Categorie: Filosofisch

Misschien kom ik je tegen.

Toen ik de boekenhandel binnenstapte en ik al die titels en auteurs in de rekken zag pronken, vroeg ik me af waarom ik de innerlijke drang maar niet kon weerstaan om me met hen te meten. Alles is toch al gezegd en alles is al eens geschreven, in mooiere zinnen die ik ooit zou kunnen bedenken. Wat doet mijn interpretatie van de feiten, die dat vaak niet eens zijn, er dan toe?

Misschien is schrijven voor mij alleen maar een aangename manier om het leven maximaal te negeren, want geef toe, een doorsnee mensenleven is toch te kort om er een blijvende rol van betekenis in te spelen. Waarom zou ik mijn tijd dan nog verschijten met niemendallen op te schrijven in woord-geknutsel waar niemand wakker van ligt? Als er niks waardevols te vertellen is, moet ik toch niet proberen de woorden die ik gevonden heb, in graniet te beitelen? Dat heeft toch geen zin? Dat is toch een bezigheid die uitsluitend voor echte woordacrobaten is weggelegd, voor koorddansers die erin slagen om in woord en beeld het vergankelijke onvergankelijk te maken.

Waarom ik die laatste gedachte om elf uur s ’ochtends, tussen de boeken aanboorde, weet niemand. Waarschijnlijk omdat ik een eeuwige twijfelaar ben die naar een strohalm reikte om aan zichzelf zijn onbenullige gedachten uit te leggen. En met die laatste reflectie voelde ik me zelfs te klein om in het café, dat zich naast de boekshop bevond, koffie te drinken. Niet dat dat ik geen zin had in koffie, want ik heb altijd zin in koffie. Ik had alleen geen zin in mensen en in hun verhalen. Ik was bang dat ik er niet lang door geboeid zou blijven.

Tien minuten later sijpelde het zwart sap, dat aan een handvol betere koffiebonen onttrokken was, langzaam uit mijn super-de-luxe DeLonghi Dinamica, en toverde een crèmige, beige kraag in mijn tas. De cafeïne die door mijn aderen stroomde deed mijn dwingende traagheid vervagen, zodat ik voor een tweede keer, tijdens die jonge dag, verstrikt raakte in onafwendbare barrières die mijn gedachten hadden opgeworpen.

Zijn mensen dan niet altijd op zoek naar verhalen, vroeg ik me af? Zou het leven niet helemaal zinloos worden zonder? Neem nu een relatie, en ik bedoel dan een liefdesverhaal. Dat gaat toch over oorzaken die langzaam gevolgen worden in een aaneenschakeling van toevalligheden. Een romance, of ze nu lang duurt of kortstondig is, gaat toch altijd over een samenloop van omstandigheden die leiden tot nieuwe gebeurtenissen, die aan elkaar geregen worden met stomende seks en met vlammende ambras? Sommige koppels hebben geen verhalen meer en zijn helemaal uitverteld, waardoor van stomende seks niets meer in huis komt en er enkel nog vlammende ambras overblijft, of oorverdovende stilte. Dat is even goed mogelijk.

De enige bedenking die ik maak waardoor het allemaal wat moeilijker ligt, is dat het leven niet altijd een spannende verhaallijn heeft, laat staan een interessant plot op de allerlaatste bladzijde. De enige zekerheid die het leven biedt, is dat het ooit een einde neemt. Het maakt niets uit of dat leven nu spannend of kleurloos is geweest. En dat op zich is een hele geruststelling want dat inzicht maakt dat ik me alleen over vandaag hoef te bekommeren en niet op zoek moet naar spannende zaken. Ik neem dan ook vastberaden en weloverwogen het besluit om vandaag niets te doen en laat dat nu net zijn wat ik het liefste doe. Nietsdoen en rondlummelen in de onbekende straten van mijn gedachten, waarin de stappen die ik zet, alle richting en vaart mogen missen zodat mijn zintuigen de details kunnen absorberen die normaal aan mij voorbijgaan. Snelheid is in mijn nieuwe leven eerder uitzondering dan regel geworden. Op stap gaan, met een lege portefeuille vol herinneringen en het leven mogen torsen in al zijn lichtheid, weegt al meer dan zwaar genoeg zonder dat haastig gedoe. Met vijf euro, een half pakje peuken, een zak vol nieuwsgierigheid en een vulpen, zodat ik het leven nog lang op een aangename manier kan blijven negeren. Misschien kom ik jou er wel in tegen.

Jeugdige Onschuld.

Ik schrijf dit omdat ik niet vergeten wil worden. Wie dit zal lezen, weet ik niet, maar dat is niet belangrijk. Misschien wordt het dat maar pas wanneer dit manuscript ooit opgevist wordt uit een gammele kist op zolder, of uit een oude kast van een muffe kelder. Misschien krijgt, dat wat hier geschreven staat, dan pas de betekenis die ik eraan heb willen geven. Misschien krijgt het dan pas enige waarde, wanneer jij met je ogen door mijn gedachten bladert, en er dezelfde ondefinieerbare twijfel in voelt die nog alle dagen door mijn ziel woedt. Ik ben Jan, zoon van Jef de gereedschapsdraaier en van Carola de ruziemaker. Dit is de ingekookte versie van het verhaal van een praatjesmaker van tweeënvijftig die door het leven bedeeld werd met een onverwoestbaar ego, een vuil blad en met een uiterst breekbaar hart. Het gaat over het vergeten verleden van duizenden figuranten die erin passeerden en die net zoals ik slachtoffer werden van domme onwetendheid of van nog dommere hoogmoed en misschien net daardoor goed terecht kwamen. Toch raken ze net zoals ikzelf stilaan op de achtergrond en door de tijd vergeten. Ik ben Jan en koos mezelf als hoofdpersonage, omdat hij de enige is die overblijft wiens gedachten en emoties ik nog een beetje vertrouw. Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een argeloos verleden, dat met elke dag die voorbijgaat terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst. Wat hier neergeschreven is, is een levende getuigenis van een half leven dat even zinvol als zinloos voorbijvloog en waar niet veel meer van overblijft dan de tijd die verdwenen is.

…”Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een argeloos verleden, dat met elke dag die voorbijgaat terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst.”…

In de zomer van negentienzesentachtig baadde dit vlakke land zoals elke zomer van de jaren tachtig in een koel waterzonnetje. Het grootste gedeelte van dat jaar heb ik me beziggehouden met zeventien te zijn, een activiteit die niet veel meer om het lijf had, dan puisten uitknijpen en stumperige pogingen ondernemen om me interessanter voor te doen dan ik was. Met de overschot van de dag deed ik vruchteloos pogingen om mijn veel te slungelige lijf op te vullen met een ego dat ik nog niet bezat, om het dan wat later op mijn kamer opnieuw leeg te snokken bij een poster van Samantha Fox. Omdat de zomer van zesentachtig typisch Belgisch was, had ik mezelf de vrijheid toegeëigend om de zuiderse zon op te zoeken, al laat ik die beslissing rebelser klinken dan dat de realiteit verbergt, temeer omdat Jef Carola dagenlang heeft moeten overtuigen om mij überhaupt mee op kamp te laten gaan. Voor mij voelde dat zomerkamp aan als de annexatie van pas ontdekte vrijheid aan mijn zinloze bestaan, al wist ik helemaal niet wat ik ermee aan te vangen, met dat stukje veroverde soevereiniteit. Het grootste gedeelte van dat jaar was ik immers maar een puberende bakvis geweest wiens wereld bestond uit mensen van wie ik me de namen vandaag niet precies meer kan herinneren. Hoewel ik nog drie jaar geduld moest oefenen om officieel volwassen genoemd te mogen worden, heb ik, met de dag van vandaag meegerekend, nog steeds niet het gevoel dat ik dat ereteken al verdiend heb. Achttien worden in de jaren tachtig was voor mij persoonlijk een grotere mijlpaal dan eenentwintig worden, omdat ik vanaf die leeftijd met een auto mocht rijden, ik formeel geslachtsrijp was en omdat mijn hart voor de eerste keer helemaal aan diggelen lag. Hoewel ze het er destijds in België politiek gezien niet eens over konden worden, of ik op achttien, wettelijk meerder- dan wel minderjarig genoemd mocht worden, veranderde er niets. Met mijn meerjaren ving ik nog minder aan dan toen ik als minderjarige in het leven stond en ik nog over een beetje ambitie beschikte om mijn actieradius te vergroten. Ik heb minderjarig en meerderjarig trouwens altijd vreselijke woorden gevonden. Enerzijds omdat ik me altijd meerderjarig gevoeld heb ten opzichte van gasten die een jaar jonger waren dan ikzelf maar anderzijds omdat ik me ongelooflijk onhandig-minderjarig kon voelen wanneer een vrouw me aansprak die maar een paar maanden ouder was dan ikzelf en ik elke keer tot achter mijn oren rood aanliep. Mijn ruziemakende moeder buiten beschouwing gelaten, waren vrouwen destijds trouwens gewoon rare mensen met staartjes. Ik vond het maar mysterieuze wezens die gekleed waren in grijze plooirokjes, donkerblauwe truien en witte sokken en die in meisjesscholen geleerd werd om voor het andere geslacht onbereikbaar te blijven. Wat ik toen niet wist is dat de vrouwen die ik hierboven beschrijf op dezelfde manier over jongens dachten, al hoefden die er toen al lang niet meer uit te zien als seksloze nonnen of als vrome, seksueel gefrustreerde pastoors. Al bij al was negentienzesentachtig een goed jaar maar dat wist ik op dat moment niet. Nu de herfst mijn persoonlijke zomer snel wegblaast, kan ik alleen maar vaststellen dat levenservaring maar een kam is, die je van het leven cadeau krijgt op het moment dat je kaal begint te worden. Of tweeënvijftig de juiste leeftijd is om tot die vaststelling te komen, weet ik niet zeker. Mijn haargrens bevindt zich namelijk nog precies op dezelfde plaats waar die zich dertig jaar geleden bevond, al wijt ik dat eerder aan de rimpels op mijn voorhoofd die mijn vel zwaarder doet wegen waardoor mijn haarlijn naar onderen getrokken wordt. Ik zeg maar wat, maar kaal, dat ben ik nog niet. Toch ben ik het vandaag aan mijn leeftijd verschuldigd om me tot de leeftijdsgroep van de ‘puberende vijftigers’ te rekenen. Gewoon maar vijftig worden is voor groentjes. Het is maar vanaf tweeënvijftig dat ik opnieuw een beetje recht van spreken krijg in deze grijzer wordende leeftijdscategorie, al doe ik misschien dat best iets luider omdat het risico niet onbestaande is dat ze me anders niet meer horen of verstaan. Officieel zal de stempel ‘vijftig+’ dus vanaf vandaag meer inkt achterlaten wanneer ik mijn voorrangskaart voor een zitplaats in de trein laat afstempelen. Tweeënvijftig dus, en officieel oud. Vanaf vandaag voel ik me echt ten volle vijftiger omdat mijn gammele lijf plots meer plaats inneemt dan toen ik nog over een 40+ karkas beschikte. Ik ben me ook meer bewust van alle lichamelijke kwaaltjes en van alle andere ellende die met dit cijfer gepaard gaat. Maar alles is niet even kut dan ik het hier laat uitschijnen. Ik begin namelijk de kunst te verstaan om mijn lichamelijke beperkingen en mijn mentale obstakels te kennen en te aanvaarden. Dat mijn libido al eens vaker foert zegt hoeft geen probleem meer te zijn want dat lijfelijk ongemak raakt met een pilletje in een wip opgelost. Ik los dat wel even op. En nu ik die woorden neerschrijf bedenk ik me dat dit zomaar een uitspraak had kunnen zijn van een huurmoordenaar of van een loodgieter die me sust met de gedachte dat zolang de dichting van mijn kraantje het houdt en niet gaat lekken ik nog niet moet klagen. Waar ik echter niet aan gewend raak, is dat ik irritant saai begin te worden en dat ik die irritante saaiheid nog als een cadeau begin te aanvaarden ook. Wie had dat gedacht.

Misschien word ik dan met deze levenswijsheid van de dag vandaag echt niet vergeten. Het heeft er alleszins alle schijn van.

Een koe die saffraan eet.

Wanneer ik nadenk over persoonlijke triomf en over de totale nutteloosheid ervan, moet ik teruggaan naar de tijd – het moet ergens halverwege de jaren negentig geweest zijn – dat ik nog handbal speelde en ik dacht dat succes, winst en aanzien het allerbelangrijkste in het leven was. We trainden dikwijls, speelden vaak wedstrijden, die we soms wonnen en soms verloren, dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Soms haalden we met onze prestatie een enkele keer sportweekend, maar alleen wanneer er tijdens dat weekend toevallig geen voetbal- of wielerwedstrijd was. Ik herinner me nog dat ik nijdig werd toen Mark Vanlombeek mijn naam als Pultjo – of iets dat daar op leek – uitsprak en ik in prime-time een tegenspeler nogal hardhandig in de tribune keilde en er een rode kaart aan overhield. Dan komt een mens eens op Tv, lappen ze je dat. Elke week opnieuw trokken we vanuit Lebbeke naar Kortrijk, naar Eupen of naar elders ten lande, om daar te proberen de held van het speelveld en van de competitie te worden. Soms lukte dat, maar vaker of meestal ook niet. Dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Een keer werd ik geselecteerd voor de Belgische elite en mocht ik mee op interland naar Ijsland om daar de nationale kleuren te helpen verdedigen. Sportieve afgang heb ik nooit eerder zo hard ervaren als toen, in die met Vikings afgeladen volle sporttempel in Rejkjavik. Mijn brutale hoogmoed werd via alle kanten rond mijn hoofd aan diggelen gegooid. En ik, die dacht dat ik op handbalgebied wat voorstelde. Wist ik veel dat die Gunnarsons en Steffansons en alle andere -sons (elke naam in Ijsland eindigt op -son behalve als je zonder piemel geboren wordt dan eidigt hij op -dottir) die ons die avond mochten vernederen, stuk voor stuk hun centen verdienden in de Bundesliga, toendertijd de betere zoniet de beste handbalcompeitie van Europa en omliggende straten. Hoewel ik tijdens de heenreis nog dacht hoog te kunnen vliegen, ben ik sportief, nooit harder met de voeten op de grond beland dan die avond tussen de handballijnen van dat vulkanisch eiland. Om nederig te worden moest ik blijkbaar eerst de handbalvikings van Ijsland ontmoeten. Ik had het eigenlijk op voorhand moeten weten want, vele jaren tevoren was ik al een keer onzacht met een Deense Viking in aanraking gekomen, al had zij van mijn waardigheid nog iets overgelaten toen ze er met mijn hart van onder gemuisd was. Maar dat is een hele andere hystorie.

Een jaar of zestien zeventien zal ik geweest zijn toen ik dacht te weten hoe het leven in elkaar steekt. Mijn mond was toen vele malen groter dan mijn verstand, maar eigenlijk wist ik van het leven maar zoveel als een koe weet van saffraan eten, niks dus. Onze pa kon dat schoon zeggen, wanneer ik het op school weer eens veel te bont had gemaakt, dan zei hij, ‘zoon ge peinst dat ge het allemaal al weet, maar uwe grote bek begint maar daar waar uw stom verstand eindigt.’ Over mijn hart werd niet gesproken, dus begreep daar ik ook niets van, al kon ik daar niet grootmoedig over doen, want ik had al aan den lijve ondervonden dat ik dat ook heel snel kon kwijtraken, ongeacht de hoeveelheid branie dat ik uit mijn nek kletste. ‘S avonds in mijn bed, met mijn kussen als enige troostend gezelschap, mat mijn één meter drieënnegentig dan vele malen kleiner dan wanneer ik er overdag mee tussen mijn soortgenoten parradeerde die op dezelfde manier probeerden branie te schoppen en te verdoezelen dat ze eigenlijk even onzeker en sukkelachtig waren als ikzelf.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat nederig en bescheiden worden noodzakelijk is om het leven een heel klein beetje te begrijpen want in de tweeënvijftig jaar die ik binnenkort op deze aardkluit loop druk te doen, heeft mij nog nooit iemand op heldere of overtuigende wijze de belangrijkheid van vluchtig succes of van overroepen machtsvertoon kunnen uitleggen. Mijn hart is al een paar keer gelijmd en ik heb nog steeds niet geleerd om kemels te vermijden. Soms probeer ik nog altijd de slimste te spelen ook al versta ik van het leven niet veel tot niks. Nu weet ik pas dat ik het leven nooit helemaal zal kunnen begrijpen, en laat dat nu hetgene zijn wat ik zeker weet. Met al de rest ben ik ook nog bezig, om het te vergeten.

Het juiste eind

Toen ik, net zoals jij, mijn zorgeloze vrije leven voor een lange tijd moest uitstellen naar een verre ondefinieërbare toekomst, werd ook ik door mezelf en door de nieuwe realiteit uit mijn lood geslagen. Een inzinking of depressie wil ik het zeker niet noemen maar wolkenloos was mijn hemel niet. Zo herinner ik me goed dat ik de laatste paar maanden een aantal nachten wakker heb gelegen en de slaap niet kon vatten, omdat onbevattelijke angst telkens terrein bleef winnen op opgebouwd vertrouwen. Naiëf of paniekerig zou ik me normaal gesproken niet gauw noemen, integendeel, ik geloof dat ik van nature eerder met een kritische blik naar de dingen kijk die rondom mij gebeuren dan dat ik ze zomaar voor waar aanneem. Daardoor ben ik ongevraagd, mogelijks genetisch bepaald, ook wel belast met een eindeoos rusteloze ziel. Ik hoef je niet te zeggen dat de onzekere situatie waarin we ons vandaag al een tijdje bevinden, mijn gedachten nog vaker en nog onstuimiger deed ontsporen dan dat ik dat tot dan toe van nature gewend was.

De afgelopen jaren heb ik echter ondervonden dat het voor mij persoonlijk beter is om hier, tijdig mijn volle rugzak uit te kieperen vooraleer hij me te zwaar begint te wegen. Hierdoor heb ik geleerd om op zoek te gaan naar oorzaken, gebeurtenissen of feiten die mijn dagelijks leven verzwaren. Sterker, ik denk dat de mens in het algemeen, meestal geneigd is om die dingen te verklaren, zeker wanneer ze een zware emotionele lading hebben of wanneer ze een grote maatschappelijk impact hebben. Maar misschien mag ik me niet vergelijken met de mens in het algemeen en hoef ik alleen maar voor mezelf te spreken, te schrijven in dit geval.

Ik denk dat wanneer het leven onverwacht moeilijk wordt en wanneer een directe verklaarbare oorzaak ontbreekt of wanneer er onvoldoende betrouwbare achtergrondgegevens voorhanden zijn om de dingen die gebeuren uit te leggen, er ruimte wordt gemaakt voor speculaties en eigen interpretaties die ver weg liggen van de feiten. Door de consensus te ondermijnen ontstaan de wildste hypotheses die gebaseerd zijn op geheimzinnige of fantastische theorieën die beïnvloed worden door persoonlijke overtuigingen van minder kosjere figuren, die er op de een of andere manier voordeel willen uithalen, voor zichzelf of voor het doel dat ze voor ogen hebben. Waarom anders raken mensen opeens overtuigd dat de wereld plat is, dat Hilary Clinton babybloed drinkt of dat 5G of de pharmaindustrie aan de oorzaak ligt van het Coronavirus?

Zei Friedrich Nietzsche niet ooit dat overtuigingen een grotere bedreiging vormen voor de waarheid dan een leugen? En maakt dit legendarische hystorische citaat hem dan niet tot de hevigste complotdenker ooit, omdat ik overtuigd ben dat hij het met die uitspraak bij het juiste eind had?

Tot nooit meer…

Als ik al de stommiteiten die ik ooit gemaakt heb, en als ik al hetgeen wat me in mijn leven ooit te beurt gevallen is, en waarvan ik spijt heb of waarover ik me schaam, daadwerkelijk wilde vergeten, kon ik niet anders dan me alles zo precies mogelijk proberen voor de geest te halen. Ik moest en ik zou trachten om me elk detail zo juist mogelijk proberen te herinneren om niet het risico te lopen dat ik de moeilijkste zaken zou vergeten of dat ik ze zou vergeten te vergeten. Indien ik dat niet zou doen, zouden al die nare ervaringen die ik uit de weg probeerde te gaan of die ik onder de mat probeerde te moffelen, vroeg of laat opnieuw mijn pad kruisen. Ik vroeg me af of ik – om al die zware dingen lichter te maken en om ze een definieve plaats te geven – ze niet beter zou opschrijven, in een soort inventaris van mijn geweten. Ik ben geen masochist en ik wentel me niet graag in zelfbeklag. Ik kan ook niet zeggen dat ik niet vreesde om aan die oude littekens te prutsen, want misschien ging ik ze wel opnieuw open krabben, en ging ik oud verdriet of vergeten gemis op die manier verversen. Maar ik moest, koste wat het kost het lijstje van mijn geweten afvinken, om de openstaande rekeningen uit het verleden af te lossen. Ik denk niet dat ik eraan ontkomen kon, temeer omdat ik in de wekelijkse bijeenkomsten die ik al lang onderhoud, ondervonden heb dat er geen gelukkige toekomst mogelijk is zonder dat er eerst een leesbare of begrijpelijke versie van het verleden gemaakt wordt. Met begrip van mijn geschiedenis versta ik toch gemakkelijker mijn heden, niet? Leuk, was niet aan de orde, maar met een pen, een inktpot en een bereidwillige uitgever zou het me misschien lukken om een streep te trekken onder mijn bezwarend verleden, en zou ik er moed in kunnen vinden om een nieuw pad naar de toekomst te leggen.

Waarom had ik me toch zolang en zo koppig gefocust op ergernissen die buiten mezelf lagen. Waarom zie ik vandaag nog steeds beter de kemels die anderen maken dan diegene die ik zelf schiet? Waarom ergeren zoveel mensen – mezelf incluis – zich toch steeds opnieuw aan het gedrag of aan meningen van andere mensen, en aan mensen die zich op hun beurt dan weer ergeren aan andere mensen en aan andere meningen? Is dat het geval omdat ze eveneens geen vrede hebben kunnen sluiten met het leven dat ze vandaag zelf leiden maar niet de moed, het inzicht of de middelen hebben om het onder ogen te durven zien en om het zelf te veranderen? Zou het kunnen dat er bij hen ook onverwerkte dingen uit het leven in de weg blijven zitten en maar blijven opspelen zodat essentieële keuzes onmogelijk kunnen gemaakt worden? Zit er in onze generatie klagers dan zoveel ongenoegen omdat we voortspruiten uit een generatie babyboomers die zelf in hoogstens twee decennia vanuit een overall in een maatpak groeiden en dat ook van hun kinderen verwachtten. Misschien werden we door hen wel opgevoed met het idee dat het leven als een wedstrijd moet aangegaan worden, als een concurentiestrijd waarin niks mag gemist worden en waarbij de winnaars als belangrijker of voornamer aanzien worden dan verliezers. En misschien gaat dat obsessief streven naar maatschappelijk succes, naar status en materieel aanzien wel ten koste van empathie, verdraagzaamheid en naar harmonie die ons normaal gezien als sociale mens zo kenmerken? Misschien verloren we als maatschappij gewoon de juiste weg die leidt naar contentment en naar verdraagzaamheid, precies op dezelfde manier zoals ik mezelf kwijt raakte in de illusie van mezelf?

Gebeurtenissen uit het verleden zitten vaak op onheispellende plekken verborgen. Als je er naartoe gaat wordt je er met de neus op feiten gedrukt die je liever vermijdt want je ziet jezelf er vaak op een manier die niet zo fraai oogt. Misschien is het beter om die pijnlijke confrontatie gemakshalve uit de weg gaan, want sinds ik de ten laste legging van mezelf uit het verleden onder ogen kwam, staat mijn besluit vast. Ik ga er definitief afstand van nemen om er voor altijd van te scheiden. ‘Vaarwel en tot nooit meer’, zeg ik dan, of tot de volgende keer dat ik me weer helemaal in jou verlies al zal ik dan wel proberen om er jou niet langer meer mee lastig te vallen.

Gouddroom

Waarschijnlijk ben ik een man van vele stemmingen en bevliegingen. Mogelijks is dat de reden waarom ik zonder enige moeite onrealistische waanideeën of overmoedig romantische plannen in één nacht bij elkaar kan dromen. Soms wint de ene fantasie, dan weer de andere. Wat ik ’s nachts droom bepaalt dan hoe ik me overdag voel, of is het omgekeerd? Aangezien ik aan mezelf het antwoord op deze vraag schuldig moet blijven, kan ik vandaag mijn humeur, dat niet al te best is zomaar verdacht maken voor wat er zich vannacht in mijn dromerige zinsbegoocheling heeft afgespeeld, ook al kan ik me daar helemaal niets van herinneren. Handig, of is het toch net iets complexer en liggen er misschien andere dingen aan de basis van mijn waanideeën en bijgevolg aan mijn gemoedsgesteldheid overdag? Misschien ligt het pijnlijk gemis aan connectie met de juiste lui wel aan de oorzaak van de wildgroei van mijn spookgedachten.  Misschien ben ik na vijf weken isolement zo onthecht geraakt van mezelf en van de buitenwereld dat mijn hoofd ’s nachts één grote zoemende bijenkorf wordt waarin ik niet meer kan ontwarren welke gedachten waardevol zijn en welke helemaal overbodig of te belemmerend om er mijn dag mee door te komen.

Ik kan niet puren uit ervaring om uit te sluiten wat het niet is en ik weet te weinig om te achterhalen wat het wel is, maar dat verontrust me niet. Ik lig er niet verder wakker van omdat ik net voldoende jaarringen op mijn bast heb om te weten dat het geheugen van het hart, straks als deze nachtmerrie geluwd is, de ergste herinneringen zal elimineren en de goede als een ballon zal opblazen. Misschien slaag ik erin om met deze psychische kunstgreep te verdragen wat vandaag nog allemaal zal gebeuren en anders droom ik er vannacht maar een nieuwe overmoedig romantische gouddroom over.

Wat met de jijrbees?

Nu ik een zee van tijd heb en ik me er met onzichtbare kluisters aan vastgeketend heb, kan ik het me nog meer dan anders veroorloven hem helemaal te verschijten met gedram. Gelukkig! Zonder dat iemand er aanstoot kan aan nemen, mag ik mezelf in deze gedwongen retraite helemaal suf piekeren of ik van deze artificiële ballingschap straks beter dan wel slechter zal worden. Mocht je in hetzelfde vel zitten als ik, zou je ook zomaar kunnen beginnen nadenken over werk en weelde of over de relatie of het verband tussen armoede en rijkdom.  Je zou mogelijks tot de snelle conclusie komen dat deze twee begrippen ogenschijnlijk elkaars tegenpool zijn. Je zou misschien tot de slotsom komen dat in dit land de statistische kans op echte armoede relatief klein is. Immers, met een beetje goede wil en wanneer je hard genoeg je nikkel afdraait is er aan plastiek overvloed nooit gebrek.  In deze economische gereduceerde welvaartsstaat komt het gros van de bevolking dan ook ogenschijnlijk niets te kort. En voor rampspoed en ontij werd een sociaal vangnet opgezet dat moet behoeden tegen persoonlijke of collectieve tegenslagen. Zolang de grootste hoop van de kudde kan werken om te consumeren zal de Westerse kommer en kwel tot een minimum beperkt blijven. Zolang de economische wind uit de juiste richting blaast, zal goedkoop, zwaar of vuil zorgwerk uit het Oosten geïmporteerd worden en zal duur en belangrijk werk uitgevoerd worden naar het Westen.  In de luxe van dezelfde waanzin zullen we elk jaar in de veilingen van Limburg tonnen overschotoogsten fruit en groenten vernietigen, zullen we met melkplassen morsen en zal de landbouw Europese subsidies kunnen slurpen wanneer ze akkerlanden weer een seizoen braak laten liggen.  In dezelfde waanzin van de omgekeerde wereld zullen we in december gretig bonen kopen uit Kenia en Egypte en zullen we in februari smakeloze aardbijen uit Marokko of Spanje op ons bord willen. Met die intellectuele economische masturbatie en met de welvaartsmythe als Playboy-prent zullen we de illusie in stand houden dat we armoede de baas kunnen blijven en zullen we ervoor zorgen dat we wereldeconomisch een verschilmaker kunnen blijven.

Wanneer armoede dan ogenschijnlijk helemaal uit ons gezichtsveld verdwenen is en wanneer politici door wetenschappers op hun geflipte hoogmoed gewezen wordt als er een verloren pandemie binnen waait, blijkt pas echt hoe wankel, nietig, afhankelijk en straatarm we als samenleving geworden zijn. We krijgen zelfs vandaag, onze witte wereldtrots, de asperge niet meer zelf uit de grond gestekt. Gelukkig is het witloofseizoen voorbij maar wat straks met de jijrbees?

Het Goede Doel!

“Ik heb getwijfeld over België maar ik nam geen enkel risico. Ik heb getwijfeld over België…”  

De muziek in mijn hoofdtelefoon doet trommelvliezen trillen bij de woorden van deze Nederlandse muziekgroep uit de jaren ’80.  Ze echoën haast profetisch… “Waar kan ik heen? Ik kan niet naar Duitsland. Ik wil niet naar Duitsland daar zijn ze zo streng”.  In zeven strofen bezong Het Goede Doel in 1982 haast voorspellend dat de wereld naar de kloten was. Met een handvol akkoorden zongen ze in uitvergrote clichés over landen van de wereld en over de stereotype kantjes van de mensen die erin wonen.  “In Duitsland zijn ze zo streng, in Cuba te eng.”

Vandaag draait de wereld vierkant en het is opmerkelijk dat elke natie vlucht en zich verschuilt achter eigen opgetrokken grenzen. Elk land plooit terug en dijkt zich in met de clichés en stigma’s die ze al vanouds kenmerken. “Ik kan niet naar China. Ik wil niet naar China, dat is me te druk en wat America betreft, dat land bestaat niet echt.”

Toen al waren er twijfels over België. Mogelijks was de in dubio van Het Goede Doel al even profetisch als terecht want geef toe, België vandaag… is dat niet de wereld in het klein? Of is België dan toch even niet meer het identitaire lappendeken van ogenschijnlijke tegenstellingen dat in stand gehouden wordt door diegenen die er belang bij hebben en garen op spinnen? Is België dan niet langer dat soort mini-Europa waarin elke samenhorigheidsgevoel gefnuikt wordt door politieke constructies waarvan niemand, tenzij een handvol doorwinterde specialisten nog weet hoe het tot stand kwam en welke doelen het heiligt?  Misschien is er een sprankeltje hoop en kan de constructiefout die België is, een labo of proeftuin van Europa worden waarin publieke en sociale belangen opnieuw gewogen worden in minder nationalistische contexten.

Want op het moment dat de wereld die door een virus in scherven uiteen dreigt te vallen, lijkt het te plotseling wel te lukken. Opeens blijkt het niet zo belangrijk dat, omdat het Noorden anders stemt dan het Zuiden, omdat er boven de taalgrens anders gewerkt wordt dan eronder en er een andere taal gesproken wordt, dat er anders gegeten en gevogeld wordt, er zich plots wel een solidaire gemeenschap lijkt te vormen. Is het omdat we vandaag allemaal hetzelfde beest bekampen, we hetzelfde onheilspellende nieuws en lezen we naar dezelfde debatten luisteren? Ik laat het in het midden maar langzaam maar zeker lijken we door samenhorigheid op onze zakdoek terreinwinst te boeken tegenover een gedeelde vijand. Noem me naïef of goedgelovig maar misschien is dat inzicht en die verbroedering in het mini-Europa wel een hoopgevende sprankel die de wereld nodig heeft. Al zal straks, als de crisis helemaal bezworen is, nog moeten blijken of er in België, in Europa en bij uitbreiding in de wereld een nieuwe generatie politici uit het puin zal opduiken die ons kan doen inzien en ons zal zeggen …

De USSSR.  Dat gaat me net te ver… Ik wil niet naar China, dat is me te druk … en wat Amerika betreft, dat land bestaat niet echt!”

Tunnelvisie

Ik beeld me weleens een wereld in zonder mensen en hoe hij er dan zou uitzien? Rustiger zal het zeker zijn daar twijfel ik niet aan.  Dat merkte ik de afgelopen dagen aan straten en pleinen en aan bossen en velden omdat die er door de obligate ophokplicht desolaat en verlaten bijlagen. Nog niet zo heel lang geleden, al lijkt het wel alsof zich dat toen in een ander leven afspeelde, heb ik me dat weleens afgevraagd. Niet dat mijn gedachten op dat eigenste ogenblik aanschouwelijk of concreet waren maar toch liet ik mijn fantasie de vrije loop en vroeg ik me af of het voor de wereld of voor de soorten die er vandaag op leven, dramatisch zou zijn mocht de mens er met één uppercut van moeder natuur vanaf gemept zou worden. Vandaag kan ik me, terwijl ik in mijn gouden kooi opgesloten zit en de vogels me vanuit de tuin toe fluiten, in dezelfde filosofische gedachte opnieuw de vraag stellen of ik van dat idee dan wel bang of eerder kalm en opgelucht moet worden?

Want laat ons wel wezen, van alles wat de aarde te bieden heeft, hebben wij ons tijdens de laatste millennia op recht- of onrechtmatige manier, barbaars eigenaar gemaakt. Bos, dier, plant, vis, lucht, zee en medemens, niets hebben we in onze tirannieke rooftocht ontzien en ongemoeid gelaten. Door onaantastbare verheven activiteiten hebben we ons opgeblazen gelijk een puit en hebben ons onrechtmatig tot Keizer verheven van een rijk dat ons niet toebehoord. Steeds weer zijn we met ogenschijnlijk waterdichte economische wetmatigheden en met verwerpelijke politieke hoogstandjes machtsstrijd aangegaan met de natuur en met elkaar. We hebben ons zo de arrogantie aangemeten en de illusie verschaft architect en bouwheer te mogen zijn van de wereldbol en van alles wat erop leeft.  Als ik dan vandaag, min of meer noodgedwongen, onze nietigheid relativeer stel ik vast dat de mens het enige wezen is dat voortdurend inhaalbewegingen moet doen op de puinhopen die hij achterlaat en dat we daar jaar na jaar met minder succes in slagen. Vermeende leiders die wij ons mandaat verschaffen, denken en handelen nog steeds hoofdzakelijk in macht en in economische belangen. Ze verwaarlozen maatschappelijke samenhang en dragen alleen maar water voor diegenen die ze op hun post en in hun zetel houden. De anderen minachten ze en verwerpen ze als paria’s.

De Trump’s, de Putins en de Johnson’s (om er maar een paar te noemen) van deze wereld blijven wederrechtelijk en op de kap van anderen hopen dat ze door intrest te betalen op het verleden en voorschotten te nemen op de toekomst deze planeet nog groter kunnen maken dan ze al is.

Vandaag geeft Covid-19 ons een les in nederigheid en in karma of in hoe je het ook wil noemen.  Met amper een diameter van een paar nanometer leert het virus ons dat met de natuur niet te sollen valt zelfs niet door verwaande, omhooggevallen gekken die nog steeds overtuigd zijn dat alles op deze kluit te koop of te huur is. 

Laat ons de hoop maar koesteren dat aan deze tunnelvisie die eindigt op een punt straks een einde komt en dat echte trekkers het voortouw nemen om met lessen die we nog moeten nemen en met meer respectvol sociaal globaal beleid de wereld er straks iets anders uit zal zien al ben ik zeker dat we het dan ook weer allemaal samen zullen moeten doen!

Kleine filantroop die brood in stront verandert

Meestal gaapt er een grote leemte tussen mijn initiëele ambitie en wat ik er uiteindelijk van terecht breng. Steeds weer opnieuw zit er te veel afstand tussen het plan en het uiteindelijke resultaat. Hoe hard ik er ook naar tracht, op de ene of andere manier lijk ik de denkbeeldige kloof tussen de twee niet te kunnen dichten, haast alsof ik door iets dat buiten mezelf ligt wordt afgeremd of tegengehouden. Bullshit natuurlijk, want in het ene geval is het gewoon angst voor het onbekende en in het andere geval is het niets minder dan schrik om verantwoordelijkheid te dragen die me doen verstarren en inhouden. En het zijn net die twee spelbrekers die me steeds opnieuw tegenhouden of doen uitstellen om te doen wat ik hoor te doen of al moest gedaan hebben, al zal het ook vaak gewoon luiheid zijn. En dan bedoel ik niet alleen dat ik me verantwoordelijk voel voor vrouw en kinderen maar ook voor woonst en geld of carrière of aanzien ofzo en dan bekruipt me een soort van faalangst om er niet te komen of om niet iets te worden. Alleen een zot denkt dat hij de slimste is van de bende terwijl iedereen weet dat hij eigenlijk te stom is om brood in stront te veranderen. Zo voel ik me dan dikwijls, niet als de rest van de bende maar als zot.

Ik heb me nooit wereldverbeteraar of weldoener gevoeld omdat ik daar het juiste type niet voor ben, mogelijks omdat ik te veel Bohemer ben of te veel te hartstochtelijk in bepaalde dingen. Mijn smoelwerk, mijn lijf en mijn verstand hebben me ook nooit veel vertrouwen ingeboezemd. Ik geloof dus niet dat er een beter recept bestaat om een nog grotere snul te worden en de geschiedenis heeft me daarin niet tegengesproken. In relaties, op het werk, als vader of als sportman, overal kwam ik in een probeerselwereld terecht, een doe-alsof-wereld waarin ik velen onder jullie tegenkwam. Vandaag doe ik er alsof ik schrijver ben die doet alsof hij iets te vertellen heeft. Eerlijkheid gebied me te zeggen dat het behoorlijk eenzaam is in mijn alsof-wereldje hoewel het er bijzonder druk kan zijn met mensen die even hard proberen ook iets van betekenis te zijn door dingen te doen waarvan zij denken dat ze er het beste in te zijn. Het zit er vol doe-alsof-mensen zoals politici, trainers, ceo’s, managers, twittertoeters, facebookterroristen en andere heel belangrijke zielen die in hun eigen doe-alsof-jargon vruchteloos anderen trachten te imponneren en zo door vuur gebrand zijn dat ze overal een ongenuanceerde mening denken over te moeten hebben. Maar let op want in alsof-wereldjes kunt ge u behoorlijk vereenzaamd voelen als ge tracht die illusie hoog te houden. Toen ik laatst een voordracht gaf in de bibliotheek, de avond was speciaal voor mij georganiseerd, voelde ik me tussen mensen die ik bijna allemaal kende, ongepast populair omdat ik met veel bravoure mocht spreken over dingen waar ik iets vanaf meende te weten. Een handvol toeschouwers had misschien wat minder kennis van zake en al zeker niet de behoefte om er op een podium mee uit te pakken. Toen ik mezelf op dat podium gehesen had voelde ik me er behoorlijk hautain, belerend en eenzaam. Het vissen naar egards, luister en schouderklopjes had als enige reusltaat dat ik weer in de diepte stond te staren die gaapt tussen verwachtingen en resultaat. Ik kan dan ook niet anders dan mijn alsof-wereldje wat vaker achter mij te laten want ik ben er ondertussen achter gekomen dat ik nergens nog naar toe moet, dat ik niemand iets hoef te bewijzen en dat niemand op mijn ongevraagd advies zit te wachten. Mijn mensenvrees is dan een mooi excuus om me achter bescheidenheid en zelfkennis te verbergen. Ze hangen als een luifel over mijn bestaan en ze zullen daar tot het einde van mijn dagen blijven hangen. Zo kan ik me er als kleine filantroop in hun beschermde schaduw koesteren zodat ik met beide voeten op de grond blijf. Op dat plekje word ik dan misschien niet langer uitgelachen als zot die brood in stront kon veranderen en er een luchtbel kon van maken.

Suf gerukt.

Hoe zal ik dan de verpletterende alledaagsheid op een afstand houden wanneer ik straks meer dan honderd jaar zal worden en gespaard zal blijven van depressies, ziektes of fysieke ongemakken? Welk soort mens zal ik dan worden? Wat voor iemand zal ik zijn indien ik helemaal gespaard zal blijven van leed, kommer, verlies of ontij en op welke manier zal ik dan naar de dingen kijken, wetende dat ik het nu soms al lastig heb met de ondraagelijke lichtheid van dit bestaan. Nu ik hier in de diepte van mijn alledaagsheid staar vraag ik me af of het net niet de fysieke en mentale ongemakken geweest zijn die mijn biografie een beetje de moeite waard gemaakt hebben? En dan bedoel ik natuurlijk niet die dodelijke kanker of die die andere levensbedreigende aftakelingsziekte maar de gewone alledaagse tegenslagen of verdriet. Waren zij niet verantwoordelijk om anders te kijken en hebben zij net wel de inzichten verschaft om dingen in vraag te stellen en het leven anders aan te pakken? Vormden die ongemakken mijn menselijke geest niet meer of beter dan gezondheid en blijheid? Ik vraag me dat af. Is lijden aan persoonlijke fysieke of mentale begrenzingen niet een soort lijden dat de ziel scherpt en waar je beter van wordt? Als aftakeling geen glijbaan naar het einde meer is en we straks moeiteloos honderdvijftig of honderdtachtig jaar kunnen worden, wat zullen we elkaar dan nog te vertellen hebben en hoe zal schoonheid er dan uitzien uitzien als alles zomaar kan uitgesteld worden naar morgen, naar volgend jaar of naar nog later? Zal ik dan niet nog meer reiken naar de toekomst en nog vaker weemoedig terugblikken op gisteren om te vergeten dan vandaag de enige dag is die bestaat?

Misschien denk ik te veel aan de eindigheid omdat mijn persoonlijke lichaams- en geesteserosie niet te stoppen is, maar ik vecht niet meer met het idee dat mijn toekomst met elke nieuwe dag korter wordt dan mijn verleden. Ik ga dus niet wachten tot het zomer is en het veertig graden is en mijn persoonlijke levensruimte weggesmolten is. Neen, ik ga mezelf die décadente coupe brésilienne nu gunnen, met drie bolletjes vanille, drie bolletjes mokka en chocolade en gebrande nootjes en zoute caramel. Volgende week trek ik naar het zuiden om te lezen en te schrijven, om saboteurs een hak te zetten en om me intellectueel zo hard te masturberen tot ik helemaal suf gerukt ben. En ik ga verder met sloten koffie te zuipen en peuken te paffen tot alles zo dicht dichtgeslibt is als de Antwerpse ring in de avondspits want honderddertig of honderdvijftig jaar worden lijkt me de hel op aarde.

Vel…

Het was laat op de morgen dus zat ik daar zoals dat de laatste tijd wel vaker gebeurt, verborgen achter een leesbril, een krant en een kop koffie, de dag in gedachten weg te dromen en mijn rug te warmen aan een terrasvuurtje. De krantenkoppen die me voor de ogen schoven konden mijn aandacht niet vangen. Misschien omdat die dingen me steeds opnieuw opstandig maken of omdat het nieuws dat ik onder ogen krijg bijna nooit met mijn humeur overeenstemt. Dat blad was dan ook niets meer of minder dan een handige dekmantel om ongestoord en onopvallend naar mijn kleine wereldje te kijken. Waarom het gebeurde weet ik niet meer precies maar opeens vielen mijn handen me op. Ze lagen beiden met de palmen naar beneden op de tafel en verhinderden de gazet om weg te vliegen. Mijn handen vertoonden kleine rimpels en groeven alsof de poriën met de tijd groter en dieper geworden waren. Aan handen zie ik eerst dat mensen ouder worden, dan pas aan denkrimpels of kraaiepootjes. Mijn handen waren even snel oud geworden of waren aan hetzelfde tempo verschrompeld als de rest van mijn lijf. Dat is nu eenmaal zo, bij mij is het niet anders, ik kon daar niks aan veranderen dus berustte ik erin terwijl ik de vuurkegel van mijn sigaret even gloeiend heet trok als de vuurtjes die mijn rug verwarmden. Mijn lijf, kennelijk moest ik er een lange tijd in doorbrengen als personages waar ik niet op leek alvorens ik kon zijn wie ik echt ben. Soms denk ik dat ik ze allemaal te lang ben geweest, de vreemde heerschappen waar ik me van moest ontdoen en me helemaal moest van bevrijden, alvorens ik toegang kreeg tot mezelf, een beetje zoals een slang zich elk seizoen ontdoet van haar dode huid. De ergste bijwerking van ongelukkig zijn is niet zozeer het ongelukkig zijn op zich maar wel het gevoel dat mijn zorgeloosheid langzaam verdween zodat ik geen slappe lach meer kon krijgen en ik me niet meer kon verliezen in lachbuien die me deden hijgen en waarvan ik buikkrampen kreeg. Ongelukkig zijn is echt oeverloos serieus maar ik bleef het niet! Telkens opnieuw en tot mijn verbazing merkte ik ook dat eens ik me in een nieuwe huid kon wurmen, ik naast de gave van tristesse ook een ongekend gezond talent bezit om gelukkig en vrolijk te zijn en terwijl ik naar mijn handen stond te gapen kreeg ik opeens de onverwachte neiging om te lachen en lichtzinnig te zijn. Het vel dat ik nu draag vertoont diepe rimpels en jeukende littekens die ik nooit meer kwijt raak maar ondertussen is het ongemerkt 2020 geworden en hoef ik mijn twijfels niet meer zo ernstig te nemen, gelukkig! Zit ik dan eindelijk toch in het juiste vel of zal ik het opnieuw ruilen voor een ander?

Sociale introvert.

In de vroegte van de achtend slokte de schuchtere herfstzon de ijzige nachtnevel op en deed de bevroren neerslachtigheid die zich de laatste dagen van mij had meester gemaakt ontdooien. Dunne laagjes ijs die zich op de schaarse plassen van de veldweg hadden gevormd kraakten bij elke stap onder mijn voeten en deden de natuur opschrikken. Bij elke pas die ik zette raakte ik meer ontroerd door iets wat ik niet onmiddellijk onder woorden kon brengen. Heel even flitste de gedachte binnen dat het mijn door de ouderdom aangetaste brein was waardoor ik mijn grenzeloze nostalgische heimwee waar ik steeds in wegzink plots aanzag voor iets verheven, als een hoger goed of zo. Hoewel ik nooit echt alleen ben geweest voel ik me wel eens eenzaam. Eenzaamheid als een uniform of overjas die me altijd al had beschermd tegen angst of pijn van het onbekende of tegen de bedreigende conclusie dat ik in mijn leven nog niet veel van waarde had gerealiseerd dat mijn levensaanwezigheid kon rechtvaardigen. Misschien vertoonde mijn overjas in het grootste deel van mijn bestaan ook wel te veel schutkleuren die altijd al dienst had gedaan als camouflage en waarmee ik me als een kameleon kon verbergen zodat ik geruisloos, ongezien en onopvallend door het leven kon kruipen. Zo ver ik kan terugdenken heb ik altijd dromen van anderen willen waarmaken en hield ik er te weinig voor mezelf over. Ik leverde gratis, in ruil voor companie tegen de eenzaamheid van mijn ingedeukte zelfvertrouwen. Om mezelf dan staande te kunnen houden moest ik eerst de regels overtreden en de normen negeren en zocht ik heil in de roes die als wegwijzer diende op de weg van maatschappelijke aanvaarding. Op de een of andere manier wou ik uit de boot vallen om gered te worden of was ik koortsachtig op zoek naar bevestiging van anderen of naar vriedschap van een vrouw of van een bende onbelangrijke lotgenoten. Nu word ik nog soms nog wel eens angstig of eenzaam van mensen die nog steeds zonder resultaat op zoek zijn naar de zin van het leven dat ik al losgelaten heb. Op zulke momenten ben ik het liefst alleen, op een afstand omgeven door eenzame mensen, als een sociale introvert. In de verte springt een ree in het dichte struikgewas, alsof het mijn gedachten kon lezen. Ben ik hier dan toch niet alleen?

Lijstjes en nummertjes.

Een er ietwat slobberig uitziende vrouw, ik schat haar vijfenveertig, is diep in gedachten verzonken en zit warm ingeduffeld op een bank in het park voor zich uit te staren. Ze maakt ingebeelde lijstjes over de dingen die haar bezighouden, die ze zeker nog moet doen en die ze zeker niet mag vergeten. Niet dat de nummercombinatie van haar fietsslot of de code van haar bankkaart zich op een van die lijstjes bevindt of dat erop geschreven staat dat ze de soep voor straks nog moet ontdooien, neen dat is het niet. Die cijfertjes zijn zo belangrijk dat ze die nog uit het hoofd kent en ze niet op een lijstje hoeft te schrijven. Op haar eigen manier bepaalt zij met een ingebeelde cataloog de volgorde van zaken die echt belangrijk zijn, en niet uitsluitend van belang voor vandaag of voor morgen of voor zichzelf maar ze maakt een ingebeelde opsomming van dingen die heel belangrijk zijn voor de het dorp, voor de stad, voor het land of op het minst voor de hele wereld. Ze kan daar nu tijd voor maken want ze was toch aan het dromen en de wolken beginnen al op te trekken. Lijstjes maken is heel belangrijk in de kringen waarin ze elke dag vertoeft. Niet dat de mensen waarmee ze dagelijks omringd is, zich bekommeren over lijstjes die zij schrijft want de meesten onder hen zijn te druk in de weer met hun persoonlijke lijstjes. Als bejaardenhulp in het rusthuis krijgt ze namelijk alle dagen van de week te maken met dementerende oudjes die, om niet te vergeten lijstjes maken van dingen die voor hen belangrijk zijn. Die kattenbelletjes slingeren dan her en der rond of verzamelen zich in een schoendoos op de vensterbank zodat de volgeschreven papiertjes hen er steeds aan herinneren dat ze niet vergeten wat ze die dag niet mogen vergeten. Op al de lijstjes van alle dementerende oudjes van alle kamers van het rusthuis vind je naast een vergeelde foto van hun geliefde partner, de geheime code van de bankkaart die ze al lang niet meer bezitten omdat de kinderen al die belangrijke dingen zelf op hun eigen lijstje hebben gezet.

Ik betrap me er zelf op dat ik ook lijstjes bijhoud en dat zelfs die indexen al ziekelijke vormen beginnen aan te nemen.  Zo leg ik al een tijdje lijstjes aan van dingen die ik niet mag vergeten te zeggen of van woorden die ik kan gebruiken voor mijn schrijfsels. Ik bewaar ze in een brillendoos die ik overal naartoe zeul omdat mijn leesbril daar ook in zit en ik anders de lijstjes niet kan lezen die ik erin bewaard heb. Als ik vlug ben, tel ik vijftien kleine papiertjes en als ik eerlijk ben, zijn het er twintig. Thuis bewaar ik napoleonsnoepjes, pepernoten, chocolade en koekjes, ook allemaal in hun eigen doos maar dat is iets anders en heeft dat eerder te maken met mijn compulsief-neurotisch karaktertrekje. De brillendoos, dat is wat anders, daar leef ik naarstig in en ik word er actief van of helemaal passief. Ik zal de briefjes die ik erin bewaar nooit vroegtijdig weggooien omdat ze tot me spreken en ze me toe roepen: ‘niet vergeten, niet vergeten… let op dat je het niet vergeet.’ Niet dat ik van die vergeet-mij-nietjes in paniek raak hoor want ze geven me houvast maar als ik dan toch eens begin te twijfelen keer ik terug naar mijn versterkt kasteel, naar mijn vertrouwde brillendoos.

De oudjes in het rusthuis worden net zoals mijn vader zaliger ook elke dag door lijstjes en briefjes toegeschreeuwd, en worden net op dezelfde manier elke dag toegeroepen door wegglijdende gedachten op papier.  Op die briefjes houden ze voor zichzelf bij op welke knop zij moeten drukken en op welke knop zij absoluut niet mogen drukken, door wie ze worden opgehaald en door wie ze worden vergeten, en dat ze best gaan zitten als ze moeten pissen. In de liefdesbrief die mijn vader elke dag schreef, stond telkens geschreven dat hij het haar morgen niet mocht vergeten te vragen.  Elke dag opnieuw schreef hij in hanenpoten de pincode van zijn bankkaart op een briefje dat hij in de schoendoos op de vensterbank stopte tussen minstens dertig briefjes waarop dezelfde nummertjes geschreven stonden.  Nummertjes die ooit zo veel belangrijker waren dan het grootse wereldprobleem maar die nu enkel nog maar vier nietszeggende getalletjes meer zijn.

Vlag van de overwinning.

Vanmorgen stond ik traag op, zo langzaam dat zelfs dat veel tijd in beslag nam om tot het besef te komen dat ik er nog ben, dat ik nog besta, misschien zelfs nog voor iemand anders dan voor mezelf. Nu niet dat ik vind dat ik een grote rol van betekenis heb in dit grenzeloze universum van onbegrijpelijke chemische verbindingen en fysische toevalligheden. Neen dat is het zeker niet want toen ik daarstraks de slapers uit mijn ogen wreef heb ik een absurde maar vrij geweldige sensatie meegemaakt. In een intieme bliksemflits realiseerde ik me plotseling dat ik niemand ben, niemand, absoluut niemand. Hoe ouder ik word hoe onbenulliger en nutteloos ik me soms voel. Je zou deze zelfanalyse ten onrechte als plat zelfbeklag kunnen bestempelen maar deze gedachte zou afbreuk doen aan mijn puurste intieme reflectie van totale overbodigheid. Wanneer verveling me verdooft en ik het leven in zijn groots- en kleinheid probeer te begrijpen, begeef ik me met mijn gedachten soms op een gevaarlijk pad. Op zulke momenten denk ik dat de kwelling van het relatieve me misschien beter zou kunnen maken maar meestal kom ik bedrogen uit omdat ik veel liever wat anders zou doen.

Meditatie of zelfreflectie mag dan misschien wel een godsgeschenk zijn voor ongekende huis-tuin en –keukenfilosofen of voor koeien in de wei, voor mij begint het denken pas wanneer ik kan tateren of schrijven om op die manier de erbarmelijkheden uit het donkere hoekje van mijn eigen ik te halen. Schrijven is dan de aangenaamste of gemakkelijkste manier om het leven te relativeren of om het te negeren. Hier mag ik ongestoord krabben aan littekens van oude en nieuwe wonden die ontstonden in gevechten die ik tot nu toe uit de weg ben gegaan. Met schrijven mag ik aan mezelf ontsnappen en kan ik me verbergen achter mijn geweten en mijn ziel die zich verstopt achter onbenulligheden of achter dingen die het daglicht niet mogen zien. Ik hoop maar dat mijn ziel of de realiteit van het leven me nooit zullen vinden en dat ik vandaag gewoon mag onthouden wat ik gisteren genegeerd heb zodat ik morgen mag worden wie ik vorige week verloren ben. Dan pas kan ik die al opgelopen nederlagen vieren met een vlag van de overwinning en zal ik eindelijk misschien iemand worden. Op een dag, wanneer de zomer en ’t schoon weer samenvallen.