Categorie: Vertelsel

Ooit, als ik man zal zijn

Een dag, waarschijnlijk na een slapeloze nacht. Ik ontwaak op een andere manier dan ik gewend ben omdat ik besef dat er niets meer te winnen of te verliezen valt. Misschien staat de zon laag en is het licht zacht en troostend. Misschien werpt het een lange, vermoeide schaduw alsof het leven nog een laatste poging doet om dramatisch te zijn. Het maakt niet uit. Ik heb geen oordeel, ben niet gehaast en stel me de vraag niet meer of ik wel geworden ben wie ik moest zijn. Ik ben eindelijk zover dat ik niet meer moet doen alsof dat antwoord belangrijk is.

Die dag, ik verlies, niet één keer maar alles ineens, mijn haar, mijn geduld, mijn metabolisme en mijn naïeve illusies. Dingen verdwijnen, relaties vervagen en ambities vervliegen en dat is ok. Ik weet hoe het voelt om iets op te bouwen en het daarna te zien verdwijnen. Niet in één klap of op spectaculaire wijze maar gewoon, zoals een sok in de was waarvan je dacht dat je er twee had. Sommige dingen lossen op zonder verklaring en ik weet, niets was ooit echt van mij, behalve die katers en de zure smaak na te veel slechte beslissingen. Maar ik treur niet om wat voorbij is maar kijk met hoop naar wat blijft. Dat is een bevrijdende gedachte en dat is genoeg.

Liefde wordt simpel, niet iets dat moet gered of bewezen worden. Geen paniek of eindeloze discussies meer over “wat bedoel je met die blik”. Gewoon graag zien, zonder eisen, zonder contracten of verzekeringspolissen en zonder vasthouden of angst om kwijt te raken.  Graag zien, als een huiskat. Als ze spint en in mijn oor ronkt is het goed.  Als ze buiten muizen vangt, is het ook ok. Houden van, hoeft niks te overleven en niks te bewijzen. Het moet alleen bestaan op het moment dat het er is en vanzelf doodgaan als het dat niet meer doet.

Die dag, ik vecht zonder haat, niet tegen mensen maar tegen de uitnodigende verleiding om zelf een zure, klagende oude man te worden.  De klachtendienst van het universum is namelijk belabberd en onderbemand. Ik vecht ook tegen de naïeve illusie dat het leven mij iets verschuldigd is of dat ik het iets te bieden heb. Ik heb geleerd dat stilte soms de beste keuze is. Dus leg ik mijn ego het zwijgen op. Stilte is genoeg.

Mensen praten over mij. Ze denken te weten wie ik ben. Ze verdraaien woorden die ik nooit gezegd heb, geven er een andere betekenis aan, of begrijpen ze verkeerd. Vaak projecteren ze hun eigen onzekerheden. Ik haal mijn schouders op want niemand op zijn sterfbed, denkt “had ik maar wat meer tijd besteed om uit te leggen dat ik een domme kloot was.” Ik schaam me er zelfs voor dat ik me ooit druk maakte om meningen van mensen die niet eens hun eigen facebookwachtwoord kunnen onthouden. Vanaf nu luister ik alleen nog als het zin heeft. Maar geloof niet alles. Ik spreek als het nodig is. Maar ik leg niet alles uit. En ik zwijg als dat beter is.

Een dag, ik tel niet meer, niet de jaren, niet de fouten, niet de successen of de momenten waarop ik mezelf voorhield dat ik alles snapte, om vervolgens keihard op mijn bek te gaan. Ik weet nu pas dat begrijpen zwaar overschat is. Het leven wordt niet geleid door kennis, maar door gevoel. Niet door te weten, maar nèt door niet te weten.

Ik faal, zoals ik altijd heb gefaald. Ik verlies zoals ik altijd verloren heb. Maar ik zal doorgaan als een goudvis die na zeven seconden vergeten is dat hij in een viskom zwemt.

Op die dag, als ik door een verlaten bos loop en mijn reflectie zie in een plas, kijk ik zonder oordeel. Niet naar fouten of gemiste kansen, niet naar tijd die voorbij is gegaan. Ik beklaag me enkel dat ik geen paraplu bijheb. In die plas zie ik mezelf, zonder spijt, zonder trots, maar met de rust van iemand die weet dat hij geleefd heeft, niet perfect, niet moedig of halfslachtig maar echt.

Dan pas zal ik een man zijn, tot dan ben ik een gewoon een broekvent die al jaren doet alsof hij al die tijd al een man was. En dat is al erg genoeg!

Er was eens in Bethlehem

Die nacht was het redelijk fris in Bethlehem. De halve maan stond glimlachend aan de hemel, alsof ze wist wat er op het punt stond te gebeuren.

Maria, hoogzwanger en op het randje van een zenuwinzinking, strompelde naast een oude ezel die beladen was met huisgerief. Jozef, eveneens een ezel en ook over het randje van hysterie liep een paar passen achter haar, ook radeloos en duidelijk zwaar over zijn toeren.

In einde en verre was geen herberg te bespeuren.

“Marjake maar serieus, moet gij nu alweer pissen? Gij zijt het laatste uur al drie keer naar de koer geweest,” reclameerde Jozef die zijn aangroeiende irritatie niet langer meester was.

“Jef, zwegt!” krijste Maria fel als een hysterische furie. Haar stem deed zelfs de schapen en de herders met schrik recht veren, een beetje verder aan een bouwvallige stal.

 “Gij zijt ni in positie, hé Jef. Ik voel begot mijne rug al drie dagen ni meer. Die kleine zit op mijn blaas te sjotten, mijn voeten doen zeer en mijn uierzalf en mijn kompressen zijn op!”

Jozef stopte en keek haar ietwat vragend met gefronste wenkbrauwen aan. “Kompressen, uierzalf? Waarom hebt gij nu, in de naam van uw ongeboren kind, (godsnaam) uierzalf en kompressen vandoen?”

“Voor die striemen op mijn buik, he Jef en voor mijn tetten. Ja, voor mijn tetten, Jef. ’t Zijn precies kapotte ballonnen, ze lekken langs alle kanten!” Maria’s stem was zo luid en schel dat de oude ezel luid begon te balken en er met schrik van doorging, op de hielen gevolgd door de kudde schapen.

Jozef mompelde onverstaanbare woorden over horens dragen die versierd waren met kerstlichtjes en over een complot, maar hij besloot wijselijk om verder zijn mond te houden. Hij was ten andere nog steeds niet bekomen van het ‘goddelijke ingrijpen’ waarmee Marja in positie was geraakt. “Den Heilige Geest, mijn gat ja,” snoof hij binnensmonds, “als ik hem ooit tegenkom, ik snij zijn fluit eraf. Met een bot mes.”

“Oh nee, Jef”, permitteerde Maria ineens.

“Wat is ’t nu weer”, zuchtte Jozef.

“Mijn water is gebroken!” Maria gilde, de ogen angstig gericht op de natte plek van haar kleed.

“Serieus Marjake, hoe moet ik dat hier nu allemaal oplossen? Ik ben maar ne simpele timmerman, he zeg, geen vroedvrouw”, riep Jozef, wanhopig met zijn handen in het haar.

Maria keek hem woest met vlammende ogen aan. “Misschien had ge daar maar eerder aan moeten denken voor ge mij naar dit godvergeten gat sleepte. Daarbij ’t is nu niet het moment om ambras te maken!”

Op het moment dat de situatie helemaal uit de hand dreigde te lopen, verscheen er boven hun hoofden plotseling een felle lichtflits. Een stem galmde door de lucht. “Vrede, op Aarde beste mensen! Hier ben ik, de Heilige Geest!”

Maria en Jozef keken elkaar met grote ogen aan. “Zie je wel”, riep Maria ontroerd, “Eindelijk! Ik wist wel dat hij zou komen, de vader van mijne kleine.”

“Hoe zit dat hier feitelijk, is de Heiland al geboren”, vroeg de Heilige Geest nieuwsgierig, terwijl hij nonchalant van zijn wolk neerdaalde. Hij droeg een witte, doorschijnende toga met het provocerende opschrift ‘Ik doe wonderen’.

“Gij smeerlap! Gij hebt dit gedaan,” tierde Jozef, wijzend naar Maria’s buik. “Kon gij uw goddelijke fluit ni thuishouden. Kom hier da’k hem eraf snij?”

“Wacht, Jef,” zei de Heilige Geest met trillende stem. “Ik ben maar één van de drie. Dit is allemaal onderdeel van een goddelijk plan. Ik kan het allemaal uitleggen. Het is echt niet wat je denkt.”

“Wat? Eén van de drie? Sloerie, alsof één nog niet genoeg is, kom hier”, riep Jozef hysterisch.

“Een goddelijk plan?” Maria wierp haar handen in de lucht. “Wat is dees eigenlijk voor een goddelijk plan? Heb je misschien ook een plan voor mijn zere voeten, mijn lekkende tetten, en voor die stomme ezel die al drie dagen naar uierzalf riekt, een vroedvrouw misschien, toevallig?”

Net toen de Heilige Geest wilde antwoorden, klonk er luid getrappel van paardenhoeven. Vier figuren kwamen aanstormen, vanuit het Oosten.

“Wacht nu eens even,” zei Jozef stomverbaasd. “Zijn hier nu ineens ook vier koningen?”

De grootste van de vier, een rijzige man met een gouden kroon op zijn hoofd, kwam van zijn paard en haalde zijn schouders op. “Melchior kon ni meekomen, die heeft zijn knie zeer gedaan bij een kamelenrace. Dus hebben we den Barry meegenomen. Hij is een verre neef maar ’t kan ook een nicht zijn.”

Barry zwaaide enthousiast en riep met een opvallend hoge verwijfde stem, “En ik heb koekskes meegebracht!”

Maria keek Barry woest aan. “Koekskes, ‘k ga hier direct bevallen, waarom heb je geen vroedvrouw mee?”

Barry keek een beetje beteuterd naar de grond, en zei, “euh neu geen vroedvrouw, maar wel een thermos kamillethee, voor bij de koekskes.”

Toen de chaos een hoogtepunt dreigde te bereiken en ze het allemaal op de heupen kregen, Maria nog het meeste, kon ze het niet meer houden. Ze begon met persen en puffen. Onder geschreeuw, zweet, bloed en tranen werd er een klein, krijsend kindje geboren. Jezus trok zijn aureool recht en keek om zich heen, alsof hij zich ook afvroeg hoe hij hier terecht was gekomen.

De Heilige Geest glimlachte tevreden, “ziede wel, Jef. Alles komt altijd goed.”

Jozef keek met grote ogen. Eerst naar het pasgeboren kind, dan naar Maria en vervolgens naar Barry, die vroeg, “Waaroem hee die kleine na agelak-fatelak een talloor op zijne kop, die kleine zijn fontanelleke is nog nie eens oneengegroeid.”

Maria, helemaal aan het einde van haar latijn gilde hysterisch in ’t plat Nazareths, “zwegt na is efkes allemaal en houd allemaal ulle bakkes. “Ik zen hie vanonder hielemaa ingescheurd en mijn foef is ontploft, ik eis een mirakel en wel nu”, waarna ze plots ook een witte talloor op haar hoofd kreeg.

De hel van het jargon

Het moet gezegd, mensen die ik in het wild kan verdragen, ze lopen niet dik gezaaid. Ze zijn eerder schaars maar ze bestaan. Zelfs op kantoor ken ik er een paar. Het zijn meestal gezellige zielen, vriendelijke types met wie ik bij een koffie moeiteloos een gesprek kan voeren over het weer, vakanties en hoe die altijd te kort zijn of over de nieuwste Netflix-serie en waarom ik vind dat die absoluut niet te missen is.

Maar zet ze bij elkaar in een vergaderruimte en voor je het goed en wel doorhebt, zijn ze getransformeerd in jargon spuwende, terminator-achtige wezens. Zelfs AI-robots verbleken bij elke vergelijking. Ik zie de verandering onmiddellijk. Hun ogen beginnen fel te glimmen en hun mondhoeken krullen zelfvoldaan omhoog of omlaag.  

Zodra ze een whitebord naderen, raken ze, de ene na de andere, zelfgenoegzaam in hun “zone”. Eenmaal ze in hun “vibe” zitten, beginnen ze onophoudelijk nietszeggende woorden uit te braken. Precies die “vibe en zone” is de plek waar ik absoluut niet wil zijn, om niet te zeggen dat het mijn persoonlijke hel op Aarde is.

Deze mensen lijken ogenschijnlijk normaal, ze doen geen vlieg kwaad, zijn soms zelfs een beetje saai maar altijd beleefd. Toch transformeren ze bijna allemaal in taalexorcisten, vastberaden om normaal taalgebruik uit te drijven en uit te roeien, met wortel enal.

De wekelijkse stand-up meeting is de ultieme hoogmis van de onzin. “We moeten KPI’ s drillen en de synergiën upscalen,” zegt iemand terwijl hij diep in z’n laptop staart alsof hij net de geheimen van het universum heeft ontrafeld. Ik knik slaperig, niet omdat ik er iets van begrijp, maar omdat ik een heel zwakke poging wil doen om te overleven in de jungle van het corporate-gebrabbel. “Zorg aub dat de “deliverables aligned” zijn met onze Q4-goals,” hoor ik in de verte. “Vanzelfsprekend”, prevel ik onhoorbaar, “wie wil nu deliverables die níet aligned zijn?”

Dan heb je x (naam en adres bekend bij de redactie), buiten het kantoor is het een vriendelijke geitenwollen-sokken-vrouw met een voorliefde voor yoga, groene thee en vegan-koekjes maar met een grondige hekel aan mensen die op het voetpad fietsen of die in een zin haar, hun en het niet bij het juiste gender plaatsen. Zodra ze de vergaderzaal betreedt, verandert ze in een wandelende Van Daele vol corporate buzzwords. “We moeten de “stakeholders re-engagen”, zodat we de “buy- in” van onze “communities” optimaliseren voor de vernieuwde “agile implementatie.” En ze voegt er met een dooddoener aan toe, “We zitten nu eenmaal midden in een “transformation journey.”  Mijn gedachten zijn ondertussen al ver afgedwaald naar mijn laatste journey, het strand.

Bijna iedereen doet een gooi naar de titel van ongekroonde koning(in) van de bullshitbingo.  Ze doen het met passie, “out of the box” en met een jargon alsof hij of zij de eerste mens op aarde zijn die deze woorden-bullshit ooit hardop heeft durven uitspreken. Een verhaal is geen verhaal meer maar een “narratief”.  Dat is voor mij een eye-opener en het juiste signaal om mentaal de ruimte te verlaten en me terug te trekken in mijn “inner-space”.  Terwijl ze klassikaal een “paradigm shift” maken en een “value proposition maximaliseren” voel ik het respect voor het vermogen om begrijpelijke, coherente zinnen te vormen heel snel op mijn mentale grafiek naar links verschuiven.

Ik gok dat niemand in de kamer precies begrijpt wat al die onzin betekent, toch knikt iedereen hevig en instemmend.  Wie wil er nu betrapt worden om niet te maximaliseren? Iedereen lalt en zwamt verder met alle ingrediënten van het beste jargonfeestje en doet alsof elk duurder klinkend woord een Nobelprijswaardige doorbraak is in pak weg borstkankeronderzoek.

Waarom toch verandert een ogenschijnlijk normaal mens in een jargonmachine zodra ze een vergaderruimte binnenlopen? Is het angst of ambitie, ik vraag het me zomaar af.

Of misschien een collectieve onzekerheid want niemand wil de domste van de kamer zijn.  Luljargon is toch het beste rookgordijn? Hoe meer ingewikkelde termen je gebruikt, hoe meer het lijkt dat je weet waarmee je bezig bent. Jargon als beste bescherming tegen ontmaskering. “Oh, ze hebben het over synergiën, dan zullen ze vast en zeker weten wat ze doen!”

Hoe meer jargon, hoe hoger op de corporate ladder. Althans zo lijkt het. Gebruik je termen als “leverage”, “scalability” en “value chain” dan suggereer je dat je op een strategisch verantwoord niveau meedenkt. Je speelt het spel mee en wie niet meedoet, blijft achter als muurbloem die niets bijdraagt aan ‘de strategische conversatie’. Jargon als statussymbool, alsof je een geheime taal spreekt die alleen de elite begrijpt, terwijl eigenlijk niemand het snapt.

Jargon is angst om door de mand te vallen en zit verpakt in woorden die geen mens zonder migraine begrijpt.

Het slechte nieuws is dat in tegenstelling met het dodelijke marburgvirus uit Rwanda een vaccin niet onmiddellijk in zicht is.  Het enige wat je dus te doen staat, is proberen te overleven door in stilte te lachen en dat net zo lang vol te houden, tot iemand in de vergaderzaal oppert dat we dringend moeten “level setten” voor het volgende kwartaal.  

Spoiler alert: Niemand heeft enig benul wat dat betekent, niet jij, niet de lezers van deze tekst, laat staan de mensen die aanwezig waren in de vergaderzaal!

Een moment zonder momentum

Ik hoorde vanmorgen het woord tijdens het scheren en was bang dat ik zou uitschieten met mijn scheermes.   Mijn tenen gingen krom staan en mijn maag kromp ineen tot een pijnlijk bolletje, een uitgelezen moment, het ‘momentum’ zeg maar, om in opstand te komen.

‘Momentum’, dat ergerlijke woord dat zich geruisloos een weg heeft gebaand in onze dagelijkse gesprekken, als een verwaande pauw die met zijn pluimen stoeft alsof hij een modeontwerper is en denkt dat hij op een catwalk staat. Telkens ik dat woord hoor, vooral dan in een context die niets te maken heeft met natuur- of wiskunde, twijfel ik aan onze beschaving. Er is wel meer waarom ik twijfel aan onze beschaving, laat daar geen twijfel over bestaan, maar dit terzijde.

Wat is er mis met een normaal woord zoals bijvoorbeeld ‘een kantelpunt’, ‘een gunstige omstandigheid’, of ‘een juist moment’? Is het echt nodig om in elk gesprek een onweerstaanbare drang te voelen om te willen klinken als een politicus die indruk wil maken tijdens een verkiezingscampagne?

Het stoort me vooral bij alledaagse dingen. Stel je voor: Ik sta me in de badkamer te scheren. Op de radio, die op de achtergrond speelt, spreekt iemand de gevleugelde woorden, mijn carrière bevindt zich nu in een ‘momentum’. Dan heb ik zin om te antwoorden. “Pardon, in een wat?” Ik zou verdorie zo maar kunnen uitschieten met mijn scheermes.  Misschien zou je beter normaal leren babbelen, zonder te doen alsof je een ruimteschip bent dat klaar is voor een lancering naar Mars.

Of erger, tijdens een voetbalwedstrijd, wanneer Filip Joos enthousiast roept dat Club Brugge in het ‘momentum’ zit.  Nee, Filip, ze hebben gewoon een pietgoal gescoord. Het is niet alsof een onzichtbare kracht hen plots in beweging heeft gebracht en dat die toevalligheid vanaf dan de hele kosmos beïnvloedt.

En het breidt uit als een virus. Eerst waren het zakenmensen, dan voetbalcommentatoren en trainers, nu verspreidt het zich als een pisbloem die ongestoord en snel mijn gazon overwoekert. Wie weet, verschijnt het binnenkort in recepten: “Voeg wat ‘momentum’ toe aan je stoofpot voor extra boost, je hebt dit nodig voor je dieet.” Nog even of ‘momentum’ wordt duur verkocht in potjes die voorzien zijn van een mooie slogan “Smeer elke morgen ‘momentum’. Wie heeft nog tijd om te wachten?”

Vraag me niet waarom ik van mensen die te pas en te onpas het woord ‘momentum’ gebruiken, vind dat het pretentieuze aanstellers zijn, ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat dat woord het voor mij nadien altijd verpest. Alle andere woorden raken dan niet meer voorbij mijn irritatiebarometer.

Ik was zo vrij om even kort als krachtig ‘het momentum’, onder de loep te nemen, even onbeduidend en nietszeggend, als lege kreet of hol cliché op exact dezelfde manier waarop het elke dag ongevraagd mijn trommelvlies doet trillen en mijn tenen doet krullen.

Zouden we toch niet beter van elk moment profiteren zonder dat verschrikkelijke ‘momentum.’ Er staat straks echt nog wel van alles te gebeuren, op het juiste moment. Het ‘momentum’, althans het woord, hebben we daarvoor niet vandoen.

Aan naakte lijven geen gebrek

Ik drijf op mijn rug in het koude water. Gedachten dobberen mee. Doorheen de spoeling van het frisse water hoor ik zachtjes het geluid van een zucht. Is het een zucht van tevredenheid of is het een hunkering van een dieper, onuitgesproken verlangen? Of is het iets anders? Ben ik het zelf? Even leek het alsof de Alpen zelf onhoorbaar fluisterden. En ik, verborgen in mijn gedachten kan niet anders doen dan aandachtig luisteren naar hun mysterieuze, verborgen boodschap.

De spa-gasten om me heen hebben helemaal geen aandacht voor mij en nog minder voor mijn naakte, uitgezakte lijf. Ze lijken zich ook niet te storen aan mijn wegdrijvende gedachten. Hun langzaam uitdijende lijven zijn ook uitgezakt, sommige zelfs nog dieper dan dat van mij. Mij stoort het niet.  Hen lijkt het ook niet te deren. Zij genieten gewoon van de warmte, de rust en mogelijks van elkaars gezelschap.

Saunadampen stijgen op uit het koude water. Te midden van deze hedonistische enclave probeer ik te ontspannen. Het geluid van het ruisende water vult mijn oren, en ik sluit mijn ogen, weg van de wereld en zijn eindeloze stroom verplichtingen.

De tijd vertraagt voelbaar, en willoos dwalen mijn gedachten af naar rustigere wegen.

In deze ijle lucht van de Alpen, omringd door besneeuwde bergtoppen en serene stilte, zit ik te midden van naakte lichamen die ook proberen te ontsnappen aan hun dagelijkse drukte. Elke gast geeft zichzelf in meer dan één opzicht bloot. Spreken hoeven ze daarvoor niet te doen.  Terwijl mijn blik over de sneeuwwitte landschappen dwaalt, laat ik mijn gedachten mee verdwalen. Ze zijn vele malen sterker dan mijn weerstand om me ertegen te verzetten. Willoos laat ik me meevoeren in de absurde complexiteit van naakte lijven en in de onzin van Valentijn.

Valentijnsdag, de dag van rozen, hartjes en chocolade, lijkt hier ver weg. Toch, zelfs in deze afgelegen oase van rust kan ik de absurde gedachten mijn geest niet doen verlaten. Terwijl ik de omgeving in me opneem, kijk ik naar beschaamde, naakte lijven die, net als ik, proberen te ontsnappen aan de waan van de gewone dagen.

In de ogen van de spa-gasten zie ik een mix van diepe ontspanning en van nog diepere reflectie, alsof ze zich ook afvragen of de liefde werkelijk zo ingewikkeld moet zijn en of Valentijnsdag daar een antwoord op heeft.

Mogelijks vragen de vrouwelijke gasten zich af, of hun lijf nog in dat niets verhullende rode, kanten korset past dat vorig jaar al benepen zat. Weten zij veel dat rode niemendalletjes waarin ze er voordeliger trachten uit te zien, hun lieftallige mannen geen bal kan schelen. Zij blijven immers altijd doelgericht, zelfs zonder rode lapjes stof die in hun ogen maar één doel hebben, ‘interessante essentie verbergen of ze er interessanter laten uitzien’. Ik kan een glimlach maar moeilijk onderdrukken temeer omdat die uitgezakte mannenlijven veel beter een rood lapje stof zouden kunnen verdragen om er de ongenadige onvolmaaktheden van de natuur mee te camoufleren.

Misschien is Valentijn in een sauna wel net zo bizar als dit verhaal.

De beschaamde naakte lijven hebben allemaal een eigen verhaal dat ze door de band genomen verborgen houden. Nu lijken ze elk in een eigen strijd verwikkeld, met de liefde, met betekenis of met een vetrolletje dat in de weg zit. Misschien, kom ik er te midden van deze rust achter dat liefde, Valentijn, naakte lijven, net als de Alpen, iets is dat ik nooit volledig zal begrijpen.

Ik kan het maar proberen, ik heb nog 4 dagen, aan naakte lijven en bergen geen gebrek.

Respectabel. (Internationale Mannen Dag)

In een wereld waar het testosterongehalte sneller lijkt te smelten dan het ijs op de noordpool, bevind ik me in de schaduw van een man die zijn zelfvertrouwen zoekt in koffie, in de rook van sigaretten en in stille overpeinzingen van zijn eigen gedachten. Ze zorgen voor evenveel onbeantwoorde vragen als een puber die zich vragen stelt over het nut van schaamhaar en puisten. De rusteloze man voelt zich als een oude kater die ronddraaiend als een bezetene zijn eigen staart achtervolgt, hilarisch en frustrerend tegelijk maar ook een beetje zielig.

Het ontbijt is al moeilijk en de keuze lastig, yoghurt met vlokken en fruit of dubbele boterhammen met choco? De verkeerde keuze veroorzaakt al snel een schuldgevoel dat hem de rest van de dag doet navigeren door het mijnenveld van zijn ochtendhumeur. Alleen koffie wordt geschonken met dezelfde precisie, zekerheid en zelfvertrouwen van een barista die bonen omtovert in late of espresso.

Zijn mannelijke onzekerheid zijn wolken die nooit helemaal verdwijnen. Het maakt niet uit hoe vaak ik hem toefluister dat hij er voor zijn leeftijd nog respectabel uitziet. Hoe dikwijls ik zijn inlevingsvermogen prijs, zijn zelfvertrouwen blijft een lekke band die ik constant moet oppompen, alsof er een nageltje in de tube zit.

De slaapkamer, nog een intieme arena waarin zijn mannelijkheid op de proef wordt gesteld. Hij is gevuld met briesende stieren die onophoudelijk en trefzeker de rode lap van zijn twijfels blijven aanvallen. Het bed, de lakens als slagveld waarop hij zijn eigen twijfels en onzekerheden spreidt, terwijl de stieren wild blijven tekeergaan.

Als angst om afgewezen te worden te groot wordt, dwalen we samen af naar bruine cafés met donkere muren en morsige vloeren, naar dat verloren gewaand koninkrijk waar het gezelschap bestaat uit barkeepers en mannelijke zielen die er dezelfde dingen wegspoelen, ieder koning van zijn eigen rijk.

Later op de nacht, we staren samen naar het plafond. Ik vraag me af of ik ooit genoeg man zal zijn om de man naast me te genezen, of ooit mijn geduld en begrip groot genoeg zullen zijn om hem zijn innerlijke twijfels te laten overstijgen. Misschien moet ik zelf maar therapeut worden om hem te helen van zijn verwarde en gekneusde ego.

Morgen is het Internationale Mannen Dag, de enige dag van het jaar waarop mijn innerlijke mannelijke reisgezel ècht man mag zijn.  Tevens ook de enige dag van het jaar waarop hij zal worden gesust, gesoigneerd, gewiegd en onder de douche zal worden gewekt met een blow job.

Daarvoor ziet hij er, ondanks zijn leeftijd, nog respectabel genoeg uit!

Een liefdesbrief anno 2023

Veertig jaar geleden waren normen en verwachtingen rondom romantische relaties anders dan vandaag. ‘Ik vraag het aan’, ‘een onhandige kus’, ‘ongevaarlijk ‘tetteke-reus’ en ‘stiekem hopen op iets meer’, dat was het. De kans om meegesleurd te worden in #Me-too-horror was onbestaande.

Daten anno 2023 is ‘tricky business’. Om vandaag Me-too-safe te daten zal het er in mijn hoofd ongeveer zo aan toe gaan, toegegeven het zal wel aan mij liggen. Onderstaand briefje zou een liefdesverklaring kunnen zijn mocht ik vandaag 17 zijn en ik van de gas zou gepakt zijn.

Hoi,

Ik hoop dat dit briefje u in de beste staat van welzijn bereikt. Met het oog op de huidige complexiteit van daten en afspraakjes, voel ik de noodzaak om mijn bedoelingen op een respectvolle en duidelijke manier kenbaar te maken.

Ik ben geïnteresseerd in het verkennen van een romantische connectie met jou en zou graag de mogelijkheid willen onderzoeken of de kans bestaat om elkaar beter te leren kennen. In overeenstemming met de moderne maatschappelijke verwachtingen, hecht ik veel waarde aan wederzijdse toestemming en respect voor persoonlijke grenzen.

Met het allergrootste respect voor jouw waarden en grenzen benader ik je dan ook via deze weg met mijn nederig aanbod voor een diepgaande en intieme verbinding. Een connectie, gebaseerd op alle principes van wederzijdse toestemming en op het allerhoogste respect voor jouw persoonlijke autonomie.

Als kandidaat voor de rol van ‘Uw Geliefde’ ben ik me terdege bewust van het belang van al deze aspecten in de uitbouw van een mogelijk relatie. Ik heb de vurigste wens om een veilige en ondersteunende omgeving te creëren voor al onze intieme ontmoetingen, maar nooit of te nimmer zullen ze kunnen plaatsvinden zonder uw impliciete en niet mis te verstane instemming en toestemming.

Jouw persoonlijkheid, als ik je die mijn eerbied mag toewijzen, is voor mij als een zeldzame bloem die alleen kan bloeien onder de meest gunstige omstandigheden, in klamme, zachte potgrond. Je glimlach is als de zachtste streling van een zomerbries op een frisse avond, die de lente van mijn ziel doet ontwaken. Je aanwezigheid een kunstwerk, even oogverblindend, nederig als breekbaar in mijn nabijheid.

Mijn ontembaar verlangen naar een intieme connectie met jou is als een dans van twee zielen, synchroon, passioneel en harmonieus, zoals twee bedrijven die samensmelten voor een strategische fusie zoals in een relationele joint venture waarbij twee inspirerend emotionele krachten samenkomen om een ongeëvenaarde eenheid te creëren. Elk moment van ons samenzijn zal met de grootste egards worden gekoesterd, en elke stap die we zetten zal in overeenstemming zijn met jouw wensen en diepste verlangens.

In een wereld waarin consent en wederzijdse toestemming centraal staan, beloof ik plechtig om jouw wensen te respecteren en je grenzen te eerbiedigen. Onze intieme interacties zullen gebaseerd zijn op voorzichtigheid, op open communicatie, op wederzijds begrip en met een diep respect voor ieders persoonlijke autonomie.

Jouw comfort, hygiëne en welzijn zullen altijd mijn allerhoogste prioriteit zijn, en ik zal er alles aan doen om ervoor te zorgen dat jij ons eerste intiem moment zal ervaren als een symfonie van genot, in consent getekend met bloed en gebeiteld in steen, gebaseerd op wederzijds vertrouwen. Je ‘misschien’ zal ik respectvol als ‘een neen’ interpreteren, en ‘je neen’ zal ik nooit of te nimmer als ‘een misschien’ aanzien.

Dank je wel voor de lezing van mijn aanzoek en voor jouw aandacht maar ook voor de overweging van mijn voorstel. Laten we samen proberen om een intieme relatie te creëren die dient als een toonbeeld van liefde en respect waarin we elke stap van onze reis in volledige harmonie en vertrouwen nemen. Onze liefde zal dienen als een voorbeeld voor anderen, als een lichtend baken van respect en liefdevolle toestemming in een wereld van intieme relaties en van wederzijdse toestemming, een relatie die ons beiden voldoening en vervulling zal schenken.

Met deze brief wil ik mijn intenties oprecht en transparant kenbaar maken. Indien jij ook interesse hebt in het verkennen van een romantische connectie, zou ik het op prijs stellen als we een formele overeenkomst kunnen sluiten, waarin onze wederzijdse toestemming en verwachtingen duidelijk worden gedefinieerd en schriftelijk bekrachtigd.

Ik stel voor om, nadien en onder opschortende voorwaarde van een expliciet akkoord, een meer informele ontmoeting te regelen op een locatie en tijdstip naar jouw keuze, waar we op een respectvolle manier van elkaars gezelschap kunnen genieten. Jouw comfort en welzijn zijn voor mij van het grootste belang, en ik ben volledig bereid om de dynamiek van onze interactie aan te passen aan jouw wensen en grenzen.

Met liefdevolle hoogachting,

Jan

De Man van Gwendolyn Rutten.

Vandaag heb ik de eer en het genoegen om je mee te nemen op een uiterst gevaarlijke maar spannende reis naar het hart van de natuur. Ik heet je dan ook welkom in het rijk van opvliegende sissers, in de wereld van stemmingswisselende rollercoasters en in de woestijn van koude schouders en onuitstaanbaar zuidelijke droogtes. Leun achterover en vergeet tijdens deze reis door Absurdistan vooral niet te genieten van de eeuwige strijd om de thermostaat!

Het is een bekend fenomeen dat slechts in uiterst zeldzame gevallen, vrouwen die zich aan de rand van de menopauze bevinden en hevig aan veranderingen zijn blootgesteld toch transformeren in een vuurspuwende draak.  Nochtans kan haast elke vrouw die zich in deze situatie bevindt soms de vergelijking absoluut wel doorstaan.

Beste mannelijke lezer, ofwel ben je, was je of zal je je ooit middenin een relatie bevinden met een vrouw in de overgang.  Weet dan dat overleven in deze tumultueuze tijden geduld vereist, veel geduld maar ook humor, en wel humor van een soort die droger is dan de Zuidelijke Sahara.

Neem bijvoorbeeld die van mij, de eens zo koele en kalme hippe vrouw, die de kunst van het leven verstond om in elke situatie, ijskoud haar cool te bewaren, veranderde van de ene op de andere dag in een menselijke sauna, stralend van hitte en even gloeiend als een wandelende kachel. Om misverstanden te vermijden, als ik me in deze specifieke situatie over temperatuur uitspreek, bedoel ik temperatuur uitgedrukt in graden Celsius, absoluut niet over temperatuur uitgedrukt in graden hitsigheid, want die is omgekeerd evenredig aan haar lichaamstemperatuur. Herken je jezelf in deze situatie, wees dan asjeblieft alert en op je hoede, want op elk willekeurig moment kan een ogenschijnlijk doodnormale activiteit zoals koken, tv kijken of een boek lezen, overslaan in een klimatologische revolutie waarop Greta Thunberg jaloers zou zijn.

Met een bordje in de hand waarop ‘Strejk for Klimatet’ stond, riep ze me plotseling schuimbekkend hysterisch en met ogen gevuld van wanhopige tranen, toe op dezelfde manier waarop Greta, Trump zich ongemakkelijk deed voelen: “Jij, jij stal mijn jeugd.  Nu pik je mijn seks en waarom is het hier zo koud. Waarom is het hier altijd zo fucking ijskoud!”

Dit alles gebeurde onaangekondigd op een doordeweekse avond, waarop mijn anders zo rustige alles beredenerende vrouw nu, met ogen als gloeiende kolen, als een raket uit de zetel schoot, om een tel later, met een agressieve swung de thermostaat op “tropisch paradijs” te draaien en om even later het koud geworden kersenpit kussentje naar mijn hoofd te slingeren. Ongevraagd maar vooral ongewild werd ik deelgenoot van hoe een nooit geziene klimaatrevolutie zich voltrok binnen de muren van ons eigen huis, dit terwijl door deze temperatuurverandering op de Noordelijke IJszee een ijsberg smolt en de aarde sneller opwarmde dan alle door de mens veroorzaakte broeikaseffecten.

Als je denkt de natuur te slim af te zijn door, zoals ik in de winter shorts te dragen om het koel te houden, je hebt het mis. De kracht van de menopauze kent geen grenzen. Voor je het weet heb je heimwee naar die Arctische temperaturen van een uur geleden en snak je naar een Oorlogswinter en terwijl je dit doet probeer je je badend in het zweet te herinneren wanneer je de thermostaat voor het laatst onder de 26 graden Celsius hebt gezien, het lukt niet!

Als je dit al heftig vindt, heren, “Fasten your seatbeld” en zet je schrap. Met datgene wat komt mocht ik alle emoties die bekend zijn in alle uithoeken van het vrouwelijke emotionele spectrum ervaren en dat binnen de tijdspanne van een enkel uur. Het ene moment werd ze de belichaming van Spaanse woede en riep ze een Fatwa uit over mij voor de één of andere niet vervulde maar ook niet uitgesproken belofte.  Het volgende moment barstte ze hulpeloos in tranen uit over één of ander seks-in-the-city-achtig ding op het internet. Leven met een vrouw in de overgang is alsof ik elke dag moet doorbrengen met een hysterische thuisactrice die zich voorbereidt op een Oscarwaardige prestatie. Wij weten allebei dat dit nooit zal gebeuren.

Navigeren door dit emotionele mijnenveld is als een koorddans-act boven een kuil vol alligators. Een misstap en ik zit dagenlang op de strafbank terwijl ik gewoon een stofzuiger vasthield als symbool van mijn eeuwige liefde. En dan spreek ik, deels uit doodsangst deels uit schaamte niet eens over de nachten die door de hormonenkwestie veranderd zijn in een oorlogszone die de vergelijking met de Palestijns-Israëlische zaak moeiteloos kan doorstaan.

Heb je een relatie met een vrouw in de menopauze, houd moed “menopauzende man”, sluit je desnoods op in je bubbel, blijf onder het maaiveld, tel je geld en maak de juiste keuze of je het al dan niet uitgeeft aan een minnares dan wel aan de nieuwste Ducati Desert X.

Maar vooral besef dat het altijd erger kan. Stel je je maar eens voor dat je de man van Gwendolyn Rutten bent!

Vrijdag dertien, je bent gewaarschuwd

Op een gelijkaardige grijze, winderige vrijdag de dertiende als deze, een dag op zichzelf al vervuld met tragedie, werd ik geboren. Mijn moeder, zwaargehavend door de laatste perswee, nam me voorzichtig in haar armen en keek naar me alsof ik zojuist een spiegel had gebroken, met paniek in de ogen en met een verschrikte blik alsof ik een zwarte kat was die net onder een ladder was gelopen.

Redenen genoeg dus om me vandaag een verdoemd wezen te voelen om alle onheil en ongeluk op de rug van vrijdag de dertiende te schuiven.

Vrijdag de dertiende, vermijd hem als de pest. Blijf onder het maaiveld en vermijd oogcontact. Mocht je me ontmoeten, sluit jezelf dan op en omring je met zes geluksklavertjes. Gooi elk uur een zak zout over de linkerschouder. Verschuil je achter deuren en gordijnen met een knoflookteentje in de hand en een hoefijzer rond je nek. Huiver van bananenschillen, van ladders en zeker van zwarte katten want zij zijn vandaag de incarnatie van het kwaad en de boodschappers van het noodlot.

Ontwijk me even hard als een kogel uit een geweer, zie je me of spreek je me toch doe het dan met een angst die grenst aan paranoia.

Het leven op vrijdag de dertiende, een horrorfilm die geschreven is door het lot zelf.

Zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb.

Waanzinnig Woke

In deze verwarrende, excentrieke tijden van het parallelle universum waarin we leven, voelen verwarde en merkwaardige mensen, steeds vaker behoefte om gekende gebeurtenissen die zich in het verleden afgespeeld hebben te hervormen tot iets wat past in een nieuwe agenda. Graag zouden ze alle gewelddadige feiten en gebeurtenissen een nieuwe betekenis geven, feiten die beschreven staan in normale geschiedenisboeken waarin minderheidsgroepen soms slachtoffer werden van een tirannieke eenling, van een systeem dan weer van een superieure meerderheidsgroep.  Liever nog zouden ze dit doen met het ongelofelijk spektakel van ongeziene absurditeit.

Omdat ik niet kan achterblijven maar toch vooral omdat mij ook onrecht werd aangedaan, sta ik op het punt Rome aan te klagen in een onwaarschijnlijke rechtszaak die de toekomstige geschiedenisboeken zal ingaan als het ultieme proces van het “Allerlaatste Waanzinnige Woke Sacrament.”

De reden? Simpel, mijn DNA.  Deze uitverkorene, tevens schrijver en voorwerp van mijn toekomstige aanklacht zal fungeren als spreekbuis van het gezond verstand en tegen de waanzin. Ik ben van plan om de Romeinse republiek aanklagen voor de negatieve beïnvloeding van mijn DNA ten gevolge van de tumultueuze overrompeling van Gallië door de Romeinen in 58 v.Chr. Ja, je leest het goed, ik stel de toenmalige bewindsvoerders van het Romeins imperium en meer bepaald Julius Caesar in persoon verantwoordelijk voor de negatieve beïnvloeding van mijn DNA.

Gekleed in driedelig maatpak zal ik in een waanzinnig woke proces aan de edele rechters van het gezond verstand en aan de leden van de jury bewijzen dat mijn voorouders en bij uitbreiding mijn volledige genetische erfenis op een doortastend en zwaar belastende wijze is aangetast door de Romeinse overheersing van Gallië.

Als aanklager van Rome zal ik aantonen dat de teksten die ik vandaag schrijf en waarin mijn voorliefde voor lang uitgesponnen, krachtige zinnen, mijn heldhaftige voorstelling van mannelijke moed, en hun superieure vastberadenheid en mijn totaal gebrek aan erkenning van de vrouw als overwinnaar van de battle of the sexes, te herleiden zijn tot de onfortuinlijke genetische erfenis uit die verre Romeinse hoogdagen, mijn DNA dus.

Als ultieme bewijs zal ik in mijn eindbetoog pleiten dat het Latijn, die Romeinse taal die destijds zo fors heerste dat ze de taal bij uitstek werd, bij het bestuur en bij het chique gedoe in het toenmalig Gallië, dit terwijl de Galliërs eigenlijk niets liever wilden dan hun eigen dialecten te blijven brabbelen, mijn huidig taalgebruik zonder mijn expliciete goedkeuring heeft gevormd.  Zonder enig mondeling of schriftelijk consent sloop precies dat Latijn als een kwieke smokkelaar van vervuilde woordenschat stiekem onze oertaal binnen.

Latijn en Gallisch, twee talen die elkaar in het gezicht sloegen met woorden en klanken waardoor met de brokstukken en de ruïnes daarvan iets nieuws ontstond dat later Frans werd genoemd. Het oer-Frans was een mix van het oude en nieuwe klanken die zich vermengden tot een eigen dieventaaltje dat vanaf dat moment gesproken werd op het grondgebied waarop we ons vandaag bevinden. De beïnvloeding van mijn DNA en mijn schrijfstijl zal hierdoor door de rechtbank van het gezond verstand als bewezen geacht worden.

Om een schadevergoeding is het mij niet te doen. Het enige wat ik vraag is erkenning van het feit dat mijn woordgebruik, mijn grammatica en mijn schrijfstijl het product zijn van het kosmische theater van de Romeinse expansiedrang en per definitie dus van de genetische beïnvloeding van mijn literaire expressie. Als straf en vergelding zal ik eisen dat zowel geschiedenis en literatuur als werelderfgoed dienen behandeld te worden en dus onaangeroerd moeten blijven zodat we ze kunnen omarmen als wonderlijke leerschool van al het goede en kwade en van alles wat zich in de mens schuilhoudt maar ook als eerbetoon van de verbeeldingskracht van de schrijver van het verhaal.

Locutus sum. Ad litem.

Het epos van een welzijnskip

Met een hart vol goede bedoelingen en met een maag die rammelde als een verongelijkte leeuw in een vegetarische savanne, trok ik uitgehongerd naar mijn favoriete restaurant. Mijn doel was even logisch als duidelijk en net zo helder als een sterrennacht in diezelfde savanne. Ambitieus was mijn voornemen ook. Uiteraard zou ik eerst mijn honger stillen maar tevens wou ik, min of meer vastberaden maar toch eerder opgefokt door mijn ecologische geweten mijn veel te grote ecologische footprint proberen te verkleinen door ‘iets vegetarisch’ te eten.

Als naïeve Don Quichot van den Aldi maar met een plan trok ik, gewapend met mes en vork in plaats van met een lans ten strijde tegen de klimaatverandering en tegen alle gerechten die door vlees-verslindende molens, ‘saignant’ geserveerd worden om ze er te laten uitzien alsof ze voor de opwarming van de Aarde geen bedreiging vormen.

De menukaart strekte zich over mijn leeg bord uit als een culinaire landkaart die mijn morele kompas en mijn hongerige ziel probeerde te verenigen. De kort aangebakken shiitake en de gekonfijte oesterzwammen met truffeltoets, klonken even verleidelijk als die mysterieuze vreemdelingen uit de roman die nog moet geschreven worden. De linzencurry met wortelparfum die als een betoverend exotisch avontuur mijn smaakpapillen wilde ontvoeren was dat ook.

Op dat eigenste moment, net voor ik mijn keuze kon maken, viel mijn oog op een literaire plottwist die zelfs Madame Bovary, u weet wel de legkip van Gustave Flaubert in vervoering zou brengen.  Op regel vier van de menukaart las ik drie betoverende woorden: “Consommé van Welzijnskip” en ik schrijf ze nog eens voor jullie neer opdat ze zouden doorklinken al ware ze van de hand van Flaubert hemzelf, “Consommé van Welzijnskip”.

Door die dichterlijke woorden, ik had ze zelf niet mooier kunnen bedenken, leek het alsof de kip in kwestie, zelf vorig jaar het besluit had genomen om een weloverwogen sabbatical te nemen om te ontsnappen aan haar traditionele kippenbestaan om zo via een doordachte carrièreswitch een loopbaan te beginnen als vrije legkip van biologische scharreleieren.

“Welzijnskip waarom niet”, prevel ik in mezelf met een glimlach die voelt als een schouderophalende knipoog naar mijn eigen interne komedie. Dit is toch dè uitgelezen kans om ecologisch bewust te eten en om tegelijkertijd een pluizige, zelfbewuste welzijnszoekende kip, palliatief naar het kippenhiernamaals te begeleiden. Win-win lijkt me, toch?

Maar, binnenin knaagt de twijfel van een nerveuze schrijver die zijn woorden in het rood aanstreept wanneer ze hem niet bevallen. “Hoe kan ik mezelf au serieus nemen nu ik hier kip zit te eten? Een kip die waarschijnlijk meer emotionele vrijheid heeft ervaren dan die ik ooit zal dromen? Een zelfbewuste, vrije uitloopkip, die notabene, een leven lang biologische eieren heeft gelegd alsof ze voor zichzelf gelegd waren, in België!  Terwijl ik niet eens een idee heb hoe ik ze perfect hard of zacht kook.

Hoewel mijn geweten knaagt, steek ik toch mijn vork als een moderne plichtsbewuste ridder aarzelend in het sappige stukje “Welzijnskip”. Ik trek daarbij een grimas die een mengeling is van genot, zelfspot, spijt, schaamte en triomf, niet omdat ik ogenschijnlijk verstrikt ben geraakt in mijn naïeve zoektocht naar duurzaamheid of in de illusie van het nut van een vegetarische schotel waarmee ik me een zuiver geweten kon schoppen.  Neen ik twijfel alleen nog of ik me niet beter tegoed had gedaan aan een ordinaire kippenbout afkomstig uit een economisch rendabele legbatterij, in plaats van aan het vlees van een overgelukkige welzijnskip die waarschijnlijk overijverig en voor het nageslacht het epos van haar boerderijavonturen in al haar eieren heeft geschreven.

Plotseling is alles stil

Met de reflectie van mezelf op het scherm van mijn laptop staar ik vanachter een leeslamp naar een maagdelijk witte bladzijde van een leeg Microsoft Word document.  Het is een paar minuten over middernacht en ik probeer te ontdekken welke nachtelijke gedachten schuilgaan achter deze lege pagina. Het schuifraam staat op een kier en een voelbare nachtbries fluistert herinneringen van de dag in mijn oor.

Ik schrijf nog niets omdat ik me afvraag of het aantal bladzijden die ik zinnens ben te vullen evenredig zal zijn aan de diepte van mijn gedachten. Mijn zoon zei het me twee uur geleden nog, ‘Vader’ zei hij plechtig, (zo begint hij alleen een zin als hij me iets belangrijks te vertellen heeft) ‘je schrijft niet slecht, daar niet van, integendeel je schrijft goed, maar je zegt niks. Je hebt geen verhaal. Het enige wat jij doet is zinnen schrijven die niemand begrijpt. Wanneer ga je eens echt beginnen schrijven, een roman of zo?’

In de ijskast staat een halflege fles rosé. De roodkleurige inhoud lijkt te dansen in de schijn van het lampje dat zich net boven de fles bevindt, alsof ze me tot een sensuele tango wil verleiden.

Ik schenk mezelf een glas in, vul het tot de rand met ijsblokjes en laat de geur van de wijn mijn zintuigen prikkelen, benieuwd of ze dit wulps verleidingsspel kunnen doorstaan. Eventjes bekijk ik met een glimlach deze dans met de duivel van een afstand en laat hem even abrupt eindigen als hoe hij begonnen is, vastberaden en met gekletter van ijsblokjes die ik met de inhoud van het glas en met de rest van de fles in de pompsteen uitkieper.  

Het vuur van deze actie verspreidt zich in mijn lijf als een warme gloed en laat de woorden opborrelen als belletjes die openbarsten aan de oppervlakte van mijn geest al ware het bubbels van een fles dure champagne.

“Schrijven is net als vissen,” zeg ik tegen de enige persoon die getuige mag zijn van dit nachtbraken, ik dus. “Je werpt je hengel uit in een stroom van gedachten en wacht op dat ene moment, op dat ene glinsterende idee dat zich vasthaakt als de worm aan de haak van de lijn waarmee je je ziel vangt. Maar hoeveel bladzijden nog moet ik vangen alvorens ik begrepen word? Is het een kwestie van ‘veel schrijven en bladzijden vullen’ of gaat het toch over de schoonheid en over de nuance van dat ene woord? Maar vooral, heeft mijn zoon gelijk?

Ik richt mijn ogen op het scherm en op de zinnen die al geschreven zijn. Ze lijken te fonkelen als de belofte van een nieuw avontuur en lees wat er al staat, ‘In mijn begindagen zwierf ik door verlaten steegjes in mijn hoofd. Ze waren doordrenkt van schaamte en van schuld en waren geplaveid met verlangen naar rust.’ Ik trachtte de complexiteit van mijn ziel vast te leggen met welgekozen zinnen. En toch, hoe meer ik zulke dingen schrijf, hoe duidelijker het me wordt dat begrepen worden niet zal afhangen van de omvang van mijn verhalen, noch van de lengte of van de complexiteit van mijn zinnen.

In een asbak op het terras duw ik een peuk uit en keer terug naar mijn geïmproviseerd bureau. Ik laat mijn handen rusten op het toetsenbord.  Mijn vingers strelen de toetsen als een man die het lichaam van zijn lief verkent. Monotoon getik vult de nacht met zachte ritmes die mijn vertwijfelde gedachten onthullen in de schaduw van mijn leeslamp.

Nietszeggende woorden vloeien opnieuw op mijn elektronische griffel als een stromende beek, soms wild en tumultueus, dan weer kalm en bedachtzaam. Ik besef nu dat de kracht van schrijven niet ligt in de hoeveelheid bladzijden die ik ooit zal vullen, maar in de oprechtheid van mijn pen waarmee ik mijn wereldje beschrijf, vertwijfeld, eerlijk, zonder maskers en al evenmin zonder pretenties. Want dat is het enige wat mijn ziel bevrijdt.

En dat, mijn zoon, dat is de enige kunst en het enige plezier dat ik zoek in het schrijven.  Misschien hoopte ik ooit een spaarzame selectie lezers te vinden om mijn eigen emoties, gedachten en betekenissen op te projecteren, dat is het al lang niet meer. De kunst van begrepen worden ligt niet in wat er geschreven staat maar in wat weggelaten is, om de stilte te laten spreken, en om de tijd in alle rust zijn werk te laten doen.

En plotseling wordt alles stil.

Dierbaar België, den ezel kakt nog niet

Of België over 7 jaar zijn tweehonderdste verjaardag viert zal nog moeten blijken. De huidige federale coalitie heeft er namelijk veel voor over om het antwoord op die vraag onmogelijk te maken. Om een toekomstig scenario over de toekomst van dit leuke land voorspelbaar te maken en om het onwenselijke tegen te gaan, zitten er in de knokploegen van de federale boksring van De Cro namelijk meer slachtoffers uitgeteld naast de ring dan erin.

Dat komt ervan wanneer onwil, onkunde en kortzinnig ‘eigen belang’ van de boksers het haalt over het algemeen belang van ‘natie en volk’. Een voor een en zonder weerga worden ze zonder pardon uit de politieke arena gemept. Of ze definitief ko zijn zal de toekomst uitwijzen, voor sommigen onder hen heeft het er echter alle schijn van.

Terwijl de bokshandschoen tot nog niet zo lang geleden het uitgelezen symbool was van uiterst rechts hoeft die knokploeg bij uitstek zich niet te mengen in de strijd om er als winnaar uit te komen. In het huidige politieke ‘catfight-klimaat’ zijn zij het die altijd als overwinnaar zonder vechten uit de strijd zullen komen.

Misschien zelfs halen centrum rechts, gematigd rechts en uiterst rechts op de volgende zwarte zondag hun gram en valt België vanzelf als los zand uit elkaar, al lijkt het Scheldewater voor die paleisrevolutie op dit ogenblik nog te diep en zitten er langs deze en gene kant van de oevers van de Schelde nog te veel foute figuren die worstelen met hun eigen ‘salonfähigheid’ om die natte droom mogelijk te maken.

Of een nieuwe eensgezinde Vlaamse tirannie een beter antwoord kan bieden op de politieke en maatschappelijke uitdagingen is maar zeer de vraag, gelet op hoe huidig palliatief Vlaanderen vandaag omspringt met bevoegdheden als zorg, onderwijs en mobiliteit en hoe ze het als eensgezinde Vlamingen zelfs niet eens kunnen raken over de definitie van stikstof. Misschien is het huidige resultaat van die Vlaamse knokploeg met hun verworvenheden zelfs nog een grotere puinhoop dan die van de federale straatvechters.

Belg zijn is geen gemakkelijke opdracht. Vele mensen uit het Noorden lijken met hun superioriteitsgevoel op zelfbeschikking aan te sturen terwijl de mensen uit het Zuiden voor goede of verkeerde redenen, als met colle-tout, aan Vlaanderen willen blijven plakken. Soms lijkt het zelfs alsof België alleen nog maar bestaansrecht kan hebben bij de gratie van sportprestaties, wanneer geïmporteerde en genaturaliseerde atleten wereldprestaties leveren of wanneer Rode Duivels op een Ek of Wk een begenadigd voetbaldagje kennen.

Vooralsnog en zolang er nog voldoende zotte konijnsocialisten met knaldrang in Vlaanderen rondlopen om de splitsing van het land tegen te gaan, is het signaal van Botrange met zijn 694 meter het hoogstgelegen punt van onze natie. Op de vraag of Het Stroevenbos in de gemeente Voeren met zijn hoogte van 287,5 meter ooit het hoogste punt van Vlaanderen wordt, zal afhangen waar op dat moment de ‘confederalistische’ grens zal getrokken worden en of Vlaanderen in Brussel een Berlijnse muur kan optrekken.  

Of België nu uit één, uit twee of uit drie stukken zal bestaan, of dat nieuw stuk grond dan Vlaanderen of Dietsland genoemd zal worden, eerlijk, ‘t zal me een dikke rotzorg wezen, maar waar ik wel redelijk benauwd van wordt en waar ik wel al eens een uur of twee nachtrust voor laat, is de onverdraagzame samenleving naar de welke we aan het evolueren zijn, gelijk welke naam we daaraan geven.

Totop vandaag maakten we in ons oude België nochtans allemaal deel uit van een sociale verzorgingsstaat, waar de hele samenleving verantwoordelijkheid nam voor welzijn, gezondheidszorg, onderwijs, voor werkgelegenheid en voor een werkende sociale zekerheid. Meer en meer en als ik de rechterkant van onze politieke elite beluister, moeten we evolueren naar een participatiestaat, naar een nieuw soort België waar een in tweeën gesplitste samenleving van burgers verwacht wordt om voor elkaar verantwoordelijkheid op te nemen en hadden we vroeger zoiets dan niet? Ik vraag het me zomaar af.

O dierbaar België den ezel lijkt nog altijd niet te kunnen kakken.

‘Janchilles’, Trojaanse held!

Hier lig ik dan, in een ziekenhuisbed, even onbeholpen en verslagen als de moderne versie van Achilles, eigenaar van zijn onfortuinlijke pees. Gekluisterd aan dit bed, ben ik omringd door knappe, meestal blonde verpleegsters die getooid in smetteloos witte uniformen als Trojaanse godinnen op me neerkijken met een mix van medelijden en beroepsernst.

Ze geven me medicijnen, verschuiven mijn kussens, doen allerlei handelingen die alleen verpleegsters kunnen en geven me alle aandacht die ik nodig heb.

Toch vraag ik me af of ook zij me zien als dezelfde tragische Trojaanse held die ik me op dit ogenblik voel of ze me eerder zien als een zoveelste willekeurige patiënt met een onwillig weerspannige pees?

Bij elke intrede in mijn kamertje vragen ze mijn naam en geboortedatum terwijl deze info met een eenvoudige oogopslag af te lezen is van het label dat aan dit bed kleeft of van het bandje dat ik al twee dagen rond mijn pols draag.  

Terwijl ik hier lig en pijn voel bij elke beweging die ik maak, kan ik niet anders dan me afvragen waarom juist ík dit weer moest ondergaan. Zou het omdat ik in mijn jongere jaren te veel riskante avonturen heb beleefd en daar mijn straf voor ontlopen ben. Is dit dan mijn finale boetedoening voor al die jaren van losbandigheid en onbezonnenheid? Het lijkt erop dat het universum me straft voor al mijn dwaasheden.

Omringd door mensen zonder echte connectie, verlang ik ‘als gewoonte’ zelfs nu naar diepere verbinding, maar mijn situatie maakt dat wat moeilijk. Daarom probeer ik tegenover de verpleegsters al mijn heldencharmes in te zetten, met stomme grapjes en nog stommere opmerkingen. Hoe kan een man met een gescheurde pees anders indruk maken? Ze lijken niet onder de indruk.

In de gang worden patiënten die zich in nog erbarmelijkere toestanden dan ik bevinden in ziekenhuisbedden voortgeduwd op weg naar hun ingreep. Toch overwint mijn zelfbeklag en mijn drama. Zij zijn vandaag mijn enige metgezel want ik voel me als een geknakte bloem in een veld vol lentebloemen.

“Jan Pultau / 13 september negentienachtenzestig en veertien minuten!”, zeg ik misschien iets norser dan een kwartier geleden nog voor ze me de vraag kan stellen. De blonde ziekenzuster glimlacht want ze ziet de absurditeit van de situatie ook wel in. “We hebben interne audit en moeten vandaag echt aandacht geven aan alle protocols en procedures, zelfs al zijn ze wat onnozel”, antwoordt ze een beetje verontschuldigend. “Ik ben net naar het toilet geweest, naar het kleine en het grote, dat mocht toch?”, vroeg ik bijdehand. Dat mocht gelukkig!

De dag kruipt tergend langzaam vooruit. Elk uur voelt als een kleine triomf die alleen gevallen Trojaanse helden kunnen ervaren, al lijkt deze weg naar het einde van de dag eindeloos te duren. Ik stel me voor hoe ik straks weer kan stappen als een onverschrokken avonturier, maar nu moet ik het alleen doen met mijn pijnlijke pees en met mijn zielig zelfbeklag.

Straks word ik ontslagen uit dit ziekenhuis en zal ik bevrijd zijn van dit bed en van de knappe verpleegsters. Ik zal hen inruilen voor mijn vertrouwde sofa en mijn knap zorgzaam lief. Zij kent mijn geboortedatum uit het hoofd.

Ik hoop dat ik dit tragische figuur uit de Griekse mythologie en gevangen zit tussen lachen en huilen en als een schaduw van zelfmedelijden achter me aansluipt hier in dit ziekenhuis kan achterlaten.

Want ook al heb ik de looks, ik ben echt geen Trojaanse held. Ik heb alleen dezelfde pijnlijke pees!