen.  Elke dag opnieuw schreef hij in hanenpoten de pincode van zijn bankkaart op een briefje dat hij in de schoendoos op de vensterbank stopte tussen minstens dertig briefjes waarop dezelfde nummertjes geschreven stonden.  Nummertjes die ooit zo veel belangrijker waren dan het grootse wereldprobleem maar die nu enkel nog maar vier nietszeggende getalletjes meer zijn.

Kunst met grote C, Cultuur met grote K!

Aan het drukke kruispunt van de Stationsstraat staat een schalkse, oude grijsaard al minstens vijf minuten krom gebukt over zijn rollator geduldig te wachten tot hij de straat kan oversteken. Auto’s en fietsers rijden druk af en aan, voetgangers passeren maar gunnen de oude snaak geen blik.  Aan zijn looprek op wielen bengelen zeker twintig sleutelhangers, minstens evenveel beertjes en drie ballonnen, een gele, een rode en een zwarte. Met het rode verkeersbord, maximum 30 dat aan zijn rollator is vastgemaakt, steekt hij subtiel zijn middelvinger op naar de haastige mensenstoet die ongedurig voorbijraast.

‘Zal ik even helpen’, vraag ik enigszins bemoeiziek aan de verhakkelde rollatorvriend.

‘Met wat? Gaat ge me mijn jonge benen teruggeven, of gaat ge mijn geld afpakken misschien’, antwoordt hij niet-gespeeld brutaal. Ik neem de koddige oude snuiter onder de ene arm, steek mijn andere in de lucht om de aanrijdende auto even te stoppen en help hem rustig naar de overkant van de straat.

‘Waar heb ik dees aan verdiend’, zei hij hijgend, met trillende stem en met een tongval die me deed vermoeden dat hij uit de streek afkomstig is. Met zijn glazige ogen die dankbaarder keken dan de dienst die ik hem maar bewees, grijnst hij een glimlach zo breed dat de twee nog resterende tanden van zijn eetkamer zichtbaar worden.

‘Teneuste maand word ik 93 en dees heb ik nog nooit van mijn leven meegemaakt en ik heb zelfs nog in den oorlog gediend.  Zal ik U om U erkentelijk te zijn, in de rapte een boerreke betalen, hier op den hoek, als ge er den tijd voor hebt tenminste’, en hij wees naar een café dat minstens even oud was als hijzelf en dat misschien ook nog dienst had gedaan in dezelfde oorlog als waar hij kwam uitgewandeld. Witte Cyriel, want zo bleek hij te heten, deed zolang over zijn geribbeld glas bier dat het schuim van zijn kraag al lang verdwenen was om er nog met enige smaak van te kunnen van genieten. Zijn oude ratel stond geen twee seconden stil en hij vertelde onophoudelijk over de oorlog, over de zwarte hand en over het verzet waar hij naar eigen zeggen deel, had van uitgemaakt.  Als hij van zijn pintje nipte leek het alsof hij alleen maar zijn lippen bevochtigde om zich zo telkens opnieuw met heimwee een zoete hopkus te gunnen.

De toevallige verhalen van Witte Cyriel waren even warrig en gammel als actueel maar ik hoorde en zag gelijkenissen met wat zich deze week onder onze neus voltrok. Haast machteloos en met lede ogen kijk ik toe hoe een nieuwe autoritaire orde zich opnieuw installeert. Een nieuwe autoritaire orde die met strikte regels zoals kleur, afkomst en gedacht en met verwerpelijke termen zoals IS-kinderen, vreemdelingen of illegalen, kunstenaars of echte Vlamingen beslist wie tot te hunnen mag gerekend worden en wie niet. Wie niet voor is, is tegen en wordt beschouwd als verrader van de goede zaak en zal het zwijgen worden opgelegd. In die nieuwe orde en met een passende Culturele Canon zal voortaan bepaald worden wie de rechtmatige verdediger mag zijn van de juiste Vlaamse Belangen en van de utopische waanideeën voor een zuivere Vlaamse Natie. Dat de kracht van culturele diversiteit verreikend is en dat die een ruime maatschappijvisie kan versterken, en bovendien winstgevend is, is een realiteit die miskend wordt en als bedreigend wordt aanschouwd. Censuur is geen censuur, maar met stemmingmakerij en afkalving kunnen tegenstanders van de unitaire natie ook gemuilkorfd worden en kunnen ze via de sociale media propaganda ook subtiel geportretteerd worden als subsidie-slurpende geldverspillers of als een niet legitieme elite die de nieuwe autoritaire orde bedreigen als ze niet vernietigd worden. De pleitbezorgers van die nieuwe orde eigenen zich dan nog het recht toe, al dan niet legitiem verworven in naam te mogen spreken van een volledig machteloos en bedreigd volk.

Maar in alles zitten scheuren, scheuren die af en toe een beetje licht binnenlaten zodat we nog zien wat we zeggen zodat we eindelijk inzien dat de realiteit een mogelijkheid is die we ons niet kunnen permitteren om ze te negeren. Als miserie en rottigheid helemaal gegist is ontstaat er misschien een schok die zich verderzet en zich vernieuwt zodat de retoriek van de politieke vijandigheid eindelijk kan plaats maken voor een beetje culturele vriendelijkheid. En anders worden we met zijn allen maar schizofreen in een onbekende dictatuur die de openbare stem helemaal verbiedt en ze het zwijgen oplegt maar dan zal ze ondergronds als een furie spreken tegen oren die wel zullen luisteren.

Kunst en cultuur zijn het bewijs van leven… als je dat doodt dan dood je het!

Zomer in de winter.

Acht heb ik er en nadat ik al diegene die niet automatisch terug gedraaid worden, een uur heb afgenomen, laat ik één uurrwerk op zomeruur staan zodat die flikkerende lichtjes me er tot na de winter aan zullen blijven herinneren dat ik vandaag een uur meer heb gekregen om te doen waar ik zin in heb zonder me te moeten haasten. Vandaag en al de andere dagen die volgen in deze nieuwe tijdelijke tijdzone mag ik een uur langer moe zijn dan gisteren en mijn ochtenderectie mag een uur vroeger en een uur langer de knopjes van mijn boxershort losduwen want ik ben toch de enige zot die vandaag op dit onchristelijke uur de dingen al begroet. Voor het ingebeelde hoogtepunt dat me daarnet plotseling uit mijn natte droom haalde, krijg ik als cadeau een uur extra om het in het echt te proberen. De wijzers van de klok zullen me de hele wintertijd zeggen, ‘doe maar op het gemak, je hebt nog een uur’, en de ochtend zal me met haar donkere schemer de hele winter wat innerlijke rust gunnen zodat ik me niet gelijk een haastig stresskonijn zal moeten beginnen afjagen.

Opnieuw zal ik zoals elk jaar trouwens, vergeten om mijn autoklokje te resetten waardoor ik me minstens elke dag van de volgende week om zeven uur ’s morgens zal afvragen of het zes, zeven of acht uur is? Nadat het uur van mijn gsm me verklapt zal hebben dat het nog maar zes uur is, zal er spontaan een glimlach op mijn gezicht verschijnen omdat ik de file heb vermeden, een uur eerder kan stoppen met werken en zo een uur vroeger in mijn zetel kan ploffen. Ik word nu al instant gelukkig.

Naar mate de week vordert, zal ik er meer en meer van overtuigd raken dat de zomertijd een complot was om me te verwarren en om me te doen geloven dat ik energie bespaard heb, Welke energie? Van de wintertijd, ja daar krijg ik een overschot energie van, om er op een comfortabel manier de dag mee rond te komen. In deze nieuwe uurregeling laat mijn biologische klok me immers elke dag opnieuw soezen gelijk muizen tussen het meel en ik word blij met dat uurtje extra dat ik meer gekregen heb dan tijdens de zomertijd die me dat binnen een paar maanden opnieuw zal afnemen.

Doe mij maar alle dagen winter, ook in de zomer!

Vlag van de overwinning.

Vanmorgen stond ik traag op, zo langzaam dat zelfs dat veel tijd in beslag nam om tot het besef te komen dat ik er nog ben, dat ik nog besta, misschien zelfs nog voor iemand anders dan voor mezelf. Nu niet dat ik vind dat ik een grote rol van betekenis heb in dit grenzeloze universum van onbegrijpelijke chemische verbindingen en fysische toevalligheden. Neen dat is het zeker niet want toen ik daarstraks de slapers uit mijn ogen wreef heb ik een absurde maar vrij geweldige sensatie meegemaakt. In een intieme bliksemflits realiseerde ik me plotseling dat ik niemand ben, niemand, absoluut niemand. Hoe ouder ik word hoe onbenulliger en nutteloos ik me soms voel. Je zou deze zelfanalyse ten onrechte als plat zelfbeklag kunnen bestempelen maar deze gedachte zou afbreuk doen aan mijn puurste intieme reflectie van totale overbodigheid. Wanneer verveling me verdooft en ik het leven in zijn groots- en kleinheid probeer te begrijpen, begeef ik me met mijn gedachten soms op een gevaarlijk pad. Op zulke momenten denk ik dat de kwelling van het relatieve me misschien beter zou kunnen maken maar meestal kom ik bedrogen uit omdat ik veel liever wat anders zou doen.

Meditatie of zelfreflectie mag dan misschien wel een godsgeschenk zijn voor ongekende huis-tuin en –keukenfilosofen of voor koeien in de wei, voor mij begint het denken pas wanneer ik kan tateren of schrijven om op die manier de erbarmelijkheden uit het donkere hoekje van mijn eigen ik te halen. Schrijven is dan de aangenaamste of gemakkelijkste manier om het leven te relativeren of om het te negeren. Hier mag ik ongestoord krabben aan littekens van oude en nieuwe wonden die ontstonden in gevechten die ik tot nu toe uit de weg ben gegaan. Met schrijven mag ik aan mezelf ontsnappen en kan ik me verbergen achter mijn geweten en mijn ziel die zich verstopt achter onbenulligheden of achter dingen die het daglicht niet mogen zien. Ik hoop maar dat mijn ziel of de realiteit van het leven me nooit zullen vinden en dat ik vandaag gewoon mag onthouden wat ik gisteren genegeerd heb zodat ik morgen mag worden wie ik vorige week verloren ben. Dan pas kan ik die al opgelopen nederlagen vieren met een vlag van de overwinning en zal ik eindelijk misschien iemand worden. Op een dag, wanneer de zomer en ’t schoon weer samenvallen.

Kwijtgespeeld.

Nu ik mijn vijfde decennium ben ingestapt lijkt het wel alsof ik een onschatbaar goed ben kwijtgespeeld. Wanneer het gebeurde weet ik niet, misschien overkwam het me wel op het moment dat mijn uitgerekte jeugd overging in iets wat op volwassenheid begon te lijken. Ervoor was mijn leven te vol, te chaotisch en te onvoorspelbaar geweest zodat ik geen tijd had om verlangend of weemoedig aan eerste liefdes terug te denken of om er nieuwe te verzinnen. Nadien gebeurde dat soms wel, of wanneer een tweede of derde grote liefde waarvoor ik mijn leven geriskeerd had, dreigde vast te lopen in het slop, zoals houten wielen in een slijkerig karrespoor. Wat ik ervoor niet beleefd had, kreeg dan plots een enorme aantrekkingskracht alsof ik me net over die drempel van de vijftig, plots bevond aan het begin van een lange gang vol deuren die pas kunnen geopend worden wanneer ik die confronterende vraag juist beantwoord kreeg. Ligt mijn toekomst nu vast met de levensloop van het verleden of zal er nog iets spectaculair in veranderen? Ik probeer naief de rare gedachten weg te lachen maar ben er weinig sucessvol in. Nu ik mijn vijfde decennium ben ingestapt lijkt het wel alsof ik een onschatbaar goed ben kwijtgespeeld, mijn nonchalance. Tot dan moet ik gedacht hebben dat ik onsterfelijk was of zo maar nu zelfs merk ik dat soms zelfs mijn eigen lijf begint op te spelen en niet meer luistert, alsof het er wetten op nahoudt in regels die ik niet geschreven heb. Bijna alle bekoringen van de eerste keer zijn ingewisseld voor flauwe afkooksels ervan en dat geldt zelfs voor verliefdheid, verbazing en verdriet. Nu zelfs begint het me op te vallen dat ook taal me niet te hulp komt wanneer ik de vervoering van het leven of het langzaam verval ervan tracht uit te drukken waardoor elke zin en elk woord dat ik schrijf ook blijft vaststeken in een kleurloze alledaagsheid die vervelend, bespottelijk en pathetisch wordt. Toch had ik daarstraks toen ik mijn pen in de inktpot dopte, heel even een overschat romantisch idee dat ondanks dat alles, het misschien wel een goed idee was om een verhaal te schrijven dat begint met, ‘Nu ik mijn vijfde decennium ben in gestapt lijkt het alsof ik een onschatbaar goed ben kwijtgespeeld…. ‘

De voorlaatste

In zijn hoofd had hij de voorlaatste dag van een ingebeelde kalender doorstreept. Dat was vannacht gebeurd. Gedurende de nachten die voorafgegaan waren aan deze, had hij in zijn terugkerende zinsbegoocheling, al de voorafgaande dagen ook al doorgehaald met een dikke rode streep. Deze ochtend was net zo begonnen zoals elke andere morgen, met snelle koffie en nog rappere verslavende nicotine. Ochtenden als deze vatten het laatste jaar steeds op dezelfde manier aan als die van de dag tevoren, bedacht hij zich snel zonder enige aanleiding. Misschien gebeurde dat wel gewoon omdat hij zo veel nadacht, ongezond veel, over onbenulligheden. Zijn hoofd zat er overvol van. Zo dacht hij een paar tellen geleden nog aan het vriespunt van water en aan waarom warm water sneller bevriest dan koud water. Hij wist dat dat te maken heeft met gassen die meer aanwezig zijn in koud dan in warm water, waardoor een natuurlijke isolatielaag gelegd wordt tussen de watermoleculen zodat koud water minder snel bevriest dan warm. Hij wist dat. Zijn overvol brein dat onophoudelijk gedachten maalt, zit zo vol nutteloze weetjes alsof het soms lijkt dat hij slimmer is dan anderen terwijl dat in werkelijkheid helemaal niet zo is.  Niemand, zeker geen verstandig persoon zou anders op een dag als deze zijn gedachten laten afdwalen naar de vriestemperatuur van water, en al helemaal niet op dit moment, omdat hij als enige zeker wist dat morgen de wereld zou vergaan.

‘Veel dingen weten waar je niets mee bent is nutteloos, zoveel is zeker maar vergeefs wachten op iets dat komt of niet komt is nog stommer’, zei hij tegen het espressomachine dat tergend traag een nieuwe dosis cafeïne uitbraakte. Dit alles speelde zich af om 6:52 van de laatste zaterdag van de laatste maand van het laatste jaar, terwijl hij zich, wachtend op koffie inbeeldde, hoe dat einde van de wereld zich morgen precies zou voltrekken. In een verse vlaag van zinloosheid werd hij er zich opeens heel erg bewust van dat hij in zijn eigen leven heel veel tijd had verscheten. Zo ook, de voorbije week nog, waar hij wachtend in de file, tergend traag naar plaatsen was gevoerd waar hij eigenlijk liever niet had willen zijn. Of in de wachtkamer van de dokterspraktijk waar hij op een voorschrift cholesterolmedicatie had gewacht en op de diagnose van een kwaal die al een tijdje aan het opspelen is. In zijn leven had hij al veel geduld geoefend en had hij al veel gewacht, alleen of in lange rijen en files. Een paar nachten geleden had hij aan de hand van zorgvuldig berekende statistieken uitgeteld dat een gemiddelde mens vijf tot zeven jaar verspeelt door te wachten al lopen er zeker mensen rond die hun hele leven in een of andere wachtkamer doorbrengen en er vol onbereikbare verwachtingen hun leven vertreuzelen.

In zijn hoofd is het vandaag de voorlaatste dag en die is met voorsprong veel moeilijker dan de laatste, van dat feit was hij zich ten volle bewust. De voorlaatste is veel lastiger dan de laatste dag omdat die al ver van tevoren is vol gepland met een overvolle bucketlist. De ultieme bungeejump, het laatste glas dure champagne en laatste keer vrijen maar dat kan morgen allemaal nog worden geregeld. Maar wat doet hij dan vandaag? En wat als zijn berekeningen niet kloppen, wat als de waarheid van mijn vriend niet de waarheid is en morgen niet bestaat? Zal hij het dan allemaal vandaag nog kunnen doen of had hij het gisteren moeten doen en wat dan als gisteren dan ook niet meer bestaat?

Ik zwijg in alle talen.

Ik ben het verleerd of ik ben het kwijtgespeeld. Ergens onderweg moet het gebeurd zijn, net zoals met die wollen handschoenen die ik nooit droeg maar die voor een onverklaarbare reden steeds in de zakken van mijn winterjas staken. Vroeger deed ik het wel en veel, de hele tijd eigenlijk. Dan kon ik me beklagen over alles en iedereen omdat ik dacht dat ik altijd en overal een mening moest over hebben, dat ik altijd ergens ‘iets van moest vinden.’ Het was een tweede natuur geworden want overal waar ik kwam, had ik kritiek en vond ik overal, ergens wel wat van. Ik verstond als geen ander de kunst van het beter weten. Als ik later aan de hemelpoort zal aankloppen, zal Sint-Pieter me zeker vragen waar ik het grootste gedeelte van mijn leven mee heb doorgebracht. Ik zal dan antwoorden, ‘Pieter jong, ik heb veel tijd verscheten met beter weten en ergens iets van te vinden en het heeft me geen kloten opgebracht.’ Nog niet zo lang, eigenlijk de laatste paar jaren pas en telkens er een nieuw seizoen aanbreekt krijg ik het ervan op de heupen, van dat snel en gemakkelijk pessimisme en van dat betweteren. Niets is namelijk zo vernietigend dan in twee seconden, met een straf oordeel brandhout te maken over iets waar iemand een heel leven heeft aan gesleuteld bijvoorbeeld aan, zichzelf. ‘Doe jij het anders ook maar eens, probeer anders ook eens op te komen waar jij echt voor staat in plaats van af te kraken waar iemand anders in gelooft of na te apen wat iemand anders je voorkauwde.’

Als tegenwoordig iemand mijn eigenheid aanvalt gaan mijn stekels recht staan, worden mijn ogen vuurspleten en wordt mijn tong scherp als een speer. Het is zelfs zo dat wanneer ik tegenwoordig verslechtering bij anderen signaleer ik zelfs wat milder voor mezelf word omdat ik weet dat kritiek zoveel meer zegt over mezelf dan over de gebeurtenis, de persoon of het gedrag dat ik bekritiseer. In het echt verdraag ik ze amper nog, de mensen die met het vingertje omhoog zeggen hoe ik het zou moeten doen. Ik geef veel meer voorkeur aan intelligente, stijlvolle of nederige mensen die een tikje geestig zijn en de kunst verstaan om met fijngevoeligheid te bemiddelen tussen pientere kennis en bescheiden nieuwsgierigheid. De te kritische beterweters die geen ruimte laten voor anderen of andere gedachten, mijd ik als hondendrollen op het trottoir.

Ik huil niet meer mee met wolven in het bos. Laat mij mijn eigen gang maar gaan en jullie? Als het me zou gevraagd worden zou ik zeggen dat jullie misschien beter ook een beetje meer koppige zalm of eigenzinnige paling zouden kunnen worden, om compromisloos stroomop -of stroomafwaarts naar de juiste bestemming te zwemmen, om er te paren en te sterven in de plaats van als een sprot in de ogenschijnlijk veilige school te blijven zwemmen om gevangen en gerookt te worden, maar het wordt me niet gevraagd dus zwijg ik, in alle talen.

Sprei van verwachtingen

Als ik, al dan niet noodgedwongen, met mezelf als grootste knuffelbeer een beetje rust gevonden lijk te hebben, is er in mijn hoofd toch altijd iemand aanwezig die vastberaden het woord neemt. Iemand die zich met zijn aanwezigheid in het episch centrum van mijn denkbeeldig universum waant. Daar zit hij gewrongen tussen een andere iemand die zich op zijn beurt probeert te verzoenen met nog een ander iemand die er met iets meer bescheidenheid woont. Op het grijze voetpad van mijn hoofdstraat lopen mannen in strakke maatpakken en vrouwen op hoge hakken. Zonder ze een blik te gunnen passeren ze clochards die er zich op hun stuk karton een plaats hebben toegeëigend om van daar naar de wereld te kijken of hem beter proberen te begrijpen. Maar de figuranten zitten niet in mijn hoofd want als ik eruit ontsnap merk ik dat het leven dat ik leef ook bestaat uit mensen die machtsbalansen creëren of ze proberen in stand te houden. Ze balanceren op de weegschaal tussen diegenen die de dingen zeker denken te weten en tussen diegenen die er nog niet over nagedacht hebben, of wie het niets meer kan schelen.

Met mijn gebrek aan kennis dat zichzelf niet langer meer in vraag stelt, knuffel ik mijn persoonlijke naïviteit en bevattingsvermogen maar maak me tegelijk hoofdverdachte want ik pleit even schuldig door de verwijten die ik anderen maak of over oordelen die ik erover vel. Ik moet er mee ophouden want ik heb ze nodig, de andere mensen. Al was het maar om mijn eigen onwetendheid af te toetsen of om me te leren hoe ik op een andere manier kan kijken en voelen en scherper perspectief te krijgen. Op de keper beschouwd ben ik dan toch een mensen-mens die zich wederzijds afhankelijk maakt van anderen, anders had ik nooit kunnen leren kussen want in mijn eentje was dat tot dan toe nog nooit gelukt al had ik dat ooit weleens geprobeerd, ’s avonds in mijn bed met een dik kussen onder een sprei van verwachtingen.