Categorie: Vertelsel

Kwallen, zweetkaas en zeemeerminnen.

 

Het zilte nat spat onstuimig rond. Achter ons verandert de kleur van het water in appelblauw zeeazuur. Door het bruisende kielzog van ons bootje en door de luchtbellen die er van de buitenboordmotor doorheen gedraaid worden. De hemel is staalblauw en er is geen wolkplukje te bespeuren. Hier en daar laat een meeuw van zich horen, al blijken die redelijk zuinig te zijn met hun gekrijs. 

Onze vissersschuit is kleurrijk versierd met verticale strepen. Gele, rode, groene en blauwe gekleurde meten, een beetje zoals gondels op de grachten in Venetië.

De wind blaast ons bootje langzaam naar een rotsachtig eilandje. Niet groter dan een boerenzakdoek. “Blue Lagoon” staat op het kaartje dat we van de zeekapitein mee hadden gekregen. Want zo zag de verweerde kapitein Haddock er uit, die ons het sloepje verhuurd had. Alsof de wind en de zon diepe rimpels geploegd hadden in zijn getaande gelaat.

2 knopen snel deinen we de baai in. Luxejachten omringen ons. Het ene al wat chiquer en trendier dan het andere. Bovendeks, op het grote witte jacht met vier verdiepingen zit vast rijk volk want ze worden er bediend door statige mannen in witte pakken. Er wordt kreeft geserveerd en hier en daar knalt een kurk. 

De jachten vullen de baai met luidruchtig gejengel en gejoel. Engelsen schat ik, of Hollanders dat zou ook nog kunnen. Die twee naties worden nu eenmaal altijd een beetje lawaaieriger eens ze hun heimat achter zich gelaten hebben en er wat alkohol op vergoten wordt. Hun koloniaal verleden zal daar mogelijks de hand in hebben. Wie zal het zeggen? We zitten per slot van rekening in Malta, de handelspoort naar Afrika en Azie. Ze spelen eigenlijk een halve thuismatch, onze kolonisten van Catan.

Op een iets kleiner schip liggen dames drukdoend te keuvelen. Ze zijn neergevleid op het voorsteven. Op wit, duur strandlinnen.  De marineblauwe of hagelwitte lapjes textiel waarmee ze hun intieme plekjes verbergen zijn soms wat nipt en benepen. Overdaad kruipt nu eenmaal altijd naar de vervelendste plekjes. Waar het niet gewenst is. Ook bij duurdere dames.

Bruin gebrand mansvolk tracht met halsbrekende duiken de vrouwen te imponeren. Of is het met de gouden kettingen die rond hun halzen bengelen. Dat kan ook. Ik ben niet helemaal zeker of het hen aan het lukken is. Dat imponeren. Want de dames hebben ogenschijnlijk geen aandacht voor de paringsdans van de bronstige macho’s. Mogelijks zouden de deernes ook wel voor hen bezweken zijn zonder die halsbrekende toeren. Omdat ze nu eenmaal uit “een iets durdere pantalon” geschud werden. Want een werkmansbroek zal het niet geweest zijn. Al werd deze stelling is niet met feiten onderbouwd.

Het aanzicht is mooi en de baai fabelachtig. Maar de zee wordt niet blauwer vanop een dure cruiseboot. Vanop onze kleurrijke, lekke visserssloep. Met een paar flesjes halfwarm mineraalwater en een wakke pistolet met zweetkaas, ziet ze er net eender uit. En mijn twee meerminnen mogen er ook zijn, al zouden ze beter wat minder schrikkentist  zijn. Want de kwallen zitten immers echt wel allemaal op die grote boten!

Overbodige informatie in een spannende BH.

Geen minuut duurt het of ik ben aan de praat. Is het zenuwachtigheid die me loslippiger maakt? Is het die veel te smalle zetel waar ik in opgespannen zit zoals een clown in een springdoos? Of is het omdat  mijn vrouw en dochter drie rijen achter mij zitten en ik hen niet kan lastigvallen met mijn vliegfobie? Ik weet het niet. In elk geval, ik kom er na tien minuten achter dat de man naast mij dit tripje een aantal keer per maand doet. Voor zaken. Hij vertrouwt me toe dat het vliegpersoneel op deze vlucht, je geen twee minuten met rust laat. Hij kan het weten. Luttele tellen later krijgt hij gelijk want net dan wordt nuttige en overbodige informatie  in een hels tempo, in onverstaanbaar Engels door de intercom gebrabbeld. Zo snel, zonder articulatie of intonatie dat onmogelijk te achterhalen valt welke informatie nuttig is of welke overbodig. Ik besluit dat het allemaal even overbodig is. De lichtgele reddingsvest en het potsierlijk toneeltje dat erbij hoort gaan zoals bij elke vlucht aan mij voorbij. Evenals het okergele bekertje dat uit het plafond valt wanneer we voor welke reden dan ook zonder zuurstof zouden raken. De doorkijkbloes van de vliegactrice maakt het schouwspel op een vreemde manier helemaal gênant. Vooral voor haar dan, wel te verstaan.. Mijn aandacht verslapt  want als deze kist neerstuikt zitten we toch met zijn allen in een wip bij magere hein. Daar zullen die gele ondingen niet veel aan kunnen verhelpen. Wat me wel opviel was dat de bh van de stewardess van dienst zo krap zat dat het leek alsof ze precies wel wat  zuurstof zou kunnen bezigen. 

De wat zwaardere zakenman had een punt. De vliegcrew heeft blijkbaar opdracht gekregen om ons constant lastig te vallen. Met wakke sponsbroodjes, belegen met plastiek cheddar.  Met Heineken in blikjes, met hete slappe koffie of met lotjes van de loterij voor een of ander goed doel. “Misschien zou de vliegtiran van Rayanair zijn personeel een beetje menswaardiger behandelen zodat ze niet met lotjes hoeven, lopen te leuren”, bedenk ik licht geïrriteerd. Mocht dit een liefdadigheidsproject zijn, ik kocht tien lotjes of 20. Zeker weten. Van die hostess met het te spannend ondergoed wel te verstaan.

De man naast mij die een klein beetje met zijn Bmi worstelt, is aangenaam gezelschap. Al had ik liever gehad dat hij, toen we nog op de grond stonden, voor een broodje kaas had gekozen in plaats van voor een pitta met looksaus. En die pepermuntjes die hij opknabbelt, zijn het alleen maar erger aan het maken.

 “Als België wereldwijd vermaard is voor frieten, bier en chocolade is Malta het land bij uitstek voor games en spelletjes”, gaat hij verder, terwijl hij de gamingbrowser van zijn macbook opzij schuift. 

De bezienswaardigheden van Malta zijn me na een half uur bekend. The Blue Lagoon zijn te mijden, Gozo is een must do een Valetta aan aanrader. Op dat zakdoekeiland is buiten lekker eten en mooi weer niet veel meer te beleven. 

“Net genoeg voor mij”, schat ik.

Vliegen. Om de een of andere reden heb ik er een bloedhekel aan al heeft de vriendelijke, wat zwaardere pittaman de vlucht zeker aangenamer gemaakt. Alleszins onderhoudender dan de loterijmadam met de te spannende soutien want het was niet door haar dat ik weer weet hoe een kebab met look smaakt en dat Maltezers diep gelovig zijn. Al zou je dat aan die spannende, niets aan de verbeelding overlatend corset van die vlieg-escorte niet onmiddellijk verwachten.

Omgeploegd gelaat

 

Soms daagt het leven me uit. Het provoceert me om te zien hoe ver het met mij kan gaan. Het tast dan af waar mijn grenzen liggen en of ik er onder plooi of breek. Bijwijlen lijkt het wel een droom. Een soort terugkerende nachtmerrie waarin ik jong, fris en viriel in slaap val en telkens ik ontwaak me plots veel ouder waan dan ik me voel. Naar mate de droom zich sneller herneemt, ben ik meer en meer beschadigd. Alsof die hersenschim van mijn leven me sneller en sneller aan gruizelen sloopt. Fysiek, mentaal en emotioneel word ik er langzaamaan door verguisd. Tijd lijkt wel meer snelheid te maken naar mate ik ouder word. Misschien is het omdat synapsen in ons zenuwstelsel zich niet meer hernieuwen en vrede hebben genomen met hoe het is en het daarom vanaf daar alleen maar bergafwaarts lijkt te gaan. Het zal wel.

Gelukkig zijn die nachtwandelingen maar utopische zinsbegoochelingen. Als ik ‘s morgens mijn zelfbeeld aan de dagelijkse inspectie onderwerp is averij nauwelijks merkbaar. De rimpels die mijn gelaat doorploegen verraden dan wel dat mijn lijf wat ouder wordt maar dat mijn hartstocht, mijn levenslust en geest jong blijven.  Alsof ik er nauwelijks onder geleden heb. Onder het leven. Of maak ik het me wijs.

Want ik lig opnieuw op mijn ziekenbrits. Net zoals 5 jaar geleden. Zelfde gewricht, ander been. En ook dat lijkt wel een nare droom die zich telkens herneemt. Die synapsen lijken me ook daar niet voor te kunnen behoeden. Voor eerder gemaakte blunders. Je zou verwachten dat ik het ondertussen wel onder de knie zou hebben. Maar neen. Ik heb ze verdraaid, die knie. Vorige week op de trap en nu is mijn meniscus kaduuk. Mijn snijdokter zal het wel weer fiksen dat heeft hij toch altijd al gedaan.

Morgen vertrek ik eerst nog op reis naar Malta en ik neem mee… krukken, een brace, pijnstillers, spuitjes tegen flebitis en mijn goed humeur. Dat mag ik niet vergeten zodat ik daar niet opnieuw herval in verkwistende waanzin die zijn oorsprong vindt in allesomvattend zelfbeklag en verveling. Zoals nu. Daar is Malta te mooi voor heb ik me laten wijsmaken.

Hopelijk houdt die rotknie het nog 14 dagen uit.

Flessentrekkerij.

Op 14 oktober ben ik geen kandidaat voor de gemeenteraadsverkiezingen in Bornem. Niet voor CD&V of sp.a. Niet voor N-VA of Beter Bornem en al zeker niet voor Vlaams Belang.

Hoewel mijn standpnten edelmoedig en vreedzaam zijn, trek of duw ik niets. Ik sta ook nergens tussenin of ergens in het midden. Als ervaringsdeskundige van onzin, overdrijvingen en superlatieven zou ik er nochtans niet op misstaan. Op één van die lijsten. Maar politiek is als café houden. Zoals de waard is zo vertrouwt hij zijn gasten. En ik ben al een tijdje geen caféspecialist meer.

Ik ga gewoon geamuseerd toekijken. Naar het beloftenopbod van partijprotagonisten. Naar de kopmannen die, ons -kiesvee- , de volgende 2 maanden, zullen proberen doen geloven dat, eens zij de sjerp dragen, Bornem zullen transformeren in een soort sociaal-groen, leef- woon- verkeers- en werkwalhala. Ik kijk echt uit naar het kemphanengevecht. Ik ben helemaal klaar voor de lege beloftentrommel.

Het is nochtans redelijk stil rond de kiezing. Het is precies een beetje afwachten. Zoals op een eerste demarrage in de sprint. Wie zit wie in het wiel? Waarschijnlijk is iedereen nog druk bezig met het bedenken van de juiste leugen of het grootste luchtkasteel. Of hoe je flessentrekkerij het best geloofwaardig maakt. Of hoe ze snel kan doen vergeten worden, eens na 14 oktober.

In dit eerste berichtje over de verkiezingen, dus geen leugens of spectaculaire beloftes want ik ben geen kandidaat en ik dien geen heer. Al kan over het woord “niets” in paragraaf 2 wel gediscussieërd worden.

Gelukkig is de strijk gedaan.

 

De zwoele zomeravond doet traag zijn intrede. Er deunt zachte muziek uit de box en eerste vleermuizen flirten door de donkere schemerzone. Ze zit vlak voor mij en kijkt me indringend aan maar alleen wanneer ze denkt dat ik het niet merk. Als afleidingsmanoeuvre blader ik achteloos door mijn smartphone maar mis geen enkele beweging in de achtergrond.

Als ze me stiekem gadeslaat, houdt ze het hoofd schuin en ondersteunt het met haar rechterhand. Met haar wijsvinger draait ze voorzichtige denkbeeldige krulletjes, net boven haar oor. Laconiek gooit ze haar lokken achteruit zodat haar hals ontbloot wordt. Ze denkt dat ik het niet merk of misschien zoekt ze op die manier wel aandacht waar ik strategisch probeer aan te weerstaan.

In de andere hand houdt ze sierlijk maar nonchalant een halfvol tulpglas vast. We lijken op hetzelfde tempo te drinken. Zij witte wijn ik water, met ijsblokjes. We nippen en ademen in hetzelfde ritme, alsof ze me imiteert. Haar lichtgrijze ogen zoeken vluchtig contact. De lichtgrijze kijkers lijken donkerder en blinken vochtiger alsof er pretlichtjes in fonkelen. Wanneer ze zich met haar indringende blik betrapt voelt, kijkt ze kort weg. Het lijkt alsof ze het laatste greintje spanning, met een diepe ademstoot uit haar lijf zucht. Na elk slokje wijn gaat ze verleidelijk met haar tong zacht over de lippen. Haar mond kleurt roder en voller. De blosjes op haar wangen lijken plotseling veel minder onschuldige gedachten te verraden. Ze is ver in gedachten verzonken en glimlacht. Ze bijt op haar lip. Haar denkwereld fluistert haar zachtjes toe. Ze luistert en kijkt op zo een manier dat ze elk woord en elk beeld lijkt op te nemen om het nooit meer te vergeten. De ondergaande zon stuurt nog een paar laatste stralen alvorens te verdwijnen achter een horizon die eveneens rustig afwacht.

Gelukkig is de was, de strijk en de afwas gedaan zodat ze daar nu niet kan door worden afgeleid.

Vlammend paard in een gouden wagen.

Ze is er al even mee bezig en de mensheid is er volledig afhankelijk van. Warmte en licht houden het bestaan aan de waggel. Al eeuwen lang.

Als ze er niet was geweest zou er geen leven zijn. Dan was het hier maar een dode koude boel. Leiding nemen van het zonnestelsel is niet vanzelfsprekend, toch verkrijgt ze vaak niet de eer die haar toekomt. Zeker al niet van diegenen die het hier voor het zeggen hebben. Met een beetje samenwerking zouden die haar energie veel beter kunnen besteden. Want schijnend op een juist paneel is ze tot veel in staat. Ze wordt er zelfs een beetje geïrriteerd door.

Haar zonnig karakter is ze er echter nooit door kwijtgespeeld al kreeg ze indertijd wel meer aanzien van Grieken of Oude Romeinen. Wanneer ze als kind van Zeus en Leto met een vlammend paard in een gouden wagen door de lucht mocht zoeven. Dan voelde ze zich helemaal in haar “element” en gewaardeerd omdat ze in die tijd wel behandeld werd als koningin. Haar ijdelheid werd dan helemaal gestreeld. Zeker toen ze haar met de hoogste status vereerde, door een dag van de week naar haar te noemen.

Vroeger was echt alles beter. Toen Azteken haar adoreerden en bewierookten en ze een exotische naam kreeg zoals Huitzilpchtli en oorlogen mocht uitvechten tegen Quetzalcoatl. Of toen Egyptenaren haar als Ra vereerden. Al was ze toen wel iets minder opgetogen omdat die haar als scarabee of mestkever de wereld in stuurden.

Vandaag echter schiet van dat oer-respect niet veel meer over. Tenzij van strandjeanetten en barbie-bimbo’s. Daar krijgt ze nog wel egards van. Wanneer die op een exotisch strand, onbeschermd aandacht opeisen omdat ze overtuigd zijn dat een gebrand kakbruin kleurtje goed voor hen is en menen dat ze er licht geroosterd aantrekkelijker uitzien.

Vervroegd pensioen of tijdskrediet zit er niet in en is voorlopig niet aan haar besteed dus blijft ze doorwerken tot ze helemaal is opgebrand. Ook al zou ze het door het broeikaseffect misschien beter een beetje rustiger aan beginnen doen. Het smelten van de ijskappen wijt ze niet aan zichzelf want ze doet gewoon maar wat ze altijd al heeft gedaan. Er zijn! In het centrum staan vindt ze leuk maar ze begint helemaal te stralen als ze ten volle beseft dat mensen volledig van haar afhankelijk zijn. Als ze dan al eens blaren veroorzaakt wijt ze dat aan domheid van mensen die te hard haar vriend willen zijn wanneer die naakt en onbeschermd te veel aandacht op willen eisen. Zelf zou ze het wel op prijs stellen wanneer ze bij temperaturen als deze gewoon zonder gezeur uitgezweet kon worden.

En als ze echt te heet wordt kan je altijd nog op haar zus springen. Die andere. Water geloof ik dat ze heet. Dan is die ook eens in haar “element”.

Proppen of vouwen?

 

Wezenloos staar ik voor me uit. Naar een witte muur in een veel te kleine kamertje. “Nooit zal ik nog naar de pijpen dansen van een vrouw”, lees ik in Dag Allemaal die hier al een paar weken rond slingert want de Rode Duivels moeten nog wereldkampioen worden.

Chris Van Tongelen was de pijpen of het pijpen (daarover is het artikel niet sluitend) van zijn ex-vrouw Brigitte blijkbaar grondig beu en is opnieuw op de markt.

Mooi! Denk ik en ik betrap me erop dat de ex-stiefvader van de Vlaamse Justin Bieber het bij mij aan respect aan het winnen is. Even verder in het “artikel” laat de Familieman er met zijn uitspraken, geen spaander van heel en verhakselt hij mijn prille waardering tot schriele houtkrullen.

“Een onenightstand moet wel kunnen”, staat er schaamteloos, al wil hij zich tegelijkertijd ook wel voor de volle 100% smijten in een nieuwe, romantische “coup de foudre”. Maar hij lijkt ook blij te worden van nieuwe vriendinnen waar hij af en toe eens mee kan gaan eten of een goed gesprek mee kan hebben. Ja ja… een goed gesprek? Dat zal wel.

“Van Tongelen, stielbederver! Je bent Romeo-onwaardig”, prevel ik tegen het boekje. “Wees eens een vent, word duidelijk en red de tijger! ”Wat wil je nu precies? Wil je de midlifecrisis van je gat vogelen? Ga je voor die fladderende buikvlinders die je weer naar pijpen zullen doen dansen of is het dat goede gesprek waar je cupidopijlen aan wil verschieten?

“Soms is het beter om je mond te houden en dom te lijken dan hem te openen en alle twijfels weg te nemen”, zeg ik tegen mijn witte muur. Hij antwoordt niet. “Zwijgen is instemmen”, prevel ik tegen het super de luxe toiletpapier, maar ook daar krijg ik geen gehoor.

De oudste Romeo moet het ontgelden. Opeens ziet hij er met zijn bloeddoorlopen oog uit alsof hij een dik pak slaag kreeg van Brigitte. Al was het maar omdat de mug die zich vannacht volzoog met mijn bloed nu op de voorpagina prijkt van s’ lands onbenulligste stukje roddelpers. Zo ongeveer ter hoogte van Van Tongelens’ rechter oog. Nu ziet de goedlachse Puttenaar er helemaal niet meer uit.  Hoe hij er nu uit ziet, zal hij met zekerheid niet aan die onenightstand raken en al zeker niet als hij zijn mond open doet.

Tegen zoveel vrolijkheid kan ik niet op en richt mijn blik opnieuw op die witte muur. Mijn 2 slapende billen halen me plots uit mijn ochtendlijke nonsens en brengen me abrupt weer tot de orde van de dag? Zal ik proppen of vouwen?

Des goûts et des couleurs

 

Mijn ballen staan zachtjes te rimpelen op het zachtste vuurtje. “Een uurtje sudderen op het kleinste bekken”, zo had Jeroen Meus het voorgedaan voor kokend Vlaanderen in zijn dagelijkse digitale kookboek kwartiertje van de boerinnenbond. Niet dat ik Meus nodig heb om balletjes te kneden, ze vorm te geven en ze in tomatensaus te zwieren. Helemaal niet maar toch wankelt het zelfvertrouwen van deze would-be-kok in kwestie, toch even nu ik ze dansend in mijn kookpot zie wiebelen. De stengels fijngehakte dragon en oregano kwamen niet voor in het recept. Daarom dat ik niet zeker ben of die twee aromaten wel een culinaire meerwaarde zullen bieden. Zelfs tegenover Jeroen Meus ben ik eigenwijs. De smaakpapillen van mijn proevers zullen straks wel beoordelen of deze keuze een geniale ingeving was dan wel een onvergeeflijke gastronomische blunder. Het kookluchtje waarmee de keuken zich vult, doet alvast het beste vermoeden. Af te wachten!

Koken op zich is rustgevend, tenminste als ik het alleen kan doen. Dan is het fijn tijdverdrijf. Toch maakt het op een vreemde manier die slapende macho weer in mij wakker. Eens is sta te roeren in een pot metamorfoseer ik een zichzelf veel te hoog inschattende, snobistisch koksidioot. Ik word dan een autistische maniak die tiert, vloekt in mezelf roep en me veracht omdat ik die beetgaar geachte mise-en -plats weer veel te plat gekookte. Of wanneer de, in mijn ogen verfijnde snijtechniek toch niet van dien aard blijkt te zijn om me uit te roepen tot sterren chef die ik in het bijzijn van machosoortgenoten soms pretendeer te zijn. Zeker niet wanneer ik stukken vinger mee verwerk in het snijwerk.

Buiten een keukenrobot, een snijplank, een scherp keukenmes en wat gamellen laat ik het liefst geen andere pottenkijkers toe. Toeschouwers zouden op die momenten alleen maar te beurt vallen aan mijn minachtende blik of aan de te pikante amuse-gueule van een halve zot die zich Gordon Ramsay waant.

Een gelijkaardig fenomeen doet zich voor wanneer mannen zich scharen rond een zomerse barbecue. Eens het vuur heet en grijs is, ontpopt het zwakke geslacht zich tot cuisson-specialist of gaartijd-fetisjist. Dit terwijl ze de overige 364 dagen de keuken mijden alsof ze er een prostaatonderzoek in moeten ondergaan. Het testosterongehalte rond de grill is vaak nog groter dan het hormonenvlees dat een kwartier later zwartgeblakerd wordt af geserveerd.

Koken, ondanks de persoonlijkheidsveranderingen die me ermee te beurt vallen doe ik het graag. Ik doe het zeker niet alle dagen maar ik doe het wel graag. Of ik het goed doe laat ik aan de smaak over van mijn lief, mijn huisgenoten en de occasionele gasten die ik straks weer zal willen imponeren met een rib-eye of een geroosterde sardine.

Maar ik kom er altijd mee weg want “des goûts et des couleurs on ne discute pas!”

Ik wil ook zo iets!

 

Laat er vooral geen twijfel over bestaan. Vrouwen die lippen vuurrood kleuren, het zet iets in gang bij een vent. Daar hoeven wij, minderbedeelden der natuur, niet flauw over te doen. Zelfs antropologen zijn het roerend eens. Hoe roder de lippen hoe vruchtbaarder de vrouw. 

En ze weten het verdomd goed. Die van het sterke geslacht.  Mannen associëren getuite rode lippen nu eenmaal, ongewild met sex, met paren en met voortplanten. Zo beweren diezelfde menskundige wetenschappers toch. Hoewel ik van dat laatste maar moeilijk te overtuigen ben. Dat zullen die er zeker wel bij gesleurd hebben om al die vrouwen met hun rode lippen gerust te stellen.

Maar is het dan te kort door de bocht te stellen dat vrouwen met felrode mondcontouren bronstige, op sex beluste, hete manverslinders zijn? 

Zijn zij dan niet die ogenschijnlijk hulpeloos ogende prooien waarvoor wij mannen hen sinds Darwin aanzien?  Zijn zij dan de “gedoodverfde” medogenloze jagers bij uitstek? De roofdieren die met hun rode vettigheid mannen om de tuin weten te leiden omdat zij de associatie aan flapperende schaamlippen niet kunnen weerstaan waardoor automatisch de werking van de rest van hun neo-cortex wordt stil gelegd? Want daar zijn diezelfde antropologen het ook nog over eens. Bij fel rode lippen denken wij verdorven, zieke mannen zowizo eerst aan rupsje rimpel! Dat beeld floept bij rode lippen bij ons mannen als eerste binnen. Als close-up van de flamoes. Van de vochtspelonk en als oester op de ijsberg.

Zien jullie dames dan niet in en kunnen jullie de gevolgen dan niet inschatten van wat jullie met die rode verf allemaal aanrichten in ons brein? Ici-Paris-XL wordt een pornofilm. Een catwalk van venusheuvels, schaamdriehoekjes en wandelende gleuven.

Jullie moesten beschaamd zijn!

Vrouwen zijn dus al eeuwen in staat om alleen met rode verf het verleidingsspel en de paringsdans in gang te zetten! Een ritueel dat bij ons venten altijd het startschot is om ons gelijk halve zotten beginnen uit te sloven om op die manier in de gratie te vallen van een stel bedriegelijke rode lippen? 

Hoe oneerlijk is dat niet? Zeg? Ik wil ook zo iets…

Heb je ze zien kijken?

De sfeer was anders. Het decor ook, de zonnenbril niet. Minstens 3 keer per jaar gebeurt het. Spontaan. Zonder grote plannen of moeilijke afspraken in overvolle agenda’s. Dan hebben we opeens, zonder dat we er ‘s morgens bij stil hebben gestaan rendez-vous. We krijgen dan even elkaars volle aandacht om bij te praten. Ergens op een gezellig terras. Half in de zon half in de schaduw.

Zij met koffie verkeerd ik met de juiste. Pikzwarte met zoetjes. Om de compagnie compleet te maken waren er mini boules de Berlin bij. Niet om ons te verschuilen achter zweemzoete vettigheid of oude koeien maar gewoon omdat die wat luchtigheid brachten bij ons filosofisch geladen gespin.

De zon scheen flauw op haar gelaat, zodat ze zich, zoals ze wel vaker doet, veilig kon verbergen achter grote donkere glazen. De anders, altijd aanwezige denkrimpels waren verdwenen en haar brede glimlach zorgde voor 2 lachkuiltjes die me helemaal opgewekt maakte. De overvloedige cafeïne zal er ook nog wel voor iets tussen gezeten hebben.

Ze heeft iets met zonnebrillen. Altijd al gehad. Toen ik haar lang geleden voor het eerst ontmoette had ze er ook een op. Maar toen spraken uilen nog wartaal. Ze had een zwarte ray-ban die ze meestal in het haar droeg. Die deed haar wat weg hebben van Madonna. Ze zal het niet toegeven maar diegenen die haar kennen zullen beamen dat ze er destijds veel moeite in stak om er even cool uit te zien als die Material girl.
“Like a virgin” is ze niet meer, dat weet ik zeker. Ze zal destijds zeker “Papa don’t preach” gedacht hebben toen haar vader haar met een bedenkelijke blik taxeerde, wanneer ik een paar dagen later met gespeeld zelfvertrouwen de eerste keer aan haar voordeur belde.

Nooit zijn we elkaar uit het oog verloren. Niet als het goed ging maar ook niet als het met een van ons heel slecht ging.

Als ik nu zeg dat we stilaan oud worden, spreekt zij me met veel elan tegen. Dan overtuigt ze me dat we gewoon eindelijk in balans raken en we stilaan eindelijk van volwassenheid mogen verdacht worden. Voor de overschot zijn we het meestal wel roerend met elkaar. Over zowat alles. Over kinderen of over relaties en partners of over oude bekenden en hoe die soms opdringerig of onverdraagzaam jaloers kunnen zijn. Meestal eensgezind dus, behalve over gekleurde lichaamsverieringen maar daar hebben we het dan ook niet over.

35 jaar lang al passeert ze zo nu en dan. Vroeger wel meer dan nu maar dat kwam omdat ik toen even de juiste San Pedro was. Nu is er een geschiktere San die mee reist naar een of ander “la isla bonita.”

Het is altijd leuk om zomaar even bij te babbelen om te zien en te horen dat het goed met ons gaat. Dat we stilaan in balans raken. Ik wil dat echt nog wel 35 jaar blijven doen. Die babbels en die koffie al hoop ik wel dat ik daartegen gewend kan raken aan die veel te luide schaterlach.

Heb je de mensen zien kijken?

Ik ben hoer! We kunnen fisten.

 

< “He ik ben al hoer, ik zie je zo aan het ontbijtbuffet. Noor is ook al hoer. Ze is bij mij. Tot zo.. en haasten jullie zich een beetje?”

We waren met zijn vieren in Parijs.  Om er cultuur te snuiven en ons culinair te laten overmeesteren. Een bezoek aan het kasteel van Versailles stond op de planning en mijn lief wou met dit tekstberichtje laten weten dat ze fris gewassen was en dat ze helemaal klaar was voor een culturele hoogdag. 

Versailles was mijn idee. De logies zijn steeds haar rayon. Ze had twee ruime kamers geboekt in een leuk pension vlakbij het kasteel. Noor had bij mijn vrouw geslapen en Dries had mij gans de nacht wakker gesnurkt.

Toen het, ik-ben-hoer-smsje, de gsm in mijn broekzak deed trillen kon ik een grijns maar moeilijk onderdrukken.  De radertjes in mijn hoofd draaiden helemaal gek en een snood plannetje ontspon zich razendsnel. Zoals een spin rag spint rond een vastgekleefde vlieg.

> “Hoer? En dat met onze dochter in de buurt, wat schuift dat? Kijk je eens even snel of er viagrabrood is of vaginacrème en vers fluit”: Antwoordde ik met de voorbedachtheid om haar helemaal tureluurs te teksten.

< “Hier”, bedoelde ik zot. Viagrabrood en vaginacrème? Maak eens dat je beneden bent, snul. Wij hebben honger”

> “Schreef ik viagrabrood? Ik bedoelde ciabattabrood en vanillecrème. Damn..  autocarrosserie, ik bedoel autocapitalistion… grrrrrr… autocorrect!” “Kont in orde hoor! Ik ben me aan het afdrogen.”

< “Neen hier hier is geen ciabatta, wel brioche en baguettes, en ik weet dat mijn kont in orde is. Ben je er?”

> “Komt in orde”:  Had het moeten zijn maar je hebt gelijk, je kont is nog in orde en ik kan het weten want op elk potje past een deksletje.” 

< “Deksletje… haha .. je doet het er om”

> “We zijn er hoor. Ga al maar. Ik loop gewoon nog even langs de balie voor onze tickets. Naar welke maitresse heb je die gestuurd?”

< “Hu?”

> “Maitresse… haha! emailadres. Naar welk emailadres?”

>“Het jouwe. Laat je ze voor de zekerheid printen? Als ze daar geen scanner hebben      aan de ingang kunnen we nog een uur in de rij staan.”

<“Kont in orde hoor! alles is afgerukt en nog goed nieuws we hoeven niet te stappen. Ik ben ook hoer en we kunnen fisten”

 

Licht dementerend

Ik vraag me af of ik het erg zou vinden om licht dementerend te zijn. Volgens mij zitten er mogelijkheden in. Het zou absoluut niet leuk zijn mocht ik helemaal weggezonken zijn in lala-land en niet meer zou weten of ik van voor of van achter leef. Neen dat zou maar niets zijn. Maar gewoon een beetje licht vergeetachtig, dat zou ik zien zitten. Met een beetje kalk op de leidingen.

Elk gesprek zou dan net lijken als een spannende eerste ontmoeting.

Ongestoord en ongegeneerd zou ik iedereen kunnen aanspreken om dan zonder blikken of blozen te vragen. “Ken ik je niet ergens van? Van TV misschien?” “Ik voel aan dat we elkaar vroeger al ontmoet hebben maar ik kan het me niet precies herinneren. Ik ben namelijk licht dementerend.”

Om het allemaal wat aan te dikken zou ik vertellen: “Daarstraks at ik koteletten met boontjes en een gekookte aardappel maar vraag me niet wat ik gisteren at want dat weet ik niet meer, rijst peins ik want ik ga slecht af”

“Wie ben jij trouwens? Iets zegt me dat ik je al met je gesproken heb. Nog niet zo lang geleden. Ik denk dat ik je toen verteld heb dat ik licht dementerend ben en dat mijn vrouw het daar moeilijk mee heeft. Moeilijker dan ik zelf. Niet dat ik niet zindelijk ben of zo hoor want ik neem minstens een keer per dag een douche of een bad met badschuim van sunlight. Soms zelfs 2, als ik weer vergeten ben dat ik er al een genomen heb. Neen hoogstens laat ik eens een onderbroek slingeren of een kous. Of knoop ik mijn hemd verkeerd. Dat gebeurt ook wel eens. Maar belangrijke dingen vergeet ik niet. Etenstijd bijvoorbeeld. 12:30 stipt is 12:30 stipt. Zij is nooit op tijd. Altijd is ze te laat. Als ik boontjes met kotteletten gemaakt heb wordt 12:30 dikwijls 12:50 of later”. “Ik was het vergeten”: zegt ze dan. “Ik hoop maar dat ze niet, net als ik ook licht dementerend wordt: denk ik dan”. “Al vind ik het zelf allemaal niet zo erg.” “Trouwens, als ze boontjes en kotteletten niet zo lekker vindt mag ze me dat ook gewoon zeggen. Of op dat briefje schrijven. Naast dat andere waar op geschreven staat: NIET VERGETEN: Strijken!!! , Ramen kuisen!!!! , Gras afdoen!!! en naar het containerpark gaan!!!! Maar dat stond in PS met 3 x-en er onder. Belangrijke dingen vergeet ik toch niet, Zeker niet als er 3 uitroeptekens achter staan.

Ik zou ook niet rood worden als ik met veel charme in je oor zou fluister. “Jij bent een toffe, ik weet nog precies waar ik je voor het eerst gesproken heb. Wist je al dat ik licht dementerend ben?”

Door mijn lichte dementie zou ik sympathiek overkomen. Helemaal ongevaarlijk, en aandoenlijk stuntelig dus sympthiek. Soms zou ik het wel veinzen. Wanneer ik een helder moment heb. Maar ik zou er mee wegkomen want ze zouden weten dat ik licht dementerend ben. Dan zou ik er de leukste uitkiezen en zeggen: “Ken ik je niet ergens van? van Tv of zo? Je ziet er leuk uit met je neptieten en je schilderijen”. Maar ik ben jammer genoeg niet licht dementerend dus ook niet sympathiek stuntelig of aandoenlijk. Nu ben ik alleen maar stom, lomp en dwars.

Soms wou ik dat ik wat licht dementerend was. Dan mocht ik mijn hemd verkeerd knopen en een kous laten slingeren en een onderbroek of een natte vod. In de gootsteen.

Ochtendgeluiden

Opgesloten in de stilte in mijn hoofd die alleen opgevuld raakte met luide ochtendgedachten ontwaak ik uit mijn veel te lichte slaap. Ik ben nog moe. Moe opstaan haat ik. Daar heb ik een bloedhekel aan. De nacht was te kort. Veel te warm en veel te vochtig. De eerste muggen waren er ook. Ze beten en zoemden. Te vroeg voor de tijd van het jaar denk ik. . De beten zijn de dag nadien pas erg. Als ze veranderd zijn in grote, rode, jeukende bobbels. ’s Nachts is het enkel het gezoem rond mijn hoofd waar ik zo horendol van word.

Het is half zes. Merels roepen om regen. Andere vogels roepen om iets anders. Ik weet zeker dat merels roepen om regen. Omdat ze dan na de bui door hun getrappel op het gazon de pieren naar boven kunnen pesten. Die verdragen de regen al moeilijk maar van die trillingen van merelvoetjes boven hun hoofden krijgen ze het hélemaal op de heupen. Al ben ik niet overtuigd of pieren hoofden hebben of heupen. Als ze zich dan met hun hoofd (dat ze dus waarschijnlijk niet hebben,) eerst uit het grasperk wurmen worden ze opgepikt. Door de merels. Slimme beesten toch die merels. Niet die pieren want die hadden misschien beter gewoon wat dieper in de grond gekropen. Maar daar was het te nat. Door de regen. Ze hadden geen keuze. Pech. Voor de pieren.

Tortelduiven laten het niet aan hun hart komen. Niet het lot van de pieren, niet de nacht die broeierig zwoel was houdt hen van hun bezigheid. Ze doen in de dakgoot gewoon waar wij het gisterenavond veel te warm voor vonden. Zij hebben blijkbaar weinig last van het vocht of warmte. Ze vogelen maar wat rond en storen zich niet aan andere vogels of gevogel. Omdat het per slot van rekening nog altijd maar mei is en ze misschien nog niet aan ei raakten. Of gewoon omdat ze andere dingen aan hun hoofden hadden. Ook pieren pesten misschien? Al heb ik ze nog nooit op het gazon zien dansen. Een hoofd hebben ze wel daar ben ik wel zeker van.

De eerste vroege auto’s in de straat duwen de natuur naar de achtergrond. In de verte zoemt de file van de rijksweg. De facteur duwt mijn bus vol ongewenste post.

Ik ben wakker.

Het beloofd weer een spannende dag te worden.

Eieren. Krot, prut en zwarte drab

 

Het begon met eieren. Niet elke dag begint met eieren. Deze dus wel. Met zacht gekookte want van hard gekookte krijg ik een droge mond of de hik. Waarschijnlijk omdat ik ze te gulzig eet? Daar heb ik nog niet over nagedacht. Ik was ze ook eerst. In lauw water. Doe ik dat uit voorzorg?  Misschien is het wel een overblijfsel of een nutteloze gewoonte die overgebleven is uit de tijd van de dioxinecrisis of de fipronilcrisis. Alsof ik mezelf wijsmaak dat ik dat spul er überhaupt zou kunnen afwassen mocht het er op zitten.

“Met eieren moet je oppassen.” Dat had mijn oma zaliger me al vroeg ingepeperd toen ik nog klein was. “Want ze komen uit de poep van een kip. Daardoor plakken ze vol met van alles en nog wat en van alles en nog wat dat is kiekenstront.” Ik ben het nu nog niet vergeten. Opgepast dus met die eieren! Dat ze uit de poep kwamen wist ik al langer. Lang voor ze het me gezegd had.

In die tijd waren alle kippen nog vrije uitloopkippen. Ze waren nog niet samengepakt in veel te kleine hokken, om daar met 100 of meer, tegelijk de hele dag eieren te schijten op een transportband. Of om elkaar de ogen uit te pikken omdat ze te weinig vrije uitloop hebben of te weinig mais.

Drie fipronilvrije scharreleitjes van uitloopvrije kippen dus! Die ging ik koken voor het ontbijt. Met geroosterde soldaatjes en krokant gebakken spek. Toen de eitjes in het kokende water van mijn splinternieuw steelpannetje dansten werd mijn aandacht getrokken door de broodtrommel. Die was zo goed al leeg. Buiten een oudbakken korst en een harde sandwich was er niets eetbaars om straks in onze zachte eitjes te doppen. In aller haast trok ik mijn zevenmijlslaarzen aan en repte me naar de bakker. Voor verse sneetjes volkorenbrood.

De rij was lang zoals steeds op zondagmorgen. 2 bejaarde dames beklaagden het weer en de prijs van de patisserie. Het leken nochtans precies zelf mislukte taarten met hun te paars uitgevallen kapsels en hun plastiek kapje dat hun scalp moest beschermen tegen regen die er niet was. Toen de winkeljuffrouw het nummertje riep dat op mijn scheurbriefje stond brak het angstzweet plots in alle hevigheid uit. Mijn eieren stonden nog op. 21 minuten lang al. Gelukkig droeg ik zevenmijlslaarzen om me huiswaarts te spoeden.

Op ongeveer het zelfde moment dat die paniekaanval mij overviel, werd mijn vrouw abrupt uit haar schoonheidsslaap gerukt. Door eitjes die in de keuken luidruchtig “tap-dansten” in een rokende, roodgloeiende steelpan. Mijn sleutel stak nog maar net in het sleutelgat en kreeg ik al heel veel luide woorden naar mijn hoofd geslingerd. Woord-gekrakeel waar ik tot dan het bestaan niet nog niet van kende. Ze klonken, denk ik als dieventaal van over het water. “Lomp, stom en zot” meende ik wel te herkennen in de tirade.

Na het ontbijt dat overigens verder vrij rustig verliep, zonder gevaarlijke eieren of soldaatjes, ging vrouwlief het terrashout proper spuiten. Met de hogedrukreiniger want zonder, is daar geen beginnen aan. Het mos was immers veel te hard aan mijn bankira-planken gehecht om het met een gewone straal uit een lans los te spuiten.

De mislukte poging tot brandstichting was alleen nog maar een anekdote die nog wel eens ter sprake zal komen op een of andere gelegenheid of aan een toog, wanneer er mij iets betaald moet gezet worden. Om me in mijn hemd te zetten of om er mijn handigheid mee te illustreren. Het is haar gegund.

Vast besloten om het groene hout de oorspronkelijke kleur terug te geven blies de drukspuit de zwarte smurrie in het rond en begon vrouwlief stillaan wat weg te hebben van Monneke Pek. Van boven tot onder hing ze vol groene en zwarte drab. Het krot en de prut werd door de kracht van het water tot in haar kanten slipje geblazen. Een activiteit echter, die nochtans normaal gesproken alleen maar door mij mag uitgevoerd worden, maar dit ter zijde. Ze staakte de ijverige kuiswoede pas 2 uur later. Toen alle planken opnieuw hun oorspronkelijke houtkleur hadden maar er zelf uit zag als een veldrijder die net een modderig parkoers had omgeploegd en een uur lang slijk gevreten had. Toen ik voorstelde om haar een beetje proper te spuiten was ze te moe en speelde haar pijnlijke rug te fel op om tegen te stribbelen. Ze had het beter wel gedaan. Want omdat de spuit al enige tijd onaangeroerd was blijven liggen, was de druk en de kracht van de straal zo sterk dat ik naast de drek en het gort eveneens het vel van haar tenen ermee weg spoot. De luide “Waase” vloekwoorden die opnieuw naar mijn hoofd geslingerd werden, herkende ik meteen maar bleven even onverstaanbaar weerklinken als een paar uur tevoren. Hoewel de woordjes “lomp en zot” er zeker weer tussen zaten.

Om te schuilen tegen het woordenbombardement en ook wel als preventiemaatregel tegen nog groter onheil, zocht ik de keuken op. Om daar mijn zoon te “helpen”. Hij was al een paar uur drukdoende. Omdat het weer het toeliet had hij voorgesteld om straks vlees en vis te roosteren op de barbecue.

“Strak plan, waarmee kan ik helpen?”: vroeg ik “behulpzaam”.

“Met niet veel meer, alles is zo goed als gedaan. Alleen bieslook en dat beetje peterselie moet nog fijngehakt worden. Voor in de sla.”

Een echt koksmes is naast redelijk groot, vrij zwaar ook vlijmscherp. Dat hoort het te zijn, want met een scherpe snijkant doe je geen accidenten. Die heb je alleen maar met botte messen. Wanneer je afschampt en zo in je eigen vlees terecht komt. Ik was voorzien van een klein keukenzwaard waarmee Samoerai pijnloos harakiri kunnen plegen. Gewapend met zulk een stiletto kon me niets gebeuren. Ik had Jeroen Meus het trouwens al zien doen. Hoe moeilijk kon het zijn? Je zet je het punt van je mes op de snijplank, houdt het lemmet op 45° en maakt gelijkmatige op-en-neer gaande bewegingen. Het mes doet al de rest.

Wat er precies gebeurde ik weet het niet precies. Was het mijn dochter die me afleidde door de tv aan te zetten? Waren het afdwalende gedachten die me uit mijn snijconcentratie bracht? Wordt een keukenmes altijd een onverantwoord wapen eens ik het in mijn handen houd? Niemand kan het navertellen, want niemand had gezien welke vreselijke tafereel op het punt stond zich te voltrekken.

Een ijselijke gil die de gevoelstemperatuur met tien graden deed dalen, galmde door de huiskamer. Alsof een konijn gevild werd met een houten mes. Zo moet het ongeveer geklonken hebben toen het lemmet mijn nagel doorboorde, het nagelbed raakte, en metersdiep door mijn vlees hakte….

Toen ik ’s avonds, voorzien van pleisters en windsels het vuur van de barbecue probeerde aan te maken en mijn zoon pas op het nippertje kon verhinderen dat ik het pas gekuiste terras in lichterlaaie stak, snakte ik naar een dwangbuis. En een wit gecapitonneerd kamertje. Om tot rust te komen en me te bezinnen. Over lompigheid, impulsiviteit, Murphy, en Relatine.

Een kamelenteen en oxytocine.

 

Evy Gruyaert is opnieuw mijn heldin want zij weet hoe ik gelukkig word in 21 dagen.

Van eigens. Telkens ik haar op het scherm tegen het lijf bots, slaat mijn hart minstens een slag over. Dat is zonder twijfel nog een gevolg van toen ze met haar veel te sensuele stemgeluid: “Nu,! Sneller! Harder! Je bent er bijna!” in mijn oor hijgde. Al was ik telkens wel blij dat ik na 3 minuten mocht wandelen.  Wanneer die eerste ellendige kilometers achter de rug waren.

Als ik Evy mag geloven hoeven de kilo’s er niet af te vliegen door aan gewichten te sleuren of door als een gek te sporten. Om me 100% begenadigd te voelen, word ik ook niet gedwongen om mijn lijf in onmogelijke kronkels plooien op een yoga mat. Al zou ik  niet ongelooflijk ongelukkig worden om vanop dat plekje naar perfecte vrouwen te staren. Naar vrouwen van wie de rondingen in hun niets verhullende, te strakke spandex geprangd zit, zodat hun verticale glimlach mij uitdagend tegemoet lacht.  Al hoeft die occasionele kamelenteen niet zo nodig. Die heeft geen meerwaarde in de setting en belemmert uiteindelijk alleen maar de suggestie.

Wat moet ik dan wel precies doen om die zweverige gelukzaligheid in al mijn vezels gewaar te worden? Volgens Evy moet ik zoveel als mogelijk mensen vast grabbelen. Bekenden en onbekenden. Hen knuffelen en fijn knijpen. 21 dagen lang, minstens 10 minuten per dag. Daar word je blij van, al  wordt dat een opgave want ik voel me oprecht ongemakkelijk wanneer vreemd volk mijn persoonlijk territorium betreedt. Knuffelen dus en dat met Jan en alleman, het wordt nog wat!

Hoewel deze activiteit ver uit mijn comfortzone ligt ga ik het er toch op wagen.  Evy oogt immers ook altijd opgewekt en opgetogen. Misschien heeft het op mij wel het zelfde effect. Daarbij de comfortzone is niet het plekje “where the magic happens”. Dat heb ik ooit ergens gelezen. In een boekje bij de psychiater denk ik.

Knuffelen schijnt onmiskenbare voordelen te hebben.  Het lichaam zou in overvloed oxytocine aanmaken. In de volksmond beter gekend als het knuffelhormoon. Hoewel ik hormonen door de band genomen voor geen meter vertrouw, zou deze stof in tegenstelling tot de hormonen die ik ken en die het maandelijkse onheil bij mijn vrouw veroorzaken, gevoelens van onzekerheid en angst verzachten. Het zou ook de cortisolspiegel in het bloed verlagen zodat stress en onrust verdwijnen als sneeuw voor de zon. Bovendien zou mijn bloeddruk na een paar dagen vel tegen vel al verlagen met een paar punten. Als ik Evy mag geloven zal ik me ook minder eenzaam en gespannen voelen en word ik nog meer zelfzeker en socialer.

Dus verschiet niet als ik je een van komende dagen tegen mijn gilet trek en je in mijn persoonlijk grondgebied sleur. Het is voor de wetenschap en mijn gelukzaligheid.

Ik laat je ook nog weten hoeveel toeken ik tegen mijn bakkes gehad heb als ik die nietsvermoedende voorbijganger heb vast gegrepen.