Kleine flieter.

Bescheidenheid siert de man.’ ….. Deze boutade, uitgesproken door een man, mezelf in dit geval, onderstreept het gegeven dat wij venten van deze eigenschap maar weinig kaas hebben gegeten, laat staan dat wij ootmoedigheid of pieterigheid met enige geloofwaardigheid zouden kunnen overbrengen mochten we er dan al bezit van hebben. Wie anders dan een vals-bescheiden man, mezelf dus, zou anders mogen beweren dat nederigheid en bescheidenheid een man mooier maakt? Ik, een oude, ingezakte, papperige, bescheiden vent misschien? Bescheidenheid, al dan niet valse, is dan ook ontegensprekenlijk het nieuwe macho want geloof me, als ik U zeg dat wanneer venten zich tegenover vrouwen onderdanig, inschikkelijk, meegaand of ogenschijnlijk onbelangrijk opstellen… vrouw houdt U vast aan de takken van de bomen en ‘boerin, let op uw kiekes’. Vele breedgeschouderde of felbehaarde lotgenoten zullen me dit boetesacrament en deze publiekelijke schuldbelijdenis niet in dank afnemen, integendeel, ze zullen me scheldwoorden zoals stielbederever, sukkel of zacht eitje naar het hoofd slingeren. Dat deert niet omdat ik me dan op mijn beurt met deze publiekelijke scheldtirades sympathiek maak bij het doelpubliek dat ik vandaag met deze pennentrek voor ogen heb, namelijk jij rondborstige schoonheid. Bescheiden als ik ben, hoop ik dan ook dat dit stukje proza net zo viraal zal gaan als COVID 19 en dat dezelfde draconische maatregelen zullen getroffen worden om te voorkomen dat dit irritante schriftelijke virus zich over landsgrenzen zal verspreiden om daar niet-besmette mannen met een te kleine flieter te infecteren. Dat dit tekstje zich net op internationale vrouwendag ontvouwde is geheel toevallig maar doet geen afbreuk aan het feit dat jullie, vrouwelijke nazaten van Eva, eigenlijk elke dag oprechte aandacht-zonder-bijbedoelingen zouden moeten verdienen, zeker ook van baardapen en brulsnottebellen die zich voor god weet welke reden denken beter te mogen voelen dan jullie of pretenderen dat ze het meer voor het zeggen mogen hebben dan jullie. En dan heb ik het nog niet eens over de maatpaksnullen die zich het op-niets-beruste-recht toe-eigenden om te denken dat ze meer centen voor hetzelfde werk mogen verdienen dan jullie. Maar dat zal nooit of te nimmer gebeuren omdat mannen met een veel te kleine flieter dan eindelijk moeten durven inzien en toegeven dat ze getroffen zijn door het vals-bescheidenheids-virus maar voor die consessie zijn hun ballen vooralsnog veel te klein en hun ego’s veel te groot.

Dode letters, springlevend.

Koortsachtig leest hij bladzijden die op het ogenblik dat ze geschreven werden niet voor zijn ogen bestemd konden zijn. Nu hij zelf de leeftijd bereikt heeft en de woorden die twintig jaar geleden getrouw en gewetensvol werden neer-gekribbeld beter kan plaatsen, leest hij ze ongedurig maar zorgvuldig. De feiten die beschreven zijn, herkent hij omdat hij er zelf leidend voorwerp van is. De letters schuiven als een sneltrein voorbij en tonen beelden die hij lang uit zijn herinnering geband heeft. Hij alleen kent de echte reden waarom hij heil zoekt in krabbels die destijds zo zorgvuldig werden opgetekend door een pen die hij maar al te goed kent. De zinnen die hij nu leest zijn ooit geschreven met een griffel die diepe krassen kon zetten en onthullen eindelijk hun geheimen die gekwelde herinneringen bevestigen. Maanden geleden had hij alle hoop opgegeven om dit boekje ooit terug te vinden omdat het niet in de doos van de andere dagboeken was weggeborgen, wellicht omdat de schrijver ervan er zelf af en toe nog eens herinneringen in ophaalde.  Vandaag heeft hij het in handen. Het manuscript ziet er nog identiek uit als toen het destijds dagelijks op de keukentafel rondslingerde en wachtte tot hersensroerselen erin vereeuwigd werden. Het ietwat kinderlijke handschrift met grote krullen laat geen groots literair talent vermoeden maar de geschreven beelden doen dat eens te meer en ontsluieren hun herinneringen die op dezelfde manier zijn neergeschreven als dat ze in zijn gedachten ronddwalen. Dezelfde emotie, identiek verdriet en gelijkaardige machteloosheid lijken gekopieerd, alsof lezer en schrijver één-en dezelfde persoon zijn, maar dat is niet het geval. De schrijver ervan was mijn vader en de lezer ben ik en het verhaal is geschiedenis…

Welbespraakte Adonis

Drieste koleire, dramatische tragedie, troosteloos falen, uitzichtloze chaos… Met een bijpassend adjectief worden woorden opeens pure emotie. Vanuit de krant of vanop een scherm krijgen we dagelijks negatief geladen woorden, zonder waarschuwing zomaar recht in het gezicht gebraakt als een bombardement van negativiteit of slechte karma. Negatieve woorden maken ons negatief! En we worden de woorden die we gebruiken! Persoonlijk hou ik van woorden, van lange woorden en van de korte. Ik heb de fatsoenlijke bewoordingen graag maar ook de schelmachtige. Ik gebruik ze dagelijks allemaal, hongerig, plat of fijngevoelig in een poging om een beetje nuance te brengen in hetgeen ik wil zeggen. Woorden met een beladen negatieve bijklank, houd ik zo veel mogelijk achter de hand of laat ze achteloos rondsluipen als nachtdieven. Ik probeer ze echt te vermijden en de ene keer slaag ik daar beter in dan de andere. Ik leef en adem woorden, zowel de geschreven als gesproken al ben ik me daar nog niet zo heel lang van bewust. Ik bewonder pakkende koppen, uitgesponnen dialogen, verrassende cliffhangers en uitdagende clickbaits. Ik frons bij geladen woorden en raak ontroerd door de pakkende die diep treffen. Een juist gekozen woord kan iemand ophemelen of slachtofferen. Sommige fout-beslagen redenaars kunnen je met scherpe klinkers en botte medeklinkers vastspijkeren en het treurige is dat die negatieve woorden nog werken ook. Ze zijn de aandachtsvangers die ons doen luisteren en verder lezen omdat ze in de kantlijn in onzichtbaar rood geschreven zijn. Gisteren las ik wat facebookcommentaren op ogenschijnlijk onschuldige berichten en hier is een exclusieve selectie van de woorden die mijn aandacht trokken: “mossel, moord, woede, lul, loser, woede, nachtmerrie, bagger, teloorgang, shock, azijnpisser, dief”, en het lijstje is nog langer. Als ik jullie toevertrouw dat deze woorden gespuid werden als commentaar op een voetbalverslag moest ik even de wenkbrouwen fronsen. Natuurlijk weet ik wel dat woorden als “witte woede” straffer klinken als “niet helemaal mee eens” en dat “kut en tetten” beter bekken dan “vagina en borsten”. “In shock” klinkt beter dan weer straffer dan “verrast”. De vastelling van toenemend ongepast, gebald taalgebruik is nog geen persoonlijke nachtmerrie geworden, al heb ik er vannacht wel een uur slaap voor opgeofferd zoniet stond hier geen letter geschreven. Elke dag gebeurt het, in de (sociale) media, op tv en in onze dagelijkse contacten. Iedereen draagt in min of meerder mate bij aan het creëren van een negatieve taalcultuur die met een onzichtbare infuus rechtstreeks onze hersenen en harten infecteert. Hoe vaak heb je de laatste tijd niet vol van dat verraderlijke gevoel van irritatie voor je scherm gezeten, vervult met onbehagen omdat de negatieviteit je raakte of je je eraan ergerde? Slecht nieuws is goed nieuws voor wie alleen wat gratuite aandacht zoekt en wij worden door de noodzakelijke klik gegijzeld en worden meesleurd in de negatieve woordenstorm. Net zoals een slecht humeur het steeds wint van een goed humeur winnen negatieve, haatdragende woorden het telkens opnieuw van de positieve. Daarom wil ik positieve woorden vanaf nu koesteren en cultiveren, want ik word de woorden die ik gebruik. Misschien moeten we daarom in een soort van music for life van de taal of tournée minérale van het woord, onze vocabulaire ook onderwerpen aan een jaarlijks opruimbeurt om ons zo iets meer te verbinden tot beschaafd schrijven en spreken zonder al die overdreven nutteloze bijklanken die irriteren. Zal ik dan naiëf het voorbeeld geven door het hier eens op een andere manier of met andere woorden te zeggen, misschien word ik dan ooit wie ik denk die ik echt ben… een welbespraakte Adonis.

Kak, kut en klote

Alleen al de suggestie dat ik me enkel maar op één bepaalde dag van het jaar, namelijk vandaag, slecht zou mogen voelen, is een farce en een mythe. Misschien is het meer sociaal aanvaard om het vandaag meer te zijn dan op andere dagen aangezien ik me op deze derde maandag van januari achter een collectieve dagdepressie mag verschuilen. De beperking tot vandaag beschouw ik echter als een ernstige beperking van mijn persoonlijke vrijheid. Op andere dagen van het jaar kan het blauwe maandag-monster immers even hard of nijdiger uit de kast springen om me te achtervolgen, om controle te nemen over mijn humeur en om mijn dag helemaal naar de kloten te helpen, daarvoor is soms minder nodig dan het winterdipje van vandaag. Een dinsdag in mei of een vrijdag in oktober kan dan zomaar, zonder aanwijsbare reden veranderen in een blijf-uit-mijn-buurtdag of in een ik-blijf-in-mijn-bed-liggendag. Indien je op die dagen mijn denkbeeldige schutkring betreedt en je je in mijn persoonlijk territorium waagt, heb je van Jan. Natuurlijk zijn medische experts het er roerende over eens, dat de winterblues te wijten is aan een gebrek aan zonlicht, een combinatie van de post-kerstblues, koude donkere nachten en een overvloed aan nog te betalen creditcardfacturen en dat deze rotperiode zich vandaag het hardst manifesteert. Ik ben zeker niet geneigd om hun klinische expertise niet in twijfel trekken en wil al dat gedoe nog wel aanvaarden maar dat geeft hen nog niet het recht om me alleen vandaag humeurig, ongelukkig, kak of klote te mogen voelen. Ik geef ze, de medische en psychische bollebozen, alle vrijheid zodat ze vandaag wreed hun best kunnen doen om me op andere gedachten te brengen maar ze zullen me, begot mijn vrijheid niet ontnemen om me op andere dagen van het jaar even kut te voelen als vandaag… en dan moet het nog valentijn worden.

Kleine filantroop die brood in stront verandert

Meestal gaapt er een grote leemte tussen mijn initiëele ambitie en wat ik er uiteindelijk van terecht breng. Steeds weer opnieuw zit er te veel afstand tussen het plan en het uiteindelijke resultaat. Hoe hard ik er ook naar tracht, op de ene of andere manier lijk ik de denkbeeldige kloof tussen de twee niet te kunnen dichten, haast alsof ik door iets dat buiten mezelf ligt wordt afgeremd of tegengehouden. Bullshit natuurlijk, want in het ene geval is het gewoon angst voor het onbekende en in het andere geval is het niets minder dan schrik om verantwoordelijkheid te dragen die me doen verstarren en inhouden. En het zijn net die twee spelbrekers die me steeds opnieuw tegenhouden of doen uitstellen om te doen wat ik hoor te doen of al moest gedaan hebben, al zal het ook vaak gewoon luiheid zijn. En dan bedoel ik niet alleen dat ik me verantwoordelijk voel voor vrouw en kinderen maar ook voor woonst en geld of carrière of aanzien ofzo en dan bekruipt me een soort van faalangst om er niet te komen of om niet iets te worden. Alleen een zot denkt dat hij de slimste is van de bende terwijl iedereen weet dat hij eigenlijk te stom is om brood in stront te veranderen. Zo voel ik me dan dikwijls, niet als de rest van de bende maar als zot.

Ik heb me nooit wereldverbeteraar of weldoener gevoeld omdat ik daar het juiste type niet voor ben, mogelijks omdat ik te veel Bohemer ben of te veel te hartstochtelijk in bepaalde dingen. Mijn smoelwerk, mijn lijf en mijn verstand hebben me ook nooit veel vertrouwen ingeboezemd. Ik geloof dus niet dat er een beter recept bestaat om een nog grotere snul te worden en de geschiedenis heeft me daarin niet tegengesproken. In relaties, op het werk, als vader of als sportman, overal kwam ik in een probeerselwereld terecht, een doe-alsof-wereld waarin ik velen onder jullie tegenkwam. Vandaag doe ik er alsof ik schrijver ben die doet alsof hij iets te vertellen heeft. Eerlijkheid gebied me te zeggen dat het behoorlijk eenzaam is in mijn alsof-wereldje hoewel het er bijzonder druk kan zijn met mensen die even hard proberen ook iets van betekenis te zijn door dingen te doen waarvan zij denken dat ze er het beste in te zijn. Het zit er vol doe-alsof-mensen zoals politici, trainers, ceo’s, managers, twittertoeters, facebookterroristen en andere heel belangrijke zielen die in hun eigen doe-alsof-jargon vruchteloos anderen trachten te imponneren en zo door vuur gebrand zijn dat ze overal een ongenuanceerde mening denken over te moeten hebben. Maar let op want in alsof-wereldjes kunt ge u behoorlijk vereenzaamd voelen als ge tracht die illusie hoog te houden. Toen ik laatst een voordracht gaf in de bibliotheek, de avond was speciaal voor mij georganiseerd, voelde ik me tussen mensen die ik bijna allemaal kende, ongepast populair omdat ik met veel bravoure mocht spreken over dingen waar ik iets vanaf meende te weten. Een handvol toeschouwers had misschien wat minder kennis van zake en al zeker niet de behoefte om er op een podium mee uit te pakken. Toen ik mezelf op dat podium gehesen had voelde ik me er behoorlijk hautain, belerend en eenzaam. Het vissen naar egards, luister en schouderklopjes had als enige reusltaat dat ik weer in de diepte stond te staren die gaapt tussen verwachtingen en resultaat. Ik kan dan ook niet anders dan mijn alsof-wereldje wat vaker achter mij te laten want ik ben er ondertussen achter gekomen dat ik nergens nog naar toe moet, dat ik niemand iets hoef te bewijzen en dat niemand op mijn ongevraagd advies zit te wachten. Mijn mensenvrees is dan een mooi excuus om me achter bescheidenheid en zelfkennis te verbergen. Ze hangen als een luifel over mijn bestaan en ze zullen daar tot het einde van mijn dagen blijven hangen. Zo kan ik me er als kleine filantroop in hun beschermde schaduw koesteren zodat ik met beide voeten op de grond blijf. Op dat plekje word ik dan misschien niet langer uitgelachen als zot die brood in stront kon veranderen en er een luchtbel kon van maken.

%d bloggers liken dit: