Kamer 4.

Er is een nijpend tekort aan donoren, aan bloeddonoren, aan orgaandonoren maar ook aan spermadonoren. In het steriele ziekenhuis flikkeren neonlampen zo snel dat niemand het nog opmerkt omdat die ondingen voor de meeste mensen gewoon maar ongezellig licht geven. Voor een kleine minderheid echter zijn het marteltuigen, vermoeiende energiezuigers door het snelle flitsende bliksemlicht. Mensen lopen af en aan, om andere mensen te bezoeken of om duidelijkheid te krijgen over de kwaal waarmee ze zijn opgezadeld. De vrouw achter de balie aan de ingang heeft een grote bruine moedervlek aan de linkerkant van haar mondhoek. Daar woekert een dik zwart haar dat met de minuut langer wordt net zolang tot het zo hard stoort dat ze het met een pincet in een ruk uittrekt. ‘Hebbes’, zegt ze met zoveel triomfantelijkheid alsof ze een belangrijke overwinning geboekt heeft. Zonder dat hij de kans kreeg zich voor te stellen en waarom hij er was, vroeg ze kordaat zijn naam, voornaam en geboortedatum, precies in die volgorde en drukt hem, vriendelijker dan verwacht op het hart dat het zou even kunnen duren. Alsof ze zijn gedachten kon lezen, waarschuwt ze hem dat het drankautomaat naast de balie kapot is maar als hij achter de hoek kijkt, zich er daar nog een bevindt, of op de tweede verdieping dat kon ook. ‘Wachtzaal twee’, zegt ze terwijl ze hem een uitdraai stickers overhandigt die de reden van zijn bezoek aan zijn identiteit koppelen. ‘Het wachtnummer verschijnt op het scherm, alsook de kamer waar je mag binnengaan, maar ik zeg het je, je zal even geduld moeten hebben.” Omdat alle stoelen in de wachtzaal benomen zijn leunt hij nonchalant tegen de muur naast het kapotte drankautomaat. Op een tafel liggen allerlei tijdschriften rommelig door elkaar. Hij leest de kop van het beste roddelblad dat bovenaan de stapel ligt, ‘Paola, de vrouw die geen bastaardkind wil’, en glimlacht met de gedachte aan Albert als vlijtige spermadonor. Exact tegenover hem aan de andere kant van de wachtzaal zit een koppel. Hij een gezapige vijftiger met grijzig wordende haren, zij een energieke veertiger met rode schoenen. Zij maakt zich niet drukt dat iedereen hun bekvechten kan horen.

‘…En jij bent een saaie kloot geworden, bijt ze hem zonder enige gêne, verwijtend toe, zonder zich er in minste over te bekommeren dat de hele wachtzaal getuige is van haar verbale doodsteek.

De man, die aan de overkant nog steeds tegen de muur leunt en de verwijtende tirade gehoord had, voelt geen leedvermaak omdat hij opmerkte dat de arme man merkbaar aangeslagen is. Hij was geen saaie piet maar hij leeft gewoon een ander ritme dan zijn jongere partner, misschien uit noodzaak of zelfbehoud of zo.  Dat maakt hij op aan haar rode schoenen en aan zijn grijze haren en aan de manier hoe zij raast en hij incasseert. …Saaie kloot, twee woorden waar achter een wereld van frustraties en onuitgesproken emoties schuilgaan, verbeten en verzwegen onthoudingen die zich lange tijd onder de oppervlakte verborgen hadden gehouden maar nu als lava door een alles verwoestende vulkaan uitgebraakt werden. De leunende man hoopt dat het koppel op bezoek is voor een donorhart dat haar iets minder hard zou maken zodat ze elkaar opnieuw kunnen verdragen of terugvinden. In het andere geval moeten ze langs de fietswinkel, zij voor een gewone fiets en hij voor een elektrische zodat ze beiden op hun eigen tempo op de bestemming kunnen raken.

Nummer 23 kamer 4 verschijnt op een scherm. ‘Wenst u onbekend te blijven voor uw donatie’, vraagt een jonge verpleegster die hem een stapel pornoboekjes overhandigt waarvan de bladzijden aan elkaar kleven.

Papierprop.

In mijn hoofd leef ik, al is het maar tijdelijk, precies het bestaan van iemand anders. In afwachting van hun thuiskomst, lijkt het alsof ik in mijn hoofd kampeer in het onderkomen van iemand die tijdelijk op een andere plaats zijn tent heeft opgeslagen. Het is alsof ik hier al een eeuwigheid verblijf, zo vertrouwd lijkt alles al. Op de tafel naast de zetel liggen boeken die ik half gelezen heb en daar niet verder mee ben gegaan omdat ze me te dicht of te ver van mezelf brengen. Aan de waslijn waar normaal bh’s, slipjes, sokken en topjes hangen, drogen nu vijf mannen onderbroeken, zes T-shirts en twee korte broeken. De ijskast is leger dan normaal op een vrijdag en de vaatwasmachine is ook niet zo vol dan op andere dezelfde of op normale vrijdagen. Op twaalf dagen maakte ik één bord, één koffietas en één vork, mes en lepel vuil. In de broodtrommel ligt brood van vorige week zodat het verdachte groene vlekken vertoont. Alleen de koffiezet heeft de voorbije dagen onophoudelijk bonen gemaald en zwarte troost gebraakt. Van de zes barkrukken die normaal wanordelijk rond de keukentafel gedraaid zijn, zijn er vijf onaangeroerd. Slechts één ervan is achteruitgeschoven en eronder bespeur ik kruimels van boterhammen van toen die nog eetbaar waren. In de slaapkamer zien het bed, de kussens en de overtrek er even rommelig uit als toen ik vijftien was, alleen de krokante zakdoeken ontbreken in het tafereel. Op het terras is de parasol dicht geplooid en de witte stoelen staan onaangeroerd met hun rugleuning tegen de tafel geschoven, alsof er nog nooit iemand heeft opgezeten. Als ik over het leven niet te diep moet nadenken, zal het wel een waardevol leven zijn zeker, zoals het niet of nauwelijks de moeite loont om mezelf te verliezen in gedachten aan een leven dat ik niet leid. Tot ik hier in mijn nieuwe ingebeelde tent een andere stoel gevonden had, was ik nog niet al te dikwijls in deze mijmering verzeild geraakt. Nu verafschuw ik de gedachte iets te hebben mislopen. Iets dat nog niet is maar had moeten zijn, zoals de niet uitgelezen boeken op de tafel naast de sofa, de onderbroeken aan de waslijn of de kruimels onder mijn stoel of deze plotse zware ontroering. Ben ik dan schuldig en ondankbaar of onfair ten opzichte van mijn echte leven? Een leven dat niet precies past zoals het zou moeten passen, dat soms te groot is en soms te klein of te warm of te koud? En is dat ander beeld dan vals of verdorven en pleit ik met die gedachten dan schuldig en ondankbaar omdat ik het daarmee bijna als een verfrommelde papierprop in de vuilbak smijt?

Het laatste velletje.

Een dikke traan, rolde over haar wang en een andere had de weg gevonden naar de onderkant van haar brilmontuur om een seconde later samen uiteen te spatten op een witte tegel van de drop-off zone van de vertrekhal van de luchthaven. Genegenheid tussen mensen hoeft niet altijd gemeten te worden met het aantal woorden die uitgewisseld worden, soms wordt niets gezegd en dat zegt ook iets. Mijn gemakkelijke woorden moesten namelijk niet dienen om haar moeilijke emoties te verbergen dus had ik me voorgenomen het afscheid kort te houden want in situaties als deze krijgen mijn woorden weleens scherpe tanden die de stem van de andere in tweeën kunnen bijten, daarom zweeg ik maar.  We nemen afscheid en glimlachen naar elkaar ook al is mijn glimlach eerder een gewrongen grimas die mijn gezicht in een vreemde plooi legt. Drie uur geleden had ik haar in vader-wijsheden op het hart gedrukt dat ze in de maand die gaat komen, dingen voor de eerste keer zal zien en misschien wel voor de laatste keer en dat ze die wondermooie beelden moet absorberen om ze nooit meer te vergeten zodat ze een heel leven kunnen meegaan. Nog anderhalf uur en ze vliegt naar andere tijdzones waar een groot gedeelte van onze gemeenschappelijke dag zal gewisseld wordt voor een andere nacht. Die twee tranen zetten er andere in gang en heel even staan we met zijn drieën in een soort ongemakkelijke groepsknuffel die als afscheid moet doorgaan. ‘Van mijn erf nu’, zeg ik stoer, in een poging om het pijnlijke moment niet langer te laten duren dan stikt noodzakelijk want ik weet dat afscheid nemen moeilijker wordt naarmate je dat moment uitstelt. We zwaaien nog even en ik klim in mijn auto, baan me een weg door het veel te drukke verkeer en denk hoe ik dat in hemelsnaam alleen ga redden de komende maand maar vanbinnen lach ik een beetje want ik herinner me alle keren dat ik me zo voelde al vraag ik me wel af wie straks die nieuwe rol toiletpapier zal brengen als het laatste velletje is opgebruikt.

Gelukzalige baby.

Vroeger toen ik nog zoop, een activiteit die veel tijd in beslag nam, was dat zwelgen noodzakelijk om een minder dramatisch zicht te krijgen op mezelf, ongeacht wat de feiten waren, ofwel heel erg onderschat ofwel fel overdreven afhankelijk hoe ik er het beste uitkwam. Ik dreef aan de oppervlakte van begrijpelijke leugens met daaronder onbegrijpelijke verborgen waarheden. Ik voelde me dan geen hypocriet of veinzer met één gezicht en vele maskers, neen ik had gewoon zoveel gezichten afhankelijk van de situatie, omdat ik niet wist wie ik was of wilde zijn. Stoppen met drinken of ouder worden heeft daar niet veel aan veranderd. Ik denk dat ik wat dat betreft leeftijdsloos en hardleers ben. Of wat had je verwacht van mijn leermeesters die koppigheid en minachting heetten. Voor mijn drooglegging vulde ik jullie oren en monden met waarheidsgetrouwe leugens en veel betekende beloften om ze wat later in jullie gezicht weer uit te kotsten. Dat kotsen is gestopt maar tegen beter weten in blijf ik streven naar het onbereikbare. Ik blijf er dan zolang langs alle kanten met open mond naar gapen, tot ik helemaal ondersteboven hang zodat mijn hart uit mijn mond valt. In mijn hoofd blijf ik maar foto’s maken van dingen die ik nooit zal zien en als ik dan al eens een wijs inzicht heb, wat doorgaans niet heel dikwijls voorvalt, leef ik niet naar de principes die ik verkondig als een overtuigde boeddhist. Dat doe ik als ik het weer eens denk het allemaal te weten.  Voor de rest van de tijd blijf ik mijn hoofd rondjes te draaien, zit ik op mijn gat of probeer ik een puinhoop te imiteren, wat dan meestal wel van de eerste keer lukt. Van al dat gepieker ben ik zeker al een paar keer gestorven, gisteren nog denk ik. En zo lig ik in polepositie om een oude bejaarde knor te worden, vol van mezelf zonder ooit echt geleefd te hebben maar nog steeds met de overtuigde illusie dat ik daarvoor nog genoeg tijd heb terwijl ik die aan het verschijten ben met me druk te maken in vrouwen, in mannen, in exen, in anderen, in politiek, in de kleur van het behang en in het geslacht van de engelen.

Naast koffie maken is bezwijken aan suïcidaal nihilisme dus het enige wat ik tegenwoordig doe. Maar jullie hoeven zich geen zorgen te maken want ik moet eerst nog veel schrijven, koffiedrinken en peuken paffen, dan volgt de rest vanzelf wel. Zo ben ik vastberaden om weg te rotten in boeken die volgeschreven zijn met nietszeggende zinnen en nutteloze wijsheid, maar daarin zal ik herboren worden, ooit, als een gelukzalige baby die al de bagger in zijn volgescheten pamper heeft achtergelaten.

Een kreeft die niet kan vliegen.

Als verveling me verdooft, droom en fantaseer ik, dat is dan wat ik doe. Dan ijl ik, over alles en over niets. Contemplatie en meditatie mogen dan voor onbekende filosofen en voor koeien die naar een trein kijken een geschenk uit de hemel zijn, ik slaag er niet in om mijn hersenfabriek volledig lam te leggen en zo rust te vinden in het niets of iets wat daar heeft naast gelegen. Mijn radarwerk blijft als maar doordraaien, klokvast, als dat van een Zwitsers horloge en dat doet het net zolang tot de slingers ervan stilvallen om haar te bevrijden van het storende ritmische getik.  Stupide gedachten kunnen me zolang gijzelen tot ik er in uitgesponnen zinnen kan over beginnen filibusteren. Dan pas vluchten ze weg, die gedachtenschimmen, als ze me ingefluisterd hebben dat schrijven voor mij de meest efficiënte manier is om het leven dat me aan het kapot maken is, een beetje te begrijpen of om het te negeren, al draag ik daardoor wel de storende littekens mee van al die heldhaftige gevechten die ik daarmee uit de weg ging.  Toen ik vannacht knobbelde in een van die absurde ingebeelde fantasieën, realiseerde ik me plotseling, als in een intieme lichtflits, dat ik eigenlijk een niemendal ben, dat ik dat altijd al geweest ben en dat ik dat altijd zal blijven, dat ik daardoor niet veel meer voorstel dan een kreeft die niet kan vliegen. Ik realiseerde me ook dat ik nooit veel meer zal voorstellen dan een niet-vliegende kreeft omdat elk soort van ambitie me vreemd is. Vanmorgen nam opstaan, net zoals elke ochtend van elke andere dag van de week tijd in beslag omdat ik nooit echt helemaal klaar lijk te zijn voor de realiteit van het leven, ook al heeft die me daarstraks wel gevonden toen ze me duidelijk maakte dat kreeften niet kunnen vliegen en dat wellicht nooit zullen kunnen omdat hun pantser daarvoor te zwaar is. Zoals zo vaak kom ik er met koffie en een peuk achter dat ik eigenlijk van niets weet en dat ik van niets zeker kan zijn. Als de cafeïne en de nicotine dan eindelijk in mijn bloedbaan geraakt zijn en daar een paar zenuwen een trap onder hun kont gegeven hebben, vraag ik me af of ik datgene wat ik nu voel wel moet voelen en of hetgeen ik nu denk wel moet denken. En dan lijkt het telkens opnieuw dat ik in die onwetendheid plezier lijk te scheppen terwijl ik veel liever iets anders zou willen doen. Kreeften laten vliegen bijvoorbeeld maar dat zal me wellicht nooit lukken en die nederlaag vier ik met de vlag van de overwinning en met een boterham met krab sla.

Cynisch toneelstuk.

… Hun eens zo diepgaande gedachtenwissels die ze vanouds met elkaar deelden waren monotone babbels geworden, zo vlak en grijs als het trottoir in de straat waarover de gedachten van doorsnee mensen kuieren, getooid in alledaagse kleren, helemaal niet meer in staat om enige emotie op te wekken, geen lach, geen traan, geen verwachting of geen illusie. Hun harten verzonken in een leegheid waardoor de dagen aanvoelden als een langgerekte grauwe reeks frustraties en onuitgesproken aspiraties die telkens opnieuw uiteenspatten als zeepbellen in de zon. Na de vele vruchteloze pogingen om opnieuw vuur in elkaars harten te blazen zonder dat er ook maar één vonk oversprong moesten ze droevig toezien dat van hun hartstocht die hen lang aan elkaar had doen plakken, niet veel bijzonders meer was overgebleven. Au tour de parcours, in de drukte van bezigheden en in de drukke dagelijkse beslommeringen waren ze elkaar kwijtgeraakt en waren tederheden een kleurloze regelmaat gaan vertonen waarin omhelzingen en aanrakingen dezelfde gewoonten waren geworden als het dessertje dat van tevoren vastligt ter afsluiting van een ééntonige maaltijd. Het zicht op een uitweg werd belemmerd door doemscenario’s die ze zelf schreven, waarin ze verstrikt raakten en waardoor de toekomst aanvoelde als een lange pikdonkere weg die uitgeeft op een hermetisch afgesloten deur waarop geen slot te bespeuren was. Wanneer liefde cynisch of vanzelfsprekend wordt is er iets vreselijks mis mee en met die gedachte vroegen ze zich af of de liefde die zij kennen en waartegen ze telkens opnieuw aanbotsen geen cynisch toneelspel was geworden waarin in een vicieuze cirkel van begeren, beminnen, kwijtraken, en missen, geen toertjes gedraaid werden waardoor zij vol weemoed en nostalgie steeds opnieuw wilden terugkeren naar wat zij onderweg ergens waren kwijtgeraakt en niet meer terugvonden. Wanneer halfvolle glazen niet meer bijgevuld geraken, valt het gordijn als een sluier voor hun blikken en wordt de aftiteling van de film, met rondvliegend stof in een witte lichtbundel op het grote canvas afgerold. The end…

Voornemen…

… De nacht was net zolang bloedheet geweest tot de koelte van verse regen de zwoele hitte had weggespoeld. De kerkklok van het nabijgelegen klooster had net een vijfde keer slag geslagen en dat gedempt geklingel had me bruusk uit mijn broeierige nachtmerrie bevrijd. Nog enigszins slaapdronken tuurde ik vanuit het open raam over het zwarte zadeldak dat met veertien zonnepanelen bekleed was. In de weerglans daarvan koepelde helder en weids de hemel waartegen de blauwe maan, die omgeven was met helder sterrenstof, een plaats had gezocht. De straten waren nog kletsnat en ik sperde mijn neusgaten ver open om de natte geuren van de malse regenbui op te snuiven. Aan de horizon in het Oosten werd het duister van de nacht stilaan opgeslokt door de opkomende zon en op de takken van de half-kale appelboom die onder het gewicht van tientallen halfrijpe appelen gebukt ging, speelden een paar luidruchtige kauwen of zaten zich roerloos met hun opgezette dons in de koele ochtendbries te warmen aan de eerste schuchtere zonnestralen. In het overgrote gedeelte van de slapeloze nacht had ik zolang mijn recente leven overpeinsd tot dat gepeins overging in een donkere droom waarin de gedachten even hobbelig waren als de kasseien van de oprit naar mijn ingebeeld luchtkasteel. Ze waren even koud en kil als een winterzolder met een raam op het Noorden van waar ik nu naar de uitdovende sterren tuurde en in de donkere hoeken van mijn denkwereld weefde de spin van valse vooroordelen onhoorbaar vastberaden haar web …

In de nevel van mijn droom stelde ik me de vraag hoe ik onvrede, die soms even veranderlijk kan zijn als de wolken in de lucht en die even wervelend kan zijn als een zomeronweer na een slapeloze nacht, een plaats kon geven? Het enige wat ik met mijn nachtgepieker bereikt had was dat de dreigende doemscenario’s zo fijn ontrafeld werden dat ze vanuit de hemel op mijn kop dreigden te vallen. In die nutteloze nachtelijke queeste had ik gezocht naar oorzaken van verloren idealen en verbannen doelen die ik door omstandigheden ver buiten mezelf een wachtplaats hadden gegeven. Ik stelde vast dat ik met mijn gedub geen centimeter in de richting van een minnelijke regeling was opgeschoven en ik besefte opeens dat zolang ik hoog boven de wolken, in het duister van de nacht of in het verleden en in de toekomst naar oplossingen zocht ik geen voldoening of rust zou kunnen vinden, alsof dat inzicht met die laatste regenbui door het open dakraam was binnen gesijpeld. Opeens wist ik dat zolang ik buiten mezelf bleef zoeken ik geen gepaste repliek zou kunnen vinden om mezelf in eer te herstellen.

Toen bij het krieken van de dag alle donkere gedachten waren ingeruild voor opgewekter ochtendgloren, nam ik mezelf voor om niet langer uit te reiken naar bevestiging of erkenning van anderen maar dat ik wat meer energie zou steken in het slopen van mijn eigen hindernissen die ik zelf op mijn pad had opgezet. Ik hoop nu maar dat het vannacht niet regent zodat dat voornemen ook niet wordt weggespoeld.

Dierbaar België, den ezel kan niet kakken.

Of België binnen, goed tien jaar zijn tweehonderdste verjaardag zal vieren is nog maar de vraag. Zelf heb ik daar nog geen uur nachtrust voor gelaten maar ik vraag me wel af wanneer er nog eens vuurwerk zal mogen afgeschoten worden. Ontegensprekelijk zijn er vandaag toch wel wat mensen mee bezig, niet met dat vuurwerk maar met dat Belg zijn. Vele mensen uit het Noorden lijken, met iets dat weg heeft van een superioriteitsgevoel met iedere nieuwe verkiezing meer en meer op zelfbeschikking aan te sturen terwijl zij uit het Zuiden voor goede of verkeerde redenen, als met colle-tout, aan Vlaanderen willen blijven plakken. Soms lijkt het wel alsof België alleen nog maar bestaansrecht heeft bij de gratie van sportprestaties, wanneer geïmporteerde en genaturaliseerde atleten wereldprestaties leveren of wanneer Rode Duivels op een Ek of Wk een begenadigd voetbaldagje kennen. Vooralsnog en zolang er nog een paar zotte socialisten in Vlaanderen rondlopen om de splitsing van het land tegen te gaan, is het signaal van Botrange met zijn 694 meter het hoogstgelegen punt van onze natie. Op de vraag of Het Stroevenbos in de gemeente Voeren met zijn hoogte van 287,5 meter ooit het hoogste punt van Vlaanderen wordt, hangt wellicht af van waar op dat moment de ‘confederalistische’ grens zal getrokken worden en of de burgervader van dat gehucht in kwestie daartegen al Vlaams spreekt want indien dat niet het geval zou zijn, zullen fanatieke wandelaars hem naar alle waarschijnlijkheid met zijn klikken en klakken terug over de natiegrens zwieren, naar Luik waar hij vandaan komt.

Of België nu uit één, uit twee of uit drie stukken zal bestaan, of dat nieuw stuk grond nu Vlaanderen of Dietsland genoemd zal worden, eerlijk, dat zal me een dikke rotzorg wezen, maar waar ik wel redelijk benauwd van wordt en waar ik wel al eens een uur of twee nachtrust voor laat, is naar welk soort samenleving we aan het evolueren zijn.  Zeker wanneer ik gisteren hoorde dat muco patiënten hun levensnoodzakelijke medicatie zelf moeten bekostigen en dat er geen of nauwelijks tussenkomst van overheidswege op zit. Tot op vandaag maakten we in ons oude België nochtans allemaal deel uit van een sociale verzorgingsstaat, waar de hele samenleving verantwoordelijkheid draagt voor het welzijn, voor de gezondheidszorg en het onderwijs, voor werkgelegenheid en voor een werkende sociale zekerheid. Meer en meer en als ik de rechterkant van onze politieke elite (de splitsers en de vrouwen met goesting) beluister, evolueren we meer en meer naar een soort van participatiestaat waar de overheid in een nieuw België en al dan niet onder druk van besparingen of onder het mom van vermeende parasieten vanonder die verantwoordelijkheid wil weg muizen om zo de verantwoordelijkheid van zorg en zekerheid helemaal in de schoot van de nieuwe participatieve samenleving te leggen. In de schoot van een in tweeën gesplitste samenleving waar burgers geacht worden VOOR ELKAAR verantwoordelijkheid op te nemen.

De contradictie is sprekend, België valt als los zand uit elkaar en we zouden voor elkaar verantwoordelijkheid moeten op nemen.  De muco patiënten die gisteren het nieuws haalden zijn vet met deze participatieve neoliberale kul want zij zullen voortaan hun peperdure levensnoodzakelijke medicatie zelf moeten ‘ophoesten’. In elk geval hebben zij vandaag op de hoogdag van België geen boodschap aan een participatieve staat want zij zijn niet of nauwelijks in staat om te participeren want ze kunnen vandaag in het oude België al nauwelijks overleven.

O dierbaar België den ezel kan niet kakken.

Traag en saai.

… Neem nu mijn ouderlijk huis, een luxueuze villa was dat niet, verre van zelfs. In de keuken kon je amper je gat keren wanneer je er met meer dan drie tegelijk in aanwezig was. ’s morgens moest ik voor alles geduldig mijn beurt afwachten. Ik moest in de rij aanschuiven, om mijn gevoeg te doen, om tanden te poetsen en ik moest wachten op koffie. Koffie die doorliep in een thermos waarvan de onderste dichting niet helemaal aansloot zodat er wat donkere smurrie uit sijpelde. Soms leek het wel dat in dat kleine kruip-in teveel mensen woonden en dat ik als jongste altijd als laatste aan de beurt kwam. Alles ging trager dan in andere huizen.

Omdat vader de bonen zelf maalde in een aftandse Moulinex koffiemolen en omdat de moor eerst moest fluiten was zelfs de koffie traag. Alles nam tijd, tijd tot het water kookte en de filter kon opgegoten worden. Elke morgen was het wachten tot die helemaal doorgelopen was en we eindelijk aan onze tas zwart geluk geraakten. Onze pa deed dat elke dag en wij waren geduldig. We mopperden niet…

Toen was traag niet saai, wist ik veel.

Nu denk ik dat langzaam betekent dat ik bedachtzaam bezig ben met de dingen die ik doe of soms helemaal niet doe zodat smaak, geur, kleur en gevoel intenser binnen komen en ik gemakkelijker kan absorberen. Het is alsof ik de koffie opnieuw traag als een baxter in een infuus zie doorsijpelen. Dan ruik ik opnieuw hoe ons keukentje van toen opnieuw vervult raakt met aroma’s van pas gemalen koffie. Als ik zo naar de dingen kijk, voel ik dat mijn traag leven niet saai is al wordt mijn zweverigheid niet altijd even hard geapprecieerd. Voor sommigen is het leven pas interessant wanneer het druk en doelbewust geleefd wordt. Mag ik mijn joker inzetten?

Misschien ben ik gewoon rebelser tegen de prestatiemaatschappij dan ik het besef. Ik ben vastbesloten om geen slaaf te worden van mijn tijd omdat dat volgens mij een onvermijdelijke bijwerking is die op de bijsluiter van het leven staat, ‘slaaf van je tijd’. Niet dat ik tegen groei, vooruitgang, efficiëntie, productiviteit of tegen wat dan ook ben hoor maar het is niet mijn levensdoel. Ik heb niet de ambitie om zo veel mogelijk werk in zo weinig mogelijk tijd te verzetten, ik heb geen zin om altijd druk bezig te zijn, ik doe het liever wat trager op mijn tempo.

Waarden, als ik die zo mag noemen zoals succes, materiële weelde, status of carrière zeggen me niets omdat ze me geen voldoening schenken. Ik zoek andere dingen. Menselijke interactie, verbinding, connectie, hechting vinden aan andere mensen en koffie zijn zaken die meer in mijn aard verankerd zitten en me meer voeldoening verschaffen dan de ratrace. Een nutteloze wedstrijd waarin ik toch als laatste eindig omdat ik koers zonder versnellingen.

Voor mezelf hoeven niet alle grenzen verlegd. Grenzeloosheid beoefenen om erachter te komen dat ik beperkt ben en om te zien dat aan elke grens nog een andere limiet zit, om die ook na te jagen omdat anderen het doen. Aaarrrrggg….

Mag het nu wat trager alstublieft? Met een slakkengang kom je ook wel aan de eindstreep hoor!

Denk je dat ik het ben?

De jonge vrouw, ik schat haar een jaar of dertig, was lelijk en spichtig, zo mager als een riet en even puistig als een afgeknotte wilgentak. Haar onverzorgde gebit stond schots en scheef en haar blik was zo hol als een vergeetput. Hoewel ze zichtbaar moeite gedaan had om er een beetje toonbaar uit te zien, was ze met die poging nauwelijks succesvol geweest.  De hoge hakken die ze onder haar gerafelde jeans droeg, maakten haar iets groter dan ze in werkelijkheid was. Toen ze me geforceerd-hartelijk toegang verschafte tot haar appartement, wipten de houten zolen van haar te iets te grote schoenen snel omhoog zodat die met een droog ritmisch geluid tegen de eeltige onderkant van haar voeten klapten. ‘Bedankt dat ge zo snel gekomen zijt, ik had eigenlijk gedacht dat ge niet zou opdagen. De meeste mensen lopen weg van mij, zelfs mijn eigen kinderen’, prevelde ze bijna onhoorbaar met doorzopen stem terwijl ze een zelf gerolde peuk opstak en haar iets inschonk dat op koffie leek. ‘Gij ziet er niet uit als een alcoholist’, zei ze met een onhandige brutaliteit zonder een antwoord te verwachten. ‘Gij ook?’ en ze wees naar een tas die al een geruime tijd geen afwaswater meer had gezien. Ik had al minstens vijf vliegen geteld die af en aan vlogen van een bord waar nog een rest pizza en wat korsten van gisteren op lagen. Voor de koffie bedankte ik maar was wel oprecht benieuwd naar haar verhaal. ‘Denk je dat ik ook een alcoholist ben?’ vroeg ze me vrank met niet gespeelde eerlijke nieuwsgierigheid. Door die astrante vraag dwaalde ik in gedachten ver af naar mijn eigen verzopen verleden en begon onophoudelijk te ratelen… over mezelf zoals ik dat altijd doe in situaties als deze.

‘Ik ben zeker dat ik doodsbang was om te erkennen dat ik een alcoholprobleem had’, begon ik. ‘Het antwoord op die vraag verschool zich voortdurend onder de oppervlakte. En soms kwam dat boven, eerst met stil gefluister, dan met duidelijke stem tot het uiteindelijk een schreeuw werd. Ik denk dat ik het allemaal veel te lang genegeerd heb alsof ik er een soort light-versie probeerde van te maken maar met die onzin waande ik me slimmer dan mijn probleem en dat was pure zelfoverschatting. Ik heb lang geprobeerd om aan mezelf en aan iedereen die toekeek te bewijzen dat ik nog een succesvol iemand kon zijn, dat ik niet echt een probleem had en wel kon stoppen wanneer ik dat wilde maar diep in mezelf wist ik dat dat een illusie was. Als ik ‘s avonds in de spiegel keek en ik zag de ellende die terugkeek, was ik zo bang omdat ik zeker wist dat ik de rest van mijn leven zou moeten blijven drinken om de dag door te komen of om de nacht te overleven. Ik had er een boeltje van gemaakt en voelde me met elke poging om te minderen dieper in de stront zakken, zoals in drijfzand, denk ik.’ ‘Hoewel ik wist dat zuipen, zoals ik het deed, ongezond was en dat ik daar op een dag steendood van zou vallen, kon ik het fysiek en mentaal niet opbrengen om het niet te doen, omdat ik er zoveel van hield. Ik was gek op de fysieke sensatie om de roes via mijn keel in mijn bloed te voelen stromen en met ware doodsverachting zag ik uit naar het mentale spektakel wanneer door diezelfde slome roes de ruwe randen van het leven geëffend werden. En dat zal wel het grootste probleem geweest zijn. Ik kon niet drinken zoals normale mensen dat doen omdat ik er niet mee kon stoppen omdat ik steeds maar op zoek ging naar iets wat niet bestaat.’

‘En om op je vraag te antwoorden, ik raakte pas min of meer opgelucht toen ik mezelf de vraag niet meer hoefde te stellen of ik een probleem had, of ik alcoholist was. Dat maakte dat ik niet meer moest gissen naar antwoorden en niet langer meer moest zoeken naar mazen om te ontsnappen aan mezelf. In plaats van mezelf op te zadelen met excuses waarom ik moest drinken, begon ik stilaan te luisteren naar een andere kleine stem, die van de wijsheid maar die zich voorlopig nog schuilhield aan de binnenkant van mezelf. Ik had mezelf lang genoeg voorwendsels gegeven om het op een zuipen te zetten. Hier, ik zal je er een paar opsommen:

Ik haat mijn werk.

Mijn financiën zijn een puinhoop.

Al mijn relaties staan in ’t rood.

Iedereen die ik ken drinkt.

Vandaag drink ik want het is mijn verjaardag.

Morgen drink ik want dan is het jouw verjaardag.

Als ik niet drink zullen ‘ze’ vragen waarom ik niet drink en ik zal ‘er’ niet bij horen.

Ik ben toch op vakantie, en ik doe toch niemand kwaad met een wijntje?

Het leven is saai.

Het leven is moeilijk.

Het leven is wreed.

Ik ben gelukkig.

Het is toch al donderdag.

De kinderen zijn druk.

Ik ben ongelukkig.

Het is weekend.

De kinderen zijn er niet.

Oma is dood.

Het is elf uur.

Ik heb toch ontbeten.

Ik heb een rotdag.

Lien is zwanger.

Ik heb geen slechte dag.

Ik heb een platte band.

Het is nog maar tien uur maar het is zondag.

Ik heb gisteren niet gedronken, zie je dat ik geen probleem heb.

Ik schaam me omdat ik me weer misdragen heb, ik kan net zo goed drinken dan vergeet ik het.

Het is genetisch bepaald want ons ma dronk ook veel.

De zon schijnt.

Ik moet een nieuwe fles kopen want aan deze ben ik al begonnen.

Het dient niet om de vloer te schuren.

Ik had een ongelukkige jeugd.

Het regent.

Ik schaam me omdat ik in mijn zatte bui weer iedereen gebeld heb.

Gisteren dronk ik maar twee glazen.

Nog eentje…

…eentje kan geen kwaad….

‘Zal ik je wat vertellen, wanneer ik terugkijk op mijn alcoholcarrière is het voor mij zo klaar als pompwater. Hoewel ik dacht dat ik zuipkampioen was, kon ik niet drinken, want ik kon nooit stoppen omdat ik alcoholist ben.’ ‘In het oog van een orkaan lijkt het windstil, maar als de wind gaat liggen, ligt alles plat. Het angstaanjagend van de zaak is dat dat de stormen elkaar sneller zullen opvolgen en dat ze erger worden dus als je jezelf herkent in een of alle excuses hoef je geen test meer afleggen of moet je mij of jezelf die vraag niet meer stellen omdat je het antwoord al kent.’ ‘Er is geen juist moment om te stoppen zoals er geen slechter moment bestaat om te beginnen maar wacht er niet mee want met elke nieuwe verzopen dag wordt het moeilijker. Je zal het harder te verduren krijgen omdat je met elk nieuw glas opnieuw een kruimel eigenwaarde doorspoelt.’ ‘Maar het goede nieuws is dat het kan, stoppen. Als ik het kon, kan jij het ook want er bestaat nog leven na de fles. Niet dat alles zonder drank perfect en gemakkelijk wordt maar alles wordt rustig op een rommelige manier.’ ‘Als je het probeert en je geeft niet op, is het zelfs gemakkelijk als je maar blijft luisteren naar die kleine stem die je elke dag iets belangrijks te vertellen heeft.’

Rood gele vaan.

Toen ik vanmiddag vanuit de keuken en vanachter een tas koffie wat doelloos in de tuin stond te gapen, viel via de laptop van mijn zoon onverwacht een eerste bericht in de huiskamer. Omdat zijn dag veel te laat begonnen was, zapte hij met wat van de namiddag nog overschoot de tijd weg met Netflix en Instagram, om niet gezegd te willen hebben dat hij zich verveelde. Plots veerde hij veerde recht en ging zenuwachtig en koortsachtig scrollend op zoek naar de bevestiging van een zopas binnengelopen bericht dat hij via een vriend had toegestuurd gekregen. ‘We zakken niet’, riep hij ‘Vader we zakken niet, we blijven in 1A en het is bevestigd op Sporza.’

Toegegeven ik ben supporter van KV Mechelen, je mag me hier dus bijgevolg niet van objectiviteit en onpartijdigheid verdenken, zeker niet wanneer ik de verbazing en opluchting probeer te beschrijven die ik sinds dat berichtje van deze middag al een paar uur door elke vezel van mijn lijf voel stromen. Maar het is ook niet omdat ik geen sensatiejournalist ben of omdat ik niet hoor bij de club van opgejutte of gek gemaakte Beerschot-fans dat ik niet mag proberen mijn emoties in leesbare zinnen neer te schrijven. Ik ben per slot van rekening ook een kritische verhaaltjesverteller die graag wat tegen de wind in roept. Verwacht dus geen dubbel gecheckte ‘properehandenfeiten’ want daarvoor ben ik wellicht te veel supporter en een veel te grote praatjesmaker.

Overal waar strijd gevoerd wordt, eindig je wanneer het pleit beslecht is met winnaars en verliezers. Dat is in conflictgebieden waar oorlog woedt het geval, in de politiek is dat zo en in de sport is het niet anders. Na de clash en als het verdict gevallen is, klopt men zich in het winnende kamp superieur op de borst terwijl de verliezers de oorzaak van de nederlaag zoeken bij de omstandigheden, bij de partijdigheid van diegenen die over het resultaat beslisten of bij de sterkte van de tegenstand. Wanneer onmin ontstaat over de juistheid van een resultaat of wanneer men partijen van fraude of bedrieglijkheid verdenkt zal in elk zichzelf respecterend democratisch bestel een onafhankelijk orgaan uitspraak doen om recht toe te kennen aan zij die het verdienen omdat dat rechtvaardig en juist is maar zo niet in de voetbalsport. In het duffe bondscomplex zwaaien oude grijsaards de plak. Belust op winstgevende euro’s hervormen ze wat goed was en behouden ze wat aftands is. Ze maken of behouden vervallen voetbalwetten die zo flou zijn en in hun optiek zo kneedbaar en voor interpretatie vatbaar dat ze er naar eigen goeddunken kunnen over wikken en beschikken, om er voordeel uit te halen voor zichzelf of voor diegenen die ze vertegenwoordigen. Rechters, advocaten, belanghebbenden, investeerders, bestuurders en gedupeerden worden in het Brussels voetbal-politbureau rond één tafel verzameld om als waakhond de honing- en doofpot te bewaken waarmee ze hun zaakjes regelen. Toen bondsprocureur Wagner de competitie leek te gaan beïnvloeden door Ruslan Malinovskyi zeven speeldagen te schorsen voor een onvrijwillige fout, sprak voetbalminnend België schande over zoveel wereldvreemdheid en beklaagde diezelfde voetbalwereld zich over de bekwaamheid en de onpartijdigheid van de Nero van de voetbalrechtbank. Wanneer diezelfde bondselite dan enige tijd later uitspraak doet in de propere handen affaire vindt de publieke opinie dat eindelijk recht geschied is. Over het feit dat beschuldigde club in kwestie amper tijd kreeg om zich te verweren en over de kwestie dat de beklaagde inzage ontzegd werd tot essentieel bewijsmateriaal om de beschuldigingen te weerleggen en over het feit dat voetbalwetten met de voeten getreden werd, kraaide geen haan meer want er was eindelijk een voor de hand liggende zondebok gevonden die het gelag wel zou betalen.  Is er buiten mezelf dan niemand die het van pot gesleurd vindt dat de start van een bepaalde beroepsprocedure kan leiden tot degradatie naar de amateurliga en stinkt dat putje dan niet naar machtsmisbruik? Het heeft er volgens mij toch alle schijn van. En wat dan met de media in dit verhaal? Hebben zij er de hele duur van de schertsvertoning ook geen pap van gelust? Werd de rechtszaak door journalisten niet in publieke debatten gevoerd waar meningen, waarheid en fictie met elkaar vermengd werden zodat facebook en twitter verdeeld raakte in twee kampen, de goeie en de slechten? De toog en de sociale media liep over van meningen, iedereen had er een en iedereen had gelijk. Vandaag sprak het BAS recht, niet vanuit een ‘ethisch’ onderbuikgevoel of vanuit een straffe mening, een waarheid of vanuit een fictief verhaal maar op basis van de voetbalwet. Een wet die nota bene geschreven en bewaakt wordt door clubje grijsaards die er verantwoordelijk voor zijn. Dus kunnen we eindelijk opnieuw over naar de orde van de dag…

‘Vooruit met de rood-gele vaan, vooruit over berg over baan…’ Heis de vlag hoog in de mast want de strijd is gestreden, de tegenstanders geveld en vijandige monden zijn gesnoerd. Verliezers druipen af en lijkenpikkers worden weggehoond. Steek die vlag fier omhoog want de veldslag is gewonnen en de geel-rode drapeau die symbool staat voor eenheid, strijdlust en samenhang toont fier zijn ware gelaat. Laat ze wapperen wapperen tot ze helemaal uitgerafeld is want vandaag is het feest. Van Kvm kan veel gezegd worden maar nooit dat ze onder vreemde vlag gevaren hebben, daardoor is de samenhorigheid nooit groter geweest dan vandaag. Eindelijk viert gerechtigheid hoogtij al zal het wel zuur zijn wanneer je vandaag Beerschotrat bent maar is dat op andere dagen ook niet het geval? Eerlijk?

Haar.

Ik ben zeker dat je daar op muziekkamp al lang niet meer wanhopig zit te wachten op een stom briefje of op advies van een vijftiger, ook al is die vijftiger jouw vader die met elke nieuwe dag een dagje ouder wordt. Het zal je misschien verbazen maar ik was ook ooit dertien, weliswaar dertien in de mannelijke versie van een meisje, maar toch dertien. Negentien eenentachtig was het dan. De grootste gebeurtenis van juli eenentachtig, was dat prins Charles van Engeland trouwde met prinses Diana, ook van Engeland al werd ze door haar huwelijk ‘gedegradeerd’ tot prinses van Wales. Vraag me niet waarom dat zo is, waarschijnlijk omdat die Engelsen rare tradities hebben.  In die dagen konden uilen nog spreken en er was nog geen internet daarom zat de hele wereld die bewuste dag voor de tv gekluisterd, om een glimp op te vangen van de bruidsjurk van de sprookjesachtige prinses. Ik weet niet waarom ik je dat nu zeg misschien omdat ik toen ook dertien was en ik jaloers was op die lelijke aap.

Hou je vast aan de takken van de bomen, binnenkort ga je tot besef komen en aan je lijf ondervinden dat hormonen je willen veranderen. Ze gaan je proberen te overtuigen dat ik niet meer de grappigste man in je leven ben. Ze zullen je ook influisteren dat je ma een oude zaag geworden is omdat ze je dingen wilt laten doen die saai en ouderwets zijn of omdat je volgens haar te vaak op je gsm zit. (Wat wellicht het geval is.) Die hormonen zullen je meer met je ogen doen rollen en je meer laten zuchten en blazen dan je zelf wil maar ze gaan er ook voor zorgen dat je gat, je billen en hopelijk nog andere dingen, dikker worden. Ze zullen zorgen voor haar onder je oksels en op nog andere plekken waar dat nog gênanter is. Die hormonen zullen er ook verantwoordelijk voor zijn dat je (tijdelijk) een hele slechte smaak zal ontwikkelen. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat je helemaal zot zal worden van pak weg, Justin Bieber of erger van Daniel Portman, omdat die toevallig een sexy schildknaap mocht spelen in Game of Thrones. Zit er niet mee in want het zijn tijdelijke randfenomenen die samengaan met groter worden. Uiteindelijk zal je toch tot de conclusie komen dat er maar één man echt belangrijk is in je leven en dat ik dat ben omdat ik nu eenmaal nagenoeg perfect ben, zowel uiterlijk als verstandelijk.

Veel van de dingen waarvan je nu denkt dat ze je ooit zullen gelukkig maken zullen dat niet doen. Maar ik weet ook dat het nul komma nul zin heeft om je daarvoor te waarschuwen, want jij wil meer dan wie ook zelf achterhalen hoe het leven werkt. Jouw leven is een feest en de wereld een wonder en iedereen die je zal willen proberen te overtuigen van het tegendeel, zit er helemaal naast. Je zou eens moeten weten wat er nog allemaal op je af komt, voor de eerste keer. Ik kan het weten want ik was ooit dertien.  Dus doe maar op! Krijg maar wat meer haar, ook op je tanden. Het mag! Wees eigenzinnig en test het maar allemaal uit. ‘Don’t worry and enjoy the ride’ want alles komt altijd goed. Neem geen genoegen met sarcasme en cynisme en wees niet beschaamd voor vriendschap. Probeer het maar, doe maar op, dat mag want het loont om eigenzinnig te zijn en om uit te proberen wat je allemaal wordt verteld. Maak je dus geen zorgen want alles komt altijd goed. En wanneer je het even niet meer weet, kom dan maar af want ik weet het allemaal want ik was ook ooit dertien en ik heb ook al een gsm, eelt op mijn ziel en haar op mijn tanden.

Vader van zijn zoon

Ik ben niet zeker of iemand het opmerkte dat mijn ogen een beetje vochtiger staan te blinken dan anders. Niet dat ik me daarvoor zou schamen moest dat wel het geval zijn omdat ik bijna zeker weet dat de meeste mensen die zich in deze zaal bevinden in min of meerdere mate ook met dezelfde emoties aan het vechten zijn. De jongsten in de menigte zijn of opgelucht of uitgelaten of trots en blij of iets dat zich daar tussenin bevindt al bespeur ik hier en daar wel wat weemoed of spijt omdat ze hier nu een belangrijk tijdperk komen afsluiten. Op sommige plaatsen word ik lichte angst, spanning en onzekerheid gewaar omdat de oudsten van nu straks als nieuwe piepkuikens op ongekend terrein een nieuwe weg zullen moeten zoeken. Sommige uitverkorenen genieten zichtbaar van de aandacht wanneer ze achter het spreekgestoelte mogen plaatsnemen om daar hun zwanenzang voor te dragen, terwijl anderen zich door hun schuchterheid of door hun stuntelige lijf, dat nog niet helemaal in proportie geggroeid is, geen juiste houding weten aan te meten bij dit laatste publieke examen. Opgetut zijn ze wel allemaal. Jonge vrouwen hebben voor de spiegel met elkaar een ingebeelde onderlinge strijd gevoerd, voor het juiste kapsel, voor de hipste jurk of voor de duurste halsketting die ze van hun moeder in bruikleen kregen om aandacht van hun operaspleet af te leiden. De meeste van de jonge mannen weten zich ook niet echt een juiste houding te geven in hun gesteven maatpakken omdat de afgedragen sneakers of de adidaskousen die ze er onder dragen hen net iets te veel van een clown doen weg hebben of misschien is het gewoonweg omdat in die strakke kostuums de afgelopen weken mondelingse examens moesten afleggen. Hier en daar bespeur ik nog een zeldzame puist terwijl sommige onder hen al lopen te pronken met een volle baard of met een borstelige knevel. Op de ingebeelde catwalk defileren ze één voor één naar voren. De ene achter de andere om daar van oudere wijzen met wie ze de afgelopen zes jaar lief en leed gedeeld hebben, kussen en een eerste belangrijke adelbrief in ontvangst te nemen.

“… hebben hun diploma secundair onderwijs richting Latijn-Moderne-Talen behaald.” Met die laatste woorden worden hij en zijn klasmaten door de directeur, met een stem die minstens evenveel trilling vertoonde die van de sprekers van daarstraks, afgezwaaid. De onderdrukte emoties, die door de bewogen toespraken van de jonge schouders waren gevallen, worden door mij allemaal geabsorbeerd. Hoewel ik zelf geen lauweren aan dit meesterwerk verdien, voel ik me een pauw die zijn staart wil tonen maar ik doe het niet omdat hij die pluimen allemaal zelf mag opstrijken, één voor één om ze op zijn eigen hoed te steken. Voor deze grote stap is hij zeker klaar maar wat zijn vader betreft.. ach die zal ook wel goed terecht komen hij is per slot van rekening toch de vader van zijn zoon.

Theoretisch rijexamen.

Een knaap die er ouder wou uitzien dan de jaren die hij maar had, ging op een lege kruk zitten, vlak voor de bar waar een blonde dame van jaar of twintig met minutieuze nauwkeurigheid een Duvel uitschonk voor een habitué die er dagelijks zijn krant kwam lezen. De vranke jonge ondeugd zei uitdagende dingen die bleven hangen, zoals een streep dat doet dat als ze met een verkeerd potlood op een schets getekend werd zodat ze niet meer kan uitgegomd worden.

‘U hebt een mooi stel benen, juffrouw’, zei hij vrijpostig.

Ze bitste terug, ‘hoe kunt U dat nu weten, kunt U misschien door de toog kijken?’ En ze liet die U met opzet te luid en te beleefd klinken zodat de versierpoging die op zich al hopeloos was, helemaal een wanhoopsdaad leek.

‘Toen ik U de eerste keer zag, toen U hier door de straat laveerde, waren die me al onmiddellijk opgevallen, ik heb namelijk nog maar zelden zulke mooie benen gezien’, ging de snaak door en hij probeerde goed te maken wat hij vier seconden eerder verkeerd had aangepakt. Op dat ogenblik had de jonge dame zich echter al van hem afgeweerd om de Duvel te brengen naar de man die verderop zijn te rode hoofd al in zijn dagelijkse krant had verstopt. De jonge toogdebutant vroeg ook een Duvel. Zij weigerde hem die prompt, omdat ze vermoedde dat ze daardoor de wet zou overtreden.

‘Ik ben al twee jaar achttien hoor’, sputterde hij tegen.

‘Laat dan je pas zien, he’, antwoordde ze hem terwijl ze er in gedachten ‘wijsneus’ bij zei maar dat niet deed omdat ze niet al te veel verkeerde aandacht wou schenken aan een opgehitste puber. Ze wou al evenmin indruk wekken dat ze met zijn geflirt gediend was.

‘Ik heb hem niet bij me, hij ligt nog in mijn auto’, zei de jongeman met zoveel overdreven gelogen zelfverzekerdheid, dat het lachwekkend was, al leek hij zich door zijn overmoed daar niet bewust van.

‘Drink dan maar cola of iets anders fris, zeker als je nog moet rijden,’ zei de serveerster speels. Ze was minstens even rad van tong als de overmoedige snaak omdat ze aan haar toog wel vaker te maken had met opdringerige bronstige venten die hun kans schoon zagen om haar te proberen imponeren. Even leek hij nog een poging te wagen maar zijn woorden gleden van haar af zoals water op een Tefal pan en met de staart tussen de benen, zonder Duvel en zonder nog een woord te zeggen, droop de Cassanova in spe af om anderhalf uur later opnieuw te verschijnen om op dezelfde kruk plaats te nemen.

‘Cola alstublieft en neem zelf ook iets’, zei hij met een stem die nog stoerder en zelfzekerder klonk dan een uur geleden en hij wees daarbij de vergeelde beteugeling van de dronkenschap waarmee ongeveer honderd jaar geleden zatlappen gewaarschuwd werden voor de gevolgen van openbare dronkenschap.

‘Ben jij nu bezopen?, vroeg de jongedame enigszins verbaasd.

‘U mag me hier dan misschien geen alcohol schenken maar nergens staat geschreven dat ik niet zat mag zijn. Wist U trouwens dat toen U daarstraks die man zijn Duvel bracht, U me de formele bevestiging gaf dat uw benen de mooiste zijn die ik ooit heb mogen aanschouwen en toen waren uw natuurlijk sensuele kuslippen me niet eens opgevallen. Maar om op uw vraag te antwoorden, neen ik ben niet zat want ik drink nooit. Ik had die Duvel alleen maar nodig om me moed in te drinken om U te durven zeggen dat U het schoonste meiske bent dat ik ooit al heb aangesproken.’ De academische woordkeuze, het ge-U en het feit dat hij haar meiske noemde, gaven hem een aandoenlijk stuntelige onhandigheid waardoor de jonge dame opeens gecharmeerd raakte.

‘Als we elkaar nu gewoon tutoyeren en als je nog een kwartier geduld hebt, dan zit mijn shift erop dan mag je me een wijntje trakteren en kan je me verder bewieroken want je hebt al mijn lichaamsdelen nog niet beschreven’, zei ze plots ontwapenend.

‘Mag dat ook nog als ik je zeg dat ik alleen nog maar mijn theoretisch rijexamen heb afgelegd?’

‘Kan ik daar dan nog een kwartier over nadenken?’

Blaas je bel eens stuk!

Licht geïrriteerd trek ik in twee trekken de vuurkegel van mijn Marlboro light zo heet zoals ik alleen dat kan. In twee halen en in evenveel tellen stook ik het papier en de tabak van mijn sigaret in geen tijd op tot aan de filter. Op dat zelfde moment giet een kalende man van middelbare leeftijd, die op minder dan tien passen van mij verwijderd is, zijn ribbeltjespint met één langgerekte teug en zonder te slikken in één keer naar binnen. De handelingen waar van sprake, hadden zich het afgelopen half uur al vier keer herhaald. Mocht ik ervoor gekozen hebben om op dat moment voor de tv te hangen, hadden deze volstrekt onbelangrijke feiten die zich op donderdagavond omstreeks 9u38 op het buitenterras van een oerdegelijk Vlaams bruin biercafé afspeelden, niet plaatsgevonden. Nu dus wel, zoals elke week trouwens op donderdag want ikzelf en nog een paar andere verstokte rokers staan daar wekelijks. We zuigen daar aan onze sigaret, aan onze sigaar of aan onze met nicotine gevulde elektrische pijp omdat we al een tijdje en meer bepaald, sinds we in de eeuw van de betutteling zijn aanbeland, naar buiten zijn verbannen om daar gezellig rond een hoge ronde partytafel in de rook te hangen. De paria’s van de kroeg moeten namelijk sinds dan buiten paffen. De al vervuilde fijne stoflucht van niet-rokers die binnen blijven zitten, wordt zo niet met nog meer fijn, vuil stof bezoedeld zodat deze er net iets properder kan ingeademd worden. Diegenen met wie ik wekelijks op donderdagavond omstreeks 9u38 mee rond de tafel hang om te paffen, begrijpen dat allemaal omdat ze nadenken en een beetje sociaal normbesef vertonen opdat mensen die toevallig op donderdagavond ook naar dat oervlaams biercafé trekken hun longen er niet per c  met teer, nicotine of met andere schadelijke brol hoeven te vullen omdat wij daar voor kiezen. Zij zullen er op donderdag en vaak op alle andere weekdagen die eindigen op dag wel voor opteren om hun lijven tot aan hun adamsappels vol te gieten met pinten of met andere geest verrijkende drank. Dat is namelijk hun manier om vijftien jaar eerder de pijp aan Maarten te kunnen geven omdat levercirrose en maag- of darmkanker hun uitverkoren terminus is. Wij kiezen met ware doodsverachting in onze blik eerder voor longkanker en dat is ook ons goed recht. Eigen kanker eerst!

Maar het was niet dat grote maatschappelijk thema dat ik hier wil aansnijden. Niet dat ik mij niet aan rook- of drankonverdraagzaamheid stoor maar omdat bubbels bij mij nog meer innerlijke onrust veroorzaken. En voor de duidelijkheid, ik heb het niet over doorzichtige, wiebelende door afwasmiddel geproduceerde balletjes die door de wind mee gedragen worden en waarin regenbogen wonen en die een vlek achterlaten net nadat ze zijn uiteengespat. Ik heb het over verontrustende bubbels waarin we ons allemaal bevinden en waarin we ons terugtrekken om ons te beschermen tegen mensen die in andere bubbels wonen van waar ze naar de wereld kijken. Om van achter glazig vlies te kijken naar een wereld die ze niet meer begrijpen omdat ze zich in hun persoonlijke bubbel enkel nog met gelijkgestemden omringd hebben. Ze zijn beperkt in klankbord en in tegenspraak zodat ze stom worden en afgestompt raken en niets meer kunnen relativeren. Mak en laks omdat ze door het vlies van de bubbel waarin ze zich verschuilen elkaar niet meer horen en elkaar niet meer verstaan. Over die bubbels heb ik het, over de isoleercellen waarin we ons met mensen van dezelfde soort opsluiten en waarin we ons rood van woede kunnen ergeren aan gedrag en aan geroep van anderen of aan de rook- en drinkgewoonten van diegenen die zich in de andere bubbel bevinden. Maar wees op uw hoede want het zijn geen bubbels met regenbogen waarin we ons bevinden. Het zijn betonnen kooien die onze blikken versmallen en onze natuurlijke aard om te ontdekken teniet doen.

 En jij? In welke bubbel zit jij en wanneer blaas jij je bel eens stuk?