Categorie: Zelfkritisch

De grootste, de dikste en de langste

Mensen die in het leven staan met de illusie “het” gemaakt te hebben of “het” aan ’t maken zijn omdat ze toevallig een paar centen in hun zakken hebben, zijn sneller kwaad dan mensen die afhankelijk zijn van hulp die door anderen verstrekt wordt.  Dat feit op zich is een bijzonder vreemde vaststelling omdat ons zelfbeeld er net op gemaakt is om geen hulp nodig te hebben of te aanvaarden. Je zou dan toch verwachten dat net dat begoede deel van de samenleving iets gelukkiger door het leven stapt, niet dus.

Aan jezelf toegeven dat je hulp van doen hebt maakt je niet trots. Echt, je wordt daar niet blij van. Je zou dan toch verwachten dat net deze mensen sneller kwaad worden. Niet dus, het tegendeel is waar.

Het zijn net mensen, met de centen in hun zakken en geen hulp van doen hebben die minder dankbaar zijn, cynischer door het leven stappen en sneller boos worden. Straffer nog, in de meeste gevallen worden ze boos op de groep stakkers die met hun pree niet rondkomt.  Ze kijken erop neer, maken hen het verwijt lui te zijn, te profiteren, dat ze hier niet thuishoren of gewoon, dat ze harder moeten werken, harder moeten proberen etc. Kortom ze gaan er verkeerdelijk van uit dat het met wilskracht allemaal opgelost kan worden.  In hun ogen is groei en vooruitgang een keuze die alleen met inzet en doorzettingsvermogen kan bereikt worden. Contradictorisch is dat ze er tevredenheid en geluk niet voor in de plaats lijken te krijgen.

Toch worden ambitie en groei van jong af gepromoot en gestimuleerd. Haak je daarvoor af word je als buitenbeentje van de roedel beschouwd. Wie niet wil groeien of gewoon tevreden is met de lengte, de dikte, het loon of het leven wordt als raar of ongewoon bestempeld? Van kindsbeen af wordt het ons ingepeperd: “Ga ervoor, word slim, verbeter, verander, verdien geld en goud, koop, reis … The sky is the limit en the world is your oyster.

Voldoe je niet aan die maatschappelijk opgelegde verwachtingen hoor je er niet bij en ga je ten onder aan twijfel, onzekerheid en in ’t slechtste geval jaloezie en nog meer opgelegde verwachtingen die nog meer twijfels in de hand werken.

Deze vicieuze cirkel heb ik doorbroken. Ik gun mezelf al een tijdje het voordeel van de twijfel. Twijfel heeft een eerbiedwaardige plaats gekregen in mijn manier van zijn omdat ik geloof dat twijfel me verder brengt dan zekerheid.

Als ik schrijf, doe ik het zonder einddoel. Als ik leef doe ik het eveneens zonder einddoel en als mijn dag begint ben ik benieuwd naar wat hij me te bieden heeft, zonder al te grote verwachtingen. Dat maakt dat ik nieuwsgierig blijf rondkijken naar wat ik nog niet weet, nog niet ken of nog niet voel. Groeien doe ik er niet van, integendeel het maakt me nederig, dankbaar en klein, ver uit het zicht van onbereikbaar opgelegde ambities, kortom ver weg van de ratrace. Ik geloof zelfs dat ik door dat nieuwe inzicht al een beetje gekrompen ben. Ideaal want ik wil al een tijdje niet meer de grootste zijn.

Liefde is stopverf

Liefde is een illusie, een spelletje, maar wel één dat best met zorg en aandacht gespeeld wordt, anders is er niks aan. Door ouder te worden heb ik mezelf veroordeeld tot een subtiele maar een daarom niet minder cynische vorm van eenzame liefde. Misschien deed ik het onbewust omdat ik door de jaren heen de illusie van de liefde doorprikte of misschien is het een gevolg van het feit dat ik de spelregels niet helemaal volgde? Wie zal het zeggen?


Liefde en ouder worden, niet dat ik iemand wil schofferen, en mezelf al zeker niet, maar ik stel me openlijk de vraag of er geen sleet zit op de formule? Ik stel me ook de vraag of niet iedereen het spelletje moet blijven meespelen om het voor alle deelnemers een beetje plezant te houden?
Een illusie dus, of iets voor de jonge generatie die er nog naïef op vertrouwd dat verliefdheid en liefde hetzelfde betekent, en dat het voor altijd blijft duren. Als je een bepaalde leeftijd bereikt, zoals ik dus, en sensuele geilheid inruilde voor sleur of verplichting, is het in stand houden van die illusie meer dan ooit een levensnoodzakelijke opdracht. Verlies je dat droombeeld uit het oog, en geloof me, daar is met de snelheid van het leven niet veel voor nodig, rest je niets anders dan met constant gepieker al je angsten en twijfels in je eentje te doorstaan.
De hele dag lopen vloeken en tieren, ik zou dat kunnen doen maar doe het niet omdat het net die illusie is die mij recht houdt.


Liefde is een illusie. Wat we ervan gemaakt hebben, heeft niets te maken met de romantische voorstelling die we er vroeger aan gaven, toen we jong en onnozel waren. Dat beeld vervaagde met de tijd. Behendigheid, gemakzucht en voortplanting, al dan niet bezegeld in een wettelijk geregistreerd partnership onder een luifel van wederzijdse verantwoordelijkheid, zijn we liefde gaan noemen. Eeuwigdurende liefde bestaat niet, voortplanting bestaat, reproductie. Voortplanting, gemakzucht en aanpassing, veilig beschut onder het dak van gewenning en gewoonte. Al de rest passen we aan op een manier die ons het beste uitkomt. Wat dat betreft zijn liefdesverwachtingen even kneedbaar als stopverf. We bewerken ze met klei die nooit hard wordt. Als doorwinterde darwinisten geven we er telkens opnieuw een nieuwe schwung aan zodat van het oorspronkelijke plan niets overblijft. Op die manier wordt liefde een levenswerk van bijstellen, nuanceren, herformuleren, aanpassen en finetunen. We doen het net zolang tot het helemaal vervormd is en we vergeten zijn welk kunstwerk het oorspronkelijke ooit geweest is.
We doen nog wel dingen samen hoor, af en toe zelfs nog met elkaar al moet ze me daar wel op voorhand voor waarschuwen. Soms denk ik dat zij gewoon mijn wandelstok is. Mocht ze er niet meer zijn, ik zou nog somberder door het leven stappen omdat ik de korter wordende afstand tot het einde alleen zou moeten afleggen, zonder wandelstok.


Wat blijft er dan over? Als je ouder wordt, blijft alleen de veranderlijkheid en de schoonheid van de liefde over. Toegegeven, dat is veel.


Darwin had gelijk:

“…De zwakken moeten ervantussen als ze niet in staat zijn zich aan te passen…”

Losgeslagen fantasie

Mensen zeggen altijd dat ik een overactieve fantasie heb, te donker of te romantisch. Dat ik te veel koffiedrink en nog vaker dat ik te veel sigaretten rook. Dat ik meer moet bewegen. Dat ik het verleden niet loslaat en de toekomst, ja daar zeggen ze niets over. Dat ik plannen maak die nergens toe leiden en ze dan afzeg.  Ze verwijten me dat ik te weinig doe en afspraken niet nakom. Ze vragen me waarom ik altijd een korte broek draag en me dan beklaag dat ik het te koud heb. Dat ik te veel woorden gebruik die niemand begrijpt. Dat zeggen ze niet expliciet. Maar het is niet omdat ze het niet in mijn gezicht zeggen dat ze het niet denken. Ze hebben gelijk. Ik ben een dromerige, romantische praatjesmaker. En dat is precies de reden waarom ik veel te vermoeiend ben en dat uiteindelijk iedereen afhaakt en van me wegloopt.

Door mijn overactieve fantasie ben ik onbetrouwbaar en vertel ik onzin, ja zelfs leugens. Tegen mensen zeg ik dan. ‘Maak je geen zorgen, wees niet bang, loop weg van je demonen en doe alsof ze er niet zijn, negeer ze. Alles komt altijd goed.’ Waarom zeg ik gewoon de waarheid niet? Er zijn demonen waar je bang moet van zijn en waar je niet kan van weglopen. Punt. Ze zitten niet onder je bed maar ze zijn er wel.  Ze wonen in je hoofd en zeggen je dat je een overactieve fantasie hebt. Waarom zeg ik dàt niet gewoon? Op een bepaald moment moet je namelijk wel verder, met of zonder. Ik weet wel dat het moet maar ik weet alleen niet hoe. Iemand kussen zou helpen denk ik, maar mensen van over de vijftig kussen niet meer. Waarom vergeet ik dat steeds? Misschien omdat ik al over de vijftig ben.

Als ik dan neerslachtig ben zeggen ze. Jij bent te leuk en te grappig om lang verdrietig of depressief te zijn. Jij lijkt zo in evenwicht zeggen ze dan. Ik wil dat allemaal wel graag geloven maar ik ken de waarheid. En die waarheid die maakt dat ik die leugens moeilijk kan geloven. Misschien liegen zij wel even hard tegen mij dan ik tegen hen over die demonen. Ik vraag hen hoe er een toekomst kan zijn als het verleden in de weg zit? Dat gaat niet, zeggen ze. Dan zit je met het heden vast in het verleden.

Wanneer diezelfde mensen me dan laten weten dat ze zich zorgen maken, zeg ik dat het niet nodig is in de hoop dat ze ermee stoppen. Ze doen dat niet. De zorgen verschuilen zich in mijn poriën of erger in mijn bloed. Ik denk dat ik met alles wil stoppen. Met werken, met schrijven met een afwezige vader te zijn, met een waardeloze partner. Met een dromerige praatjesmaker.  Ik weet dat het moet. Ik weet alleen niet hoe. Ik weet dat ik van jullie hou maar vrees dat ik de waanzin van mezelf haat. De waanzin waarvan ik de reden ben die rusteloosheid veroorzaakt zonder te weten waarom.

Vroeger dacht ik dat ik talent had. Getalenteerd met kwaliteiten waar niemand iets om geeft. Toen ik mijn eerste kladboekje klaar had was ik nog trots. Het tweede heeft die illusie kapotgesmeten.  Beneden in het bureau liggen nog tweehonderd zesenvijftig stuks te wachten op een lezer. Slijt eerst die rommel voor je aan andere begint, zegt een demon.’ En gelijk heeft hij.

Ik word te oud voor deze shit. Ik begin zelfs wartaal uit te kramen over demonen in mijn hoofd.

Misschien kamp ik dan toch met een overactieve losgeslagen fantasie? Als die me kan redden word ik onsterfelijk. Waarom vergeet ik dat toch steeds.

Relatieonhandig

Waarom?  Om mezelf aan de waggel te houden? Om datgene te vergeten wat al zo ver achter me ligt maar waarvoor ik nog steeds schaamte voel?  Doe ik het om mezelf een ogenschijnlijk geldig excuus te geven zodat ik datgene wat nog komen zal en waarvoor ik bang ben handig kan uitstellen?  Wordt schrijven dan een schijterige poging om het leven dat lastig is te begrijpen of is schrijven net een streven om het helemaal te negeren, dat leven?

Uit het boek dat ik momenteel aan het schrijven ben, zitten negendertigduizendtweeënveertig woorden me niet voldaan aan te staren.  Hoewel ik al zeventienduizend zevenhonderdenvijf woorden schrapte, is wat ik lees niet naar mijn zin. Sommige zinnen roepen misnoegd, ‘kan je ons niet een beetje korter en concreter maken’. Andere vragen me teleurgesteld, ‘kan het alstublieft met een beetje meer detail, verdienen wij jouw veel te zuinige aandacht dan niet?’ Als ik ze allen, nogmaals en minstens voor de dertigste keer herlezen heb, vraag ik me af waarom ik me met dit werk, dat voor mezelf toch nooit een genoegzaam resultaat zal hebben, blijf teisteren.

In de taal die ik schrijf zoek ik, al te vaak zonder deugddoend resultaat naar woorden en zinnen die iets teweegbrengen. Ik hanteer dan het spel van herhaling, alliteratie, tegenstelling en woordklank in korte fijne zinnetjes en wissel ze af met uitgesponnen romantisch of scherpzinnig bedoelde abstracties. Soms lukt het me om in een handvol woorden iets te maken dat van alles kan doen voelen, maar al te vaak schrijf ik zonder tot ook maar één zinnenprikkelend beeld te komen waardoor jij als lezer iets zou moeten voelen. Zo gun ik me de illusie dat ik mezelf eventjes interessanter mag wanen dan ik eigenlijk maar ben.

Dat schrijven en schrappen, dat herformuleren, dat onophoudelijk herbeginnen is op de keper beschouwd dan ook niets meer of niets minder dan een schuchtere poging om me met mezelf te verzoenen. Misschien werd schrijven voor mij persoonlijk dan ook gewoon maar een onbereikbaar streven naar het vergeten van kemels en naar het leren samen te leven met mezelf.

Wat onduidelijk blijft, is of me dat ooit zal lukken. Want eerlijkheid gebied me toe te geven dat ik mezelf met die verwachting toch maar steeds opnieuw blijf teleurstellen. Met jouw goedvinden blijf ik dan gewoon nog maar eventjes voortschrijven.  En mag ik daar dan alstublieft net zolang mee blijven doorgaan, tot ik mezelf als betrouwbare partner in de relatie met mezelf mag beschouwen.

Is het inzicht dat deze zaterdagnacht me geboden heeft niet de sleutel tot het uitbouwen van elke stabiele relatie ook diegene die ik met mezelf aanga? Het hoeft niet perfect te zijn. Ik hoef niet perfect te zijn en ik geloof echt dat dit zo is, want mensen die kort bij me staan en het kunnen weten zeggen me dat bijvoorbeeld onhandigheid het hoofdkenmerk is van de meeste relaties die ik aanga, al gebruiken ze daar meestal meer tot de verbeeldingsprekende terminologie voor. Niet dat ik dat niet weet, relatieonhandigheid beheers ik namelijk als de beste, in alle aspecten, al drieënvijftig jaar lang, Misschien moet ik daar ook maar eens een boekje over schrijven.

Tijdelijk herwonnen jeugd

Ik schrijf om niet vergeten te worden. Wie mijn lezer is, weet ik niet, en dat is niet belangrijk. Misschien wordt het dat pas wanneer dit verhaaltje wordt opgevist uit een gammele kist op een of andere zolder, ooit. Misschien krijgt het dan de betekenis die ik er nu wil aan geven, wanneer een lezer met zijn ogen door mijn gedachten bladert, en er dezelfde ondefinieerbare twijfel in voelt die nu door mijn ziel woedt. Ik ben Jan, zoon van Jef de gereedschapsdraaier en van Carola de ruziemaker. Dit is de ingekookte versie van een praatjesmaker van drieënvijftig die door het leven bedeeld werd met een onmetelijk ego, een vuil blad en met een uiterst breekbaar hart. Buiten ongepast zelfmedelijden en wat losse rafels heb ik niets aan het hoofd al lijkt het als je onder de oppervlakte kijkt dat ik mijn verstand en mijn hart verloren heb. Met aandoenlijk kinderlijke melancholie verberg ik de utopische euforie van mijn jeugd en die van vergeten figuranten die erin passeerden en die net als ik slachtoffer werden van domme onwetendheid of van nog dommere hoogmoed.  De tragedie van het leven is dat men niet oud wordt maar dat men zich jong blijft wanen. Toch verdwijnt iedereen net zoals ik op een dag naar de achtergrond, langzaam door de tijd vergeten. Ik ben Jan en koos mezelf als hoofdpersonage, omdat hij de enige is die overblijft wiens gedachten en emoties ik nog vertrouw. Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een roekeloos verleden. Een verleden dat met elke dag die voorbijgaat meer terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst. Wat hier neergeschreven is, is een levende getuigenis van een half leven dat even zinvol als zinloos voorbijvloog en waar niet veel meer van overblijft dan de tijd die erin verdwijnt. De herfst blaast mijn laatste zomerdag weg om nooit meer terug te komen. Met het vallen van het blad weet ik dat levenservaring een kam is die je van het leven cadeau krijgt op het moment dat je kaal begint te worden. Of drieënvijftig de juiste leeftijd is om tot die vaststelling te komen, weet ik niet. Mijn haargrens bevindt zich namelijk nog precies op dezelfde plaats waar ze zich dertig jaar geleden bevond, al wijt ik dat eerder aan de rimpels op mijn voorhoofd die mijn vel zwaarder doen wegen waardoor mijn haarlijn naar onderen getrokken wordt. Ik zeg maar wat, maar kaal, ben ik nog niet. Toch ben ik het vandaag aan mijn leeftijd verschuldigd om me tot de leeftijdsgroep van de ‘puberende vijftigers’ te rekenen. Gewoon maar vijftig worden is voor groentjes. Het is vanaf drieënvijftig dat men opnieuw recht van spreken krijgt in de grijzer wordende leeftijdscategorie waartoe ik behoor. Al doe ik dat spreken straks misschien best iets luider opdat ze me anders niet horen of verstaan. Officieel zal de stempel ‘vijftig+’ vanaf maandag meer inkt achterlaten wanneer ik de voorrangskaart voor een zitplaats van de trein laat afstempelen. Drieënvijftig dus, en officieel oud. Vanaf maandag zal ik me ten volle vijftiger voelen omdat mijn alsmaar stijver en dikker wordend lijf meer plaats zal innemen dan wanneer ik nog met een veertig+ karkas bedeeld was. Ik ben me ook meer en meer bewust van alle lichamelijke kwaaltjes en van alle andere ellende die met dit cijfer gepaard gaan. Maar niet alles is even kut als ik het hier laat uitschijnen. Ik begin namelijk de kunst te verstaan om mijn lichamelijke beperkingen en mijn mentale obstakels te herkennen en te aanvaarden. Dat mijn libido al eens vaker foert zegt hoeft niet echt een probleem te zijn want dat lijfelijk ongemak raakt met een pilletje in een wip opgelost. De tijd dat ik daar beschaamd over was ligt ver achter mij. Ik los dat wel op. En nu ik deze woorden neerschrijf onder een Noorse sterrenhemel bedenk ik me dat dit alles een uitspraak zou kunnen zijn van een huurmoordenaar die mijn toekomst vermoordt of van een loodgieter die me sust met de gedachte dat zolang de dichting van het kraantje het houdt, het wellicht niet zal lekken. Waar ik echter niet aan gewend raak, is dat ik irritant saai begin te worden en dat ik dat nieuwe gevoel nog als cadeau aanvaard ook. Wie had dat ooit kunnen denken? Hopelijk word ik met deze nutteloze levenswijsheid, net zoals dit tekstje niet vergeten, ik word namelijk niet elke dag drieënvijftig. Maar eerst ga ik met mijn tijdelijk herwonnen jeugd nog een paar Vikingen verslaan en wie weet springt er morgen toch nog een zalm in mijn net.

Krikkel.

“Af en toe is een relatie niet veel meer dan het delen van een slecht humeur tijdens de dag en slechte geuren tijdens de nacht”

Vier uur, ik ben klaarwakker. Niet dat het de bedoeling is, bijlange niet. Ze ligt naast mij op haar rug, het hoofd lichtjes naar mij gekeerd, waardoor ze ritmisch en zacht snurkend een zuur luchtje in mijn gezicht ademt. Naar links uitwijken is onmogelijk omdat langs die kant van het bed maar tien centimeter matras overblijft en zij in haar christushouding de overige een meter negentig in beslag genomen heeft. Uit de luisprekers van haar oortjes, die ergens op het dekbedovertrek liggen, klinkt stil maar net hoorbaar Indische zweefmuziek die ze een uur of vier geleden heeft uitgekozen omdat ze anders moeilijk inslaapt. Het zacht gerochel in haar keel doet me denken aan het geluid van een leeglopend bad en aan het laatste restje badwater dat door het putje van de afvoer gezogen wordt. Je zou dat gekwalster ook kunnen vergelijken met het zuigpijpje dat een tandarts in je mond hangt en reutelt en rochelt van zodra het je hele speekselvoorraad opgezogen heeft. Uit haar mondhoek die door de zwaartekracht een beetje naar links afhangt, sijpelt een streepje kwijl dat op haar wang verdampt zodat na een poos een fijn zoutkorstje achterblijft.

“Af en toe is een relatie niet veel meer dan het delen van een slecht humeur tijdens de dag en slechte geuren tijdens de nacht”, prevel ik in gedachten zonder verder aandacht te besteden aan deze fel overdreven conclusie.

Toegegeven, ik ben de laatste weken misschien “een beetje licht geïrriteerd” maar dat komt alleen maar omdat wanneer een van ons beiden krikkel of prikkelbaar is, het lijkt alsof de andere die gril zo snel als mogelijk moet overnemen. Dan ontstaat er zoiets dat op een rechtszaak trekt. Pleidooien voltrekken zich zonder schuldigen, slachtoffers of jury in een soort assisenzaak waarbij de ene partij zo straf als mogelijk datgene probeert te ontkrachten wat de andere wil bewijzen en vice versa, zonder dat er überhaupt ooit een zaak geweest is.

Ik besef het wel. Het ligt helemaal aan mij. De laatste weken leef ik een beetje onder donkere wolken. Ik ben licht geraakt, ongeduldig en overprikkeld. Om de korte lont in mijn dynamiet niet aan te steken, keer ik in mezelf en plooi ik terug in mijn eigen denkwereld. De kloterij is dat ik niet helemaal zeker weet of die onweersbuien het gevolg zijn van de coronashit of toe te schrijven zijn aan een ander soort ontevredenheid. Misschien ben ik, door corona gewoonweg een miscontente mens geworden? Maltevreden, over mijn werk, waar het altijd beter kan maar dat niet lijkt te worden, over die paar vierkante meters waar ik al anderhalf jaar mijn tijd in doorbreng, over het weer dat zacht maar te nat is voor de tijd van het jaar, over het gebrek aan vrijheid of over mijn vadsige luiheid die altijd maar in de weg blijft zitten. Ben ik besmet met het virus van de onverschilligheid of belast met het syndroom van kustmijnklotenmans? Ik weet het niet. Ik krijg die vaag, knagende triestigheid aan mezelf niet uitgelegd.

Morgen ben ik vierentwintig jaar lang vader en is het dat misschien?  Dat onderbewuste besef dat met tweeënvijftig jaar het meeste vet van de soep is? Of ligt er ergens misschien toch nog een droom te rotten maar ben ik vergeten waar ik hem verstopt heb?   Wie zal het zeggen?

Donderdag krijg ik mijn coronaprik.  Met één spuitje ben ik ervan af. In tegenstelling tot die Limburgse burgemeester schaam ik me een beetje voor die vroege spuit, omdat ik bij mijn weten geen onderliggende risico’s heb en ik volgens mij niet oud genoeg ben om nu al aan de beurt te zijn. En is het die gedachte die me onderbewust aan de waggel houdt? Ben ik onzeker omdat ik net gewend ben geraakt aan de zekerheid en aan de slome traagheid van dit rustig leventje en zal die straks opnieuw zal ingewisseld worden voor het spookbeeld van de jachtige drukte waar ik allergisch voor geworden ben of voor een nieuwe realiteit die ik nog niet ken?

Nog een paar dagen, dan zal ik je op die vraag antwoord kunnen geven, tot dan zal ik proberen me niet al te fel te ergeren aan mijn vrouw die zachtjes ligt te ronken.

Grijze zetel.

De zetel waarin ik lig is grijs en bijna even kleurloos en stoffig als ikzelf aan het worden ben. Op de plek waar hij staat lijkt de wereld stil te staan. De trage onbezorgdheid waarin tijd zou kunnen opgeslokt worden, bevrijdt me en doen mijn dagelijkse belemmeringen en bezorgdheden langzaam van mij afglijden. Nu ik hier zit, lijkt het wel alsof ik net zo stil sta als de grijze zetel waarin ik me bevind en waarin ik elke avond, net voor het slapengaan mijn geestesgesteldheid in overpeins. Omdat het stil en donker is, voel ik me op deze plek de koning te rijk. De weelde van deze dagelijkse productieve retraite zal ik blijven opzoeken zolang ik kan, om op mijn dag terug te blikken of om mijn dwalende gedachten te inspecteren op mankementen. Alice Nahon zei het met minder woorden maar wellicht was ze ook gezeten in een grijze zetel, die avond in het jaar 1921, toen ze deze woorden, ‘op zachte vooizekens’ uit haar ziel toverde.

T is goed in ’t eigen hert te kijken zoëven vóór het slapen gaan of ik van dageraad tot avond geen enkel hert heb zeer gedaan.

Niet dat mijn impulsieve zielenroerselen de zielenstrijd met haar schone woorden mogen aangaan, absoluut niet, daarvoor zijn mijn woorden te stomp, mijn zinnen te lang en de schrijffouten te abondant. Toch hebben vanop deze plek al menig ronddolende gedachten de weg naar moeizame woorden gevonden. Soms denk ik dat dit plekje op de wereld helemaal voor mij alleen gereserveerd werd om mijn impulsieve opwellingen en verbeeldingen te distilleren tot iets wat als leesbaar geacht kan worden. Onvoorspelbaarheid, nieuwsgierigheid of verandering zijn daarbij uit den boze en zelfs nefast voor de brainwave van het idee dat dat ik wil aanboren, omdat dit de broze woordentrance fnuikt waarin ik me tracht te begeven.

Daarom zit ik graag in deze grijze zetel, om even in eigen hert te kijken en om na te gaan, of ik vandaag, van dageraad tot avond geen enkel ander hert heb zeer gedaan.

Een koe die saffraan eet.

Wanneer ik nadenk over persoonlijke triomf en over de totale nutteloosheid ervan, moet ik teruggaan naar de tijd – het moet ergens halverwege de jaren negentig geweest zijn – dat ik nog handbal speelde en ik dacht dat succes, winst en aanzien het allerbelangrijkste in het leven was. We trainden dikwijls, speelden vaak wedstrijden, die we soms wonnen en soms verloren, dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Soms haalden we met onze prestatie een enkele keer sportweekend, maar alleen wanneer er tijdens dat weekend toevallig geen voetbal- of wielerwedstrijd was. Ik herinner me nog dat ik nijdig werd toen Mark Vanlombeek mijn naam als Pultjo – of iets dat daar op leek – uitsprak en ik in prime-time een tegenspeler nogal hardhandig in de tribune keilde en er een rode kaart aan overhield. Dan komt een mens eens op Tv, lappen ze je dat. Elke week opnieuw trokken we vanuit Lebbeke naar Kortrijk, naar Eupen of naar elders ten lande, om daar te proberen de held van het speelveld en van de competitie te worden. Soms lukte dat, maar vaker of meestal ook niet. Dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Een keer werd ik geselecteerd voor de Belgische elite en mocht ik mee op interland naar Ijsland om daar de nationale kleuren te helpen verdedigen. Sportieve afgang heb ik nooit eerder zo hard ervaren als toen, in die met Vikings afgeladen volle sporttempel in Rejkjavik. Mijn brutale hoogmoed werd via alle kanten rond mijn hoofd aan diggelen gegooid. En ik, die dacht dat ik op handbalgebied wat voorstelde. Wist ik veel dat die Gunnarsons en Steffansons en alle andere -sons (elke naam in Ijsland eindigt op -son behalve als je zonder piemel geboren wordt dan eidigt hij op -dottir) die ons die avond mochten vernederen, stuk voor stuk hun centen verdienden in de Bundesliga, toendertijd de betere zoniet de beste handbalcompeitie van Europa en omliggende straten. Hoewel ik tijdens de heenreis nog dacht hoog te kunnen vliegen, ben ik sportief, nooit harder met de voeten op de grond beland dan die avond tussen de handballijnen van dat vulkanisch eiland. Om nederig te worden moest ik blijkbaar eerst de handbalvikings van Ijsland ontmoeten. Ik had het eigenlijk op voorhand moeten weten want, vele jaren tevoren was ik al een keer onzacht met een Deense Viking in aanraking gekomen, al had zij van mijn waardigheid nog iets overgelaten toen ze er met mijn hart van onder gemuisd was. Maar dat is een hele andere hystorie.

Een jaar of zestien zeventien zal ik geweest zijn toen ik dacht te weten hoe het leven in elkaar steekt. Mijn mond was toen vele malen groter dan mijn verstand, maar eigenlijk wist ik van het leven maar zoveel als een koe weet van saffraan eten, niks dus. Onze pa kon dat schoon zeggen, wanneer ik het op school weer eens veel te bont had gemaakt, dan zei hij, ‘zoon ge peinst dat ge het allemaal al weet, maar uwe grote bek begint maar daar waar uw stom verstand eindigt.’ Over mijn hart werd niet gesproken, dus begreep daar ik ook niets van, al kon ik daar niet grootmoedig over doen, want ik had al aan den lijve ondervonden dat ik dat ook heel snel kon kwijtraken, ongeacht de hoeveelheid branie dat ik uit mijn nek kletste. ‘S avonds in mijn bed, met mijn kussen als enige troostend gezelschap, mat mijn één meter drieënnegentig dan vele malen kleiner dan wanneer ik er overdag mee tussen mijn soortgenoten parradeerde die op dezelfde manier probeerden branie te schoppen en te verdoezelen dat ze eigenlijk even onzeker en sukkelachtig waren als ikzelf.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat nederig en bescheiden worden noodzakelijk is om het leven een heel klein beetje te begrijpen want in de tweeënvijftig jaar die ik binnenkort op deze aardkluit loop druk te doen, heeft mij nog nooit iemand op heldere of overtuigende wijze de belangrijkheid van vluchtig succes of van overroepen machtsvertoon kunnen uitleggen. Mijn hart is al een paar keer gelijmd en ik heb nog steeds niet geleerd om kemels te vermijden. Soms probeer ik nog altijd de slimste te spelen ook al versta ik van het leven niet veel tot niks. Nu weet ik pas dat ik het leven nooit helemaal zal kunnen begrijpen, en laat dat nu hetgene zijn wat ik zeker weet. Met al de rest ben ik ook nog bezig, om het te vergeten.

Tot nooit meer…

Als ik al de stommiteiten die ik ooit gemaakt heb, en als ik al hetgeen wat me in mijn leven ooit te beurt gevallen is, en waarvan ik spijt heb of waarover ik me schaam, daadwerkelijk wilde vergeten, kon ik niet anders dan me alles zo precies mogelijk proberen voor de geest te halen. Ik moest en ik zou trachten om me elk detail zo juist mogelijk proberen te herinneren om niet het risico te lopen dat ik de moeilijkste zaken zou vergeten of dat ik ze zou vergeten te vergeten. Indien ik dat niet zou doen, zouden al die nare ervaringen die ik uit de weg probeerde te gaan of die ik onder de mat probeerde te moffelen, vroeg of laat opnieuw mijn pad kruisen. Ik vroeg me af of ik – om al die zware dingen lichter te maken en om ze een definieve plaats te geven – ze niet beter zou opschrijven, in een soort inventaris van mijn geweten. Ik ben geen masochist en ik wentel me niet graag in zelfbeklag. Ik kan ook niet zeggen dat ik niet vreesde om aan die oude littekens te prutsen, want misschien ging ik ze wel opnieuw open krabben, en ging ik oud verdriet of vergeten gemis op die manier verversen. Maar ik moest, koste wat het kost het lijstje van mijn geweten afvinken, om de openstaande rekeningen uit het verleden af te lossen. Ik denk niet dat ik eraan ontkomen kon, temeer omdat ik in de wekelijkse bijeenkomsten die ik al lang onderhoud, ondervonden heb dat er geen gelukkige toekomst mogelijk is zonder dat er eerst een leesbare of begrijpelijke versie van het verleden gemaakt wordt. Met begrip van mijn geschiedenis versta ik toch gemakkelijker mijn heden, niet? Leuk, was niet aan de orde, maar met een pen, een inktpot en een bereidwillige uitgever zou het me misschien lukken om een streep te trekken onder mijn bezwarend verleden, en zou ik er moed in kunnen vinden om een nieuw pad naar de toekomst te leggen.

Waarom had ik me toch zolang en zo koppig gefocust op ergernissen die buiten mezelf lagen. Waarom zie ik vandaag nog steeds beter de kemels die anderen maken dan diegene die ik zelf schiet? Waarom ergeren zoveel mensen – mezelf incluis – zich toch steeds opnieuw aan het gedrag of aan meningen van andere mensen, en aan mensen die zich op hun beurt dan weer ergeren aan andere mensen en aan andere meningen? Is dat het geval omdat ze eveneens geen vrede hebben kunnen sluiten met het leven dat ze vandaag zelf leiden maar niet de moed, het inzicht of de middelen hebben om het onder ogen te durven zien en om het zelf te veranderen? Zou het kunnen dat er bij hen ook onverwerkte dingen uit het leven in de weg blijven zitten en maar blijven opspelen zodat essentieële keuzes onmogelijk kunnen gemaakt worden? Zit er in onze generatie klagers dan zoveel ongenoegen omdat we voortspruiten uit een generatie babyboomers die zelf in hoogstens twee decennia vanuit een overall in een maatpak groeiden en dat ook van hun kinderen verwachtten. Misschien werden we door hen wel opgevoed met het idee dat het leven als een wedstrijd moet aangegaan worden, als een concurentiestrijd waarin niks mag gemist worden en waarbij de winnaars als belangrijker of voornamer aanzien worden dan verliezers. En misschien gaat dat obsessief streven naar maatschappelijk succes, naar status en materieel aanzien wel ten koste van empathie, verdraagzaamheid en naar harmonie die ons normaal gezien als sociale mens zo kenmerken? Misschien verloren we als maatschappij gewoon de juiste weg die leidt naar contentment en naar verdraagzaamheid, precies op dezelfde manier zoals ik mezelf kwijt raakte in de illusie van mezelf?

Gebeurtenissen uit het verleden zitten vaak op onheispellende plekken verborgen. Als je er naartoe gaat wordt je er met de neus op feiten gedrukt die je liever vermijdt want je ziet jezelf er vaak op een manier die niet zo fraai oogt. Misschien is het beter om die pijnlijke confrontatie gemakshalve uit de weg gaan, want sinds ik de ten laste legging van mezelf uit het verleden onder ogen kwam, staat mijn besluit vast. Ik ga er definitief afstand van nemen om er voor altijd van te scheiden. ‘Vaarwel en tot nooit meer’, zeg ik dan, of tot de volgende keer dat ik me weer helemaal in jou verlies al zal ik dan wel proberen om er jou niet langer meer mee lastig te vallen.

Nooit altijd!

Klinische psychologen zijn het er roerend over eens, koppels die nooit ruzie maken eindigen niet samen. “Nooit, jamais de la vie”, voegen ze daar allemaal nog vastbesloten in koor aan toe als ze Franstalig zijn. Ze beweren dat relaties die gedoemd zijn om in een doodlopende straat te eindigen, relaties zijn waarvan de waakvlam in alle rust en kalmte, helemaal in is uitgedoofd. Paren die zich hullen in stilzwijgen hebben geen schijn van kans, daarover zijn ze het unaniem eens, zelfs niet als de vonk ooit zo groot geweest is om er een uitslaande brand mee te veroorzaken.  Eens het liefdesvuur geblust is en er enkel nog prikkende rook overblijft die op de adem pakt en ogen doet tranen, is er geen lievemoederen meer aan. Dan is het boeken dicht, end of story, over en uit! Tenminste als ik op de woorden van klinische zielenknijpers mag afgaan.

Onverschilligheid, angst of geen goesting om in discussie te gaan, prijken als boosdoener op nummer één, twee en drie en hebben het grootste aandeel wanneer het erop aan komt om liefdesvuur te doven. Stom lopen, je kwaad maken of op de tong bijten, brengt dus geen zoden aan de relatiedijk. Scherpe verwijten helpen evenmin. Die belemmeren even hard als met deuren slaan of met serviezen gooien. Dat soort actie past eerder in een slecht annexatieplan waarin de tactiek van de verschroeide Aarde wordt toegepast, tenminste wanneer het er niet op aankomt om de andere de mond te snoeren maar om zinvol ambras maken.

Met weten hoe het niet hoort, ben ik geen fluit. Daarvoor hoef ik geen analyses of essays van klinische psychologen te bestuderen. IJsberen en stom lopen, kan ik al als de beste, been there, done that, meermaals en altijd met als direct gevolg dat ik een paar deksels tegen mij neus kreeg of dat ik moest wegduiken om een slecht gemikte deegrol te ontwijken omdat ik nog maar eens in die hoogoplopende altijd-nooit-discussie was verzeild geraakt en ik uiteindelijk met verbaal vuil de bovenhand dacht te nemen.

Natuurlijk ben ik nieuwsgierig om te weten waarom ik steeds opnieuw in diezelfde Ruziemakersstraat terecht kom. Het lijkt dan wel een script dat zich telkens opnieuw herhaalt en dat alles weg heeft van een steeds terugkerende droom waarvan ik nadat hij uit gedroomd is even aan de rand van het bed moet gaan zitten. Om te bekomen en om na een paar minuten tot besef te komen dat het weer maar eens diezelfde stomme repetitieve nachtmerrie was.

Natuurlijk wil ik discussiëren. Niet om gelijk te halen of om mij de betere te voelen maar om te begrijpen en te vermijden en om te achterhalen waarom ik telkens opnieuw over diezelfde struikelblok val.  Maar ik besef natuurlijk ook dat je met twee moet zijn om met gevoel en passie een sensuele tango te dansen. Ik zou ondertussen beter moeten weten, dat ik best niet in de boksring stap wanneer de kampioen op voorhand gekend is, nog voor er een mep gevallen is. Want wat haat ik toch dat gevoel dat ik in ronde één al, in mijn emotionele buien en in mijn gevoelig gejammer knock-out geslagen wordt door rationele analyses en beredeneerde argumenten waar geen speld is tussen te krijgen. En het is telkens in ronde twee dat ik machteloos en stil wordt dat mijn bloed ervan gaat koken dat ik die verbale uppercut geef die aankomt ook al weet ik dat die uithaal het slechtst mogelijke wapen is in een strijd die ik niet eens wou voeren. Schaakmat dan maar of handdoek in de ring? Ook al beweren klinisch psychologen dat koppels die nooit ruzie maken nooit samen eindigen?

Kleine filantroop die brood in stront verandert

Meestal gaapt er een grote leemte tussen mijn initiëele ambitie en wat ik er uiteindelijk van terecht breng. Steeds weer opnieuw zit er te veel afstand tussen het plan en het uiteindelijke resultaat. Hoe hard ik er ook naar tracht, op de ene of andere manier lijk ik de denkbeeldige kloof tussen de twee niet te kunnen dichten, haast alsof ik door iets dat buiten mezelf ligt wordt afgeremd of tegengehouden. Bullshit natuurlijk, want in het ene geval is het gewoon angst voor het onbekende en in het andere geval is het niets minder dan schrik om verantwoordelijkheid te dragen die me doen verstarren en inhouden. En het zijn net die twee spelbrekers die me steeds opnieuw tegenhouden of doen uitstellen om te doen wat ik hoor te doen of al moest gedaan hebben, al zal het ook vaak gewoon luiheid zijn. En dan bedoel ik niet alleen dat ik me verantwoordelijk voel voor vrouw en kinderen maar ook voor woonst en geld of carrière of aanzien ofzo en dan bekruipt me een soort van faalangst om er niet te komen of om niet iets te worden. Alleen een zot denkt dat hij de slimste is van de bende terwijl iedereen weet dat hij eigenlijk te stom is om brood in stront te veranderen. Zo voel ik me dan dikwijls, niet als de rest van de bende maar als zot.

Ik heb me nooit wereldverbeteraar of weldoener gevoeld omdat ik daar het juiste type niet voor ben, mogelijks omdat ik te veel Bohemer ben of te veel te hartstochtelijk in bepaalde dingen. Mijn smoelwerk, mijn lijf en mijn verstand hebben me ook nooit veel vertrouwen ingeboezemd. Ik geloof dus niet dat er een beter recept bestaat om een nog grotere snul te worden en de geschiedenis heeft me daarin niet tegengesproken. In relaties, op het werk, als vader of als sportman, overal kwam ik in een probeerselwereld terecht, een doe-alsof-wereld waarin ik velen onder jullie tegenkwam. Vandaag doe ik er alsof ik schrijver ben die doet alsof hij iets te vertellen heeft. Eerlijkheid gebied me te zeggen dat het behoorlijk eenzaam is in mijn alsof-wereldje hoewel het er bijzonder druk kan zijn met mensen die even hard proberen ook iets van betekenis te zijn door dingen te doen waarvan zij denken dat ze er het beste in te zijn. Het zit er vol doe-alsof-mensen zoals politici, trainers, ceo’s, managers, twittertoeters, facebookterroristen en andere heel belangrijke zielen die in hun eigen doe-alsof-jargon vruchteloos anderen trachten te imponneren en zo door vuur gebrand zijn dat ze overal een ongenuanceerde mening denken over te moeten hebben. Maar let op want in alsof-wereldjes kunt ge u behoorlijk vereenzaamd voelen als ge tracht die illusie hoog te houden. Toen ik laatst een voordracht gaf in de bibliotheek, de avond was speciaal voor mij georganiseerd, voelde ik me tussen mensen die ik bijna allemaal kende, ongepast populair omdat ik met veel bravoure mocht spreken over dingen waar ik iets vanaf meende te weten. Een handvol toeschouwers had misschien wat minder kennis van zake en al zeker niet de behoefte om er op een podium mee uit te pakken. Toen ik mezelf op dat podium gehesen had voelde ik me er behoorlijk hautain, belerend en eenzaam. Het vissen naar egards, luister en schouderklopjes had als enige reusltaat dat ik weer in de diepte stond te staren die gaapt tussen verwachtingen en resultaat. Ik kan dan ook niet anders dan mijn alsof-wereldje wat vaker achter mij te laten want ik ben er ondertussen achter gekomen dat ik nergens nog naar toe moet, dat ik niemand iets hoef te bewijzen en dat niemand op mijn ongevraagd advies zit te wachten. Mijn mensenvrees is dan een mooi excuus om me achter bescheidenheid en zelfkennis te verbergen. Ze hangen als een luifel over mijn bestaan en ze zullen daar tot het einde van mijn dagen blijven hangen. Zo kan ik me er als kleine filantroop in hun beschermde schaduw koesteren zodat ik met beide voeten op de grond blijf. Op dat plekje word ik dan misschien niet langer uitgelachen als zot die brood in stront kon veranderen en er een luchtbel kon van maken.

Vlag van de overwinning.

Vanmorgen stond ik traag op, zo langzaam dat zelfs dat veel tijd in beslag nam om tot het besef te komen dat ik er nog ben, dat ik nog besta, misschien zelfs nog voor iemand anders dan voor mezelf. Nu niet dat ik vind dat ik een grote rol van betekenis heb in dit grenzeloze universum van onbegrijpelijke chemische verbindingen en fysische toevalligheden. Neen dat is het zeker niet want toen ik daarstraks de slapers uit mijn ogen wreef heb ik een absurde maar vrij geweldige sensatie meegemaakt. In een intieme bliksemflits realiseerde ik me plotseling dat ik niemand ben, niemand, absoluut niemand. Hoe ouder ik word hoe onbenulliger en nutteloos ik me soms voel. Je zou deze zelfanalyse ten onrechte als plat zelfbeklag kunnen bestempelen maar deze gedachte zou afbreuk doen aan mijn puurste intieme reflectie van totale overbodigheid. Wanneer verveling me verdooft en ik het leven in zijn groots- en kleinheid probeer te begrijpen, begeef ik me met mijn gedachten soms op een gevaarlijk pad. Op zulke momenten denk ik dat de kwelling van het relatieve me misschien beter zou kunnen maken maar meestal kom ik bedrogen uit omdat ik veel liever wat anders zou doen.

Meditatie of zelfreflectie mag dan misschien wel een godsgeschenk zijn voor ongekende huis-tuin en –keukenfilosofen of voor koeien in de wei, voor mij begint het denken pas wanneer ik kan tateren of schrijven om op die manier de erbarmelijkheden uit het donkere hoekje van mijn eigen ik te halen. Schrijven is dan de aangenaamste of gemakkelijkste manier om het leven te relativeren of om het te negeren. Hier mag ik ongestoord krabben aan littekens van oude en nieuwe wonden die ontstonden in gevechten die ik tot nu toe uit de weg ben gegaan. Met schrijven mag ik aan mezelf ontsnappen en kan ik me verbergen achter mijn geweten en mijn ziel die zich verstopt achter onbenulligheden of achter dingen die het daglicht niet mogen zien. Ik hoop maar dat mijn ziel of de realiteit van het leven me nooit zullen vinden en dat ik vandaag gewoon mag onthouden wat ik gisteren genegeerd heb zodat ik morgen mag worden wie ik vorige week verloren ben. Dan pas kan ik die al opgelopen nederlagen vieren met een vlag van de overwinning en zal ik eindelijk misschien iemand worden. Op een dag, wanneer de zomer en ’t schoon weer samenvallen.

De voorlaatste

In zijn hoofd had hij de voorlaatste dag van een ingebeelde kalender doorstreept. Dat was vannacht gebeurd. Gedurende de nachten die voorafgegaan waren aan deze, had hij in zijn terugkerende zinsbegoocheling, al de voorafgaande dagen ook al doorgehaald met een dikke rode streep. Deze ochtend was net zo begonnen zoals elke andere morgen, met snelle koffie en nog rappere verslavende nicotine. Ochtenden als deze vatten het laatste jaar steeds op dezelfde manier aan als die van de dag tevoren, bedacht hij zich snel zonder enige aanleiding. Misschien gebeurde dat wel gewoon omdat hij zo veel nadacht, ongezond veel, over onbenulligheden. Zijn hoofd zat er overvol van. Zo dacht hij een paar tellen geleden nog aan het vriespunt van water en aan waarom warm water sneller bevriest dan koud water. Hij wist dat dat te maken heeft met gassen die meer aanwezig zijn in koud dan in warm water, waardoor een natuurlijke isolatielaag gelegd wordt tussen de watermoleculen zodat koud water minder snel bevriest dan warm. Hij wist dat. Zijn overvol brein dat onophoudelijk gedachten maalt, zit zo vol nutteloze weetjes alsof het soms lijkt dat hij slimmer is dan anderen terwijl dat in werkelijkheid helemaal niet zo is.  Niemand, zeker geen verstandig persoon zou anders op een dag als deze zijn gedachten laten afdwalen naar de vriestemperatuur van water, en al helemaal niet op dit moment, omdat hij als enige zeker wist dat morgen de wereld zou vergaan.

‘Veel dingen weten waar je niets mee bent is nutteloos, zoveel is zeker maar vergeefs wachten op iets dat komt of niet komt is nog stommer’, zei hij tegen het espressomachine dat tergend traag een nieuwe dosis cafeïne uitbraakte. Dit alles speelde zich af om 6:52 van de laatste zaterdag van de laatste maand van het laatste jaar, terwijl hij zich, wachtend op koffie inbeeldde, hoe dat einde van de wereld zich morgen precies zou voltrekken. In een verse vlaag van zinloosheid werd hij er zich opeens heel erg bewust van dat hij in zijn eigen leven heel veel tijd had verscheten. Zo ook, de voorbije week nog, waar hij wachtend in de file, tergend traag naar plaatsen was gevoerd waar hij eigenlijk liever niet had willen zijn. Of in de wachtkamer van de dokterspraktijk waar hij op een voorschrift cholesterolmedicatie had gewacht en op de diagnose van een kwaal die al een tijdje aan het opspelen is. In zijn leven had hij al veel geduld geoefend en had hij al veel gewacht, alleen of in lange rijen en files. Een paar nachten geleden had hij aan de hand van zorgvuldig berekende statistieken uitgeteld dat een gemiddelde mens vijf tot zeven jaar verspeelt door te wachten al lopen er zeker mensen rond die hun hele leven in een of andere wachtkamer doorbrengen en er vol onbereikbare verwachtingen hun leven vertreuzelen.

In zijn hoofd is het vandaag de voorlaatste dag en die is met voorsprong veel moeilijker dan de laatste, van dat feit was hij zich ten volle bewust. De voorlaatste is veel lastiger dan de laatste dag omdat die al ver van tevoren is vol gepland met een overvolle bucketlist. De ultieme bungeejump, het laatste glas dure champagne en laatste keer vrijen maar dat kan morgen allemaal nog worden geregeld. Maar wat doet hij dan vandaag? En wat als zijn berekeningen niet kloppen, wat als de waarheid van mijn vriend niet de waarheid is en morgen niet bestaat? Zal hij het dan allemaal vandaag nog kunnen doen of had hij het gisteren moeten doen en wat dan als gisteren dan ook niet meer bestaat?

Ik zwijg in alle talen.

Ik ben het verleerd of ik ben het kwijtgespeeld. Ergens onderweg moet het gebeurd zijn, net zoals met die wollen handschoenen die ik nooit droeg maar die voor een onverklaarbare reden steeds in de zakken van mijn winterjas staken. Vroeger deed ik het wel en veel, de hele tijd eigenlijk. Dan kon ik me beklagen over alles en iedereen omdat ik dacht dat ik altijd en overal een mening moest over hebben, dat ik altijd ergens ‘iets van moest vinden.’ Het was een tweede natuur geworden want overal waar ik kwam, had ik kritiek en vond ik overal, ergens wel wat van. Ik verstond als geen ander de kunst van het beter weten. Als ik later aan de hemelpoort zal aankloppen, zal Sint-Pieter me zeker vragen waar ik het grootste gedeelte van mijn leven mee heb doorgebracht. Ik zal dan antwoorden, ‘Pieter jong, ik heb veel tijd verscheten met beter weten en ergens iets van te vinden en het heeft me geen kloten opgebracht.’ Nog niet zo lang, eigenlijk de laatste paar jaren pas en telkens er een nieuw seizoen aanbreekt krijg ik het ervan op de heupen, van dat snel en gemakkelijk pessimisme en van dat betweteren. Niets is namelijk zo vernietigend dan in twee seconden, met een straf oordeel brandhout te maken over iets waar iemand een heel leven heeft aan gesleuteld bijvoorbeeld aan, zichzelf. ‘Doe jij het anders ook maar eens, probeer anders ook eens op te komen waar jij echt voor staat in plaats van af te kraken waar iemand anders in gelooft of na te apen wat iemand anders je voorkauwde.’

Als tegenwoordig iemand mijn eigenheid aanvalt gaan mijn stekels recht staan, worden mijn ogen vuurspleten en wordt mijn tong scherp als een speer. Het is zelfs zo dat wanneer ik tegenwoordig verslechtering bij anderen signaleer ik zelfs wat milder voor mezelf word omdat ik weet dat kritiek zoveel meer zegt over mezelf dan over de gebeurtenis, de persoon of het gedrag dat ik bekritiseer. In het echt verdraag ik ze amper nog, de mensen die met het vingertje omhoog zeggen hoe ik het zou moeten doen. Ik geef veel meer voorkeur aan intelligente, stijlvolle of nederige mensen die een tikje geestig zijn en de kunst verstaan om met fijngevoeligheid te bemiddelen tussen pientere kennis en bescheiden nieuwsgierigheid. De te kritische beterweters die geen ruimte laten voor anderen of andere gedachten, mijd ik als hondendrollen op het trottoir.

Ik huil niet meer mee met wolven in het bos. Laat mij mijn eigen gang maar gaan en jullie? Als het me zou gevraagd worden zou ik zeggen dat jullie misschien beter ook een beetje meer koppige zalm of eigenzinnige paling zouden kunnen worden, om compromisloos stroomop -of stroomafwaarts naar de juiste bestemming te zwemmen, om er te paren en te sterven in de plaats van als een sprot in de ogenschijnlijk veilige school te blijven zwemmen om gevangen en gerookt te worden, maar het wordt me niet gevraagd dus zwijg ik, in alle talen.

Sprei van verwachtingen

Als ik, al dan niet noodgedwongen, met mezelf als grootste knuffelbeer een beetje rust gevonden lijk te hebben, is er in mijn hoofd toch altijd iemand aanwezig die vastberaden het woord neemt. Iemand die zich met zijn aanwezigheid in het episch centrum van mijn denkbeeldig universum waant. Daar zit hij gewrongen tussen een andere iemand die zich op zijn beurt probeert te verzoenen met nog een ander iemand die er met iets meer bescheidenheid woont. Op het grijze voetpad van mijn hoofdstraat lopen mannen in strakke maatpakken en vrouwen op hoge hakken. Zonder ze een blik te gunnen passeren ze clochards die er zich op hun stuk karton een plaats hebben toegeëigend om van daar naar de wereld te kijken of hem beter proberen te begrijpen. Maar de figuranten zitten niet in mijn hoofd want als ik eruit ontsnap merk ik dat het leven dat ik leef ook bestaat uit mensen die machtsbalansen creëren of ze proberen in stand te houden. Ze balanceren op de weegschaal tussen diegenen die de dingen zeker denken te weten en tussen diegenen die er nog niet over nagedacht hebben, of wie het niets meer kan schelen.

Met mijn gebrek aan kennis dat zichzelf niet langer meer in vraag stelt, knuffel ik mijn persoonlijke naïviteit en bevattingsvermogen maar maak me tegelijk hoofdverdachte want ik pleit even schuldig door de verwijten die ik anderen maak of over oordelen die ik erover vel. Ik moet er mee ophouden want ik heb ze nodig, de andere mensen. Al was het maar om mijn eigen onwetendheid af te toetsen of om me te leren hoe ik op een andere manier kan kijken en voelen en scherper perspectief te krijgen. Op de keper beschouwd ben ik dan toch een mensen-mens die zich wederzijds afhankelijk maakt van anderen, anders had ik nooit kunnen leren kussen want in mijn eentje was dat tot dan toe nog nooit gelukt al had ik dat ooit weleens geprobeerd, ’s avonds in mijn bed met een dik kussen onder een sprei van verwachtingen.