Categorie: Zelfkritisch

Een alledaags verhaal van een niet alledaagse BMW-bestuurder

Zondagmorgen, met een slaapkop en met mijn verfrommelde net-uit-het-bed-look, strompelde ik naar de ijskast, op zoek naar iets eetbaars. Brood was er niet. Dat had ik al gezien. Maar er was ook geen melk, geen yoghurt en tot overmaat van ramp was ook de pot choco leeg. De Dodentocht was dit weekend gepasseerd. Drie dagen lang had heel Bornem, naar jaarlijkse gewoonte, collectief besloten om alle supermarkten te mijden. Ik dus ook. Even maakte ik de overweging om gewoon te blijven waar ik was en te doen alsof een paar augurken, twee gekookte eieren, een bokaal vervallen ansjovis en zeven cashewnoten een volwaardige maaltijd kunnen vormen. Niet omdat dat een goed plan was, maar omdat ik op een leeftijd gekomen ben waarop ik mijn luiheid met zoveel overtuiging kan cultiveren dat die een nieuwe streng aan mijn DNA gevormd heeft.  Maar nu zat er echt niks anders op dan aan mezelf toe te geven dat ik dringend een paar boodschappen moest gaan doen. Zonder choco zou ik de dag niet doorkomen.

Een kwartier later reed ik dus vloekend en tierend met mijn net-uit-de-badkamer-look maar ook met mijn aftandse VW Polo, de parking van de Carefour op.

Ik zag hem direct.  Die BMW. Hij stond compleet scheef geparkeerd en niet zo maar een beetje scheef, maar echt gewoon los over twee parkeervakken, alsof witte lijnen alleen maar getrokken zijn voor normale stervelingen zonder BMW. De eigenaar van de patserbak was in heinde en verre niet te bespeuren en ik voelde in mijn hoofd een licht tot matige storm opsteken.

“Sommige mensen nemen wel erg veel plaats in”, dacht ik. Maar dat is de gekuiste versie van wat door mijn hoofd ging voor ik alles censureerde.

Een zwarte BMW dus. In mijn hoofd, maar nu dus ook op de parking van de Carfour, is de eigenaar zo’n figuur die altijd twee parkeerplaatsen nodig heeft, één voor zijn Bak Met Wielen en één voor zijn ego.  Elke dag knippert hij minstens tien keer met zijn lichten omdat iemand die het aandurft om voor hem te rijden, volgens hem altijd twee kilometer per uur te traag rijdt. Hij spreekt je aan met  “vriend” maar zegt dat op zo’n manier alsof hij juist een vergunning heeft gekregen om overal een klootzak te zijn. Natuurlijk draagt hij een zonnebril en staat zijn kapsel stijf van de gel. Dag in dag uit loopt hij tegen iedereen te stoefen over de prestaties van zijn “Beemer”. Prestaties die omgekeerd evenredig zijn aan die van zichzelf. Ongetwijfeld is hij van mening dat verkeersregels belangrijk zijn, maar alleen voor mensen zonder “Beemer”.

Ik wist niets van hem maar tegen de tijd dat ik een winkelkar had gevonden, had ik hem al schuldig bevonden voor parkeerterreur, een overdosis aftershave, chronische ombeschoftigheid en minstens drie gevallen van verkeersagressie. Ik kan dat heel goed, van op afstand van iemand een complete idioot maken zonder dat ik hem ooit ontmoet heb. Er zijn dagen waarop ik daarin uitblink, zeker na een weekend dodentocht en ik geen boterhammen met choco heb gehad.

Sorry, maar gelijk hebben is een rare hobby.

Ge krijgt daar geen medaille voor. Niemand belt ooit aan de voordeur met een boeket bloemen om te zeggen, “Janneke, we hebben het allemaal nog eens goe bekeken. En ge had gelijk. Niet alleen over die BMW, maar ook over uw theorie dat mensen die altijd gelijk hebben zich daar altijd vooraf voor excuseren, zodat ze nadien vals bescheiden kunnen zijn wanneer blijkt dat ze toch gelijk hadden.

Dat gebeurt dus nooit. Wat wel gebeurt, is dat ik, opnieuw in mijn hoofd (ik moet daar toch precies dringend eens weggaan), altijd wordt gefeliciteerd door mensen die niet bestaan.

Onder die dakpan van mij zit een vernuftig beloningssysteem, met een jury, punten en een klassement enal. Daar alleen krijg ik de erkenning die niemand in het echte leven mij ooit geeft. Tien op tien voor een juiste observatie, vijf bonuspunten voor een scherp inzicht en een eervolle vermelding omdat ik tijdens een discussie pas drie uur later het perfecte antwoord kan bedenken. Daarom zeg ik dus altijd eerst sorry. Niet omdat ik beleefd wil zijn maar omdat ik gelijk heb en hoop dat iemand mij ooit zal tegenspreken anders krijg ik echt altijd gelijk.

Alleen, de waarheid is iets minder spectaculair. Toen ik buitenkwam, stond er naast die BMW een man van een eind in de zeventig, misschien net over de tachtig. Hij was klein, stond een beetje krom en leunde met zijn linkerhand op een wandelstok. In zijn andere hand droeg hij een boodschappenzak.

Hij keek bedenkelijk naar zijn auto, schudde met zijn hoofd en zei tegen zichzelf en niemand anders in het bijzonder, “Dedju, ik staan zelf zo scheef als een zichel en dien bak van mijne jongste ook .” Daarna wrong hij zich in zijn geleende bolide en reed tegen drie kilometer per uur weg, met een file achter hem.

Dat was alles. Hij had geen zonnebril op, had geen gel in zijn haren want hij was zo kaal als een knikker en hij vertoonde geen branie of verkeersagressie. Hij was gewoon een kramikkig oud mannetje dat blijkbaar even slecht kon parkeren als ik kan oordelen en conclusies trekken.

De jury in mijn hoofd heb ik voor het binnengaan in de Carefour buitengesmeten. Ze waren druk in beraad over wie van ons twee op die parking de grootste idioot was. Ik had hun oordeel niet langer vandoen. Ik wist al dat ik het was.

Tussen verdiepingen

De lift ruikt naar goedkope parfum van een vrouwelijke collega die zonet op de tweede verdieping is uitgestapt. Hij staat naast mij. Het is nog geen negen uur en ik wacht tot hij op een knop duwt die blijkbaar al ingedrukt was. Ik kijk naar de cijfers die te traag bewegen. Ik weet wie het is, maar zijn naam… Die zit in dezelfde schuif verborgen tussen alle andere namen die ik moest onthouden maar dat voor onduidelijke redenen niet meer kan.

De lift hapert tussen het gelijkvloers en de eerste verdieping. Het is zo’n schok die ik in mijn knieën voel.  Ik probeer het weg te lachen, maar doe het niet. We staan met z’n tweeën in de lift. De man naast mij, ik kom echt niet op zijn naam, houdt zijn laptop vast alsof het zijn enige houvast is. Hij knikt kort, alsof hij me ook van ergens kent maar dat liever vergeet.

“Warm he,” zeg ik.  Hij zucht, “ja zo is dat hier altijd”. Het zijn woorden die niets vragen en niets geven en alleen maar dienen om een ongemakkelijke stilte op te vullen.

Ik hoor ons praten. We lachen niet. We glimlachen ook niet. We blijven gewoon staan zonder iets te riskeren. Ik voel mij plots heel zichtbaar in mijn korte broek en met mijn poging om iets open te trekken wat niet open wil. Alsof er een handleiding bestaat voor dit soort ontmoetingen en ik de verkeerde bladzijde heb opengeslagen.

Hij kijkt naar het plafond, ik naar de spiegel die ons iets eerlijk laat zien. Twee mensen die iets proberen maar het niet vinden. Ik vraag mij af of hij dat ook voelt of gewoon… doorgaat. Sommige mensen lijken dat te kunnen. Gewoon bestaan en doorgaan.

De lift stopt. Hij stapt uit zonder afscheid te nemen. Ik blijf nog een seconde staan, alsof ik nog iets wou redden, maar de lift beslist voor mij. Hij sluit en trekt naar een andere verdieping, opgelucht dat hij verder kan zonder ons.

Later op de dag, ik stop aan een bureau van een vrouw die ik eigenlijk maar net ken. Een nieuwe collega want haar naam plakt ook nog niet helemaal vast aan mijn geheugen,  haar aanwezigheid doet dat wel. Ze zit niet stil. Haar handen bewegen als ze praat, niet storend maar alsof gewoon stilzitten niet bij haar past. Op haar bureau ligt haar telefoon met het scherm naar beneden. “Anders ga ik er te veel op kijken,” zegt ze, zonder dat ik ernaar gevraagd heb.

Ze vertelt dat ze migraine heeft. Niet dat soort koppijn dat je wegslikt met een pilletje en een glas water. Ze heeft er gisteren een inspuiting voor gekregen. “Het begint altijd achter mijn ogen en dan neemt het langzaam alles over. Alsof iemand het licht uitdoet, maar dan alleen in mijn hoofd.” Ze lacht ermee. Niet omdat het grappig is, maar omdat het zo serieus is.

Ze wrijft kort over haar slaap. “Ik voel het op voorhand opkomen,” zegt ze, bijna alsof ze zich ervoor excuseert. Ikzelf merk dat ik rechter ga zitten om te luisteren en voel dat ik iets moet zeggen. Maar wat? Ik ben misschien goed in woorden die een gat vullen maar veel minder in woorden die iets oplossen.

“Heb je dat… dikwijls?” vraag ik.

Ze haalt haar schouders op. “Soms. Te veel geluid. Te veel mensen. Of gewoon mijn lijf dat beslist dat het genoeg geweest is. Misschien is het overprikkeling. Of hormonen. Of gewoon pech.” Ze zegt het droog, alsof ze een weerbericht geeft over haar eigen hoofd. Het zijn allemaal even geldige verklaringen voor dezelfde koppijn.

Ik wil iets verstandigs zeggen, iets wat kan helpen. Maar alles wat in mij opkomt klinkt als advies van dokter Google. Dus ik zeg niets. Ik luister gewoon. Dat blijkt voldoende.

We gaan voorbij de logica van klachten en triggers. Ze vertelt me over hoe ze soms midden in een vergadering voelt dat het eraan komt en dat ze dan blijft zitten, knikken en doen alsof ze nog volgt, terwijl ze al lang mentaal op pauze staat. “Je wil niet weer degene zijn die weer moet afhaken,” zegt ze. Dat woord ‘weer’ blijft even hangen tussen ons.

“Ik doe dat ook,” zeg ik. “Niet afhaken maar blijven terwijl ik er eigenlijk al lang niet meer ben.” Ik vertel haar niets spectaculairs over mezelf, geen grote verhalen. Alleen kleine dingen en ook dat ik soms gesprekken voer die nergens landen en dat ik me dan erger aan mijn eigen beleefdheid. Dat ik soms liever stilte heb die iets betekent dan woorden die lawaai maken. Ze knikt instemmend. Het is dat soort knik dat je niet kan faken.

Het bureau is ondertussen leeg. Buiten ons twee is er niemand.  De tl-lampen zoemen zacht, alsof zij ook iets willen zeggen maar niet weten hoe. We praten rustig verder over hoe mensen soms passen, elkaar aanvoelen en soms helemaal niet. Ze zegt dat ze die situaties herkent en dat ze het ook niet kan uitleggen. Ik zeg haar dat het misschien niet moet.

“Raar,” zegt ze plots. “Het trekt weg.”

Ze wijst naar haar slapen, alsof ze me wil laten zien waar de koppijn zat. “Die druk. Het is minder.” Ze zegt het voorzichtig, alsof ze schrik heeft dat het terugkomt als ze het te luid uitspreekt.

Ik sta recht. Het gesprek is niet afgerond. Het stopte gewoon, zonder dat het een einde nodig had om te kloppen.

Op de gang kom ik de man van de lift weer tegen. Hij knikt opnieuw. Dezelfde knik, dezelfde afstand. Ik knik terug maar net iets sneller deze keer, en ik besef dat ik me zijn naam nog altijd niet herinner en dat ik nog altijd niet weet wat ik hem zou moeten zeggen.

Misschien wil ik het zelfs niet meer weten.

Kleine misantroop als influencer van zelfkennis

Wanneer mijn hoofd beslist heeft dat rust voor mij een theoretisch concept is dat werkt zoals kwantumfysica, weet ik niet. Niet dat ik iets van kwantumfysica afweet trouwens, en laat dat nu juist het punt zijn. Misschien zit datgene (wat ik nog geen naam heb kunnen geven) al van bij mijn geboorte op te spelen omdat het in mijn DNA zit net zoals scheve tanden of een familienaam waar niemand trots op is.  Maar het kan evengoed zijn dat ik gewoon ooit tegen iets ja heb gezegd terwijl ik nee had moeten zeggen en daardoor ontspoord ben en helemaal uitgewassen ben tot iets dat niet meer te controleren valt.

Soms denk ik dat ik een wandelend alarmsysteem ben met een hoofd, een lijf, met armen en benen. Want alles piept. Alles kraakt. En alles knippert. Mijn zintuigen staan ook altijd aan. Als hypochonder, chronisch pleaser ben ik ook superslecht relatiemateriaal. Voeg daaraan toe dat ik onzeker en licht obsessief-compulsief door het leven stap met een zelfverklaarde vorm van ADHD en je krijgt een spectrum dat nog moet uitgevonden worden.

Alle bovenstaande diagnoses heb ik trouwens bij mezelf gesteld, zonder tussenkomst van de mutualiteit omdat zelfkennis nog altijd niet wordt terugbetaald.

Door al die aandoeningen is het me niet gelukt om een universitair diploma te behalen maar ben ik wel eigenaar van een eredoctoraat piekeren dat uitgereikt werd door een gerenommeerde jury in mijn hoofd. Volgens hen bezit ik het uitzonderlijk talent om me altijd en overal over alles zorgen te maken. Zo kan ik bijvoorbeeld vooruit piekeren, achteruit piekeren en voor de afwisseling kan ik ook mega-piekeren over het feit dat ik pieker. Me ontspannen doe ik dus alleen in theorie en zelfs dan struikel ik over mijn eigen voeten.

Relaties heb ik ook. Vooral toxische en bij voorkeur professionele, waardoor ik met mijn bazen steevast in situaties beland die beginnen met iets wat lijkt op samenwerken maar eindigt als een psychologisch werkstuk. Na verloop van tijd weet niemand nog wat het probleem was, of het er ooit één geweest is en wie nu uiteindelijk dader of slachtoffer is. Ik neem de vrijheid om dat fenomeen de hiërarchie-stoornis te noemen. Concreet, ik zeg altijd ja, denk meestal nee, doe vaak misschien of half-zijn-gat en voel me achteraf altijd schuldig over het resultaat. Grenzen heb ik ooit gehad, maar die zijn op een dag verdwenen zonder een adres achter te laten. Geen telefoonnummer, geen emailadres. Niks.

Hoewel ik graag met een racket tegen een bal klop, weiger ik me lichamelijk over te geven aan die nieuwe sport- en fitnesscultuur, dat helemaal in tegenstelling tot oude eetculturen, waar ik alles wil van weten en drinken.  Deze interesse heeft geleid tot een iets te hoge BMI en een alarmerende cholesterol. Ik ben ook de niet-trotse bezitter van mantieten.  Ik vind ze niet leuk om niet te zeggen dat ik er absoluut geen fan van ben. Ik haat ze maar ze operatief laten verwijderen krijg ik niet over mijn hart want dat zou aanvoelen als verraad aan mijn innerlijke feministe. Dus ik laat ze gewoon hangen, uit principe. Ze worden niet door een walvissenbaleinen-BH ondersteund maar zijn wel sterk ideologisch onderbouwd. Samen met mijn tieten doe ik namelijk elke dag alsof we een statement maken om niet te voldoen aan dat opgedrongen, mannelijke schoonheidsideaal.  Dat lukt buitengewoon goed. Ik draag mijn tieten dus tegelijk met trots en schaamte. De enige vorm van multitasking die lukt.

Voor ik het vergeet te zeggen, ik ben ook alcoholist, al ben ik al langer dan een decennium in herstel. Dat betekent concreet dat ik het voor anderen extreem gezellig kan maken zonder zelf ook maar enige vorm van plezier of genot te ervaren. Hierdoor werd ik doodsaai en bruut-eerlijk zonder één enkel charmant kantje over te houden.  Water drink ik alsof ook dat een statement is en kijk ik naar wijn zoals ik kijk naar mijn ex die zegt dat ze geëvolueerd is en dat het allemaal beter gaat. Ik vertrouw haar nog altijd evenveel als dat glas wijn.

Zal ik er dan geen doekjes rond winden? Misschien ben ik een influencer van zelfkennis of een kleine misantroop. Al draag ik dat label op een heel inclusieve manier. Ik heb namelijk aan alles en iedereen dezelfde stronthekel, vooral aan mezelf. Vooral in groep speelt dat op. Daarom mijd ik drukke plaatsen omdat die me altijd het gevoel geven dat iedereen mijn strot wil toeknijpen. Babbelen over ditjes en datjes, smalltalk dus, ervaar ik als psychologische oorlogsvoering. Wanneer iemand nog maar vraagt, “alles goed”, hoor ik al mijn interne sirenes afgaan en wil ik het liefst een AK-47 kopen al zou ik er ook genoegen in vinden om de persoon in kwestie eigenhandig de strot dicht te knijpen.

Wie of wat ik zoek? Absoluut niets of niemand. Ik wil geen match, geen klik, geen mening, geen vonk en geen gesprek waarin het plots drie uur ’s nachts wordt. Ik wil gewoon dat je dit leest en even de wenkbrauwen fronst, om me nadien gerust te laten. Ik hoop trouwens dat nadat je dit gedaan hebt, je tot de conclusie kwam dat je nog liever contact zoekt met je plaatselijke bibliothecaris dan met mij. Een hond nemen is trouwens geen oplossing want die voelt mensen aan.

Mijn grootste sterkte is zelfkennis tot op het bot met een vleugje ironie en sarcasme als verdedigingsmechanisme. Ik bezit namelijk de indrukwekkend efficiënte eigenschap om elk schoon moment met dynamiet op te blazen door het op voorhand kapot te analyseren. Mijn zwaktes? Bijna alles, behalve pindanoten eten, sigaretten paffen en koffiedrinken.

Zou je overwegen om na deze sarcastische mijmering met mij toch nog een gesprek te willen aanknopen, geef ik je de raad om hulp te zoeken. Voor ons beiden. Voor elkaar. En zeker niet samen.  Cognitieve gedragstherapie of EMDR schijnen prima resultaat op te leveren. Ik heb daar een goed adres voor.

Probeer nooit te worden wie je al bent

Nog nooit, en zeker niet na dat laatste bezoek aan die luxueuze spa ergens in de Oostenrijkse Alpen, heb ik de behoefte gevoeld om me als vrouw te identificeren. Dat durf ik hardop zeggen, zeker op dagen dat ik mezelf geloof. Dat lijkt me trouwens iets bijzonder ingewikkeld, jezelf overtuigen dat je vrouw wil worden terwijl je een leven lang een vent geweest bent, zelfs al zit er de laatste tijd een beetje sleet op die mannelijkheid.  Ik heb mezelf ooit grotere leugens wijsgemaakt maar dit idee aan mezelf verkopen lijkt me onmogelijk.

Als ik mijn vrouw mag geloven weet ik weinig of niets af van vrouwelijkheid en al zeker niets van vrouwelijke psychologie. Waarschijnlijk heeft ze gelijk want mijn kennis komt hoofdzakelijk voort uit slechte (subjectieve) observaties of uit meningen die ik achteraf liever niet had gehad. Vrouw worden dus. Begin ik daaraan met een hoger stemmetje van mijn nieuwe identiteit? Dat typische stemmetje dat altijd op zoek is naar bevestiging want daar heb ik ervaring mee?  Of doe ik dat met waggelende botox-billen die iets te nadrukkelijk naar achter willen geduwd worden zodat ze ongevraagd aandacht krijgen zonder precies te weten waarvoor ze dat doen? Of moet ik gewoon mezelf en anderen overtuigen van dingen waar ik absoluut geen bal vanaf weet?  Dan pas zou ik aan mijn geslacht gaan twijfelen, of hoe we dat tegenwoordig ook noemen wanneer we onszelf een beetje kwijt zijn.

Helemaal onzeker zou ik worden als ik op voorhand al neen begin te schudden terwijl ik eigenlijk ja bedoel, maar mijn antwoord nog eerst een omweg moest maken langs drie onzekere gevoelens die elkaar niet kennen en elkaar niet vertrouwen. Misschien moet ik dit innerlijk gesprek vannacht in een droom verderzetten. Daar heeft niemand last van de dubbelzinnige lichaamstaal van de vrouw die ik niet ben en daar kan ik tenminste gewoon doen alsof. Overdag ben ik toch maar een verzameling tegenstrijdige gedachten die niet altijd even beleefd blijven. ’s Nachts zeg ik trouwens ook nooit ergens nee tegen.  Gun me dus maar de illusie dat dit het ultieme bewijs is dat ik me nooit als vrouw zal kunnen identificeren. Al is het ook goed mogelijk dat ik overdag gewoon een lafaard ben en ’s nachts een dromerige fantast.

Toch zie ik ’s morgens in de spiegel een lijf dat lang met de zwaartekracht onderhandeld heeft maar die onderhandeling aanging alsof het een slecht georganiseerde vakbond is. Maar zwaartekracht onderhandelt niet en spiegelglas liegt niet. Helaas. Beiden tonen me ronder wordende vormen en manborsten die niet meer fier vooruit staan en zelfs een klein beetje naar het zuiden neigen alsof ze beschaamd zijn voor hun verloren trots. Als ik echt heel hard mijn best doe, zie ik daar iets vrouwelijks in. Vooral paniek en overgave dan. Maar ook iets dat meegaand is maar door de uitdeining van het heelal lichtjes uit vorm is geraakt. Alleen ontbreekt me de drang om hiervoor hysterisch te beginnen wenen. Ik voel ook geen neiging om een personal trainer onder de arm te nemen die me aanspoort om in een morele oorlog tegen elke vetrol te vechten alsof het mijn maatschappelijke plicht is.  Een oorlog, tussen haakjes, die ik persoonlijk heb uitgevonden.  

Ik bekijk mezelf in de spiegel en de mannelijke alfa-ziel in mij haalt gerustgesteld en vastbesloten de schouders op. Dat doet hij vooral wanneer hij bang is.  Hij zegt zelfvoldaan, “een vrouw word ik niet. Nooit.” Ook al is hij wantrouwig, hij sust zich met de overtuiging dat hij wellicht nooit enige behoefte zal voelen om zich als vrouw te identificeren.

Sommige alfa-mannen die ongewild eigenaar zijn van een huizenhoog ego willen zich nu al identificeren met de geschiedenis, als man of als nieuwe vrouw, zolang ze maar als monument op een of andere grote markt worden neergezet. Als het kan in brons maar liefst in bladgoud.  Ikzelf zie het minder groot. Ik wil me gewoon identificeren als een andere man. Dat is op zich niet moeilijk want die bestaat al, zij het in gedachten. Hij staat ook voor de spiegel.  Hij staat rechterop, is minder uitgezakt en zijn blik is vastberaden, zonder agressie. Hij is slimmer, sterker en ook betrouwbaarder dan ik. Hij vindt altijd de juiste woorden en beter nog, hij weet wanneer hij ze moet inslikken. Hij is succesvol maar op een manier dat niemand er zenuwachtig van wordt. Ambitieus is hij ook maar dan zonder arrogant te zijn. Hij ziet er niet slecht uit maar dan op een nonchalante manier, alsof hij per abuis aantrekkelijk geworden is en zich daar zelfs een beetje voor schaamt. Ik ben het niet, maar ik identificeer me wel met hem.

Hij gaat achteloos door het leven, trekt zich niks aan van wat anderen over hem denken en volgt daarbij een pad dat alleen door hem is aangelegd al lijkt het soms verdacht veel op een goed uitgestippelde vluchtroute. Vrouwen, en ik overdrijf niet graag, maar vrouwen voelen onmiddellijk dat hier een man staat die weet wat hij wil. Hij hoeft hen niet uit te leggen waarom hij altijd een beetje meer ruimte inneemt. Hij weet precies wanneer hij aandacht moet geven maar ook perfect wanneer het licht moet gedimd worden.  Hij zwijgt op tijd want hij is niet bang dat zijn stilte iets over hem zal verraden. Gevoelige vrouwen die zich zelfverklaard zacht wanen maar ook licht chaotisch en structureel besluiteloos zijn, worden als vanzelf naar hem toegezogen.  Ze giechelen met zijn moppen, zelfs met diegene die hij nog nooit op anderen heeft uitgeprobeerd. Met die man identificeer ik me. Al heel mijn leven lang, want hij leeft het leven dat ik alleen in theorie helemaal beheers.

’s Nachts wordt het helemaal angstaanjagend realistisch want in mijn dromen ben ik hem al. Daar kan ik hem overtuigend nadoen. Helemaal. Compleet. Dan spreek ik vloeiend minstens zes talen, handel altijd beheerst en wek daarbij bewondering zonder dat ik het zelf opmerk. En juist dat feit, dat niemand anders het opmerkt, maakt het zo geloofwaardig. Dit is de man die ik diep van binnen ben, de man met wie ik me identificeer. Het is de man die mijn angst ontworpen heeft zodat ik nooit meer hoef te testen of ik hem werkelijk ben. Met hem zou ik trouwen mocht ik me toch ooit laten verleiden om een vrouw te worden.

En nu ga ik in transitie. Niet naar een vrouw maar naar een versie van mezelf die ik waarschijnlijk niet wil zijn, maar van wie mijn spiegel voorlopig nog gelooft dat ik hem kan worden.

57 tinten mezelf

En plots was daar het getal. 57. Een primeur en een priemgetal. Ondeelbaar, net als mijn mening over politiek, vrouwen en koude pap. 57, een nuchtere vaststelling van de tijd die zich niet laat omkopen, zelfs niet met een goeie fles rode wijn vol valse beloftes.

Maar vandaag was er geen paniek. Ouder worden is voorlopig nog geen straf. Het voelt eerder als wonen in een huis dat al jaren van mij is. De zesde en tiende trap kraken, de waterleiding zingt bij elke temperatuurwisseling, en de terrasdeur klemt als het regent. Ik weet eindelijk waar de zekeringenkast zit. Maar ook waar ik mijn bril, mijn sleutels en mijn GSM niet heb gelegd.

De vele berichtjes die ik vandaag kreeg waren een balsem. Digitale knuffels, telefoontjes, en berichtjes vol emoji’s met meer emotie dan sommige gesprekken. Ze kwamen van overal. Vrienden, familie, lotgenoten, zelfs die ene kennis die altijd typt alsof hij een fax verstuurt. En ik? Ik las ze allemaal, met een glimlach die rimpels maakt op plekken waar vroeger alleen een gladde verwachting zat.

Mijn lichaam kraakt ook. Net zoals trap zes en tien van mijn huis. Mijn geheugen is een boek dat zichzelf alsmaar opnieuw herschrijft. En mijn zak? Die begint gevaarlijk dicht bij het water in de wc te hangen. Ik ben een staanklok geworden die de tijd meet, maar dan met minder gratie. Een priemgetal dus, dat zich niet laat delen behalve door de zwaartekracht en mezelf.

Maar ik dans nog. Soms op ABBA. Soms in gedachten en soms op een geniale inval die pas om middernacht komt. 57 is geen eindpunt. Het is een tussenstation met een volle ijskast, een leesbril, een doos viagra en een goed verhaal. Want ouder worden is één ding. Gezien worden  met zelfspot, en zelf relativering dat is pas echt jong blijven. In gedachten nog 17  27 of 37, afhankelijk van de lichtinval.

Bedankt voor de wensen.

De kunst van verdwijnen

Ik wil je niet altijd in de buurt. Wanneer dat zo is, zoek ik isolement en trek ik me terug, vrijwillig. Zoals eb zich terugtrekt op een uitgestrekt strand. Ik doe dat dikwijls. Meer dan vroeger, dan deed ik het nooit. Toen kende ik het niet, of durfde het niet. Dat laat ik in het midden. Niet dat ik niet van verbinding met mensen hou of dat ik mensen niet wil verdragen, integendeel.  Alleen zijn met mezelf als enige gezelschap, is iets wat ik mezelf ben gaan gunnen, soms zelfs ben gaan verplichten. Omdat ik anders leegloop. Zeker wanneer ik te lang blootsta aan het lawaai van de wereld en de drukte ervan. Aan de gewelddadige, collectieve haast van de menigte met zijn onophoudelijke luide woordenstroom. Dan zonder ik me af van gesprekken die me overrompelen, overspoelen en onderduwen.

Ik heb nooit echt geleerd om alleen te zijn, ik heb dat leren kiezen. Dat is niet hetzelfde, dat is iets compleet anders. Ik leerde dat alleen zijn niet aanvoelt alsof ik iets mis maar als binnenkomen bij mezelf.  Noem het gerust zelfbehoud of zelfbescherming. Er is geen beter woord voor, denk ik. Op die momenten ben ik liever alleen dan omringd te zijn door mensen die op een andere frequentie leven als ik. Niet hoger, niet lager, niet slechter of beter maar gewoon anders. Dat wil niet zeggen dat zij minder interessant zijn.  Die pretentie of arrogantie heb ik niet. We zijn gewoon verschillend. Met andere nuances of gevoeligheden die elkaar niet raken omdat we simpelweg op een andere golflengte zitten, met andere hoogtes of dieptes.

Beetje bij beetje durf ik te zeggen, hoe ouder ik word, hoe beter ik begin te voelen wie ik ben, waar ik heen wil, wat ik nodig heb en wat niet langer bij me past en dus mag loslaten. Dat weten is geen overwinning. Dat hoeft het helemaal niet te zijn. Het leven gaat al lang niet meer over winnen en dat is een ongelofelijk zachte luxe.

Ik heb niet altijd gezelschap nodig, en voel me zelden eenzaam. Die stilte en rust is geen leegte maar een kleine ruimte waar ik gewoon kan zijn wie ik ben. Niet groter of kleiner, niet slimmer of dommer. Ik hoef me voor niemand anders voor te doen.
Als ik mensen om me heen verzamel, is dat omdat ik daar goesting in heb. Niet uit gewoonte, niet omdat ik iets verwacht of niet voor de verkeerde reden maar omdat ze me vreugde of iets anders bijbrengen, en ik hen dat ook wil bieden. Mijn innerlijke rust vind ik in mijn cocon, thuis op mijn grijze zetel, alleen, of ergens buiten op een zandweg. Daar laad ik op. Daar kan ik loslaten. Die plekjes herinneren me eraan wie ik ben zonder te moeten.

Een asociale kluizenaar ben ik niet, hoop ik. Dat is echt niet wie ik wil zijn. Selectiever ben ik wel geworden, in mensen en in mijn empathie. Die bron is niet onuitputtelijk. Ik vermijd meer, maar leef intenser. Ik ben, als ik het zo mag zeggen, iemand geworden die zijn grenzen heeft gevonden en ze probeert te respecteren.

Maar als ik je graag zie, luister ik. Dan ben ik er. Onvoorwaardelijk. Dan zal ik helpen met woorden of daden.  Daarna heb ik een rustpauze nodig, dikwijls een hele lange.

Weet dat, als ik tijd met je doorbreng, dat niet is om een leegte in mezelf op te vullen, maar omdat ik je aanwezigheid op prijs stel en jij iets toevoegt. Omdat ik er wil zijn. Bij jou mijn vriend. Met volle aandacht en met een open hart. Dat is het meest oprechte wat ik je wou laten weten. Want vriendschap verdwijnt of vervaagt niet. Soms neemt ze gewoon een andere gedaante aan.

En wie me dan toch vindt in die stilte, vindt mij misschien voor de eerste keer, echt.

Draaideur naar de stilte

De wereld in rumoer
De wereld raast voort, steeds sneller, steeds luider, steeds agressiever. Onheilspellende nieuwsberichten overspoelen me met dreiging, verdeeldheid en politieke smeerlapperij. Het domineert alle headlines. Trump, een clown die ongegeneerd leugens en chaos ademt, beheerst het nieuws met zijn manipulatief circus. Zelenski zoekt wanhopig steun in een wereld die hem de rug lijkt toe te keren. Het narcistisch machtsvertoon, verpakt in eindeloze herhalingen van dezelfde patronen, verdraag ik amper nog. Sociale media echoën de hysterie en versterken meningen tot geschreeuw die elke nuance wegblaast. Ik merk dat ik overprikkeld raak, neerslachtig zelfs. Daarom neem ik afstand. Ik mijd nieuws, trek me terug en zoek rust, door de draaideur naar mijn stiltebubbel.

Ademruimte
De klanken van de buitenwereld trillen nog na, maar met elke ademstoot verliezen ze grip. Mijn gedachten, eerst verstrikt in de hectiek van de realiteit, worden zachter en gedempter.
En dan, bijna ongemerkt, kantelt mijn wereld. Niet met een schok, maar geleidelijk. De stilte die intreedt, is geen leegte, maar ademruimte. Het is een plek waar andere geluiden naar de voorgrond treden, de alledaagse geluiden van dit huis. Het zachte, bijna hypnotiserende geronk van de koelkast klinkt als een hartslag, als een constante herinnering dat het leven doorgaat, zelfs in deze stilte. De wind blaast tegen het raam en fluistert verhalen die ik niet helemaal kan verstaan, alsof er geheimen in de lucht hangen die wachten om ontdekt te worden.

“Wat probeer je me toch te vertellen?” vraag ik stil, in de hoop dat de wind antwoord zal geven.

Op zulke momenten voel ik bijna de aanwezigheid van iets groters, iets dat buiten mijn bereik ligt. Het is alsof mijn kleine wereld vol zit met verborgen betekenissen, wachtend om onthuld te worden.

Het anker van mijn thuis
In dit functionele, minimalistische huis, met eenvoudige meubels, lichte muren en een gladde zwarte vloer, vind ik een serene, bijna steriele rust. Het flauwe licht van de namiddagzon valt door het grote schuifraam en werpt scherpe schaduwen over de vloer en de muren.
Achter in de tuin ligt een strakke zwemvijver, omringd door zorgvuldig aangelegde planten en bomen. Het water is helder, spiegelglad en reflecterend als een perfect gepolijste spiegel. Alles aan dit adres is sereen, bijna steriel. Elk detail fungeert als een anker in de stilte, mijn perfecte plek voor reflectie en introspectie.

Zelfontdekking en reflectie
In deze rust voel ik een diepe verbondenheid met mezelf. Nu ik hier alleen ben, vind ik in deze minimalistische setting de ruimte om te reflecteren en mezelf te ontdekken. Het was op momenten als deze, momenten van verveling en reflectie, dat ik mijn herstel beter leerde begrijpen en vormgeven. De leegte dwong me om naar binnen te kijken, naar de demonen die ik zo lang had genegeerd, en naar de persoon die ik werkelijk ben. Denken en schrijven werden zo katalysator voor herstel en groei.

“Wat doe je?” vraagt mijn onderbewustzijn, als echo van mijn diepste gedachte.
“Ik zoek iets,” antwoord ik stil. “Maar ik weet niet wat.”
“Misschien zoek je jezelf,” fluistert de stem.

Ik knik, terwijl elke schaduw in mijn kleine wereld een verhaal vertelt en elke stilte een geheim bewaart.

Een draaideur naar een andere wereld
Verveling en overpeinzing blijken geen leegte te zijn, maar een draaideur naar een andere wereld. Ik leer dat deze momenten van stilte geen vluchtige ontsnappingen zijn, maar noodzakelijk om mezelf terug te vinden te midden van de razende storm van de buitenwereld. Mijn gedachten dwalen af naar plaatsen waar ik niet meer kom, naar oude gevechten, naar momenten van strijd en overwinning. Ik zie mezelf weer tegenover de uitdagingen die het leven op mijn pad heeft gezet. Oude vrienden, verloren liefdes, en mensen die ooit een belangrijke rol in mijn leven speelden maar nu afwezig zijn, herinneren me eraan hoe ver ik al gekomen ben.

“Denk je nog aan hen?” klinkt de stem opnieuw, zachter deze keer.
“Soms meer dan ik wil toegeven, ze laten me niet los.”

Ik denk aan geluk en verdriet, gedeelde dromen en gebroken beloftes, verdwijnende voetstappen in het zand. Aan lessen in liefde en in het leven. Alle herinneringen, soms euforisch en gelukzalig, soms vervuld van spijt en schaamte, ze maken deel uit van wie ik ben en brengen me terug naar een tijd van schuld en onschuld, naar avonturen waarin niets en alles mogelijk leek.

De kunst van luisteren
De kunst van angst, verveling, of beter gezegd de kunst van het luisteren naar de stilte, is het vermogen om de diepere vragen van het leven te verkennen. Waarom leef ik? Wat is geluk? Heb ik nog verwachtingen? In de stilte van verveling vind ik ruimte om deze vragen te onderzoeken en mijn eigen antwoorden te zoeken. Het is een ontdekkingstocht, een reis naar de kern van mijn wezen. Op momenten van schijnbare nutteloosheid zwaai ik mijn draaideur open en ontdek ik de kracht van mijn verbeelding en veerkracht.

Terug naar de realiteit
Plotseling, met het geratel van de koffiemachine verandert alles weer zoals het was. De stilte wordt doorbroken door het vertrouwde lawaai dat bij dit huis hoort. Het knarsen van de koffiebonen keert de wereld terug naar haar gekende drukte, naar verplichtingen en verwachtingen.
Verveling en introspectie waren even geen leegte, maar een draaideur naar een andere wereld die zich openzette en zich even snel weer sloot. Een subtiel spel van aanwezigheid en afwezigheid, een vluchtige illusie die ik niet kan controleren of vasthouden.

En toch, misschien was het juist in die kortstondige vluchtigheid dat ik mezelf even vond, in een moment van diepe rust, voordat die onheilspellende wereld met al haar dreiging en onophoudelijk lawaai me weer helemaal opslokt.

Gelukkig is er die draaideur

De andere man in de spiegel

Ik sta hier. Het is ochtend, maar dat is niet belangrijk. Het licht dat door het dakvenster binnenvalt is hard en eerlijk, de spiegel niet vriendelijk, maar hij liegt niet. Dat is al veel.

Ik kijk, de spiegel kijkt terug. Het is een vreemd moment omdat ik niet alleen mezelf zie maar ook probeer het complete verhaal van mezelf te begrijpen. Dat is lang anders geweest. Het voelt alsof ik als buitenstaander naar mezelf kijk en iemand zie die ik nooit helemaal zal vatten.

Mijn vel is niet glad, niet strak gespannen, maar getekend door de tijd en door alles wat ik mijn lijf heb aangedaan. Lijnen en wallen rond mijn ogen, geen diepe voren, maar hardnekkige sporen die zich zonder mijn toestemming hebben gevormd.  Ze klampen zich vast aan oude gewoontes, aan nachten en aan verhalen die niemand meer vertelt. Ik volg de contouren van mijn groot gezicht en vraag me af, zijn het allemaal herinneringen of is het gewoon het gewicht van de jaren.

Mijn hoofd is groot en rond, de kaaklijn hard en strak. Het lijkt een karikatuur van kracht, alsof het gezicht meer karakter kreeg dan ooit de bedoeling was, als Cowboy Henk of Shrek maar dan in een zachtere menselijkere vorm.

Mijn haar is grijzer dan ik zou willen, Zilvergrijs aan de slapen, de rest peper en zout. Lang heb ik gedacht dat ik er mee wegkwam, maar grijs is genadeloos eerlijk. Eigenlijk is het gewoon saai zonder symboliek. Als mijn haar kon spreken, het zou me vragen, “dacht je werkelijk ooit dat je hieraan kon ontsnappen?”

Mijn ogen houden me het langste vast. Ze zijn dezelfde als altijd, en toch niet. Ze verbergen de blik van iemand die weet dat de wereld niet op hem wacht, van een jongen die een man werd, en daarna een andere man. Mijn ogen kijken met een mengeling van herkenning en vervreemding. Ik zie tegelijk een bekende en een vreemde en vraag me af hoe iemand kan veranderen en toch dezelfde blijven?

Mijn gehavende schouders, eens een symbool van brute kracht, hangen er nog wel breed bij, maar ze vertellen een ander verhaal. De prothesen houden ze bijeen, maar niet zonder moeite. De littekens trekken lijnen over mijn vel, sporen van een verleden dat zich niet laat uitwissen.

Mijn spieren, ooit gevormd door training en labeur zijn gesmolten onder de jaren. Mijn borst is minder stevig, versierd of ontsierd door het verleden met mantieten en een hangbuikje als bewijs dat mijn leven niet uit vasten heeft bestaan. Ik voel geen trots, geen schaamte maar zie alleen de realiteit van een lijf dat niet meer vecht tegen de tand des tijds, maar er ook niet aan toegeeft.

Er is iets aan mijn houding. Ik zie geen trotse rechtlijnigheid of luie berusting aan mijn lijf. Het is iets ertussenin. Een overmoed die nog denkt dat het kan, een realisme dat weet dat het spel trager moet gespeeld worden.

Mijn handen rusten langs mijn lijf. Ik heb grote handen. Ze hebben zich niet doodgewerkt.  Het zijn handen die liefhadden, die vasthielden en loslieten. Handen die nog weten hoe het voelt om iemand vast te houden, maar ook hoe snel dat een herinnering wordt. Ongezien dragen ze alle herinneringen aan mensen die ze omhelst hebben maar ook aan spijt of aan plezier dat nooit meer op dezelfde manier kan gevoeld worden.

Mijn glimlach is geen grote en al zeker geen uitbundige. Ik ben, als je wil, eigenaar van een nauwelijks merkbare smiley die mijn mondhoeken naar beneden trekt in plaats van hem vrolijk omhoog te duwen. Het lijkt de glimlach van iemand die het begrijpt, maar hij doet maar alsof. Eigenlijk is het een streep die zegt, ik aanvaard het want ik heb geen andere keuze.

De man in de spiegel kijkt me indringend aan. Ik ben het, en toch niet. Ik zie iemand die is geweest en iemand die nog zal worden. En ineens denk ik. Wat als dit de laatste keer is? Wat als ik hem nooit meer zal zien, die man hier in de spiegel, zoals hij nu is?

Ik glimlach opnieuw naar mijn spiegelbeeld, maar nu een fractie langer. Omdat ik weet dat hij morgen opnieuw een andere man in de spiegel zal zijn en misschien meer zal weten dan ik.

De stilte van later

Ooit skiede ik, lang geleden. Ik daalde rode en zwarte pistes af met een vanzelfsprekend gemak dat nu ondenkbaar is. Toen kende mijn zelfzekere lichaam nog geen tegenargumenten.  Mijn lijf was een trouwe volger van mijn onbezonnen geest. Terwijl de bergen me aankijken als stille getuigen die mijn gedachten lezen, zit ik op het terras van een hotel. De stilte is voelbaar en hangt ergens tussen de damp van mijn koffie, de bergen en de herinnering aan wie ik ooit was. Mijn gedachten dwalen af, naar later.

Later… een woord dat me al een tijdje achtervolgt. Het is een schaduw die zich maar laat opmerken als de zon laag staat, bij zonsondergang of wanneer de zon opkomt, zoals nu. Later bleek steeds een vage belofte waar ik te lang heb op vertrouwd. Het is een gevaarlijk woord. Ik probeer het te mijden want van zodra later aanbreekt, heeft het iets weggenomen, iets wat er eerst nog was, en belangrijk was.

Ik leef al lange tijd niet meer in termijnen of in uitgestelde momenten. 11 jaar nuchter en bewuster hebben me geleerd hoe later werkt en hoe verraderlijk het is. Het doet zich voor als een soort geruststelling maar het is een dief die in je leven sluipt en voor je het weet, alles heeft meegenomen.

Later verandert kansen in spijt en vrienden in voorbijgangers. Ze verdwijnen. Soms plots, maar meestal traag, haast onmerkbaar. Eerst vervagen gesprekken, dan ontmoetingen, tot er stilte overblijft, zoals een vlam die nog even flakkert en dan, zonder waarschuwing dooft.

Ze bleven achter in gesprekken die ik niet meer voer, in telefoonnummers die ik niet meer draai.

Terwijl de tijd zich ook hier stilletjes terugtrekt, sta ik stil bij hoe vaak ik ben blijven hangen in de ruis van het leven en in zijn onbeduidende details, terwijl de essentie tussen mijn vingers weggleed. Dingen die er echt toe doen, blijven te vaak onuitgesproken of uitgesteld. Maar alles heeft een houdbaarheidsdatum, ook de kans om iets te zeggen.

Later, als je niet oplet steelt het een ochtend, een week, een jaar, een vriend, een liefde, een leven.

Hier hangt stilte in de lucht, alsof het me iets wil vertellen. Ik luister aandachtig. De hele wereld beweegt hier traag. Ik heb er geen moeite mee. Ik blijf ook stil. Alleen mijn vingers glijden snel over het klavier. De koffie voor me dampt nog. Als ik te lang wacht, zal hij koud worden. Dat weet ik.  Eerst gaat hij over van heet naar lauw, van lauw naar koud dan van smaakvol naar bitter. Alles koelt af als je het negeert, ook dromen, ook mensen.

Nu kijk ik naar de bergen en in de ogen van een nieuwe dag. Ik ben vastberaden om hem niet zomaar te laten passeren. Ik ben gestopt met wachten, met uitstellen, met later en met doen alsof er misschien nog een keer komt. Als ik vandaag iets voel, ik zeg het. Als iets of iemand me raakt of ontroert, ik laat het toe. Ik strek mijn armen uit, zonder schrik om in de leegte grijpen. Ik denk dat ik probeer te leven zonder toegevingen te doen aan later.

En als straks de ochtend verdampt is in de middag en ik naar buiten stap, zal de sneeuw onder mijn voeten kraken. Ik zal diep inademen en kijken naar de lucht, naar de sporen in de sneeuw en naar de weg die ik heb afgelegd. En ik zal het zeker weten, dit moment is echt.

Later? Misschien maar niet vandaag!

De dunne draad tussen leugen en waarheid

Nu de laatste bladzijden worden omgeslagen, wou ik het nog eens in mijn dagboek opschrijven, om het te onthouden, want het vergeten is gevaarlijk.

Telkens als ik herlees wat ik geschreven heb, lijkt het zo simpel, maar het is niet simpel. Het is nooit simpel geweest maar een triomf was het ook nooit. Het is gewoon een feit, een waarheid. En waarheden en feiten kunnen hard zijn. Zo hard soms dat ze doorwegen als een steen in mijn hand, zwaar, koud maar eerlijk. Ik blijf hem meezeulen. Een andere keuze heb ik niet.

Je zou kunnen denken dat tijd het gemakkelijker maakt. Dat is niet zo. Tijd maakt niets gemakkelijker. Het enige wat tijd heeft gedaan, is meer afstand scheppen tussen de persoon die ik vroeger was en de persoon die ik geworden ben. De afstand groeit elke dag, alleen verbonden door een gesponnen draad, dun, kwetsbaar, en altijd gespannen. Één verkeerde beweging, en hij breekt.

Eerlijkheid en de feiten, doen me terugkijken. Ik herinner me de dagen dat ik dronk. Niet de avonden, de meeste daarvan waren dan al een waas. De ochtenden, die blijven hangen. Wakker worden met die kleffe smaak in mijn mond, de schaamte over de zwarte gaten in mijn geheugen, de duffe geur in de kamer, de troebele ogen in de spiegel die me verraadden nog voor ik ze met mijn mond in een leugen kon veranderen. Ik deed het altijd, alles minder erg maken dan de werkelijkheid was, ondanks de beloftes. Ik wist niet beter.

Er was die constante drang naar drank maar ook naar misleiding.  Drang naar bedrieglijkheid dat zich laag na laag opbouwt met halve waarheden en hele leugens tot ik niets meer kon zien, zelfs mezelf niet. Niemand mocht alles weten. Niemand mocht alles zien. Niemand mocht te dicht in mijn buurt komen, uit angst om ontmaskerd te worden.

Mensen denken soms dat alcoholisten altijd drinken, altijd struikelen en altijd in de goot liggen. Dat is een grote misvatting. Ik was er één die naast elke dag drinken ook elke dag toneelspeelde. Ik dronk en ik speelde van s’ morgens tot s’ avonds. Ik deed het in de rol van vriend, collega, geliefde, vader.  Nooit liet ik hen zien wie ik echt was. Als je te dichtbij kwam, zou je me opmerken, het zien, het ruiken. Je zou zien hoe ik echt was. Dus sloot ik je buiten. Ik liet je niet toe, terwijl je mij ondanks alles graag zag. Je zag een versie van mezelf die nooit echt heeft bestaan. Wat wist jij van mij? Niets. Alleen ik wist hoe diep ik kon wegzinken, hoe gemeen, leugenachtig en genieperig ik kon zijn. Hoe kon zo’n iemand graag gezien worden. Ik liet het niet toe! Ik onderschatte jou en overschatte mezelf. Ik dacht dat je me niet doorhad. Ik bleef je zolang onderschatten tot ik mezelf en mijn zelfrespect helemaal was kwijtgeraakt. Daarom moest ik drinken.

Mijn verslaving was geen liefde voor de fles. Het was een oorlog met mezelf, één die alles kapot maakte wat in mijn buurt kwam, mijn gezin, mijn familie, mijn vrienden, mijn werk, mezelf. Alles moest kapot, maar op mijn voorwaarden, met mijn spelregels en vooral met de illusie dat ik nog controle had over het verlies van mijn controle.

Het was een vicieuze cirkel, een systeem, een dolgedraaide machine waarvan ik alleen de sleutels bezat om het stil te leggen.

Ik herinner me die eerste ochtend na een AA-meeting dat ik nuchter ontwaakte. De stilte in mijn hoofd was ongemakkelijk. Ik had geen excuses meer maar had ook geen duidelijk plan. Er was alleen een vreemde, ongemakkelijke vrede. Maar ze was echt. Voor het eerst in jaren voelde ik iets dat echt was. Tussen de euforische buien door, leek het soms alsof ik mezelf verraden had omdat ik mijn identiteit kwijt was. Maar het was geen verraad, het was een bevrijding van mijn zieke brein dat nooit echt heeft bestaan. De drank en het toneel was het enige dat me al die tijd wist staande te houden. Die waarheid, hoe pijnlijk ook, ze staat hier zwart op wit, was beter dan de leugen.

Koppigheid heeft me jaren gekost. Angst om eerlijk met mezelf te zijn, nog meer. Bang om eerlijk te zijn, dat duurt maar even, maar spijt om niet eerlijk te durven zijn, dat draag je een leven lang mee, denk ik.

Mijn waarheid draag ik nu dicht bij me. Ik weet dat als ik opnieuw zou drinken ik opnieuw dat zieke brein word.

Soms kruipen oude gedachten vanuit mijn onderbewustzijn terug naar boven, als gevaarlijke schaduwen. Ze duiken op vanuit de hoeken van duistere kamers. “Eén glas kan geen kwaad”, fluisteren ze.  Ik weet beter, ik heb geleerd ze te negeren. Eén glas blijft nooit één glas. Eén glas is de deur naar die beklemmende wereld waar ik nooit meer naar terug wil, een wereld van leugens, bedrog, verwaarlozing, eenzaamheid en spijt.

Het klinkt allemaal misschien als een prestatie, dat is het niet en ik verdien geen medaille. Het is geen overwinning. Het is gewoon een zelfbewuste dagelijkse keuze, heel af en toe moeilijk, meestal gemakkelijk, maar altijd noodzakelijk!

De kalender wordt opnieuw heel dun. Nog een paar dagen en het is 2025 en ik ben er nog. Ik adem, ik leef en doe wat goed of juist aanvoelt, dat is genoeg. Al de rest is branie, ballast en overbodige bladvulling.

Eerlijk worden doet even pijn. Maar spijt om het niet te worden, dat kan een leven lang duren!

Duister gezelschap

Hij is een vreemd en duister gezelschap, een genadeloze vijand en een ongewenst heerschap waarvan ik wenste dat ik hem niet had ontmoet. Soms sluipt hij ongevraagd binnen in de vroegste uren van de ochtend wanneer de wereld nog stil en rustig is. Dan weer verschijnt hij diep in de nacht om mijn rust te verstoren door mijn schouder en rug met denkbeeldige messteken te doorboren. Hij heeft vele gedaanten en evenveel namen, maar zijn gezicht blijft onveranderlijk en onverzettelijk. Hij ziet er afschuwelijk uit.

Zoals gisterennacht, hij verscheen langzaam in de stilte van de nacht, eerst als een storend gefluister. Dan werd het een troebele nachtmerrie die snel uitgroeide door zijn alles verterende aanwezigheid. Hij is geen oppervlakkige verkenner die komt en gaat. Neen, hij neemt de gedaante aan van een diep wortelende zeurende last die zich vastzet in elke beweging, in elke kuch en in elke ademstoot. Hij komt zonder uitnodiging en weigert te vertrekken, hoe vaak ik het hem ook vraag of smeek.

Pijnstillers bieden nauwelijks of slechts tijdelijke verlichting en ze zijn een dubbelsnijdend zwaard. Aan de ene kant dempen ze wel de felste pijnscheuten en maken ze dragelijker. Langs de andere kant dragen ze gevaren met zich mee die nog angstaanjagender zijn dan zijn aanwezigheid zelf.  Verslaving, afhankelijkheid en de voortdurende dreiging van gewenning maken me angstig en onrustig. Het wankele evenwicht tussen verlichting en de risico’s van verslavende pijnmedicatie blijft een ongelijke strijd die ik liever niet aanga.

Het ergste zijn niet de gekneusde botten en kapotte gewrichten, maar niet kunnen doen en laten wat ik wil, niet kunnen bewegen en voelen hoe mijn pijnlijk lijf beperkingen oplegt die ik zo vroeg nog niet had verwacht. Dat is een nieuwe gewaarwording. Vannacht werd hij een constant dreigende schaduw die bij me blijft en heel aanwezig is, bij elke beweging en bij elke gedachte.

Er is weinig troost want hij verlengt deze onverdraaglijke nacht die ik niet bewust wens te beleven. Hij maakt elke minuut zwaarder en elke seconde langer.

Hij is onlosmakelijk verbonden met mijn bestaan en al een tijdlang mijn persoonlijke metgezel. Soms vrees ik zelfs dat hij zolang zal blijven tot het moment dat ik mijn laatste adem uit zal blazen. Hij, een donkere wolk die me achtervolgt, heel aanwezig en dreigend, als onwelkome gast die mijn plezier en vreugde verstikt en hoop in de weg staat of zelfs in de kiem smoort.

In plaats van zijn aanwezigheid te aanvaarden schrijf ik hem nu weg in de duisternis van deze lange nacht. Hopelijk kan ik zo eventjes uit zijn genadeloze greep ontsnappen.

Pijn, die gemene, genadeloze klootzak die terwijl ik dit schrijf elke druppel vreugde uit de nacht zuigt tot er niet veel meer overblijft dan een schrale herinnering aan hoe die ooit was, rustig en kalm, tot hij onverwacht opdook.

Ik haat hem, maar hij zal me er altijd aan helpen herinneren van het gevaar wanneer ik de volgende keer besluit om met een slaapkop en badslippers als schoeisel de trap af te komen.

Voortaan ben ik Zwitserland

Vanochtend stond ik op en voelde het gewicht van de wereld aan mijn schouder hangen, niet als een fysieke pijn of last, al is die er ook, maar als een sluimerende druk die me dwingt om deel uit te maken van iets groters.

Altijd heb ik gedacht dat ‘erbij horen’ onmiskenbaar deel uitmaakt van het mens-zijn, wat dat ook moge betekenen. De gezelligheid of de drukte van vrienden, dat gevoel van samenhorigheid, van ‘succes’ vieren, het illustere idee dat diegenen waarmee je een groep vormt, je ook daadwerkelijk begrijpen of naar waarde schatten, dàt dus. Nu mijn hart sneller slaat dan het ooit deed en ik geconfronteerd word met slijtage aan mijn lijf, twijfel ik aan de waarde van dat gevoel.

Ik herinner me avonden in cafés met gesprekken die vervlogen in de rook van sigaretten (toen mocht dat nog) en in het klinken van halfvolle en volle glazen. (Dat deed ik toen ook nog) Lachende gezichten passeren, alsook de schouderklopjes, de kritiek en de oppervlakkige verbintenissen.

Tot nog niet zo lang geleden gaven die dingen me een tijdelijk gevoel van volheid, maar telkens als de dag eindigde en de nacht begon, bleef ik achter met een leegte die steeds moeilijker te vullen was. De glazen bleken te leeg of te vol, de herhalende gesprekken te betekenisloos en oppervlakkig.

Die drang om ergens bij te horen om deel uit te maken van een groter geheel, het gevoel dat ooit aanvoelde als een warm deken, begint nu als een klam laken aan mijn vel te plakken.

De laatste tijd dringt de volgende twijfelende gedachte zich aan me op, ‘Wat als ik vandaag stop met te proberen om overal bij te horen?’

De wereld rondom mij is snel en luidruchtig. Hij is gevuld met mensen die zich haasten om ‘er’ te komen, om ergens te zijn, om iemand te zijn ook al hebben ze geen enkel idee hoe die eruit moet zien. Maar wat als dat niet mijn weg is? Wat als ik rust en voldoening vind in de eenvoud van mijn eigen gedachten en in het alleen-zijn?

Ik hijs me uit mijn zetel en slenter naar het raam. Buiten raast de wereld door, onverschillig voor mijn existentiële mijmering. Het leven gaat door in zijn gebruikelijke, hectische tempo en stoort zich helemaal niet aan mijn gedwongen stilstand. Maar hierbinnen, in mijn kleiner wordende bubbel, heerst een stilte die tegelijk verontrustend als kalmerend is. ‘Is dit wat het betekent om vrij te zijn?’ Ik stel me de vraag luidop alsof het antwoord me zal verlossen van alle verwachtingen en van alle dwingende eisen van het leven.

Het lijkt misschien een domme vraag met een eenvoudig antwoord. Voor mij is het dat niet. De vraag voelt als een onoplosbaar conflict dat diep in mijn wezen ontketend is. De mens is een sociaal dier, dat staat in boeken beschreven. We hebben anderen nodig om te overleven en om betekenis te vinden. Maar misschien ligt betekenis voor mij niet langer in een groepsdynamiek of in de goedkeuring van anderen, maar zit waarde verborgen in de rust die ik in mezelf vind. Misschien kan dit inzicht mij ontdoen van de druk die het leven met zich meebrengt en die nu nog als een zware last aan mijn schouder trekt.

Ik denk ook aan de ‘grote woorden’ die ik graag gebruikte om de kleinheid van mijn wereld en de onmetelijkheid van mijn gedachten te beschrijven. Woorden bedoeld om indruk te maken, om me te bewijzen, nu pas zie ik hun ijdelheid in. Woorden, het zijn maar woorden, zelfs mooi geschreven veranderen niets aan de werkelijkheid. Misschien is het hoogtijd om daarmee te stoppen, om de illusie van grandeur te laten voor wat die is en om mijn bestaan een beetje eenvoudiger te bezien.

Ik keer terug naar mijn zetel en leg de laptop op mijn schoot. De zon schijnt een schuchter regenzonnetje dat binnen een uur zal verdwenen zijn. Ik begin te schrijven, niet voor anderen, maar voor mezelf. Mijn gedachten gaan sneller dan mijn pijnlijke schouder toelaat ze in woorden om te zetten. Sierlijk, pijnlijk maar ogenschijnlijk moeiteloos vloeien ze over het scherm, simpel, duidelijk en bevrijd van de noodzaak om er indruk mee te maken. Ze staan naakt en ontdaan geschreven. Ik hoef er van niemand een denkbeeldige goedkeuring over te krijgen. Ze zijn de ultieme bevrijding van alle ingebeelde verplichtingen die ik mezelf ooit heb opgelegd.

Misschien raak ik nooit helemaal verlost van de druk om ergens bij te horen. Misschien zit die verwachting in mijn DNA gevangen of is het een diepgeworteld instinct dat nooit helemaal zal verdwijnen. Maar ik besef meer dan ooit dat alleen ik de keuze heb om er niet naar te handelen. Ik mag mijn eigen pad kiezen, zelfs al is het soms moeilijk of eenzaam.

Terwijl ik deze laatste zin schrijf, voel ik me helemaal rustig en zelfzeker worden. Die laatste zin gaf me nu pas echt toestemming om mezelf te zijn, bevrijd van alles wat iedereen zegt en losgekomen van wat iedereen denkt of van me vraagt.

Voortaan ben ik Zwitserland, ook voor mezelf!