Denk je dat ik het ben?

De jonge vrouw, ik schat haar een jaar of dertig, was lelijk en spichtig, zo mager als een riet en even puistig als een afgeknotte wilgentak. Haar onverzorgde gebit stond schots en scheef en haar blik was zo hol als een vergeetput. Hoewel ze zichtbaar moeite gedaan had om er een beetje toonbaar uit te zien, was ze met die poging nauwelijks succesvol geweest.  De hoge hakken die ze onder haar gerafelde jeans droeg, maakten haar iets groter dan ze in werkelijkheid was. Toen ze me geforceerd-hartelijk toegang verschafte tot haar appartement, wipten de houten zolen van haar te iets te grote schoenen snel omhoog zodat die met een droog ritmisch geluid tegen de eeltige onderkant van haar voeten klapten. ‘Bedankt dat ge zo snel gekomen zijt, ik had eigenlijk gedacht dat ge niet zou opdagen. De meeste mensen lopen weg van mij, zelfs mijn eigen kinderen’, prevelde ze bijna onhoorbaar met doorzopen stem terwijl ze een zelf gerolde peuk opstak en haar iets inschonk dat op koffie leek. ‘Gij ziet er niet uit als een alcoholist’, zei ze met een onhandige brutaliteit zonder een antwoord te verwachten. ‘Gij ook?’ en ze wees naar een tas die al een geruime tijd geen afwaswater meer had gezien. Ik had al minstens vijf vliegen geteld die af en aan vlogen van een bord waar nog een rest pizza en wat korsten van gisteren op lagen. Voor de koffie bedankte ik maar was wel oprecht benieuwd naar haar verhaal. ‘Denk je dat ik ook een alcoholist ben?’ vroeg ze me vrank met niet gespeelde eerlijke nieuwsgierigheid. Door die astrante vraag dwaalde ik in gedachten ver af naar mijn eigen verzopen verleden en begon onophoudelijk te ratelen… over mezelf zoals ik dat altijd doe in situaties als deze.

‘Ik ben zeker dat ik doodsbang was om te erkennen dat ik een alcoholprobleem had’, begon ik. ‘Het antwoord op die vraag verschool zich voortdurend onder de oppervlakte. En soms kwam dat boven, eerst met stil gefluister, dan met duidelijke stem tot het uiteindelijk een schreeuw werd. Ik denk dat ik het allemaal veel te lang genegeerd heb alsof ik er een soort light-versie probeerde van te maken maar met die onzin waande ik me slimmer dan mijn probleem en dat was pure zelfoverschatting. Ik heb lang geprobeerd om aan mezelf en aan iedereen die toekeek te bewijzen dat ik nog een succesvol iemand kon zijn, dat ik niet echt een probleem had en wel kon stoppen wanneer ik dat wilde maar diep in mezelf wist ik dat dat een illusie was. Als ik ‘s avonds in de spiegel keek en ik zag de ellende die terugkeek, was ik zo bang omdat ik zeker wist dat ik de rest van mijn leven zou moeten blijven drinken om de dag door te komen of om de nacht te overleven. Ik had er een boeltje van gemaakt en voelde me met elke poging om te minderen dieper in de stront zakken, zoals in drijfzand, denk ik.’ ‘Hoewel ik wist dat zuipen, zoals ik het deed, ongezond was en dat ik daar op een dag steendood van zou vallen, kon ik het fysiek en mentaal niet opbrengen om het niet te doen, omdat ik er zoveel van hield. Ik was gek op de fysieke sensatie om de roes via mijn keel in mijn bloed te voelen stromen en met ware doodsverachting zag ik uit naar het mentale spektakel wanneer door diezelfde slome roes de ruwe randen van het leven geëffend werden. En dat zal wel het grootste probleem geweest zijn. Ik kon niet drinken zoals normale mensen dat doen omdat ik er niet mee kon stoppen omdat ik steeds maar op zoek ging naar iets wat niet bestaat.’

‘En om op je vraag te antwoorden, ik raakte pas min of meer opgelucht toen ik mezelf de vraag niet meer hoefde te stellen of ik een probleem had, of ik alcoholist was. Dat maakte dat ik niet meer moest gissen naar antwoorden en niet langer meer moest zoeken naar mazen om te ontsnappen aan mezelf. In plaats van mezelf op te zadelen met excuses waarom ik moest drinken, begon ik stilaan te luisteren naar een andere kleine stem, die van de wijsheid maar die zich voorlopig nog schuilhield aan de binnenkant van mezelf. Ik had mezelf lang genoeg voorwendsels gegeven om het op een zuipen te zetten. Hier, ik zal je er een paar opsommen:

Ik haat mijn werk.

Mijn financiën zijn een puinhoop.

Al mijn relaties staan in ’t rood.

Iedereen die ik ken drinkt.

Vandaag drink ik want het is mijn verjaardag.

Morgen drink ik want dan is het jouw verjaardag.

Als ik niet drink zullen ‘ze’ vragen waarom ik niet drink en ik zal ‘er’ niet bij horen.

Ik ben toch op vakantie, en ik doe toch niemand kwaad met een wijntje?

Het leven is saai.

Het leven is moeilijk.

Het leven is wreed.

Ik ben gelukkig.

Het is toch al donderdag.

De kinderen zijn druk.

Ik ben ongelukkig.

Het is weekend.

De kinderen zijn er niet.

Oma is dood.

Het is elf uur.

Ik heb toch ontbeten.

Ik heb een rotdag.

Lien is zwanger.

Ik heb geen slechte dag.

Ik heb een platte band.

Het is nog maar tien uur maar het is zondag.

Ik heb gisteren niet gedronken, zie je dat ik geen probleem heb.

Ik schaam me omdat ik me weer misdragen heb, ik kan net zo goed drinken dan vergeet ik het.

Het is genetisch bepaald want ons ma dronk ook veel.

De zon schijnt.

Ik moet een nieuwe fles kopen want aan deze ben ik al begonnen.

Het dient niet om de vloer te schuren.

Ik had een ongelukkige jeugd.

Het regent.

Ik schaam me omdat ik in mijn zatte bui weer iedereen gebeld heb.

Gisteren dronk ik maar twee glazen.

Nog eentje…

…eentje kan geen kwaad….

‘Zal ik je wat vertellen, wanneer ik terugkijk op mijn alcoholcarrière is het voor mij zo klaar als pompwater. Hoewel ik dacht dat ik zuipkampioen was, kon ik niet drinken, want ik kon nooit stoppen omdat ik alcoholist ben.’ ‘In het oog van een orkaan lijkt het windstil, maar als de wind gaat liggen, ligt alles plat. Het angstaanjagend van de zaak is dat dat de stormen elkaar sneller zullen opvolgen en dat ze erger worden dus als je jezelf herkent in een of alle excuses hoef je geen test meer afleggen of moet je mij of jezelf die vraag niet meer stellen omdat je het antwoord al kent.’ ‘Er is geen juist moment om te stoppen zoals er geen slechter moment bestaat om te beginnen maar wacht er niet mee want met elke nieuwe verzopen dag wordt het moeilijker. Je zal het harder te verduren krijgen omdat je met elk nieuw glas opnieuw een kruimel eigenwaarde doorspoelt.’ ‘Maar het goede nieuws is dat het kan, stoppen. Als ik het kon, kan jij het ook want er bestaat nog leven na de fles. Niet dat alles zonder drank perfect en gemakkelijk wordt maar alles wordt rustig op een rommelige manier.’ ‘Als je het probeert en je geeft niet op, is het zelfs gemakkelijk als je maar blijft luisteren naar die kleine stem die je elke dag iets belangrijks te vertellen heeft.’

Rood gele vaan.

Toen ik vanmiddag vanuit de keuken en vanachter een tas koffie wat doelloos in de tuin stond te gapen, viel via de laptop van mijn zoon onverwacht een eerste bericht in de huiskamer. Omdat zijn dag veel te laat begonnen was, zapte hij met wat van de namiddag nog overschoot de tijd weg met Netflix en Instagram, om niet gezegd te willen hebben dat hij zich verveelde. Plots veerde hij veerde recht en ging zenuwachtig en koortsachtig scrollend op zoek naar de bevestiging van een zopas binnengelopen bericht dat hij via een vriend had toegestuurd gekregen. ‘We zakken niet’, riep hij ‘Vader we zakken niet, we blijven in 1A en het is bevestigd op Sporza.’

Toegegeven ik ben supporter van KV Mechelen, je mag me hier dus bijgevolg niet van objectiviteit en onpartijdigheid verdenken, zeker niet wanneer ik de verbazing en opluchting probeer te beschrijven die ik sinds dat berichtje van deze middag al een paar uur door elke vezel van mijn lijf voel stromen. Maar het is ook niet omdat ik geen sensatiejournalist ben of omdat ik niet hoor bij de club van opgejutte of gek gemaakte Beerschot-fans dat ik niet mag proberen mijn emoties in leesbare zinnen neer te schrijven. Ik ben per slot van rekening ook een kritische verhaaltjesverteller die graag wat tegen de wind in roept. Verwacht dus geen dubbel gecheckte ‘properehandenfeiten’ want daarvoor ben ik wellicht te veel supporter en een veel te grote praatjesmaker.

Overal waar strijd gevoerd wordt, eindig je wanneer het pleit beslecht is met winnaars en verliezers. Dat is in conflictgebieden waar oorlog woedt het geval, in de politiek is dat zo en in de sport is het niet anders. Na de clash en als het verdict gevallen is, klopt men zich in het winnende kamp superieur op de borst terwijl de verliezers de oorzaak van de nederlaag zoeken bij de omstandigheden, bij de partijdigheid van diegenen die over het resultaat beslisten of bij de sterkte van de tegenstand. Wanneer onmin ontstaat over de juistheid van een resultaat of wanneer men partijen van fraude of bedrieglijkheid verdenkt zal in elk zichzelf respecterend democratisch bestel een onafhankelijk orgaan uitspraak doen om recht toe te kennen aan zij die het verdienen omdat dat rechtvaardig en juist is maar zo niet in de voetbalsport. In het duffe bondscomplex zwaaien oude grijsaards de plak. Belust op winstgevende euro’s hervormen ze wat goed was en behouden ze wat aftands is. Ze maken of behouden vervallen voetbalwetten die zo flou zijn en in hun optiek zo kneedbaar en voor interpretatie vatbaar dat ze er naar eigen goeddunken kunnen over wikken en beschikken, om er voordeel uit te halen voor zichzelf of voor diegenen die ze vertegenwoordigen. Rechters, advocaten, belanghebbenden, investeerders, bestuurders en gedupeerden worden in het Brussels voetbal-politbureau rond één tafel verzameld om als waakhond de honing- en doofpot te bewaken waarmee ze hun zaakjes regelen. Toen bondsprocureur Wagner de competitie leek te gaan beïnvloeden door Ruslan Malinovskyi zeven speeldagen te schorsen voor een onvrijwillige fout, sprak voetbalminnend België schande over zoveel wereldvreemdheid en beklaagde diezelfde voetbalwereld zich over de bekwaamheid en de onpartijdigheid van de Nero van de voetbalrechtbank. Wanneer diezelfde bondselite dan enige tijd later uitspraak doet in de propere handen affaire vindt de publieke opinie dat eindelijk recht geschied is. Over het feit dat beschuldigde club in kwestie amper tijd kreeg om zich te verweren en over de kwestie dat de beklaagde inzage ontzegd werd tot essentieel bewijsmateriaal om de beschuldigingen te weerleggen en over het feit dat voetbalwetten met de voeten getreden werd, kraaide geen haan meer want er was eindelijk een voor de hand liggende zondebok gevonden die het gelag wel zou betalen.  Is er buiten mezelf dan niemand die het van pot gesleurd vindt dat de start van een bepaalde beroepsprocedure kan leiden tot degradatie naar de amateurliga en stinkt dat putje dan niet naar machtsmisbruik? Het heeft er volgens mij toch alle schijn van. En wat dan met de media in dit verhaal? Hebben zij er de hele duur van de schertsvertoning ook geen pap van gelust? Werd de rechtszaak door journalisten niet in publieke debatten gevoerd waar meningen, waarheid en fictie met elkaar vermengd werden zodat facebook en twitter verdeeld raakte in twee kampen, de goeie en de slechten? De toog en de sociale media liep over van meningen, iedereen had er een en iedereen had gelijk. Vandaag sprak het BAS recht, niet vanuit een ‘ethisch’ onderbuikgevoel of vanuit een straffe mening, een waarheid of vanuit een fictief verhaal maar op basis van de voetbalwet. Een wet die nota bene geschreven en bewaakt wordt door clubje grijsaards die er verantwoordelijk voor zijn. Dus kunnen we eindelijk opnieuw over naar de orde van de dag…

‘Vooruit met de rood-gele vaan, vooruit over berg over baan…’ Heis de vlag hoog in de mast want de strijd is gestreden, de tegenstanders geveld en vijandige monden zijn gesnoerd. Verliezers druipen af en lijkenpikkers worden weggehoond. Steek die vlag fier omhoog want de veldslag is gewonnen en de geel-rode drapeau die symbool staat voor eenheid, strijdlust en samenhang toont fier zijn ware gelaat. Laat ze wapperen wapperen tot ze helemaal uitgerafeld is want vandaag is het feest. Van Kvm kan veel gezegd worden maar nooit dat ze onder vreemde vlag gevaren hebben, daardoor is de samenhorigheid nooit groter geweest dan vandaag. Eindelijk viert gerechtigheid hoogtij al zal het wel zuur zijn wanneer je vandaag Beerschotrat bent maar is dat op andere dagen ook niet het geval? Eerlijk?

Haar.

Ik ben zeker dat je daar op muziekkamp al lang niet meer wanhopig zit te wachten op een stom briefje of op advies van een vijftiger, ook al is die vijftiger jouw vader die met elke nieuwe dag een dagje ouder wordt. Het zal je misschien verbazen maar ik was ook ooit dertien, weliswaar dertien in de mannelijke versie van een meisje, maar toch dertien. Negentien eenentachtig was het dan. De grootste gebeurtenis van juli eenentachtig, was dat prins Charles van Engeland trouwde met prinses Diana, ook van Engeland al werd ze door haar huwelijk ‘gedegradeerd’ tot prinses van Wales. Vraag me niet waarom dat zo is, waarschijnlijk omdat die Engelsen rare tradities hebben.  In die dagen konden uilen nog spreken en er was nog geen internet daarom zat de hele wereld die bewuste dag voor de tv gekluisterd, om een glimp op te vangen van de bruidsjurk van de sprookjesachtige prinses. Ik weet niet waarom ik je dat nu zeg misschien omdat ik toen ook dertien was en ik jaloers was op die lelijke aap.

Hou je vast aan de takken van de bomen, binnenkort ga je tot besef komen en aan je lijf ondervinden dat hormonen je willen veranderen. Ze gaan je proberen te overtuigen dat ik niet meer de grappigste man in je leven ben. Ze zullen je ook influisteren dat je ma een oude zaag geworden is omdat ze je dingen wilt laten doen die saai en ouderwets zijn of omdat je volgens haar te vaak op je gsm zit. (Wat wellicht het geval is.) Die hormonen zullen je meer met je ogen doen rollen en je meer laten zuchten en blazen dan je zelf wil maar ze gaan er ook voor zorgen dat je gat, je billen en hopelijk nog andere dingen, dikker worden. Ze zullen zorgen voor haar onder je oksels en op nog andere plekken waar dat nog gênanter is. Die hormonen zullen er ook verantwoordelijk voor zijn dat je (tijdelijk) een hele slechte smaak zal ontwikkelen. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat je helemaal zot zal worden van pak weg, Justin Bieber of erger van Daniel Portman, omdat die toevallig een sexy schildknaap mocht spelen in Game of Thrones. Zit er niet mee in want het zijn tijdelijke randfenomenen die samengaan met groter worden. Uiteindelijk zal je toch tot de conclusie komen dat er maar één man echt belangrijk is in je leven en dat ik dat ben omdat ik nu eenmaal nagenoeg perfect ben, zowel uiterlijk als verstandelijk.

Veel van de dingen waarvan je nu denkt dat ze je ooit zullen gelukkig maken zullen dat niet doen. Maar ik weet ook dat het nul komma nul zin heeft om je daarvoor te waarschuwen, want jij wil meer dan wie ook zelf achterhalen hoe het leven werkt. Jouw leven is een feest en de wereld een wonder en iedereen die je zal willen proberen te overtuigen van het tegendeel, zit er helemaal naast. Je zou eens moeten weten wat er nog allemaal op je af komt, voor de eerste keer. Ik kan het weten want ik was ooit dertien.  Dus doe maar op! Krijg maar wat meer haar, ook op je tanden. Het mag! Wees eigenzinnig en test het maar allemaal uit. ‘Don’t worry and enjoy the ride’ want alles komt altijd goed. Neem geen genoegen met sarcasme en cynisme en wees niet beschaamd voor vriendschap. Probeer het maar, doe maar op, dat mag want het loont om eigenzinnig te zijn en om uit te proberen wat je allemaal wordt verteld. Maak je dus geen zorgen want alles komt altijd goed. En wanneer je het even niet meer weet, kom dan maar af want ik weet het allemaal want ik was ook ooit dertien en ik heb ook al een gsm, eelt op mijn ziel en haar op mijn tanden.

Vader van zijn zoon

Ik ben niet zeker of iemand het opmerkte dat mijn ogen een beetje vochtiger staan te blinken dan anders. Niet dat ik me daarvoor zou schamen moest dat wel het geval zijn omdat ik bijna zeker weet dat de meeste mensen die zich in deze zaal bevinden in min of meerdere mate ook met dezelfde emoties aan het vechten zijn. De jongsten in de menigte zijn of opgelucht of uitgelaten of trots en blij of iets dat zich daar tussenin bevindt al bespeur ik hier en daar wel wat weemoed of spijt omdat ze hier nu een belangrijk tijdperk komen afsluiten. Op sommige plaatsen word ik lichte angst, spanning en onzekerheid gewaar omdat de oudsten van nu straks als nieuwe piepkuikens op ongekend terrein een nieuwe weg zullen moeten zoeken. Sommige uitverkorenen genieten zichtbaar van de aandacht wanneer ze achter het spreekgestoelte mogen plaatsnemen om daar hun zwanenzang voor te dragen, terwijl anderen zich door hun schuchterheid of door hun stuntelige lijf, dat nog niet helemaal in proportie geggroeid is, geen juiste houding weten aan te meten bij dit laatste publieke examen. Opgetut zijn ze wel allemaal. Jonge vrouwen hebben voor de spiegel met elkaar een ingebeelde onderlinge strijd gevoerd, voor het juiste kapsel, voor de hipste jurk of voor de duurste halsketting die ze van hun moeder in bruikleen kregen om aandacht van hun operaspleet af te leiden. De meeste van de jonge mannen weten zich ook niet echt een juiste houding te geven in hun gesteven maatpakken omdat de afgedragen sneakers of de adidaskousen die ze er onder dragen hen net iets te veel van een clown doen weg hebben of misschien is het gewoonweg omdat in die strakke kostuums de afgelopen weken mondelingse examens moesten afleggen. Hier en daar bespeur ik nog een zeldzame puist terwijl sommige onder hen al lopen te pronken met een volle baard of met een borstelige knevel. Op de ingebeelde catwalk defileren ze één voor één naar voren. De ene achter de andere om daar van oudere wijzen met wie ze de afgelopen zes jaar lief en leed gedeeld hebben, kussen en een eerste belangrijke adelbrief in ontvangst te nemen.

“… hebben hun diploma secundair onderwijs richting Latijn-Moderne-Talen behaald.” Met die laatste woorden worden hij en zijn klasmaten door de directeur, met een stem die minstens evenveel trilling vertoonde die van de sprekers van daarstraks, afgezwaaid. De onderdrukte emoties, die door de bewogen toespraken van de jonge schouders waren gevallen, worden door mij allemaal geabsorbeerd. Hoewel ik zelf geen lauweren aan dit meesterwerk verdien, voel ik me een pauw die zijn staart wil tonen maar ik doe het niet omdat hij die pluimen allemaal zelf mag opstrijken, één voor één om ze op zijn eigen hoed te steken. Voor deze grote stap is hij zeker klaar maar wat zijn vader betreft.. ach die zal ook wel goed terecht komen hij is per slot van rekening toch de vader van zijn zoon.

Theoretisch rijexamen.

Een knaap die er ouder wou uitzien dan de jaren die hij maar had, ging op een lege kruk zitten, vlak voor de bar waar een blonde dame van jaar of twintig met minutieuze nauwkeurigheid een Duvel uitschonk voor een habitué die er dagelijks zijn krant kwam lezen. De vranke jonge ondeugd zei uitdagende dingen die bleven hangen, zoals een streep dat doet dat als ze met een verkeerd potlood op een schets getekend werd zodat ze niet meer kan uitgegomd worden.

‘U hebt een mooi stel benen, juffrouw’, zei hij vrijpostig.

Ze bitste terug, ‘hoe kunt U dat nu weten, kunt U misschien door de toog kijken?’ En ze liet die U met opzet te luid en te beleefd klinken zodat de versierpoging die op zich al hopeloos was, helemaal een wanhoopsdaad leek.

‘Toen ik U de eerste keer zag, toen U hier door de straat laveerde, waren die me al onmiddellijk opgevallen, ik heb namelijk nog maar zelden zulke mooie benen gezien’, ging de snaak door en hij probeerde goed te maken wat hij vier seconden eerder verkeerd had aangepakt. Op dat ogenblik had de jonge dame zich echter al van hem afgeweerd om de Duvel te brengen naar de man die verderop zijn te rode hoofd al in zijn dagelijkse krant had verstopt. De jonge toogdebutant vroeg ook een Duvel. Zij weigerde hem die prompt, omdat ze vermoedde dat ze daardoor de wet zou overtreden.

‘Ik ben al twee jaar achttien hoor’, sputterde hij tegen.

‘Laat dan je pas zien, he’, antwoordde ze hem terwijl ze er in gedachten ‘wijsneus’ bij zei maar dat niet deed omdat ze niet al te veel verkeerde aandacht wou schenken aan een opgehitste puber. Ze wou al evenmin indruk wekken dat ze met zijn geflirt gediend was.

‘Ik heb hem niet bij me, hij ligt nog in mijn auto’, zei de jongeman met zoveel overdreven gelogen zelfverzekerdheid, dat het lachwekkend was, al leek hij zich door zijn overmoed daar niet bewust van.

‘Drink dan maar cola of iets anders fris, zeker als je nog moet rijden,’ zei de serveerster speels. Ze was minstens even rad van tong als de overmoedige snaak omdat ze aan haar toog wel vaker te maken had met opdringerige bronstige venten die hun kans schoon zagen om haar te proberen imponeren. Even leek hij nog een poging te wagen maar zijn woorden gleden van haar af zoals water op een Tefal pan en met de staart tussen de benen, zonder Duvel en zonder nog een woord te zeggen, droop de Cassanova in spe af om anderhalf uur later opnieuw te verschijnen om op dezelfde kruk plaats te nemen.

‘Cola alstublieft en neem zelf ook iets’, zei hij met een stem die nog stoerder en zelfzekerder klonk dan een uur geleden en hij wees daarbij de vergeelde beteugeling van de dronkenschap waarmee ongeveer honderd jaar geleden zatlappen gewaarschuwd werden voor de gevolgen van openbare dronkenschap.

‘Ben jij nu bezopen?, vroeg de jongedame enigszins verbaasd.

‘U mag me hier dan misschien geen alcohol schenken maar nergens staat geschreven dat ik niet zat mag zijn. Wist U trouwens dat toen U daarstraks die man zijn Duvel bracht, U me de formele bevestiging gaf dat uw benen de mooiste zijn die ik ooit heb mogen aanschouwen en toen waren uw natuurlijk sensuele kuslippen me niet eens opgevallen. Maar om op uw vraag te antwoorden, neen ik ben niet zat want ik drink nooit. Ik had die Duvel alleen maar nodig om me moed in te drinken om U te durven zeggen dat U het schoonste meiske bent dat ik ooit al heb aangesproken.’ De academische woordkeuze, het ge-U en het feit dat hij haar meiske noemde, gaven hem een aandoenlijk stuntelige onhandigheid waardoor de jonge dame opeens gecharmeerd raakte.

‘Als we elkaar nu gewoon tutoyeren en als je nog een kwartier geduld hebt, dan zit mijn shift erop dan mag je me een wijntje trakteren en kan je me verder bewieroken want je hebt al mijn lichaamsdelen nog niet beschreven’, zei ze plots ontwapenend.

‘Mag dat ook nog als ik je zeg dat ik alleen nog maar mijn theoretisch rijexamen heb afgelegd?’

‘Kan ik daar dan nog een kwartier over nadenken?’

Blaas je bel eens stuk!

Licht geïrriteerd trek ik in twee trekken de vuurkegel van mijn Marlboro light zo heet zoals ik alleen dat kan. In twee halen en in evenveel tellen stook ik het papier en de tabak van mijn sigaret in geen tijd op tot aan de filter. Op dat zelfde moment giet een kalende man van middelbare leeftijd, die op minder dan tien passen van mij verwijderd is, zijn ribbeltjespint met één langgerekte teug en zonder te slikken in één keer naar binnen. De handelingen waar van sprake, hadden zich het afgelopen half uur al vier keer herhaald. Mocht ik ervoor gekozen hebben om op dat moment voor de tv te hangen, hadden deze volstrekt onbelangrijke feiten die zich op donderdagavond omstreeks 9u38 op het buitenterras van een oerdegelijk Vlaams bruin biercafé afspeelden, niet plaatsgevonden. Nu dus wel, zoals elke week trouwens op donderdag want ikzelf en nog een paar andere verstokte rokers staan daar wekelijks. We zuigen daar aan onze sigaret, aan onze sigaar of aan onze met nicotine gevulde elektrische pijp omdat we al een tijdje en meer bepaald, sinds we in de eeuw van de betutteling zijn aanbeland, naar buiten zijn verbannen om daar gezellig rond een hoge ronde partytafel in de rook te hangen. De paria’s van de kroeg moeten namelijk sinds dan buiten paffen. De al vervuilde fijne stoflucht van niet-rokers die binnen blijven zitten, wordt zo niet met nog meer fijn, vuil stof bezoedeld zodat deze er net iets properder kan ingeademd worden. Diegenen met wie ik wekelijks op donderdagavond omstreeks 9u38 mee rond de tafel hang om te paffen, begrijpen dat allemaal omdat ze nadenken en een beetje sociaal normbesef vertonen opdat mensen die toevallig op donderdagavond ook naar dat oervlaams biercafé trekken hun longen er niet per c  met teer, nicotine of met andere schadelijke brol hoeven te vullen omdat wij daar voor kiezen. Zij zullen er op donderdag en vaak op alle andere weekdagen die eindigen op dag wel voor opteren om hun lijven tot aan hun adamsappels vol te gieten met pinten of met andere geest verrijkende drank. Dat is namelijk hun manier om vijftien jaar eerder de pijp aan Maarten te kunnen geven omdat levercirrose en maag- of darmkanker hun uitverkoren terminus is. Wij kiezen met ware doodsverachting in onze blik eerder voor longkanker en dat is ook ons goed recht. Eigen kanker eerst!

Maar het was niet dat grote maatschappelijk thema dat ik hier wil aansnijden. Niet dat ik mij niet aan rook- of drankonverdraagzaamheid stoor maar omdat bubbels bij mij nog meer innerlijke onrust veroorzaken. En voor de duidelijkheid, ik heb het niet over doorzichtige, wiebelende door afwasmiddel geproduceerde balletjes die door de wind mee gedragen worden en waarin regenbogen wonen en die een vlek achterlaten net nadat ze zijn uiteengespat. Ik heb het over verontrustende bubbels waarin we ons allemaal bevinden en waarin we ons terugtrekken om ons te beschermen tegen mensen die in andere bubbels wonen van waar ze naar de wereld kijken. Om van achter glazig vlies te kijken naar een wereld die ze niet meer begrijpen omdat ze zich in hun persoonlijke bubbel enkel nog met gelijkgestemden omringd hebben. Ze zijn beperkt in klankbord en in tegenspraak zodat ze stom worden en afgestompt raken en niets meer kunnen relativeren. Mak en laks omdat ze door het vlies van de bubbel waarin ze zich verschuilen elkaar niet meer horen en elkaar niet meer verstaan. Over die bubbels heb ik het, over de isoleercellen waarin we ons met mensen van dezelfde soort opsluiten en waarin we ons rood van woede kunnen ergeren aan gedrag en aan geroep van anderen of aan de rook- en drinkgewoonten van diegenen die zich in de andere bubbel bevinden. Maar wees op uw hoede want het zijn geen bubbels met regenbogen waarin we ons bevinden. Het zijn betonnen kooien die onze blikken versmallen en onze natuurlijke aard om te ontdekken teniet doen.

 En jij? In welke bubbel zit jij en wanneer blaas jij je bel eens stuk?

Rolmodel

Vandaag is het Vaderdag en pa ik denk aan jou. Je hebt al even het tijdelijke voor het eeuwige geruild daarom loop je hier nu niet meer rond, niet dat je dat op het einde van je dagen nog veel deed. Sinds je weg bent, denk ik bijna dagelijks aan jou. Soms droom ik zelfs van jou. Daarin vertel je me dan wat ik moet doen en dat vind ik een beetje vreemd omdat ik me niet kan herinneren dat je dat ooit deed toen je hier nog was. Van jou kreeg ik namelijk niet al te veel levensinstructies, wellicht omdat je van mening was dat ongevraagd advies er niets toe deed omdat ik dat doorgaans toch aan mijn laars lapte. Ik vermoed dat je altijd wel geweten hebt dat ik op de een of andere manier toch wel in jouw voetsporen zou terechtkomen, vaders weten zulke dingen.  Ze zegt me het nooit maar ik vermoed dat mijn vrouw me daarom in haar leven heeft toegelaten, omdat ik een goed vadervoorbeeld kreeg, één die in staat was in vertrouwen los te laten. Toen jij mijn leeftijd had keek ik nochtans niet zo op naar jou. Dan had ik het niet door omdat ik net zoals de meeste andere jongeren van mijn leeftijd druk bezig was met andere dingen. De aandacht van het  andere geslacht eiste mij toen volledig op en met de overschot van de tijd deed ik er alles aan om me los te weken van jou ouderlijk toezicht maar vooral ook van die van ons ma. Ik denk dat ik toen al hard probeerde een beetje de man te worden die jij al lang was, maar dat had ik toen ook niet door. Dat werd me pas duidelijk vanaf het moment dat ik zelf baby’s in mijn armen hield waardoor de overmoedige macho die uitgezet was om de wereld te veroveren plots besefte dat de wereld al in zijn armen sliep.

Vandaag is het Vaderdag en ik denk aan jou maar dan anders omdat ik nu zelf drie kinderen heb. Mijn boodschap aan hen is eenvoudig en ze is een beetje dezelfde als die jij wellicht ook had. Vandaag is het Vaderdag en je hoeft me niets te geven omdat ik het beste cadeau die een man in zijn leven kan krijgen al kreeg. Vaderschap, en ik denk dat ik die dankbare genen ook wel van jou gekregen heb.

Groen bolletje

Plotseling kleurde het bolletje achter haar avatar groen. Niet dat ik de hele dag naar mijn scherm zit te gluren, naar wie online is en wie niet. Toch kan ik niet ontkennen dat sommige, voor mij schijnbaar interessante mensen me meer in het oog springen dan anderen. Bij sommige zou ik, wanneer ik ze in de bovenhoek van mijn babbelbox zie verschijnen het liefst van al een digitale omweg maken en het blokje omlopen, om ze te mijden. Andere groene bolletjes die me meer aanstaan maken me dan weer nieuwsgierig, van hen zou ik willen weten wat ze aan het doen zijn, waaraan ze denken en om trachten te achterhalen waarmee ze bezig zijn.

In mijn ingebeelde persoonlijke ‘black mirror’ zou ik al die groene bolletjes willen onderverdelen in klassen. Ik zou een categorie leuke en een categorie neutrale groene bolletjes maken. De niet-sympathieke zou ik bruin kleuren en ze op een zwarte lijst zetten, omdat ze me op een of andere manier irriteren, ze niet van mijn gedacht zijn of omdat ik er in het verleden al een nare ervaring mee gehad heb. Al die bolletjes zou ik dan via de locatieherkenning van de gsm op een persoonlijke googlemaps van mijn digitale dorpsplein laten rondwandelen. Zo zou ik van al de bolletjes weten waar ze uithangen. Ik zou weten wat ze doen, wat ze kopen, waar ze eten en waar ze shoppen. De interessante groene bollen zou ik op die manier ‘toevallig’ tegen het lijf kunnen lopen. Dan zou ik er interessante gesprekken mee kunnen voeren en er koffies mee kunnen drinken in het groene-bollen-café waar andere leuke groene bollen ook gewoonlijk verzamelen. De bruine bollen zou ik in mijn ‘black mirror’ ook bij elkaar schuiven in het zure zwarte-bollen-café waar zij zich kunnen beklagen over het storend gedrag en de positieve ideeën van de verdraagzame groene bollen waarvoor ze angst hebben of waardoor ze zich bedreigd voelen. In mijn ingebeelde ‘zwarte spiegel-wereld’ blijft iedereen dan onder zijn persoonlijke comfortabele, vertrouwde bubble zodat niemand in contact kan komen met storende bolletjes en niemand zich aan de kleur ervan, hoeft te ergeren.

Maar ik heb geen black mirror en ik heb geen digitaal dorpsplein dus zal ik kleur van jouw bolletje nog eventjes moeten verdragen als ik je straks toevallig tegen het lijf loop, maar weet wel dat als je dan met mij een koffie zou drinken, je een van mijn groene bolletjes bent en je in het groene-bollen-café zit.

Pimpelmees van de foor.

Hoewel ik haar blik wou vermijden, ontmoetten onze ogen elkaar halverwege het gejoel, ergens tussen het schietkraam en de autoscooter, al heette die attractie in die tijd gewoon nog de botsauto’s. Zij keek snel verlegen weg en ik deed hetzelfde. Indien ik haar was blijven aankijken zou het me zeker zijn opgevallen dat ze lichtjes bloosde en dat ze met de tong voorzichtig haar bovenlip beroerde maar ik was nog veel te groen achter de oren om dat op te merken, dus keek ik ook snel achteloos weg, naar de prijzen die één kapotgeschoten pijpje in het schietkraam zouden kunnen opleveren. Zij kon onmogelijk weten dat ik heel veel moeite had gedaan om haar preutse oogopslag te vangen want telkens ze mij in de gaten kreeg, keek ze schaapachtig weg. Ik zal ook wel gebloosd hebben en mijn ogen zullen wel geblonken hebben maar dat was haar ook niet opgevallen. Mocht ik haar nu tegen het lijf lopen, ik zou haar garderobe goedkoop en een beetje vulgair vinden, maar toen gaven de zwarte plak-netkousen die ze onder haar grijze plooirokje droeg met daarboven een rode wollen jas met veel te brede schoudervulling haar iets mysterieus en onbereikbaar. Voor mij was ze de diva van de foor.

‘For your eyes only’, Sheena Easton zong door luidsprekers in woorden die ik maar half verstond omdat de BBC alleen aan de kust in het zenderpakket zat en we thuis dus alleen maar keken naar Nederlands gesproken uitzendingen van BRT één, BRT twee en Holland één. Ik had vijftig frank, drie jetons voor de botsauto’s en twee kaartjes voor de rups in mijn broekzak. Die zouden die bewuste namiddag nog goed besteed worden op het dorpsplein van Muizen waar de kermiskaravaan voor het lange weekend was neergestreken.

In zaal Rerum Novarum vond op dat moment naar jaarlijkse gewoonte tijdens de grote kermis ook de vogelshow plaats. Een paar lokale duivenmelkers toonden hun prijsduiven en een handvol parkietenkwekers en kanarieliefhebbers gaven met evenveel lawaai als de vogels die ze tentoonstelden commentaar op hun favoriete gepluimde vrienden. Toevallig of niet maar zij paradeerde daar ook. Ze laveerde er tussen kooien en keven die overvol zaten met kippen en hanen en tussen volières waar exotische paradijsvogels en Chinese nachtegalen in rondfladderden. ‘Wist je dat de pimpelmees de trouwste zangvogel is en dat de rest van de mannetjesvogels al vreemd gaat vanaf het ogenblik dat de eieren gelegd zijn’, vroeg ik haar stompzinnig omdat ik geen andere veilige openingszin kon verzinnen. Toen ik haar met die wetenschap overviel zal ik zeker zo rood zijn aangelopen als de pioenen die bij mijn grootmoeder een paar straten verder in de voortuin bloeiden. ‘En wat voor vogel zijt gij dan wel? Een pimpelmees, een straatmus of een papegaai want ge kwettert wel nogal.’ Haar brutale antwoord stond me wel aan want ik antwoordde met heel slecht geacteerd zelfvertrouwen, dat ik haar dat wel in haar oor zou fluisteren in de rups. ‘Binnen vijf jaar dan toch’, bitste ze terug,  ‘wanneer ge uit uw korte broek gegroeid zijt’, en er verscheen een soort van glimlach op haar veel te rood gestifte lippen zodat het een grijns leek. Na twee zinnen stond ze al voor op punten en dat was slecht nieuws voor mijn gespeelde zelfverzekerdheid maar ik liet me er net als de vogels niet door uit mijn kot lokken. ‘Ziet ge die eend daar in die keef?’ en ik wees naar een mannetjeseend met een groene kop die wat verderop in een rieten mand nerveus rond trappelde. ‘Die is er veel slechter aan toe dan wij want als die gaat, waggelt zijn gat zo hard dat het lijkt alsof hij de ganse dag heeft paardgereden. Nu ziet ge dat niet maar als die stapt krijgt die zij poten niet meer toe.’ Ze probeerde ongeïnteresseerd haar ogen te rollen maar omdat zij een veel slechtere actrice was dan ik proestte ze het na twee seconden toch uit. ‘Gij zijt een grappig baazeke met uw korte broek en uwe grote mond, van waar zijt ge want ik heb u hier nog niet gezien?’ ‘Van over de stationsberg, van aan den overkant van de Steenweg. Zeg, zijt gij die vogels ook niet een beetje moe? Gaat ge met mij niet mee in de rups, ik heb al kaartjes.’ ‘Ja, om mij proberen binnen te doen zeker? Vergeet het maar, daarvoor is uw broek nog veel te kort. Betaal mij liever ne gesponnen suiker, als ge centen hebt tenminste, daarbij ge hebt me nog niet eens gezegd of ge nu een pimpelmees zijt of niet.’

Door die twee gesponnen suikers en die twee appels op een stokje was mijn kermisbudget een uur later al met een vijfde gesloken. Ik zat precies met een dure vogel op mijn dak bedacht ik en ik moest met mijn resterende veertig frank en met mijn drie jetons nog twee dagen toekomen. ‘Moogt gij karekollen?’ vroeg ik haar goed wetende dat haast geen enkel meisje van vijftien karrekollen lust. ‘Beikes!’, was dan ook zoals te verwachten haar antwoord omdat meiskes van standing in die tijd nog niet ‘ieuw’ zeiden. ‘Dat ga ik nooit van mijn leven eten, dat zijn precies dikke snottebellen uit de zee’, zei ze met een gezicht alsof ze die ooit al eens gegeten had. ‘Ik denk ook niet dat gij dat durft’, zei ik heel zelfzeker omdat ik wist dat ik met dat doordacht manoevre een lijn uit smeet ik waarmee ik in het Vrijbroekpark al dikkere karpers had bovengehaald. ‘Wat krijg ik als… , en ik zeg wel als ik dat toch doe?’ En ze liet die als klinken alsof de beloning er niet mee toe deed maar wel alsof ze tegenover een brutale snaak in korte broek geen gezichtsverlies wou leiden. ‘Ge moet met mij niet durven of doen spelen als ge dat niet wilt he, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben dat ge straks ziek wordt …’ Ik kreeg de kans niet om mijn zin met ‘..in de rups’ af te maken want ze onderbrak me met een vastberadenheid alsof ik al haar dapperheid en pit met mijn opmerking in vraag had gesteld.  ‘Peisde echt dat ik dat niet durf, zeg het maar he, wat krijg ik of durft gij niet meer misschien?’ Ik toonde haar mijn jetons van de botsauto’s en de kaartjes voor de rups en zei, ‘als ge dat wilt kan ik u vandaag vrijhouden, ge moogt overal mee in waar ik in ga en ik wil er zelfs nog een kaartje van het spookhuis bijdoen, maar dan moet ge wel op die slakken bijten en ze niet zo maar doorslikken.’ De karrekollen kraakten tussen haar kiezen zoals zand dat doet wanneer je slecht gewassen mosselen proeft. Door het speels geplaag was de romantische spanning de hele middag naar een climax opgevoerd dus wisten we geen van beiden wie de weddenschap nu gewonnen had en wie ze verloren had.

Toen in de krakende houten rups, tijdens het vierde rondje dat achterwaarts gereden werd de groene kap dicht viel en ze in mijn oor fluisterde dat ze hoopte dat ik een pimpelmees was, had ik nog veertien frank en vijfentwintig centiemen.

Hoe vier je chaos?

Zes uur en 4. De warmte van de prille ochtendzon schijnt me wakker. Ik gooi het dons van mijn lijf en wrijf de verkiezingsslapers uit mijn ogen. Buiten is het rustiger dan op een gebruikelijke maandagochtend, precies alsof ik ontwaakt ben in een land met een ander licht en een andere soort warmte, al voelt deze killer aan dan dat ik het gewoon ben? Het lijkt wel alsof compleet onverwacht iemand belangrijk is doodgegaan. Ik herinner me dat gevoel. Ik herken hetzelfde ongeloof als toen bijvoorbeeld Amy Winehouse of Prince doodverklaard werden op CNN. De beelden en de sfeer hadden toen ook iets onwezenlijks. Vandaag echter, lijkt het alsof gisteren de menselijkheid, de redelijkheid en de mildheid zijn gestorven. Het beeld van gisterenavond staat nog flou op mijn netvlies. De lijken waren nog niet koud en er werd al uitbundig gefeest, door mensen die door hun gemeenschappelijk gedachtengoed verenigd waren in een uiterst rechtse overwinningsroes. En hoe zit dat dan met zo een feest, hoe doe je dat precies? Hoe vier je onverdraagzaamheid, angst, haat, eigenbaat en chaos? Ik vraag me dat af. Wordt er gedronken op de nederlaag van oubollige politieke structuren en schoffelculturen van postjeskrokodillen, want dan zou ik nog willen meedoen? Al denk ik dat er eerder zal getschint worden op eigen-volk-eerst-getoeter en op het afschaffen van de vierenhalve bourkini die vorig jaar in Vlaanderen gespot werd. Schuiven jullie dan een toastje varkensvlees binnen en roepen jullie dan met zijn allen ‘zwarten en moslims buiten’, of hoe zit dat juist? Wordt er misschien geklonken op het invoeren van de doodstaf van diegenen die jullie door de verkiezingsuitslag dood verklaard hebben, in de wetenschap dat je straks met meer dan één moet zijn om die wetstraattango te dansen of heffen jullie het glas op het afschaffen van euthanasie en abortus of op het afschaffen van een sociale zekerheid die door vakbonden bewaakt wordt? Kan je dat eens uitleggen? Hoe zit dat juist? Hoe vier je eigenlijk onverdraagzaamheid?

De tetten van de premier.

Persoonlijk denk ik dat ik hoogst geschikt ben om geld uit te geven dat ik niet heb. Mijn vrouw weet dat ook maar zegt het anders, die zegt,  ‘Soms denk ik dat gij een gat in uw hand hebt, somtijds doet ge maar op alsof dat ge peinst dat ge Rockefeller zijt.’

Rond de pot draaien kan ik ook gelijk de besten. Dat kan ze ook getuigen. Ik kan namelijk zo hard uit mijn nek leuteren om de essentie van een probleem te mijden dat ik mij haast uit elke benarde situatie kan bevrijden, Houdini is er niks tegen.

Waar ik ook meester in ben is in beloftes doen zonder dat het resultaat moet afgedekt worden. Dat kan ik misschien nog het beste.  

Ok, ik heb geen 8 miljard schuld en ik word niet elke dag opgezadeld met tienduizend nieuwe gepensioneerden. Daar heb ik ook niet echt een oplossing voor, net zoals ik voor het opwarmende klimaat, de migratiegolf, de economische situatie, het drama in justitie, de pensioenen en de achteruitgang van het onderwijs me geen enkel zinvol gedacht kan vormen wat ik er mee zou aanvangen…

Ik zou precies wel een goede politicus kunnen zijn, al moet ik misschien nog beter worden in ruzie maken, in mijn gezin in tweeën splitsen en in anderen de schuld te geven van dingen waar ik zelf oorzaak aan heb maar eens ik dat helemaal onder de knie krijg dan word ik het misschien. Op een schone dag als de zomer en het mooi weer samenvalt, zodat ik eindelijk op mezelf kan stemmen en het niet meer zal moeten stellen met het Vlaemsch Belang of met de marxisten van de PVDA en al de rotzooi dat tussen deze twee uitersten een positie tracht te bemachtigen zodat ze nog even mee aan de pot kunnen likken.

Een ding is zeker, zondag stem ik voor een vrouw met de dikste tetten en ik wens haar het premierschap toe zodat de al aandacht van de heren van de macht tijdens de parlementaire zittingen zo is afgeleid dat ze alleen maar bezig zijn met de boezem van de premier zodat ze geen ander, groter onheil kunnen aanrichten.

Wijf of diepvrieskip?

Af en toe geef je me de indruk alsof je dagenlang op het ijs hebt gelegen en dat je helemaal bevroren bent zoals een dievrieskip of een doos crème glace. Gelukkig denk ik alleen maar zo als we woorden hebben. Op die momenten krijg je me zo nijdig omdat je het einde van die lange stilte of van het gekrakeel een prijs geeft die zo duur moet betaald worden alsof het een gigantisch duur cadeau betreft. Als de al zeldzame romantiek helemaal verdwenen is en plaats heeft gemaakt voor ijzige strubbelingen en koude woordgevechten, heb je nog meer dan anders de neiging, om het laken helemaal naar je toe te trekken. ‘Ik doe tenminste voort, jij zwijgt alleen maar en trekt smoelen. Ik ben tenminste super-rationeel en jij bent over-emotioneel. Net een wijf, jij’, zeg je dan en met de toon krijgen die woorden nog wat meer buskruitlading zodat ik nog wat dieper in mijn loopgraaf kruip. Wat ik op zulke momenten hoor is, ‘Ik ben bedachtzaam en scherpzinnig, op mij kan je rekenen. Jij bent geesteloos, emotioneel, impulsief, lui en ongeïnteresseerd.’

Nochtans denk ik dat alle dingen die ik doe alleen maar ingegeven zijn door emotie en ik vind dat niet verkeerd. Zo eet ik bijvoorbeeld omdat ik honger heb of omdat ik het lekker vind, niet omdat ik weet dat daardoor koolhydraten omgezet worden in suikers die me energie geven om in leven te kunnen blijven. Ik schrijf dit omdat ik het leuk vind, niet om onderwerpen, persoonsvormen en naamwoorden in de juiste volgorde te plaatsen, zoals ik het geleerd heb. Mijn ratio gebruik ik dus alleen maar om de dingen die rondom mij gebeuren een beetje beter te begrijpen. Met mijn zintuigelijke waarnemingen leg ik een puzzel die me leert hoe mijn wereld draait. Daarbij gebruik ik eigen ervaringen en die van anderen en probeer ik zo een scherper beeld te krijgen van wat moet gebeuren om vooruit te komen of om het een beetje naar mijn zin te hebben. Mijn Ratio geeft mijn bestemming aan maar het zijn mijn emoties die me tot actie zullen laten overgaan want mijn denken bepaald de bestemming. Toch zal ik een andere richting uitgaan als mijn gevoel me dat ingeeft. Waarom denk je anders dat ik nog sigaretten paf en waarom ik wel gestopt met pinten drinken?

Ruzie maken, het zou ergens moeten over gaan en het zou ons ergens naar toe moeten brengen. Jij zou er slimmer en rationeler van kunnen worden zodat we in de toekomst die ruzie kunnen vermijden en ik zou ervan moeten leren om er als het dan toch gebeurt, minder emotioneel, niet impulsief en minder gevoelig mee om te springen maar ik blijf het wijf en jij de diepvrieskip.

Jan de oerman.

Er was geen bezit, geen onderlinge competitie en geen sociale ongelijkheid zodat eenzaamheid, depressie en burn-out niet of nauwelijks bestonden. In die tijd liep er wel wat minder volk rond zodat iedereen in het nu leefde en er geen aandacht besteed werd aan overbodige zaken. De belangrijkste levensvragen in die tijd waren, ‘Waar ga ik slapen? Wat ga ik eten? Weegt mijn knots wel zwaar genoeg om er die sabeltandtijger de hersens mee in te slaan en met wie ga ik praten’, en zelfs dat hoefde niet zo nodig want met dierlijk gegrom raakte je toen al een heel eind op weg? Met die zaken vulde Jan de oermens het grootste gedeelte van zijn dag. Het resterende gedeelte ervan lag hij op de rug in zijn grot of zat hij aan een vuurtje, aan een bot van een sabeltandtijger te peuzelen. Als de dag tegenzat en wanneer een regenbui zijn vuur had gedoofd, mocht hij dagenlang aan stokjes draaien om er opnieuw vlam in te krijgen, en zelfs daar maakte Oerjan niet al te veel spel van. Met overschot van de tijd bedacht hij slinkse plannen om madam de oermens uit haar tijgervel te krijgen of schilderde hij muren vol met heroïsche jachttaferelen.

In een poging om de gelukzaligheid en de onbezonnenheid van dat vervlogen leven te benaderen trekt de hedendaagse homo erectus er twee weken van het jaar in de zomer op uit. Het liefst van al verkast hij dan gans zijn hebben en houwen naar het zuiden om daar, op een overvolle camping, wat te lanterfanten of om op een kunstmatig vuurtje voorverpakte spareribs te roosteren, of slooft hij zich veel te hard uit om zijn verslonsde vrouw nog eens in en uit dat tijgervelletje te krijgen. Het mannelijk oerinstinct om die activiteit op te leuken is hij helemaal vergeten zodat de vrouwelijke homo erectus haar oerman met wat dierlijk gegrom indruk zal geven een goede beurt gemaakt te hebben.

Antropologen en andere mensenkenners die erover gestudeerd hebben, maken er onderling geen ruzie over want ze zijn het er meestal roerend met elkaar over eens dat het met deze kluit dramatisch achteruit is gegaan vanaf het ogenblik dat de mensheid is beginnen te werken en wanneer de inhoud van de portefeuille de wereld is beginnen regeren. De club werd daardoor opgedeeld in twee soorten, een minderheid die het goed heeft en een meerderheid die het met wat minder moet doen. Vandaag draait het boeltje helemaal in de soep omdat die minderheid beslist voor de meerderheid en de meerderheid zich druk maakt over die minderheid. Veel goeds kan daar niet van terecht komen, mijn gedacht.

Die oermensen waren zo lomp nog niet want je moest slim zijn om lui te kunnen zijn. Als de zon wat meewil en als mijn vuurtje niet uitgeregend wordt ga ik ook nog eens op mijn rug liggen, om aan een bot te knagen. Misschien bedenk ik wel een plan om haar nog eens in dat tijgervelletje te krijgen. Hopelijk kan ik dan nog rekenen op mijn oerinstincten zodat ik me niet tevreden moet stellen met wat dierlijk gegrom. Ik had een prima oermens geweest.

Mars der verdrukten.

In zaal Volksbelang hing een gespannen drukte. Het café was zoals elke jaar op één mei de toneelscene van het rode congres van de overwinning. Mannen en vrouwen die er allemaal hetzelfde uitzagen kregen op de kraag van hun zondagse kostuum een rode roos en een rode duim gespeld. Rode vlaggen en wimpels werden van onder het stof gehaald om noodlijdende broeders in armoede een hart onder de riem te steken. Zelfs de morgen was in die dagen nog solidair want die kleurde ook bloedrood toen de bond der rechtvaardigen in een lang gerekte stoet de straat opkwam waar ze in een feestroes hun maatschappelijke onderdrukking kracht bij zetten.

Dertig jaar later is solidariteit in de selfie-maatschappij een scheldwoord geworden. Al wie opkomt voor diegene die het met wat minder dient te stellen, wordt beschimpt, in een hoek gezet of als fraudeur of profiteur afgeschilderd. Wanneer je heden ten dage, openlijk socialisme en samenhorigheid uitdraagt, wordt je verketterd, scheef bekeken en uitgejoeld! Terwijl gelijkheid, vrijheid, rechtvaardigheid en solidariteit nochtans steeds dezelfde universele waarden zijn die ons nog altijd onderscheiden van dierlijke instinctieve geldingsdrang. Wanneer de jeugd op straat komt voor plasticvrije oceanen, zuivere lucht en wat meer comfort en waardigheid voor de grijze generatie worden ze als verwaand en lui verguisd.

Mijn persoonlijk socialisme probeer ik dagelijks uit te dragen en zeker niet op één mei omdat dan socialisme, solidariteit en samenhorigheid te vaak misbruikt wordt, door verkeerde figuren die er de geschiedenis mee willen recupereren of om een verborgen agenda en een electorale combine verkocht te krijgen.

Dus stap ik vandaag maar mee in een andere kleurrijke stoet der verdrukten. Samen met een andere bond der rechtvaardigen zal ik getooid in geel rode kleuren hard roepen voor noodlijdende broeders in een andere ongelijke strijd.  Tot de overwinning binnen is.

“Wij blijven kakkers of da ge da na geire hebt of nie….! “

“Forza Malinwa…!”

Slechte tijden want ik ben gelukkig.

Wanneer ik niet nadenk leef ik mijn hoofd en dan gebeurt dit. ‘Zijt ge gelukkig?’ vraagt iemand er die ik in het dagelijkse leven het beste als ‘mezelf’ zou kunnen omschrijven. ‘Wat is dat nu voor een vraag?’, antwoord ik ontwijkend, in de hoop me met die doorzichtige repliek niet helemaal bloot te moeten geven. ‘Dat is toch dezelfde curieuze vraag waar gij altijd iedereen mee lastig valt, als de verveling toeslaat of als ge weer eens den interessante wilt uithangen. Kom op, antwoord nu maar, Zijt ge eigenlijk gelukkig of niet?’

De dag had zich al vroeg aangekondigd en ik was alleen, niet alleen in de betekenis van dat ik me eenzaam en depressief voelde of dat ik gebukt ging onder stress of futloosheid of zo. Neen, ik kreeg gewoon een onverwachte lange rustpauze omdat de andere huisgenoten erop uit trokken om de dingen te doen die zij wilden doen. De kleinste was zich met mama aan het uitsloven op de zestien mijlen van Antwerpen. Zoon twee was zich in Brussel gaan informeren over een toekomstige studiekeuze en zoon één betaalde nog de tol van een zwaar sociaal leven. Die omstandigheden maken en dat ik de stal voor mezelf heb, en ik eindelijk nog eens kan doen wat ik wil zonder dat iemand er zich aan hoeft te storen. Terwijl ik ongegeneerd aan mijn kruis krab, overloop ik de opties. Gaan vissen, lijkt me gezien die laatste aprilse gril niet de juiste keuze omdat ik geen zin heb in een natte vlaag. Ik zou kunnen wegdromen bij de vier episodes van Poldark die in de digibox nog op mij wachten om bekeken te worden. Ik zou de gedachtenkronkels van Milan Kundera kunnen doorgronden om zo geïnspireerd te raken door de persoonlijke ondraaglijke lichtheid van zijn bestaan om er nadien met filosofische beschouwingen een eigen wrong aan te geven, maar ik doe het niet. Voor één of andere niet verklaarbare reden doe ik dat allemaal niet. Is dat luiheid, gemakzucht en verveling of kan ik gewoon de juiste keuze niet maken om deze zondagnamiddag op een zinvolle manier door te brengen? Gemakshalve grijp ik naar mijn smartphone en zap onverschillig door newsfeed en posts waar ik niet vrolijker van word. Ik voel me een voyeur omdat ik aan de hand van foto’s en berichten, enigszins jaloers, probeer te achterhalen waar jij je tijd aan besteedt. Al schuivend over het scherm beland ik ongewild bij een bericht van een oude vriend die precies duizend dagen geleden, onverwacht zijn zoontje verloor. Ik word stil en beschaamd. Met dat verhaal vervagen al mijn wereldproblemen want dit is geen sprookje van duizend en één nacht.

‘Hoe zit dat daar? Zijt ge nu gelukkig of niet?’, bonst het in mijn hoofd. ‘Gelukkig zijt ge maar als ge niet ongelukkig bent en ge geen overschot van tijd hebt om U over die vraag het hoofd te breken’, antwoord ik en ik gooi mijn smartphone in de mand.

Het zijn slechte tijden want ik ben gelukkig!