Categorie: Lachen

Slechtste seks-ever

‘Is het af, en kan ik hem lezen?’ vraagt ze me, langs de neus weg, terwijl ze zichzelf voor de derde keer koffie inschenkt.

‘Bijna, geloof ik, maar wanneer is af, af genoeg?’ snoef ik lichtjes geïrriteerd. Ik bedoel maar, ‘Wanneer is het echt goed genoeg?’
‘Oei’, piept ze verwonderd, luider dan nodig met een klemtoon die laat uitschijnen dat mijn antwoord haar niet geheel aanstaat.

‘Is het uitstelgedrag of zo?  Ben je ‘weer’ op zoek naar onbestaande redenen die als excuus dienen om iets niet te doen, of ben je in je hoofd ‘weer’ al je gedachten met de grond gelijk aan ’t maken om ze nadien ‘weer’ op te bouwen?’
Om ervan af te zijn, antwoord ik, ‘Zoiets ja, misschien. Dat zal het wel zijn’, goed wetende dat ze met dat antwoord noch vrede, noch genoegen zal nemen.

Ze slaakt een diepe zucht, alsof ze net de slechtste seks-ever heeft gehad. Met haar strengste blik-ever inspecteert ze me van kruin tot teen met donkere ogen die me vanachter een vierkant brilletje taxeren alsof ik nog iets op te biechten heb. Tegelijkertijd trekt ze de linker wenkbrauw vier millimeter op zodat drie denkrimpels op haar voorhoofd verschijnen die haar gezicht nog een strengere aanblik geven.

‘Zijt daar mee getrouwd’, bedenk ik minachtend, zoekend naar de reden van die ontgoochelde zucht omdat ik vermoed dat mijn antwoord op haar hetzelfde effect had alsof ze net de slechtste seks-ever heeft gehad.  Ik kan geen reden bedenken omdat ik onmogelijk kan weten of vrouwen überhaupt een zucht slaken wanneer ze net de slechtste seks-ever hebben gehad aangezien mij dat nog nooit is overkomen.

Goede seks is namelijk net zoals een boek dat nog niet is uitgegeven, het is nooit helemaal af en het is nooit klaar genoeg. Het is nooit een halfslachtige poging. Het is eveneens pruts- en foefelwerk en het duurt net zolang tot wat ik wil bereiken er helemaal vanaf spat.

Wereld Orgasmedag

Misschien is de lading van dit bericht een paar uur te laat verschoten (hm) maar het is nog ongeveer vier uur lang 21 december, dus het kan nog op de valreep. Urenlang hoeft dat trouwens niet te duren.

Vorige week was het echt gevaarlijk glad maar vergis je niet, vandaag is het internationale orgasme dag, de dag bij uitstek waar het glibberig glad is zonder ijzel, kletsnat is zonder regen en alles keihard wordt zonder vrieskou.

Als ik het allemaal een beetje begrijp is de missie van deze orgasme dag om verandering teweeg te brengen in het energieveld van de aarde door de grootst mogelijke vibe van menselijke energie te produceren als protestactie tegen de verdrukking van vrouwen in het Midden-Oosten. Een goed doel dus. Ik heb me indertijd voor minder achter de deur verstopt dus ik ben mee.

Klaarblijkelijk zetten op dit ogenblik twee Amerikaanse vloten koers naar de Perzische Golf met anti-onderzeeërapparatuur aan boord om tegen Irak in te zetten.

Iedereen die wil deelnemen door vandaag de hand aan zichzelf te slaan dient zijn gedachten voor, tijdens en na het orgasme te richten op wereldvrede. De combinatie van dit hoge orgasme-energieveld zou naar verluid veel krachtiger zijn dan diplomatie, meditatie en gebed.

In plaats van Irak zou ik onze massale hippieaandacht tijdens de globale ruk- en rub-activiteit richten op Iran. Denk je daarbij aan een zesduizend kilometer lange parabool voor van een witte, kleverige smurriewolk die over de Middellandse zee vliegt om Teheran mee te overspoelen.

Mochten we dit tot een goed einde kunnen brengen zou de vrouwenonderdrukking in het Midden-Oosten zomaar voor enige tijd kunnen opgelost worden.

Het enige probleem is dat mijn recordschot maar plus minus veertig, max vijftig centimeter reikt.  Wat nu gezongen, gewoon voor de fun dan maar?

Whatever… Fomo-foemp!

Ik sta opnieuw op een kruispunt in mijn leven. Ik ben 53.  Uitgaan, nieuwe mensen ontmoeten, gedoe, het interesseert me niet zoveel meer. Ik heb genoeg ‘vrienden’ op facebook. Anders dan die kwebbels die mijn vrouw afgelopen maandag had uitgenodigd om te wijnen, kan ik hen muten wanneer ik dat wil. Handig toch? Maar serieus, ik heb het gevoel dat ik in mijn leven opnieuw op een splitsing sta. Het ergste stuk van de midlifecrisis ligt achter mij, althans dat denk en hoop ik.  Ik ben erachter gekomen dat het allemaal niet beter meer wordt.  Grootvader zie ik me de eerste paar jaar niet onmiddellijk worden en mijn professionele leven kabbelt verder gelijk een beekje dat het hard te verduren heeft gehad met de opwarming van de Aarde.

Wat blijft er dan over om mijn tijd te doden?

Juist, met mijn geliefkoosde hobby, mensen beoordelen.  Laat facebook daar nu het ideale medium voor zijn. Gisteren was ik door de profielen van mijn allernaaste familie aan t scrollen. Gewoon om me ervan te verzekeren dat ze nog steeds marginaal en racistisch zijn. Grapje, daarvoor heb ik facebook niet nodig. Dat staat ook op Instagram, Whatsapp en tinder en als ik ze tegen ’t lijf loop hoeven ze hun mond niet open te doen om me daarvan te overtuigen.

Al scrollend door de wondere wereld van facebook botste ik op een van mijn ‘vrienden’.  Niet dat ik hem de afgelopen tien jaar in ’t echt ontmoet heb, laat staan dat ik er IRL ooit een woord mee gewisseld heb. Nieuwe virtuele vrienden heb je nooit genoeg toch?  In zijn laatste bericht las ik dat hij een pauze neemt van Social media. Heb je mensen dat ooit zien doen? Dat gebeurt altijd met een plechtige aankondiging: “Ik heb er even genoeg van, ik neem een digitale detox, #moedig, #getttingalife, #lifesbetter@dentoog.”  Met deze moedige post wanen ze zich de nieuw held van het internet.

Wat ze niet weten is dat, voor ze dit bericht plaatsten, het niemand al een bal kon schelen. Ze whatever-en door het leven en verwachten dat we hun ge-whatever onthalen met bloemen en lofzang, duimpjes, likes, shares en retweets. Als ze er niet genoeg krijgen geven ze er met een virtuele pruillip de brui aan. Zo kwam ik er bijvoorbeeld gisteren achter dat hij, mijn virtuele beste vriend’, een maand lang het gras niet had afgereden, #maaimeiniet, #zetjelevenopgroen, #blijvoordebij en dat hij vier weken geleden voor de tweede keer in die week sushi besteld had, #teriyakistraffewasabilol, #sushiloversarebetterloversyolo.

Waarom schrijft iemand überhaupt een bericht om aan te kondigen dat hij vanaf morgen een facebookbreak neemt? Ik vraag het me af. Dat is toch min of meer hetzelfde als nu het glas heffen en je ladderzat drinken op het feit dat je morgen stopt met drinken om dan rond het middaguur een aperitief te ‘nuttigen’ omdat je de track niet onder controle krijgt? #slechtefbdetoxstart, #facebookbreakfail, #zoujeniebeternekeerietsnuttigsdoenfomofoemp

Killerbody van de kinderboerderij

Omdat ik, zoals jullie onderhand al weten, een bijzonder complexe relatie met mijn gedachten te onderhouden heb, luister ik af en toe naar podcasts van life-coaches, psychologen, of andere zielenknijpers. Ook verslind ik gulzig essays en artikels over geestelijke gezondheid en mentale kwesties. Nu ik erover nadenk, een bezigheid waar ik bedacht moet op zijn het niet te veel of te diep te doen, vermoed ik dat ik mijn respectabele leeftijd alleen maar heb kunnen bereiken door af en toe mijn verstand te gebruiken en mijn gedachten te pijnigen.

Het idee dat mijn verstand zomaar iets is wat ik bezit, wat ik cadeau gekregen heb, vind ik zelfs een beetje beangstigend.  Ik maak me wijs dat denkvermogen, al dan niet kritisch, iets is waar ik aan kan sleutelen, iets waar ik in moet investeren om het gezond te houden. Als ik eerlijk met mezelf ben, denk ik ook zo over mijn kathedraal, mijn lijf zij het iets minder fanatiek.

Mooie lijven worden geprezen en worden nagekeken. Dat geldt zeker voor vrouwen van vijfentwintig, toch koester ik de hoop dat dit ook opgaat voor mannen van mijn leeftijd, al heb ik wat dat laatste betreft minder ambitieuze verwachtingen. Mogelijks zullen vrouwen van vijfentwintig mijn uit de band springende gedachten nog wel sexy vinden, de kans dat ze die mening ook zijn toegedaan over mijn uitzakkende lijf, schat ik iets kleiner. Het zij zo maar dat neemt niet weg dat mooie lijven in balans geen drama’s meemaken in paskamers, een gebeurtenis waar ik zelf onlangs deelgenoot van was toen ik een nieuwe broek paste in een hippe kledingboetiek die eigenlijk niet bij mijn leeftijd past.

Neemt niet weg dat een strakke body, waarover ik tussen haakjes (nog) niet beschik, doorgaans aantrekkelijk bevonden wordt omdat dat discipline, zelfzekerheid, en doorzettingsvermogen uitstraalt.  Een strak lijf in balans zorgt voor zelfvertrouwen, enfin, dat laat ik me toch graag wijsmaken door de zielenknijpers die ik beluister.

Ik ben, laat daar vooral geen twijfel over bestaan, als het op lichaamsbeweging en diëten aankomt een nationale ramp, ik eet gewoon te graag en bewegen, ja daar heb ik helemaal een broertje aan dood.  Toch heb ik mezelf, nadat ik eerst de psychologische grens van 110 kg moest overschrijden, ertoe kunnen aanzetten mijn voedingsgewoonten eens onder een vergrootglas te nemen.

De eerste dagen van mijn spartaans dieet voelden wat vreemd aan, als een soort wrange nostalgie alsof ik dit allemaal al eens doorstaan heb.

Vermageren is mijn ding niet maar wie lijdt, zal herrijzen! Ik mag en zal niet genieten, want daar gaat het niet over. Ik moet afzien om straks blij te worden van het resultaat dat deze hongersnood me zal opleveren. Lees: een gezonde geest in een strak lijf.  Het voelt aan alsof de heiland in hoogsteigen persoon in mij is neergedaald. Alleen, ik zal niet leiden voor de andere, ik moet lijden voor mezelf, met de ogen strak gericht op wat ik eet, wat ik niet eet en vooral op de weegschaal.  Het ultieme doel voor ogen houdend, een killerbody.

Na veertien dagen, sla met lange tanden te eten, op muesli te knabbelen alsof het kaviaar is en mezelf vol water te gieten, ik lijk wel een aquarium die elke dag moet gevuld worden, begin ik het stilaan op de zenuwen te krijgen. Ik verloor snel vier kilogram maar kwam nog sneller anderhalve bij omdat elke tomaat van vijftig gram die ik eet, de dag nadien anderhalve kilo lijkt te wegen wanneer ik mijn goddelijk wordend lijf op de weegschaal hijs.  Ik begin mijn boxershort te wegen en hoop erop dat als ik ze uitspeel en dan in mijn adamskostuum op de bascule sta, ze plotseling twee kilo zou wegen.

Van dat verdomde dieet begin ik stilaan te duizelen en verlang heimelijk naar een biechtstoel om mijn verstand te laten spreken. Ben ik niet te oud voor een killerlijf, in de wetenschap dat vijfentwintigjarige dames toch alleen maar voor mijn verstand in zwijm vallen?  Ik luister naar de gedachten die ik vertrouw en me influisteren dat ik gewoon op zoek ben naar het genot van een halve liter crème-glace. Waar vind ik die? “De kinderboerderij”, antwoordt mijn verstand me enthousiast nog voor ik me de vraag gesteld heb.

Wat hou ik van mijn verstand, mijn lijf kan mijn kloten kussen, de zielenknijpers die me deze onzin ingefluisterd hebben trouwens ook!

Vaginale rukwind

Er was geen samenloop van omstandigheden. Sterker nog, toen ik gisterenmorgen mijn ogen opentrok, had ik onmogelijk kunnen voorspellen dat ik een paar uur later in een kappersstoel zou zitten. Dat gaat zo bij mij. Een bezoek aan de coiffeur overvalt me altijd onverwachts, zoals een acute drang die opkomt, een beetje vergelijkbaar met grote kak.

Ik heb er al vele versleten maar tegenwoordig ga ik om me te laten kortwieken terug naar ‘De Platte’. Waarom de kapper in kwestie door het leven gaat als “De Platte”, ik heb er het raden naar. Ofwel kreeg hij die bijnaam omdat hij niet echt een breed gezicht heeft. Als je goed kijkt lijkt het alsof hij ooit niet snel genoeg uit een lift is gestapt waardoor hij met zijn smikkel tussen de liftdeuren is beland, ofwel kreeg hij die naam omdat na je bezoek je portefeuille plat is. Beiden zouden kunnen. Maar het moet gezegd, haren in de juiste snit op lengte knippen, dat kunnen ze bij “De Platte”.

Zoals steeds viel ik dus geheel onverwacht binnen. “Iemand van de dames tijd om mijn haren een beetje langer te knippen?” Onnozele mopjes doen het niet altijd wanneer je van iemand iets nodig hebt, maar kappers en obers zijn een uitzondering op die regel. “De Platte” reageerde niet verrast. “Ik zal eens kijken of we je er in de rapte tien jaar jonger kunnen laten uitzien, een momentje he manneke”, zei hij tegelijk gesticulerend naar een van zijn snoeipoezen, om haar in een voor een leek niet verstaanbare gebaren te vragen of ze tijd had om mij te knippen. Dat had ze.

Natali uit Albanië, ging me onder handen nemen. Gouden handen zo bleek toen ze even later aan de wastafel mijn schedel boetseerde. Was het de hoofdmassage, was het haar Slavische uiterlijk of haar tongval die me zonder voorafgaande verwittiging deed denken aan Oekraïense vrouwen die vorige week in Parijs met blote borstenprotest kenbaar maakte wat ze van Putin dachten? Of was het mijn jongensachtig machobrein dat me die ongepaste vergelijking deed maken? Het weer dan maar?

“Niets te warm he voor de tijd van ’t jaar?”

Bij de kapper is het weer altijd een veilig maar fantastisch en dankbaar gespreksonderwerp. Om groter onheil te voorkomen zouden alle conversaties met jonge Slavische schone coiffeuses zich tot dat terrein moeten beperken. Het weer is volgens mij het laatste resterende onderwerp waarover veilig kan gesproken worden. Regent het, zal niemand dat feit betwisten, schijnt de zon, zal men dat licht ook niet ontkennen. Veilig terrein dus.

Hoewel het weer geen nadere kennis vereist dwingt het nagenoeg iedereen in een rol van klimaatrecensent die met nauwkeurige precisie kan beoordelen dat die Noordewind inderdaad wel fris aanvoelt en dat het niets te warm is voor de tijd van het jaar.

In tegenstelling tot vele andere dingen is het weer dan ook zowat het enige waar we nooit echt greep op krijgen. Het zijn onbeheersbare krachten die ons ergeren of verbinden. Ze nemen de gedaante aan van koudefronten, hogedrukgebieden, beaufortwindstoten, storingen en sferische schommelingen. Al die dingen overkomen ons, als onverwachte beloningen of als (on)verdiende straf. Om niet onbeslagen op het ijs te komen kan je een bezoek aan de kapper dan ook best laten voorafgaan met het van buiten leren van de verwachtingen op de website van het Kmi. Dat zal de conversatie met de coiffeuse ten goede komen en je zal het risico vermijden dat je gedachten afdwalen naar Oekraïense vrouwen met blote borsten.

Naast de hoofdmassage is het weer dan ook de hoofdreden waarom ik veel liever naar de kapper ga dan naar de tandarts. Ook al omdat het rochelende geluid van een speekselzuiger niet echt bevorderlijk is om een goed gesprek over het weer te kunnen voeren, natuurlijk. En ik kan me voorstellen dat een bezoekje aan de gynaecoloog voor de meeste vrouwen ook niet bepaalt het hoogtepunt van het jaar is om over rukwinden te keuvelen.  Voor hetzelfde geld heb je bij het verwijderen van het speculum namelijk net een vaginale wind gelaten.

De zon van daarnet is verdwenen en het begint keihard te hagelen. “God straft onmiddellijk!” bedenk ik me, de ingebeelde blote borsten en die vaginale wind indachtig.

Een penisplaatje in haar profiel

Tijdens een gesprek met vrienden, in de bruinste kroeg van Bornem, noemt ze mij opeens papa. Zo maar, out of the blue, zonder voorafgaandelijke waarschuwing en vooral zonder aanleiding. Heb ik dat nu goed gehoord? Was dat tegen mij?  Noemt ze mij nu al papa? Zijn we echt al in die fase aanbeland of is haar vader hier plots opgedoken. Op dit uur? Dat lijkt me onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk. Op dit eigenste ogenblik bevindt hij zich namelijk in een andere tijdzone, aan de andere kant van de wereld. Meer bepaald, in Dubai, in het bijzijn van mama, enfin van schoonmama, om daar op de vierhonderdste etage van de Burj Khalifa hun verrimpeld huwelijk nieuw leven in te blazen.

“Papa?”: Ik moet het me ingebeeld hebben. Mijn grootmoe noemde bompa indertijd ook papa. Dat zonder twijfel goed bedoelde koosnaampje waarmee bobonne mijn bompa berispte wanneer hij met zijn galoches de keuken betrad zonder eerst zijn voeten af te vegen, zorgde in die tijd bij mij al voor de nodige verwarring. Wat is het nu papa, bompa of lompe ezel, nog zo’n koosnaampje dat wel eens uit de mond van mijn bobonne rolde.

Het gesprek kabbelt rustig verder, soms ernstig, meestal eerder amusant en luchtig. Het onderwerp van de caféklap doet nu even niet ter zake, maar het gaat, als u het per se wil weten, zoals vaak in deze compagnie trouwens, over seks en relaties. Verbaast je dat misschien? Mij al lang niet meer hoor, “Het zijn zij die er het minst over spreken, die er het meest van weten.”

Ik zwijg, luister, leer bij en fantaseer inmiddels verder over het seksleven van bobonne en bompa op de vierhonderd vijfenzestigste verdieping van de Burj Khalifa. Of is het mama en papa? Ik kom er niet uit.

Mijn gedachten zitten nog bij de galoches van bompa, dus hoor ik alleen het laatste gedeelte van een vraag die voor mij bestemd was, “jij vindt dat toch ook he papa?”

Bovenaan begint het te knetteren alsof alle verbindingen in mijn bovenkamer even zonder stroom komen te zitten. “Papa”, voor de tweede keer, deze avond en dat niet eens in een ‘spank-me-papa-kinda-way.’

Ik excuseer me beleefd, zoals het een papa betaamd die zich in het bijzijn van zijn kinderen bevindt, om te zeggen dat hij even naar het toilet moet. Hoogdringend, het kan niet wachten.

Om van het ‘ge-papa’ van ‘mama’ verlost te raken sluit ik me een paar tellen later op in het kleinste kamertje. Ik ben radeloos en zie geen enkele andere mogelijkheid om haar aan het verstand te brengen dat ik haar papa niet ben. Dus neem ik een dickpic en duw mijn niet al te scherp penisplaatje droog en zonder voorspel in haar whatsapp-profiel.

Opeens krijg ik begrip voor Marc Overmars.

Zomeruur

Ik was al geen fan van maandagen. Nooit geweest, maar nu kijk ik er echt tegenop. Wat haat ik het om het met een uur minder te moeten doen. Een uur vroeger dag dan ik het gewend geworden ben, en dan nog op maandag. De wijzers van de klok zullen me verplichten om me vanaf zondag een uur sneller moe te voelen dan ik het in feite ben. Tot overmaat van ramp zal het irritante alarm van mijn klokwekker me ook nog een uur eerder uit mijn natte droom halen.  Wie heeft dit ooit bedacht?

In het zomeruur leven betekent dat van zaterdag op zondag, precies om twee uur ’s nachts alle klokken een uur doorgedraaid worden. Op de vraag waarom dat stipt om twee uur moet gebeuren, weet alleen Frank Deboosere het antwoord. Doe ik het echter niet, zal ik maandagmorgen in een koud huis ontwaken en zal ik genoodzaakt zijn ijskoffie te drinken omdat de timer van mijn koffiezetapparaat niet langer gesynchroniseerd zal zijn met het nieuwe opstaan-uur. 

Weet er trouwens iemand raad met de reset van mijn biologische klok? Ik vraag dit om te vermijden dat net zoals vorig jaar mijn ochtenderectie zich opnieuw in uitgesteld relais zal aandienen op een gênant moment, hetzij in de auto, in de lift of erger tijdens de eerste vergadering. U begrijpt dat ik dit koste wat het kost wil vermijden.

Ik ben zeker dat ik, opnieuw zoals elk jaar, zal vergeten om mijn autoklok te verzetten waardoor ik me om zeven uur ’s morgens zal afvragen of het nu zes of acht uur is. Ik zal me andermaal doodergeren dat ik dat klokje niet al rijdend kan doordraaien waardoor ik me minstens tot woensdag in dezelfde situatie zal bevinden. Ik durf er gif op nemen.

Halverwege de week, en nadat ik uit pure wanhoop de helft van de klokken minstens drie keer vooruit en vier keer achteruit gedraaid heb omdat ik niet meer weet hoe laat het precies is, zal ik erachter komen dat ik minstens in de helft van de gevallen op tijd op mijn afspraak kwam. Bij de andere keren zal ik recht in de schoenen staan om het zomeruur als schuldige aan te duiden.

Computers stellen zich gelukkig automatisch op het nieuwe zomeruur in, maar dat vergeet ik elk jaar opnieuw. Hierdoor zal het maandagvoormiddag tien uur lijken, maar het zal elf uur zijn en toch aanvoelen alsof het 12 uur is.

De zomertijd is net zoals covid en de invasie in Ukraine, een complot van het universum. Het dient om me te verwarren en om me te doen geloven dat ik er energie mee bespaar. Welke energie trouwens? Ik heb er nu al geen overschot van, althans niet genoeg om er de dag mee rond te maken. De klok terugdraaien naar het winteruur. Ja dat versta ik. Daar ben ik een voorstander van, omdat mijn biologische klok me dan een uur langer zoals muizen tussen ’t meel laat soezen, en ik een uur meer krijg dan tijdens die stomme zomertijd die me dat gewonnen uur elk jaar opnieuw afneemt.

Zal ik u iets vertellen? De zomertijd is een dikke smeerlap. Zeg maar dat ik dat gezegd heb.

Tijdelijk herwonnen jeugd

Ik schrijf om niet vergeten te worden. Wie mijn lezer is, weet ik niet, en dat is niet belangrijk. Misschien wordt het dat pas wanneer dit verhaaltje wordt opgevist uit een gammele kist op een of andere zolder, ooit. Misschien krijgt het dan de betekenis die ik er nu wil aan geven, wanneer een lezer met zijn ogen door mijn gedachten bladert, en er dezelfde ondefinieerbare twijfel in voelt die nu door mijn ziel woedt. Ik ben Jan, zoon van Jef de gereedschapsdraaier en van Carola de ruziemaker. Dit is de ingekookte versie van een praatjesmaker van drieënvijftig die door het leven bedeeld werd met een onmetelijk ego, een vuil blad en met een uiterst breekbaar hart. Buiten ongepast zelfmedelijden en wat losse rafels heb ik niets aan het hoofd al lijkt het als je onder de oppervlakte kijkt dat ik mijn verstand en mijn hart verloren heb. Met aandoenlijk kinderlijke melancholie verberg ik de utopische euforie van mijn jeugd en die van vergeten figuranten die erin passeerden en die net als ik slachtoffer werden van domme onwetendheid of van nog dommere hoogmoed.  De tragedie van het leven is dat men niet oud wordt maar dat men zich jong blijft wanen. Toch verdwijnt iedereen net zoals ik op een dag naar de achtergrond, langzaam door de tijd vergeten. Ik ben Jan en koos mezelf als hoofdpersonage, omdat hij de enige is die overblijft wiens gedachten en emoties ik nog vertrouw. Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een roekeloos verleden. Een verleden dat met elke dag die voorbijgaat meer terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst. Wat hier neergeschreven is, is een levende getuigenis van een half leven dat even zinvol als zinloos voorbijvloog en waar niet veel meer van overblijft dan de tijd die erin verdwijnt. De herfst blaast mijn laatste zomerdag weg om nooit meer terug te komen. Met het vallen van het blad weet ik dat levenservaring een kam is die je van het leven cadeau krijgt op het moment dat je kaal begint te worden. Of drieënvijftig de juiste leeftijd is om tot die vaststelling te komen, weet ik niet. Mijn haargrens bevindt zich namelijk nog precies op dezelfde plaats waar ze zich dertig jaar geleden bevond, al wijt ik dat eerder aan de rimpels op mijn voorhoofd die mijn vel zwaarder doen wegen waardoor mijn haarlijn naar onderen getrokken wordt. Ik zeg maar wat, maar kaal, ben ik nog niet. Toch ben ik het vandaag aan mijn leeftijd verschuldigd om me tot de leeftijdsgroep van de ‘puberende vijftigers’ te rekenen. Gewoon maar vijftig worden is voor groentjes. Het is vanaf drieënvijftig dat men opnieuw recht van spreken krijgt in de grijzer wordende leeftijdscategorie waartoe ik behoor. Al doe ik dat spreken straks misschien best iets luider opdat ze me anders niet horen of verstaan. Officieel zal de stempel ‘vijftig+’ vanaf maandag meer inkt achterlaten wanneer ik de voorrangskaart voor een zitplaats van de trein laat afstempelen. Drieënvijftig dus, en officieel oud. Vanaf maandag zal ik me ten volle vijftiger voelen omdat mijn alsmaar stijver en dikker wordend lijf meer plaats zal innemen dan wanneer ik nog met een veertig+ karkas bedeeld was. Ik ben me ook meer en meer bewust van alle lichamelijke kwaaltjes en van alle andere ellende die met dit cijfer gepaard gaan. Maar niet alles is even kut als ik het hier laat uitschijnen. Ik begin namelijk de kunst te verstaan om mijn lichamelijke beperkingen en mijn mentale obstakels te herkennen en te aanvaarden. Dat mijn libido al eens vaker foert zegt hoeft niet echt een probleem te zijn want dat lijfelijk ongemak raakt met een pilletje in een wip opgelost. De tijd dat ik daar beschaamd over was ligt ver achter mij. Ik los dat wel op. En nu ik deze woorden neerschrijf onder een Noorse sterrenhemel bedenk ik me dat dit alles een uitspraak zou kunnen zijn van een huurmoordenaar die mijn toekomst vermoordt of van een loodgieter die me sust met de gedachte dat zolang de dichting van het kraantje het houdt, het wellicht niet zal lekken. Waar ik echter niet aan gewend raak, is dat ik irritant saai begin te worden en dat ik dat nieuwe gevoel nog als cadeau aanvaard ook. Wie had dat ooit kunnen denken? Hopelijk word ik met deze nutteloze levenswijsheid, net zoals dit tekstje niet vergeten, ik word namelijk niet elke dag drieënvijftig. Maar eerst ga ik met mijn tijdelijk herwonnen jeugd nog een paar Vikingen verslaan en wie weet springt er morgen toch nog een zalm in mijn net.

Geen scheet over de lippen gehad!

“Met de dag begin jij meer op je vader te lijken”: bitste ze me nogal kortaf toe nadat ze haastig de ontbijttafel verliet zonder dat daar in mijn ogen aanleiding voor was.  Mijn permanent aanwezige vrouwelijke huisgenoot die zichzelf voor onduidelijke redenen een hogere rang in de familiale hiërarchie heeft toegeëigend, was overduidelijk geërgerd. Ze blafte in een bitse uitval verder: “Hoe dikwijls nog? Niet met je mondvol!” Met die laatste snibbige schimp was, naast mijn allerlaatste broodkruimel ook mijn allerlaatste twijfel weggenomen. Het was glashelder dat het niet mijn vaders allerzachtaardige kant was die ze in gedachten had toen ik een paar tellen geleden de vergelijking met hem moest doorstaan. Geen idee welk beeld ze van mijn pa precies voor ogen had maar ik durf er gif op nemen dat het niet zijn voordeligste kant was.

Ik zou het licht van de zon ontkennen, mocht ik u proberen overtuigen dat ik met mijn vader geen enkele genetische overeenkomst heb.  Men zou terecht andere vragen kunnen stellen, moest dat niet het geval zijn. Die mens heeft me per slot van rekening verwekt. Neem nu bijvoorbeeld de omvang van onze hoofden. Dat is duidelijk een niet te verloochenen uiterlijk verschijnsel dat de Pultau-dynastie al eeuwenlang generatie op generatie doorgeeft. Mijn zonen zijn ook met datzelfde, in het oog springend genetisch kenmerk belast. En die last mag gezien de omvang ervan redelijk letterlijk genomen worden. Zou u ons niet kennen, geloof me dan maar op mijn woord dat wij, Pultau ’s dè “hoofdreden” zijn waarom het woord bol in Van Dale omschreven wordt als “rond lichaam dat begrensd wordt door een gebogen oppervlak waarvan alle uitstekende punten even ver verwijderd zijn van het middelpunt”. Zou u ons in levenden lijve zien, u zou vaststellen dat wij allemaal over datzelfde grote pompoenenhoofd beschikken als vader zaliger, in de veronderstelling dat u mijn vader zaliger in eigen persoon gekend heeft natuurlijk. Wat hij naast grote karakterkoppen nog ongewild aan ons heeft doorgegeven is zijn gulzige eetlust. Volgens hem was dat het gevolg van de oorlogsschaarste. “Als ge toen niet haastig waart en pakte wat ge kon krijgen, had ge niks!” Ik kan hem die zin met zijn tandeloze mondvol nog horen smakken. Ridderlijk toegegeven, kokette tafelmanieren, het zijn niet de sterkste punten van het geslacht Pultau. Niet dat wij als onbeschofte Neanderthalers werden opgevoed, zeker niet, want mijn ma, eveneens zaliger, kon een erwt nog in vieren snijden alvorens ze er zuinig en zonder gesmak een half uur op te kauwen.

Ik vertel u dit alles omdat de vrouw des huizes de kwaal waaraan zij leidt niet langer meer kan onderdrukken. De diagnose die ze nota bene zonder doktersbezoek bij zichzelf stelde, heet Misofonie. En dat beste mensen is een bijzondere aandoening. Terwijl ze eigenlijk gewoon onverdraagzaamheid bedoelen, is Misofonie de medische term die psychologen bezigen om overgevoeligheid voor specifieke geluiden te benoemen. Hoewel het een vrijwel onbekend verschijnsel is, zijn witjassen het er roerend over eens. Misofonie is een psychische afwijking die zich kenmerkt door een extreme afschuw van bepaalde geluiden.  Geluiden die Misofonie veroorzaken en zelfs tot woede-uitbarstingen of agressie kunnen leiden zijn bijvoorbeeld het voortdurend kuchen van iemand in de directe omgeving, het hoorbaar peuzelen aan een kippenbout of zelfs de ritmische ademhaling van een geliefde kan irriteren en stoppen doen doorslaan. Een te luide scheet of een verdwaalde boer kunnen voldoende aanleiding zijn voor een echtscheiding of voor intra-familiaal geweld.

Wanneer je me dus straks met een blauw oog of een gebroken arm ziet rondlopen, betekent dit waarschijnlijk dat ik te luid geslikt heb, dat ik te hoorbaar of te uitdrukkelijk ademde of dat ik een boer niet langer meer kon onderdrukken want geloof me wanneer ik u zeg dat ik een scheet in haar bijzijn, al maandenlang niet meer over de lippen heb gehad.

Brakke travestiet.

Ik ben een slechte travestiet.  Ik ben zonder twijfel de slechtste travestiet die ooit zal hebben bestaan. Niet dat ik dit feit als een grote ontgoocheling beschouw, neen maar eerlijkheid heeft zijn recht en die gebiedt te zeggen dat het me nog nooit gelukt is om travestiet te zijn, en als homo of transgender deug ik evenmin.  Bijgevolg behoor ik gewoon maar tot het voorspelbaar, duffe gedeelte van het mannelijke geslacht dat door hormonen gedreven, met vastberaden tred hunner piet achterna host.  Aan dit eerder toevallige levenslot heb ik geen enkele persoonlijke bijdrage noch enige verdienste. Men kan mij er dan ook niet van beschuldigen.

Toen God, in de tuin van Eden tot Adam (het tot dan toe enige wezen dat voorzien was van een piet) de gevleugelde, niet mis te verstane woorden sprak, “Gaat heen en vermenigvuldigt u”, kan men Adam bezwaarlijk van dovemansoren verdacht hebben. Nu zijn nageslacht stilaan een kleine acht miljard eenheden telt, blijkt het met dat verplicht gaan en vermenigvuldigen, van begin af aan wel snor zat. De mannelijke nazaten van Adam zijn door de eeuwen heen namelijk steevast hun beste been blijven voorzetten, en de meeste van Eva’s nakomelingen bleven, op één luttele uitzondering niet te na gesproken, allemaal gul en royaal bevlekt ontvangen, al heeft zij zonder dat daar twijfel mag over bestaan, meer verdienste aan dan Adam.  Zij had met die grijplustige handjes van haar maar van die jonagold moeten afblijven, een onbegrijpelijke dwaling waarvan de verstrekkende gevolgen ondertussen genoegzaam bekend zijn. We blijven vogelen om te bestaan en we blijven bestaan om te vogelen. Het leven zit wat dat betreft dus redelijk simpel in elkaar. Laten we het dan ook eenvoudig houden. Travestieten en homo’s hebben hun afspraak met Gods eenvoudige wiskunde dan wel gemist. Mogelijks opteerden zij door de jaren heen voor een iets modernere wiskunde, ik weet dat niet en mij niet gelaten. We zijn per slot van rekening stilaan toch al met genoeg.

In boeken staat dat het verleden haar ware gelaat pas toont als de geschiedenis helemaal geschreven is, wanneer de hoofdstukken genummerd zijn, wanneer alle voetnoten vermeld zijn en als het doek definitief gevallen is. Het enige voordeel van postuum beroemd worden, is dat je geen dikke nek meer kunt krijgen. Het grote nadeel ervan is wel dat je even dood als een pier moet zijn als Jezus Christus, zelfs al beschikte die over het eeuwige leven. Hoe ironisch toch. Het feit dat ik zelfs nog maar durf denken om even postuum beroemd te worden, maakt -buiten dat ik mezelf grenzeloos en schaamteloos overschat- dat ik me ook gewoon maar een ordinaire, respectloze dikke nek mag noemen. Een die zelf soms denkt dat hij God de vader is, terwijl ik gewoon al blij zou moeten zijn dat er zich af en toe nog eens iemand aandient die zich over mijn kruis wil ontfermen. Maar wat wil je? Ik ben dan ook maar een uiterst brakke travestiet en als homo of transgender deug ik ook al niet.

Vanaf morgen zal ik schitteren.

Vandaag was het Blauwe Maandag, de dag waarvan we allemaal aannemen dat hij de meest deprimerende van het jaar is. Ik ben niet helemaal zeker of dit jaar, blauwe maandag die competitie met de andere dagen mag doorstaan want laat er ons niet flauw over doen, er zijn er wel wat geweest, sombere dagen. Als ik mezelf in de spiegel inspecteer en stil sta bij de vraag, hoe ik die blauwe dag van dit jaar waardeer, geef ik hem op de schaal van de treurnis een ondermaatse vier. Want geef toe de wereld stond niet stil.  Blue Monday had voor wat de poleposition betreft geduchte kandidaten. Mijn bankrekening mag er dan niet op achteruit gegaan zijn, voor al de rest was het een boerenjaar om nooit, of om voor altijd te vergeten. Denk maar eens aan die sinistere avondklok, daar wordt een mens toch niet vrolijk van? Ik heb het dan nog niet eens over die onheilspellende Engelse en Zuid Afrikaanse mutanten die ons laf besluipen of over het feit dat zowel Maradona als Kobe Bryant hun pijp brak.

Het afgelopen jaar ben ik niet met lopen begonnen en aan wandelen is een einde gekomen. Ik wijt dat hoofdzakelijk aan mijn oude, versleten botten, want er was werkelijk niemand waarbij ik terecht kom om samen met mij uit te zoeken hoe ik aan nieuwe degelijke wandelschoenen kon raken.  Van al mijn vrienden en kennissen is die vriendelijke zwarte man van Post-Nl diegene die mijn deur het meeste plat liep. In het laatste pakje dat hij afleverde, zaten 5 splinternieuwe powerlines. Eindelijk kan ik beschikken over vliegensvlug internet op ‘t wc, in de badkamer, op de zolder, en zelfs in de patattenkelder zodat ik overal in huis mijn allergrootste ergernis van de Lockdown kan onderdrukken, namelijk die dekselse buffering op pornhub.

Wat mij betreft mag volgend jaar Blue Monday terug op één want dit jaar ga ik echt opnieuw gekke dingen doen. Ik ga zeker poedelnaakt zwemmen in een zoute zee in het noorden. Ik zal meer dan eens de karamel van een potje crème brûlée breken in een veel te duur restaurant.  In het bijzijn van al mijn vrienden zal ik een scheet laten die langer dan vier seconden duurt en ik wil een pasgeboren kalfje nog eens aan mijn vingers laten likken. Kortom, vanaf straks zal ik terug schitteren…ook al is het maar in mijn dromen.

Liefdesverklaring aan mezelf.

Dit heeft in de verste verte niets van een boek. Persoonlijk zou ik de zinnen die hier spontaan ontstaan, eerder omschrijven als een mislukte liefdesverklaring aan mezelf.

Ongeveer tien minuten geleden heb ik in de lade van mijn schrijftafel naar de eerste de beste pen gegrepen die zich binnen handbereik bevond zodat ik u deelgenoot kan maken van het particuliere plezier dat mijn rondspringende gedachten mij bezorgen, omdat ik u met woorden bij de neus mag nemen. Behoort u tot de mensen die mijn ronddolende gedachten maar niets vinden mag u dit werkje gerust, zorgvuldig in uw digitale vuilbak deponeren, maar bent u het samen met mij eens dat wat u leest niet perse ergens over hoeft te gaan, mag u gerust blijven hangen. Waaraan zou je in deze omstandigheden anders je tijd verschijten? Hopelijk kan ik u een paar luttele tellen amuzeren, ook al zal het geluk dat u mij daarmee verschaft niet van essentiëel noch van levensbelang zijn. De hanepoten die ik hier uit mijn vulpen wring, is dan ook maar een onleesbare nietszeggende liefdesverklaring, die ik mezelf gun, in een poging om de hongerige nar die onderhuids in mij verborgen zit, te behagen.

Op papier, ook al staat er nog geen letter op, oogt het plan geweldig, en lijkt het even waterdicht als mijn visserslaarzen. Temeer omdat ik nu tijd te over heb om me met datgene bezig te houden waarvan ik al jarenlang verkondig dat het me zoveel voldoening verschaft. Zelfs al is schrijven de laatste tijd meer een marteling dan een deugd, toch kom ik er niet omheen omdat leven vandaag haast nog een slechter alternatief is. Mijn knusse, normale wereldje, vol met dagelijkse escapades en met zijn occazionele, overzeese ontsnappingsroutes werd door die laffe pandemie namelijk glorieus naar de kloten gedraaid. Het behoeft geen verdere uitleg dan dat de kritische kijk waarmee ik datgene wat er zich normaal gesproken rondom mijn afspeelt, beoordeel daardoor een ietwat verengde en verwrongen aanblik krijgt. Je zal me dat hopelijk niet kwalijk nemen?

Toegegeven – al blijft het natuurlijk een kwestie van appreciatie, wat hier op papier geschapen werd, zijn wellicht niet die gebeurtenissen die gewoonlijk een oog troebel maken of die een lachende trek op je gelaat toveren, maar wanneer er niks te beleven valt, is er niets te vertellen en valt er nog minder te schrijven. Je zal dan ook niet verbaasd zijn als ik je dit toevertrouw. Al wat hier geschreven staat heeft in de verste verte niets weg van een boek, maar zeg niet dat ik je daarvoor niet verwittigd had.

De geknipte man.

‘Lukt het alleen vanaf hier’, vroeg de verpleegster me nadat ze me de kamer had getoond en ze me een plastic zakje had overhandigd waarin een wegwerpscheermes, een paar steriele verbandjes en een flacon eosine zat. ‘Gaat het alleen’, vroeg ze iets nadrukkelijker, omdat ik nog niet op haar vraag had geantwoord.

Voor een verpleegster – die haar dagen op de dienst urologie van het ziekenhuis doorbrengt – was dit een doodgewone, alledaagse handeling. Ikzelf echter wist me geen houding aan te nemen om gepast te reageren. Zou ik neen durven zeggen? In mijn fantasie flirtte ik even met het idee om haar het karwei te laten opknappen, maar ik liet die gedachte even snel varen. Ten eerste omdat ik de avond voordien mijn voorzorgen had genomen en mijn intiemste zone zelf van haar- en schaamdons had ontdaan, maar ook omdat ik een vrouw met een mes niet vertrouw, ook al is ze verpleegster en ook al is het maar een wegwerpmes. ‘Neen, laat maar, het gaat wel’, prevelde ik behoedzaam. Het moest maar eens zijn dat ik haar, – terwijl ze mijn scrotum zat te scheren – plotseling aan iemand deed denken met wie ze nog een “eitje mee te pellen had” en dat ze mij met hem verwarde. Ik zou begot zomaar met één haal “al” mijn mannelijkheid kunnen verliezen.

Op de vraag waarom ik me tot op vandaag herinner waarom ze onder haar witte verpleegsteruniform rode lingerie droeg, is een kwestie waarop niemand het juiste antwoord kent. Misschien was het gewoon een zinloze demarche of een wanhoopsdaad van mijn hypophyse, om daar in de aanschijns van vrouwelijke wulpsheid, mijn laatste greintje mannelijke waakzaamheid ten toon te spreiden die ik op het punt stond definitief te verliezen. Maar ik negeerde deze hormonale stuiptrekking compleet omdat een man die zich in een situatie als deze bevindt maar beter zijn koelbloedigheid kan bewaren en niet mag vergeten voor welk hoger doel hij zich in deze gênante situatie heeft gemanoeuvreerd. Waarom dit verhaal door de mate van detail nog gênanter aan het worden is, is een vraag, waarop net als op de vorige trouwens, niemand een afdoend antwoord kan verzinnen. Wat wel iedereen weet is dat in de voorbije decennia al veel gezegd en geschreven is over de zogenaamde verstoorde verhouding tussen mannen en vrouwen en dat die aan de basis zou liggen van wederzijds onbegrip en misverstanden. In dit geval echter, was de man in kwestie, ik dus, niet te beroerd geweest om zich supercorrect van zijn meest inschikkelijke kant te tonen, namelijk zijn onderkant. Om zich daar, aan deskundigen te onderwerpen en te laten gebeuren wat moest gebeuren. Om de natuur een stapje voor te blijven, maar ook om mijn lief af te helpen van die dagelijkse dosis toegevoegde hormonen, want geloof me maar op mijn woord als ik je zeg dat ze er daar “gewoonlijk” al meer dan genoeg van bezit. Haar hormonenspiegel hoefde door mijn mannenverminking dus niet langer dagelijks, kunstmatig verhoogd te worden, al vreesde ik zelf wel dat mijn persoonlijke hormonenhuishouding erg zou kunnen lijden onder de ingreep die ik op het punt stond te ondergaan. Maar die angst – zo zou nadien blijken – zit voornamelijk tussen de oren, al wil ik niet ontkennen dat die zich op dat bewuste moment toch eerder tussen mijn benen bevond.

Omdat mijn supersonisch-viriele, mannelijke ego – dat op dat moment nog niet vermoord was – er maar weinig voor voelde om zich onder plaatselijke verdoving te laten ontmannen, maar ook omdat ik best wel van efficiëntie houd en ik ook een neusoperatie moest ondergaan, werden beide operaties in één moeite door en onder volledige narcose gedaan. Hoewel mijn neus af en toe stijf wordt en mijn piemel soms automatisch begint te lopen – ik sluit niet uit dat beide operatie verwisseld werden en dat wat aan mijn neus moest gebeuren aan mijn zak is gebeurd – ben ik voor mijn lief vanaf die bewuste dag de genipte man. Omdat zijn van die rotpil verlost is, maar ook omdat ze eindelijk door de feiten bewezen, de broek mag dragen. Zelf dans ik ondertussen en sinds die bewuste knip, braaf naar hormonenvrije pijpen en dan bedenk ik me. Echte mannelijkheid zit van binnen, al hangt ze er vaak toch overbodig aan de buitenkant, in een zakje, gewoonweg belachelijk uit te zien, zeker als ze geschoren zijn!

Hoe pijnlijk het afscheid is.

Uit niets kon blijken dat – wanneer ik vanmorgen mijn ogen opensperde en de slapers uit mijn ogen wreef, het vandaag zo een dag zou worden. Zo’n dag waarop het leven je niet voorbereidt en het de eindigheid ervan abrupt in je gezicht gooit. Net ervoor had een flauwe zonnestraal, die de duisternis van een nare droom had weggejaagd, me nog enigszins opgewekt maar dat was alleen maar omdat ik te slaapdronken en nog onvoldoende helder bij zinnen was, om de gebeurtenissen van gisterenavond en de gevolgen ervan onder ogen te zien. Het was pas tijdens mijn dwangmatig ochtendritueel en nadat ik mijn ochtendsigaret had gedoofd dat ik opeens bevangen raakte door intens pijnlijk verdriet en een waanzinnig gemis. Met een verkeerde vingerknip was alles onherstelbaar kapot geraakt.

Is het alleen maar die plotse oorverdovende stilte en de immense leegte die me nu opeens naar de keel grijpt. Of is het eerder het lange grote zoeken naar het antwoord op de vraag – waar kan ik opnieuw een beetje vreugde vinden – dat me helemaal van slag brengt? Is het dat eeuwig zwijgen en die onmetelijke eenzaamheid of het pijnlijke, rustige ritme van mijn hart dat me nu doet inzien, ‘Ik ben je echt voor altijd kwijt’. Ik weet het niet.

Door de tranen die stromen van verdriet en door mijn verdoofde blik zie ik geen uitweg. Het is niet zomaar het gemis en die onbezette plaats naast de kookplaat – want dat was jou vast plaats – neen het is ook die stomme tijd die alsmaar zinloos en oorverdovend stil verder sluipt, zonder een kopje troost. De digitale klok die me al zo lang, op elk moment van de dag het uur verraadde, staat symbolisch stil. En deze stilstand is haast een illustratie van het tegenstrijdige gevoel dat nu bij mij overheerst. Alsof de hele wereld stilstaat maar tegelijkertijd ook heel hard ronddraait. Maar het is ook dezelfde zon die me daarstraks heeft wakker gemaakt, die opnieuw flauw binnenvalt en me vertelt. ‘Het leven gaat gewoon verder jong, ook zonder koffie, al rest voor jou wel de grote vraag, wat wil jij nu en wat ga jij nu doen?’

Delonghi is haar naam. Met haar intens, sensuele vorm en sexy design heeft ze haar plaats naast de kookplaat al helemaal opgeëist. Een uur lang al vult ze de keuken met wellustige aroma’s en met hartstochtelijke geuren van bittere Arabica-bonen. Al mijn zinnen worden genotziek geprikkeld door haar fluweelachtige textuur van slechts één kopje zwart goud dat onverwacht maar uiterst subtiel haar geur lost en de ruimte vult met walnoot en sandelhout en me doet denken aan exotische stranden. Maar ondanks de cafeïne-geilheid die het nieuwe koffiezetapparaat bij me teweegbrengt, vergeet ik nooit hoe pijnlijk het afscheid was. Nooit, zo lang ik leef, zal ik mijn eerste koffiezetapparaat en de mooie momenten die we samen beleefd hebben, vergeten ook al deed je de laatste paar weken wel heel erg flauw en stond je veel minder heet dan dat ik dat van jou gewend was.

Erotisch verhaal.

Vroeger had je alleen een dikke kop. Nu heb je ook nog een dikke pens – zeker wanneer ik naar je kijk, en je in je zwembroek voor mij in profiel staat. Je praat ook altijd met je mond vol en er groeit haar uit je neus, en ook uit je oren’, voegt ze er even later nog aan toe. ‘Hoe lang is het trouwens al geleden dat jij nog eens iets gedaan hebt. Jij doet nooit iets. Niks steek jij uit. Als ik niet alles zelf doe, gebeurt hier niks.’ En ik gebruik in deze zin met opzet het woord niks, omdat dat een iets assertieve nuance heeft dan het meer neutrale woord niets, maar deze bedenking doet niets ter zake in hetgeen ik wil vertellen.

Natuurlijk leef ik al lang genoeg met mezelf, om te weten dat ik niet echt een werkmier ben.  Maar ‘nooit iets’, dat steekt toch een beetje. Ik heb namelijk – om maar ‘iets’, wat me onmiddellijk te binnenschiet te noemen – daarnet nog twee kippen gebraden en aardappelen gebakken met sla, komkommer en tomaten. Voor alle duidelijkheid de tomaten, sla en komkommer heb ik niet mee gebakken want daar zou ze dan met recht en rede over kunnen zeuren. Neen, tussen de sla heb ik gewoon een busseltje fijngesneden tuinkruiden gemengd.  Dus, ‘ik nooit iets en zij alles’, is niet de eerste bewuste leugen van de dag waaraan zij zich schuldig maakte. Weet zij trouwens veel dat ik al de hele dag al mijn zintuigen loop te pijnigen en dus in gedachten veel hogere bergen werk heb verzet dan zij.  Alleen, zij wordt daar niet moe van. Daarbij, daar hebben die drie extra Corona-kilo’s – die zij, geheel ten onrechte trouwens, als een dikke pens ziet – niets mee te maken, want toen ik mezelf daarnet in de spiegel bekeek, merkte ik nauwelijks een verschil met het beeld dat ik gewoon ben. Oké ik ben drie kilogram bijgekomen, een beetje corona-vet, so what? Ik zal op deze aardkluit niet de enige zijn.

Dat van die dikke kop, dat is niet gelogen. En nu ze dat gevoelige onderwerp aangesneden heeft, probeer ik me de mensen voor de geest te halen die me dat ooit nog gezegd hebben. ‘Varkenskop’ en ‘dikkop’ zijn woorden die me vaak naar mijn grote kop geslingerd werden, al moet ik bekennen dat sommige uitlatingen toch met iets meer subtiliteit geuit werden. Ze vroegen me dan langs hun neus weg, ‘fluit jij in de sauna?’ of ze benoemden mijn voorgevel – met iets vriendelijkere bewoordingen –  als ‘karakterkop’. Ik zeg dat nu zomaar en helemaal zonder posttraumatische gevoelens, en alleen maar omdat mijn smikkel er – op een paar rimpels na –  nog altijd min of meer hetzelfde uitziet.

Zou het dan kunnen dat zij zichzelf – nu ze zelf in de schemerzone van haar leven is aanbeland – een nieuwe rol wil toe-eigenen?  En dat ze – nu de dagen zich even onvoorspelbaar gedragen als vrouwen die zich in de schemerzone van hun leven bevinden – nachtmerries krijgt van de “realiteit”, waarin ze mij voor het eerst met mijn groot hoofd op een bezem – pratend met mijn mond vol – elke nacht voorbij ziet vliegen? Het zou begot zomaar kunnen!

Deze woorden zijn misschien geen literaire hoogstand of mijn allerbeste schrijfsel, maar het is alleszins een aanvaardbare poging tot iets waar een echte schrijver en lezer iets mee kan aanvangen. En het gaat zeker niet over zoiets waar een volwassen man beschaamd over moet zijn of waar hij zou van moeten beginnen blijten, tenzij het hem als schrijver zelf overkomt natuurlijk.

Misschien moet ik me toch maar eens wagen aan een erotisch verhaal en het zou zomaar als volgt kunnen beginnen… Weet je, vroeger had je ook al een dikke kop, maar toen was je ook nog onweerstaanbaar sexy, sportief en had je het uithoudingsvermogen van een bronstige dekhengst. Nu heb je alleen nog een dikke pens – zeker wanneer ik naar je kijk, en je in je zwembroek voor mij in profiel staat. Wist je trouwens dat ik me mateloos erger me aan het feit dat je altijd met je mond vol praat en dat er haren uit je neus, en uit je oren groeien, maar toch zou ik willen dat je me nog eens alle kanten van het bed laat zien.  Zoals vroeger en ik zal dan fantaseren dat je even wild, onweerstaanbaar sexy en sportief bent zoals toen en dat je nog altijd over dat uithoudingsvermogen van een bronstige dekhengst beschikt waarmee je mij toen kletsnat…