Haar ranke silhouet weerspiegelt op de natte straatstenen van een steeg waarin zij al minstens honderdduizend stappen heeft gezet. Ze kent de straat als haar broekzak, toch lijkt ze helemaal verloren te lopen in haar gedachten. Ze heeft geen enkele aandacht voor de scenario’s die zich in de steeg, op dit late uur afspelen, want ze voert hevig strijd met haar eigen demonen. Het miezert hele fijne motregen die het asfalt doet blinken en waarvan je in een mum van tijd doorweekt raakt, als een dweil die niet uitgewrongen is. De vrouw die door de avond dwaalt is vooraan in de veertig of achteraan in de dertig. Ze slentert langzaam voorbij een raam van een rijhuis waarachter zich huiselijke taferelen afspelen. Onopvallend en niet met de bedoeling te gluren, kijkt zij binnen en de weerglans in de ruit verraadt de spiegel van haar gezicht. Ze is vermagerd, ‘zeker tien kilogram’, weet ze. Hoewel ze vroeger de vrolijkheid zelf was, valt het haar nu op dat haar mondhoeken helemaal naar beneden hangen en dat de rimpels op haar voorhoofd en de wallen onder haar ogen diep en donker lijken, zoals loopgraven en slijksporen van een verlaten slagveld. De rode lippen en de overdadige mascara kunnen de sporen van ingehouden verdriet amper verdoezelen. Ingebeeld ballast, maar ook echte zorgen doen haar schouders diep afhangen waardoor ze me doet denken aan Atlas die de wereld op zijn schouders torst, een beetje zoals hij geportretteerd werd op dat oud briefje van duizend frank. Gedachten, hypothesen, hersenspinsels, waardeloze theorieën en onbeantwoorde levensvragen op wie geen sterveling ooit een antwoord vond, houden haar bezig. Ze lijken zwaarder te wegen dan die wereldbol die zij ook op haar bult lijkt mee te zeulen. Het avondtafereel en de troosteloze aanblik zou Van Gogh ongetwijfeld geïnspireerd hebben tot een meesterwerk mocht hij er deelgenoot van zijn geweest. De gevolgen van het oppervlakkig leven dat zij leeft, dat helemaal ten dienste van de anderen staat en waarvoor ze altijd op de vlucht slaagt, hebben haar helemaal gesloopt, waardoor zij zelf langzaam in kleine stukjes uit elkaar is gevallen. Onwetendheid fluisteren haar angst en onzekerheid in waardoor ze er niet in slaagt haar eigen levenspuzzel te leggen. Er ontbreken veel te veel stukjes of ze heeft ze ergens in een doosje weggelegd om ze in mekaar te passen, wanneer het haar beter uitkomt, later. Het karakter van haar moeder was rechtlijnig en autoritair, zodanig dat haar eigen gedachten en emoties erdoor bepaald werden en er gekwetst en misvormd door raakten. Ze overschaduwden haar jeugd en spoken nog steeds rond bij elke keuze die ze moet maken, alsof ze nog steeds bevestiging zoekt en goedkeuring wil voor de wegen die ze inslaat. In boekjes en in romantische verhalen speurt ze naar kwetsbare personages met eenzelfde dramatische levenswandel, om die van haar er minder rampzalig te laten uitzien. In de miezerige stilte schreeuwt ze om gezien en gehoord te worden door iemand die haar struggle begrijpt maar niemand ziet of hoort haar. Plots krijg ik zin om haar mijn paraplu te geven en haar te zeggen ‘He daar, kijk eens vooruit! Kijk eens naar de horizon voor je in plaats naar de afgrond achter je. Loop eens fier en met een rechte rug. Kom eens los van die dwingende gedachten en trek je eens los uit je verleden. Steek desnoods een sigaret op, straks onder je dampkap want je moeder is er niet meer.’ Maar ik doe het niet. Langzaam slentert ze verder naar een volgende gevel en naar een volgende raam, in de hoop om daar een beeld te vinden waar ze een beetje vrolijker van wordt en waar ze hoop van krijgt.
Daarom moeten negers weg!
Mocht de mogelijkheid bestaan dat één ‘neger’ door één standbeeld te slopen ooit een ‘blanke’ zou kunnen worden, ik ben zeker dat Michael Jackson, Mount Rushmore al lang met de grond had laten gelijk maken.
Vooraleer controverse ontstaat over de woorden ‘neger’ en ‘blanke’, Halt!
Alvorens sommige fanatieke witten (de blanken) hun persoonlijke ‘Vlaamse culturele vrijheid van meningsuiting’ veilig willen beginnen stellen door moord en brand te schreeuwen omdat hun cultuur bedreigd wordt omdat het n-woord uit het taaleigen zou kunnen geschrapt worden. Specifiek voor hen wil benadrukken dat met het ‘n-woord’, een persoon bedoeld wordt die van nature een donkere huidskleur heeft en Afrikaans van oorsprong is en dat de betekenis niet moet worden gevonden in het n-woord dat dikwijls in Amerikaanse B-films denigrerend gebruikt wordt. Voor de volledigheid en voor de andere doelgroep wil ik verduidelijken dat met het ‘b-woord’ een persoon bedoeld wordt die van nature een bleke of pigmentarme huidskleur heeft en zichtbaar Europees van oorsprong is, al zou ik hem voor hetzelfde geld ook als ‘kleurloos’ of als ‘verbleekt’ kunnen omschrijven. Het is maar dat we mekaar goed begrijpen wanneer we zouden besluiten om elkaar voortaan verder als ‘neger’ of als ‘witte’ te blijven aanspreken, afhankelijk of je als ‘blanke’ dan wel als ‘zwarte’ geboren bent, in Afrika dan wel in Europa. Of is het allemaal niet zo eenvoudig?
Niet dus, want de definities van ‘zwart’ en ‘wit’ rammelen op zich al zo hard als lege blikken op een zinken dak tijdens een storm , want ervan uitgaan dat ‘blanken’ Europees zijn en ‘zwarten’ Afrikaans is door de realiteit achterhaald door pakweg Romelu Lukaku, Harry Belafonte of Michael Jackson en Beyoncé en bij uitbreiding door alle andere wit-Europese-Amerikanen wiens voorvaderen het land waarop zij leven van de Indianen stalen. Over de kleuren van de rassen kan echter niet gediscussieerd worden, hoewel sommige blanken uit het Noorden er soms iets roziger uitzien dan hun donkerdere soortgenoten uit het Middellands zeegebied, om de vergelijking in Europa te houden. En dan heb ik het nog niet gehad over de gekleurde mensen die qua tint toch ook niet allemaal eender zijn. Zij komen namelijk ook voor in alle schakering variërend tussen donker- en lichtzwart.
Mijn leeftijdsgenoten en ikzelf zijn van een generatie die het over ‘negers’ had wanneer de zwarte medemens, in welke kleurschakering dan ook, bedoeld werd. Mijn hele jeugd kreeg ik het flink ingepeperd dat ik mijn bord moest leegeten omdat de ‘negertjes in Afrika (er werd dan nog -tjes aan toegevoegd) geen eten hadden. In het college moest ik zilverpapier sparen voor de missieposten van ‘pater masturbi’ en ‘zuster menstrua’ die zichzelf, in naam van Jezus, als doel hadden gesteld om de ‘zwartjes’ met onze godsdienst lastig te vallen. ‘Negers’ dus en ik moet grif toegeven dat mijn kinderen, wat dat onderwerp betreft, sneller fijnbesnaard werden dan ikzelf. Om niet te zeggen dat ze zich heel lang gestoord hebben aan mijn oubollig woordgebruik. Meermaals zei mijn jongste zoon, ‘Papa, ‘neger’ (niet dat hij mij toen met ‘neger’ aansprak), ‘neger’ dat is racistisch taalgebruik.’ Omdat ik de naam van racistisch vader niet achter mij aan wou slepen, begon ik erop te letten om vanaf dan het woord ‘zwarte’ te gebruiken. Vanaf dat moment was het ‘zwarte’, terwijl mijn brein ‘neger’ bleef roepen omdat ikzelf ‘zwarte’ als meer discriminerend percipieerde dan ‘neger’. Het benoemen van de kleur van een mens was in mijn ogen net meer beledigend en nog meer een illustratie van misplaatse superioriteit en discriminatie. Ik zeg toch ook niet ‘gele’ tegen een Aziaat of ‘bruine’ tegen een Indiër ook al kunnen die soms behoorlijk zwart zijn. Moet om een volk te benoemen, kleur dan per se als primaire menselijke eigenschap benadrukt worden als je daar zelf niets kan aan doen of kan aan veranderen? Net zoals je als man of vrouw geboren wordt al kan je tegenwoordig al gemakkelijker van gender-jas veranderen als de juiste dingen afgeknipt en omgezoomd worden.
Enige tijd geleden gooide ik mijn zwart-wit-dilemma voor de voeten van een Vlaamse donker-gepigmenteerde medemens die hier geboren en getogen is en wiens dialect liet uitschijnen dat ze uit een achtergesteld gedeelte van Vlaanderen afkomstig is. Wie het was, doet niet ter zake maar het kostte haar niet veel moeite om mij als overtuigde ‘negermisbruiker’ in het zwart-witdebat tot een andere inzichten te brengen. Met een paar simpele voorbeelden deed ze dat. Nadat ze naar mijn ‘negerverhaal’ geluisterd had zei ze, Jan stel je eens voor dat er niets aan je verleden verandert. Je jeugd, je studies, het gezin waarin je opgegroeid bent, je lief en je kinderen alles blijft hetzelfde. Alleen vanaf nu moet je als zwarte door het leven. Maar geen paniek. Ook aan het leven dat je nu leidt verandert niets. Vrouw, kinderen, je werk en hobby’s, alles blijft zoals het nu is. Je blijft exact dezelfde persoon als wie je daarvoor was. Met dien verstande dan, dat als je toevallig een verkeerde Suske en Wiske-album vastneemt, het je zal opvallen dat de jouwen, steeds stereotiep blootsvoets, met Zoeloe lippen en in een strooien rokje worden voorgesteld. In de geschiedenisboeken zal je merken dat je voorouders op de wereldtentoonstelling van ‘58 als bezienswaardigheid of curiositeit werden voorgesteld, soms nog in een kooi. En aan je voelsprieten zal je merken dat mensen je subtiel minder aux-serieux nemen omdat jij toevallig een tintje donkerder kleurt dan diegene die als blanke het woord tot je richt. En als je dan niet als zwarte piet wordt afgeschilderd word je wel benaderd als iemand om medelijden mee te hebben of word je subtiel vermeden of gehaat omdat je in de zwarte kleurenminderheid zit, langs de verkeerde kant van wat als juist, als goed of als niet gevaarlijk wordt aanzien.
Wanneer ik dan in een meme op internet geconfronteerd wordt met zwarten die op dezelfde manier weggezet worden als bavianen die in het Krugerpark in Zuid-Afrika een wagen plunderen, alleen met de bedoeling om dat beeld als universeel gedrag van alle zwarten te extrapoleren, denk ik dat het is hoogtijd dat ‘negers’ in die betekenis van dat woord er uitgaan. Of althans dat aan de grondslag van dit potentieel ‘subtiel’ racisme paal en perk gesteld wordt. Of daarbij het standbeeld van die scheve monarch moet sneuvelen is een beslissing die ik met plezier overlaat aan die mensen die we al honderden jaren den duvel aandoen.
Terminus
De allerlaatste plaats waar ik zelf wilde aanspoelen was bij AA. Aanvankelijk zag ik Anonieme Alcoholisten dan ook als een terminus waarin al het bezinksel van de maatschappij verenigd was. In mijn ogen was AA een eindpunt waar het leven gestopt was en waar in een groezelig zaaltje, wekelijks gefrustreerde kettingrokers verzamelden om elkaar rond druppende koffiethermossen te beklagen en waar de leden met zielige heimwee smachtten naar de goede oude tijd toen ze nog èchte dingen mochten drinken. Het feit dat ikzelf de ene peuk met de andere aanstak en sloten koffie uitbaggerde, ontsnapte helemaal aan mijn aandacht omdat ik mezelf zoveel hipper en beter waande dan hen. Op een laatdunkende wijze en door een bril van misprijzen taxeerde ik het tafelgarnituur als zwakkeling of als radeloze mensen die zich elke week opnieuw in een rokerige, deprimerende kamer opsloten omdat ze de saaiheid of de moeilijkheid van het leven niet langer konden verdragen en zich daarom tot elkaar hadden gewend en tot de God van de tafel. Hoe pathetisch!
Na mijn eerste kennismaking stond ik dan ook sceptisch en verdroeg ik de vergaderingen waartoe ik met tegenzin en weerstand was aangetrokken misschien nog wel als een hulpmiddel voor mensen met een echt verslavingsprobleem, (zij dus) maar toch niet voor deftige mensen (ik dus) die gewoon een beetje te graag pintjes dronk, en wijntjes, en aperitiefjes misschien ook.
Toen ik echter klaar zicht kreeg op mijn eigen destructieve relatie met alcohol en langzaam inzag dat ik zelf al jarenlang, zonder enig resultaat, traag legale euthanasie aan het plegen was, raakte ik van mijn misprijzen verlost. De mensen die ik eerst zowat haatte, maar waar ik zeker op neerkeek, bleken de eerste zielen te zijn waarmee ik sinds jaren een echt gesprek kon voeren, tenzij je het toog-gelal om vier uur ’s ochtends met een stel collega-alco-hoofden ook als een gesprek wil beschouwen. Ongeacht, leeftijd, geslacht, diploma, job of sociale achtergrond toonden de lotgenoten problemen me waarmee ik zelf kampte maar die ik nog nooit bij mezelf ontdekt had. Ze toonden me de spiegel en deelden oplossingen. Ze zeiden me dat herstel vandaag begint en dat het enige wat ik daarvoor moest doen was, het eerste glas te laten staan. Ze gaven toe waarom ze dronken en waarom ze het bleven doen, telkens opnieuw en zelfs op momenten dat ze wanhopig wilden stoppen. Ze spraken over hun manier van denken, over hun emoties en hoe ze zich voelden als grootste rotzooi van het universum, hoe ze nooit aan zichzelf dachten en ze iedereen de schuld gaven van al hun problemen. Ik absorbeerde hun verhalen, inzichten en oplossingen op dezelfde manier zoals mijn lever het al die jaren had gedaan met alcohol.
Opeens zat ik in groepstherapie en deelde er het beste en het slechtste van mijzelf en voelde me week na week lichter worden. Ik zat goed in mijn vel en voelde me beter dan dat ik me in al die decennia ervoor gevoeld had. Het komt me helder voor de geest dat ik op vrijdag op dezelfde manier begon uit te kijken naar dinsdagavond zoals ik vroeger uitkeek naar het weekend. Ik snakte naar de wijze en logische verklaringen die mijn kromme gedachten ordenden en mijn demonen deed vervagen. De vergaderingen waren leuker en zinvoller dan de vroegere tooggesprekken waarvan ik dacht nooit zonder te kunnen. Op dinsdagavond kwam ik tot rust. Die twee uren zorgden ervoor dat ik de overige honderdzesenzestig uren van die week kon volmaken. Ik was er op mijn gemak en voelde me nergens beter begrepen dan daar. Gedurende de vergaderingen bleef ik deelgenoot van onthullende getuigenissen, over hoe wrok, jaloezie en zelfbeklag hetzelfde effect op de ziel heeft als vergif drinken.
Langzaamaan begon mijn leven een andere wending aan te nemen en de AA die ik zo verafschuwde werd deel van mijn wekelijks dieet. Het werd een energiebron die noodzakelijk is om te blijven leven. Met voortschrijdend inzicht begon ik in te zien dat ik intrinsiek was voorbestemd om het AA-programma leuk te vinden want ik ben al mijn hele leven een pleaser geweest. Ik heb het al mijn hele leven leuk gevonden om met mensen te spreken. Maar ik kwam erachter dat ik mijn gedachten en emoties nog beter kon verwerken door ze op te schrijven. Als ik kan achterhalen hoe ik me voel, wat me bezighoudt en dit kan delen met iemand waarmee ik me kan identificeren gaat mijn hemel helemaal open. Als ik kan schrijven over inzicht of over vriendschap die voortkomt door me te omringen met zielsverwanten met een gemeenschappelijk doel valt al het overtollig ballast uit mijn denkbeeldige luchtballon waarop ik nu al bijna negen jaar rondzweef.
Mocht AA werken zoals routeplanners of zoals wiskunde en fysica was ik hopeloos gekloot geweest want zo gezegde rationele oplossingen hebben nooit een millimeter bijgedragen aan mijn herstel. Wanneer iemand me vroeger zei hoe ik het moest doen deed ik net het tegenovergestelde. Toch had ik nu ook een paar regels nodig al waren ze een pak eenvoudiger dan integralen en vergelijkingen die ik in mijn humaniora moest blokken om een jaar verder te mogen. Het enige wat ik moest doen was geloven, ik moest geloven. Geloven! Niet in God of in Jezus van ’t kruis maar ik moest geloven en hoopvol worden dat ik de kracht in mezelf kon ontdekken om mijn leven anders te organiseren. Zonder spiritueel of religieus te worden moest ik geloven dat ik, net als al de andere die het gelukt was om gelukkig nuchter te worden, ook kon stoppen met drinken. Hoe meer ik kon leunen op mezelf, vooruitgang maakte en stilaan hoop kreeg dat het me ging lukken, hoe meer ik tot besef kwam dat alcohol gans mijn leven had geregeerd. Ik kwam tot de bevinding dat ik minder en minder interesse kreeg om te drinken. Jarenlang had ik geprobeerd om te stoppen en te minderen. Ik had op de brug gestaan met donkere gedachten. Ik ben ooit weken gestopt maar het was me nooit gelukt om de fles af te zweren. Mocht nuchterheid gaan over sterk zijn en wilskracht tonen, was ik ook gekloot geweest want ik ben van nature een lamzak. Ik kan niet uitleggen of begrijpen wat er is gebeurd maar dankzij AA ben ik nu bijna negen jaar nuchter en heb ik geen bewijs meer nodig dat AA voor mij werkt.
Dit is geen wetenschappelijke studie. Dit is geen axioma en geen bewijs. Wat ik wel zeker weet is dat AA, werkt en levens redt en zelf ben ik daar het mooiste bewijs van. Ik wil geen zielen winnen voor AA en heb geen enkele bedoeling om mensen aan te zetten tot het afzweren van hun vertrouwde glas wijn of glas whisky.
Maar omdat AA mensen uitnodigt om op een andere manier naar het leven te kijken begrijp ik heel goed dat zij die het AA-programma ooit probeerden en niet lukten, AA op dezelfde manier haten of wantrouwen zoals ik dat deed aan het begin van mijn herstel. Maar wat ik niet begrijp is dat mensen zonder enige eerste hand ervaring schimpen en neerkijken omdat het henzelf aan moed ontbreekt of te laf zijn om de controverse van het leven, van zichzelf of van de maatschappij onder ogen te zien.
Mezelf elke dag opnieuw mogen ontdekken… dat is veel om dankbaar voor te zijn!
Brood en Spelen.
Panem et cricenses’ of te ‘Brood en spelen’. Deze legendarische woorden zijn geschiedkundig erfgoed of zouden dat moeten zijn. Ze komen uit de mond van de Romeinse criticus Juvenalis. Meer dan 2000 jaar geleden hekelde hij met deze sarcastische uitspraak het verval van het Romeinse Rijk. Door ‘brood en spelen’ te roepen, schimpte hij op de elite en probeerde hij het plebs diets te maken dat het oogkleppen ophad, stekeblind was, zich liet onderdrukken en niet verder keek dan de neus lang was.
Lang voor Juuzekes tijd en toen God nog niet geboren was, was kwaliteitsvol levensonderhoud in Rome veel te duur en lag het bestuur op apengapen. Hierdoor trokken onze ‘Omeinense kameraden krom van honger en dorst en heerste er in het hele Rijk wrevel en onvrede. Om het volk te sussen organiseerde Juul-Cezaar, paarden- en wagenrennen en bloederige gevechten tussen dieren en mensen. Op deze Romeinse Happy-Hours kreeg het plebs gratis brood en wijn toegestopt zodat ze zich niet te fel zouden roeren over maatschappelijke problemen. Ik hoef dat allemaal niet uit te leggen want deze praktijken zijn cultureel en geschiedkundig erfgoed, toch?
Tot spijt van wie het benijdt, zijn de Romeinse Keizers allemaal ‘ad patres’. Toch drukt een deel van onze politieke elite zich vandaag nog heel graag uit in de taal van de Keizer die net zo dood is als de Keizer zelf. Mocht echter door de huidige politieke elite enkel de Latijnse taal gerecycleerd worden, ik zou dat nog kunnen kwalificeren als een eerbetoon aan cultureel, geschiedkundig en politiek erfgoed, maar bon ze hebben besloten om een stapje verder te gaan. ‘Abusus non tollit usum.’
Aangzien Juvenalis net zo dood is als Juul Cezaar, zal ik het maar roepen.
‘In vino veritas’. In wijn zit waarheid’, wellicht opent, daarom de Horeca morgen haar deuren. Hopelijk zal het staminee dan inspiratiebron zijn voor meer maar vooral voor beter inzicht. Begrijp me absoluut niet verkeerd. Ook ik snak naar koffie en gezelschap op een gezellig terras want net als het Romeinse Rijk toen ligt de Horeca nu op apengapen en kan deze best wat steunmaatregelen gebruiken. Maar als de economische relance in het algemeen en de opwaardering van de zorgmaatschappij in het bijzonder, alleen moet komen van een BTW-verlaging en van wat drinkgeld voor het plebs neigt deze maatregel naar ‘Brood en Spelen.’
‘Ad Fundum’ of ‘Ad Libitum’ maar doe zoals Juvenalis en kijk verder dan je neus lang is!
Tuig met een das
Beste teerbeminde Vlaming, wie ik een warm hart toedraag,
Mag ik me even tot U wenden met dit kort briefje. Ik ken U niet persoonlijk maar hoop stellig dat U het goed maakt en dat U en uw naasten gespaard zijn gebleven van groot Corona-onheil. Mocht dat niet zo zijn, spijt me dat. Toch ben ik overtuigd dat U hoop, moed en kracht zal vinden en dat U goed omringd bent om de last te dragen en uit het dal te klauteren. Want, wij Vlamingen kunnen dat. Wij zijn veerkrachtig en kunnen wel wat tegenslagen aan. Wij zijn niet de eerste de besten. Caesar zei dat al. “Die Galliërs” want zo noemden hij ons toen, “dat is een taai volkje.”
Taai zijn we maar boos kunnen we ook zijn.
Ik ben het alleszins. Sterker nog, ik kook want als ik zie hoe de regering bij monde en gratie van het N-va, “het nieuwe normaal” tracht vorm te geven, wint bij mij boosheid het van vrolijkheid.
Nochtans, toen ik vanmorgen mijn ogen open sperde had ik niet de intentie me op enige gramschap te laten betrappen. De negatieve krantenberichten zouden niet de kans krijgen om mijn humeur te besmeuren omdat ik vast besloten had ze niet te lezen.
Tot daarnet. Meer uit verveling dan uit interesse (mijn gramschap weet je wel), heb ik in een onbewaakt moment toch de dagelijkse tijding opengeslagen. Na twee krantenkoppen had ik al meer zin om er mijn barbecue mee aan te steken dan om me er als plichtbewuste burger verder mee te informeren. Uiteraard moet het vandaag gaan over relance-maatregelen om ons dagelijkse leven min of meer terug te winnen en te bekostigen. U en ik hebben namelijk al lang genoeg in ons kot op elkaars lip gezeten.
Maar de krant dus. Toen ik ze openvouwde en van mijn koffie slurpte las ik bij monde van Jan Jambon volgende uitspraak in vette rode letters: “Alleen bedrijven die voor de Corona-crisis gezond waren, moeten we er met steunmaatregelen door trekken.” Ik kon een frons nog net onderdrukken want ik ben van mening dat bedrijven in moeilijkheden ook nog bijdragen aan de economie van dit Vlaamse land maar soit, ik ben geen minister-president en kan me zulke uitspraken niet permitteren. Maar mijn mond viel helemaal wagenwijd open toen ik de uitspraak van Ben Weyts, nota bene minister van onderwijs onder de ogen kreeg. “Voorrangsregels voor Vlaamse kinderen in de rand. Geen tijd en energie verspillen aan inefficiëntie”.
Nu kan je als overtuigd Flamingant fel gekant zijn tegen transfers naar Wallonië. Je mag voor mijn part Walen als luie profiteurs aanzien die liever staken dan werken maar als je maatregelen begint te faciliteren om onderscheid in kinderen in stand te houden, alleen maar omdat ze niet de taal spreken die jij graag hoort, ben je tuig met een das, niet waardig om een politiek ambt uit te oefenen en zeker niet dat van minister van onderwijs. Weyts ga je mond spoelen met bruine zeep en laat je hersenen in een keer mee spoelen.
U, beste Vlaming, U weet wel beter. U beseft wellicht ook dat de slinger een beetje naar de verkeerde kant is doorgeslagen. U neemt uw wensen niet voor waarheden en U beseft ook wel dat relance niet alleen zal komen van economische groei die onzeker is. U beseft ook wel dat we misschien best wat aandacht en centen besteden aan zorg en klimaat en dat voor wat het economische groei betreft, de sky de limit niet meer hoeft te zijn. U beseft ook dat kansarme kinderen geen voorrangsregels vragen maar gewoon dezelfde behandeling als Vlaamse kinderen in de Brusselse rand zodat zij ook op een laptop aanspraak kunnen maken al ben ik nog niet zeker of er centen genoeg zullen overschieten om de internetverbinding te kunnen bekostigen.
Fontein van de jeugd
Er bestaan mensen die elke regel van fatsoen negeren om hun leeftijd te verdoezelen, om er jonger uit te zien of aantrekkelijker. Mannen worden niet gespaard. Gilles Van Bouwel schreef er zelfs een boek over.
Persoonlijk maak ik niet zo een probleem van de voordeur die aan mijn gevel hangt, al moet ik ridderlijk toegeven dat ik geen feest geef wanneer mijn lijf of een belangrijk onderdeel ervan, het op een ongepast moment laat afweten. Natuurlijk merk ik dat mijn dagelijkse handelingen wat trager worden en dat ik psychisch een beetje minder aankan dan toen er minder haren uit mijn oren groeiden. Maar zit ik ermee? Ik geloof van niet. Misschien, omdat ik de leeftijd der ‘patriarchen’ nog niet bereikt heb, al klinkt dat een beetje verwaand om dat zo te zeggen.
Het denken aan oude mensen doet mij afvragen: hoe oud is oud? Ben ik echt zo oud als ik me voel of zo gammel als ik er uitzie en hoe kan ik de legendarische fontein van de jeugd haar geheim ontfutselen, gesteld dat ik dat zou willen? Met het boek van Gilles? Of bestaat er toch een andere handleiding die moet ik volgen wanneer ik de ambitie krijg om honderd jaar te worden?
Allereerst zou ik de genetische neiging moeten hebben om afkomstig te zijn uit een stam voorvaderen die dezelfde genetische neiging had om een lang leven te leiden. Verder zou ik al die dingen moeten doen waarover iedereen het al eens is dat ze gezond zijn, met inbegrip van al die saaie activiteiten zoals vet-, calorie- suikerarm diëten en het doen van gevreesde lichaamsbewegingen. Immers elke dag sporten, in welke vorm dan ook zou het leven met maar liefst vijf jaar verhogen want bijna elke bejaarde honderdjarige fietst nog op zijn hometrainer of duwt een rollator voort. Althans zo liet ik me wijsmaken. Een andere belangrijke suggestie voor een lange levensduur is het vermijden van nicotine en alcohol te vervangen door groene thee omdat daarvan wordt verondersteld dat de antioxidanten erin het levenseinde zou kunnen uitstellen. Toch blaas ik straks liever mijn honderdste kaars uit met de rook van de pijp waaraan ik op dat moment de hele dag loop te lurken, denk ik. In de veronderstelling dat uitzonderingen de regel bevestigen, al reken ik niet al te fel op die regel.
Oude mensen en honderdjarigen in het bijzonder lijken een groep mensen te zijn die actief hebben geleefd, niet stopten met ademen en erin geslaagd zijn om de kanker, diabetes, hart- en vaatziekten en ongevallen te vermijden zodat hun pijp niet op jongere leeftijd gebroken is.
Met de vooruitgang die geneeskunde en gezondheid elke dag boeken en als er morgen geen nieuwe pandemie uit de hemel valt, is het niet ondenkbaar dat we binnenkort met zijn allen honderd of honderdvijftig worden. Indien straks zou blijken dat het toch allemaal wat tegenvalt met die leukigheid van het pensioen, mag ik me zeker het genoegen niet laten ontnemen om vandaag content te zijn, want honderd worden lijkt me een hele klus!
Misschien koop ik om mijn oud wordend mannenlijf een beetje te verzorgen het boek ‘Man-Ual’ van Gilles Van Bouwel wel, maar dan nog ben ik niet helemaal zeker of mijn ochtenderectie fors genoeg zal zijn en lang genoeg zal duren om er mijn ballen in te scheren! Ik laat het je nog weten.
Op mijn gemak!
Hypochondrie is een ernstige psychische aandoening waaraan ik zeker sterf! Als het vandaag niet gebeurt dan zeker morgen, ten laatste overmorgen. De gedachte aan mijn nakende einde, maakt me plotseling ‘kortademig’ en ‘draaierig’. Uiteraard weet ik dat ‘kortademigheid’ en ‘misselijkheid’ belangrijke symptomen zijn. Ze mogen absoluut niet genegeerd mogen. Ik weet dat want ik volg sinds het begin van de epidemie de gezondheidsrichtlijnen die Marc Van Ranst en Steven Van Gucht me op het hart drukken nauwgezet op. Met die plichtbewuste burgerzin redde ik trouwens al vele levens want wekenlang al doe ik minstens vier keer per uur ook de ‘check, check, check’ die Siska Schoeters en Ann Lemmens er zorgvuldig elke dag inpeperen. Ik waste het vel van mijn handen, verschool me achter maskers en gedroeg me zo ‘sociaal distant’ dat zelfs mijn eigen schaduw me tegenwoordig ontwijkt uit vrees dat ik hem zal besmetten.
Ondanks deze rigoureuze voorzorgsmaatregelen, lijk ik mijn eigen leven niet te kunnen redden. Haastig en min of meer in paniek ga ik op zoek naar iemand die me kan helpen. Niemand kruist mijn blikveld en even lijkt het alsof de hele menselijke soort is uitgestorven. Ben ik de laatste dino op deze planeet? Mijn ongecontroleerd in- en uit te ademen wordt met elke seconde die verstrijkt zo hevig en zo onbeheersbaar dat de vruchteloze poging om er opnieuw grip op te krijgen een beklemmende druk op mijn borstkas veroorzaakt. Mijn hart lijkt uit mijn borstkas te willen springen.
‘Het is van dattum, ik heb het ook vlaggen. The End is Nigh’. Door de ‘hyperventilatie’ en de ‘kortademigheid’ waartegen ik me fel verzet maar nu ook door de druk op mijn borst, word ik nog ‘kortademiger’ en nog ‘hypersensitiever’. Mijn keel wordt dicht gesnoerd en koud of warm zweet loopt over mijn ruggengraat. Ik voel plots een priemende steek boven mijn slapen die me nog meer doet duizelen. Als ik niet dringend zuurstof krijg toegediend zal ik zeker bewusteloos vallen en met een kwalijke val aan mijn einde komen. Mijn leven flitst aan mij voorbij en een paar ogenblikken later sterf ik door ademnood op de intensive-care-afdeling van ziekenhuis rivierenland een afschuwelijke dood.
Niet dus… ik moest me gewoon snel reppen omdat ik heel dringend ‘moest’ en er niet onmiddellijk een ‘passend huisje’ beschikbaar was maar geloof me dat die symptomen enorm veel gelijkenissen vertonen met covid19.
Gelukkig gaat het weer beter. Ik zit op mijn gemak en kan weer ademen!
Geduld voor een habbekrats!
Wat is het lastig en bijna ondoenlijk om te fantaseren over dingen die ik nog wil doen na de lockdown omdat ik me niet kan voorstellen wat nog zal kunnen of nog zal mogen. Als ik dat dan toch doe, (ik ben voor alle duidelijkheid nog nooit gestopt met dromen) plooi ik steeds naar het vertrouwde, gewone leven dat ik ken van voor de miserie. Natuurlijk is het onnozel om een scenario te regisseren als het script nog niet eens bestaat. Dat is altijd al zo geweest, maar nu precies nog meer dan vroeger.
Ik heb niks geleerd van de grillen en de onvoorspelbaarheid van het leven, Soms wil ik het zo, dan weer anders. In tegenstelling tot vroeger verplicht de tijd me nu echter om het restje te aanvaarden dat nog overblijft, maar ik heb het er verduveld moeilijk mee.
En opeens dacht ik aan een tafelvriend met wie ik elke week koffie drink en ooit op een van onze dinsdagavondbijeenkomsten de gevleugelde woorden sprak, “Het leven gaat over kijken naar wat er nu is, niet over wat ooit geweest is en al zeker niet over wat het ooit moet worden.”
En ik kwam weer tot mezelf en besefte dat de vraag “Wat gaan we vandaag doen?” absoluut geen onbenullige vraag zou zijn, mocht ze op dit moment aan mij gesteld worden. Het zou klinken als een soort van liefdesverklaring met een handleiding naar geluk. Maar vandaag gaat het niet of mag het niet dus wordt ze niet gesteld. Met tegenzin scheur ik een van de verpakkingen stuk van de voorraad geduld ik ooit voor een habbekrats heb aangesschaft en die ik in de kelder op een groot rek gestapeld heb. … straks wordt alles beter.
Nooit altijd!
Klinische psychologen zijn het er roerend over eens, koppels die nooit ruzie maken eindigen niet samen. “Nooit, jamais de la vie”, voegen ze daar allemaal nog vastbesloten in koor aan toe als ze Franstalig zijn. Ze beweren dat relaties die gedoemd zijn om in een doodlopende straat te eindigen, relaties zijn waarvan de waakvlam in alle rust en kalmte, helemaal in is uitgedoofd. Paren die zich hullen in stilzwijgen hebben geen schijn van kans, daarover zijn ze het unaniem eens, zelfs niet als de vonk ooit zo groot geweest is om er een uitslaande brand mee te veroorzaken. Eens het liefdesvuur geblust is en er enkel nog prikkende rook overblijft die op de adem pakt en ogen doet tranen, is er geen lievemoederen meer aan. Dan is het boeken dicht, end of story, over en uit! Tenminste als ik op de woorden van klinische zielenknijpers mag afgaan.
Onverschilligheid, angst of geen goesting om in discussie te gaan, prijken als boosdoener op nummer één, twee en drie en hebben het grootste aandeel wanneer het erop aan komt om liefdesvuur te doven. Stom lopen, je kwaad maken of op de tong bijten, brengt dus geen zoden aan de relatiedijk. Scherpe verwijten helpen evenmin. Die belemmeren even hard als met deuren slaan of met serviezen gooien. Dat soort actie past eerder in een slecht annexatieplan waarin de tactiek van de verschroeide Aarde wordt toegepast, tenminste wanneer het er niet op aankomt om de andere de mond te snoeren maar om zinvol ambras maken.
Met weten hoe het niet hoort, ben ik geen fluit. Daarvoor hoef ik geen analyses of essays van klinische psychologen te bestuderen. IJsberen en stom lopen, kan ik al als de beste, been there, done that, meermaals en altijd met als direct gevolg dat ik een paar deksels tegen mij neus kreeg of dat ik moest wegduiken om een slecht gemikte deegrol te ontwijken omdat ik nog maar eens in die hoogoplopende altijd-nooit-discussie was verzeild geraakt en ik uiteindelijk met verbaal vuil de bovenhand dacht te nemen.
Natuurlijk ben ik nieuwsgierig om te weten waarom ik steeds opnieuw in diezelfde Ruziemakersstraat terecht kom. Het lijkt dan wel een script dat zich telkens opnieuw herhaalt en dat alles weg heeft van een steeds terugkerende droom waarvan ik nadat hij uit gedroomd is even aan de rand van het bed moet gaan zitten. Om te bekomen en om na een paar minuten tot besef te komen dat het weer maar eens diezelfde stomme repetitieve nachtmerrie was.
Natuurlijk wil ik discussiëren. Niet om gelijk te halen of om mij de betere te voelen maar om te begrijpen en te vermijden en om te achterhalen waarom ik telkens opnieuw over diezelfde struikelblok val. Maar ik besef natuurlijk ook dat je met twee moet zijn om met gevoel en passie een sensuele tango te dansen. Ik zou ondertussen beter moeten weten, dat ik best niet in de boksring stap wanneer de kampioen op voorhand gekend is, nog voor er een mep gevallen is. Want wat haat ik toch dat gevoel dat ik in ronde één al, in mijn emotionele buien en in mijn gevoelig gejammer knock-out geslagen wordt door rationele analyses en beredeneerde argumenten waar geen speld is tussen te krijgen. En het is telkens in ronde twee dat ik machteloos en stil wordt dat mijn bloed ervan gaat koken dat ik die verbale uppercut geef die aankomt ook al weet ik dat die uithaal het slechtst mogelijke wapen is in een strijd die ik niet eens wou voeren. Schaakmat dan maar of handdoek in de ring? Ook al beweren klinisch psychologen dat koppels die nooit ruzie maken nooit samen eindigen?
Ik leef op hoop.
Wordt het niet tijd dat de oudere generatie tot besef komt dat de jongeren zich op economisch en op vlak van mentale gezondheid aan het opofferen zijn? Is het niet hoogtijd dat ouderen inzien dat zij en alleen zij, hoofdzakelijk verantwoordelijk zijn voor de economische last van deze coronacrisis en dat de jongeren in onze maatschappij het grootste slachtoffer dreigen te worden? Is het niet normaal dat de factuur van de crisis wordt doorgeschoven naar die generatie die er ‘verantwoordelijk’ voor is. Deze uitspraken komen niet van mezelf maar van ene Jan-Emmanuel De Neve, een vreemde snuiter die door het leven stapt als gezondheid- en gelukseconoom, die lesgeeft aan de universiteit van Oxford en advies geeft aan de Britse regering. Ik prijs me gelukkig dat ik niet belast ben met een diploma gezondheid- en gelukseconomie en bijgevolg niet hoef na te denken over Coronacrisisfacturen en welke generatie de maatschappij daarin het meeste last bezorgt. Wie de baten verschaft of wie vanaf een bepaalde leeftijd economisch niet interessant genoeg meer is en rijp is om geliquideerd worden. Niet dat ik het niet eens ben met het vervuiler-betaalt-principe maar waar begint of waar eindigt de gedachte dat mensen vanaf een bepaalde leeftijd (en die van nature een groter gezondheidsrisico vormen dan de jonge generatie) de factuur gepresenteerd krijgen van deze crisis? Jan-Emmanuel De Neve dus, ik had er tot op vandaag nog niets over gehoord of en nog niets van gelezen maar ik kan niet anders dan te walgen van zijn van-de-pot-gerukte ideeën. Mocht zijn voorstel bij beleidsmensen niet op een koude steen vallen, staan we voor maatregelen die alles weg zullen hebben van een oneerlijke maatschappelijke afrekening. Als zijn maatschappijvisie in de praktijk gebracht wordt, zijn we maar een steenworp verwijderd van een beleid waar met roedenbundels en slogans van frustratie en wanhoop, generaties en groepen van mensen tegen elkaar zullen worden opgezet om te zoeken naar een ingebeelde gemeenschappelijke publieke vijand die moet opgeofferd worden.
Oorlog en crisis brengen het slechtste in de mens naar boven. Ik maak me daar al lang geen illusies meer over maar ik kan maar hopen dat de beste man zich vandaag diep schaamt over zijn ontspoorde gedachte en dat wij als samen en als samenleving (in de meest strikte zin van dat woord) een menselijker en meer solidair antwoord kunnen geven om het hoofd te bieden aan de gevolgen van deze wereldwijde pandemie. Ik leef op hoop maar niet door uitspraken van een schertsfiguur als Jan-Emmanuel De Neve!
Patiënt 1!
In een of ander onbeduidend artikel, in een nog onbeduidendere gazet las ik dat het Coronavirus in de eerste fase van de besmetting de geur- en smaakzin aantast. Eveneens zou een van de primordiale symptomen extreme vermoeidheid zijn. Wetenschap drijft op voortschrijdend inzicht, en laat dat groeiend besef bij virologen, artsen of andere wetenschappers nu net datgene zijn waar ik mijn persoonlijk leven in deze onzekere tijden tracht op af te stemmen. Want als door de wetenschap vandaag over het Coronavirus iets met zekerheid verkondigd wordt, zal dat morgen of overmorgen toch niet tegengesproken worden? Toch! In onzekere tijden doet de mens dat niet!
Vermoeidheid, geur- en smaakzin dus. Van nature ben ik vrij snel moe. Indien mijn dokter zich louter en alleen op het symptoom vermoeidheid zou baseren om bij mij Covid19 vast te stellen, ik was al jarenlang patiënt 1 zonder ziektebeeld. Vermoeidheid is voor mij dus een hoogst onbetrouwbare parameter om een mogelijke besmetting mee te bevestigen of uit te sluiten. Maar stel dat ik plots slecht zou beginnen ruiken of dat ik niet zou proeven wat ik achter mijn kiezen steek dan pas zouden al mijn Corona-alarmen tegelijk afgaan. Om mijn medemens veilig te stellen en om mezelf en mijn huisgenoten helemaal van ziek zijn uit te sluiten, at ik vandaag dus al een handvol blauwe bessen, een boterham met fondant chocolade, tweehonderd gram aardbeien, veertien blokjes jong-belegen Gouda met een snuifje selderijzout, een half pak ribbeltjes-chips van Lays met pickles-smaak, een droge worst en acht Jaffa-koekjes met sinaasappelsmaak, dronk ik acht koppen koffie, twee cola’s en één milkshake met vanille. Tot nader order had enkel het plakje fricandon bij de krieken een vreemd smaakje maar wellicht was dat het geval omdat ik me bij de bereiding ervan vergist had en vooraf-gekruid varkensgehakt gebruikt heb, in plaats van het gebruikelijke varkens- en rundsgehakt waar ik zelf wat peper en zout over strooi.
Vooralsnog, tot dusver en zonder voorafname aan de testen van morgen mag ik me voorlopig nog steeds Covid-vrij verklaren.
Haal eruit wat erin zit
Een monotone vrouwenstem zonder gezicht, ogenschijnlijk niet erg geïnteresseerd, vraagt of iedereen op de vergadering aanwezig is. Hoewel het technisch perfect mogelijk is om video te delen opteert zij ervoor om anoniem verstopt te blijven achter het zwarte Skypescherm. Misschien doet ze dat omdat ze zich niet helemaal bloot wil geven, omdat ze op dit uur nog in haar négligé zit of omdat ze vreest dat iedereen de grijze haren van haar uitgroeiend kapsel zal tellen. Mijn vermoeden van haar onverschilligheid of schroom is louter gebaseerd op de toon van haar stem. Vroeger in het pré-video-vergaderen had ik mijn hypothese kunnen af toetsen aan haar mimiek, aan haar lichaamshouding of aan andere kleine details die me haar gemoedstoestand zouden verraden. Nu hoor ik enkel haar zakelijke stem die niet bijster enthousiast klinkt. Op de vraag of iedereen aanwezig is komt uiteraard geen antwoord omdat diegenen die niet in deze sessie zijn ingelogd geen antwoord kunnen geven. Ik ga even uit beeld, rol uitgebreid met mijn ogen en erger me voor de eerste keer.
“Ik ben er”, kreunt een collega op de achtergrond waarop een resem andere collega’s, “ik ben er ook”, knorren. Omdat hij als laatste het woord had, verschijnt op mijn scherm een onscherp beeld van een mannelijk silhouet die met zijn rug naar het raam zit. De zonnestralen die over zijn schouder meekijken, schijnen recht in de camera van zijn laptop waardoor ik niet met zekerheid uitmaken wie het is. Ik twijfel even om mijn zonnebril op te zetten maar zie daar om voor de hand liggende redenen vanaf. Ik wil namelijk mijn collega’s niet opzadelen met het vermoeden dat ik door huiselijk geweld van mijn partner slachtoffer ben geworden van een blauw oog. Door de felle lichtinval op het scherm kan ik niet uitsluiten of het donkere silhouet praat, wakker is of gewoon een vroeg middagdutje doet. Enkel door de zware adem waarmee hij in mijn oren hijgt, krijg ik zekerheid dat hij nog ademt. Een laatkomer floept binnen en zegt “goedemorgen” waardoor iedereen in een kakafonie, elkaar voor de vijftiende keer met dezelfde “goedemorgen” begroet. Mijn tenen beginnen te krullen.
Collega x (haar naam doet er niet toe) neemt het woord. De vrouw in kwestie zit zo dicht aan het scherm gekluisterd dat ik oog in oog kom te staan met twee reusachtige neusgaten. De neusvleugels staan zo ver af van het neustussenschot waardoor haar neusgaten zo groot worden dat het lijkt alsof ik in een spelletje online minigolf beland ben. Met open mond staar ik gebiologeerd naar de twee kraters die me aangapen waardoor ik me nauwelijks kan concentreren op de inhoud van haar betoog. In het linkse neusgat tel ik vier zwarte neusharen en in het rechtse zit nog een harde keutel die in de laatste niesbui niet is weg geproest. Een andere collega die haar beleefd maar veel te enthousiast onderbreekt, praat zoals we dat van haar gewend zijn, namelijk met heel het lichaam. Met veel te veel gebaren maar vooral met een veel te diepe verticale glimlach staat ze, gehuld in een topje dat geen ruimte voor verbeelding laat, zo hard te permitteren dat haar twee dikke vrienden scherm breed meedeinen op hetzelfde ritme van haar getetter.
Mijn mannelijke collega die haar heel even onderbrak, is overtuigd dat onverzorgd hetzelfde betekent als naturel en kan nu helemaal niet meer verbergen dat hij er met zijn zeemansstoppels en zijn just-out-of-bedlook nog onuitgeslapener bijloopt dan wanneer hij zich normaal op het werk in zijn babybillengezicht vertoont. De vergadering kabbelt rustig verder. In afwachting van skypegedragsregels heb ik wijselijk mijn camera afgezet en ben ik geswitched naar mute zodat ik zonder schroom en ongestoord verder aan mijn ballen kan krabben en in mijn neus kan koteren, zonder dat ik daar mijn lieftallige collega’s deelgenoot van hoef te maken. Online vergaderen, haal er uit wat erin zit!
Ideologisch misbaksel
“Laat het hoofddoel van een ideologische strijd nu niet zijn om ervoor te sterven. Soms is het gewoon veel handiger om een beetje geduld te hebben en te wachten tot je tegenstanders dat zelf doen.”
Stel dat ik vandaag en uitgerekend op1 mei afgunst, winstbejag, egoïsme, eigenbelang en een nog een paar andere adjectieven waar ik even niet opkom, uit de wereld zou kunnen verbannen, zou socialisme dan morgen niet even overbodig zijn als ikzelf?
En wordt een lacune van de ideologie van je tegenstander dan niet de enige reden van bestaan van diegene waar je zelf supporter van bent? Is het in die logica dan niet vanzelfsprekend dat we onze tegenstander dan precies helemaal voor onszelf willen omdat we anders onze eigen identiteit en rechtvaardiging dreigen kwijt te spelen? Vijandigheid en nijd uit eigenbelang!
Grootdenkers zijn het erover eens dat dat de ingebakken gemeenheid of zwakte van het kapitalisme eruit bestaat dat de aardse zegeningen oneerlijk verdeeld worden. Kunnen we het in die logica dan ook eens worden dat minderheidsdenken in het belang van de zwaksten nog een beetje bestaansrecht mag claimen? Al is het maar om de tragiek en de rampspoed een beetje eerlijker over de planeet te verdelen.
Ik pleit zeker niet voor communisme want net als bij kapitalisme worden dan mensen op dezelfde manier uitgebuit door andere mensen, maar dan omgekeerd. De rijken worden niet rijker maar de armen, armer! Dus laat ons even geduld hebben tot die tegenstrijdige ideologieën elkaar hebben uitgeroeid zodat op de ruïne van die misbaksels iets nieuws kan ontstaan. Misschien noemen we het dan wel solidariteit of socialisme!
Geen klein bier!
Als ik het over alcoholmisbruik heb, gebruik ik niet graag het woord alcoholist of alcoholieker. Dat klinkt zo abstract, zo veraf en zo veroordelend. Als het gaat over alcoholverslavingen heb ik het liever over mezelf. Dat is eerlijker en het klinkt niet zo bedreigend en het heeft geen onderhuids verwijtende toon naar andere mensen. Hoe lang ik precies een alcoholprobleem heb gehad weet ik niet exact. Ik heb de dronkenmansjaren namelijk nooit geteld zoals ik de jaren nu tel, nu ik niet meer drink. Wellicht lukt het me niet omdat er teveel verloren of verzopen jaren tussen zitten om de optelsom juist en volledig te kunnen maken.
Ik wist het niet, of ik wou het niet aan mezelf toegeven dat ik een drankprobleem had. Laat staan dat ik wou nadenken over hoe groot het probleem was mocht ik er een gehad hebben. Nu, na bijna zeven jaar zonder spul, weet ik dat ik aan de top van mijn alcoholcarrière meer zat was dan nuchter. Gelijk hoe ik tel of hoe ik het bekijk. Als ik de uren van de dag tel was ik meer onder invloed dan nuchter, tel ik de dagen in de week was ik meer zat dan nuchter en tel ik de weken in de maand enzoverder enzoverder…. Ik had meestal geen kwalijke dronk maar ik beloog en bedroog iedereen en mezelf nog het meeste. Ik geloof niet dat ik mezelf nu ik nuchter ben, lang als zat gezelschap zou kunnen verdragen. Ik merk dat op wanneer ik nu zatte mensen tegen het lijf loop. Ik dronk quasi altijd en overal. Geen gelegenheid was te veel en als het feest uit was en als de deuren van de cafés zich sloten, gingen mijn flessen open.
Alcoholisme is een familieziekte, zo wordt dikwijls gezegd en ik denk dat dat helemaal waar is. Omdat op alcoholisme zulk een maatschappelijke taboe rust zal de slachtofferfamilie er alles aan doen om de problemen binnenskamers te houden. ‘Wat zullen de mensen anders niet zeggen.’
Nu de sociale controle op drinken helemaal is weggevallen en er achter de gevels van ogenschijnlijk voorbeeldige huishoudens geen sociale alcoholrem meer kan opgetrokken worden, maak ik me zorgen, omdat ik weet hoe het mezelf zou vergaan mocht ik nog aan de fles hangen. Ik ben oprecht bezorgd voor de gezapige dronkaard die geen kwalijke dronk heeft, maar ik ben benauwder voor de minder gezellige zatterik die nu zijn of haar gezin terroriseert nu er zoveel alcohol vergoten wordt en niemand toekijkt. Maar ik maak me ook zorgen over gezelligheidsdrinkers die vandaag met een shotjes-challenge of met hun dagelijks glas (te veel) de gewoonte kweken om straks een even doorwinterde alcoholist als ik te worden. En hopelijk krijg je dan geen al te kwalijke dronk!
Daarom, denk na over elk glas dat je drinkt en ruil het in voor iets anders of haal het desnoods niet in huis als je er niet kan aan weerstaan. Maak van alcohol geen gewoonte, alleen zo voorkom je dat je net als ik in een jarenlange geestelijke lockdown verzeild geraakt. Doe er mee wat je wil maar geloof me als ik je zeg, ‘alcoholverslaafd zijn dat is geen klein bier!’
Helemaal steriel.
Raak me aan. Raak me asjeblieft aan, doe het met je ogen en vertel me veilig over vroeger. Vertel me dingen van voor ik besefte dat alles anders zou worden.
Het liefst van al zou ik je kussen en je hartelijk begroeten maar ik ben bang dat ik mij of jou in die omhelzing zal dood-ademen. Mijn hart wil open maar blijft noodgedwongen op slot of angstig op een kier omdat dezelfde sluipmoordenaar kan binnenglippen wanneer ik je erin laat. Ik zou je willen aanraken en je willen voelen en ik wil het jou laten voelen dat ik het meen. Ze zeggen dat vaak ‘jij bent een gevoelensmens’. Maar ik wil dat niet horen, niet nu. Ik wil het ook niet in vijf gekrulde woorden zeggen of opschrijven ik wil het je verdomme laten voelen.
Zolang ik het me kan herinneren plakt de wereld al aan mijn lijf, eerst met modder en slijk van plassen waarin ik speelde dan met sappen van lijven die ik begeerde. Vandaag mag ik enkel kijken, vanop afstand met minstens anderhalve meter tussen wat ik wil en wat ik mag. En zo wordt het leven langzaamaan een fantoompijn van een tijdelijk geamputeerd leven dat vervlogen herinneringen toont die jeuken. Het volle leven van voelen en proeven bestaat niet meer tenzij in pixels en galerijen verzameld achter een scherm. Het voelt alsof mijn zintuigen opgesloten zitten achter plexiglas en me afschermen van de lijfelijkheid die ik al gans mijn leven even noodzakelijk acht als lucht die ik in- en uitadem. Nu was ik zelfs een toevallige aanraking af met een alles-dodende substantie uit een of ander flacon.
Wanneer mag het eindelijk terug, dat voelen vooraleer ik helemaal steriel geworden ben.

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.