Categorie: Vertelsel

Met Jan en alleman

Vandaag mag het met Jan en alleman. Het is namelijk internationale knuffeldag. Niets moet natuurlijk, want moeten… doen we dat niet al genoeg?  Maar toch, als ik mensen mag geloven die er meer van weten is het enige wat je vandaag het beste kan doen om je zweverige en gelukzalig te voelen … knuffelen en troetelen.

Dus, grabbel vandaag zo veel mogelijk mensen vast. Het maakt niet uit wie. Bekend of onbekend. Knijp ze fijn en stop er vooral niet mee. Doe het minstens eenentwintig dagen lang, gedurende tien minuten, liefst langer. Naar het schijnt word je dan pas oeverloos gelukkig. Dat wordt een uitdaging, zeker voor mezelf want ik word al ongemakkelijk wanneer vreemd volk mijn persoonlijk territorium betreedt. Maar alles voor de wetenschap. Knuffelen dus… met Jan en alleman. Dat wordt nog wat.

Knuffelen schijnt immers onmiskenbare voordelen te hebben.  Het lichaam zou in overvloed oxytocine aanmaken. In de volksmond beter gekend als het knuffelhormoon. Hoewel ik hormonen door de band genomen voor geen meter vertrouw, zou deze stof in tegenstelling tot hormonen die ik ken en die maandelijks onheil bij de vrouw veroorzaken, gevoelens van onzekerheid en angst verzachten. Het zou ook de cortisolspiegel in het bloed verlagen zodat stress en onrust verdwijnen als sneeuw voor de zon. Bovendien zou mijn bloeddruk na een paar dagen vel tegen vel gelegen te hebben al verlagen met een paar punten. Als ik de wetenschap mag geloven zal ik me ook minder eenzaam en gespannen voelen en word ik zelfs sociaal en zelfzeker.

Dus verschiet niet als ik je een van de komende dagen tegen mijn gilet trek en je in mijn persoonlijk grondgebied sleur. Het is voor de wetenschap en mijn gelukzaligheid. De toeken op mijn bakkes, de koorts- en keelpijn en de smaak- en geurverlies neem ik er graag bij …

Nieuwjaarsbrief

Omdat elke nieuwjaarsbrief moet geschreven worden, bevind ik me achter mijn computer, of wat had je gedacht. Door een paar keer op backspace te drukken wis ik ‘sfjlmie;kfoe’, letters die ik haastig maar foutief heb ingetikt omdat mijn handen zich bij het typen op de verkeerde rij van het klavier bevonden.  

Door de letterkeuze en de uitlijning te veranderen kan ik deze tekst zonder enige moeite een mooiere bladspiegel geven. Mocht het capslock ongewild vergrendeld zijn, waardoor dit tekstje onbedoeld in hoofdletters zou verschijnen, kan ik met één enkel commando datgene wat ik geschreven heb in kleine letters veranderen, zoals ik het bedoeld heb.

Met een spellingscontrole kan ik snel voor de hand liggende fouten verbeteren. Toegegeven, en tot ergernis van velen, een controle die ik dikwijls uit luiheid niet al te nauwgezet doe. Om maar te zeggen, blind typen is ongevaarlijk, tenzij deze tekst in handen zou vallen van taalpuriteinen. Zij vinden altijd wel een komma of een punt dat moet verplaatst worden, of een zin of een alinea die te lang of te kort is. Ze kunnen me wat.

Soms gebeurt het dat ik in een tekst woorden verplaats, dat ik synoniemen bedenk of dat ik zonder aanwijsbare reden tegenwoordige tijd verander in verleden tijd. Iedereen die ooit meer dan twee woorden na elkaar geschreven heeft, snapt wat ik bedoel. Wanneer je dan de zinnen herleest die net uit je pen gevloeid zijn kan het zijn dat al wat je geschreven hebt veranderd is in een onoplosbaar kruiswoordraadsel.

Op zulke momenten herinner ik me altijd die wonderbaarlijke knop die zich linksboven op de werkbalk van mijn computer bevindt. Door op die magische knop te klikken wordt alles weer normaal, zoals voorheen en precies zoals het was voor ik met mijn blunders begon. In mijn leven heb ik zulk een ongedaan-maak-functie heel dikwijls hard gemist.

“Undo” zou, wat dat betreft, een basiscommando in het leven moeten zijn. Dit jaar hadden we die ongedaan-maak-functie heel hard kunnen gebruiken.  Omdat ’21 zich als start van de ‘roaring twentie’s’ had aangekondigd, leek niets te vermoeden dat het afgelopen jaar evenveel of meer gelijkenissen zou vertonen met het voorgaande waardoor het leven opnieuw even chaotisch werd als dat aan wat eraan voorafging. Opnieuw gebeurde zoveel onbegrijpelijke of onvoorspelbare dingen die opnieuw zo hard tot reusachtige maatschappelijke ergernissen geleid hebben dat een undo-knop wel handig ware geweest. Ik ga de feiten, hoe ook jij ze aanvaardt, niet herhalen want ze komen me de strot uit. Voor sommige mensen heeft ongedaan maken van fouten nu al zijn limieten bereikt. Ze kunnen me wat.

Ik moet nu gaan want uit lompigheid stootte ik net mijn koffie om. Ik probeerde ‘undo’ maar die verwijderde alleen de laatste alinea die ik pas geschreven heb. Helaas, met de ongedaan-maak-knop van het leven kan ik dus ook niet helpen. Hij is namelijk nog niet uitgevonden en de vraag blijft of dat überhaupt ooit zal gebeuren. Zullen we de puinhoop van het leven dan niet gewoon zelf oplossen? Laat ons daar in ’22 mee beginnen. Met een klein beetje meer verdraagzaamheid, liefde en zorg voor elkaar zal het lukken. Denk je niet?

Geen scheet over de lippen gehad!

“Met de dag begin jij meer op je vader te lijken”: bitste ze me nogal kortaf toe nadat ze haastig de ontbijttafel verliet zonder dat daar in mijn ogen aanleiding voor was.  Mijn permanent aanwezige vrouwelijke huisgenoot die zichzelf voor onduidelijke redenen een hogere rang in de familiale hiërarchie heeft toegeëigend, was overduidelijk geërgerd. Ze blafte in een bitse uitval verder: “Hoe dikwijls nog? Niet met je mondvol!” Met die laatste snibbige schimp was, naast mijn allerlaatste broodkruimel ook mijn allerlaatste twijfel weggenomen. Het was glashelder dat het niet mijn vaders allerzachtaardige kant was die ze in gedachten had toen ik een paar tellen geleden de vergelijking met hem moest doorstaan. Geen idee welk beeld ze van mijn pa precies voor ogen had maar ik durf er gif op nemen dat het niet zijn voordeligste kant was.

Ik zou het licht van de zon ontkennen, mocht ik u proberen overtuigen dat ik met mijn vader geen enkele genetische overeenkomst heb.  Men zou terecht andere vragen kunnen stellen, moest dat niet het geval zijn. Die mens heeft me per slot van rekening verwekt. Neem nu bijvoorbeeld de omvang van onze hoofden. Dat is duidelijk een niet te verloochenen uiterlijk verschijnsel dat de Pultau-dynastie al eeuwenlang generatie op generatie doorgeeft. Mijn zonen zijn ook met datzelfde, in het oog springend genetisch kenmerk belast. En die last mag gezien de omvang ervan redelijk letterlijk genomen worden. Zou u ons niet kennen, geloof me dan maar op mijn woord dat wij, Pultau ’s dè “hoofdreden” zijn waarom het woord bol in Van Dale omschreven wordt als “rond lichaam dat begrensd wordt door een gebogen oppervlak waarvan alle uitstekende punten even ver verwijderd zijn van het middelpunt”. Zou u ons in levenden lijve zien, u zou vaststellen dat wij allemaal over datzelfde grote pompoenenhoofd beschikken als vader zaliger, in de veronderstelling dat u mijn vader zaliger in eigen persoon gekend heeft natuurlijk. Wat hij naast grote karakterkoppen nog ongewild aan ons heeft doorgegeven is zijn gulzige eetlust. Volgens hem was dat het gevolg van de oorlogsschaarste. “Als ge toen niet haastig waart en pakte wat ge kon krijgen, had ge niks!” Ik kan hem die zin met zijn tandeloze mondvol nog horen smakken. Ridderlijk toegegeven, kokette tafelmanieren, het zijn niet de sterkste punten van het geslacht Pultau. Niet dat wij als onbeschofte Neanderthalers werden opgevoed, zeker niet, want mijn ma, eveneens zaliger, kon een erwt nog in vieren snijden alvorens ze er zuinig en zonder gesmak een half uur op te kauwen.

Ik vertel u dit alles omdat de vrouw des huizes de kwaal waaraan zij leidt niet langer meer kan onderdrukken. De diagnose die ze nota bene zonder doktersbezoek bij zichzelf stelde, heet Misofonie. En dat beste mensen is een bijzondere aandoening. Terwijl ze eigenlijk gewoon onverdraagzaamheid bedoelen, is Misofonie de medische term die psychologen bezigen om overgevoeligheid voor specifieke geluiden te benoemen. Hoewel het een vrijwel onbekend verschijnsel is, zijn witjassen het er roerend over eens. Misofonie is een psychische afwijking die zich kenmerkt door een extreme afschuw van bepaalde geluiden.  Geluiden die Misofonie veroorzaken en zelfs tot woede-uitbarstingen of agressie kunnen leiden zijn bijvoorbeeld het voortdurend kuchen van iemand in de directe omgeving, het hoorbaar peuzelen aan een kippenbout of zelfs de ritmische ademhaling van een geliefde kan irriteren en stoppen doen doorslaan. Een te luide scheet of een verdwaalde boer kunnen voldoende aanleiding zijn voor een echtscheiding of voor intra-familiaal geweld.

Wanneer je me dus straks met een blauw oog of een gebroken arm ziet rondlopen, betekent dit waarschijnlijk dat ik te luid geslikt heb, dat ik te hoorbaar of te uitdrukkelijk ademde of dat ik een boer niet langer meer kon onderdrukken want geloof me wanneer ik u zeg dat ik een scheet in haar bijzijn, al maandenlang niet meer over de lippen heb gehad.

Het meisje met de parel

Ik wacht geduldig op de stilte van de nacht en observeer mezelf hoe ik naar de dingen kijk. Ik ben te beschaamd om op te schrijven wat ik zie. Niemand zou me geloven. Stapelzot zou men mij verklaren. Veel aandacht kan ik aan mijn nachtelijke beschouwingen niet besteden, want naast mij ligt iemand die op het punt staat om mijn gedachten met een stil gesproken betoog te onderbreken. Nu ja stil, het is maar wat je stil noemt. Ondersteund door ongeveer vijf kussens waarvan er zich minstens twee tussen haar benen bevinden, is de betere wederhelft van mezelf zonet luidop aan een onverstaanbaar gesprek begonnen. Op ongeveer dertig centimeter verwijderd van mijn rechteroor prevelt ze wartaal die alleen door uit haar mond kan uitgesproken worden. Ik versta er dan ook geen woord van.

Het zal vast wel een ontspannende gedachte zijn te dromen dat je altijd gelijk hebt.  Niet dat ze zich daarvoor per se in dromenland moet bevinden om dat te denken, maar dat terzijde. Ik geloof dat ze droomt over een reclamespot van vanillepudding waarin ze de hoofdrol heeft. In vanillepuddingreclamespots zijn vrouwen namelijk altijd goed gezind en geduldig. Neem bijvoorbeeld die reclame van La laitière. Kan je haar voor de geest halen?  Dat door Vermeer geschilderde melkmeisje wie in een middeleeuws tafereel, roerend in een kom van volle melk luchtige vanille feuilleté maakt. Volgens gaat haar droom daarover, en anders poseert voor Vanmeer als meisje met de parel, dat kan ook. Met die ongedwongen glimlach, lijkt ze vrolijker en praat ze minder dwingend dan wanneer ze zich ten volle bewust is van de woorden die ze spreekt. Niet dat wij ruzie maken hoor, ver van en misschien is dat feit op zich nog angstaanjagender. Waarom zou je ruzie maken met iemand die je even koud laat als stijf geworden vanillepudding als je in plaats daarvan voor onverschilligheid kan kiezen?

Ik laat mijn gedachten verdampen in de nacht en besluit ze uit te stellen naar later. Misschien verdwijnen ze vanzelf of worden ze alsnog overvleugeld door vrolijkere waanzin. Eenzaamheid in je hoofd is op zich best wel een fijne gewaarwording tenminste als je het niet te dikwijls moet voelen. Overdag versta ik als geen ander de kunst van ongebalanceerd nietsdoen maar eens het licht opgeslokt werd door het duister kwel ik mezelf met de gedachte dat ik liever uit een raam zou springen. Voor alle duidelijkheid, uit een raam dat zich op het gelijkvloers bevindt. Ik ben namelijk geen held, of wat dacht je? Ik verklaarde die laatste verzonnen intentie, niet omdat ik eraan twijfel dat de mensen mij niet begrijpen maar gewoon omdat ik niet met zekerheid kan zeggen dat ik dat zelf doe.

Toen ik vanmorgen wakker schoot en ik het slib uit mijn ogen gewreven had, bekeek ik haar met de ogen van een vreemde vis die ikzelf niet graag zou vangen. Heb ik gesnurkt vroeg ik? Neen antwoordde ze, je hebt gedroomd. Een nachtmerrie denk ik. Iets over Vermeer en vanillepudding?  

Brakke travestiet.

Ik ben een slechte travestiet.  Ik ben zonder twijfel de slechtste travestiet die ooit zal hebben bestaan. Niet dat ik dit feit als een grote ontgoocheling beschouw, neen maar eerlijkheid heeft zijn recht en die gebiedt te zeggen dat het me nog nooit gelukt is om travestiet te zijn, en als homo of transgender deug ik evenmin.  Bijgevolg behoor ik gewoon maar tot het voorspelbaar, duffe gedeelte van het mannelijke geslacht dat door hormonen gedreven, met vastberaden tred hunner piet achterna host.  Aan dit eerder toevallige levenslot heb ik geen enkele persoonlijke bijdrage noch enige verdienste. Men kan mij er dan ook niet van beschuldigen.

Toen God, in de tuin van Eden tot Adam (het tot dan toe enige wezen dat voorzien was van een piet) de gevleugelde, niet mis te verstane woorden sprak, “Gaat heen en vermenigvuldigt u”, kan men Adam bezwaarlijk van dovemansoren verdacht hebben. Nu zijn nageslacht stilaan een kleine acht miljard eenheden telt, blijkt het met dat verplicht gaan en vermenigvuldigen, van begin af aan wel snor zat. De mannelijke nazaten van Adam zijn door de eeuwen heen namelijk steevast hun beste been blijven voorzetten, en de meeste van Eva’s nakomelingen bleven, op één luttele uitzondering niet te na gesproken, allemaal gul en royaal bevlekt ontvangen, al heeft zij zonder dat daar twijfel mag over bestaan, meer verdienste aan dan Adam.  Zij had met die grijplustige handjes van haar maar van die jonagold moeten afblijven, een onbegrijpelijke dwaling waarvan de verstrekkende gevolgen ondertussen genoegzaam bekend zijn. We blijven vogelen om te bestaan en we blijven bestaan om te vogelen. Het leven zit wat dat betreft dus redelijk simpel in elkaar. Laten we het dan ook eenvoudig houden. Travestieten en homo’s hebben hun afspraak met Gods eenvoudige wiskunde dan wel gemist. Mogelijks opteerden zij door de jaren heen voor een iets modernere wiskunde, ik weet dat niet en mij niet gelaten. We zijn per slot van rekening stilaan toch al met genoeg.

In boeken staat dat het verleden haar ware gelaat pas toont als de geschiedenis helemaal geschreven is, wanneer de hoofdstukken genummerd zijn, wanneer alle voetnoten vermeld zijn en als het doek definitief gevallen is. Het enige voordeel van postuum beroemd worden, is dat je geen dikke nek meer kunt krijgen. Het grote nadeel ervan is wel dat je even dood als een pier moet zijn als Jezus Christus, zelfs al beschikte die over het eeuwige leven. Hoe ironisch toch. Het feit dat ik zelfs nog maar durf denken om even postuum beroemd te worden, maakt -buiten dat ik mezelf grenzeloos en schaamteloos overschat- dat ik me ook gewoon maar een ordinaire, respectloze dikke nek mag noemen. Een die zelf soms denkt dat hij God de vader is, terwijl ik gewoon al blij zou moeten zijn dat er zich af en toe nog eens iemand aandient die zich over mijn kruis wil ontfermen. Maar wat wil je? Ik ben dan ook maar een uiterst brakke travestiet en als homo of transgender deug ik ook al niet.

Jeugdige Onschuld.

Ik schrijf dit omdat ik niet vergeten wil worden. Wie dit zal lezen, weet ik niet, maar dat is niet belangrijk. Misschien wordt het dat maar pas wanneer dit manuscript ooit opgevist wordt uit een gammele kist op zolder, of uit een oude kast van een muffe kelder. Misschien krijgt, dat wat hier geschreven staat, dan pas de betekenis die ik eraan heb willen geven. Misschien krijgt het dan pas enige waarde, wanneer jij met je ogen door mijn gedachten bladert, en er dezelfde ondefinieerbare twijfel in voelt die nog alle dagen door mijn ziel woedt. Ik ben Jan, zoon van Jef de gereedschapsdraaier en van Carola de ruziemaker. Dit is de ingekookte versie van het verhaal van een praatjesmaker van tweeënvijftig die door het leven bedeeld werd met een onverwoestbaar ego, een vuil blad en met een uiterst breekbaar hart. Het gaat over het vergeten verleden van duizenden figuranten die erin passeerden en die net zoals ik slachtoffer werden van domme onwetendheid of van nog dommere hoogmoed en misschien net daardoor goed terecht kwamen. Toch raken ze net zoals ikzelf stilaan op de achtergrond en door de tijd vergeten. Ik ben Jan en koos mezelf als hoofdpersonage, omdat hij de enige is die overblijft wiens gedachten en emoties ik nog een beetje vertrouw. Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een argeloos verleden, dat met elke dag die voorbijgaat terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst. Wat hier neergeschreven is, is een levende getuigenis van een half leven dat even zinvol als zinloos voorbijvloog en waar niet veel meer van overblijft dan de tijd die verdwenen is.

…”Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een argeloos verleden, dat met elke dag die voorbijgaat terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst.”…

In de zomer van negentienzesentachtig baadde dit vlakke land zoals elke zomer van de jaren tachtig in een koel waterzonnetje. Het grootste gedeelte van dat jaar heb ik me beziggehouden met zeventien te zijn, een activiteit die niet veel meer om het lijf had, dan puisten uitknijpen en stumperige pogingen ondernemen om me interessanter voor te doen dan ik was. Met de overschot van de dag deed ik vruchteloos pogingen om mijn veel te slungelige lijf op te vullen met een ego dat ik nog niet bezat, om het dan wat later op mijn kamer opnieuw leeg te snokken bij een poster van Samantha Fox. Omdat de zomer van zesentachtig typisch Belgisch was, had ik mezelf de vrijheid toegeëigend om de zuiderse zon op te zoeken, al laat ik die beslissing rebelser klinken dan dat de realiteit verbergt, temeer omdat Jef Carola dagenlang heeft moeten overtuigen om mij überhaupt mee op kamp te laten gaan. Voor mij voelde dat zomerkamp aan als de annexatie van pas ontdekte vrijheid aan mijn zinloze bestaan, al wist ik helemaal niet wat ik ermee aan te vangen, met dat stukje veroverde soevereiniteit. Het grootste gedeelte van dat jaar was ik immers maar een puberende bakvis geweest wiens wereld bestond uit mensen van wie ik me de namen vandaag niet precies meer kan herinneren. Hoewel ik nog drie jaar geduld moest oefenen om officieel volwassen genoemd te mogen worden, heb ik, met de dag van vandaag meegerekend, nog steeds niet het gevoel dat ik dat ereteken al verdiend heb. Achttien worden in de jaren tachtig was voor mij persoonlijk een grotere mijlpaal dan eenentwintig worden, omdat ik vanaf die leeftijd met een auto mocht rijden, ik formeel geslachtsrijp was en omdat mijn hart voor de eerste keer helemaal aan diggelen lag. Hoewel ze het er destijds in België politiek gezien niet eens over konden worden, of ik op achttien, wettelijk meerder- dan wel minderjarig genoemd mocht worden, veranderde er niets. Met mijn meerjaren ving ik nog minder aan dan toen ik als minderjarige in het leven stond en ik nog over een beetje ambitie beschikte om mijn actieradius te vergroten. Ik heb minderjarig en meerderjarig trouwens altijd vreselijke woorden gevonden. Enerzijds omdat ik me altijd meerderjarig gevoeld heb ten opzichte van gasten die een jaar jonger waren dan ikzelf maar anderzijds omdat ik me ongelooflijk onhandig-minderjarig kon voelen wanneer een vrouw me aansprak die maar een paar maanden ouder was dan ikzelf en ik elke keer tot achter mijn oren rood aanliep. Mijn ruziemakende moeder buiten beschouwing gelaten, waren vrouwen destijds trouwens gewoon rare mensen met staartjes. Ik vond het maar mysterieuze wezens die gekleed waren in grijze plooirokjes, donkerblauwe truien en witte sokken en die in meisjesscholen geleerd werd om voor het andere geslacht onbereikbaar te blijven. Wat ik toen niet wist is dat de vrouwen die ik hierboven beschrijf op dezelfde manier over jongens dachten, al hoefden die er toen al lang niet meer uit te zien als seksloze nonnen of als vrome, seksueel gefrustreerde pastoors. Al bij al was negentienzesentachtig een goed jaar maar dat wist ik op dat moment niet. Nu de herfst mijn persoonlijke zomer snel wegblaast, kan ik alleen maar vaststellen dat levenservaring maar een kam is, die je van het leven cadeau krijgt op het moment dat je kaal begint te worden. Of tweeënvijftig de juiste leeftijd is om tot die vaststelling te komen, weet ik niet zeker. Mijn haargrens bevindt zich namelijk nog precies op dezelfde plaats waar die zich dertig jaar geleden bevond, al wijt ik dat eerder aan de rimpels op mijn voorhoofd die mijn vel zwaarder doet wegen waardoor mijn haarlijn naar onderen getrokken wordt. Ik zeg maar wat, maar kaal, dat ben ik nog niet. Toch ben ik het vandaag aan mijn leeftijd verschuldigd om me tot de leeftijdsgroep van de ‘puberende vijftigers’ te rekenen. Gewoon maar vijftig worden is voor groentjes. Het is maar vanaf tweeënvijftig dat ik opnieuw een beetje recht van spreken krijg in deze grijzer wordende leeftijdscategorie, al doe ik misschien dat best iets luider omdat het risico niet onbestaande is dat ze me anders niet meer horen of verstaan. Officieel zal de stempel ‘vijftig+’ dus vanaf vandaag meer inkt achterlaten wanneer ik mijn voorrangskaart voor een zitplaats in de trein laat afstempelen. Tweeënvijftig dus, en officieel oud. Vanaf vandaag voel ik me echt ten volle vijftiger omdat mijn gammele lijf plots meer plaats inneemt dan toen ik nog over een 40+ karkas beschikte. Ik ben me ook meer bewust van alle lichamelijke kwaaltjes en van alle andere ellende die met dit cijfer gepaard gaat. Maar alles is niet even kut dan ik het hier laat uitschijnen. Ik begin namelijk de kunst te verstaan om mijn lichamelijke beperkingen en mijn mentale obstakels te kennen en te aanvaarden. Dat mijn libido al eens vaker foert zegt hoeft geen probleem meer te zijn want dat lijfelijk ongemak raakt met een pilletje in een wip opgelost. Ik los dat wel even op. En nu ik die woorden neerschrijf bedenk ik me dat dit zomaar een uitspraak had kunnen zijn van een huurmoordenaar of van een loodgieter die me sust met de gedachte dat zolang de dichting van mijn kraantje het houdt en niet gaat lekken ik nog niet moet klagen. Waar ik echter niet aan gewend raak, is dat ik irritant saai begin te worden en dat ik die irritante saaiheid nog als een cadeau begin te aanvaarden ook. Wie had dat gedacht.

Misschien word ik dan met deze levenswijsheid van de dag vandaag echt niet vergeten. Het heeft er alleszins alle schijn van.

Het eindigt nooit

Vermits ik door dat coronagedoe al een tijdje tot obligaat huisarrest verordeeld ben, en daardoor mezelf de inspiratie van toevallige ontmoetingen ontzegd heb, moet ik om te schrijven genoegen nemen met herinneringen aan kleurrijke figuren die ooit, al dan niet per abuis, levensecht of fictief mijn pad kruisten. Dat denkwerk valt me enigszins zwaar omdat ik naar mate ik ouder geworden ben zoveel herinneringen verzameld heb dat ze net zoals overvloedige economische of fysische wetmatigheden aan belang ingeboet hebben.

‘Waarover schrijf je, over wie gaat het’, vraagt ze achteloos terwijl ze zo een dunne zelfgerolde sigaret opsteekt dat ik me afvraag waarom ze überhaupt moeite heeft gedaan om er twee draadjes tabak tussen te draaien. Ze had evengoed gewoon papier kunnen paffen, maar die bedenking houd ik voor mezelf omdat ik geen zin heb in een discussie die nergens over gaat. ‘Het zijn maar wat nietszeggende zinnen’, lieg ik. ‘Ik probeer maar wat, in de hoop dat er iets komt.’

Normaal gezien interesseren mijn spinsels haar zoveel als voetbal maar nu leest ze over mijn schouder hardop mijn gedachten die ik zonet uit mijn pen heb gewrongen.’

… ‘Een hart gaat soms op slot, dat weet ik goed’, zei hij met een nauwelijk merkbare trilling in zijn stem. ‘Soms zelfs, om nooit nog voor iemand open te gaan.’ ‘Maar een hart heeft toch geen slot’, vroeg ze eerder droevig dan ontkennend, in de hoop dat hij haar van het tegendeel zou kunnen overtuigen. ‘Sommige wel’, antwoordde hij. ‘Er zijn mensen die de sleutel van hun hart voor een tijdje weggeven, in bruikleen voor later, in de hoop dat. Anderen dan weer zijn wantrouwig of achterdochtig en geven verschillende sleutels weg, aan verschillende personen, voor het geval dat, of voor de zekerheid. En dan restten nog diegenen die hun enige sleutel aan de verkeerde persoon gaven, om er dan verder nooit nog naar te kijken.’ ‘En hoe zit het dan met dat hart van jouw’, vroeg ze. ‘Heb jij je sleutel nog?’ Hij glimlachte verlegen en antwoorde haast onhoorbaar, ‘ de woorden die jij fluistert, zijn de sleutel van het mijne.’ In plaats van haar te kussen zei hij plotseling onverwacht mysterieus, ‘het is maar een spelletje’, alsof hij het gesprek een hele andere wending wilde geven. ‘Het leven is een spel, een geintje. Je kan alleen winnen als je deelneemt en de spelregels volgt die in het reglement staan of soms een klein beetje valsspeelt, net als in de liefde’. Ze protesteerde eerst hevig op die laatste ogenschijnlijk gevoelloze uitspraak van haar muze, ‘Nee’, sprak ze nadien stil maar gedecideerd terwijl ze haar mond in een fijne streep trok, ‘De liefde draait niet om geluk. Liefde is niet zomaar een gezelschapsspel. Wie graag ziet om te winnen, om de andere te domineren of om iets terug te vinden dat hij onderweg is kwijtgeraakt, is helemaal niet in staat om graag te zien. In het spelletje dat jij cynisch als liefde omschrijft, moet je verdorie elke dag keihard je best doen om niet te verliezen, al doe je dat helemaal op het einde toch altijd. Hoe hard je ook je best doet, hoe hard je ook valsspeelt. Op het einde blijf je altijd alleen achter of anders ben je dood. Voor die reden alleen al is de liefde helemaal geen leuk spel. De enige reden waarom je er aan meedoet is omdat je al kaarten al gekregen hebt en je niet meer kan beslissen of je meespeelt of niet. Je hebt de sleutel van je hart gekregen en het is aan jou om te beslissen wat je ermee doet en aan wie je hem geeft.’ Toen ze uitgesproken was en het lang heel stil bleef, keek ze hem aan met een droefnis alsof haar hart zonet in duizend stukken was gespat…

‘Schoon, ‘al maak je soms je zinnen niet helemaal af’, zegt ze terwijl ze de rook van dat opgestookt sigarettenblaadje in een rond wolkje blaast. ‘Hoe eindigt het?’ ‘Nooit, het eindigt niet’, antwoord ik, niet zeker wetend of ik daarmee het schrijven bedoel dan wel het spelletje waarover ik mijn gedachten liet ontsporen.

Ramen, ruiten en vensters!

Haar ranke silhouet weerspiegelt op de natte straatstenen van een steeg waarin zij al minstens honderdduizend stappen heeft gezet. Ze kent de straat als haar broekzak, toch lijkt ze helemaal verloren te lopen in haar gedachten. Ze heeft geen enkele aandacht voor de scenario’s die zich in de steeg, op dit late uur afspelen, want ze voert hevig strijd met haar eigen demonen. Het miezert hele fijne motregen die het asfalt doet blinken en waarvan je in een mum van tijd doorweekt raakt, als een dweil die niet uitgewrongen is. De vrouw die door de avond dwaalt is vooraan in de veertig of achteraan in de dertig. Ze slentert langzaam voorbij een raam van een rijhuis waarachter zich huiselijke taferelen afspelen. Onopvallend en niet met de bedoeling te gluren, kijkt zij binnen en de weerglans in de ruit verraadt de spiegel van haar gezicht. Ze is vermagerd, ‘zeker tien kilogram’, weet ze. Hoewel ze vroeger de vrolijkheid zelf was, valt het haar nu op dat haar mondhoeken helemaal naar beneden hangen en dat de rimpels op haar voorhoofd en de wallen onder haar ogen diep en donker lijken, zoals loopgraven en slijksporen van een verlaten slagveld. De rode lippen en de overdadige mascara kunnen de sporen van ingehouden verdriet amper verdoezelen. Ingebeeld ballast, maar ook echte zorgen doen haar schouders diep afhangen waardoor ze me doet denken aan Atlas die de wereld op zijn schouders torst, een beetje zoals hij geportretteerd werd op dat oud briefje van duizend frank. Gedachten, hypothesen, hersenspinsels, waardeloze theorieën en onbeantwoorde levensvragen op wie geen sterveling ooit een antwoord vond, houden haar bezig. Ze lijken zwaarder te wegen dan die wereldbol die zij ook op haar bult lijkt mee te zeulen. Het avondtafereel en de troosteloze aanblik zou Van Gogh ongetwijfeld geïnspireerd hebben tot een meesterwerk mocht hij er deelgenoot van zijn geweest. De gevolgen van het oppervlakkig leven dat zij leeft, dat helemaal ten dienste van de anderen staat en waarvoor ze altijd op de vlucht slaagt, hebben haar helemaal gesloopt, waardoor zij zelf langzaam in kleine stukjes uit elkaar is gevallen. Onwetendheid fluisteren haar angst en onzekerheid in waardoor ze er niet in slaagt haar eigen levenspuzzel te leggen. Er ontbreken veel te veel stukjes of ze heeft ze ergens in een doosje weggelegd om ze in mekaar te passen, wanneer het haar beter uitkomt, later. Het karakter van haar moeder was rechtlijnig en autoritair, zodanig dat haar eigen gedachten en emoties erdoor bepaald werden en er gekwetst en misvormd door raakten. Ze overschaduwden haar jeugd en spoken nog steeds rond bij elke keuze die ze moet maken, alsof ze nog steeds bevestiging zoekt en goedkeuring wil voor de wegen die ze inslaat. In boekjes en in romantische verhalen speurt ze naar kwetsbare personages met eenzelfde dramatische levenswandel, om die van haar er minder rampzalig te laten uitzien. In de miezerige stilte schreeuwt ze om gezien en gehoord te worden door iemand die haar struggle begrijpt maar niemand ziet of hoort haar. Plots krijg ik zin om haar mijn paraplu te geven en haar te zeggen ‘He daar, kijk eens vooruit! Kijk eens naar de horizon voor je in plaats naar de afgrond achter je. Loop eens fier en met een rechte rug. Kom eens los van die dwingende gedachten en trek je eens los uit je verleden. Steek desnoods een sigaret op, straks onder je dampkap want je moeder is er niet meer.’ Maar ik doe het niet. Langzaam slentert ze verder naar een volgende gevel en naar een volgende raam, in de hoop om daar een beeld te vinden waar ze een beetje vrolijker van wordt en waar ze hoop van krijgt.

Haal eruit wat erin zit

Een monotone vrouwenstem zonder gezicht, ogenschijnlijk niet erg geïnteresseerd, vraagt of iedereen op de vergadering aanwezig is. Hoewel het technisch perfect mogelijk is om video te delen opteert zij ervoor om anoniem verstopt te blijven achter het zwarte Skypescherm. Misschien doet ze dat omdat ze zich niet helemaal bloot wil geven, omdat ze op dit uur nog in haar négligé zit of omdat ze vreest dat iedereen de grijze haren van haar uitgroeiend kapsel zal tellen. Mijn vermoeden van haar onverschilligheid of schroom is louter gebaseerd op de toon van haar stem. Vroeger in het pré-video-vergaderen had ik mijn hypothese kunnen af toetsen aan haar mimiek, aan haar lichaamshouding of aan andere kleine details die me haar gemoedstoestand zouden verraden. Nu hoor ik enkel haar zakelijke stem die niet bijster enthousiast klinkt. Op de vraag of iedereen aanwezig is komt uiteraard geen antwoord omdat diegenen die niet in deze sessie zijn ingelogd geen antwoord kunnen geven. Ik ga even uit beeld, rol uitgebreid met mijn ogen en erger me voor de eerste keer.

“Ik ben er”, kreunt een collega op de achtergrond waarop een resem andere collega’s, “ik ben er ook”, knorren. Omdat hij als laatste het woord had, verschijnt op mijn scherm een onscherp beeld van een mannelijk silhouet die met zijn rug naar het raam zit. De zonnestralen die over zijn schouder meekijken, schijnen recht in de camera van zijn laptop waardoor ik niet met zekerheid uitmaken wie het is. Ik twijfel even om mijn zonnebril op te zetten maar zie daar om voor de hand liggende redenen vanaf. Ik wil namelijk mijn collega’s niet opzadelen met het vermoeden dat ik door huiselijk geweld van mijn partner slachtoffer ben geworden van een blauw oog. Door de felle lichtinval op het scherm kan ik niet uitsluiten of het donkere silhouet praat, wakker is of gewoon een vroeg middagdutje doet. Enkel door de zware adem waarmee hij in mijn oren hijgt, krijg ik zekerheid dat hij nog ademt. Een laatkomer floept binnen en zegt “goedemorgen” waardoor iedereen in een kakafonie, elkaar voor de vijftiende keer met dezelfde “goedemorgen” begroet. Mijn tenen beginnen te krullen.

Collega x (haar naam doet er niet toe) neemt het woord. De vrouw in kwestie zit zo dicht aan het scherm gekluisterd dat ik oog in oog kom te staan met twee reusachtige neusgaten. De neusvleugels staan zo ver af van het neustussenschot waardoor haar neusgaten zo groot worden dat het lijkt alsof ik in een spelletje online minigolf beland ben.  Met open mond staar ik gebiologeerd naar de twee kraters die me aangapen waardoor ik me nauwelijks kan concentreren op de inhoud van haar betoog. In het linkse neusgat tel ik vier zwarte neusharen en in het rechtse zit nog een harde keutel die in de laatste niesbui niet is weg geproest. Een andere collega die haar beleefd maar veel te enthousiast onderbreekt, praat zoals we dat van haar gewend zijn, namelijk met heel het lichaam. Met veel te veel gebaren maar vooral met een veel te diepe verticale glimlach staat ze, gehuld in een topje dat geen ruimte voor verbeelding laat, zo hard te permitteren dat haar twee dikke vrienden scherm breed meedeinen op hetzelfde ritme van haar getetter.

Mijn mannelijke collega die haar heel even onderbrak, is overtuigd dat onverzorgd hetzelfde betekent als naturel en kan nu helemaal niet meer verbergen dat hij er met zijn zeemansstoppels en zijn just-out-of-bedlook nog onuitgeslapener bijloopt dan wanneer hij zich normaal op het werk in zijn babybillengezicht vertoont.  De vergadering kabbelt rustig verder.  In afwachting van skypegedragsregels heb ik wijselijk mijn camera afgezet en ben ik geswitched naar mute zodat ik zonder schroom en ongestoord verder aan mijn ballen kan krabben en in mijn neus kan koteren, zonder dat ik daar mijn lieftallige collega’s deelgenoot van hoef te maken. Online vergaderen, haal er uit wat erin zit!

Schaamrood

De ingebeelde schijngevechten tegen schaamte die ik al mijn hele leven voer, kennen duizend gezichten. Ze ontwrichten al zo lang ik het me kan herinneren mijn innerlijke zijn, ziel en … Lees verder Schaamrood

Kamer 4.

Er is een nijpend tekort aan donoren, aan bloeddonoren, aan orgaandonoren maar ook aan spermadonoren. In het steriele ziekenhuis flikkeren neonlampen zo snel dat niemand het nog opmerkt omdat die ondingen voor de meeste mensen gewoon maar ongezellig licht geven. Voor een kleine minderheid echter zijn het marteltuigen, vermoeiende energiezuigers door het snelle flitsende bliksemlicht. Mensen lopen af en aan, om andere mensen te bezoeken of om duidelijkheid te krijgen over de kwaal waarmee ze zijn opgezadeld. De vrouw achter de balie aan de ingang heeft een grote bruine moedervlek aan de linkerkant van haar mondhoek. Daar woekert een dik zwart haar dat met de minuut langer wordt net zolang tot het zo hard stoort dat ze het met een pincet in een ruk uittrekt. ‘Hebbes’, zegt ze met zoveel triomfantelijkheid alsof ze een belangrijke overwinning geboekt heeft. Zonder dat hij de kans kreeg zich voor te stellen en waarom hij er was, vroeg ze kordaat zijn naam, voornaam en geboortedatum, precies in die volgorde en drukt hem, vriendelijker dan verwacht op het hart dat het zou even kunnen duren. Alsof ze zijn gedachten kon lezen, waarschuwt ze hem dat het drankautomaat naast de balie kapot is maar als hij achter de hoek kijkt, zich er daar nog een bevindt, of op de tweede verdieping dat kon ook. ‘Wachtzaal twee’, zegt ze terwijl ze hem een uitdraai stickers overhandigt die de reden van zijn bezoek aan zijn identiteit koppelen. ‘Het wachtnummer verschijnt op het scherm, alsook de kamer waar je mag binnengaan, maar ik zeg het je, je zal even geduld moeten hebben.” Omdat alle stoelen in de wachtzaal benomen zijn leunt hij nonchalant tegen de muur naast het kapotte drankautomaat. Op een tafel liggen allerlei tijdschriften rommelig door elkaar. Hij leest de kop van het beste roddelblad dat bovenaan de stapel ligt, ‘Paola, de vrouw die geen bastaardkind wil’, en glimlacht met de gedachte aan Albert als vlijtige spermadonor. Exact tegenover hem aan de andere kant van de wachtzaal zit een koppel. Hij een gezapige vijftiger met grijzig wordende haren, zij een energieke veertiger met rode schoenen. Zij maakt zich niet drukt dat iedereen hun bekvechten kan horen.

‘…En jij bent een saaie kloot geworden, bijt ze hem zonder enige gêne, verwijtend toe, zonder zich er in minste over te bekommeren dat de hele wachtzaal getuige is van haar verbale doodsteek.

De man, die aan de overkant nog steeds tegen de muur leunt en de verwijtende tirade gehoord had, voelt geen leedvermaak omdat hij opmerkte dat de arme man merkbaar aangeslagen is. Hij was geen saaie piet maar hij leeft gewoon een ander ritme dan zijn jongere partner, misschien uit noodzaak of zelfbehoud of zo.  Dat maakt hij op aan haar rode schoenen en aan zijn grijze haren en aan de manier hoe zij raast en hij incasseert. …Saaie kloot, twee woorden waar achter een wereld van frustraties en onuitgesproken emoties schuilgaan, verbeten en verzwegen onthoudingen die zich lange tijd onder de oppervlakte verborgen hadden gehouden maar nu als lava door een alles verwoestende vulkaan uitgebraakt werden. De leunende man hoopt dat het koppel op bezoek is voor een donorhart dat haar iets minder hard zou maken zodat ze elkaar opnieuw kunnen verdragen of terugvinden. In het andere geval moeten ze langs de fietswinkel, zij voor een gewone fiets en hij voor een elektrische zodat ze beiden op hun eigen tempo op de bestemming kunnen raken.

Nummer 23 kamer 4 verschijnt op een scherm. ‘Wenst u onbekend te blijven voor uw donatie’, vraagt een jonge verpleegster die hem een stapel pornoboekjes overhandigt waarvan de bladzijden aan elkaar kleven.

Gelukzalige baby.

Vroeger toen ik nog zoop, een activiteit die veel tijd in beslag nam, was dat zwelgen noodzakelijk om een minder dramatisch zicht te krijgen op mezelf, ongeacht wat de feiten waren, ofwel heel erg onderschat ofwel fel overdreven afhankelijk hoe ik er het beste uitkwam. Ik dreef aan de oppervlakte van begrijpelijke leugens met daaronder onbegrijpelijke verborgen waarheden. Ik voelde me dan geen hypocriet of veinzer met één gezicht en vele maskers, neen ik had gewoon zoveel gezichten afhankelijk van de situatie, omdat ik niet wist wie ik was of wilde zijn. Stoppen met drinken of ouder worden heeft daar niet veel aan veranderd. Ik denk dat ik wat dat betreft leeftijdsloos en hardleers ben. Of wat had je verwacht van mijn leermeesters die koppigheid en minachting heetten. Voor mijn drooglegging vulde ik jullie oren en monden met waarheidsgetrouwe leugens en veel betekende beloften om ze wat later in jullie gezicht weer uit te kotsten. Dat kotsen is gestopt maar tegen beter weten in blijf ik streven naar het onbereikbare. Ik blijf er dan zolang langs alle kanten met open mond naar gapen, tot ik helemaal ondersteboven hang zodat mijn hart uit mijn mond valt. In mijn hoofd blijf ik maar foto’s maken van dingen die ik nooit zal zien en als ik dan al eens een wijs inzicht heb, wat doorgaans niet heel dikwijls voorvalt, leef ik niet naar de principes die ik verkondig als een overtuigde boeddhist. Dat doe ik als ik het weer eens denk het allemaal te weten.  Voor de rest van de tijd blijf ik mijn hoofd rondjes te draaien, zit ik op mijn gat of probeer ik een puinhoop te imiteren, wat dan meestal wel van de eerste keer lukt. Van al dat gepieker ben ik zeker al een paar keer gestorven, gisteren nog denk ik. En zo lig ik in polepositie om een oude bejaarde knor te worden, vol van mezelf zonder ooit echt geleefd te hebben maar nog steeds met de overtuigde illusie dat ik daarvoor nog genoeg tijd heb terwijl ik die aan het verschijten ben met me druk te maken in vrouwen, in mannen, in exen, in anderen, in politiek, in de kleur van het behang en in het geslacht van de engelen.

Naast koffie maken is bezwijken aan suïcidaal nihilisme dus het enige wat ik tegenwoordig doe. Maar jullie hoeven zich geen zorgen te maken want ik moet eerst nog veel schrijven, koffiedrinken en peuken paffen, dan volgt de rest vanzelf wel. Zo ben ik vastberaden om weg te rotten in boeken die volgeschreven zijn met nietszeggende zinnen en nutteloze wijsheid, maar daarin zal ik herboren worden, ooit, als een gelukzalige baby die al de bagger in zijn volgescheten pamper heeft achtergelaten.

Een kreeft die niet kan vliegen.

Als verveling me verdooft, droom en fantaseer ik, dat is dan wat ik doe. Dan ijl ik, over alles en over niets. Contemplatie en meditatie mogen dan voor onbekende filosofen en voor koeien die naar een trein kijken een geschenk uit de hemel zijn, ik slaag er niet in om mijn hersenfabriek volledig lam te leggen en zo rust te vinden in het niets of iets wat daar heeft naast gelegen. Mijn radarwerk blijft als maar doordraaien, klokvast, als dat van een Zwitsers horloge en dat doet het net zolang tot de slingers ervan stilvallen om haar te bevrijden van het storende ritmische getik.  Stupide gedachten kunnen me zolang gijzelen tot ik er in uitgesponnen zinnen kan over beginnen filibusteren. Dan pas vluchten ze weg, die gedachtenschimmen, als ze me ingefluisterd hebben dat schrijven voor mij de meest efficiënte manier is om het leven dat me aan het kapot maken is, een beetje te begrijpen of om het te negeren, al draag ik daardoor wel de storende littekens mee van al die heldhaftige gevechten die ik daarmee uit de weg ging.  Toen ik vannacht knobbelde in een van die absurde ingebeelde fantasieën, realiseerde ik me plotseling, als in een intieme lichtflits, dat ik eigenlijk een niemendal ben, dat ik dat altijd al geweest ben en dat ik dat altijd zal blijven, dat ik daardoor niet veel meer voorstel dan een kreeft die niet kan vliegen. Ik realiseerde me ook dat ik nooit veel meer zal voorstellen dan een niet-vliegende kreeft omdat elk soort van ambitie me vreemd is. Vanmorgen nam opstaan, net zoals elke ochtend van elke andere dag van de week tijd in beslag omdat ik nooit echt helemaal klaar lijk te zijn voor de realiteit van het leven, ook al heeft die me daarstraks wel gevonden toen ze me duidelijk maakte dat kreeften niet kunnen vliegen en dat wellicht nooit zullen kunnen omdat hun pantser daarvoor te zwaar is. Zoals zo vaak kom ik er met koffie en een peuk achter dat ik eigenlijk van niets weet en dat ik van niets zeker kan zijn. Als de cafeïne en de nicotine dan eindelijk in mijn bloedbaan geraakt zijn en daar een paar zenuwen een trap onder hun kont gegeven hebben, vraag ik me af of ik datgene wat ik nu voel wel moet voelen en of hetgeen ik nu denk wel moet denken. En dan lijkt het telkens opnieuw dat ik in die onwetendheid plezier lijk te scheppen terwijl ik veel liever iets anders zou willen doen. Kreeften laten vliegen bijvoorbeeld maar dat zal me wellicht nooit lukken en die nederlaag vier ik met de vlag van de overwinning en met een boterham met krab sla.

Cynisch toneelstuk.

… Hun eens zo diepgaande gedachtenwissels die ze vanouds met elkaar deelden waren monotone babbels geworden, zo vlak en grijs als het trottoir in de straat waarover de gedachten van doorsnee mensen kuieren, getooid in alledaagse kleren, helemaal niet meer in staat om enige emotie op te wekken, geen lach, geen traan, geen verwachting of geen illusie. Hun harten verzonken in een leegheid waardoor de dagen aanvoelden als een langgerekte grauwe reeks frustraties en onuitgesproken aspiraties die telkens opnieuw uiteenspatten als zeepbellen in de zon. Na de vele vruchteloze pogingen om opnieuw vuur in elkaars harten te blazen zonder dat er ook maar één vonk oversprong moesten ze droevig toezien dat van hun hartstocht die hen lang aan elkaar had doen plakken, niet veel bijzonders meer was overgebleven. Au tour de parcours, in de drukte van bezigheden en in de drukke dagelijkse beslommeringen waren ze elkaar kwijtgeraakt en waren tederheden een kleurloze regelmaat gaan vertonen waarin omhelzingen en aanrakingen dezelfde gewoonten waren geworden als het dessertje dat van tevoren vastligt ter afsluiting van een ééntonige maaltijd. Het zicht op een uitweg werd belemmerd door doemscenario’s die ze zelf schreven, waarin ze verstrikt raakten en waardoor de toekomst aanvoelde als een lange pikdonkere weg die uitgeeft op een hermetisch afgesloten deur waarop geen slot te bespeuren was. Wanneer liefde cynisch of vanzelfsprekend wordt is er iets vreselijks mis mee en met die gedachte vroegen ze zich af of de liefde die zij kennen en waartegen ze telkens opnieuw aanbotsen geen cynisch toneelspel was geworden waarin in een vicieuze cirkel van begeren, beminnen, kwijtraken, en missen, geen toertjes gedraaid werden waardoor zij vol weemoed en nostalgie steeds opnieuw wilden terugkeren naar wat zij onderweg ergens waren kwijtgeraakt en niet meer terugvonden. Wanneer halfvolle glazen niet meer bijgevuld geraken, valt het gordijn als een sluier voor hun blikken en wordt de aftiteling van de film, met rondvliegend stof in een witte lichtbundel op het grote canvas afgerold. The end…

Theoretisch rijexamen.

Een knaap die er ouder wou uitzien dan de jaren die hij maar had, ging op een lege kruk zitten, vlak voor de bar waar een blonde dame van jaar of twintig met minutieuze nauwkeurigheid een Duvel uitschonk voor een habitué die er dagelijks zijn krant kwam lezen. De vranke jonge ondeugd zei uitdagende dingen die bleven hangen, zoals een streep dat doet dat als ze met een verkeerd potlood op een schets getekend werd zodat ze niet meer kan uitgegomd worden.

‘U hebt een mooi stel benen, juffrouw’, zei hij vrijpostig.

Ze bitste terug, ‘hoe kunt U dat nu weten, kunt U misschien door de toog kijken?’ En ze liet die U met opzet te luid en te beleefd klinken zodat de versierpoging die op zich al hopeloos was, helemaal een wanhoopsdaad leek.

‘Toen ik U de eerste keer zag, toen U hier door de straat laveerde, waren die me al onmiddellijk opgevallen, ik heb namelijk nog maar zelden zulke mooie benen gezien’, ging de snaak door en hij probeerde goed te maken wat hij vier seconden eerder verkeerd had aangepakt. Op dat ogenblik had de jonge dame zich echter al van hem afgeweerd om de Duvel te brengen naar de man die verderop zijn te rode hoofd al in zijn dagelijkse krant had verstopt. De jonge toogdebutant vroeg ook een Duvel. Zij weigerde hem die prompt, omdat ze vermoedde dat ze daardoor de wet zou overtreden.

‘Ik ben al twee jaar achttien hoor’, sputterde hij tegen.

‘Laat dan je pas zien, he’, antwoordde ze hem terwijl ze er in gedachten ‘wijsneus’ bij zei maar dat niet deed omdat ze niet al te veel verkeerde aandacht wou schenken aan een opgehitste puber. Ze wou al evenmin indruk wekken dat ze met zijn geflirt gediend was.

‘Ik heb hem niet bij me, hij ligt nog in mijn auto’, zei de jongeman met zoveel overdreven gelogen zelfverzekerdheid, dat het lachwekkend was, al leek hij zich door zijn overmoed daar niet bewust van.

‘Drink dan maar cola of iets anders fris, zeker als je nog moet rijden,’ zei de serveerster speels. Ze was minstens even rad van tong als de overmoedige snaak omdat ze aan haar toog wel vaker te maken had met opdringerige bronstige venten die hun kans schoon zagen om haar te proberen imponeren. Even leek hij nog een poging te wagen maar zijn woorden gleden van haar af zoals water op een Tefal pan en met de staart tussen de benen, zonder Duvel en zonder nog een woord te zeggen, droop de Cassanova in spe af om anderhalf uur later opnieuw te verschijnen om op dezelfde kruk plaats te nemen.

‘Cola alstublieft en neem zelf ook iets’, zei hij met een stem die nog stoerder en zelfzekerder klonk dan een uur geleden en hij wees daarbij de vergeelde beteugeling van de dronkenschap waarmee ongeveer honderd jaar geleden zatlappen gewaarschuwd werden voor de gevolgen van openbare dronkenschap.

‘Ben jij nu bezopen?, vroeg de jongedame enigszins verbaasd.

‘U mag me hier dan misschien geen alcohol schenken maar nergens staat geschreven dat ik niet zat mag zijn. Wist U trouwens dat toen U daarstraks die man zijn Duvel bracht, U me de formele bevestiging gaf dat uw benen de mooiste zijn die ik ooit heb mogen aanschouwen en toen waren uw natuurlijk sensuele kuslippen me niet eens opgevallen. Maar om op uw vraag te antwoorden, neen ik ben niet zat want ik drink nooit. Ik had die Duvel alleen maar nodig om me moed in te drinken om U te durven zeggen dat U het schoonste meiske bent dat ik ooit al heb aangesproken.’ De academische woordkeuze, het ge-U en het feit dat hij haar meiske noemde, gaven hem een aandoenlijk stuntelige onhandigheid waardoor de jonge dame opeens gecharmeerd raakte.

‘Als we elkaar nu gewoon tutoyeren en als je nog een kwartier geduld hebt, dan zit mijn shift erop dan mag je me een wijntje trakteren en kan je me verder bewieroken want je hebt al mijn lichaamsdelen nog niet beschreven’, zei ze plots ontwapenend.

‘Mag dat ook nog als ik je zeg dat ik alleen nog maar mijn theoretisch rijexamen heb afgelegd?’

‘Kan ik daar dan nog een kwartier over nadenken?’