Rolmodel

Vandaag is het Vaderdag en pa ik denk aan jou. Je hebt al even het tijdelijke voor het eeuwige geruild daarom loop je hier nu niet meer rond, niet dat je dat op het einde van je dagen nog veel deed. Sinds je weg bent, denk ik bijna dagelijks aan jou. Soms droom ik zelfs van jou. Daarin vertel je me dan wat ik moet doen en dat vind ik een beetje vreemd omdat ik me niet kan herinneren dat je dat ooit deed toen je hier nog was. Van jou kreeg ik namelijk niet al te veel levensinstructies, wellicht omdat je van mening was dat ongevraagd advies er niets toe deed omdat ik dat doorgaans toch aan mijn laars lapte. Ik vermoed dat je altijd wel geweten hebt dat ik op de een of andere manier toch wel in jouw voetsporen zou terechtkomen, vaders weten zulke dingen.  Ze zegt me het nooit maar ik vermoed dat mijn vrouw me daarom in haar leven heeft toegelaten, omdat ik een goed vadervoorbeeld kreeg, één die in staat was in vertrouwen los te laten. Toen jij mijn leeftijd had keek ik nochtans niet zo op naar jou. Dan had ik het niet door omdat ik net zoals de meeste andere jongeren van mijn leeftijd druk bezig was met andere dingen. De aandacht van het  andere geslacht eiste mij toen volledig op en met de overschot van de tijd deed ik er alles aan om me los te weken van jou ouderlijk toezicht maar vooral ook van die van ons ma. Ik denk dat ik toen al hard probeerde een beetje de man te worden die jij al lang was, maar dat had ik toen ook niet door. Dat werd me pas duidelijk vanaf het moment dat ik zelf baby’s in mijn armen hield waardoor de overmoedige macho die uitgezet was om de wereld te veroveren plots besefte dat de wereld al in zijn armen sliep.

Vandaag is het Vaderdag en ik denk aan jou maar dan anders omdat ik nu zelf drie kinderen heb. Mijn boodschap aan hen is eenvoudig en ze is een beetje dezelfde als die jij wellicht ook had. Vandaag is het Vaderdag en je hoeft me niets te geven omdat ik het beste cadeau die een man in zijn leven kan krijgen al kreeg. Vaderschap, en ik denk dat ik die dankbare genen ook wel van jou gekregen heb.

Groen bolletje

Plotseling kleurde het bolletje achter haar avatar groen. Niet dat ik de hele dag naar mijn scherm zit te gluren, naar wie online is en wie niet. Toch kan ik niet ontkennen dat sommige, voor mij schijnbaar interessante mensen me meer in het oog springen dan anderen. Bij sommige zou ik, wanneer ik ze in de bovenhoek van mijn babbelbox zie verschijnen het liefst van al een digitale omweg maken en het blokje omlopen, om ze te mijden. Andere groene bolletjes die me meer aanstaan maken me dan weer nieuwsgierig, van hen zou ik willen weten wat ze aan het doen zijn, waaraan ze denken en om trachten te achterhalen waarmee ze bezig zijn.

In mijn ingebeelde persoonlijke ‘black mirror’ zou ik al die groene bolletjes willen onderverdelen in klassen. Ik zou een categorie leuke en een categorie neutrale groene bolletjes maken. De niet-sympathieke zou ik bruin kleuren en ze op een zwarte lijst zetten, omdat ze me op een of andere manier irriteren, ze niet van mijn gedacht zijn of omdat ik er in het verleden al een nare ervaring mee gehad heb. Al die bolletjes zou ik dan via de locatieherkenning van de gsm op een persoonlijke googlemaps van mijn digitale dorpsplein laten rondwandelen. Zo zou ik van al de bolletjes weten waar ze uithangen. Ik zou weten wat ze doen, wat ze kopen, waar ze eten en waar ze shoppen. De interessante groene bollen zou ik op die manier ‘toevallig’ tegen het lijf kunnen lopen. Dan zou ik er interessante gesprekken mee kunnen voeren en er koffies mee kunnen drinken in het groene-bollen-café waar andere leuke groene bollen ook gewoonlijk verzamelen. De bruine bollen zou ik in mijn ‘black mirror’ ook bij elkaar schuiven in het zure zwarte-bollen-café waar zij zich kunnen beklagen over het storend gedrag en de positieve ideeën van de verdraagzame groene bollen waarvoor ze angst hebben of waardoor ze zich bedreigd voelen. In mijn ingebeelde ‘zwarte spiegel-wereld’ blijft iedereen dan onder zijn persoonlijke comfortabele, vertrouwde bubble zodat niemand in contact kan komen met storende bolletjes en niemand zich aan de kleur ervan, hoeft te ergeren.

Maar ik heb geen black mirror en ik heb geen digitaal dorpsplein dus zal ik kleur van jouw bolletje nog eventjes moeten verdragen als ik je straks toevallig tegen het lijf loop, maar weet wel dat als je dan met mij een koffie zou drinken, je een van mijn groene bolletjes bent en je in het groene-bollen-café zit.

Pimpelmees van de foor.

Hoewel ik haar blik wou vermijden, ontmoetten onze ogen elkaar halverwege het gejoel, ergens tussen het schietkraam en de autoscooter, al heette die attractie in die tijd gewoon nog de botsauto’s. Zij keek snel verlegen weg en ik deed hetzelfde. Indien ik haar was blijven aankijken zou het me zeker zijn opgevallen dat ze lichtjes bloosde en dat ze met de tong voorzichtig haar bovenlip beroerde maar ik was nog veel te groen achter de oren om dat op te merken, dus keek ik ook snel achteloos weg, naar de prijzen die één kapotgeschoten pijpje in het schietkraam zouden kunnen opleveren. Zij kon onmogelijk weten dat ik heel veel moeite had gedaan om haar preutse oogopslag te vangen want telkens ze mij in de gaten kreeg, keek ze schaapachtig weg. Ik zal ook wel gebloosd hebben en mijn ogen zullen wel geblonken hebben maar dat was haar ook niet opgevallen. Mocht ik haar nu tegen het lijf lopen, ik zou haar garderobe goedkoop en een beetje vulgair vinden, maar toen gaven de zwarte plak-netkousen die ze onder haar grijze plooirokje droeg met daarboven een rode wollen jas met veel te brede schoudervulling haar iets mysterieus en onbereikbaar. Voor mij was ze de diva van de foor.

‘For your eyes only’, Sheena Easton zong door luidsprekers in woorden die ik maar half verstond omdat de BBC alleen aan de kust in het zenderpakket zat en we thuis dus alleen maar keken naar Nederlands gesproken uitzendingen van BRT één, BRT twee en Holland één. Ik had vijftig frank, drie jetons voor de botsauto’s en twee kaartjes voor de rups in mijn broekzak. Die zouden die bewuste namiddag nog goed besteed worden op het dorpsplein van Muizen waar de kermiskaravaan voor het lange weekend was neergestreken.

In zaal Rerum Novarum vond op dat moment naar jaarlijkse gewoonte tijdens de grote kermis ook de vogelshow plaats. Een paar lokale duivenmelkers toonden hun prijsduiven en een handvol parkietenkwekers en kanarieliefhebbers gaven met evenveel lawaai als de vogels die ze tentoonstelden commentaar op hun favoriete gepluimde vrienden. Toevallig of niet maar zij paradeerde daar ook. Ze laveerde er tussen kooien en keven die overvol zaten met kippen en hanen en tussen volières waar exotische paradijsvogels en Chinese nachtegalen in rondfladderden. ‘Wist je dat de pimpelmees de trouwste zangvogel is en dat de rest van de mannetjesvogels al vreemd gaat vanaf het ogenblik dat de eieren gelegd zijn’, vroeg ik haar stompzinnig omdat ik geen andere veilige openingszin kon verzinnen. Toen ik haar met die wetenschap overviel zal ik zeker zo rood zijn aangelopen als de pioenen die bij mijn grootmoeder een paar straten verder in de voortuin bloeiden. ‘En wat voor vogel zijt gij dan wel? Een pimpelmees, een straatmus of een papegaai want ge kwettert wel nogal.’ Haar brutale antwoord stond me wel aan want ik antwoordde met heel slecht geacteerd zelfvertrouwen, dat ik haar dat wel in haar oor zou fluisteren in de rups. ‘Binnen vijf jaar dan toch’, bitste ze terug,  ‘wanneer ge uit uw korte broek gegroeid zijt’, en er verscheen een soort van glimlach op haar veel te rood gestifte lippen zodat het een grijns leek. Na twee zinnen stond ze al voor op punten en dat was slecht nieuws voor mijn gespeelde zelfverzekerdheid maar ik liet me er net als de vogels niet door uit mijn kot lokken. ‘Ziet ge die eend daar in die keef?’ en ik wees naar een mannetjeseend met een groene kop die wat verderop in een rieten mand nerveus rond trappelde. ‘Die is er veel slechter aan toe dan wij want als die gaat, waggelt zijn gat zo hard dat het lijkt alsof hij de ganse dag heeft paardgereden. Nu ziet ge dat niet maar als die stapt krijgt die zij poten niet meer toe.’ Ze probeerde ongeïnteresseerd haar ogen te rollen maar omdat zij een veel slechtere actrice was dan ik proestte ze het na twee seconden toch uit. ‘Gij zijt een grappig baazeke met uw korte broek en uwe grote mond, van waar zijt ge want ik heb u hier nog niet gezien?’ ‘Van over de stationsberg, van aan den overkant van de Steenweg. Zeg, zijt gij die vogels ook niet een beetje moe? Gaat ge met mij niet mee in de rups, ik heb al kaartjes.’ ‘Ja, om mij proberen binnen te doen zeker? Vergeet het maar, daarvoor is uw broek nog veel te kort. Betaal mij liever ne gesponnen suiker, als ge centen hebt tenminste, daarbij ge hebt me nog niet eens gezegd of ge nu een pimpelmees zijt of niet.’

Door die twee gesponnen suikers en die twee appels op een stokje was mijn kermisbudget een uur later al met een vijfde gesloken. Ik zat precies met een dure vogel op mijn dak bedacht ik en ik moest met mijn resterende veertig frank en met mijn drie jetons nog twee dagen toekomen. ‘Moogt gij karekollen?’ vroeg ik haar goed wetende dat haast geen enkel meisje van vijftien karrekollen lust. ‘Beikes!’, was dan ook zoals te verwachten haar antwoord omdat meiskes van standing in die tijd nog niet ‘ieuw’ zeiden. ‘Dat ga ik nooit van mijn leven eten, dat zijn precies dikke snottebellen uit de zee’, zei ze met een gezicht alsof ze die ooit al eens gegeten had. ‘Ik denk ook niet dat gij dat durft’, zei ik heel zelfzeker omdat ik wist dat ik met dat doordacht manoevre een lijn uit smeet ik waarmee ik in het Vrijbroekpark al dikkere karpers had bovengehaald. ‘Wat krijg ik als… , en ik zeg wel als ik dat toch doe?’ En ze liet die als klinken alsof de beloning er niet mee toe deed maar wel alsof ze tegenover een brutale snaak in korte broek geen gezichtsverlies wou leiden. ‘Ge moet met mij niet durven of doen spelen als ge dat niet wilt he, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben dat ge straks ziek wordt …’ Ik kreeg de kans niet om mijn zin met ‘..in de rups’ af te maken want ze onderbrak me met een vastberadenheid alsof ik al haar dapperheid en pit met mijn opmerking in vraag had gesteld.  ‘Peisde echt dat ik dat niet durf, zeg het maar he, wat krijg ik of durft gij niet meer misschien?’ Ik toonde haar mijn jetons van de botsauto’s en de kaartjes voor de rups en zei, ‘als ge dat wilt kan ik u vandaag vrijhouden, ge moogt overal mee in waar ik in ga en ik wil er zelfs nog een kaartje van het spookhuis bijdoen, maar dan moet ge wel op die slakken bijten en ze niet zo maar doorslikken.’ De karrekollen kraakten tussen haar kiezen zoals zand dat doet wanneer je slecht gewassen mosselen proeft. Door het speels geplaag was de romantische spanning de hele middag naar een climax opgevoerd dus wisten we geen van beiden wie de weddenschap nu gewonnen had en wie ze verloren had.

Toen in de krakende houten rups, tijdens het vierde rondje dat achterwaarts gereden werd de groene kap dicht viel en ze in mijn oor fluisterde dat ze hoopte dat ik een pimpelmees was, had ik nog veertien frank en vijfentwintig centiemen.

Hoe vier je chaos?

Zes uur en 4. De warmte van de prille ochtendzon schijnt me wakker. Ik gooi het dons van mijn lijf en wrijf de verkiezingsslapers uit mijn ogen. Buiten is het rustiger dan op een gebruikelijke maandagochtend, precies alsof ik ontwaakt ben in een land met een ander licht en een andere soort warmte, al voelt deze killer aan dan dat ik het gewoon ben? Het lijkt wel alsof compleet onverwacht iemand belangrijk is doodgegaan. Ik herinner me dat gevoel. Ik herken hetzelfde ongeloof als toen bijvoorbeeld Amy Winehouse of Prince doodverklaard werden op CNN. De beelden en de sfeer hadden toen ook iets onwezenlijks. Vandaag echter, lijkt het alsof gisteren de menselijkheid, de redelijkheid en de mildheid zijn gestorven. Het beeld van gisterenavond staat nog flou op mijn netvlies. De lijken waren nog niet koud en er werd al uitbundig gefeest, door mensen die door hun gemeenschappelijk gedachtengoed verenigd waren in een uiterst rechtse overwinningsroes. En hoe zit dat dan met zo een feest, hoe doe je dat precies? Hoe vier je onverdraagzaamheid, angst, haat, eigenbaat en chaos? Ik vraag me dat af. Wordt er gedronken op de nederlaag van oubollige politieke structuren en schoffelculturen van postjeskrokodillen, want dan zou ik nog willen meedoen? Al denk ik dat er eerder zal getschint worden op eigen-volk-eerst-getoeter en op het afschaffen van de vierenhalve bourkini die vorig jaar in Vlaanderen gespot werd. Schuiven jullie dan een toastje varkensvlees binnen en roepen jullie dan met zijn allen ‘zwarten en moslims buiten’, of hoe zit dat juist? Wordt er misschien geklonken op het invoeren van de doodstaf van diegenen die jullie door de verkiezingsuitslag dood verklaard hebben, in de wetenschap dat je straks met meer dan één moet zijn om die wetstraattango te dansen of heffen jullie het glas op het afschaffen van euthanasie en abortus of op het afschaffen van een sociale zekerheid die door vakbonden bewaakt wordt? Kan je dat eens uitleggen? Hoe zit dat juist? Hoe vier je eigenlijk onverdraagzaamheid?

De tetten van de premier.

Persoonlijk denk ik dat ik hoogst geschikt ben om geld uit te geven dat ik niet heb. Mijn vrouw weet dat ook maar zegt het anders, die zegt,  ‘Soms denk ik dat gij een gat in uw hand hebt, somtijds doet ge maar op alsof dat ge peinst dat ge Rockefeller zijt.’

Rond de pot draaien kan ik ook gelijk de besten. Dat kan ze ook getuigen. Ik kan namelijk zo hard uit mijn nek leuteren om de essentie van een probleem te mijden dat ik mij haast uit elke benarde situatie kan bevrijden, Houdini is er niks tegen.

Waar ik ook meester in ben is in beloftes doen zonder dat het resultaat moet afgedekt worden. Dat kan ik misschien nog het beste.  

Ok, ik heb geen 8 miljard schuld en ik word niet elke dag opgezadeld met tienduizend nieuwe gepensioneerden. Daar heb ik ook niet echt een oplossing voor, net zoals ik voor het opwarmende klimaat, de migratiegolf, de economische situatie, het drama in justitie, de pensioenen en de achteruitgang van het onderwijs me geen enkel zinvol gedacht kan vormen wat ik er mee zou aanvangen…

Ik zou precies wel een goede politicus kunnen zijn, al moet ik misschien nog beter worden in ruzie maken, in mijn gezin in tweeën splitsen en in anderen de schuld te geven van dingen waar ik zelf oorzaak aan heb maar eens ik dat helemaal onder de knie krijg dan word ik het misschien. Op een schone dag als de zomer en het mooi weer samenvalt, zodat ik eindelijk op mezelf kan stemmen en het niet meer zal moeten stellen met het Vlaemsch Belang of met de marxisten van de PVDA en al de rotzooi dat tussen deze twee uitersten een positie tracht te bemachtigen zodat ze nog even mee aan de pot kunnen likken.

Een ding is zeker, zondag stem ik voor een vrouw met de dikste tetten en ik wens haar het premierschap toe zodat de al aandacht van de heren van de macht tijdens de parlementaire zittingen zo is afgeleid dat ze alleen maar bezig zijn met de boezem van de premier zodat ze geen ander, groter onheil kunnen aanrichten.

Wijf of diepvrieskip?

Af en toe geef je me de indruk alsof je dagenlang op het ijs hebt gelegen en dat je helemaal bevroren bent zoals een dievrieskip of een doos crème glace. Gelukkig denk ik alleen maar zo als we woorden hebben. Op die momenten krijg je me zo nijdig omdat je het einde van die lange stilte of van het gekrakeel een prijs geeft die zo duur moet betaald worden alsof het een gigantisch duur cadeau betreft. Als de al zeldzame romantiek helemaal verdwenen is en plaats heeft gemaakt voor ijzige strubbelingen en koude woordgevechten, heb je nog meer dan anders de neiging, om het laken helemaal naar je toe te trekken. ‘Ik doe tenminste voort, jij zwijgt alleen maar en trekt smoelen. Ik ben tenminste super-rationeel en jij bent over-emotioneel. Net een wijf, jij’, zeg je dan en met de toon krijgen die woorden nog wat meer buskruitlading zodat ik nog wat dieper in mijn loopgraaf kruip. Wat ik op zulke momenten hoor is, ‘Ik ben bedachtzaam en scherpzinnig, op mij kan je rekenen. Jij bent geesteloos, emotioneel, impulsief, lui en ongeïnteresseerd.’

Nochtans denk ik dat alle dingen die ik doe alleen maar ingegeven zijn door emotie en ik vind dat niet verkeerd. Zo eet ik bijvoorbeeld omdat ik honger heb of omdat ik het lekker vind, niet omdat ik weet dat daardoor koolhydraten omgezet worden in suikers die me energie geven om in leven te kunnen blijven. Ik schrijf dit omdat ik het leuk vind, niet om onderwerpen, persoonsvormen en naamwoorden in de juiste volgorde te plaatsen, zoals ik het geleerd heb. Mijn ratio gebruik ik dus alleen maar om de dingen die rondom mij gebeuren een beetje beter te begrijpen. Met mijn zintuigelijke waarnemingen leg ik een puzzel die me leert hoe mijn wereld draait. Daarbij gebruik ik eigen ervaringen en die van anderen en probeer ik zo een scherper beeld te krijgen van wat moet gebeuren om vooruit te komen of om het een beetje naar mijn zin te hebben. Mijn Ratio geeft mijn bestemming aan maar het zijn mijn emoties die me tot actie zullen laten overgaan want mijn denken bepaald de bestemming. Toch zal ik een andere richting uitgaan als mijn gevoel me dat ingeeft. Waarom denk je anders dat ik nog sigaretten paf en waarom ik wel gestopt met pinten drinken?

Ruzie maken, het zou ergens moeten over gaan en het zou ons ergens naar toe moeten brengen. Jij zou er slimmer en rationeler van kunnen worden zodat we in de toekomst die ruzie kunnen vermijden en ik zou ervan moeten leren om er als het dan toch gebeurt, minder emotioneel, niet impulsief en minder gevoelig mee om te springen maar ik blijf het wijf en jij de diepvrieskip.

Jan de oerman.

Er was geen bezit, geen onderlinge competitie en geen sociale ongelijkheid zodat eenzaamheid, depressie en burn-out niet of nauwelijks bestonden. In die tijd liep er wel wat minder volk rond zodat iedereen in het nu leefde en er geen aandacht besteed werd aan overbodige zaken. De belangrijkste levensvragen in die tijd waren, ‘Waar ga ik slapen? Wat ga ik eten? Weegt mijn knots wel zwaar genoeg om er die sabeltandtijger de hersens mee in te slaan en met wie ga ik praten’, en zelfs dat hoefde niet zo nodig want met dierlijk gegrom raakte je toen al een heel eind op weg? Met die zaken vulde Jan de oermens het grootste gedeelte van zijn dag. Het resterende gedeelte ervan lag hij op de rug in zijn grot of zat hij aan een vuurtje, aan een bot van een sabeltandtijger te peuzelen. Als de dag tegenzat en wanneer een regenbui zijn vuur had gedoofd, mocht hij dagenlang aan stokjes draaien om er opnieuw vlam in te krijgen, en zelfs daar maakte Oerjan niet al te veel spel van. Met overschot van de tijd bedacht hij slinkse plannen om madam de oermens uit haar tijgervel te krijgen of schilderde hij muren vol met heroïsche jachttaferelen.

In een poging om de gelukzaligheid en de onbezonnenheid van dat vervlogen leven te benaderen trekt de hedendaagse homo erectus er twee weken van het jaar in de zomer op uit. Het liefst van al verkast hij dan gans zijn hebben en houwen naar het zuiden om daar, op een overvolle camping, wat te lanterfanten of om op een kunstmatig vuurtje voorverpakte spareribs te roosteren, of slooft hij zich veel te hard uit om zijn verslonsde vrouw nog eens in en uit dat tijgervelletje te krijgen. Het mannelijk oerinstinct om die activiteit op te leuken is hij helemaal vergeten zodat de vrouwelijke homo erectus haar oerman met wat dierlijk gegrom indruk zal geven een goede beurt gemaakt te hebben.

Antropologen en andere mensenkenners die erover gestudeerd hebben, maken er onderling geen ruzie over want ze zijn het er meestal roerend met elkaar over eens dat het met deze kluit dramatisch achteruit is gegaan vanaf het ogenblik dat de mensheid is beginnen te werken en wanneer de inhoud van de portefeuille de wereld is beginnen regeren. De club werd daardoor opgedeeld in twee soorten, een minderheid die het goed heeft en een meerderheid die het met wat minder moet doen. Vandaag draait het boeltje helemaal in de soep omdat die minderheid beslist voor de meerderheid en de meerderheid zich druk maakt over die minderheid. Veel goeds kan daar niet van terecht komen, mijn gedacht.

Die oermensen waren zo lomp nog niet want je moest slim zijn om lui te kunnen zijn. Als de zon wat meewil en als mijn vuurtje niet uitgeregend wordt ga ik ook nog eens op mijn rug liggen, om aan een bot te knagen. Misschien bedenk ik wel een plan om haar nog eens in dat tijgervelletje te krijgen. Hopelijk kan ik dan nog rekenen op mijn oerinstincten zodat ik me niet tevreden moet stellen met wat dierlijk gegrom. Ik had een prima oermens geweest.

Mars der verdrukten.

In zaal Volksbelang hing een gespannen drukte. Het café was zoals elke jaar op één mei de toneelscene van het rode congres van de overwinning. Mannen en vrouwen die er allemaal hetzelfde uitzagen kregen op de kraag van hun zondagse kostuum een rode roos en een rode duim gespeld. Rode vlaggen en wimpels werden van onder het stof gehaald om noodlijdende broeders in armoede een hart onder de riem te steken. Zelfs de morgen was in die dagen nog solidair want die kleurde ook bloedrood toen de bond der rechtvaardigen in een lang gerekte stoet de straat opkwam waar ze in een feestroes hun maatschappelijke onderdrukking kracht bij zetten.

Dertig jaar later is solidariteit in de selfie-maatschappij een scheldwoord geworden. Al wie opkomt voor diegene die het met wat minder dient te stellen, wordt beschimpt, in een hoek gezet of als fraudeur of profiteur afgeschilderd. Wanneer je heden ten dage, openlijk socialisme en samenhorigheid uitdraagt, wordt je verketterd, scheef bekeken en uitgejoeld! Terwijl gelijkheid, vrijheid, rechtvaardigheid en solidariteit nochtans steeds dezelfde universele waarden zijn die ons nog altijd onderscheiden van dierlijke instinctieve geldingsdrang. Wanneer de jeugd op straat komt voor plasticvrije oceanen, zuivere lucht en wat meer comfort en waardigheid voor de grijze generatie worden ze als verwaand en lui verguisd.

Mijn persoonlijk socialisme probeer ik dagelijks uit te dragen en zeker niet op één mei omdat dan socialisme, solidariteit en samenhorigheid te vaak misbruikt wordt, door verkeerde figuren die er de geschiedenis mee willen recupereren of om een verborgen agenda en een electorale combine verkocht te krijgen.

Dus stap ik vandaag maar mee in een andere kleurrijke stoet der verdrukten. Samen met een andere bond der rechtvaardigen zal ik getooid in geel rode kleuren hard roepen voor noodlijdende broeders in een andere ongelijke strijd.  Tot de overwinning binnen is.

“Wij blijven kakkers of da ge da na geire hebt of nie….! “

“Forza Malinwa…!”

Slechte tijden want ik ben gelukkig.

Wanneer ik niet nadenk leef ik mijn hoofd en dan gebeurt dit. ‘Zijt ge gelukkig?’ vraagt iemand er die ik in het dagelijkse leven het beste als ‘mezelf’ zou kunnen omschrijven. ‘Wat is dat nu voor een vraag?’, antwoord ik ontwijkend, in de hoop me met die doorzichtige repliek niet helemaal bloot te moeten geven. ‘Dat is toch dezelfde curieuze vraag waar gij altijd iedereen mee lastig valt, als de verveling toeslaat of als ge weer eens den interessante wilt uithangen. Kom op, antwoord nu maar, Zijt ge eigenlijk gelukkig of niet?’

De dag had zich al vroeg aangekondigd en ik was alleen, niet alleen in de betekenis van dat ik me eenzaam en depressief voelde of dat ik gebukt ging onder stress of futloosheid of zo. Neen, ik kreeg gewoon een onverwachte lange rustpauze omdat de andere huisgenoten erop uit trokken om de dingen te doen die zij wilden doen. De kleinste was zich met mama aan het uitsloven op de zestien mijlen van Antwerpen. Zoon twee was zich in Brussel gaan informeren over een toekomstige studiekeuze en zoon één betaalde nog de tol van een zwaar sociaal leven. Die omstandigheden maken en dat ik de stal voor mezelf heb, en ik eindelijk nog eens kan doen wat ik wil zonder dat iemand er zich aan hoeft te storen. Terwijl ik ongegeneerd aan mijn kruis krab, overloop ik de opties. Gaan vissen, lijkt me gezien die laatste aprilse gril niet de juiste keuze omdat ik geen zin heb in een natte vlaag. Ik zou kunnen wegdromen bij de vier episodes van Poldark die in de digibox nog op mij wachten om bekeken te worden. Ik zou de gedachtenkronkels van Milan Kundera kunnen doorgronden om zo geïnspireerd te raken door de persoonlijke ondraaglijke lichtheid van zijn bestaan om er nadien met filosofische beschouwingen een eigen wrong aan te geven, maar ik doe het niet. Voor één of andere niet verklaarbare reden doe ik dat allemaal niet. Is dat luiheid, gemakzucht en verveling of kan ik gewoon de juiste keuze niet maken om deze zondagnamiddag op een zinvolle manier door te brengen? Gemakshalve grijp ik naar mijn smartphone en zap onverschillig door newsfeed en posts waar ik niet vrolijker van word. Ik voel me een voyeur omdat ik aan de hand van foto’s en berichten, enigszins jaloers, probeer te achterhalen waar jij je tijd aan besteedt. Al schuivend over het scherm beland ik ongewild bij een bericht van een oude vriend die precies duizend dagen geleden, onverwacht zijn zoontje verloor. Ik word stil en beschaamd. Met dat verhaal vervagen al mijn wereldproblemen want dit is geen sprookje van duizend en één nacht.

‘Hoe zit dat daar? Zijt ge nu gelukkig of niet?’, bonst het in mijn hoofd. ‘Gelukkig zijt ge maar als ge niet ongelukkig bent en ge geen overschot van tijd hebt om U over die vraag het hoofd te breken’, antwoord ik en ik gooi mijn smartphone in de mand.

Het zijn slechte tijden want ik ben gelukkig!

Fel licht dooft ook.

Tot het mannelijk geslacht behoren is een toevallig levenslot waar ik niet zelf voor gekozen heb en dingen waar ik geen persoonlijk aandeel in heb, kan ik moeilijk als verdienste beschouwen of met een schaduwkant aanzien. Persoonlijk zie ik het als vanzelfsprekend om te proberen een voorbeeldige relatie uit te bouwen met het lot en het geslacht dat me door de natuur werd toebedeeld. Mij daartegen verzetten zou net zo onnozel zijn als ermee te stoefen, hoewel sommige kenmerken die mannen van vrouwen onderscheiden net iets prominenter aanwezig hadden mogen zijn. Het is niet anders en ik ga er geen slaap meer voor laten. Nochtans zeggen leden van de andere sekse soms wel eens, ‘Ja, maar jij bent een man.’ En man, wordt dan met zo een verhevenheid benadrukt al ware ik Thomas Edison die net de gloeilamp heeft uitgevonden, terwijl hij daar net zoveel verdienste aan gehad heeft als pak weg jij of ik. De man in kwestie hamsterde gewoon honderden octrooien en patenten met uitvindingen die aan andermans brein of creativiteit ontsproten waren, zo ook de gloeilamp. Met die ten onrechte verworven exploitatierechten kon hij de echte uitvinders de loef afsteken die dat aanzien veel meer verdienden dan hijzelf.

Macht erotiseert en die wetenschap gaat wellicht ook al langer mee dan de gloeilamp, de stoommachine of de wetenschap zelf. Machtige mannen met geld en aanzien worden maatschappelijk gezien nu eenmaal hoger aangeschreven en staan langer in de spotlights dan hun anonieme mannelijke lotgenoten. Door hun status liggen ze beter in de markt en rijden ze vaker en langer een bochtiger erotisch parcours dan rustigere types. Wil een vent zich met de toebedeelde culturele genderidentiteit staande houden, verwacht de tegenpartij van het levensspel dat hij zich onbevreesd een weg door het leven baant en dat hij zelfstandig, assertief-agressief of belust op macht en aanzien het lot naar zijn mannelijke hand probeert te zetten. In ruil daarvoor mag hij dan aanspraak maken op wat aandacht en aanzien van hoenders die met hun witte pluimen paraderen tussen andere agressieve hanen in het overvolle kippenhok.

Edison zal daar geen uitzondering op geweest zijn. Jammer dat ik hem dat niet meer kan vragen, dat ik hem niet kan interpelleren of hij van al zijn macho capriolen nu beter geworden is omdat zijn peertje natuurlijk ook al een tijdje is uitgedoofd.

Want zelfs een groot licht gaat uit!

Betoverende onwetendheid.

Ze gaf me indruk alsof ze recht uit het canvas van een bekende schilder was gestapt. Hoewel de parel en de blauwe haarband ontbraken, had ze net zoals Vermeer minutieus lijntjes getrokken en esthetisch verantwoorde kleurtjes aangebracht, om dingen te accentueren of om er andere mee te verdoezelen. Ik vermoedde dat laatste omdat een donkere wal niet helemaal was weg gecamoufleerd zodat een fijn lichtblauw adertje mijn visuele aandacht kreeg. We hadden nog geen enkel woord met elkaar gewisseld en de zwijgende stilte was een handigheid omdat we zo wat tijd kregen om te wennen aan elkaars gemoedstoestand. Dat was nodig omdat die tegenstrijdig leken.

Het laatste kwartier pas had ik het een beetje rustig gemaakt en had ik wat plaats gemaakt in mijn hoofd zodat ik beter kon luisteren naar wat ze me te vertellen had. Zorgeloos leek ze deze keer niet, integendeel ze zag er aangedaan uit en getekend door gebeurtenissen, door dingen die niet hadden plaats gevonden of door kwesties die net wel hadden moeten gebeuren. Ze bestelde rode wijn maar niet alvorens te vragen of me dat niet stoorde. Dat deed het niet al vond ik het wel fijn dat ze zelfs nu nog aandacht had voor mijn gevoeligheden. Toen ze met haar verhaal begon, keek ze vaak weg alsof ze achtervolgd werd of alsof ze op een denkbeeldig iemand aan het wachten was. Praten was lastig omdat ze zich schaamde voor het leven dat haar nog maar eens verrast had met een vies cadeau dat verpakt was in een mooi papiertje. Ze ging ronduit door over al die dingen die haar de laatste maanden waren overkomen, waarmee ze geworsteld had en die haar uiteindelijk helemaal uit balans hadden gebracht, over zaken waar psychiater Dirk De Wachter voor waarschuwt wanneer hij er de gelegenheid voor krijgt.

‘Door constante focus op geluk en door continu jacht te maken op geluk jaag je het weg’, zegt hij. ‘Als je als hoofddoel non-stop geluk nastreeft, begint de miserie maar pas goed.’

De woorden van De Wachter vielen me op in haar ogen en in elke lang gerekte zucht waarmee ze de zwaarte van de dingen probeerde weg te blazen.

‘En jij, ben jij gelukkig?’, prevelde ze. ‘Gelukkig ik? Geen idee’, antwoordde ik ontwijkend. ‘Misschien betekent gelukkig zijn gewoonweg niet al te dikwijls ongelukkig zijn? Ik weet het niet, maar dat niet weten maakt me nieuwsgierig zodat ik me elke dag door de zoektocht naar dat mysterie mag laten betoveren.’

Ze lachte voor het eerst die namiddag.

Als de peer rijp is.

De laatste dagen denk ik dikwijls aan die jonge snaak uit mijn gemeente. Midden twintig schat ik hem, ferme kerel, goed van hart en rad van tong. Hij zou zomaar een vriend van mijn zoon kunnen zijn. Vroeger maakte ik er regelmatig een praatje mee, over dingen die zich in het dorp afspeelden, over voetbal of over koers of zo, niet dat ik van beide sporten veel af weet, hij trouwens ook niet maar dat onderwerp praat nu éénmaal gemakkelijk en het sloopt denkbeeldige barrières tussen generaties. De laatste tijd wisselen we niet veel woorden meer met elkaar daar aan de toog van het dorpscafé. Niet dat het leeftijdsverschil de afstand tussen ons plotseling heeft vergroot of omdat er niet meer over voetbal, de koers of over de nakende verkiezingen gepraat wordt maar gewoon omdat hij meestal te zat is. Het meeste van de keren dat ik hem er tref is hij zo ver over zijn theewater dat hij niet meer in staat is woorden in de juiste volgorde te plaatsen. Een gesprek is dan voor ons alle twee zo een opgave dat we het maar zo laten. Ook al zou ik hem veel te vertellen hebben, mocht hij de moed vinden om even te luisteren.

Toen ik vorige week zaterdagmiddag mijn dagelijks noodzakelijk pakje rook ging kopen in de krantenwinkel, die een paar huizen verder verderop een andere soort verslaafde onderhoudt, zag ik hem zitten op het terras van het café, waar we het gewoonlijk over voetbal en de koers hadden. Hij was alleen en zat met lange tanden aan een clubsandwich te knabbelen, zoals hamsters dat doen aan een noot. Hij dronk koffie en dat maakte me voor een of andere reden goed gezind. Zou hij tot inkeer gekomen zijn en zou hij doorhebben dat het op die manier niet verder kon en had hij daarom glazen boterhammen voor echte gewisseld?

Toen ik ‘s avonds na het voetbal in onze stamkroeg met een paar gelijkgestemden nog wat napraatte over de 0-5 pandoering die onze ploeg geslikt had, bleek mijn hoop ijdel. Hij was er ook. De koffie, van eerder op de dag, was overduidelijk geruild voor ander spul. Hij had er zoveel van op dat hij er zielig en hulpeloos uitzag. Stomdronken kraamde hij luide onsamenhangende onzin uit en het kostte hem moeite om op zijn benen te blijven staan. Zijn adem stonk naar braaksel en hij werd door iedereen gemeden alsof hij besmet was met één of ander virus. Sommigen lachten hem uit, goten er nog pinten bij of beschimpten hem, anderen, hoofdzakelijk vrouwen trokken bedenkelijk de ene wenkbrauw hoger op dan de andere. Eventjes ging het door mijn hoofd om naar hem toe te gaan om er op in te praten maar ik deed het niet. Misschien zou hij me bemoeiziek vinden en me beginnen verwijten of voor hetzelfde geld werd hij agressief. Hij strompelde naar buiten en verdween in de nacht. …  Het leek alsof ik naar een film van mezelf keek het haalde me helemaal onderuit.

Ik schrijf dit verhaal niet om te choqueren. Iedereen weet over wie ik het heb want in elke familie leeft eenzelfde hoofdpersonage in een gelijkaardig verhaal, alleen wordt hij of zij in de meeste van de gevallen angstvallig verzwegen, uit schaamte of omdat alcoholmisbruik algemeen aanvaard is. Maar het is niet omdat overdaad gemeen goed is dat het ok is. Het is ook niet zo dat als we er onze ogen voor sluiten, het er niet meer is.

Plezier wordt dikwijls met alcohol en pintelieren geassocieerd. Nog niet zo heel lang geleden dacht ik ook op die manier en zei ik het ook heel luid en met een hele grote mond, ‘Ik? Een alcoholprobleem? Hoe kan je in Vlaanderen nu een alcoholprobleem hebben als je op elke hoek van de straat pinten kan kopen? Giet ze nog eens vol want het dient niet om te schuren.’

Op het einde van mijn alcoholcarrière stamelde ik ook luid onzin uit en stonk ik ook de hele dag naar gist en zuur.

Het kostte me geen enkele moeite om verslaafd te worden, dat gebeurde gewoon. Langzaam, met een dagje sevvens maar het kostte bloed, zweet en tranen om er vanaf te komen om er dan uiteindelijk achter te komen dat je er nooit helemaal klaar mee bent, tenzij ik die eerste pint laat staan hopelijk doet hij het ook. Ik zal hem er heel hard bij helpen, wanneer zijn peer rijp is en hij het me vraagt!

Gezelligheidscollectief.

Ik droom weer. In tegenstelling tot met het allesomvattende niets, waar ik bij de klaarte van de dag dikwijls uren mee vul, ben ik ‘s nachts een hele bezige bij en ben ik met van alles drukdoende. Je zou me hier bezig moeten zien. In mijn ingebeelde utopie kan ik bergen verzetten. Mijn metgezellen zouden er tegelijk boos en trots van worden. Boos, omdat ze me, wanneer ik wakker ben, niet in gang krijgen en ze me dikwijls een trap onder mijn kont moeten geven om me met iets aan de slag te krijgen, maar ook trots omdat ik de drukte van de dag ongecompliceerd naar de nacht kan verschuiven.

Soms trek ik helemaal krom wanneer het duister wordt, dan word ik zo ijverig dat ik, wanneer de morgen aanbreekt moe moet opstaan. Waarschijnlijk doe ik al die dingen tijdens de kleinste uren omdat me die beter uitkomen en ik op die tijdstippen wel wat tijd kan vinden om al de chaotische informatie te ordenen of om die lastige kwesties te overpeinzen waar ik overdag niet toe kom omdat er dan teveel gedoe is.

Met dag-restanten ga ik s’ nachts aan de slag, om ze daar verder af te werken of om ze op het juiste hoopje te leggen, voor later, wanneer ik er eindelijk aan toe zal zijn. Ik heb vele hoopjes. Op het hoopje ‘Voor tijdens de vakantie’, kan ik niets bijleggen want dan zou ik het niet langer hoopje noemen meer eerder ‘berg’. Het valt me op dat op het hoopje ‘Nu voor mezelf’, haast niks ligt, tenzij ‘Hemden strijken’ en ‘Voor iets eetbaars zorgen’. In elk geval, als ik al die dag-overschotjes tijdens de nacht afhaspel, lijken ze veel minder vermoeiend en overzichtelijker en kan ik ze het juiste plekje toewijzen.

Vandaag krijg ik onverwacht een snipperdag. De vrouwen zijn er voor het weekend op uitgetrokken, naar Den Haag. Ze doen dat één tot twee keer per jaar. Ik denk dat ze die uitjes maken om stoom af te laten en om zo even aan de dagelijkse gezinsdrukte te ontsnappen of om er achter te komen of ze nog wel in de markt liggen, wanneer ze de nachtdrukte opzoeken. Eten en drinken doen ze dan ook veel maar dat is allemaal goed.

Door die omstandigheden mag ik me het grootste gedeelte van het weekend alleen en ongestoord opsluiten met mijn utopische zinsbegoochelingen als gezelschap, zelfs overdag, wat een luxe. Ik glimlach in gedachten en ik prijs me gelukkig dat ik vandaag met niets anders dan met fantastische veronderstellingen mijn dag mag vullen, met mezelf als gezelligheidscollectief, al blijf ik kauwen op de gedachte dat wanneer ik niet iemands anders leven beter maak, ik dat van mij misschien verkeerd leef en is het niet met die overpeinzing die me al het hele weekend kwelt?

Creatief vertraagd.

Na elke nieuwe, volgeschreven lege bladzijde wacht een volgende lege bladzijde. Het witte blad dat me aanstaart zou angstaanjagend kunnen zijn, mocht ik de ambitie hebben om het helemaal vol te schrijven.  Dat lukt soms niet omdat mijn innerlijke criticus me het zwijgen oplegt en zijn rode pen al schrapt wat nog niet is opgeschreven. Op zo’n momenten komt er niets, ben ik creatief vertraagd en vind ik geen inspiratie om een fris of puntig verhaaltje te verzinnen. De juiste hersengolf wil dan niet rollen. Dat overkomt me meestal wanneer ik niet met schrijven kan beginnen omdat het alledaagse leven in de weg zit, omdat ik sociale verplichtingen heb of omdat het gezinsleven me tot andere verplichtingen dwingt. Of wanneer ik te veel tijd en massa’s ideeën heb, dat valt ook voor. Dan heb ik zoveel ingevingen dat ik er ook niet in slaag om er één uit te kiezen en er passende zinnen of een juiste wending bij te verzinnen. Misschien schrijf ik wel het beste op momenten dat van mij verwacht wordt dat ik me met nuttigere dingen bezighoud om dan vast te stellen dat op momenten dat ik er wel tijd voor heb, er niets meer is. Niet productief zijn, is dan de schuld van ‘writers-block’, een aandoening die trouwens niet lijkt te bestaan bij mensen met meer alledaagse vrijetijdsbezigheden. Vissers of voetballers hebben namelijk nooit last van een ‘vissers-block’ of een ‘voetballers-block’, al blijft hun ego wel overeind staan als ze er voor de ene of de andere reden niet toe komen er hun tijd aan te besteden.

Meestal echter vindt de creativiteit mij wel, zelfs op momenten wanneer ik het gevoel heb dat ik haar helemaal uit het oog verloren ben. Als ik mezelf dan opsluit en vastketen in mijn gedachten, lijkt de wereld van buiten beter binnen te komen. Fijne details of een op het eerste zicht overbodig feit wordt dan met bezieling in mijn hoofd ingekleurd tot een zotte kronkel of een uitgesponnen anekdote. Op die momenten vergeet ik perfectie en productie en schrijft mijn pen bijna automatisch bladzijden vol met zinnige en onzinnige dingen of over uitgesproken mensen die me opvielen. Ik laat dat graag gebeuren. Wanneer ik er dan zonder verwachtingen aan begin en ik de ambitie kan laten varen om mezelf te overtreffen gebeurt de magie haast vanzelf maar nooit wanneer ik er als een bezetene naar streef. En dan denk ik, ik kan mezelf niet uit een ‘writers-block’ denken, ik kan me er alleen maar uit schrijven en misschien is schrijven over een ‘writers-block’ wel honderd keer beter dan helemaal niets te schrijven.

Wrede maand

Door de band genomen leid ik een redelijk sociaal en een sociaal redelijk bestaan, denk ik. Ik plaats anderen op de eerste plaats en een afwijkende zienswijze schuif ik niet meteen van de tafel.  In de meeste gevallen tracht ik eerst een standpunt helemaal te begrijpen alvorens ik me erover uitspreek. Doorgaans lukt het me redelijk goed om zo, niet als impulsieve roeptoeter door het leven te gaan omdat ik niet zo een hoge dunk van mezelf heb om over elke situatie en iedereen een mening te hebben. Laat staan dat, mocht dit wel het geval zijn, ik de behoefte zou voelen om die in alle omstandigheden kenbaar te maken, tenzij ik me in mijn bekend gezelschap bevind want daar geniet ik vertrouwen en kan ik het me kan permitteren om zonder kleerscheuren of gezichtsverlies op mijn bek te gaan. Soms verandert mijn standpunt omdat ik met de juiste argumenten tot andere inzichten gebracht wordt. Als ik dan de manier waarop ik naar de dingen kijk verander, veranderen de dingen. Dit, om maar te zeggen dat ik mezelf het gros van de tijd, redelijk sociaal en sociaal redelijk acht.

Maar het laatste paar dagen lukt het niet zo goed. Het gaat opeens niet zo goed met mij. Ik zit weerspannig in mijn vel en ben kort van stof, alsof mijn tenen langer zijn dan dat ik het wil. Ik kan er de vinger niet opleggen maar waar ik het meeste last van ondervind is dat ik de mensen wel hoor praten maar dat het me te veel moeite kost om te luisteren. Dikwijls lijkt het alsof alle omgevingsgeluiden, het geroezemoes en de impulsen op hetzelfde moment ongefilterd binnen floepen, precies alsof ik niet in staat ben om details van hoofdzaken te onderscheiden. Als je tegen me zou praten zou ik je de indruk kunnen geven dat ik niet geïnteresseerd ben in wat je me te vertellen hebt, maar dat is maar schijn. Het is gewoon alsof het me niet lukt om datgene wat je me toevertrouwt, in de juiste volgorde te rangschikken, alsof er ruis op de lijn zit. Hoe harder ik probeer de draad niet te verliezen hoe meer moeite het me kost om te blijven luisteren, tot snerpende hoofdpijn me doet afhaken.

Om het tij te keren kan ik niets anders verzinnen dan de komende dagen wat meer afstand te nemen om zo een beetje ruimte te laten tussen de dingen. Misschien moet ik de schermen dempen en het volume een paar streepjes lager zetten. Zou het me helpen wanneer ik een beetje luier word om zo mezelf opnieuw in pole-position te brengen in plaats van alle grote en kleine problemen van mensen rondom mij op te sponsen?

Wellicht wel, en als ik daarin slaag wordt april vast een minder wrede maand, zeker als het me lukt een klein beetje luier te worden zodat ik met een laatste dut mijn uitgestelde winterslaap kan weg doezelen.