Het ochtendritueel van een verzopen kieken

Mijn dag begint steevast met een daad van symbolische ernst, de ventilator in mijn slaapkamer afzetten. Voor jou lijkt dat misschien iets banaals, alsof met die druk op de knop alleen de wieken langzaam stilvallen, voor mij is het meer. Het is het afsluiten van de nacht en het verbreken van elk kosmisch contact. De slaapkamer zucht een laatste keer, de lucht valt stil, en ik voel hoe mijn aura zich herschikt, alsof het mijn donsdeken nog even rechttrekt voor de dag begint en het zich voorbereidt op het ritueel dat volgt.

Ik strompel naar de keuken. De koffiemachine ratelt al en het aroma van gemalen bonen vult de keuken gelijk wierook in een kerk. Alleen ingewijden verstaan de boodschap. Voor een leek is het maar een wolkje, een geurtje. Voor mij echter is het een heilige code en het signaal dat mijn ziel wakker mag worden. Mijn zjat is vol, ik proef en ik besef, dit is niet zomaar cafeïne, dit is vloeibaar bewustzijn met een crèmige schuimkraag.

Een eerste sigaret volgt snel. Ik peuter er voorzichtig eentje uit een pakje alsof het de laatste chips van ’t zakske is. Het knetteren van mijn aansteker is een vuuroffer en die eerste rookpluim een rooksignaal naar mijn voorouders, al zal ons moeder, zelf een schoorsteen die twee pakjes blauwe Belga per dag de lucht inblies, waarschijnlijk gewoon knikken, “goe bezig manneke.” Ik inhaleer en plots draait de tuin zachtjes mee op mijn ritme.

Ik stap naar de trap van mijn vijver. Het gras is nat en kil en kietelt mijn zolen alsof het niet goed weet of het mij wil plagen of zegenen. De vijver ligt daar, rustig en stil, alsof hij aan zijn eigen mis gaat beginnen. Kikkers kwaken plechtig, luidkeels en zonder enige schaamte, alsof ze allemaal tegelijk pastoor willen spelen. Libellen fladderen rond en tekenen figuurtjes. Ze geven me een soort van kosmische wiskundeles die ik niet begrijp. Dit is het moment. Ik zet een voet in het water. Dan de andere. Het koude water knaagt aan mijn vel, mijn spieren verstijven en mijn adem stokt. Maar dat is kinnekesspel vergeleken met wat er intussen onder het wateroppervlak gebeurt.

Mijn piemel, mijn trouwste kompas, beslist namelijk dat het moment van inkeer gekomen is. Hij trekt zich terug, niet traag en zeker niet schuchter. Eerder statig, als een koning die zijn volk de rug toekeert. Om helemaal in zichzelf te verdwijnen. Dit is niet zomaar een verdwijntruc. Mijn fluit beleeft zijn persoonlijk schildpadmoment om onderdak te vinden in zijn eigen pantser, plechtig en zonder pardon. Voor mij is het een openbaring.

Want tijdens die sacrale verkleining voel ik elke vezel, met gedachten, alleen maar gericht op dat ene, kleiner wordend fenomeen, terwijl de rest van mijn lijf beeft en klappertandt. De libellen mogen cirkelen zoveel ze willen, rook mag opstijgen en kikkers mogen kwaken. Alles is bijzaak. De essentie van dit ritueel blijft de mystieke verschrompeling van mijn mannelijkheid als blije intrede tot de hogere regionen van de kleinigheid.

Elke morgen zit ik een kwartier lang in dat ijskoude water. Mijn vingers worden er paars, mijn lippen blauw en mijn vel verandert in dat van een soepkieken dat twee uur lang in bouillon getrokken heeft. Ik aanschouw mijn inkeer als de ultieme boodschap van het universum. “Soms moet de grootste kracht eerst klein worden en zit de diepste wijsheid verborgen in het helemaal verdwijnen.”  Ik fluister stil, “trek je maar terug, beste vriend. Zoek grootsheid in uzelf. Ge zult het straks wel verstaan. ‘t komt wel goed!”

Net op het moment dat ik lijk op te lossen in mijn koude oersoep, knalt in mijn hoofd een big bang van helderheid. Al mijn chakra’s ontploffen, mijn aura’s verdampen en mijn kosmische spiralen storten in elkaar. Het universum lacht hard in mijn gezicht. Wat overblijft is geen verlichting, geen hogere dimensie, geen kosmische blauwdruk maar een druipende mens, blauw van de kou, met kiekenvel tot in mijn aars en met een fluit die dieper verscholen zit dan de mol in mijn gazon.

Ik kruip uit mijn vijver en druip nog steeds gelijk een verzopen kieken. Ik steek een nieuwe sigaret op en slurp een lauwe slok koffie die naar niks meer smaakt. Dit is het dan. Geen hogere sferen, geen lichtcodes, geen chakra’s. Gewoon kou die op mijn botten kruipt, rook die in mijn longen bijt en met een mannelijk erfgoed dat zich dieper verscholen heeft dan een bankkaart in mijn portefeuille. Meer waarheid hoeft deze mens vandaag niet te verdragen.

En dat is, meer dan al de rest, mijn mystieke ochtendritueel. Ik laat er niks mee openbloeien, ik word er geen beter mens van en bewijs de wereld er geen dienst mee, maar ik ben wel wakker. En dat is net genoeg om er vandaag ’t beste van te maken.

Morgen spring ik er terug in, al was het maar om te contoleren of er dan nog iets overblijft van mijn erfgoed.

Aan de rand van de oceaan

Vorige week liep ik op het strand van Arcachon. Met slippers in mijn hand, alsof ik ze niet meer nodig had. Even vergat ik dat ik ergens vandaan kwam. Het natte strand onder mijn voeten was koel, bijna onverschillig. De lucht sloeg om en was afwisselend staalblauw of zwaar overtrokken met zout en wind. Alles leek in beweging.

De oceaan lag voor me, niet als een grens, maar als een bekende herinnering.
Het tij kwam en ging, zonder uitleg, zonder pauze. Golven rolden met een onverwoestbare kracht mijn richting uit, alsof ze me iets kwamen vertellen. Even later trok de oceaan zich terug. Ik keek ernaar zoals je kijkt naar iets of iemand die je ooit goed hebt gekend, maar die nu alleen nog bestaat in het ritme van herinneringen, in eb en vloed.

Ik dacht aan wat ik te lang had vastgehouden. Niet met mijn handen, maar dieper vanbinnen. Gedachten bleven hangen met woorden die ooit of nooit gezegd zijn, met beelden die zich vastzetten op mijn netvlies. Alleen de oceaan leek het te weten. Hij vroeg niets. Hij oordeelde niet. Zijn golven namen voorgoed mee wat ik te lang had gedragen. Niet met geweld, maar met een vanzelfsprekendheid die ik niet in vraag stelde.

In dat wegnemen liet hij iets achter. Ruimte. Niks groots. Niks leeg. Wel open genoeg om diep te ademen. Alsof er in mij een deur openging en ik een ruimte vond waar het stil mocht zijn. Waar niets moest. Waar ik even mocht bestaan zonder richting.

Ik bleef lang staan. Niet omdat ik ergens op wachtte, maar gewoon omdat ik voelde dat ik mocht blijven staan. Dat ik niet langer moest genezen, niet hoefde te vergeten en niet hoefde te weten wat morgen zou brengen. Alles bewoog maar niets lag vast.

Toen ik verder liep, was het niet omdat ik uitgekeken was op die wilde oceaan of er genoeg van gekregen had, maar omdat ik wist dat ik verder mocht gaan. Arcachon, de oceaan, de herinneringen liet ik achter me. Of misschien draag ik ze voor altijd bij me. In het ritme van de stappen die ik nog zal zetten.

57 tinten mezelf

En plots was daar het getal. 57. Een primeur en een priemgetal. Ondeelbaar, net als mijn mening over politiek, vrouwen en koude pap. 57, een nuchtere vaststelling van de tijd die zich niet laat omkopen, zelfs niet met een goeie fles rode wijn vol valse beloftes.

Maar vandaag was er geen paniek. Ouder worden is voorlopig nog geen straf. Het voelt eerder als wonen in een huis dat al jaren van mij is. De zesde en tiende trap kraken, de waterleiding zingt bij elke temperatuurwisseling, en de terrasdeur klemt als het regent. Ik weet eindelijk waar de zekeringenkast zit. Maar ook waar ik mijn bril, mijn sleutels en mijn GSM niet heb gelegd.

De vele berichtjes die ik vandaag kreeg waren een balsem. Digitale knuffels, telefoontjes, en berichtjes vol emoji’s met meer emotie dan sommige gesprekken. Ze kwamen van overal. Vrienden, familie, lotgenoten, zelfs die ene kennis die altijd typt alsof hij een fax verstuurt. En ik? Ik las ze allemaal, met een glimlach die rimpels maakt op plekken waar vroeger alleen een gladde verwachting zat.

Mijn lichaam kraakt ook. Net zoals trap zes en tien van mijn huis. Mijn geheugen is een boek dat zichzelf alsmaar opnieuw herschrijft. En mijn zak? Die begint gevaarlijk dicht bij het water in de wc te hangen. Ik ben een staanklok geworden die de tijd meet, maar dan met minder gratie. Een priemgetal dus, dat zich niet laat delen behalve door de zwaartekracht en mezelf.

Maar ik dans nog. Soms op ABBA. Soms in gedachten en soms op een geniale inval die pas om middernacht komt. 57 is geen eindpunt. Het is een tussenstation met een volle ijskast, een leesbril, een doos viagra en een goed verhaal. Want ouder worden is één ding. Gezien worden  met zelfspot, en zelf relativering dat is pas echt jong blijven. In gedachten nog 17  27 of 37, afhankelijk van de lichtinval.

Bedankt voor de wensen.

Leg dat toetsenbord neer, lafaard

Er is iets ziek aan deze tijd. Ik heb het niet over virussen, oorlogen of de klimaatcrisis. Ik heb het over jou. Jij, die elke dag het beest zuurstof geeft. Like na like. Met je gif in een gouden kelk. Jij die ooit je gezond verstand inruilde voor plastic toetsen en een WiFi-verbinding, alsof het je nieuwe longen zijn waarmee je ademt.

Links, rechts, woke, antiwoke, pro dit, contra dat, racisme, antiracisme, zionisten, Arabieren, complotdenkers, complotontkenners. Het maakt niet uit wat je kiest, als het maar een kamp is. En dan trek je ten strijde en knal je met kogels op je klavier jouw munitie de ether in, want godverdomme, de wereld zal geweten hebben dat je gelijk hebt.

Gelijk. Dat heilige woord dat even leeg is als die pint op die toog waar je elke dag tegenaan leunt om je evenwicht te vinden. Er is geen gelijk. Er is alleen jouw versie van de dingen, en de mijne. Maar dat kan jij niet aan. Jij moet winnen. Altijd. Online. In tekens, memes en woorden, of in filmpjes van vijftien seconden. Alles bijéén geperst tot hapklare oorlogstaal, want nuance is saai. Clickbait werd je oorlogstrom, angst je oorlogsvlag!

En intussen verlies je wat je ooit zo goed kon. Praten. Gewoon babbelen. In levenden lijve. Met stembanden, adem, een frons en een glimlach. Of met ongemakkelijke stiltes waarin je zelf moest nadenken voor je iets zei. Nu is het alleen nog toetsen en tokkelen, swipen en versturen. Je voordeur blijft dicht. Je hart ook.

Het is makkelijker om je verontwaardiging in caps lock in iemands gezicht te spuwen dan iemand in de ogen te kijken en te zeggen, “Ik versta niks van wat je zegt, maar leg het me eens uit.”

Jij, hashtagviking, held van je echozaal. Elke post van jou wordt geknuffeld door algoritmes die alleen maar bevestigen wat je al dacht, terwijl je de rest van de wereld tot een karikatuur fileert. Woke sneeuwvlok. Racistische boomer. Linkse activist. Rechtse extremist. Negerhoer. Homo. Hetero. Vegan. Vleeseter. Alle mensen verdwijnen, alleen het label blijft.

En als je dan eens buitenkomt, verder dan je toog, voor zover je dat nog durft, is zelfs “goeiendag” verdacht geworden. En je hebt niet eens door dat mensen naar je kijken alsof je hen komt bekeren met je vitriool. Hoe absurd wil je het hebben? Jij beseft niet eens dat je maar een dier bent van vlees, botten, stront en darmen. Niet meer, niet minder. Je gedraagt je alsof je onsterfelijk geworden bent door je kutmening.

Het tragische? Hoe meer je typt, hoe meer je stuurt, hoe minder je voelt. Hoe harder je brult in caps lock, hoe stiller het wordt in je eigen hoofd en hart. Hoe meer je vecht voor je virtueel gelijk, hoe minder je nog luistert. Je werd een soldaat in een leger van toetsenbordridders, en jij denkt dan nog dat jij de generaal bent.

Probeer eens iets radicaals. Smijt je telefoon weg. Adem. Zie een mens. Niet een mening. Niet een hashtag. Een mens van vlees, bloed, twijfel en onhandige lachjes. Vraag hoe het gaat zonder er eerst je eigen drama bovenop te pleuren.

Niet iedereen hoeft jouw verhaal te horen. Soms is jouw zwijgen ons grootste geluk. Jouw kennende geloof je dat ik hier de softie speel. Maar dit gaat niet over kumbaya zingen rond een kampvuur. Het gaat over stoppen met oorlog voeren op een toetsenbord, zeker omdat je nog nooit één voet gezet hebt op het slagveld van echt menselijk contact of echte miserie.

Het is eigenlijk belachelijk simpel, zeker op deze kant van de kluit. je leeft, je sterft. Punt. Alles daartussen is te kostbaar om te verspillen aan digitale kruistochten, hashtagslagen en capslock-bombardementen.

Dus stop met typen. Kom van dat toetsenbord. Spoel het leven niet door het putje. En leef, lafaard! Schrikschijter!

Mijn grijze sofa spreekt. Voor het eerst!

Ik hing rusteloos in mijn grijze sofa, niet uit liefde, eerder uit gemakzucht. Er stond iets te gebeuren. Was het het begin van het einde? Of het einde van het begin?  Ik zat al heel lang slecht in mijn vel. Precies alsof ik gevangen zat in een jetlag die maar niet overging. In een droom die bleef duren. Een nachtmerrie, eigenlijk. Zo één die niet verdwijnt als je wakker wordt. Of het middag was, avond of nacht, dat herinner ik me niet.  Dagen en nachten liepen toen door elkaar als in een sombere aquarel. Alles gleed door mijn vingers.

Buiten gutste regen tegen het raam. Mijn aandacht dwaalde af naar gebonk. Eerst was het zacht, dan harder, alsof er iets of iemand tegen de ruit stond te kloppen. Het ritmisch getik wrong zich in mijn hoofd en trok beelden op mijn netvlies van gezichten uit het verleden. Het waren silhouetten, schimmen, duistere figuren met bekende trekken. Sommigen huilden klagerig, anderen lachten, maar niet vriendelijk, eerder smalend. Eén fluisterde, “ik heb je gewaarschuwd”. Hij grijnsde met een lach die geen tanden liet zien. Het getik was geen geluid. Het was een herinnering. Onuitgesproken. Ongevraagd. De creaturen klopten niet op het raam maar op mijn geweten. En niet om even binnen te komen maar om te blijven.

Binnen was het stil. Te stil. Dat soort kleverige stilte die zich vastzet op de muren, alsof de kamer zelf naar adem hapte. De grijze sofa kreunde onder mijn gewicht. Hij kende me te goed. Hier had ik dikwijls gezeten, stomdronken, verdwaald, leeg en weggesijpeld. Maar ook dromend van ontsnappen en wegvluchten terwijl ik mezelf daardoor alleen maar dieper in onheil begroef en verder vast kwam te zitten in verslaving, isolement en zelfdestructie.

De zetel rook naar angst. Naar wijn, bedrog en overmoed. Ook naar koppigheid. Naar alles wat ik probeerde te vergeten, maar met elke ademstoot weer voelde.

De kamer ademde zwaarte. Niet letterlijk. Er was geen geest of spook, geen rook of geur. Alleen ballast, iets wat doorwoog, waardoor de lucht zelf ook zwaar en moeilijk uit te ademen was. De ingebeelde fles stond op haar vertrouwde plaats en staarde me aan. Ze keek niet echt. Maar ik voelde haar blik.Ik kreeg ze niet leeg. Ze bleef gevuld. Jarenlang had ze me aangekeken, als een standbeeld, starend zonder ogen. Als overblijfsel, van iets dat ooit veel macht had gehad en misschien nog had. De hallucinatie aan de fles vulde de kamer. Met kracht en met lawaai van iets dat ooit heel luid had geroepen.

Ik wist het al lang. Natuurlijk wist ik het.  Jarenlang had ik me gulzig volgegoten, terwijl ikzelf langzaam helemaal leegliep. Dat gebeurde allemaal in stilte. Niet in één ruk, niet met gedaver of geschreeuw. Daar gingen jaren aan vooraf. De machteloosheid was langzaam binnengeslopen maar met een vastberadenheid die me meedogenloos uit mijn eigen ziel had verjaagd.  Net zoals elke slok, hoe klein ook, dat ook had gedaan.

Onverschilligheid had zich in elke vezel van mijn lijf vastgezet. Met een leegte waardoor ikzelf nauwelijks nog geluid maakte. En als ik het toch deed, kwam mijn stem van zo ver dat er geen daadkracht inzat, alsof ze sprak vanuit een vervallen, uitgeput lijf dat ikzelf allang verlaten had.

Onwetend, koppig en gedreven, zo ging ik door met mezelf te slopen. Elke dag opnieuw, met handen vol gruis en puin van wat ooit mijn leven geweest was. Tot iemand me die ene vraag stelde. En ik luisterde. Voor het eerst. Het was geen groots moment. Geen donderslag. Geen drama. Alleen een kale kamer, een zitbank en die ene heldere, vrouwelijke stem die vroeg, “Is er drank in het spel?”

Die vraag deed de wereld stoppen met draaien. Alsof die stilte iets vasthield. Een stilte, zo essentieels, dat ik ze pas hoorde toen alle andere geluiden in mijn hoofd waren verstomd.

Ze keek niet streng, niet meelevend of oordelend. Alleen helder. Ze keek niet naar mij, maar dwars door me heen. Ik haalde mijn schouders op. Achteloos. Alsof ik met die beweging nog iets kon toedekken. “Misschien…,” prevelde ik. “Waarschijnlijk wel…”, verbeterde ik me snel.

En precies, die twee woorden. Die twee trillend uitgesproken woorden, die nauwelijks meer waren dan een half-ingeslikte bekentenis lieten iets verschuiven. Heel voorzichtig. Het was niet groot. Niet luid. Het was zelfs nauwelijks hoorbaar, maar onmiskenbaar voelbaar. Ik vond een kier, een spleet. Een stem zonder oordeel. Alsof ik diep vanbinnen het slot van een deur had losgewrikt. Niet met geweld, niet met een sleutel, maar met toestemming. Van haar en van mezelf.

De weken die volgden waren stil. En vreemd. Verwarrend. Alsof ik in een kamer zat waar het licht net was aangegaan, met ogen die nog moesten wennen. Alles leek hetzelfde, maar voelde anders. Er gebeurde iets wat ik niet verwachtte. Of beter, er gebeurde niets. Geen inzicht. Geen openbaring. Geen wonder… Niets, dat alles oploste en komaf maakte met het verleden. Alleen de spiegel. Hij hing daar, aan de muur. Lang gunde ik hem geen blik. Ik ontweek hem of keek erlangs, of er doorheen. Uit angst of schaamte en omdat hij zou tonen wat ik al lang wist.

Op een ochtend of een middag, ik herinner me dat soort dingen niet meer scherp. Mijn ogen bleven plakken op het spiegelglas. Ik fixeerde me op wat ik zag. Ik zag een verweerd gezicht en beschamende scènes. Wazige indrukken van vroeger. Ik had ze verbannen. Nu stond ik oog in oog met een uitgezakt lijf dat had gelogen met woorden die nergens naartoe gingen. Ik keek naar mijn mond die had gesproken om leugens te verkopen en vond angstige ogen die zelfs de spiegel medeplichtig maakte.

Zware deuren openden met een bonk. Ik daalde af in muffe kelders die ik ooit had dichtgemetseld en waar ik jaren niet meer was geweest. Naast tafels vol halflege glazen, gebroken beloftes en halfvolle excuses, zag ik oude bekenden die nog steeds wachtten maar ik vergat hen te bellen. Er lagen brieven, ooit geschreven, nooit verzonden. Ik zag mijn kinderen wazig en klein als foto’s in een natte kartonnen doos. Ik hoorde mijn stem in de verte, luid en vals en zag me liegen door niet te komen. Liegen door wel te komen, maar veel te laat of veel te zat en met woorden en gewauwel om mezelf uit de wind te zetten en met beloftes die nooit bedoeld waren om ze na te komen. Er waren uitgestrekte handen die ik had afgewezen. Stemmen, weggejaagd. En avonden die begonnen met “ééntje maar” en eindigden in coma of in een zwart gat zonder herinnering.

Ik stond daar. Voor de spiegel. Naakt. Uitgeput. Geen excuses of uitvluchten meer. Niets viel nog goed te praten. Wie ik zag, was geen monster. Geen slachtoffer. Geen vijand. Alleen mezelf en dat was genoeg om te beseffen dat ik daar niet hulpeloos kon blijven staan.

Later zat ik tussen anderen. Lotgenoten. Ze zaten ook rond tafels, in kringen, met koffiebekers en snoepjes. Hun hoopvolle blikken nagelden me niet vast.  Ze maakten me los. De mannen en vrouwen spraken hardop uit wat ik alleen voor mijn spiegel had durven denken. Hun woorden sneden vieze wonden open die ik ooit zelf onhandig had dichtgenaaid. Om te genezen.  Na een tijd begon al datgene wat me jarenlang de adem had afgesneden, onverwachts iets terug te geven. Erkenning, begrip, inzicht, vertrouwen. Eigenwaarde. Niet als medaille maar als een nieuw begin.

Met elke nieuwe dag durfde ik opnieuw kleine, ongemakkelijke beslissingen nemen. Opstaan in plaats van te blijven liggen. Een brood kopen in plaats van een fles. De vuilbak buitenzetten zonder dat iemand het vroeg. Nuchter blijven terwijl alles in me schreeuwde om verdoving. Elke dag opnieuw, soms uur per uur, koos ik ervoor om bij mezelf aanwezig te blijven in plaats van te verdwijnen. Ik bleef naar wekelijkse meetings gaan om er dingen te horen. Ik leerde zaken uit te spreken die ik eerst niet hardop durfde te zeggen.  Ze zeiden, “gedeelde smart is halve smart en gedeeld geluk is dubbel geluk”. Ik geloofde hen. Omdat ze het wisten. Ze haalden hun wijsheid niet uit boeken, maar uit dezelfde nachten die ik had beleefd. Uit vergelijkbare schaamte. Uit zweet, angst en tranen en uit diezelfde kleverige stilte en dat alles verwoestend zelfbeklag waarmee ik mezelf ook lang had vastgezet.

Door die gesprekken kwam er rust. Niet ineens. Niet veel. Niet spannend, maar net genoeg om opnieuw te kunnen ademen en niet langer achteruit te leven. Ik was niet genezen en lang nog niet klaar, maar ik was niet meer alleen. Ik bouwde een nieuwe weg. Niet om ergens te komen, maar om niet meer te verdwalen. Ik deed het steen voor steen.Soms legde ik er maar één per dag. Soms maar een halve.

Door te spreken, hoorde ik mezelf voor het eerst. Lang dacht ik dat schaamte en schuld mij kapot zouden krijgen. Dat is niet gebeurd.  Herstel is geen sprint. Het is kruipen. Soms achteruit. Het is niet pijnloos. Het gaat ook over eerlijkheid, niet om gelijk te krijgen, maar om trouw te worden aan mezelf. Eindelijk. Ik hoorde me spreken. Ik sprak. Stil als ik dat wou, voorzichtig als het kon, luid als het moest.

Op een dag begon ik met schrijven. Niet om iets te maken, of om iets recht te trekken maar om zelf niet kapot te gaan. Het witte scherm van mijn laptop was meedogenloos. Alles wat ik dacht en voelde, verscheen er, zonder filter. Mensen die ik had vermeden of moest vergeten. Fouten die ik had weggemoffeld. Leegtes, onmogelijk om ze op een andere manier onder woorden te brengen. Al wat ik verzwegen had verscheen op mijn scherm. Soms klikte ik alles weg. Soms liet ik het staan.

Verandering kwam niet als een storm. Maar ook als druppels die tegen een raam tikken. Met een glas water in plaats van wijn. Met een gesprek waarin ik leerde luisteren zonder weg te kijken of me erboven te zetten. Soms met stilte waarin ik bleef zitten. Al voelde het ook af en toe alsof ik opnieuw in mijn eigen vel moest kruipen. Soms zwem ik tegen de stroom in en vaar ik een bewuste koers. Soms drijf ik met de stroming mee, zonder weerstand. Maar ik blijf in beweging. Wakker. Alert. Nuchter.

Er zijn dagen dat ik lach zonder reden. Andere dagen ween ik zonder verklaring. Ik omring me met vertrouwde mensen en leer er nieuwe kennen. Ik zeg ‘belangrijke’ dingen af, om aandacht te geven aan zaken die ogenschijnlijk ‘onbelangrijk’ lijken, maar het niet zijn. Soms struikel ik nog, meestal over mezelf en hang nog altijd in mijn grijze sofa. Maar niet meer verdoken. Niet meer verstopt tussen de plooien.

Ik ben veranderd en werd iemand die zonder uitleg of excuses ‘nee’ zegt tegen drukte en dingen die niet meer bij me passen en ‘ja’ tegen stilte, ongemak en wachten. Ik kijk mensen in de ogen, zelfs als ze mij willen ontwijken. Soms laat ik de radio uit in de auto. Soms kijk ik wekenlang geen tv. Ik loop niet meer weg als het moeilijk wordt.

Soms zit ik daar nog. In diezelfde grijze sofa. Maar anders dan toen. Mijn rug is recht, mijn blik helder. De zetel draagt me nu zonder tegenstribbelen, zonder geur van wijn, angstzweet of zwijgen. Maar dat is geen overwinning en geen eindpunt.  Het is iets anders. Iets dat ik nog geen naam heb kunnen geven. Maar het geeft de indruk nog even te willen blijven.

Nu ademt de kamer mee en werkt niet meer tegen. Geen schimmen meer aan het raam en minder fluisteringen in mijn hoofd. Handen rusten op mijn knieën, niet om iets vast te houden of los te laten. De stilte is niet langer kleverig of dreigend, maar rustig. Hier, in mijn zetel voel ik geen drang meer om te vluchten. Geen nood om te verdoven. Ik ben thuis. In mezelf.

Mijn wereld werd kleiner, maar voller. Met minder mensen, met meer verbinding. Met minder verplichtingen en meer betekenis. Minder geruis en meer muziek. Ik sport weer, niet om te winnen, maar om mee te doen en te voelen dat ik nog leef. De dagen lijken eenvoudig, maar zijn rijker dan ooit. Ik kies bewust voor stilte, voor mijn vrouw, mijn kinderen, mijn werk en een handvol vrienden die me zien zoals ik ben, maar doe het toch vooral voor mezelf. Zonder façade, zonder maskers. Er is geen grootsheid, geen spektakel en geen doen alsof. En in die rust en eenvoud schuilt een onverwachte overvloed. Stil, traag. Echt.

Ik heb niks meer te bewijzen. Alleen ik. En dat is genoeg.

Waarschijnlijk is dat het leven. Mijn leven. Zoals het is en zoals het komt. Ik leef niet meer vooruit en niet meer achteruit. Gewoon, dag per dag.

Zoals jij het bedoeld hebt

Als ik eerlijk ben. Er is iets veranderd. Niet in het missen zelf, dat blijft, maar in hoe gemis zich gedraagt.
Het zit niet meer prominent op de voorgrond. Het dringt zich niet meer ongevraagd op. Het zit gewoon ergens achter mij, niet zwaar meer al is het er nog.
Ik heb in drie jaar geleerd dat missen niet meer beenhard hoeft te zijn. Het wordt stiller, milder. Gelijk een pull die ik al lang niet meer gedragen heb, maar nog een beetje naar vroeger ruikt. Ik weet niet waarom maar ik moet ineens aan die spuuglelijke muts denken die je ophad toen we gingen wandelen op oudejaarsavond een paar jaar geleden.

Soms heb ik gedacht of gehoopt dat herinneringen als deze voor altijd scherp zouden blijven.
Dat de contouren van je gezicht helder zouden blijven. Dat is niet zo. Soms heb ik al moeite om me je stem voor te stellen. Soms wil ik die scherpte terug want ik ben bang dat ik dat soort herinneringen helemaal aan het verliezen ben, beetje bij beetje, zonder dat ik het wil.

Vorig jaar voelde dat vreemder dan vandaag. Want er is nog veel blijven hangen. Hoe je van kleine dingen grote kon maken. Hoe je belachelijk enthousiast kon worden over zotte ideeën die alleen in jouw gedachten konden ontstaan. Wie wil er nu een zwembad bouwen met alleen gestapelde lege bakken bier en een plastieken zeil.
Soms betrap ik mezelf op een gedachte waarvan ik weet, die zou jij ook kunnen gehad hebben.
Misschien is dat wat overblijft, zonder drama maar met alleen de herinneringen aan wie je was.

Het is vandaag 29 juni. En ik voel ‘iets anders’, iets anders dan vorig jaar, iets wat ik nog niet helemaal ken. Ik voel voor het eerst ook geen drang meer om het te begrijpen of te benoemen.

Misschien is het dàt, zoals jij het bedoeld hebt.
Vanmorgen dacht ik aan jou, zonder schuldgevoel, zonder boosheid en met iets minder vragen.
Dat is nieuw Yannick. En ik denk voor het eerst dat je dat zo wel zou gewild hebben.

Zoals jij het bedoeld hebt.

Ongemakkelijke anusjeuk

Daarstraks, ik opende de ijskast en vond er mijn autosleutels. Ik was ze al twee uur aan ’t zoeken. Met mijn vondst viel alles in de plooi. In die ene flits van mistige zinsverbijstering zag ik mijn bestaansrecht voor mijn ogen verdampen. Alsof mijn hersenen zeiden, “sorry makker, we geven het op. Zoek het van hieraf maar zelf uit. Succes nog voor de rest.”  En ik doorzocht als een verdwaalde aap verder mijn ijskast, in de hoop in het groentebakje mijn gsm tegen te komen. Op momenten als deze voel ik me niets meer dan een slaapwandelende orang-oetan die zich probeert op twee benen staande te houden terwijl hij beter terug op vier poten zou gaan lopen.

Ik zeg zo dikwijls dat ik een denkende mens ben, zoekend naar meer. Ik vind mezelf gelaagd, diep, verstandig en betekenisvol. Met een plan. Serieus? Toen ik daarnet in mijn ijskast verdwaalde, voelde ik me iets minder ‘gelaagd’. Ik voelde me eerder lid van een overbodige kutgroep die de aarde al millennia lang overbevolkt en om zeep helpt. We zijn ooit rechtop gaan lopen, hebben vuur, een knots en een wiel ontdekt. Toegegeven, dat was straf. Maar zijn we sinds dan, niet allemaal stilaan gaan evolueren tot wandelende zakken broeikasgas met spraakintelligentie en een Facebook-account?

Om maar iets te zeggen.  In ons leven krabben we tienduizenden keren aan ons kruis alsof één of andere hogere macht daar een antwoord heeft verstopt. We wisselen drie keer per dag van onderbroek alsof het een ritueel betreft dat ons moet zuiveren van iets dat we zelf niet meer kunnen benoemen. We staren om de vijf voet in spiegels en schermen en noemen dat ‘zelfreflectie’, terwijl we, als we eerlijk zijn met onszelf, gewoon checken of er niet te veel haar uit onze neus groeit. Elke dag schijten we minstens twee keer de pot vol en vegen alles proper met toiletpapier, tweeënhalve laag dik, als het kan. Doen dat nauwgezet en met stille hoop dat onze vinger niet doorschiet. Terwijl we daar zitten kakken, scrollen we met diezelfde vinger over schermen en peuteren we onze neus proper om nadien opnieuw te checken of we toch niet door dat tweeënhalf-lagig dik toiletpapier hebben gezeten.

We zijn het menszijn stilaan aan ’t afleren om te verworden tot een cluster van nieuwe reflexen, aangeleerde dwangmatigheden en lichaamsgeluiden die we angstvallig willen verbergen. Ons leven is gaan vervellen tot een scheet in een fles en een boer in de wind. Kortom we verspillen 40% van ons leven met het hooghouden van een façade, met nieuwe dwangmatig aangeleerde reflexen en met het checken of er niet te veel haar op ons gat groeit.

We zijn een kudde ‘zelfbewuste’ apen geworden die hun lichaam voortduwen richting het einde, met als houvast de illusie van de controle. We denken dat we bangelijke verhalen schrijven en ‘een leven’ leiden terwijl we in werkelijkheid de hele dag bezig zijn, met ons ego op te pompen, onze piet in bedwang te houden en een venusheuvel haarvrij te krijgen.
Terwijl we dat doen hopen we dat er niet toevallig een scheet passeert en hopen nog harder dat niemand het merkte. We verzinnen van alles om te verbergen dat we van niks weten en dat we eigenlijk gewoon domme, gestreste beesten zijn die wat het ook moge kosten, bij die overbodige kutgroep willen blijven horen.

En de rest van de tijd? Ah, die besteden we zoals ik nu doe, aan het rationaliseren van dat alles. We kopen boeken over zingeving, volgen cursussen mindfulness en meditatie en prijzen onszelf slim door levenslang te leren terwijl we nog steeds acht keer per dag neuspeuteren en vijftien keer aan ons kruis pulken als niemand kijkt.

Ik heb het uitgerekend. Meer dan 40% van onze tijd die we op deze planeet doorbrengen gaat op aan dat soort complete kutonzin en de overige 60% verspillen we aan het proberen te begrijpen waarom we dat doen. Alleen we komen niet tot toegeven dat alles gewoon vastzit in onze eigen anus die jeukt en we het allemaal niet meer zo gemakkelijk uitgekakt krijgen.

Het leven is geen mysterie. Het is gewoon luchtverplaatsing.  Een verdwaalde scheet of een ingehouden boer, dat ligt eraan langs welke kant hij eruit komt.

Doe gerust nog een verse onderbroek aan als je dat wil. Knoop je veters en kuis je reet nog eens proper, want je had toch het gevoel dat daar nog wat kak aan hing.  Loop desnoods een paar uur rond als een waggelende pinguïn omdat er nog wax aan je schaamlip plakt. Doe het met je kop in de lucht, alsof het allemaal betekenis heeft.
Maar eigenlijk ben je gewoon maar lucht, een scheet in een fles of een boer in de wind.

En als je deze ongemakkelijke waarheid niet aankan, heb je duidelijk nog niet genoeg in je ijskast gekeken of aan je kruis gekrabd.

De kunst van verdwijnen

Ik wil je niet altijd in de buurt. Wanneer dat zo is, zoek ik isolement en trek ik me terug, vrijwillig. Zoals eb zich terugtrekt op een uitgestrekt strand. Ik doe dat dikwijls. Meer dan vroeger, dan deed ik het nooit. Toen kende ik het niet, of durfde het niet. Dat laat ik in het midden. Niet dat ik niet van verbinding met mensen hou of dat ik mensen niet wil verdragen, integendeel.  Alleen zijn met mezelf als enige gezelschap, is iets wat ik mezelf ben gaan gunnen, soms zelfs ben gaan verplichten. Omdat ik anders leegloop. Zeker wanneer ik te lang blootsta aan het lawaai van de wereld en de drukte ervan. Aan de gewelddadige, collectieve haast van de menigte met zijn onophoudelijke luide woordenstroom. Dan zonder ik me af van gesprekken die me overrompelen, overspoelen en onderduwen.

Ik heb nooit echt geleerd om alleen te zijn, ik heb dat leren kiezen. Dat is niet hetzelfde, dat is iets compleet anders. Ik leerde dat alleen zijn niet aanvoelt alsof ik iets mis maar als binnenkomen bij mezelf.  Noem het gerust zelfbehoud of zelfbescherming. Er is geen beter woord voor, denk ik. Op die momenten ben ik liever alleen dan omringd te zijn door mensen die op een andere frequentie leven als ik. Niet hoger, niet lager, niet slechter of beter maar gewoon anders. Dat wil niet zeggen dat zij minder interessant zijn.  Die pretentie of arrogantie heb ik niet. We zijn gewoon verschillend. Met andere nuances of gevoeligheden die elkaar niet raken omdat we simpelweg op een andere golflengte zitten, met andere hoogtes of dieptes.

Beetje bij beetje durf ik te zeggen, hoe ouder ik word, hoe beter ik begin te voelen wie ik ben, waar ik heen wil, wat ik nodig heb en wat niet langer bij me past en dus mag loslaten. Dat weten is geen overwinning. Dat hoeft het helemaal niet te zijn. Het leven gaat al lang niet meer over winnen en dat is een ongelofelijk zachte luxe.

Ik heb niet altijd gezelschap nodig, en voel me zelden eenzaam. Die stilte en rust is geen leegte maar een kleine ruimte waar ik gewoon kan zijn wie ik ben. Niet groter of kleiner, niet slimmer of dommer. Ik hoef me voor niemand anders voor te doen.
Als ik mensen om me heen verzamel, is dat omdat ik daar goesting in heb. Niet uit gewoonte, niet omdat ik iets verwacht of niet voor de verkeerde reden maar omdat ze me vreugde of iets anders bijbrengen, en ik hen dat ook wil bieden. Mijn innerlijke rust vind ik in mijn cocon, thuis op mijn grijze zetel, alleen, of ergens buiten op een zandweg. Daar laad ik op. Daar kan ik loslaten. Die plekjes herinneren me eraan wie ik ben zonder te moeten.

Een asociale kluizenaar ben ik niet, hoop ik. Dat is echt niet wie ik wil zijn. Selectiever ben ik wel geworden, in mensen en in mijn empathie. Die bron is niet onuitputtelijk. Ik vermijd meer, maar leef intenser. Ik ben, als ik het zo mag zeggen, iemand geworden die zijn grenzen heeft gevonden en ze probeert te respecteren.

Maar als ik je graag zie, luister ik. Dan ben ik er. Onvoorwaardelijk. Dan zal ik helpen met woorden of daden.  Daarna heb ik een rustpauze nodig, dikwijls een hele lange.

Weet dat, als ik tijd met je doorbreng, dat niet is om een leegte in mezelf op te vullen, maar omdat ik je aanwezigheid op prijs stel en jij iets toevoegt. Omdat ik er wil zijn. Bij jou mijn vriend. Met volle aandacht en met een open hart. Dat is het meest oprechte wat ik je wou laten weten. Want vriendschap verdwijnt of vervaagt niet. Soms neemt ze gewoon een andere gedaante aan.

En wie me dan toch vindt in die stilte, vindt mij misschien voor de eerste keer, echt.

Onderbroekjungle, mijn natuurmonument onder de gordel

Eens was er een tijd dat de mens nog een bos droeg in z’n onderbroek. Van kale kinderspeelplaatsen was geen sprake.  Iedereen, man én vrouw, was voorzien van een zompige, zwoele onderwereld waarin je niet zonder kompas afdaalde.  Onder die Bermudadriehoek heerste een broeierig microklimaat, een geurig habitat waaronder verlangen verborgen zat als warme, zwoele vochtigheid die zich ophoopte zoals mist boven een regenwoud.

In die dichte, vochtige jungle van wellust stonden stengels en sprieten fier overeind, altijd in volle groei, altijd omhoog met volle goesting. Het schaamgewas, een levend tapijt op zich, huisvestte een compleet ecosysteem. Alles wat zich tussen de benen bevond stond op zichzelf, zelfregulerend, zelfreinigend en zelfbewust, als een harig heiligdom. En dat hebben we kaalgeschoren, uit vrije wil. Alsof je het Amazonewoud kapt voor een parkeerplek.

Bij mannen stond het daar allemaal gewoon, als bos boven de ballen, waarin zweet kon blijven hangen als eerbetoon aan labeur. Je rook nog wie hij was, de man. Geen sprake van kaalgeschoren kinderzakjes, vuurrood van irritatie, neen gewoon een warme, mannelijke geurige pels, als donzig matje van de lust.

En vrouwen, ver voor de revolutie van de kale gleuf, toen de onderkant er nog niet uitzag als een vers geschaafde courgette, was er geen sprake van klinisch gladgetrokken sneetjes.  Toen was de kut een stevige vulva met een kapsel als een langharig tapijt, waarin je kon verdwalen zonder erover uit te schuiven. Met heimwee kijk ik terug op dat fluwelen konijnenhol met een deurmat, op die poes met persoonlijkheid. Ok, om er te geraken moest je zoeken. Je moest ploegen en ploeteren en je overgeven aan je oerinstinct. Seks was toen nog een expeditie, geen bezoek aan een gesteriliseerde operatiekamer waarin je steriel binnenkomt, zonder karakter, zonder chaos, alles strak, leeg, geurloos en zonder een sprietje avontuur.

In één generatie gingen we van een zompige jungle naar een chirurgisch, steriele operatiezaal. Alles moest weg, zelfs de stoppel kreeg geen kans. En sindsdien is de fun eraf. Want onmiddellijk, zonder avontuurlijke natuurwandeling en zonder harige wegwijzer, sta je oog in oog met die gladde betonvloer, zo kil, kaal en zo leeg dat je zou zweren dat er nooit een bos heeft gestaan. En zeg nu zelf, eenmaal dat de krochten van het bestaan zijn glad gestreken, hou je toch alleen maar een lege, tochtige doos over waarbij seks een gevecht wordt tussen twee naaktslakken.

Ooit had de schaamstreek iets menselijks, iets dierlijks en zelfs etymologisch klopte het. Haar stond voor mysterie, voor volwassenheid, voor iets dat je verborg en er niet te koop meeliep. Een beetje schaamte dus! Maar met iedere scheerbeurt, met elke strip wax die van een kruis wordt gerukt alsof het mysterie er zelf aanhangt, nemen we iets fundamenteels weg. En, Alles moest weg. Want alles moest glad. Strak. Netjes. Steriel. We doen het telkens opnieuw alsof onze schaamstreek auditie moet doen voor één of andere chique design keuken catalogus.

En wat krijg je ervoor in de plaats? Juist! Rode scheerbrand, etterende boebelen, ingegroeide haartjes maar wel op een dansvloer zo glad dat een Dyson-stofzuiger er jaloers van wordt.

Wat met de biodiversiteit? Hele ecosystemen, voor altijd verdwenen! De schuchtere piemel panda, de onzichtbare vaginale flapper vleermuis en de nachtelijke bilnaadbever, allemaal uitgeroeid zonder pardon. Miljoenen jaren evolutie, onherroepelijk weggebrand met een laserpistool.

Dus nee, wereld. We zijn er niet op vooruitgegaan. We verlieten massaal de vochtige jungle en zijn de kale, tochtige woestijn van de gladde schaamteloosheid binnengestapt.  We hebben onze harige identiteit gewaxed tot er geen spriet meer rechtstond.

Mijn schaamstreek roept dan ook vandaag deze revolutionaire gil aan de mensheid. Laat het maar groeien. Laat de snor van je schaamstreek staan en draai er desnoods koppige krullen in.

Mocht iemand bezwaar hebben, weet dan. Mijn kruis is geen gemeentepark dat om de twee weken moet kaal getrokken worden. Mijn onderbroek is geen golfbaan. Het is een reservaat. Een wildpark. Een natuurmonument en het is er niet verboden om het gazon te betreden!

Zeker nu niet, terwijl de maatschappij druk in de weer is met haar jaarlijkse gazonfetisj en daarvoor in de plaats in stilte haar eigen identiteit wegscheert.

Maai mij dus niet. Niet in mei en niet in juni. Niet voor een date en niet voor mijn zwembroek.
Zelfs niet eens voor de sauna. Want, wie zaait, zal oogsten, maar wie dorst en maait, zal kaal en koud eindigen. In een wereld zonder mysterie. Dus bewaar het woud en bescherm je pelouze alsof het je eigen gazon is!

De (soms) ondraaglijke lichtheid van… mijzelf

Soms denk ik dat ik te zwaar of te licht ben om vast te houden of vastgehouden te worden. Dat ik door vingers glip, zoals zand op een strand. Ik lach, ik schrijf, ik slaap, ik speel, niet noodzakelijk in die volgorde. Maar onder die lichte tred zit oud gewicht. Niet dat jij het kan zien. Ik ben niet zeker of iemand het kan zien.

Wat jij ziet is een man die lijkt alsof hij het heeft gehaald. Een man die niet meer drinkt, die langs buiten rustig lijkt, terwijl wat hij voelt of denkt, verborgen blijft onder zorgvuldig uitgekozen woorden. Je ziet of leest alleen mijn ritme, ogenschijnlijk kalm en behoedzaam maar niet de barsten van waaruit dat ritme is geboren.

Ik weet trouwens niet of ik besta zoals jij mij ziet. Misschien besta ik zelfs alleen maar uit extreme contrasten. Of als een onduidelijke projectie tegen een muur van onuitgesproken zinnen. Onze pa kon ook zwijgen alsof hij iets wist wat de rest van de wereld niet mocht weten. Liggend op zijn rug op de zetel of zittend met zijn rug naar mij, keek hij naar het plafond. Als kind vulde ik stille leegtes met een angstige fantasie, en later, met drank. Ik had hem misschien, moeten vragen waar hij met zijn gedachten zat, misschien ook niet.

Vroeger, toen drank mijn toevlucht geworden was, werd ik zwaar en met elk glas werd ik zwaarder. Letterlijk en figuurlijk.  Met een hoofd zwaar als lood en de roes als mijn anker, de ketting ervan strak rond mijn lijf gespannen. Hij trok me onder als ik dreigde te ontsnappen. De ketting was net lang genoeg om me niet helemaal onder te trekken, om te blijven ademen maar ze was niet lang genoeg om echt te leven. Nu is er geen ketting en geen anker. Ik ben lichter. Te licht soms, denk ik. Ik laveer door het leven met een lichaam dat niet meer weerspannig stampt, maar sluipt. Soms kom ik ergens binnen en vergeet ik waarom ik er ben. Ik weet wel dat ik er nog ben.

Mensen praten, ik antwoord. Mensen lachen, ik volg. Maar in de kern van die momenten weet ik, ik ben er niet helemaal bij. Zo was er een verjaardagsfeestje, ergens in een tuin vol lachende mensen. Iemand vroeg me, “En jij, hoe gaat het met jou?” Ik glimlachte en ontweek de vraag met een mop als antwoord. Die was veiliger dan stilte.

Herstel, zo beweert men, is een terugkeer naar stevigheid naar vastigheid. Voor mij is het net het tegenovergestelde. Het is loskomen van de illusie van dwangmatige houvast. Want niets blijft. Niets is permanent, alles schuift. Soms lijkt het alsof mijn dag begint in snelvaart en met richting, en dan, ergens halverwege de dag, sta ik stil met de koelkastdeur open, zoekend naar iets dat er niet meer is. Misschien is dat mijn definitie van herstel, ik val niet meer zelfs al weet ik niet altijd waarom ik nog rechtsta.

In mijn lichtheid schuilt ook een soort medelijden. Ik zie mensen worstelen met hun rollen, met hun maskers en al hun gewichtige plannen. Ze hechten betekenis aan agenda’s, aan materiele overbodigheden, aan oppervlakkigheid. Ik knik, niet omdat ik het eens ben, maar omdat ik het begrijp. De wereld houdt van gewichtige plannen, van strakke lijnen en ambitieuze doelen en van harde cijfers. Wat als we gewoon maar mensen zijn die elkaar toevallig raken, zonder te weten waarom, zonder te snappen wat het doet, met broosheid in onze bedoelingen en met onhandigheid in al de rest?

Ik geloof niet meer in redding. Wel in het feit dat ik, ondanks alles, overeind blijf en steeds weer opsta als ik onderuitga. Dat ik schrijf, spreek of luister en dat ik, ook al voelt het alsof ik geen diepe voetsporen nalaat, soms toch nog opgemerkt word. Door een kat, een vogel, door een lezer of door iemand die, net zoals ik ook lichter geworden is, ondanks de zwaarte van het bestaan.

Misschien is het geen kwestie van kiezen tussen lichtheid of zwaarte, maar van vrede sluiten met dat tussengebied, waarin alles ok is. Ik ben niet genezen en ik ben niet kapot. Ik ben onderweg. Als een ballon aan een losse draad. Naar waar hij vliegt? Dat weet ik niet.  Soms verdwijn ik even uit het zicht. Soms kom ik onverwacht terug. En als iemand mij vraagt hoe het gaat, dan antwoord ik, “ik weet het niet maar ik ben er nog”

En soms is dat, voor iemand zoals ik, net genoeg.

Taaie ouwe duvel

“Zeg zooneke… ge zijt me toch wee nie vergeten zeker?”

Je allerlaatste kaartje hangt hier nog altijd aan ‘t prikbord. “Nee pa, ik ben je niet vergeten.” Nooit! Je bent er nog. Niet lijfelijk, maar ge leeft wel voort in uwe onzin. In uw stomme moppen, in uw dagboeken vol met pensen met appelspijs en in al uw citaten die ge gepikt hebt van den ene of den andere filosoof, maar die ge uitsprak met een Mechels accent.

Ik hoor het je nog zeggen: “Alles komt goe! Behalve oud weurre, daar raak ik nie aan gewoen.”
95 had ge vandaag kunnen zijn. Klein van gestalte, waart ge. Maar ge had een grot kop vol met wijsheid. Of zoals gij het zei, ” Ik zen ne valse lange met lange armen maar keutte benen ma oemtoaft da de kloan nie gemokt zen om in de groete eule gat te kruipen.”

Maar gij waart de grootste, pa. Op uw manier. Ofwel in stilte, ofwel met veel te veel overbodig lawijt. Je stond in de coulissen, achteraan maar altijd daar. Of je stond fier te blinken, met veel te hard gebakken fritten en met gekookte in plaats van gebakken biefstuk, zo hard en taai als de oorlog waar ge zelf uit kwam.

Al die verhalen vol branie en scheve humor. Je vertelde ze met een pint in de hand en met een veel te grote een Guinness-T-shirt uit Schotland aan. Uw eerste vlucht. Uw enige vlucht. Tot 8 jaar geleden gold uw afspraak met Beëlzebub, de prins der vliegen waarmee ge een pact gesloten had om 108 jaar te worden. Onderhandelen, ook niet je sterkste punt.

Ge had dat boek moeten schrijven hé pa, over “De kus door het sleutelgat, Vrouw met de lange tong”, Maar ge vond dat ge al genoeg had geschreven in die grijze boekjes met dat rood randje.

Ik heb het van geen vreemden.

“Alta met avve neus na de grond, as ge stapt”, dat zei je ook “omda ge dan misschien een briefke van 50 frang vindt, dan kunne we een verniete pint gaan pakken.” Maar wij vonden meer dan geld. We kregen wijsheid, onnozelheid, en liefde, allemaal wel heel onhandig verpakt maar altijd wel aanwezig. Gelijk gij. Met uw groot hart dat zo groot was als uwe kop.

Ge wordt hier gemist, pa.  Vooral op deze dag.
Maar als ik ons mannen en ons Noor hier zie rondhangen met al die trekjes die de jouwe zijn, zijt ge niet vergeten en zijde zelfs niet eens zo ver weg.

“Dus happy birthday ouwe, ’t is hier allemaal goe aan’t komen.  Alles komt altijd goe!
Behalve die biefstuk… maar daar hebben we het al over gehad.”

Braakland

Er zijn dagen die vanzelf verdwijnen. Als je even omkijkt, zijn ze er niet meer. Deze dag moet nog beginnen, dus ik sta op, drink koffie, rook een sigaret aan de vijver en kijk naar het gazon. Hij ligt er schraal bij, met kale plekken die eruitzien alsof er nooit iets heeft gegroeid. Veel meer is er niet. En toch, ik ben wakkerder dan ooit. Ik adem en voel dat ik leef, zonder dat er iets moet gebeuren.

Mijn laptop ligt op de tafel, op zijn vaste plaats, precies waar hij hoort te liggen. Ik raak hem aan, klap hem open en kijk naar het witte scherm, onschuldig en stil. Ik klap hem weer dicht, schuif hem opzij en doe niets. Het is een dagelijkse beweging geworden, bijna een ritueel. Zoals ik soms ook nog oud visgerei schoonmaak dat ik al jaren niet meer gebruik. Maar het weggooien zou ook aanvoelen als een soort verraad aan het loze vissertje dat ik ooit was.

Er is geen gevoel van schuld want niets is dringend. Geen haast, er is alleen die zachte, volstrekt neutrale stilte. Het is geen matte leegte die zuigt of een sluimerende zwaarte die drukt, eerder een onbelangrijke afwezigheid. Het is als de lucht vlak vóór de regen, wanneer alles even stilvalt en de bomen in mijn hof hun adem inhouden. Dat moment waarop mijn gazon weet dat hij regen krijgt, alleen nog niet wanneer.

Schrijven heeft me zeker geholpen. Het maakte dingen helderder. Wat te groot was om vast te houden in mijn hoofd, werd kleiner op papier.  Alles kreeg een vorm, verhoudingen en grenzen. Maar nu is er al een tijdje niets meer om te verkleinen of te begrenzen. Er woedt geen storm en het is geen oorlog in mijn hoofd. Er zijn geen gedachten die schreeuwen om aandacht. Wat overblijft is de zachte leegte van deze kamer alsof er net iemand is opgestaan en is vertrokken. De geur hangt er nog en de indruk zit nog in het kussen van mijn grijze sofa, als een laatste herinnering die weigert mee te vertrekken.

Ik denk aan verhalen, aan gezichten van mensen die ooit belangrijk waren.  Ze vervagen en doen dat op dezelfde manier als de dag die vanzelf verdwijnt, heel langzaam. Wat blijft zijn de details, de toon van hun stem, de onhandige gebaren, de manier waarop ze mijn naam uitspraken. Niet de drama’s, niet de scherpe randen. Wel de vluchtige, belangrijke momenten die blijven hangen als stof in een zonnestraal.  Ik denk aan plekken waar de zomer ooit sprak maar de zon ook traag stierf. Ik denk eraan, maar schrijf niets.

Toen het nog stormde in mij en de gedachten zich opstapelden tot iets dat veel groter was dan mezelf, hielpen woorden. Ze waren mijn zandzakken tegen de gedachten die overstroomden. Ze maakten het draaglijk, lichter.  Ze reduceerden de chaos en maakten hem kleiner. Nu is er niets dat verkleind of verlicht moet worden. Wat betekent het als ik even niks te verwerken heb? Is dat rust of is het gewoon leegte met een strik errond?

Ik blader door oude boeken. Titels waarvan ik het einde al ken. Ik blader verder want ergens zit iets troostends in het voorspelbare. Ik word vanzelf rustig als woorden en zinnen zich herkenbaar gedragen zoals ze dat altijd gedaan hebben. Ik herken mezelf in hun ritme denk ik. Soms is dat genoeg.

Mijn gazon ziet er niet uit. Stukken ervan lijken wel braak te liggen, met dorre plekken en hier en daar wat koppige pisbloemen.  Zoals elk jaar opnieuw rond deze tijd. Maar ik weet dat er iets gebeurt. Iets zit te kiemen, iets zit te wachten. En geduldig wachten is geen leegte, dat weet ik ondertussen beter dan wie ook. Misschien is dit geen schrijfstilstand, maar is het een soort van tussenruimte, een verbindende witruimte tussen twee paragrafen zoals mijn gazon die rust neemt, maar nog niet dood is.

Ik zal weer schrijven. Ja zeker, maar niet vandaag. Misschien morgen, misschien over een jaar. En misschien doe ik het zelfs pas als de stilte me niet meer kan troosten en ze me opnieuw langzaam begint te kwellen, zoals woorden niet willen blijven liggen en opnieuw naar boven willen kruipen.

Tot dan ben ik hier. Op mijn braakland. In rust. In de leegte die geen vijand meer is.


En dat is genoeg.

Geen dag van dertien in een dozijn!

Dertien, een getal dat vroeger nauwelijks betekenis had. Tijd en dagen kwamen gewoon voorbij. Ze waren even vloeibaar als wijn en het bier in mijn glas, ik telde ze niet.  Het bier en de wijn, even koud als mijn hart, het glas in mijn hand, net zo zwaar als mijn gemoed. Ik dronk om te vergeten, om niet te voelen, om de voortdurende ruis in mijn hoofd te dempen. Op het einde dronk ik om te vergeten dat ik leefde en sliep om te vergeten dat ik dronk. Ik had geen plan om te stoppen.

Op dertien maart, 2013 sneeuwde het hevig. Het was geen dag van dertien in een dozijn. De wegen waren verraderlijk glad. Wat moest gebeuren, gebeurde. Ik gleed uit en brak mijn knie. Daar lag ik, roerloos op een ijskoude parking. Een zielige man zonder richting, geveld in de sneeuw die alles bedekte, zoals drank dat jaren met mij had gedaan.

De maanden nadien werden mijn hel op aarde. Toen een week na die val mijn schouder het begaf, kromp mijn wereld in elkaar tot de vier muren van mijn living, met zelfbeklag als enige gezel. Mijn alcoholmisbruik ontspoorde totaal. Glas na glas, dag na dag, van s’ morgens tot s’ avonds. De drank verdoofde de pijn van mijn knie en schouder, maar niet de leegte in mijn kop. Buiten draaide de wereld door en ik draaide nog harder door!

Mijn knie genas, ik niet. Ochtenden begonnen met een kater.  Avonden eindigden in eenzame duisternis, soms in bed, soms op de zetel. Op een dag keek ik in een glas en zag niets meer, geen bodem, geen licht, geen uitweg, alleen een onbeschrijfelijke leegte. Nog één glas, nog één slok en ik zou voorgoed verdwijnen.

Maar ik zette het neer, en dronk het niet. Niet uit overtuiging, niet uit kracht, maar gewoon omdat ik wist, doe ik dit niet dan blijft er niets meer over. Het zou nog een half jaar duren tot mijn laatste glas, maar ik weet zeker, mijn herstel begon dan. Wat nodig was, gebeurde!

Vandaag, zoveel jaren later kan ik erover schrijven met een heldere blik en met een heldere geest. Ik doe het nederig maar met een heel klein beetje trots.

Nuchter worden, is zelden een heldenverhaal. Het is geen epische strijd met een duvel die eindigt in een triomf. Het is opstaan en niet drinken, gaan slapen en niet drinken en daartussen de leegte uitzitten die de drank heeft achtergelaten. Maar het is ook een verraderlijk, donker, gapend gat dat onophoudelijk roept om gevuld te worden. Als je aan het geroep blijft weerstaan, wordt het langzaamaan vaste grond, hard en ongenaakbaar, een rustige plek waar opnieuw iets kan groeien.

De eerste jaar was het zwaarst. Mijn handen zochten onophoudelijk naar een glas, mijn gedachten naar zachtheid van de roes, mijn geweten naar proberen te vergeten. Tijd was een vijand die een vriend moest worden. Alle uren die ik verspild had aan drinken en plannen, aan het kopen en aan het verbergen van katers, lagen nu opeens open en bloot voor me. Ik wist niet wat ik ermee moest aanvangen. Stoppen deed de dagen te lang duren, alsof ik iets essentieels was kwijtgeraakt.

Mijn verziekte alcoholbrein bleef schreeuwen naar een snelle oplossing. Alcoholisten zijn allemaal ongedurige wezens, ik was daar geen uitzondering in.  Nog steeds zocht ik een uitweg, een manier, een verdoving, een wonder. Verandering moest van buitenaf komen en onmiddellijk voelbaar zijn, maar er kwam niets, alleen minuten die langzaam voorbijkropen.

Ik miste de structuur van mijn eigen ellende, denk ik, het vaste patroon van drinken, spijt hebben, beloven om te stoppen en opnieuw drinken. Toen dat allemaal wegviel, bleef alleen dat gapend gat over dat moest gevuld worden, maar waarmee?

Ik bleef nuchter met de hulp en inzicht van lotgenoten die het glas ook noodgedwongen hadden neergezet. Ik leerde de ellende van me af te schrijven zonder de mist van de drank. Mijn woorden werden scherper, rauwer maar eerlijker. De waarheid over mezelf onder ogen zien kostte moeite, soms was dat wreed en meedogenloos, maar nooit zo leugenachtig of verraderlijk als alcohol.

Ik verloor vrienden, drinkbroeders die mijn nuchterheid als verraad zagen. Er kwamen er anderen in hun plaats. Mensen met een beschadigde ziel maar met heldere ogen, een groot hart en een vastberaden blik. Mensen die weten wat het betekent om uit een dal omhoog te klauteren. Maar vooral, ik vond mezelf terug, of beter ik ontdekte wie ik diep van binnen ben, niet de man die ik was, maar de man die ik kan worden.

Mensen vragen me soms of ik het niet mis, of ik niet af en toe een glas wijn wil drinken, gewoon voor de smaak of voor de gezelligheid. Ze begrijpen er niets van. Voor mij is er geen soms of af en toe, geen juiste gelegenheid. Eén slok, dat weet ik, en mijn wereld kantelt opnieuw en mijn monsters keren terug. De drank zelf mis ik niet meer. Soms mis ik de illusie van de eenvoud die hij me gaf wel. Maar eenvoud of betekenis zitten niet verborgen in een fles. Het zit in de manier hoe ik mijn dagen vul.

Twaalf jaar is een lange tijd. Lang genoeg om te beseffen dat nuchterheid geen uitzonderlijke prestatie is, geen eindpunt, geen finish. Het is gewoon iets dat bij me is gaan horen en dat ik onderhoud, elke dag opnieuw. Een beetje zoals schrijven.  Ik zet woorden op papier en ga door, zelfs als ik geen inspiratie heb. Ik heb geleerd erop te vertrouwen dat de volgende zin wel komt, dat deze dag eindigt en dat morgen een nieuwe begint.

Lang geleden zette ik het glas neer, niet voor één dag, niet voor één jaar. Ik heb het simpelweg nooit meer opgepakt en ik heb niet de intentie om dat opnieuw te doen. Omdat ik verdomd goed weet dat mocht ik het doen, er simpelweg geen morgen meer zal zijn.

In ruil voor die keuze kreeg ik het enige waar ik ooit echt heb naar gezocht, mezelf en een leven dat echt is, ongefilterd, onverbloemd, rauw, hard maar van mij alleen.

Boterhammen met kaas

Ik sta al een kwartier naar mijn telefoon te staren. Ik weet precies wat er gaat gebeuren, maar tegen beter weten in doe ik het toch. Ik bel.

De telefoon gaat over, één keer, twee keer. Op de vierde keer drink ik een halve liter water, alsof ik mezelf eerst helemaal moet hydrateren voor dit gesprek.

Ik heb geluk, ze neemt op en het gesprek begint zoals elke dag met een simpele vraag: “Wat eten we straks?” Op zich niet direct de meest existentiële vraag ter wereld, ook geen filosofische zoektocht naar de waarheid of naar de omvang van het universum. Het is gewoon een simpele vraag die, in een normale samenleving onder mannen, een rechtlijnig, duidelijk antwoord krijgt.

Op alles ben ik voorbereid: op pasta, op rijst, op patatten… op sla met lange tanden. In het slechtste geval ben ik zelfs bereid om een doodgewone boterham met kaas te eten. Ik ben namelijk de moeilijkste niet.

Ik hoor haar diep ademhalen alvorens ze zegt: “Ik heb vanmiddag spaghetti gegeten.”

Wat moet ik in godsnaam met deze informatie? Dit is gewoon een los statement, een feit, een nutteloze historische voetnoot in het leven van mijn vrouw, waar ik niet wijzer van word. Ze heeft vanmiddag spaghetti gegeten, en dan? Is dit antwoord een herinnering dat we afgesproken hadden om pizza te eten? Is het een waarschuwing of een aankondiging dat de voorraad spaghetti in de Colruyt is opgebruikt? Misschien een filosofische oefening die ze wel vaker met me doet omdat ze denkt dat ik jong-dement aan het worden ben? Moet ik uit haar antwoord iets leren? Zit er misschien een verborgen boodschap in?

“Dus… we eten spaghetti,” vraag ik met de voorzichtigheid van een archeoloog die net een nieuwe archeologische site heeft ontdekt.

“Nee,” en ze laat dat antwoord klinken alsof ik de grootste domme kloot ben van het westelijk halfrond. En daarmee voel ik me ineens zoals die man uit de film Jumanji die in huis per ongeluk een geheime deur ontdekt waarachter alle realiteit en redelijkheid oplost.

“Okee… Maar wat eten we dan wel?” probeer ik nog voorzichtiger.

“Ik weet het nog niet.” (stilte)

Meer heb ik niet nodig om helemaal opgeslokt te worden door het zwarte gat van onze communicatie. De grote nihilistische klap in mijn gezicht betekent het einde van mijn zoektocht. Er komt nooit een antwoord. Het is duidelijk, vandaag blijft het universum koud en onverschillig.

Een simpele vraag, mijn ene arme, onschuldige, simpele vraag heeft het niet overleefd. Ze implodeerde en werd verpletterd om nadien helemaal opgezogen te worden door het ondoorgrondelijke mysterie van de dingen, ook wel ‘conversaties met mijn vrouw’ genoemd.

Ik slik en vraag: “Hoe laat ben je ongeveer thuis?”

“Ik ben nog in een call…” (stilte)

Ik haak op. 56 ben ik ondertussen. Dit spel speelt zich al jaren af. Je zou denken dat ik na al die jaren de codes ondertussen wel gekraakt heb, maar nee, ik word nog steeds met open ogen in de val gelokt. Ergens in de verte hoor ik een zucht van verbazing, van het universum.

Volgende keer geef ik haar van hetzelfde laken een broek. Als ze me woensdag vraagt of ik de vuilniszakken heb buitengezet, zal ik haar diep in de ogen kijken en zeggen dat het lichtje van de ijskast niet brandt als de deur dicht is. Alleen is de kans groot dat ze gewoon met haar ogen knippert en vraagt hoe het komt dat het spoelmiddel voor de vaat op is en of ik morgen bloemkool wil.

In communicatie met mijn vrouw ben ik de amateur. Ik kan deze mindfuck nooit winnen. Maar ik zal blijven spelen, tot de dood ons scheidt.

Trouwens, ik eet graag boterhammen met kaas, dus wat is het probleem?

Draaideur naar de stilte

De wereld in rumoer
De wereld raast voort, steeds sneller, steeds luider, steeds agressiever. Onheilspellende nieuwsberichten overspoelen me met dreiging, verdeeldheid en politieke smeerlapperij. Het domineert alle headlines. Trump, een clown die ongegeneerd leugens en chaos ademt, beheerst het nieuws met zijn manipulatief circus. Zelenski zoekt wanhopig steun in een wereld die hem de rug lijkt toe te keren. Het narcistisch machtsvertoon, verpakt in eindeloze herhalingen van dezelfde patronen, verdraag ik amper nog. Sociale media echoën de hysterie en versterken meningen tot geschreeuw die elke nuance wegblaast. Ik merk dat ik overprikkeld raak, neerslachtig zelfs. Daarom neem ik afstand. Ik mijd nieuws, trek me terug en zoek rust, door de draaideur naar mijn stiltebubbel.

Ademruimte
De klanken van de buitenwereld trillen nog na, maar met elke ademstoot verliezen ze grip. Mijn gedachten, eerst verstrikt in de hectiek van de realiteit, worden zachter en gedempter.
En dan, bijna ongemerkt, kantelt mijn wereld. Niet met een schok, maar geleidelijk. De stilte die intreedt, is geen leegte, maar ademruimte. Het is een plek waar andere geluiden naar de voorgrond treden, de alledaagse geluiden van dit huis. Het zachte, bijna hypnotiserende geronk van de koelkast klinkt als een hartslag, als een constante herinnering dat het leven doorgaat, zelfs in deze stilte. De wind blaast tegen het raam en fluistert verhalen die ik niet helemaal kan verstaan, alsof er geheimen in de lucht hangen die wachten om ontdekt te worden.

“Wat probeer je me toch te vertellen?” vraag ik stil, in de hoop dat de wind antwoord zal geven.

Op zulke momenten voel ik bijna de aanwezigheid van iets groters, iets dat buiten mijn bereik ligt. Het is alsof mijn kleine wereld vol zit met verborgen betekenissen, wachtend om onthuld te worden.

Het anker van mijn thuis
In dit functionele, minimalistische huis, met eenvoudige meubels, lichte muren en een gladde zwarte vloer, vind ik een serene, bijna steriele rust. Het flauwe licht van de namiddagzon valt door het grote schuifraam en werpt scherpe schaduwen over de vloer en de muren.
Achter in de tuin ligt een strakke zwemvijver, omringd door zorgvuldig aangelegde planten en bomen. Het water is helder, spiegelglad en reflecterend als een perfect gepolijste spiegel. Alles aan dit adres is sereen, bijna steriel. Elk detail fungeert als een anker in de stilte, mijn perfecte plek voor reflectie en introspectie.

Zelfontdekking en reflectie
In deze rust voel ik een diepe verbondenheid met mezelf. Nu ik hier alleen ben, vind ik in deze minimalistische setting de ruimte om te reflecteren en mezelf te ontdekken. Het was op momenten als deze, momenten van verveling en reflectie, dat ik mijn herstel beter leerde begrijpen en vormgeven. De leegte dwong me om naar binnen te kijken, naar de demonen die ik zo lang had genegeerd, en naar de persoon die ik werkelijk ben. Denken en schrijven werden zo katalysator voor herstel en groei.

“Wat doe je?” vraagt mijn onderbewustzijn, als echo van mijn diepste gedachte.
“Ik zoek iets,” antwoord ik stil. “Maar ik weet niet wat.”
“Misschien zoek je jezelf,” fluistert de stem.

Ik knik, terwijl elke schaduw in mijn kleine wereld een verhaal vertelt en elke stilte een geheim bewaart.

Een draaideur naar een andere wereld
Verveling en overpeinzing blijken geen leegte te zijn, maar een draaideur naar een andere wereld. Ik leer dat deze momenten van stilte geen vluchtige ontsnappingen zijn, maar noodzakelijk om mezelf terug te vinden te midden van de razende storm van de buitenwereld. Mijn gedachten dwalen af naar plaatsen waar ik niet meer kom, naar oude gevechten, naar momenten van strijd en overwinning. Ik zie mezelf weer tegenover de uitdagingen die het leven op mijn pad heeft gezet. Oude vrienden, verloren liefdes, en mensen die ooit een belangrijke rol in mijn leven speelden maar nu afwezig zijn, herinneren me eraan hoe ver ik al gekomen ben.

“Denk je nog aan hen?” klinkt de stem opnieuw, zachter deze keer.
“Soms meer dan ik wil toegeven, ze laten me niet los.”

Ik denk aan geluk en verdriet, gedeelde dromen en gebroken beloftes, verdwijnende voetstappen in het zand. Aan lessen in liefde en in het leven. Alle herinneringen, soms euforisch en gelukzalig, soms vervuld van spijt en schaamte, ze maken deel uit van wie ik ben en brengen me terug naar een tijd van schuld en onschuld, naar avonturen waarin niets en alles mogelijk leek.

De kunst van luisteren
De kunst van angst, verveling, of beter gezegd de kunst van het luisteren naar de stilte, is het vermogen om de diepere vragen van het leven te verkennen. Waarom leef ik? Wat is geluk? Heb ik nog verwachtingen? In de stilte van verveling vind ik ruimte om deze vragen te onderzoeken en mijn eigen antwoorden te zoeken. Het is een ontdekkingstocht, een reis naar de kern van mijn wezen. Op momenten van schijnbare nutteloosheid zwaai ik mijn draaideur open en ontdek ik de kracht van mijn verbeelding en veerkracht.

Terug naar de realiteit
Plotseling, met het geratel van de koffiemachine verandert alles weer zoals het was. De stilte wordt doorbroken door het vertrouwde lawaai dat bij dit huis hoort. Het knarsen van de koffiebonen keert de wereld terug naar haar gekende drukte, naar verplichtingen en verwachtingen.
Verveling en introspectie waren even geen leegte, maar een draaideur naar een andere wereld die zich openzette en zich even snel weer sloot. Een subtiel spel van aanwezigheid en afwezigheid, een vluchtige illusie die ik niet kan controleren of vasthouden.

En toch, misschien was het juist in die kortstondige vluchtigheid dat ik mezelf even vond, in een moment van diepe rust, voordat die onheilspellende wereld met al haar dreiging en onophoudelijk lawaai me weer helemaal opslokt.

Gelukkig is er die draaideur