Categorie: Vertelsel

Voor de goei.

 

…“Moeder, hebt ge mijn wit hemd gesteven? Is mijn kostuumbroek geperst en waar hebt ge begot mijn bretellen gelegd? Ik wil opgekleed naar de keus. Vandaag ben ik evenveel waard als die kiesmannen Want vandaag hebben ze mij van doen. Pas op, morgen zijn ze mij vergeten. Ik maak mij geen illusies. Ik ben niet aan mijn gat gedoopt. Dedju! 

Voor den Bsp stem ik niet meer. Die rooi, dat zijn juist radijzen. Rood genoeg langs den buitenkant, daar niet van. Maar spierwit, langs den binnenkant. Sinds die mannen hun overall gewisseld hebben voor een kostuum is het vet van de soep. Die zijn ineens allemaal vergeten van waar ze gekomen zijn. Uit welke broek ze geschud zijn. Als die morgen mee aan de vetpot kunnen lekken, zijn ze vandaag al vergeten wat ze ons gisteren beloofd hebben. Weet ge wat het zijn? Arrivisten! Wat zeg ik arrivisten, dat zijn ze! Dedju!

Zwijgt me van Willy De Clercq “de Vlerk” van de P.V.V.  Dat is pas een rasechte meeloper. Die zit in de zak van Vanden Boeynants. Die mag alleen, geletterd, met zijn schoon dictie en met evenveel krullen als op zijne kop, zijn gedacht zeggen.  Zolang dat maar het zelfste is als dat van “Polleke Panch”.  De zakkenvuller! Wat zeg ik een zakkenvuller, dat is hij. Dedju!

De C.V.P.  Breek me de mond niet open. Vanden Boeynants is misschien een idealist zonder illusies maar voor mij blijft hij nen illusionist die pensen doet veranderen in stemmen. Brussels krapuul! Wat zeg ik Krapuul. Dedju!…

En de Volksuniedat zijn zwetterikken! Dedju. Zwetterikken. “

Verkiezingen 40 jaar geleden ten huize Pultau. In zijn gesteven kostuum trok hij moedig ten strijde met één stem in zijn borstzak.

Diplomatie, takt en beleefde welbespraaktheid, werden me niet altijd met de paplepel opgelepeld. Onze pa zei het fors, met een vloek en met een vuist op tafel. Maar hij liep niet mee met de hoop. Ondanks zijn werkbroek en zijn dagelijkse schoofzak vormde hij zijn eigen gedacht en durfde daarvoor uit te komen. Het mocht klinken en botsen. Dat deerde hem niet. Hij kwam op voor zijn gedacht en liet zich niet of nauwelijks beïnvloeden door wat de grotere massa zei of dacht. Wat ben ik blij dat ik dat van hem geërfd hem al zeg ik het niet zo straf met een vloek. Dat doe ik nu ook niet.

Ik heb gewoon maar gestemd. Met een gestreken hemd, met mijn broek in de plooi en met mijn zondagse schoenen aan. In eer en geweten!  Voor de goei! 

Frans Laarmans van de jaarmarkt

 

Frans Laarmans, hoewel hij er uitermate ongeschikt voor was, gaf de wat rare snuiter ooit zijn werk van bode bij de General Marine and Shipbuilding Company op om zelfstandige kaasboer te worden. Met die carrièreswitch zou hij zeker in de gratie vallen van zijn omgeving naar de welke hij opkeek. Hij was overtuigd dat zijn nieuwe werk hem bij hen wat meer aanzien en status zou verschaffen. Althans zo had hij gehoopt.

Wat heb ik me bleekblauw geërgerd aan hem toen ik nog een vlegel was. Omdat hij als hoofdpersonage, steevast een prominente plek kreeg op een van de verplichte lectuurlijsten in de lessen Nederlands. Ik vond er niets aan omdat het verhaal veel te ver verwijderd was dan de dingen waar ik toen mee bezig was, als ik toen überhaupt al ergens mee bezig was.

Zeker ben ik niet want ik kan het hem niet meer vragen. Alfons de Ridder of Willem Elschot voor de leek, is per slot van rekening al van negentienzestig, even dood als Julius Caesar. Toch zou ik er nu geld voor over hebben om hem eens een paar vragen voor de voeten te gooien. Ik zou hem zeer zeker interpelleren over, of hij zich ooit zelf zo gevoeld heeft als Frans Laarmans, zijn favoriete hoofdrolvertolker. Vooral omdat van Frans beweerd wordt dat het één van Elschots alter ego’s was. Ik zou hem zeker ook vragen hoe de Schoonebeeks van deze tijd er nu uitzien en of ze nog op dezelfde verborgen manier verleiden in ruil voor status en aanzien. Niet dat ik opeens brie, camembert of oranje cheddar ga verkopen of markten ga afschuimen. Het tegendeel is eerder waar.  De onbestaande ambitie om marktleurder te worden, heb ik na mijn avontuur van gisteren snel in de schuif opgeborgen. Marktkramer is een niet te onderschatten stiel. Dat mag ik na gisteren getuigen. Gisteren probeerde ik mijn boekje aan de man en vrouw te brengen op de jaarmarkt. Net zoals Frans had Ik te veel tijd gestoken in de verpakking en de vorm en nauwelijks in een ernstig plan van aanpak. Zo was mijn kraam leuk versierd met posters, flyers en banners. De cake, de koffie, zelfs de kopjes en de borden waren zorgvuldig uitgekozen uit recyclebaar karton. Echter ik had geen moment stil gestaan bij hoe ik de voorbijgaande mensenmassa kon aanspreken met mijn koopwaar. Hoe ik wat aandacht kon verkrijgen. Mijn kraampje zag er net eender uit als alle andere.  Het gros van de tijd stond ik te sterven zoals vliegen en motten in een alleen staand huis. Frans Laarmans had er niet aan.

Zal ik dan maar weer gewoon doen wat werkt en een column schrijven in plaats van me de Eddy Wally van de jaarmarkt te wanen. Een boek is per slot van rekening geen sjakosj en al zeker geen bol kaas!

Zeedijk van de onzin

 

Als verveling me om de oren kletst, waag ik me wel eens aan een wandeling op het internet. Op de zeedijk van de onzin en de overbodigheid schep ik lucht en snuister ik rond tot iets me opvalt.

Zo een vijfentwintig jaar geleden had een bolleboos het wat vreemde idee die activiteit als “surfen” te benoemen. Ik ben geen etymoloog, en hoewel ik me in gedachten op een virtuele zeedijk bevind kan ik me niet voor de geest halen waarom die bezigheid als surfen moest bestempeld worden. Aan verbeeldingskracht ontbreekt het me doorgaans niet maar staren naar een scherm of schuiven met een muis heeft volgens mij weinig uitstaan met watersport. Die activiteiten worden doorgaans rechtstaand gedaan, op een plank of op een zinker, met zeil of zonder. Al durven ze dat tegenwoordig ook al op hun knieën doen, al peddelend op een plas. Mij niet gelaten.

Ik nestel me achter een scherm en laat me het geen me voor de ogen schuift niet ontvallen. In een poging me niet druk te maken glijd ik, met de muis in aanslag, van het ene oninteressante artikel naar het andere. Ik surf!

Hier op het internet is het razend druk. Dat is het hier altijd.  Iedereen wil in deze tijd van vluchtigheid een deeltje van de publieke ether om zinnige of onzinnige dingen te delen met de wereld. Op mijn virtuele promenade merk ik merk dat de verkiezingspropagandamolen op volle toeren draait.  Ik stuit op edele voornemens, onuitvoerbare ambities en tactische uiteenzettingen, verkondigd door betrouwbare uitziende figuren. Beloftes worden vervoegd tot onbestaande, overdreven of over het paard getilde superlatieven. Het is nooit anders geweest en het zal nooit anders zijn. Verkiezingen lijken wel een georganiseerde ruzie waar kleine kanten van diegenen van het andere gedacht, uit proportie gesleurd worden en waar belangrijke verwezenlijkingen van de vijand, geminimaliseerd worden tot ondeelbare deeltjes. Wanneer anders onbenullige mensen de kans krijgen om mee aan de vetpot te likken maken ze rare soms bokkensprongen. Dat blijkt. Ik zit er niet mee. Ze doen maar, hier op dat internet.

De baren van de pulp brengen me ongevraagd bij Enzo Knol. Deze jonge “ondernemer” verdient meer dan zijn brood door zelf opgenomen filmpjes te delen op het internet, in een vlog. Meer doet hij niet. Wanneer hij ontwaakt, filmt hij zijn suffe kop. Wanneer hij eet, vereeuwigt hij zich door mondvol te praten over wat hij tussen zijn kiezen propt. De hele tijd loopt hij rond met stijve arm of met een selfiestick om in scene te zetten waar hij zijn dag mee vult. Hij doet het altijd en overal.  Wanneer hij eet, slaapt of kakt. Alles gaat de ether in en 1.9 miljoen mensen kijken jaloers mee. Als voyeur naar een freak. De wereld draait raar tegenwoordig, hier op dat internet.

En dan ben ik  blij dat ik me af en toe maar eens verveel. Zodat jullie geen getuige hoeven te zijn van een opname van mijn kwijl dat uit mijn mondhoed sijpelt wanneer ik hier op mijn sofa, op mijn tamme krent, in slaap gesukkeld ben. En dat ik jullie maar af en toe eens mag vervelen met mijn zelfgeschreven onzin. Aan jullie om weg te zappen of verder te lezen. Het is ten slotte jullie internet!

Droom

Ik werd wakker met een schok, alsof ik ontwaakte uit narcose. 7:02 08 werd in rode cijfers op het plafond geprojecteerd. Tegen de schuine plafondwand zodat de cijfers een beetje uitgerekt en minder scherp werden. Ik zou minstens nog een uur langer kunnen blijven soezen zoals muizen tussen meel want op mijn werk word ik niet getimed. Niet met een prikklok, niet met een andere vorm van tijdsregistratie. Ze kijken daar niet al te nauw op uur en tijd. De bazen doen dat ook niet. Soms komen die pas om tien uur aan om nog voor de klok van vier terug te verdwijnen. Naar belangrijke afspraken met invloedrijke mensen uit voorname netwerken waar ons, ons kent. Niet dat ik dat heel zeker weet.

Maar ik deed het niet. Ik smeet de te dikke dons aan het voeteneind en ging op de rand van het bed zitten en staarde in het duister. Ik wou terug naar die vreemde droom die ik bijna kon terughalen. In een laatste vruchteloze poging probeerde ik er in gedachten naar te grijpen, maar de gestalten werden vage schimmen en losten zich vervolgens op in geesteloze grauwe damp.

Ik wankelde slaapdronken naar de keuken. Mijn gewrichten waren stram en mijn spieren nog wat verstijfd. Die nutteloze ochtenderectie duwde tegen de knopen van mijn boxershort en deed de gulp ervan halfopen staan. Er was nog niemand wakker dus ik stoorde me niet aan die uitgestalde mannelijkheid die zonder andere meerwaarde aankondigde had dat mijn bloed aan het stromen was.

Van de droom van daarnet proefde ik alleen nog maar de wrange smaak zoals een zure afdronk van wijn die te lang open gestaan had zonder kurk. Ik herinnerde ook nog dat ik nog groen was achter mijn oren en dat ik alles nog moest ontdekken. Op de een of andere manier werd ik er blij van en gerust omdat ik de ontknoping en de afloop kende.

Zonder enig resultaat groef ik verder in mijn memorie en wachtte op meer. En tot het water van de koffiezet heet was. Gedurende de dag horen ratelende koffiebonen bij de dagelijkse routine. Nu was het alleen nog maar storend lawaai dat mijn gedachten deed verstommen en de bobbel in mijn short deed verdwijnen.

“Koffie is voor alles goed”: dacht ik even later toen dampende expresso als een infuus uit de machine druppelde. Maar dan wel iets sneller.

Met de koffie verdwenen de laatste schimmen in de nevel van mijn gedachten. Vanavond ga ik vroeg slapen want ik wil weten hoe ik alles nog eens kan terug dromen alsof ik er nog een keer zelf bij was.

Onder het behang

Geuren leiden naar herinneringen. Vraag me niet waarom maar opeens dwalen mijn gedachten af naar mijn ouderlijk huis. Mijn ouders kochten dat veel te benepen pand ergens begin jaren zeventig. Hoewel het “goeden tijd” was en ze zich veel ruimer hadden kunnen zetten, was het er eigenlijk veel te klein om er groot in te worden. Er waren twee piepkleine slaapkamers zonder verwarming. Het was eigenlijk zo een typisch Vlaams huis met achtereen gebouwde koterij. In de badkamer, waar je je gat niet kon in keren, was het ofwel te koud ofwel veel te warm. Gedurende de week was het er eigenlijk alleen maar s’ morgensvroeg warm en op zaterdag, dan ook. Want dan mochten we in bad. Die piepkleine ruimte was dan zo bedompt dat je je naam kon schrijven in de aan gewasemde spiegel of in de faience-tegeltjes. Het badwater, dat minstens twee keer moest dienen was ook steeds, ofwel te heet ofwel te koud, afhankelijk van of je er als eerste dan wel als tweede in kon. Ik moest me altijd eerst van boven tot onder inzepen met een blok sunlight zeep waardoor ik precies een bruistablet was, wanneer ik dan eindelijk in dat hete water mocht. Ik bleef er dan meestal zo lang in tot ik helemaal verrimpeld was en rook naar de appeltjes die op het etiket van die grote bus shampoo stonden. Shampoo die trouwens ook dienst deed als veel te veel badschuim waardoor het badwater steeds appelblauwzeegroener kleurde.

Mijn vader en moeder konden zich vast en zeker iets veel groter permitteren dan dat kleine arbeidersrijhuis maar mijn vader was voorzichtig en spaarzaam op zijn pree. Ons ma trouwens ook. Naderhand beschouwd misschien te voorzichtig maar dat is gemakkelijk gezegd als je kan terug blikken en weet wat je weet. “Ge moet sparen, voor later. Voor als het eens tegen zit, Dan moet ge ook nog nen biefstuk kunnen eten”: zei ze terwijl ze snijbonen of tomaten aan het inmaken was, voor in de winter. Die groenten van op het land werden dan eerst geblancheerd, in van die glazen bokalen die op het gasvuur eerst steriel moesten gekookt werden. In een reusachtig grote, grijze, ijzeren ketel. Ik weet nog dat ik dan eerst met een primitief ding kilo’s snijbonen van uit den hof mocht draaien, tot gans het huis naar snijbonen stonk.

Om de drie, vier jaar gebeurde het. Dan kwam het op als het vliegend schijt. “Als gij iets in uwe kop hebt, hebt ge het niet in uw gat”: zei mijn vader dan. Al pruttelde hij meestal niet lang tegen. Mijn moeder was een verstokte roker. In grijze wolkjes blies ze de hele dag door kringetjes uit haar blauwe Belga filters, waardoor de kleuren van het bloemetjesbehang in de keuken veel te snel vergeelden. Meestal had ze met een plamuurmes al een deel van het papier afgestoken waardoor onze pa niet anders kon dan naar “Piessens” te rijden. Voor nieuw bloemetjesbehang met een moderner motiefje.

Nieuw behang was altijd een belevenis. Als de muur helemaal “oud-papiervrij” was, konden we aan het streepjes op de muur zien hoeveel centimeters we gegroeid waren tegen de vorige keer dat er “getappisseerd” was. In potlood schreef onze pa er dan altijd de datum bij en een stomme uitspraak. “6 centimeter in vier jaar, dat gaat hier een gat vooruit!” of “Ge weet toch dat elke tand in uwe kop ne klomp goud waard is”. Zo van die dingen schreef hij. Naar mate we ouder werden raakte de hele muur in de keuken vol geschreven. Met wijsheid of met onzin.

Mijn keukenmuur is niet behangen met modern bloemetjes behang. Daardoor is hij daaronder ook niet volgeschreven met volkswijsheid van onze pa. Dat hoeft niet zo om te weten dat het begot een gat vooruit gaat en dat elke tand in hune kop een klomp goud waard is.

Rupsje rimpel en Jan lul

 

Hoe onnozel achterlijk! Ik die dacht dat vrouwen enkel de hand aan zichzelf leggen op Hustler- en Playboy-tv. Of voor camera’s van internetsites waar heel veel XXX-en in het webadres zitten. Al wist ik ook wel dat het af en toe eens gebeurde in de boekskes. In die bladjes, vol geile vrouwen die voorzien zijn van te dikke borsten met sterretjes op, en die je kunt kopen in benzinestations langs grote autostrades. Al meen ik me ook nog te herinneren dat schreeuwende vrouwen wel eens tot hoogtepunten gemanoeuvreerd werden in reclamefilmpjes van shampoo met speciale kruiden. Al heb ik dat nooit goed verstaan. 

Dat was dus waar ik foefelende vrouwen mee associeerde maar toch niet met  stijvere presentatrices of met radiostemmen.

Tot gisteren dus, toen werd ik verbaasd uit mijn preutse illusie getrokken. Ongevraagd was ik getuige, en nog wel in prime-time en ik vertaal dat even vrij in pruimtijd, dat onze aller ex-speekerin Eva Daeleman dagelijks de vingers bevochtigt. In haar voorpoep en verplicht nog wel, elke dag. Met de complimenten van haar kraker. Om opnieuw connectie te leggen tussen lijf en geest. 

Toen ik in mijn tijd “lichaam en geest probeerde te verbinden” achter de deur, en ik werd betrapt, vloog ik naar meneer pastoor. Om er te biechten. Met wat geluk mocht ik als boete en voor absolutie, op de schoot. Om te voelen hoe eerwaarde biechtvader geen onderbroek droeg onder zijn kazuifel. Echt plezant vond ik dat niet maar ik deed het liever dan twintig  weesgegroetjes en dertig onzevaders op te dreunen. Want dat hielp zeker ook niet. De ene zondigt en de andere zalft en balsemt zal ik toen al gedacht hebben.

Nu zit iedereen er blijkbaar anders in. Nu kunnen persoonlijke gamechangers in geuren en kleuren als bloemlezing besproken worden op tv. Als getuigenis tot innerlijk geluk en groei.  Over groei gesproken trouwens. Vaak voel ik mezelf als Jan lul. Te stijf om te pissen en te slap om te poepen en dan gebeurt er niks. Eva deed het niet. Haar getuigenis over hoe ze voortouw nam in haar leven heeft me ontroerd. Haar moedige verhaal heeft me echt gepakt. Hoe ze al haar zekerheden over boord gooide om zich te storten in een ongekend, onzeker avontuur. Goed voor haar en inspirerend als voorbeeld voor anderen maar misschien hoefde ik niet te weten dat ze daarvoor ook elke dag rupsje rimpel aait. Want die visual staat nu toch ongevraagd op mijn netvlies gebrand. Schreeuwend, onder de douchekop met kruidenshampoo in het haar.

Liefste vreemden

 

Ooit waren we verliefde vreemden voor elkaar maar door de loop van de jaren leerden we elkaar steeds beter kennen. Maar nooit helemaal denk ik, al spreek ik wat dat betreft helemaal voor mezelf.  Soms verbeeld ik me dat ze mij wel helemaal doorheeft. Maar aangezien ik, wat dat onderwerp betreft, over te weinig betrouwbare informatie beschik, kan ik dat niet helemaal juist beoordelen. Op die manier bewaren we wat schemerige mystiek en blijven we op een aandoenlijke manier een beetje vreemden voor elkaar. Met kleine geheimpjes en luttele, kleine, verstoken trekjes.

Niettemin leerde ik in de loop der tijden vele dingen over ons en over mezelf. Zaken waar ik nu soms diep beschaamd over word. Wanneer ik me ze herinner of wanneer ik er over door boom. Streken die ik uitgehaald heb of dingen die ik niet deed en beter wel had gedaan. Banale kleinigheden waarvoor ik te beschaamd of te verlegen  ben om ze helemaal uit de doeken te doen. Soms schaam ik me ook voor haar. Dat gebeurt ook. Over dezelfde banale, onbenullige habbekratsen.

Te veel nadenken en terug spitten naar wat ooit geweest is, of moest zijn, is een ondraaglijke vorm van gevaarlijk leven. Gelukkig haalt ze me met één vraag uit mijn dromerige kwelling. Ze heeft me weer door, denk ik.

“ Zijn we er? Ben je bijna klaar?”: vraagt ze ongeduldig?

Een jas of trui draag ik nooit en mijn schoenen heb ik in twee seconden aan. Zij is er nog niet. Of toch niet helemaal want in de gang blijkt dat ze haar handtas boven vergeten is. Dat lichtgroene, hippe, lederen ding dat ze ooit, als koopje, in een veel te dure winkel, op de kop kon tikken en waar ze lippenstift, vrouwengerief, een gsm en andere dingen, waar ik me van afvraag waarom ze überhaupt in een handtas rond rondslingeren, op een wanordelijke manier in hamstert. Om niets te vergeten, schat ik. Of omdat er spullen in zitten die ooit van pas zouden kunnen komen, in noodsituaties. Wat die dan ook moge zijn.  Aan de voordeur zegt ze: “Ik moet nog even terug, want de tv staat nog aan, het schuifraam is niet dicht en ik denk dat de dakramen nog openstaan”. Ik laat het allemaal rustig gebeuren alsof het voorbestemd is zodat de dingen geordend raken in een soort van compulsieve neurose waar alles in een bepaalde volgorde dient te gebeuren.

Als we eindelijk op het voetpad staan draaft ze geagiteerd: “Waarom ben je zo gehaast? Het is vijf voor vijf. De scouts is om 5 uur gedaan en het is maar 200 meter stappen. We hoeven ons toch voor niets of niemand te haasten en hoeven al helemaal niet te lopen. Dat is nergens voor nodig. We laten ons toch niet opjagen?”

We stappen 400 passen op een rustig tempo. Die liefste vreemde en ik.  Ik steek en sigaret op en terwijl ik dat doe, stel ik me de vraag waarvoor ze nu zo nodig die handtas nodig had. Ik vraag het haar niet want ik wil het niet weten. Want als ik dat allemaal ook nog zou te weten komen, is ze morgen geen liefste vreemde meer.

Tijdstanden van 50

 

Ik staar wat doelloos voor me uit. Ik lig op mijn rug in een stil huis. Nu ik het grootste gedeelte van de dag mezelf als gezelschap heb, heb ik tijd om te mijmeren. Terug en vooruit.

Binnen acht dagen word ik vijftig. Een mijlpaal zeggen ze. Ik zit er niet echt mee. Ik geloof niet dat het me iets doet. Wellicht omdat ik gewoonweg veel te lui ben om ouder te worden. Ik voel het niet, die hogere nummertjes want ik ben geen label. Of symbool van een soort wiskunde die ik niet begrijp. Sommige zaken kan je nu eenmaal niet optellen denk ik. Jaren zeker niet. Want sommige stonden bol terwijl andere er als een platte vijg uitzagen alsof er niets in gebeurd was.

Arroganter en groffer ben ik wel geworden door de tijdstanden, peins ik. Want ik betrap me er tegenwoordig op soms, antwoorden te verzinnen op vragen die niet gesteld zijn. Om straf te zijn of om indruk te maken. Op anderen. Op diegenen die er nog niet over nagedacht hebben. En dan waan ik me filosoof die het tot literatuurlijsten gaat schoppen. Misplaatste, overschatte ijdelheid is me niet vreemd.

Met ouder worden krijg je ervaring zo zegt men. Ervaring als top of summum. Leuke en waardevolle belevenissen verzameld op een berg mislukkingen. Maar wat ben ik ermee zo hoog te raken als ik de weg naar het dal er door niet meer zie? 

Schrijver noemen ze me nu. Dat etiket werd op mijn revers gespeten. Daarvoor moest ik vijftig worden. Om woorden en zinnen te schijten, als afgedragen lompen van gerafelde of verbleekte gedachten. Want alles werd toch al eens gezegd en geschreven. Al ben ik zeker dat ik het niet ben. Schrijver of auteur. Ik geloof dat ik met vijftig te worden, gewoon veel te veel denk en nog meer in mezelf praat. En wel zo luid en zo gemeend, overtuigend dat ik die zelfspraak geloof. En ik ze in leugenachtige beschouwingen gewoon maar opschrijf. Met een riek in een messinc, zodat er een pisbloem op kan groeien. Of zo?  Ik ben eigenlijk gewoon maar een eigentijdse troubadoer die met zijn gespin een wilde slag slaagt naar gedachten en emoties, in de hoop er af en toe een te raken.

Het blijkt mijn geluk en mijn lang leven te worden. Die uitgesponnen pennentrekken.  Al zijn het ook maar korte momenten die vervliegen vanaf het ogenblik dat ze in een zinnig opstel op papier raken. Als roddels van een nieuw soort waarheid die nooit geverifieerd werden. Omdat ze te luid geroepen werd. Door mezelf.

Je ziet het. Vijftig. Ik zit er niet mee. Al beken ik wel dat ik het erg genoeg vind dat ik vandaag al negenenveertig ben. Oud he?

De eendenfluisteraar.

 

Doorgaans doe ik hard mijn best om het niet te doen. Luidop denken en in mezelf praten. Gelukkig doe ik het enkel als ik alleen ben. Wanneer ik autorijd of in bad zit. Maar het vaakst betrap ik mezelf daarop wanneer ik alleen aan de waterkant zit. Alsof ik tegen eenden spreek en hen befluister. Zoals honden- of paardenfluisteraars dat doen. De waarheid is nochtans dat ik eerder mezelf probeer te bezweren. Het geeft me een rustig en gerust gevoel want op die manier raken mijn rondbotsende gedachten geordend en mijn chaos gerangschikt. De warboel wordt dan helemaal opnieuw ontrafeld tot nieuw spingaren. 

Als ik ermee betrapt word, kan men mij van geestelijk “niet helemaal in orde” verdenken. Maar dat geeft niet. Niemand heeft daar last van en ik word er beter van. Ik zal er niet mee stoppen want kleine verlangens ontzeg je jezelf toch niet? 

Ik deed het wel, ooit. Toen ik van dat kleine verlangen een grote slaaf geworden was. Een soort lijfeigene van de alles ontziende roes die met de strategie van de verschroeide aarde elk pad in as legde.

Vijf jaar geleden kocht ik mezelf vrij. En dat lijkt alsof het gisteren was en dat op zich is al even akelig als spectaculair.  Onze pa kon dat schoon zeggen:

“Op ne schonen dag, als ge lang genoeg leeft en uw toekomst stilletjes verleden tijd wordt. Dan draait ge u om en kijkt ge terug op uw eigen jonkheid en op uw stommiteiten maar ook op die zakes die ge goed gedaan hebt. Waar ge fier moogt op zijn”. 

De tijd vliegt. Zeker als je hem bewuster doorleeft. Vijf jaar. Het lijkt zo ver en tegelijk zo schrikbarend dichtbij. 

“Chapeau!”: hoor ik dan wel eens. “Dat je dat kan. “En nooit zo eens eentje? “Dat kleine verlangen hoef je jezelf toch niet te ontzeggen?” hoor ik hen denken. “Dat moet toch kunnen. Zo eentje?” Het is vast goed bedoeld en ik neem het niemand kwalijk. Maar eerlijk, ik heb het nooit gekund. Ik heb dat voornemen nooit kunnen waarmaken. Eentje was niet aan mij besteed. Voor één glas maakte ik mijn lippen niet nat. Om dan te stoppen met goesting? Ben je niet goed? Ik hoef mezelf wat dat betreft niet voor te liegen. Ik kan mijn eigen daarover niets meer opdisselen. Nooit was het me gelukt, het bij dat ene glas te houden. Waarom zou ik het nu dan nu opeens wel kunnen? Omdat ik al vijf jaar stopseldroog sta? 

Ik sta er nog steeds maar even ver van af als vijf jaar geleden. Ik ben nog steeds maar één armlengte verwijderd van het glas en de toog die me zo lang in hun donkere kerker gekentend hielden. Dus vergeef het me als ik niet in ga op die vriendelijke uitnodiging om mee te doen. Het zou mijn ondergang betekenen.

Misschien is zelfkennis wel de grootste kennis die je kan verwerven. Wat die zou me behoeden voor ijdelheid en beuzelaarij, al zou het ook perfect mijn laatste illusie kunnen zijn. 

Ik zeg of schrijf dit niet allemaal op om me er fier mee op de borst te kloppen en er hovaardig mee neer te kijken op de zuiplappen die met ware doodsverachting nog rustig verder blijven doen. Omdat ze niet kunnen stoppen. Of nog niet, omdat de peer nog niet rijp genoeg is om van de boom te vallen.

Het is niet omdat ik altijd wat anders drink, dat ik het recht heb om anderen hun pintjes  en wijntjes te ontzeggen. Zeker niet van die drinkers die er wel op een verantwoorde manier mee kunnen omgaan. Mijn waardeoordelen laat ik wat dat betreft best achterwege want het leidt me maar af van mijn eigen soberheid.

En als ik het daar dan overdenk zeg ik tegen een voorbij drijvende mannetjeseend: “Ik zal maar stilletjes verder blijven doen zeker want een betere keuze is er niet.” De woerd kwaakt en ik ben niet zeker of hij wel luisterde want voorbijdrijvende eenden horen nooit. Die zijn ook met andere zakes bezig.

Kwallen, zweetkaas en zeemeerminnen.

 

Het zilte nat spat onstuimig rond. Achter ons verandert de kleur van het water in appelblauw zeeazuur. Door het bruisende kielzog van ons bootje en door de luchtbellen die er van de buitenboordmotor doorheen gedraaid worden. De hemel is staalblauw en er is geen wolkplukje te bespeuren. Hier en daar laat een meeuw van zich horen, al blijken die redelijk zuinig te zijn met hun gekrijs. 

Onze vissersschuit is kleurrijk versierd met verticale strepen. Gele, rode, groene en blauwe gekleurde meten, een beetje zoals gondels op de grachten in Venetië.

De wind blaast ons bootje langzaam naar een rotsachtig eilandje. Niet groter dan een boerenzakdoek. “Blue Lagoon” staat op het kaartje dat we van de zeekapitein mee hadden gekregen. Want zo zag de verweerde kapitein Haddock er uit, die ons het sloepje verhuurd had. Alsof de wind en de zon diepe rimpels geploegd hadden in zijn getaande gelaat.

2 knopen snel deinen we de baai in. Luxejachten omringen ons. Het ene al wat chiquer en trendier dan het andere. Bovendeks, op het grote witte jacht met vier verdiepingen zit vast rijk volk want ze worden er bediend door statige mannen in witte pakken. Er wordt kreeft geserveerd en hier en daar knalt een kurk. 

De jachten vullen de baai met luidruchtig gejengel en gejoel. Engelsen schat ik, of Hollanders dat zou ook nog kunnen. Die twee naties worden nu eenmaal altijd een beetje lawaaieriger eens ze hun heimat achter zich gelaten hebben en er wat alkohol op vergoten wordt. Hun koloniaal verleden zal daar mogelijks de hand in hebben. Wie zal het zeggen? We zitten per slot van rekening in Malta, de handelspoort naar Afrika en Azie. Ze spelen eigenlijk een halve thuismatch, onze kolonisten van Catan.

Op een iets kleiner schip liggen dames drukdoend te keuvelen. Ze zijn neergevleid op het voorsteven. Op wit, duur strandlinnen.  De marineblauwe of hagelwitte lapjes textiel waarmee ze hun intieme plekjes verbergen zijn soms wat nipt en benepen. Overdaad kruipt nu eenmaal altijd naar de vervelendste plekjes. Waar het niet gewenst is. Ook bij duurdere dames.

Bruin gebrand mansvolk tracht met halsbrekende duiken de vrouwen te imponeren. Of is het met de gouden kettingen die rond hun halzen bengelen. Dat kan ook. Ik ben niet helemaal zeker of het hen aan het lukken is. Dat imponeren. Want de dames hebben ogenschijnlijk geen aandacht voor de paringsdans van de bronstige macho’s. Mogelijks zouden de deernes ook wel voor hen bezweken zijn zonder die halsbrekende toeren. Omdat ze nu eenmaal uit “een iets durdere pantalon” geschud werden. Want een werkmansbroek zal het niet geweest zijn. Al werd deze stelling is niet met feiten onderbouwd.

Het aanzicht is mooi en de baai fabelachtig. Maar de zee wordt niet blauwer vanop een dure cruiseboot. Vanop onze kleurrijke, lekke visserssloep. Met een paar flesjes halfwarm mineraalwater en een wakke pistolet met zweetkaas, ziet ze er net eender uit. En mijn twee meerminnen mogen er ook zijn, al zouden ze beter wat minder schrikkentist  zijn. Want de kwallen zitten immers echt wel allemaal op die grote boten!

Overbodige informatie in een spannende BH.

Geen minuut duurt het of ik ben aan de praat. Is het zenuwachtigheid die me loslippiger maakt? Is het die veel te smalle zetel waar ik in opgespannen zit zoals een clown in een springdoos? Of is het omdat  mijn vrouw en dochter drie rijen achter mij zitten en ik hen niet kan lastigvallen met mijn vliegfobie? Ik weet het niet. In elk geval, ik kom er na tien minuten achter dat de man naast mij dit tripje een aantal keer per maand doet. Voor zaken. Hij vertrouwt me toe dat het vliegpersoneel op deze vlucht, je geen twee minuten met rust laat. Hij kan het weten. Luttele tellen later krijgt hij gelijk want net dan wordt nuttige en overbodige informatie  in een hels tempo, in onverstaanbaar Engels door de intercom gebrabbeld. Zo snel, zonder articulatie of intonatie dat onmogelijk te achterhalen valt welke informatie nuttig is of welke overbodig. Ik besluit dat het allemaal even overbodig is. De lichtgele reddingsvest en het potsierlijk toneeltje dat erbij hoort gaan zoals bij elke vlucht aan mij voorbij. Evenals het okergele bekertje dat uit het plafond valt wanneer we voor welke reden dan ook zonder zuurstof zouden raken. De doorkijkbloes van de vliegactrice maakt het schouwspel op een vreemde manier helemaal gênant. Vooral voor haar dan, wel te verstaan.. Mijn aandacht verslapt  want als deze kist neerstuikt zitten we toch met zijn allen in een wip bij magere hein. Daar zullen die gele ondingen niet veel aan kunnen verhelpen. Wat me wel opviel was dat de bh van de stewardess van dienst zo krap zat dat het leek alsof ze precies wel wat  zuurstof zou kunnen bezigen. 

De wat zwaardere zakenman had een punt. De vliegcrew heeft blijkbaar opdracht gekregen om ons constant lastig te vallen. Met wakke sponsbroodjes, belegen met plastiek cheddar.  Met Heineken in blikjes, met hete slappe koffie of met lotjes van de loterij voor een of ander goed doel. “Misschien zou de vliegtiran van Rayanair zijn personeel een beetje menswaardiger behandelen zodat ze niet met lotjes hoeven, lopen te leuren”, bedenk ik licht geïrriteerd. Mocht dit een liefdadigheidsproject zijn, ik kocht tien lotjes of 20. Zeker weten. Van die hostess met het te spannend ondergoed wel te verstaan.

De man naast mij die een klein beetje met zijn Bmi worstelt, is aangenaam gezelschap. Al had ik liever gehad dat hij, toen we nog op de grond stonden, voor een broodje kaas had gekozen in plaats van voor een pitta met looksaus. En die pepermuntjes die hij opknabbelt, zijn het alleen maar erger aan het maken.

 “Als België wereldwijd vermaard is voor frieten, bier en chocolade is Malta het land bij uitstek voor games en spelletjes”, gaat hij verder, terwijl hij de gamingbrowser van zijn macbook opzij schuift. 

De bezienswaardigheden van Malta zijn me na een half uur bekend. The Blue Lagoon zijn te mijden, Gozo is een must do een Valetta aan aanrader. Op dat zakdoekeiland is buiten lekker eten en mooi weer niet veel meer te beleven. 

“Net genoeg voor mij”, schat ik.

Vliegen. Om de een of andere reden heb ik er een bloedhekel aan al heeft de vriendelijke, wat zwaardere pittaman de vlucht zeker aangenamer gemaakt. Alleszins onderhoudender dan de loterijmadam met de te spannende soutien want het was niet door haar dat ik weer weet hoe een kebab met look smaakt en dat Maltezers diep gelovig zijn. Al zou je dat aan die spannende, niets aan de verbeelding overlatend corset van die vlieg-escorte niet onmiddellijk verwachten.

Omgeploegd gelaat

 

Soms daagt het leven me uit. Het provoceert me om te zien hoe ver het met mij kan gaan. Het tast dan af waar mijn grenzen liggen en of ik er onder plooi of breek. Bijwijlen lijkt het wel een droom. Een soort terugkerende nachtmerrie waarin ik jong, fris en viriel in slaap val en telkens ik ontwaak me plots veel ouder waan dan ik me voel. Naar mate de droom zich sneller herneemt, ben ik meer en meer beschadigd. Alsof die hersenschim van mijn leven me sneller en sneller aan gruizelen sloopt. Fysiek, mentaal en emotioneel word ik er langzaamaan door verguisd. Tijd lijkt wel meer snelheid te maken naar mate ik ouder word. Misschien is het omdat synapsen in ons zenuwstelsel zich niet meer hernieuwen en vrede hebben genomen met hoe het is en het daarom vanaf daar alleen maar bergafwaarts lijkt te gaan. Het zal wel.

Gelukkig zijn die nachtwandelingen maar utopische zinsbegoochelingen. Als ik ‘s morgens mijn zelfbeeld aan de dagelijkse inspectie onderwerp is averij nauwelijks merkbaar. De rimpels die mijn gelaat doorploegen verraden dan wel dat mijn lijf wat ouder wordt maar dat mijn hartstocht, mijn levenslust en geest jong blijven.  Alsof ik er nauwelijks onder geleden heb. Onder het leven. Of maak ik het me wijs.

Want ik lig opnieuw op mijn ziekenbrits. Net zoals 5 jaar geleden. Zelfde gewricht, ander been. En ook dat lijkt wel een nare droom die zich telkens herneemt. Die synapsen lijken me ook daar niet voor te kunnen behoeden. Voor eerder gemaakte blunders. Je zou verwachten dat ik het ondertussen wel onder de knie zou hebben. Maar neen. Ik heb ze verdraaid, die knie. Vorige week op de trap en nu is mijn meniscus kaduuk. Mijn snijdokter zal het wel weer fiksen dat heeft hij toch altijd al gedaan.

Morgen vertrek ik eerst nog op reis naar Malta en ik neem mee… krukken, een brace, pijnstillers, spuitjes tegen flebitis en mijn goed humeur. Dat mag ik niet vergeten zodat ik daar niet opnieuw herval in verkwistende waanzin die zijn oorsprong vindt in allesomvattend zelfbeklag en verveling. Zoals nu. Daar is Malta te mooi voor heb ik me laten wijsmaken.

Hopelijk houdt die rotknie het nog 14 dagen uit.

Flessentrekkerij.

Op 14 oktober ben ik geen kandidaat voor de gemeenteraadsverkiezingen in Bornem. Niet voor CD&V of sp.a. Niet voor N-VA of Beter Bornem en al zeker niet voor Vlaams Belang.

Hoewel mijn standpnten edelmoedig en vreedzaam zijn, trek of duw ik niets. Ik sta ook nergens tussenin of ergens in het midden. Als ervaringsdeskundige van onzin, overdrijvingen en superlatieven zou ik er nochtans niet op misstaan. Op één van die lijsten. Maar politiek is als café houden. Zoals de waard is zo vertrouwt hij zijn gasten. En ik ben al een tijdje geen caféspecialist meer.

Ik ga gewoon geamuseerd toekijken. Naar het beloftenopbod van partijprotagonisten. Naar de kopmannen die, ons -kiesvee- , de volgende 2 maanden, zullen proberen doen geloven dat, eens zij de sjerp dragen, Bornem zullen transformeren in een soort sociaal-groen, leef- woon- verkeers- en werkwalhala. Ik kijk echt uit naar het kemphanengevecht. Ik ben helemaal klaar voor de lege beloftentrommel.

Het is nochtans redelijk stil rond de kiezing. Het is precies een beetje afwachten. Zoals op een eerste demarrage in de sprint. Wie zit wie in het wiel? Waarschijnlijk is iedereen nog druk bezig met het bedenken van de juiste leugen of het grootste luchtkasteel. Of hoe je flessentrekkerij het best geloofwaardig maakt. Of hoe ze snel kan doen vergeten worden, eens na 14 oktober.

In dit eerste berichtje over de verkiezingen, dus geen leugens of spectaculaire beloftes want ik ben geen kandidaat en ik dien geen heer. Al kan over het woord “niets” in paragraaf 2 wel gediscussieërd worden.

Gelukkig is de strijk gedaan.

 

De zwoele zomeravond doet traag zijn intrede. Er deunt zachte muziek uit de box en eerste vleermuizen flirten door de donkere schemerzone. Ze zit vlak voor mij en kijkt me indringend aan maar alleen wanneer ze denkt dat ik het niet merk. Als afleidingsmanoeuvre blader ik achteloos door mijn smartphone maar mis geen enkele beweging in de achtergrond.

Als ze me stiekem gadeslaat, houdt ze het hoofd schuin en ondersteunt het met haar rechterhand. Met haar wijsvinger draait ze voorzichtige denkbeeldige krulletjes, net boven haar oor. Laconiek gooit ze haar lokken achteruit zodat haar hals ontbloot wordt. Ze denkt dat ik het niet merk of misschien zoekt ze op die manier wel aandacht waar ik strategisch probeer aan te weerstaan.

In de andere hand houdt ze sierlijk maar nonchalant een halfvol tulpglas vast. We lijken op hetzelfde tempo te drinken. Zij witte wijn ik water, met ijsblokjes. We nippen en ademen in hetzelfde ritme, alsof ze me imiteert. Haar lichtgrijze ogen zoeken vluchtig contact. De lichtgrijze kijkers lijken donkerder en blinken vochtiger alsof er pretlichtjes in fonkelen. Wanneer ze zich met haar indringende blik betrapt voelt, kijkt ze kort weg. Het lijkt alsof ze het laatste greintje spanning, met een diepe ademstoot uit haar lijf zucht. Na elk slokje wijn gaat ze verleidelijk met haar tong zacht over de lippen. Haar mond kleurt roder en voller. De blosjes op haar wangen lijken plotseling veel minder onschuldige gedachten te verraden. Ze is ver in gedachten verzonken en glimlacht. Ze bijt op haar lip. Haar denkwereld fluistert haar zachtjes toe. Ze luistert en kijkt op zo een manier dat ze elk woord en elk beeld lijkt op te nemen om het nooit meer te vergeten. De ondergaande zon stuurt nog een paar laatste stralen alvorens te verdwijnen achter een horizon die eveneens rustig afwacht.

Gelukkig is de was, de strijk en de afwas gedaan zodat ze daar nu niet kan door worden afgeleid.

Vlammend paard in een gouden wagen.

Ze is er al even mee bezig en de mensheid is er volledig afhankelijk van. Warmte en licht houden het bestaan aan de waggel. Al eeuwen lang.

Als ze er niet was geweest zou er geen leven zijn. Dan was het hier maar een dode koude boel. Leiding nemen van het zonnestelsel is niet vanzelfsprekend, toch verkrijgt ze vaak niet de eer die haar toekomt. Zeker al niet van diegenen die het hier voor het zeggen hebben. Met een beetje samenwerking zouden die haar energie veel beter kunnen besteden. Want schijnend op een juist paneel is ze tot veel in staat. Ze wordt er zelfs een beetje geïrriteerd door.

Haar zonnig karakter is ze er echter nooit door kwijtgespeeld al kreeg ze indertijd wel meer aanzien van Grieken of Oude Romeinen. Wanneer ze als kind van Zeus en Leto met een vlammend paard in een gouden wagen door de lucht mocht zoeven. Dan voelde ze zich helemaal in haar “element” en gewaardeerd omdat ze in die tijd wel behandeld werd als koningin. Haar ijdelheid werd dan helemaal gestreeld. Zeker toen ze haar met de hoogste status vereerde, door een dag van de week naar haar te noemen.

Vroeger was echt alles beter. Toen Azteken haar adoreerden en bewierookten en ze een exotische naam kreeg zoals Huitzilpchtli en oorlogen mocht uitvechten tegen Quetzalcoatl. Of toen Egyptenaren haar als Ra vereerden. Al was ze toen wel iets minder opgetogen omdat die haar als scarabee of mestkever de wereld in stuurden.

Vandaag echter schiet van dat oer-respect niet veel meer over. Tenzij van strandjeanetten en barbie-bimbo’s. Daar krijgt ze nog wel egards van. Wanneer die op een exotisch strand, onbeschermd aandacht opeisen omdat ze overtuigd zijn dat een gebrand kakbruin kleurtje goed voor hen is en menen dat ze er licht geroosterd aantrekkelijker uitzien.

Vervroegd pensioen of tijdskrediet zit er niet in en is voorlopig niet aan haar besteed dus blijft ze doorwerken tot ze helemaal is opgebrand. Ook al zou ze het door het broeikaseffect misschien beter een beetje rustiger aan beginnen doen. Het smelten van de ijskappen wijt ze niet aan zichzelf want ze doet gewoon maar wat ze altijd al heeft gedaan. Er zijn! In het centrum staan vindt ze leuk maar ze begint helemaal te stralen als ze ten volle beseft dat mensen volledig van haar afhankelijk zijn. Als ze dan al eens blaren veroorzaakt wijt ze dat aan domheid van mensen die te hard haar vriend willen zijn wanneer die naakt en onbeschermd te veel aandacht op willen eisen. Zelf zou ze het wel op prijs stellen wanneer ze bij temperaturen als deze gewoon zonder gezeur uitgezweet kon worden.

En als ze echt te heet wordt kan je altijd nog op haar zus springen. Die andere. Water geloof ik dat ze heet. Dan is die ook eens in haar “element”.